<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR347643_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Appingedam</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-06-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Appingedam</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Eemslander, 22-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220">Artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-12-23</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Vervanging Verordening onroerende-zaak belastingen 2014</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2015
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad der gemeente Appingedam;</al>
          <al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders </al>
          <al>d.d. 11 november 2014;</al>
          <al>gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; </al>
          <al>
            <vet>
              <onderstreept>B E S L U I T</onderstreept>
            </vet>
            <vet> :</vet>
          </al>
          <al>vast te stellen de volgende verordening:</al>
          <al>
            <vet>Verordening op de heffing en de invordering van
                            onroerende-zaakbelastin</vet>
            <vet>g</vet>
            <vet>en
                            20</vet>
            <vet>1</vet>
            <vet>5</vet>
          </al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Belastingplicht</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Onder de naam ‘onroerende-zaakbelastingen’ worden ter zake van binnen de
                            gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient,
                            al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk
                            recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;</al><al/></li>
              <li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                            gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in
                            gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is
                            bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel
                            in gebruik is gegeven;</al><al/></li>
              <li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig
                            gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter
                            beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking
                            heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene
                            aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het
                            begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is
                            vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Belastingobject</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die
                            op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is
                            vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend
                            aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
                            dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Maatstaf van heffing</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                            waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde
                            voor het tijdvak waarbinnen het in artikel 1 bedoelde kalenderjaar
                            valt.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld
                            op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt
                            de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                            toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18, 19
                            eerste lid onderdelen b en c tweede lid onderdelen b en c, 20 tweede lid
                            en 22 derde lid van de Wet waardering onroerende zaken.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Vrijstellingen</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voorzover dit niet reeds is
                            geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de
                            waarde van:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde
                            cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de
                            ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de
                            kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als
                            voedingsbodem te gebruiken;</al><al/></li>
              <li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of
                            teelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat uit de in
                            onderdeel a bedoelde grond;</al><al/></li>
              <li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                            eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                            levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van
                            zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al><al/></li>
              <li nr="d."><al>een of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van
                            de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de in
                            artikel 1 derde lid onderdeel b van in die wet bedoelde voorwaarden, met
                            uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;</al><al/></li>
              <li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
                            zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met
                            volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg
                            uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd
                            worden;</al><al/></li>
              <li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail,
                            een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al><al/></li>
              <li nr="g."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
                            organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen,
                            met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als
                            woning;</al><al/></li>
              <li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                            afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten
                            van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
                            zodanige werken die dienen als woning;</al><al/></li>
              <li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden
                            zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt
                            toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te
                            merken;</al><al/></li>
              <li nr="j."><al>onroerende zaken voorzover die bestemd zijn te worden gebruikt voor
                            de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van
                            zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het
                            geven van onderwijs;</al><al/></li>
              <li nr="k."><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde
                            eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of
                            in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter
                            verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties,
                            standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri’s, hekken en
                            palen;</al><al/></li>
              <li nr="l."><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer
                            zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of
                            beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken
                            die dienen als woning;</al><al/></li>
              <li nr="m."><al>begraafplaatsen en urnentuinen, met uitzondering van delen van
                            zodanige onroerende zaken die dienen als woning.</al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid
                            bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor
                            zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Belastingtarieven</titel>
          </kop>
          <al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. </al>
          <al>Het percentage bedraagt voor:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>bij de gebruikersbelasting 0,2696 %</al></li>
            <li nr="b."><al>bij de eigenarenbelasting</al><al>- 1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,2506 %</al><al>- 2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,3385
                        %</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Wijze van heffing</titel>
          </kop>
          <al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Termijnen van betaling/automatische incasso</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De aanslagen moeten worden betaald in drie gelijke termijnen waarvan de
                            eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in
                            de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende
                            termijnen telkens een maand later.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Ingeval het totaalbedrag van het aanslagbiljet waarop de aanslagen staan
                            vermeld € 4.000 of meer bedraagt, moet dit bedrag, in afwijking van het
                            bepaalde in het eerste lid, worden betaald op de laatste dag van de
                            maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
                            vermeld.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>De belastingschuldige kan machtiging tot automatische incasso verlenen
                            indien het totale bedrag van het gecombineerde aanslagbiljet
                            gemeentelijke belastingen minder dan € 4.000 bedraagt. Het minimum
                            termijnbedrag bedraagt € 10.</al>
            <al>Ingeval een machtiging tot automatische incasso is verleend, wordt het
                            aantal termijnen bepaald door het totale bedrag van het gecombineerde
                            aanslagbiljet gemeentelijke belastingen te delen door het minimum
                            termijnbedrag, met dien verstande dat het aantal termijnen niet meer dan
                            tien bedraagt. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand
                            volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
                            vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>De in het derde lid bedoelde machtiging tot automatische incasso wordt
                            geacht niet te zijn verleend indien twee van de tien termijnen niet zijn
                            betaald doordat automatische incasso van de betaalrekening van de
                            belastingschuldige niet mogelijk blijkt dan wel binnen één maand na
                            afschrijving zijn gestorneerd. Alsdan gelden de betaaltermijnen als
                            bedoeld in het eerste lid.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>5.</lidnr>
            <al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande
                            leden gestelde termijnen.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel>
          </kop>
          <al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering van de
                        onroerende-zaakbelastingen.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Kwijtschelding</titel>
          </kop>
          <al>Bij de invordering van onroerende-zaakbelastingen wordt geen kwijtschelding
                        verleend. </al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>10</nr>
            <titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De Verordening onroerende-zaak belastingen 2014 van 19 december 2013
                            wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van
                            ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft
                            op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die
                            van de bekendmaking.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>4.</lidnr>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als Verordening
                            onroerende-zaakbelastingen 2015.</al>
          </lid>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus besloten in de openbare</ondertekening>
        <ondertekening>vergadering d.d. 18 december 2014.</ondertekening>
        <ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening>
        <ondertekening> , voorzitter. , griffier.</ondertekening>
        <ondertekening> (H.K. Pot) (E.P. Faber-van Brug)</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>