<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR347691_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele studietoeslag Participatiewet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Appingedam</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Appingedam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-14855.html">Gemeenteblad, 2016, 14855</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele studietoeslag 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035333&amp;artikel=8, eerste lid, onderdeel c">Artikel 8 eerste lid onderdeel c van de Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 7 lid 1 van de gemeenschappelijke regeling 2010 ISD Noordoost</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele studietoeslag Participatiewet 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Appingedam;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders</al><al>d.d. 4 november 2014;</al><al>gelet op artikel 8 eerste lid onderdeel c van de Participatiewet en</al><al>artikel 7 lid 1 van de gemeenschappelijke regeling 2010 ISD Noordoost</al><al><vet><onderstreept>B E S L U I T</onderstreept></vet><vet> :</vet></al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>Verordening individuele studietoeslag Participatiewet 2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                                worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet en Wet algemene bestuursrecht (Awb);</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                Delfzijl, Appingedam of Loppersum;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Wet: Participatiewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><lid><lidnr/><al>Een persoon behoort tot de doelgroep wanneer aan de volgende
                                voorwaarden wordt voldaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>is 18 jaar of ouder;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>heeft recht op studiefinanciering op grond van de Wet
                                studiefinanciering of heeft recht op een tegemoetkoming op grond van
                                de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>heeft geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34
                                van de wet;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>is een persoon van wie is vastgesteld dat hij wegens een
                                arbeidshandicap of langdurige medische beperkingen/belemmeringen
                                niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon,
                                maar wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de
                            Participatiewet, wordt ingediend via een vastgesteld (digitaal of
                            papieren) formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inwinnen advies</titel></kop><al>UWV adviseert het college over het oordeel in hoeverre een persoon met
                            een voltijdsbaan, in staat is tot het verdienen van het wettelijk
                            minimumloon en welke mogelijkheden hij of zij heeft tot
                            arbeidsparticipatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Frequentie verlening individuele studietoeslag.</titel></kop><al>Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van zes maanden in
                            aanmerking komen voor een individuele studietoeslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Hoogte individuele studietoeslag</titel></kop><al>De individuele studietoeslag bedraagt 10 procent van het netto wettelijk
                            minimumloon en is afhankelijk van de leeftijd. De leeftijdscategorie is
                            van 18 tot 23 jaar en ouder. De bedragen worden naar boven afgerond op
                            hele euro's.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Betaling individuele studietoeslag</titel></kop><al>De individuele studietoeslag wordt per maand uitbetaald in zes gelijke
                            delen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere omstandigheden die in het individuele
                            geval onredelijk uitwerken afwijken van het bepaalde in deze
                            verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening individuele
                            studietoeslag 2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare </ondertekening><ondertekening>vergadering d.d. 18 december 2014.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening> , voorzitter. , griffier.</ondertekening><ondertekening> (H.K. Pot) (E.P. Faber-van Brug)</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting verordening individuele studietoeslag 2015</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De Invoeringswet Participatiewet introduceert een studieregeling in de
                    Participatiewet: de individuele studietoeslag. Hiermee krijgt het college de
                    mogelijkheid mensen, van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn het
                    minimumloon te verdienen, een individuele studietoeslag te verstrekken als ze
                    studeren. Het afronden van een studie versterkt de positie op de arbeidsmarkt.
                    Een diploma is een bewijs tegenover werkgevers dat iemand gemotiveerd is en veel
                    in zijn mars heeft.</al><al>Mensen met een arbeidshandicap hebben volgens de regering een extra steuntje in
                    de rug nodig als het om studeren gaat. Voor hen is de drempel om te lenen een
                    stuk hoger, omdat de kans op een baan later lager is. Een studieregeling
                    stimuleert mensen om toch de stap te zetten om naar school te gaan of een studie
                    te gaan volgen. Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit dat het
                    voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan (TK
                    2013-2014, 33 161, nr. 125, p. 2).</al><al>De individuele studietoeslag moet worden aangemerkt als een vorm van bijzondere
                    bijstand (artikel 5, onderdeel d, van de Participatiewet). De individuele
                    studietoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een
                    inkomensondersteunende maatregel voor mensen van wie is vastgesteld dat ze niet
                    in staat zijn het minimumloon te verdienen.</al><al/><al>De Invoeringswet Participatiewet legt de verplichting op in een verordening
                    regels vast te stellen over het verlenen van een individuele studietoeslag. Deze
                    verordenings opdracht is neergelegd in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van
                    de Participatiewet. De regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de
                    hoogte en de frequentie van de betaling van de individuele studietoeslag
                    (artikel 8, derde lid, van de Participatiewet).</al><al/><tussenkop>Discretionaire bevoegdheid</tussenkop><al>Het verlenen van een individuele studietoeslag is een discretionaire bevoegdheid
                    van het college. Dit betekent dat het dagelijks bestuur aan personen die voldoen
                    aan de voorwaarden van artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet, een
                    individuele studietoeslag kan toekennen, maar hiertoe niet is gehouden. Het
                    college kan in beleidsregels aangeven of bepaalde groepen niet in aanmerking
                    komen voor een studietoeslag. Het college kan in plaats daarvan - en in
                    aanvulling op artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet - in beleidsregels
                    aangeven wie, wanneer en op grond van welke nadere voorwaarden, recht heeft op
                    een individuele studietoeslag.</al><al/><tussenkop>Voorwaarden individuele studietoeslag</tussenkop><al>Een persoon die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet, kan een aanvraag indienen voor een individuele studietoeslag.
                    Artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet spreekt overigens zowel over
                    verzoek als aanvraag. Het college kan op een dergelijk verzoek – gelet op de
                    individuele omstandigheden van een persoon - een individuele studietoeslag
                    verlenen. Hiervoor is vereist dat deze persoon op de datum van de aanvraag:</al><al>- a. 18 jaar of ouder is;</al><al>- b. recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                    2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet
                    tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;</al><al>- c. geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de
                    Participatiewet heeft; en</al><al>- d. een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met een voltijd baan niet in
                    staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden
                    tot arbeidsparticipatie heeft.</al><al/><al>Dat een persoon recht moet hebben op studiefinanciering of een
                    WTOS-tegemoetkoming, betekent niet dat deze persoon ook daadwerkelijk
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het recht op
                    studiefinanciering bestaat, afhankelijk van iemands gekozen opleiding, leeftijd
                    en inkomen. Of van dit recht gebruik gemaakt wordt is niet in de Participatiewet
                    geregeld en is geen vereiste voor het ontvangen van een individuele
                    studietoeslag op grond van de Participatiewet.</al><al>Voor het recht op een individuele studietoeslag is het dan ook voldoende dat een
                    persoon recht heeft op studiefinanciering of een tegemoetkoming. De persoon zal
                    - als aanvrager van de toeslag - aannemelijk moeten maken dat hij recht op
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming heeft, bijvoorbeeld door een
                    beschikking van DUO of door een bewijs van inschrijving bij een bepaalde
                    opleiding te overleggen.</al><al>De artikelen 12, 43, 49 en 52 van de Participatiewet zijn niet van toepassing
                    bij verlening van de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De aanvraag moet worden ingediend bij het college. Een
                    individuele studietoeslag kan niet als lening worden verstrekt als een persoon
                    met de studietoeslag schulden wil aflossen. Artikel 49 van de Participatiewet is
                    namelijk niet van toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36b,
                    tweede lid, van de Participatiewet). Ook artikel 52 van de Participatiewet is
                    niet van toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid,
                    van de Participatiewet). Dit maakt dat de individuele studietoeslag niet kan
                    worden verstrekt in de vorm van een voorschot.</al><al/><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijving </tussenkop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de Participatiewet en de Wet algemene
                    bestuursrecht (Awb).</al><al/><tussenkop>Artikel 2 Doelgroep en artikel 3, Indienen verzoek.</tussenkop><al>Een verzoek om een individuele studietoeslag kan worden ingediend door personen
                    als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet. Dit
                    betreft personen die het college ondersteunt bij arbeidsinschakeling:</al><al>- a. personen die algemene bijstand ontvangen;</al><al>- b. personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdelen b en c,
                    35, vierde lid, onderdelen b en c, en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de
                    Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het inkomen uit
                    arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                    minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                    loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend;</al><al>- c. personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                    Participatiewet;</al><al>- d. personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene
                    nabestaandenwet;</al><al>- e. personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere
                    en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers,</al><al>- f. personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere
                    en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en;</al><al>- g. niet-uitkeringsgerechtigden.</al><al/><al>Het college kan aan deze personen, op een daartoe strekkend verzoek, een
                    individuele studietoeslag verlenen (artikel 36b, eerste lid, van de
                    Participatiewet). Een persoon dient op datum van de aanvraag aan de voorwaarden
                    te voldoen zoals genoemd in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet.
                    Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon om een besluit te
                    nemen (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel
                    schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 van de Awb).</al><al>Om onduidelijkheid te voorkomen over de manier waarop het verzoek als bedoeld in
                    artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet moet worden ingediend, bepaalt
                    artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan via een
                    vastgesteld (digitaal of papieren) formulier. Een verzoek wordt dan gezien als
                    een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een
                    schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die ondertekend wordt door de
                    aanvrager en die ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de
                    dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel
                    4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en papieren
                    die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs
                    de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Een mondeling
                    verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om individuele
                    studietoeslag zoals bedoeld in artikel 36b van de Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 4 Advies over oordeel verdienen wettelijk
                    minimumloon.</tussenkop><al>Artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet regelt in welke gevallen het
                    college op verzoek van een persoon, gelet op diens individuele omstandigheden,
                    een individuele studietoeslag kan verlenen. Dit is het geval indien een persoon
                    op de datum van de aanvraag:</al><al>- a. 18 jaar of ouder is;</al><al>- b. recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                    2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet
                    tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;</al><al>- c. geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de
                    Participatiewet heeft; en</al><al>- d. een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met een voltijdbaan niet in
                    staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden
                    tot arbeidsparticipatie heeft.</al><al/><al>Met betrekking tot het laatst genoemde criterium wint het college advies in bij
                    het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Het gaat om advies met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon met voltijdse arbeid niet in staat is
                    tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft.</al><tussenkop>Artikel 5 Eenmaal per periode individuele studietoeslag
                    verlenen</tussenkop><al>Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van zes maanden in aanmerking
                    komen voor een individuele toeslag.</al><al>Doorgaans kan een persoon halfjaarlijks starten met een opleiding. Voor de
                    beoordeling of een belanghebbende in aanmerking komt voor een individuele
                    studietoeslag wordt de situatie op de datum van de aanvraag beoordeeld (artikel
                    36b, eerste lid, van de Participatiewet). Om deze reden is geregeld dat een
                    persoon slechts eenmaal binnen een periode van zes maanden in aanmerking kan
                    komen voor een individuele studietoeslag (artikel 4 van deze verordening).
                    Studeert een persoon na die zes maanden nog steeds en voldoet hij aan de
                    voorwaarden van artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet, dan kan hij
                    opnieuw in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag.</al><al/><al>Bij de invulling van de periode waarvoor een persoon in aanmerking kan komen
                    voor individuele studietoeslag is aangesloten bij een periode van zes maanden.
                    In ons geval wordt aangesloten bij de halfjaarlijkse inschrijf- en startmomenten
                    die doorgaans gelden voor opleidingen. Dit kan doeltreffend zijn omdat een
                    persoon enkel op het moment van aanvraag moet voldoen aan de uit artikel 36b van
                    de Participatiewet voortvloeiende voorwaarden voor aanspraak te maken op een
                    individuele studietoeslag. Stel dat een persoon slechts eenmaal per twaalf
                    maanden in aanmerking kan komen voor een individuele studietoeslag, dan
                    wordt</al><al>deze toeslag toegekend voor een periode van twaalf maanden waarbinnen de
                    mogelijkheid bestaat dat deze persoon al lang geen studie meer volgt. Immers,
                    alleen op moment van aanvraag moet een persoon voldoen aan de voorwaarden van
                    artikel 36b van de Participatiewet. Als hij op enig moment na de aanvraag hier
                    niet meer aan voldoet, heeft dat geen gevolgen voor het recht op een individuele
                    studietoeslag.</al><al/><tussenkop>Artikel 6 Hoogte individuele studietoeslag</tussenkop><al>In artikel 5 van deze verordening is de hoogte van de individuele studietoeslag
                    geregeld. Bij de vaststelling van de hoogte van de individuele toeslag wordt
                    uitgegaan van een percentage van 10 van het wettelijk minimumloon en is
                    afhankelijk van de leeftijd. Hierbij wordt de studietoeslag per persoon die
                    voldoet aan de voorwaarden toegekend. </al><al>Is sprake is van gehuwden die allebei afzonderlijk voldoen aan de voorwaarden
                    voor een individuele studietoeslag, dan komen zij afzonderlijk in aanmerking
                    voor een individuele studietoeslag.</al><al/><tussenkop>Artikel 7 Betaling individuele studietoeslag</tussenkop><al><cursief>Periodieke uitbetaling</cursief></al><al>Een individuele studietoeslag wordt per maand uitbetaald in zes gelijke delen.
                    Artikel 5 van deze verordening bepaalt de hoogte van de individuele
                    studietoeslag. Dit bedrag moet in zes maanden worden uitbetaald. Per maand wordt
                    dus 1/6 van dit bedrag uitbetaald.</al><al>Een persoon moet op de datum van de aanvraag voldoen aan de in artikel 36b,
                    eerste lid, van de Participatiewet. Als een persoon op enig moment na de
                    aanvraag hier niet meer aan voldoet, heeft dat geen gevolgen voor het recht op
                    een individuele studietoeslag. Dit betekent dat het dus kan voorkomen dat een
                    persoon geen recht op studiefinanciering meer heeft, maar wel nog recht heeft op
                    uitbetaling van een eerder toegekende individuele studietoeslag, aangezien
                    uitsluitend de situatie op de datum van de aanvraag bepalend is.</al><al>Na zes maanden kan een persoon opnieuw in aanmerking komen voor een individuele
                    studietoeslag. Dit volgt uit artikel 3 van deze verordening.</al><al/><al>Het college moet regels vaststellen over het verlenen van een individuele
                    studietoeslag die in ieder geval betrekking moeten hebben op de hoogte en de
                    frequentie van de betaling van de individuele studietoeslag (artikel 8, eerste
                    en derde lid, van de Participatiewet). De studietoeslag wordt in gelijke delen
                    uitbetaald. De studietoeslag is immers bedoeld als steun in de rug van
                    studerenden met een arbeidsbeperkingen voor onder meer het niet kunnen
                    combineren van een studie met een bijbaan. Het ligt dan voor de hand maandelijks
                    een bedrag te verstrekken. Bij het vaststellen van de periode van het te betalen
                    bedrag is het aan te bevelen aan te sluiten bij de in artikel 3 van deze
                    verordening vastgelegde periode waarvoor een persoon in aanmerking kan komen
                    voor een individuele studietoeslag. Ervan uitgaande dat een persoon als gevolg
                    van artikel 3 van deze verordening per zes maanden in aanmerking kan komen voor
                    een studietoeslag, ligt het voor de hand te bepalen dat de studietoeslag per
                    maand wordt uitbetaald in zes gelijke delen.</al><al/><tussenkop>Artikel 8 Hardheidsclausule </tussenkop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid tot individualiserend handelen als de strikte
                    toepassing van de verordening tot bijzonder onredelijke gevolgen leidt.</al><al/><tussenkop>Artikel 9 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die
                    datum is in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet de
                    verordeningsopdracht voor de Gemeenteraad neergelegd om regels in de verordening
                    vast te stellen over het verlenen van een individuele studietoeslag.</al><al/><tussenkop>Artikel 10 Citeertitel</tussenkop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening individuele studietoeslag
                    2015”. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>