<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR347741_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Zevenaar</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Zevenaar Post</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet Zevenaar</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatieweg (artikel 8a, eerste lid en onder a, c, d en e, en tweede lid, en 10b, vierde lid.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Participatiewet</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Zevenaar</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Re-integratieverordening Participatiewet gemeenteZevenaar</vet></al><al>Vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 17 december 2014;</al><al>De raad van de gemeente Zevenaar;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 november 2014,
                        nr. 14-068;</al><al>gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                        tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet;</al><al>besluit vast te stellen de Re-integratieverordening Participatiewet
                        Zevenaar.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder
                                    a, van de wet;</al></li><li nr="b."><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="c."><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="d."><al>mantelzorg: langdurige zorg gedurende ten minste 3 maanden en
                                    voor minimaal 8 uur per week die niet in het kader van een
                                    hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                                    personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                                    rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de
                                    gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt;</al></li><li nr="e."><al>wet: Participatiewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot 12 jaar,
                                        en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan voor een in deze verordening opgenomen voorziening
                                een maximumbudget en een maximumaantal deelnemers bepalen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zendt eenmaal per jaar aan de gemeenteraad een verslag
                                over de doeltreffendheid van het beleid. Het verslag bevat in ieder
                                geval het advies van de cliëntenraad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening een
                                    beleidsplan vast waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen,
                                    waaronder ondersteunende voorzieningen, het college in ieder
                                    geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor
                                    zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn
                                    opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                            verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de
                                            wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen
                                            13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                            niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                            behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                            geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik
                                            wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde
                                            voorziening, tenzij het betreft een persoon als bedoeld
                                            in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening
                                            onvoldoende bijdraagt aan een snelle
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet
                                            meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van
                                            de voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                            behoren gebruik maakt van de aangeboden
                                            voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                            voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening
                                            worden gesteld om in aanmerking te komen voor die
                                            voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2.</nr><titel>Werken met behoud van uitkering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep in
                                    staat stellen voorafgaande aan een regulier dienstverband of een
                                    dienstverband waarbij loonkostensubsidie wordt verstrekt,
                                    werkervaring op te doen in de vorm van een proefplaatsing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de proefplaatsing is de persoon werkervaring op te
                                    laten doen in zijn/haar toekomstige functie om daarmee uitval na
                                    aanvang van het dienstverband te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De proefplaatsing duurt maximaal drie maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college biedt de persoon alleen een proefplaatsing aan als
                                    door zijn plaatsing de concurrentieverhoudingen niet
                                    onverantwoord worden beïnvloed en als door zijn plaatsing geen
                                    verdringing plaatsvindt op de arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt tenminste vastgelegd: a.
                                    het doel van proefplaatsing; b. de wijze waarop de begeleiding
                                    plaatsvindt; c. de duur van de proefplaatsing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Werkervaringsplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon een werkervaringsplaats gericht op
                                    arbeidsinschakeling aanbieden als deze:</al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot de doelgroep, en</al></li><li nr="b."><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een
                                            afstand tot de arbeidsmarkt heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een werkervaringsplaats is het opdoen van
                                    werkervaring of het leren functioneren in een
                                    arbeidsrelatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                    vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkervaringsplaats,</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt en</al></li><li nr="c."><al>de duur van de werkervaringsplaats.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                    algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet
                                    onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                    werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke
                                    overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de
                                    werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat
                                    verrichten. 3. Het college plaatst de persoon uitsluitend als
                                    hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden
                                    beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.
                                    4. In een trajectplan wordt in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de participatieplaats; </al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt; </al></li><li nr="c."><al>de duur van de participatieplaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet
                                    bedraagt € 90,- per 6 maanden, mits in die zes maanden voldoende
                                    is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in
                                    het arbeidsproces. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.3</nr><titel>Werken in dienstverband</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Korte loonkostensubsidie (zonder loonwaardemeting)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een kortdurende loonkostensubsidie verstrekken
                                    aan een werkgever die een arbeidsovereenkomst sluit met een
                                    persoon die a. behoort tot de doelgroep; b. nog niet volledig in
                                    staat is om met voltijds arbeid het wettelijk minimumloon te
                                    verdienen; c. met behulp van een jobhuntingstraject bemiddeld is
                                    naar betaald werk .</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De loonkostensubsidie bedraagt ten hoogste 20 procent van het
                                    wettelijk minimumloon gedurende een periode van maximaal 6
                                    maanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op
                                    grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële
                                    tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de
                                    werknemer. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een trajectplan wordt in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de korte loonkostensubsidie; </al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt; </al></li><li nr="c."><al>de duur van de korte loonkostensubsidie.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Loonkostensubsidie (met loonwaardemeting)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een loonkostensubsidie verstrekken aan een
                                    werkgever die een arbeidsovereenkomst sluit met een persoon die
                                    a. behoort tot de doelgroep; b. nog niet in staat is om met
                                    voltijds arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen; c.
                                    mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan zich met betrekking tot het oordeel of een
                                    persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie laten
                                    adviseren door een externe organisatie die daarbij de in het
                                    eerste lid neergelegde criteria in acht neemt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de bepaling van de loonwaarde maakt het college gebruik van
                                    een loonwaardemethodiek die voldoet aan de minimumeisen voor de
                                    vaststelling van de loonwaarde die zijn neergelegd in de
                                    Regeling loonkostensubsidie Participatiewet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan zich bij de bepaling van de loonwaarde van een
                                    persoon laten adviseren door een externe organisatie die daarbij
                                    de in het derde lid bedoelde eisen in acht neemt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In een trajectplan wordt in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de loonkostensubsidie; </al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt; </al></li><li nr="c."><al>de duur van de loonkostensubsidie.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Detacheringsbaan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die
                                    behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een
                                    werkgever, gericht op arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd
                                    bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een
                                    schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en
                                    inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende
                                    organisatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de
                                    concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                    er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een trajectplan wordt in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de detacheringsbaan; </al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt; </al></li><li nr="c."><al>de duur van de detacheringsbaan.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Voorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                    persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke,
                                    verstandelijke of psychische beperking een zodanige mate van
                                    begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                                    van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden
                                    verwacht dat hij deze persoon in dienst neemt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt voor welke personen uit de doelgroep advies
                                    wordt ingewonnen bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen voor de beoordeling of zij uitsluitend
                                    in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden
                                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet,
                                    bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de
                                    volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen
                                    van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of
                                    aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of
                                    arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en
                                    legt vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente
                                    beschikbaar stelt.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.4.</nr><titel>Ondersteuning aan cliënten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het college kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de
                                doelgroep ten aanzien van wie het college van oordeel is dat een
                                leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is
                                voor het volgen van een leer-werktraject en het personen
                                betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                        kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog
                                        niet is geëindigd, of</al></li><li nr="b."><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie
                                        hebben behaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning / Jobcoaching</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                    persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van aan die
                                    persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele
                                    begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in
                                    staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan op aanvraag aan een werkgever die de intentie
                                    heeft een persoon in dienst te nemen die behoort tot de
                                    doelgroep en waarvan is vaststelt dat die persoon zonder
                                    persoonlijke ondersteuning niet in staat is de door de werkgever
                                    opgedragen taken te verrichten, over de periode dat voorafgaand
                                    aan het dienstverband onbeloonde werkzaamheden worden verricht
                                    op basis van een proefplaatsing, subsidie verstrekken voor: a.
                                    ondersteuning van de werkgever door een (werkgevers)coach met
                                    als doel dat de werkgever op termijn zelf de persoon ten behoeve
                                    van wie ondersteuning nodig is, kan begeleiden, of b.
                                    ondersteuning van de werknemer door een (job)coach. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op aanvraag aan een werkgever die een
                                    arbeidsovereenkomst aangaat met een persoon die behoort tot de
                                    doelgroep en waarvan is vaststelt dat hij zonder persoonlijke
                                    ondersteuning niet in staat is de door de werkgever opgedragen
                                    taken te verrichten, subsidie verstrekken voor: a. ondersteuning
                                    van de werkgever door een (werkgevers)coach met als doel dat de
                                    werkgever op termijn zelf de persoon ten behoeve van wie
                                    ondersteuning nodig is, kan begeleiden, of b. ondersteuning van
                                    de werknemer door een (job)coach. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het tweede en het derde lid bedoelde subsidie wordt alleen
                                    verstrekt indien: a. de door de werkgever gecontracteerde coach
                                    werkzaam is bij een door het UWV erkende jobcoachorganisatie, of
                                    anderszins erkend of gecertificeerd is en het college van
                                    oordeel is dat de betreffende coach beschikt over voldoende
                                    kwaliteiten om de noodzakelijke ondersteuning te bieden; b. de
                                    persoon ten behoeve van wie subsidie wordt gevraagd daarvan op
                                    de hoogte is en instemt met de persoonlijke ondersteuning. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De in het tweede lid bedoelde subsidie wordt voor maximaal 3
                                    maanden verstrekt en bedraagt € 500,- per maand. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De duur en hoogte van de in het derde lid bedoelde subsidie is
                                    afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte. De
                                    ondersteuningsbehoefte wordt vastgesteld tijdens een
                                    proefplaatsing van de persoon ten behoeve van wie subsidie wordt
                                    gevraagd bij de betreffende werkgever. </al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde subsidie wordt verstrekt vanaf het
                                    moment van aanvang van het dienstverband voor de duur van: a.
                                    maximaal een half jaar met de mogelijkheid van verlenging op
                                    aanvraag tot maximaal 3 jaar, indien het een subsidie betreft
                                    als bedoeld in het derde lid aanhef en onder a; b. maximaal 1
                                    jaar met de mogelijkheid van verlenging op aanvraag tot maximaal
                                    3 jaar, indien het een subsidie verstrekt als bedoeld in het
                                    derde lid aanhef en onder b. </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De hoogte van de in het derde lid bedoelde subsidie bedraagt
                                    maximaal € 6.000,- per jaar bij een arbeidsovereenkomst voor een
                                    jaar of langer en voor 24 uur per week of meer. Bij een
                                    arbeidsovereenkomst voor minder dan 24 uur per week of voor
                                    korter dan een jaar, wordt de maximale hoogte van de subsidie
                                    naar rato naar beneden vastgesteld. </al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het college kan bij toepassing van het tweede en het derde lid
                                    voorschotten verstrekken.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.5.</nr><titel>Overige voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                    scholingstraject aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende
                                    eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>zonder inzet van de scholing is het verwerven of
                                            behouden van arbeid naar het oordeel van het college
                                            niet haalbaar;</al></li><li nr="b."><al>de scholing moet passen bij de capaciteiten van de
                                            persoon en</al></li><li nr="c."><al>duidelijk arbeidsmarktrelevant zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in
                                    artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis als:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever voor ten minste de duur van 6 maanden een
                                            arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer;</al></li><li nr="b."><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid
                                            behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de werknemer een structurele functionele of andere
                                            beperking heeft of de werkgever ten behoeve van de
                                            werknemer een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel
                                            10d van de wet ontvangt;</al></li><li nr="d."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is,
                                            en</al></li><li nr="e."><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de
                                            gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De no-riskpolis vergoedt: </al><lijst><li nr="a."><al>maximaal het volledige loon van de werknemer minus de
                                            verstrekte loonkostensubsidie. Het is daarbij mogelijk
                                            om een eigen risicoperiode van maximaal 2 weken te
                                            hanteren, en</al></li><li nr="b."><al>tot maximaal 25 procent boven de dekking voor extra
                                            werkgeverslasten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit de
                                    gemeente een verzekering af bij een verzekeraar en treedt op als
                                    verzekeringnemer. De begunstigde is de werkgever. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college verstrekt de no-riskpolis tot en met 12 maanden na
                                    indiensttreding van de werknemer bij de werkgever. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Stimuleringssubsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een persoon van 27 jaar of ouder die hoort
                                    tot de doelgroep een subsidie verstrekken als bedoeld in artikel
                                    31, lid 2 onder j om daarmee de uitstroom uit de uitkering te
                                    stimuleren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels over de activiteiten die voor de
                                    subsidie in aanmerking komen, de hoogte van de subsidie en de
                                    voorwaarden waaronder deze wordt toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                    activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering als
                                    dit naar het oordeel van het college kan bijdragen aan de
                                    arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                    activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                    persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Vergoeding overige noodzakelijke kosten</titel></kop><al>Het college kan een vergoeding verstrekken voor noodzakelijke kosten
                                die gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling of
                                maatschappelijke participatie voor zover daarvoor geen beroep op een
                                voorliggende voorziening kan worden gedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                                belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, als
                                toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende
                                aard leidt.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2008-2009 gemeente
                                Zevenaar (gewijzigde versie) wordt ingetrokken. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                grond van de Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2008-2009
                                gemeente Zevenaar (gewijzigde versie), behoudt deze voorziening voor
                                zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                                Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2008-2009 gemeente
                                Zevenaar (gewijzigde versie): </al><lijst><li nr="a."><al>voor de duur van 12 maanden, gerekend vanaf de
                                        inwerkingtreding van deze verordening, of</al></li><li nr="b."><al>voor de duur dat deze is toegekend, als dat korter is dan de
                                        periode als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan na afloop van de in het tweede lid, onderdeel a,
                                bedoelde periode, besluiten of een voorziening op basis van de
                                nieuwe verordening wordt voortgezet. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2008-2009 gemeente
                                Zevenaar (gewijzigde versie) blijft van toepassing ten aanzien van
                                een voortgezette voorziening als bedoeld in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                                    Participatiewet Zevenaar.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Zevenaar,</al><al>gehouden op 17 december 2014.</al></slotformulering><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting re-integratieverordening Participatiewet gemeente …</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten
                    eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat
                    personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening
                    binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de
                    verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan
                    aanbieden.</al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen
                            8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al></li></lijst><tussenkop><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></tussenkop><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><al><cursief>Doelgroep</cursief>De doelgroep wordt gevormd door personen
                    zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet. Het betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c, van
                            de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35,
                            vierde lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid,
                            onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid
                            in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                            minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                            geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                            Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna:
                            IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna:
                            IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering;</al></li></lijst><al>en, personen die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het
                    college aangeboden voorziening.</al><tussenkop>Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering </tussenkop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de
                    gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen,
                    waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele
                    beperkingen van die personen. Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook
                    rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met
                    een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van
                    personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen,
                    beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een
                    handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid
                    en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit
                    artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven. </al><tussenkop>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen</tussenkop><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2, eerste
                    lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden.</al><tussenkop>Budgetplafond en deelnemersplafond</tussenkop><al>Mochten de uitgaven voor een voorziening groter zijn dan begroot, dan heeft het
                    college op grond van artikel 2, tweede lid, de mogelijkheid om voor een
                    voorziening een budgetplafond en een deelnemersplafond te bepalen. </al><tussenkop>Verslag doeltreffendheid</tussenkop><al>Het college zendt eenmaal per jaar een verslag over de doeltreffendheid van het
                    re-integratiebeleid. Dit verslag moet het advies van de cliëntenraad bevatten.
                    Dit is geregeld in artikel 2, derde lid van deze verordening.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3: Voorzieningen</tussenkop><tussenkop>Paragraaf 3.1. Algemeen</tussenkop><tussenkop>Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>De wet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet
                    bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de
                    arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot
                    de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale
                    activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van
                    vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of
                    kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd
                    werk).</al><tussenkop>Beëindigingsgronden</tussenkop><al>Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al/><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in
                    artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld
                    beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de
                    Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde
                    lid, onderdelen b en c en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA. Voor
                    deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    moet bieden gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon
                    bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                    loonkostensubsidie is verstrekt. </al><al/><al>De wet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die
                    onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet
                    bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd.<sup/>
                    Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.</al><tussenkop>Paragraaf 3.2. Werken met behoud van uitkering</tussenkop><al>De voorzieningen die behoren tot de paragraaf Werken met behoud van uitkering
                    zijn te positioneren in een kwadrant. De positionering binnen het kwadrant
                    gebeurt op basis van het gevraagde prestatieniveau en de intensiteit van de
                    begeleiding. Het prestatieniveau is opgebouwd uit twee aspecten: de hoeveelheid
                    werk die de uitkeringsgerechtigde in het kader van de activiteit levert en de
                    complexiteit ervan. Onder begeleiding verstaan we de intensiteit van de
                    supervisie en/of ondersteuning die op het werk wordt uitgeoefend alsmede de
                    hoeveelheid hulp(middelen) die de uitkeringsgerechtigde nodig heeft om de
                    werkactiviteiten uit te voeren.</al><al>Door deze 2 criteria tegen elkaar af te zetten in een assenstelsel ontstaan er 4
                    kwadranten.</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="15*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="27*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="49*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="9*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al><vet>Hoog</vet></al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Begeleiding weinig</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>KWADRANT 1</al><al>Instrumenten gericht op snelle uitstroom</al></entry><entry colname="col3"><al>KWADRANT II</al><al>Instrumenten waarbij ontwikkeling van beroepsvaardigheden
                                        centraal staat</al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Veel</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>KWADRANT IV</al><al>Instrument niet direct gericht op re-integratie</al></entry><entry colname="col3"><al>KWADRANT III</al><al>Instrumenten waarbij ontwikkeling van
                                        basiswerknemersvaardigheden centraal staat</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al><vet> Prestatieniveau laag</vet></al></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In kwadrant I bevinden zich de voorzieningen waarvoor een hoge prestatie wordt
                    gevraagd en waarbij de begeleiding gering is (Proefplaatsing). Kwadrant II staat
                    voor voorzieningen waarbij eveneens een behoorlijke prestatie wordt verwacht
                    maar waarbij de begeleiding op aanzienlijk hogere schaal ligt
                    (Werkervaringsplaats). In kwadrant III volgen de voorzieningen waar het
                    gevraagde prestatieniveau veelal laag is en de begeleiding hoog
                    (Werkervaringsplaats en Participatieplaats).</al><al>Op hoofdlijnen kan bij deze drie kwadranten worden gesteld dat hoe hoger het
                    gevraagde prestatieniveau wordt en hoe lager de begeleidingsgraad die daarbij
                    nodig is, hoe meer de voorziening overeenkomsten vertoont met een betaalde baan.
                    Dan staat immers de prestatie centraal en niet de begeleiding. Hoe lager het
                    prestatieniveau en hoe hoger de graad van begeleiding hoe meer beschermd de
                    werkomgeving. Begeleiding en ontwikkeling staan dan centraal.</al><al>Kwadrant IV ten slotte wijkt af van de andere kwadranten, omdat de voorzieningen
                    die daarin geplaatst kunnen worden, over het algemeen niet direct gericht zijn
                    op re-integratie. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan vrijwilligerswerk of
                    de tegenprestatie.</al><al>Welke voorziening ingezet wordt bij een persoon is afhankelijk van zijn of haar
                    mogelijkheden.</al><tussenkop>Artikel 4. Proefplaatsing (kwadrant 1)</tussenkop><al>De proefplaatsing kan worden ingezet voorafgaand aan een regulier dienstverband
                    of een dienstverband waarbij loonkostensubsidie wordt verstrekt. De
                    proefplaatsing heeft tot doel om regulier werk te verwerven. Door de
                    proefplaatsing krijgt de cliënt een langere inwerktijd en daarmee een
                    evenwichtigere opbouw van de reguliere werkzaamheden.</al><tussenkop>Artikel 5. Werkervaringsplaats (kwadranten 2 en 3)</tussenkop><al>Een werkervaringsplaats onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst.
                    Bij een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst
                    toetst de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een
                    arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en
                    gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals de
                    bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen. De
                    rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de
                    overeenkomst.</al><al/><al><cursief>Werk</cursief><cursief>ervaringsplaats</cursief><cursief> is gericht op
                        uitbreiden kennis en ervaring</cursief> De Hoge Raad heeft bepaald dat er
                    bij werkervaringsplaatsen weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van
                    arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van de kennis en
                    ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een werkervaringsplaats in de regel
                    geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het verstrekken van een gerichte
                    vergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan wel een onkostenvergoeding worden
                    gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van een vergoeding van gemaakte
                    kosten.</al><al/><al><cursief>Doelgroep aanbieden werk</cursief><cursief>ervaringsplaats</cursief>
                    Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkervaringsplaats
                    aanbieden voor zover hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Personen die een
                    afstand tot de arbeidsmarkt hebben, kunnen nog niet direct deelnemen aan de
                    arbeidsmarkt. Bij een korte afstand tot de arbeidsmarkt is deelname aan de
                    arbeidsmarkt redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar. Bij een grote afstand tot
                    de arbeidsmarkt is deelname aan de arbeidsmarkt binnen één jaar redelijkerwijs
                    niet mogelijk. Het college maakt hierbij gebruik van de Participatieladder. </al><tussenkop>Doel van de werkervaringsplaats</tussenkop><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de
                    werkervaringsplaats, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te
                    geven. Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat
                    sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt.
                    De werkervaringsplaats kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan
                    om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de
                    zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te
                    bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats
                    kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de
                    werkervaringsplaats kan een persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd
                    komen, werkritme en samenwerken met collega’s.</al><tussenkop>Opstellen schriftelijke overeenkomst</tussenkop><al>In het vierde lid is bepaald dat voor de werkervaringsplaats een schriftelijke
                    overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de
                    werkervaringsplaats worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding en de
                    duur. Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat
                    het bij een werkervaringsplaats niet gaat om een reguliere
                    arbeidsverhouding.</al><tussenkop>Geen verdringing</tussenkop><al>In het derde lid is bepaald dat de werkervaringsplaats uitsluitend wordt
                    aangeboden als er geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen
                    van een vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door
                    afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende redenen:</al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>handicap;</al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of</al></li><li nr="-"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 6. Participatieplaats (kwadrant 3)</tussenkop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de wet). Het
                    college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op
                    algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.</al><tussenkop>Additionele werkzaamheden</tussenkop><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de te
                    verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw)
                    wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en
                    samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats
                    gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past
                    bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld
                    een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor
                    zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                    participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van
                    de wet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de
                    participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a,
                    achtste lid, van de wet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd.
                    Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw
                    beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert
                    dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen
                    factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de
                    participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient een
                    andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de wet). Na
                    36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende
                    lid, van de wet).</al><tussenkop>Opstellen trajectplan</tussenkop><al>In het vierde lid is bepaald dat in het voor de participatieplaats opgestelde
                    trajectplan expliciet het doel van de participatieplaats wordt opgenomen,
                    evenals de wijze van begeleiding en de duur. </al><tussenkop>Premie</tussenkop><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de wet).
                    Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het college voldoende heeft
                    meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. Het college
                    beoordeelt dit op basis van de bestaande wet- en regelgeving. De hoogte van de
                    premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid,
                    onderdeel d, van de wet). De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel 31,
                    tweede lid, onderdeel j, van de wet. In verband hiermee is de hoogte van de
                    premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast
                    moet bij het bepalen van de hoogte van de premie ook de risico's van de
                    armoedeval worden betrokken.<sup/> Er is gekozen voor een premie van telkens €
                    90,- per zes maanden. De hoogte van de premie is daarmee gelijk aan de
                    activeringssubsidie voor personen die ontheven zijn van de arbeidsverplichting
                    en vrijwilligerswerk verrichten en voor personen die naast hun
                    re-integratietraject vrijwilligerswerk verrichten. Hiermee creëren we gelijkheid
                    in premie tussen mensen die (nog) niet betaald kunnen werken en werkzaamheden
                    verrichten op een participatieplaats en mensen die vrijwilligerswerk
                    verrichten.</al><tussenkop>Paragraaf 3.3. Werken in dienstverband</tussenkop><tussenkop>Artikel 7. Korte Loonkostensubsidie (zonder loonwaardemeting)</tussenkop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de
                    arbeidsinschakeling te bevorderen. In de wet is geregeld dat alle voorzieningen
                    moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te helpen. </al><al/><al><cursief>Compensatie</cursief></al><al>Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor het feit
                    dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald,
                    terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het
                    college een loonkostensubsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het
                    verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de
                    bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen.<sup/></al><al/><al>De in artikel 6 van deze verordening geregelde korte loonkostensubsidie omvat de
                    loonkostensubsidie voor mensen die met behulp van een jobhuntingstraject
                    bemiddeld zijn naar betaald werk.</al><tussenkop>Artikel 8 Loonkostensubsidie (met loonwaardemeting)</tussenkop><al>Gemeenten kunnen het nieuwe instrument loonkostensubsidie zo nodig onbeperkt
                    (tot de pensioengerechtigde leeftijd van de werknemer) inzetten. De
                    loonkostensubsidie overbrugt het verschil tussen de verdiencapaciteit van de
                    werknemer en het WML (Wettelijk Minimumloon) en bedraagt nooit meer dan 70% van
                    het WML. Indien de werknemer meer dan het WML ontvangt, betaalt de werkgever het
                    verschil tussen het WML en het (cao-)loon.</al><al>De loonwaarde wordt jaarlijks vastgesteld. Zo wordt de ontwikkeling van (de
                    loonwaarde van) werknemers gemonitord. In het ideale geval groeien de werknemers
                    door tot zij het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Er zullen echter altijd
                    mensen zijn die het wettelijk minimumloon niet kunnen bereiken. Voor diegenen
                    met een blijvende loonwaarde van minder dan het minimumloon, is
                    loonkostensubsidie een structureel instrument gericht op duurzame
                    arbeidsparticipatie.</al><tussenkop>Vaststellen doelgroep loonkostensubsidie</tussenkop><al>De in dit artikel bedoelde loonkostensubsidie is geïntroduceerd in de
                    Participatiewet en is specifiek bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking
                    (artikel 10c en 10d van de Participatiewet). Om een selectie te maken van de
                    doelgroep die in aanmerking komt voor het instrument loonkostensubsidie is een
                    inschatting nodig van de potentiële loonwaarde. De klantmanager kan als
                    hulpmiddel hiervoor een scan of vragenlijst gebruiken. Deze scan of vragenlijst
                    moet nog ontwikkeld worden. Mocht de klantmanager op basis van de uitkomsten van
                    de scan nog twijfels hebben, dan kan een arbeidsdiagnostisch onderzoek en/of een
                    indicatieve loonwaardemeting uitgevoerd worden. </al><al/><al>Nadat de intake en diagnose is afgerond en duidelijk is of de kandidaat in
                    aanmerking komt voor een traject naar een werkplek met loonkostensubsidie, start
                    het bemiddelingstraject. Er wordt zowel gebruik gemaakt van het regionale
                    werkgeverservicepunt als de lokale werkgeversbenadering. </al><al>Wanneer een werkplek is gevonden, wordt de kandidaat in eerste instantie op een
                    proefplaatsing geplaatst van 2 maanden met een mogelijkheid tot uitbreiding met
                    1 maand (in totaal maximaal 3 maanden proefplaatsing). Tijdens de proefperiode
                    behoudt de kandidaat zijn bijstandsuitkering. Tijdens deze proefperiode wordt de
                    objectieve loonwaarde op de werkplek bepaald. Ook is deze proefplaatsing bedoeld
                    om de werkgever en de werknemer aan elkaar te laten wennen. Dat komt de
                    duurzaamheid van de plaatsing ten goede.</al><tussenkop>Vaststellen loonwaarde</tussenkop><al>In samenwerking met de deelnemende gemeenten in de regio Arnhem is een model en
                    werkwijze rondom loonkostensubsidie binnen de Participatiewet ontwikkeld (zie de
                    notitie Loonkostensubsidie Participatiewet regio Arnhem). Naar aanleiding
                    hiervan wordt een aanbesteding voorbereid die niet voor eind 2015 wordt
                    verwacht. Zolang er nog geen door het Werkbedrijf en de Minister goedgekeurde
                    loonwaardemethodiek is voor onze (arbeidsmarkt)regio gebeurt de
                    loonwaardevaststelling middels een methodiek die voldoet aan de minimumeisen die
                    in de Regeling loonkostensubsidie participatiewet zijn vastgelegd (derde lid).
                    Een externe organisatie kan het college adviseren met betrekking tot de
                    vaststelling van de loonwaarde van een persoon (vierde lid).</al><tussenkop>Artikel 9. Detacheringsbaan</tussenkop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                    dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. In
                    de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de banen
                    vormgegeven worden. Het is belangrijk om te benadrukken dat deze voorziening
                    slechts bedoeld is voor een specifieke cliëntgroep (cliënten met een meervoudige
                    problematiek) en dat het tot doel heeft om deze cliënten een grotere kans te
                    geven om aan het werk te komen. Werkgevers durven het vaak niet aan om hen in
                    dienst te nemen. In de uitvoeringspraktijk is gebleken dat werkgevers een
                    constructie met een detacheringsbaan eerder aandurven. Het is nadrukkelijk niet
                    de bedoeling om de arbeidsvoorwaarden te versoberen. Bovendien is de inzet van
                    het instrument tijdelijk.</al><al> Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband. Het
                    college zorgt ervoor dat een persoon een dienstverband krijgt aangeboden door
                    een derde, de werkgever. Die derde kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn.
                    In het tweede lid wordt bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op
                    twee vlakken afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                    werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de
                    hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt
                    vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken
                    gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud van het werk. Voor het derde lid
                    wordt verwezen naar de toelichting bij het artikel over werkstages.</al><tussenkop>Opstellen trajectplan</tussenkop><al>In het vierde lid is bepaald dat in het voor de detacheringsbaan opgestelde
                    trajectplan expliciet het doel van de detacheringsbaan wordt opgenomen, evenals
                    de wijze van begeleiding en de duur. </al><tussenkop>Artikel 10. Voorziening beschut werk</tussenkop><al>In het rapport <cursief>Nieuw beschermd werk in regio Arnhem </cursief>heeft de
                    regio vastgelegd hoe zij invulling wil geven aan het nieuw beschermd werk na
                    invoering van de Participatiewet. Dit rapport is tot stand gekomen in
                    samenwerking met tien andere gemeenten in regio Arnhem en partners uit het
                    werkveld (waaronder het UWV, werkgevers uit de regio Arnhem, Presikhaaf
                    Bedrijven en zorgaanbieders).</al><al/><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                    zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                    van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                    zomaar in dienst neemt (eerste lid).</al><tussenkop>Stap 1: voorselectie</tussenkop><al>Ten behoeve van de voorziening beschut werk voert de gemeente een voorselectie
                    uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke mensen in aanmerking
                    kunnen komen voor beschut werk. In de verordening moet vastgelegd worden hoe zij
                    deze voorselectie uitvoeren.<sup/>Daarom is in het tweede lid bepaald dat het
                    college uitsluitend personen selecteert voor de beoordeling die uitsluitend in
                    een beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. In het
                    rapport over de regionale invulling van nieuw beschermd werk wordt nader
                    ingegaan op de wijze waarop de voorselectie wordt uitgevoerd.</al><al/><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de wet). Hiervoor is dus
                    geen aanvraag van een persoon nodig. Het college maakt uit de personen uit de
                    doelgroep een voorselectie. Het college moet bij het Uitvoeringsinstituut
                    werknemersverzekeringen (UWV) advies inwinnen voor de beoordeling of de
                    geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste
                    omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.</al><tussenkop>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</tussenkop><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan het college adviseren met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort.
                    Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke
                    criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de wet).</al><tussenkop>Stap 3: besluit gemeente</tussenkop><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen
                    als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het
                    advies niet te volgen.<sup>4</sup></al><tussenkop>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</tussenkop><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep ‘beschut werk’ behoort, zorgt
                    de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                    omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de wet). Het kan
                    dan gaan om een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke dienstbetrekking
                    (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de wet). Hoe de dienstbetrekking wordt
                    georganiseerd, behoort tot de beleidsvrijheid van gemeenten. De gemeente kiest
                    ervoor om mensen, eventueel via detachering, in een beschutte omgeving bij
                    reguliere werkgevers te laten werken (zie het rapport <cursief>Nieuw beschermd
                        werk in regio Arnhem</cursief>).</al><al/><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut werk zijn in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                    worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Namelijk:</al><lijst><li nr="·"><al>fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving;</al></li><li nr="·"><al>uitsplitsing van taken;</al></li><li nr="·"><al>aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding;</al></li><li nr="·"><al>werktempo of arbeidsduur.</al></li></lijst><tussenkop>Omvang beschut werk</tussenkop><al>Tevens is in deze verordening vastgelegd op welke wijze de gemeente de omvang
                    van het aanbod van beschut werk vaststelt. Het college bepaalt de omvang van het
                    aanbod beschut werk.</al><tussenkop>Paragraaf 3.4. Ondersteuning aan cliënten</tussenkop><tussenkop>Artikel 11. Ondersteuning bij leer-werktraject</tussenkop><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                    ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel zijn
                    dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet zijn voor het
                    volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 10 en volgt uit
                    artikel 10f van de Participatiewet.</al><al/><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college uitsluitend
                    ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan personen:</al><lijst><li nr="-"><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                            kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is
                            geëindigd, of</al></li><li nr="-"><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                            behaald.</al></li></lijst><al/><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren
                    van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar
                    middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te
                    voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra
                    ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming
                    van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een
                    leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.</al><al/><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                    onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel
                    7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere
                    uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's
                    Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt.<sup/> In het
                    kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat
                    het college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs
                    volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden. </al><al/><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder
                    omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en
                    aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                    behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat
                    het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan
                    het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van
                    artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 12. Persoonlijke ondersteuning / Jobcoaching</tussenkop><al>In artikel 11 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid.
                    Persoonlijke ondersteuning gaat over het ondersteunen van mensen met een
                    (arbeids)beperking bij het vinden en of behouden van betaald werk op de
                    reguliere arbeidsmarkt. Het vinden van werk (jobhunting) loopt namelijk via de
                    accountmanagers van het Regionaal WerkgeversServicePunt en de RSD de Liemers en
                    hoeft daarnaast niet nog eens geregeld te worden via een jobcoach.</al><al/><al>De jobcoach begeleidt de werknemer op een baan. Hij helpt op de werkvloer met
                    inwerken, maakt een persoonlijk begeleidings-/trainingsplan en is bereikbaar als
                    er problemen of knelpunten ontstaan. In deze benadering staat de begeleiding van
                    de werknemer centraal.</al><al/><al>Zoals hierboven aangegeven kan een jobcoach echter ook de werkgever of een
                    andere werknemer die leiding geeft aan de cliënt (mentor) helpen de
                    coachingstaken over te nemen, zodat (uiteindelijk) de coaching intern wordt
                    uitgevoerd. Dit noemen we dan ook de werkgeverscoaching. Landelijk zijn hier
                    positieve ervaringen mee opgedaan.</al><al/><al>Het heeft de voorkeur dat de werkgever zo snel mogelijk zelf in staat is om de
                    werknemer goed te kunnen begeleiden. Hierop is de werkgeverscoaching bij
                    voorkeur gericht. Waar dit niet mogelijk blijkt en een succesvolle en duurzame
                    plaatsing in gevaar komt, wordt ingezet op het rechtstreeks begeleiden van de
                    werknemer door de jobcoach zelf. In alle gevallen wordt er naar gestreefd dat de
                    begeleiding tijdelijk is en gedurende het traject in intensiteit afneemt totdat
                    de werknemer geen extra begeleiding meer nodig heeft. </al><tussenkop>Subsidieregeling</tussenkop><al>Het UWV kent subsidieregeling(en) met jobcoaching voor mensen met een
                    structurele, functionele beperking. Zowel werkgevers als werknemers kunnen hier
                    een beroep op doen. UWV heeft ook kwaliteitscriteria gesteld aan jobcoaches en
                    jobcoachorganisaties en toetst hierop. Dit leidt tot een lijst van ´erkende´
                    jobcoachorganisaties. Daarbinnen kan de werkgever en de werknemer een keuze
                    maken voor een jobcoach(organisatie). UWV betaalt rechtstreeks de
                    jobcoachorganisatie op basis van verantwoording en voortgangsverslagen waarbij
                    werkgever en werknemer betrokken zijn.</al><al>Keuzevrijheid staat ook bij ons centraal. Derhalve is een subsidieregeling
                    ontwikkeld, waarbij ook gebruik gemaakt wordt van de ervaring en de
                    subsidieregeling van UWV. Het gaat om de volgende aanpak:</al><lijst><li nr="·"><al>De persoon die in aanmerking kan komen voor jobcoaching start bij de
                            werkgever altijd via een proefplaatsing (werken met behoud van uitkering
                            gedurende 2 maanden, uitloop is mogelijk tot maximaal 3 maanden).
                            Tijdens deze proefplaatsing wordt een loonwaardemeting uitgevoerd en
                            wordt de ondersteunings-/begeleidingsbehoefte in beeld gebracht. Op
                            basis hiervan stelt de gemeente vast of betrokkene in aanmerking kan
                            komen voor jobcoaching en de werkgever hiervoor subsidie kan aanvragen.
                            De hoogte van de subsidie wordt afgeleid van de vastgestelde
                            begeleidingsbehoefte (onderdeel van de loonwaardemeting) tijdens de
                            proefplaatsing. Tijdens de proefplaatsing is deze begeleidingsbehoefte
                            uiteraard nog niet bekend. Voorgesteld wordt om de jobcoachorganisatie
                            een subsidie van € 500,- per maand te verstrekken gedurende de
                            proefplaatsing (dus maximaal 2 of 3 maanden).</al></li><li nr="·"><al>Subsidie is alleen mogelijk bij personen, waarvan de gemeente vaststelt
                            dat deze persoon zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de
                            door de werkgever opgedragen taken te verrichten. Bij twijfel kan de
                            gemeente een externe partij vragen om dit te beoordelen. </al></li><li nr="·"><al>De persoon (of personen) voor wie subsidie wordt gevraagd verricht
                            reguliere arbeid met een arbeidsovereenkomst. </al></li><li nr="·"><al>De hoogte van de subsidie is afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte,
                            zoals wordt vastgesteld tijdens de proefplaatsing. De subsidie bedraagt
                            maximaal € 6.000,- op jaarbasis bij een arbeidsovereenkomst van
                            tenminste 24 uur per week. Bij een dienstverband van minder dan 24 uur
                            per week wordt de maximumvergoeding naar rato vastgesteld. Bij het
                            bepalen van de hoogte van de subsidie wordt rekening gehouden met het
                            aantal uren begeleiding per week en de (leer)doelen van het
                            coachingstraject.</al></li><li nr="·"><al>Indien de jobcoaching gericht is op het coachen van de werkgever wordt
                            de subsidie voor maximaal een half jaar ingezet. Indien de jobcoaching
                            gericht is op het coachen van de werknemer, dan wordt de subsidie voor
                            maximaal 1 jaar toegekend. Subsidies worden op maat ingezet, waarbij
                            verlenging van de periode mogelijk is tot maximaal 3 jaar (in lijn met
                            de maximale subsidietermijn van UWV). In bijzondere gevallen kan hiervan
                            nog worden afgeweken via de hardheidsclausule. Uitgangspunt is dat de
                            begeleiding zo snel mogelijk wordt afgebouwd. </al></li><li nr="·"><al>We maken gebruik van de kwaliteitscriteria (o.a. Blik op werk) en
                            toetsing die UWV hanteert rondom het erkennen van jobcoachorganisaties.
                            Dit betekent dat in beginsel alleen jobcoachorganisaties die erkend zijn
                            door UWV in aanmerking kunnen komen voor onze subsidieregeling. We
                            hanteren wel een hardheidsclausule, zodat afwijking van deze lijst
                            mogelijk is. Zo kunnen we voorkomen dat kleine, recent gestarte
                            jobcoachorganisaties per definitie geen kans krijgen.</al></li></lijst><tussenkop>Paragraaf 3.5. Overige voorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 13. Scholing</tussenkop><tussenkop>Startkwalificatie</tussenkop><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een HAVO- of VWO-diploma of een diploma
                    van het middelbaar beroepsonderwijs (MBO), niveau twee. Scholing kan worden
                    aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral
                    voor personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de
                    re-integratie. <cursief>Jongeren</cursief> Personen jonger dan 27 jaar die nog
                    mogelijkheden hebben binnen het uit 's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen
                    sinds 1 juli 2012 geen voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de
                    arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet).</al><tussenkop>Artikel 14. No-riskpolis</tussenkop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de wet). De no-riskpolis is een
                    belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om mensen met
                    arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor dat de
                    werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer met
                    arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking voor een
                    no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van toepassing is (artikel 8a,
                    tweede lid, onderdeel b, van de wet). </al><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de
                    werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft, of ten
                    behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie ontvangt, in aanmerking
                    komt voor de no-riskpolis. </al><tussenkop>Voorwaarden </tussenkop><al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt voor een
                    no-riskpolis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet van een
                    no-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal zes maanden
                    duurt. Voor de inzet van de no-riskpolis is vereist dat de werknemer behoort tot
                    de doelgroep (zie artikel 1 van deze verordening) en hij een structurele
                    functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van hem de werkgever een
                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de wet ontvangt. Ook ligt voor
                    de hand dat de werknemer zijn woonplaats moet hebben binnen de gemeente.</al><tussenkop>Hoogte vergoeding </tussenkop><al>De no-riskpolis vergoedt: </al><lijst><li nr="-"><al>maximaal het volledige loon van de werknemer minus de verstrekte
                            loonkostensubsidie. Het is daarbij mogelijk om een eigen risicoperiode
                            van maximaal 2 weken te hanteren en</al></li><li nr="-"><al>tot maximaal 25 procent boven de dekking voor extra
                            werkgeverslasten.</al></li></lijst><tussenkop>Contract bij verzekeraar </tussenkop><al>De gemeente moet ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis een
                    verzekering afsluiten bij een verzekeraar. De gemeente treedt op als
                    verzekeringsnemer. De werkgever is de begunstigde (derde lid). </al><al>Tot op heden is er in Nederland één verzekeraar die een no-risk polis, zoals
                    bedoeld in artikel 7 van deze verordening, aanbiedt. De betreffende polis is tot
                    stand gekomen na overleg tussen de verzekeraar en de Vereniging van Nederlandse
                    Gemeenten (VNG). De verzekeraar buigt zich nog over de vraag óf en, zo ja, in
                    welke vorm de no-risk polis vanaf 1 januari 2015 wordt aangeboden. Indien de
                    verzekeraar besluit om de no-risk polis niet langer aan te bieden en zich ook
                    geen andere partijen aandienen die een no-risk polis aanbieden, kan in de
                    praktijk geen no-risk polis worden ingezet door de gemeente.</al><tussenkop>Duur no-riskpolis </tussenkop><al>Het college vergoedt de no-riskpolis tot en met maximaal twaalf maanden na
                    indiensttreding van de werknemer bij de werkgever. </al><tussenkop>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    verantwoordelijk </tussenkop><al>Nadat betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend, dus
                    zonder loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de no-riskpolis
                    over naar Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en kan artikel 29b van de
                    Ziektewet van toepassing zijn.</al><tussenkop>Artikel 15. Stimuleringssubsidies</tussenkop><al>Als dit naar het oordeel van het college bijdraagt aan de arbeidsinschakeling,
                    kan het college aan een persoon van 27 jaar of ouder die behoort tot de
                    doelgroep een subsidie verstrekken. Het college stelt nadere regels op over de
                    activiteiten die voor een subsidie in aanmerking komen, de hoogte van de
                    subsidie en voorwaarden waaronder deze wordt toegekend. Een dergelijke subsidie
                    wordt niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend (artikel 31, lid 2
                    onder j van de Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 16. Sociale activering</tussenkop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht te
                    zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling
                    echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet
                    re-integratie, maar participatie voorop. Begrip sociale activering Onder
                    'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde
                    maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als
                    arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke
                    participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij
                    activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het
                    zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of
                    deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.<sup/></al><al/><al><cursief>Doelgroep sociale activering</cursief></al><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten
                    aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat
                    dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen.</al><al/><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                    activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon op enig moment
                    algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt
                    van een voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet
                    worden verplicht gebruik te maken van een dergelijke voorziening. Sociale
                    activering heeft tot doel personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                    terug te leiden naar de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als
                    tussendoel te bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het
                    maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel, arbeidsinschakeling,
                    niet kan worden bereikt, er geen grond is die persoon te verplichten om gebruik
                    te maken van een voorziening gericht op sociale activering.<sup/></al><tussenkop>College stemt duur activiteiten af op de persoon</tussenkop><al>Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten in
                    het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de duur
                    afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een persoon, maatwerk staat
                    hierbij voorop.</al><tussenkop>Artikel 17 Vergoeding overige noodzakelijke kosten</tussenkop><al>Het komt incidenteel voor dat de belanghebbende extra kosten moet maken in het
                    kader van arbeidsinschakeling. Dit artikel maakt het mogelijk dat het college
                    noodzakelijke kosten die niet door een voorliggende voorziening worden afgedekt,
                    aan de cliënt kunnen worden verstrekt.</al><tussenkop>Artikel 18. Hardheidsclausule</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 19. Intrekken oude verordening en overgangsrecht </tussenkop><al>In artikel 17 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen
                    dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude
                    re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze
                    verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude
                    re-integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze
                    verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op
                    grond van de oude</al><al>re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een voorziening, maar
                    door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De toegekende voorziening
                    zou dan op grond van artikel 3, tweede lid, van deze verordening moeten worden
                    beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 17, tweede lid, geregeld dat
                    dergelijke voorzieningen worden behouden voor een bepaalde duur. Een dergelijke
                    voorzieningen wordt behouden voor ten hoogste de duur van 12 maanden of - als
                    dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt. Dit uiteraard voor zover
                    wordt voldaan aan de voorwaarden uit de Reïntegratieverordening Wet werk en
                    bijstand 2008-2009 gemeente Zevenaar (gewijzigde versie). Wordt niet meer aan
                    die voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld
                    als een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling. De periode van 12 maanden begint te lopen vanaf het moment
                    van inwerkingtreding van deze verordening. </al><tussenkop>Voortzetten toegekende voorzieningen </tussenkop><al>Toegekende voorzieningen op grond van de Reïntegratieverordening Wet werk en
                    bijstand 2008-2009 gemeente Zevenaar (gewijzigde versie) worden dus in beginsel
                    behouden tot 12 maanden na inwerkingtreding van deze verordening. Na afloop van
                    die periode kan het college besluiten of een voorziening wordt voortgezet
                    (artikel 17, derde lid). Hierbij kan het college rekening houden met al gesloten
                    overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening ligt bijvoorbeeld voor de hand
                    als het college is gehouden de kosten van een dergelijke voorziening te voldoen,
                    ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van de voorziening. Lopende
                    re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná inwerkingtreding van deze
                    verordening worden afgerond conform de overeenkomst.</al><tussenkop>Voortzetting is niet mogelijk </tussenkop><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na 12 maanden is niet mogelijk als
                    de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen aan
                    de voorwaarden voor die voorziening op grond van de Reïntegratieverordening Wet
                    werk en bijstand 2008-2009 gemeente Zevenaar (gewijzigde versie) of als de
                    voorziening is toegekend voor een kortere duur dan 12 maanden na
                    inwerkingtreding van de verordening. Een voorziening dient immers niet langer te
                    worden voortgezet dan de duur van de oorspronkelijke toekenning. </al><al/><al>Ten aanzien van die voorziening blijft de Reïntegratieverordening Wet werk en
                    bijstand 2008-2009 gemeente Zevenaar (gewijzigde versie) van toepassing<cursief>
                        (artikel 17, vierde lid, van deze verordening).</cursief></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>