<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR347627_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Ten Boer.</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ten Boer</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ten Boer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Ten Boer.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=149">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-02-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-02-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Onderwijs</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Ten Boer.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>V</vet><vet>erordening voorzieningen huisvesting onderwijs</vet><vet>
                        gemeente </vet><vet>Ten Boer</vet></al><al>De raad van de gemeente Ten Boer;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 18 november
                        2014;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 102 van de Wet op het
                        primair onderwijs;</al><al>gezien het advies van de raadscommissie;</al><al>besluit vast te stellen de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs
                        gemeente Ten Boer.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet> 1</vet><vet>.</vet><vet> Algemene bepalingen
                        </vet></al><al><vet>Artikel 1</vet><vet>. </vet><vet>Begripsbepalingen</vet> In deze
                        verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>aanvraag: verzoek om het bekostigen van een voorziening of om het
                                bekostigen van een voorbereidingskrediet;</al></li><li nr="-"><al>aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag indient;</al></li><li nr="-"><al>bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair
                                onderwijsbekostigde openbare of bijzondere school die
                                geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt
                                op het grondgebied van de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>lokaal bewegingsonderwijs: ruimte die geschikt is voor het
                                bewegingsonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;</al></li></lijst><al><cursief>- </cursief>nevenvestiging: deel van een school dat door de
                        minister op grond van artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs voor
                        bekostiging in aanmerking is gebracht;</al><lijst><li nr="-"><al>overzicht: overzicht als bedoeld in artikel 13;</al></li><li nr="-"><al>permanent gebouw: ruimte die door de keuze van het ontwerp en de
                                aard van de constructie en materialen ten minste 60 jaar als
                                volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al></li><li nr="-"><al>programma: programma als bedoeld in artikel 12;</al></li><li nr="-"><al>school:</al></li></lijst><al>school voor basisonderwijs: basisschool of speciale school voor
                        basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair
                        onderwijs;</al><al>-tijdelijk gebouw: al dan niet verplaatsbare ruimte die door de keuze van
                        het ontwerp en de aard van de constructie en materialen minstens 15 jaar als
                        volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;</al><al><cursief>- </cursief>tijdelijke nevenvestiging: een tijdelijke
                        nevenvestiging als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Wet op het
                        voortgezet onderwijs;</al><lijst><li nr="-"><al>verhuur: gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde
                                onderwijsgebruik of gebruik voor culturele, maatschappelijke of
                                recreatieve doeleinden;</al></li><li nr="-"><al>voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens
                                de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II minimaal 15
                                jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening die volgens
                                de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II maximaal 15
                                jaar noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>voorziening: voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel
                                2.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2</vet><vet>. </vet><vet>Omschrijving voorzieningen in de
                            huisvesting </vet></al><al>Bij het toepassen van deze verordening worden de volgende voorzieningen
                        onderscheiden:</al><al>a.voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen, bestaande
                        uit:</al><al>1°. nieuwbouw voor een school die voor het eerst door het rijk voor
                        bekostiging in aanmerking is gebracht, of nieuwbouw om een gebouw waarin een
                        school is gehuisvest geheel of gedeeltelijk te vervangen, al dan niet op
                        dezelfde locatie;</al><al>2°. uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest;</al><al>3°. het geheel of gedeeltelijk in gebruik nemen van een bestaand gebouw voor
                        het huisvesten van een school;</al><al>4°. verplaatsing van een of meer bestaande tijdelijke gebouwen voor het
                        huisvesten van een school; </al><al>5°. terrein voor zover nodig voor het realiseren van een voorziening als
                        bedoeld in 1° tot en met 4°;</al><al>6°. inrichting met onderwijsleerpakket of met leer- en hulpmiddelen voor
                        zover deze nog niet eerder door het rijk of de gemeente is bekostigd;</al><al>7°. inrichting met meubilair voor zover dit nog niet eerder door het rijk of
                        de gemeente is bekostigd;</al><al>8°. medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij
                        een andere school in gebruik is of van een lokaal bewegingsonderwijs en een
                        bad voor watergewenning of bewegingstherapie.</al><lijst><li nr="b."><al>herstel van constructiefouten bestaande uit schade aan een gebouw
                                veroorzaakt door eigen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten
                                gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade
                                onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of
                                wanprestatie;</al></li><li nr="c."><al>herstel en vervanging in verband met schade aan gebouw,
                                onderwijsleerpakket,leer- en hulpmiddelen of meubilair
                                ingeval van bijzondere omstandigheden;</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3</vet><vet>.</vet><vet>Voorbereidingskrediet</vet> Voor
                        voorzieningen als bedoeld in artikel 2 kan een aanvraag voor het bekostigen
                        van de kosten voor het opstellen van een aanbestedingsgereed bouwplan worden
                        ingediend. </al><al><vet>Artikel 4</vet><vet>. </vet><vet>Vaststellen</vet><vet> vergoeding
                            voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1 en
                                2,wordt de vergoeding vastgesteld overeenkomstig de in
                                bijlage IV opgenomen normbedragen.</al></li><li nr="2."><al>Voor andere voorzieningen dan bedoeld in het eerste lid wordt de
                                vergoeding vastgesteld op de feitelijke kosten.</al></li><li nr="3."><al>De vergoeding voor een voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel
                                3 wordt in nader overleg met de aanvrager vastgesteld.</al><al><vet>Artikel 5</vet><vet>.
                                </vet><vet>Informatieverstrekking</vet></al></li></lijst><al>Het bevoegd gezag verstrekt aan het college de gegevens die noodzakelijk
                        zijn voor het uitvoeren van het bepaalde in deze verordening. </al><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet> 2</vet><vet>.</vet><vet> Programma en
                            overzicht</vet></al><al><vet>P</vet><vet>aragraaf 2.1 Aanvragen programma</vet></al><al><vet>Artikel 6</vet><vet>. </vet><vet>Indien</vet><vet>en</vet><vet>
                            aanvraag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag om opname van een voorziening op het programma wordt
                                door het bevoegd gezag bij het college ingediend en moet uiterlijk
                                vóór 1 februari van het jaar waarin het betreffende programma wordt
                                vastgesteld, zijn ontvangen.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen die na deze datum worden ontvangen neemt het college niet
                                in behandeling.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 7</vet><vet>. </vet><vet>Inhoud aanvraag; gelegenheid tot
                            aanvullen aanvraag; niet </vet><vet>behandelen onvolledige
                            aanvraag</vet> 1. Een aanvraag vermeldt in ieder geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de dagtekening;</al></li><li nr="c."><al>de naam van de school en, als dit van toepassing is, het gebouw
                                waarvoor de voorziening is bestemd;</al></li><li nr="d."><al>de voorziening die wordt aangevraagd;</al></li><li nr="e."><al>de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste
                                voorziening, bestaande uit:</al></li></lijst><al>1°. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school voor
                        basisonderwijs als het betreft een aanvraag voor een voorziening als bedoeld
                        in artikel 2, onderdeel a, onder de voorwaarde dat de prognose
                        overeenkomstig bijlage II is vastgesteld, tenzij door het college, al dan
                        niet in samenwerking met de bevoegde gezagsorganen van een school voor
                        basisonderwijs, een actuele prognose is opgesteld, welke door het bevoegd
                        gezag wordt onderschreven;</al><al>2°. als de aanvraag betrekking heeft op het geheel of gedeeltelijk
                        bekostigen van vervangende nieuwbouw van een gebouw als bedoeld in artikel
                        2, onderdeel a, onder 1°, of herstel van een constructiefout als bedoeld in
                        artikel 2, onderdeel b, een bouwkundige rapportage die voldoet aan de eisen
                        NEN 2767, zodat de noodzaak van de gevraagde voorziening kan worden
                        vastgesteld;</al><al>3°. als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een voorziening
                        waarvoor de vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijke kosten, een
                        begroting van de noodzakelijke kosten voor het bekostigen van de voorziening
                        of, als de aanvraag betrekking heeft op het bekostigen van een
                        voorbereidingskrediet als bedoeld in artikel 3, een kostenbegroting.</al><lijst><li nr="f."><al>de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening, en</al></li><li nr="g."><al>als het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onderdeel
                                a, onder 1° tot en met 5°, de aanduiding van de gewenste plaats waar
                                de voorziening moet worden gerealiseerd.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk
                                        op de hoogte als gegevens als bedoeld in het eerste of
                                        tweede lid ontbreken. De aanvrager heeft tot 15 maart de
                                        gelegenheid de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit
                                        niet gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in
                                        behandeling.</al></li><li nr="3."><al>Als een door het college in behandeling genomen aanvraag
                                        mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken
                                        school op 1 oktober van het jaar waarin het programma wordt
                                        vastgesteld, is de aanvrager verplicht dat aantal voor 15
                                        oktober te registeren in de Basisregistratie Onderwijs bij
                                        de Dienst Uitvoering Onderwijs. Heeft aanvrager de
                                        registratie niet binnen de gestelde termijn gerealiseerd,
                                        dan deelt het college dit schriftelijk mede aan de aanvrager
                                        en heeft de aanvrager de gelegenheid dit alsnog te doen
                                        binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de
                                        mededeling. Als de registratie niet alsnog binnen drie dagen
                                        is verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in
                                        behandeling.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 8</vet><vet>. </vet><vet>Opgave ingediende aanvragen</vet> Het
                        college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen voor15 mei een
                        opgave van de aanvragen die overeenkomstig artikel 6 zijn ingediend en geeft
                        daarbij aan welke niet in behandeling worden genomen. <vet>Paragraaf 2.2
                            Overleg voorafgaand aan vaststell</vet><vet>en</vet><vet> programma en
                            overzicht</vet></al><al><vet>Artikel 9</vet><vet>. </vet><vet>Toelichting aanvraag; overleg over
                            ingediende begroting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college of een aanvrager kan verzoeken een aanvraag nader toe te
                                lichten. Dit overleg vindt plaats binnen 2 maanden na de
                                hersteldatum, bedoeld in artikel 7, derde lid.</al></li><li nr="2."><al>Het college treedt in overleg met de aanvrager als de aanvraag
                                betrekking heeft op een voorziening waarvoor de vergoeding wordt
                                vastgesteld op de feitelijke kosten en het college van oordeel is
                                dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting moet worden
                                aangepast.</al></li><li nr="3."><al>Het college vermeldt in het voorstel tot het vaststellen van het
                                bekostigingsplafond, het programma en het overzicht, bedoeld in
                                paragraaf 2.3:</al><lijst><li nr="a."><al>de hoogte van het geraamde bedrag, waarvan voor de
                                        aangevraagde voorziening wordt uitgegaan, en</al></li><li nr="b."><al>als dit van toepassing is, de redenen waarom in het overleg
                                        geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het
                                        geraamde bedrag.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel 10</vet><vet>. </vet><vet>Overleg programma en
                        overzicht</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt, worden
                                de bevoegde gezagsorganen in een overleg in de gelegenheid gesteld
                                hun zienswijze over de voorgenomen inhoud van dat voorstel naar
                                voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>De bevoegde gezagsorganen worden ten minste 2 weken voor de door het
                                college vastgestelde datum schriftelijk in kennis gesteld van het
                                tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud van het
                                voorstel.</al></li><li nr="3."><al>De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg kunnen
                                voor het overleg hun zienswijzen schriftelijk kenbaar maken aan het
                                college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg van deze
                                zienswijzen in kennis.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde
                                gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen. De overeenkomstig
                                het vorige lid ingediende zienswijzen en de reactie van het college
                                hierop worden opgenomen in het verslag. Het verslag wordt binnen een
                                maand na het overleg toegezonden aan alle bevoegde
                                gezagsorganen.</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 2.3 Vaststell</vet><vet>en</vet><vet>
                            bekostigingsp</vet><vet>lafond, programma en overzicht</vet></al><al><vet>Artikel 11. </vet><vet>V</vet><vet>aststell</vet><vet>en
                            bekostigingsplafond</vet></al><al>Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding van de
                        aangevraagde voorzieningen. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden naar
                        onderwijssoort of per voorziening.</al><al><vet>Artikel 1</vet><vet>2</vet><vet>.
                            </vet><vet>Bekendmak</vet><vet>en</vet><vet> besluiten
                            vaststell</vet><vet>en</vet><vet> bekostigingsplafond, programma en
                            overzicht</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De besluiten tot het vaststellen van het bekostigingsplafond, het
                                programma en het overzicht worden door het college binnen 2 weken na
                                de datum waarop het besluit is genomen bekend gemaakt door het
                                toezenden of uitreiken van het besluit aan de aanvragers.
                                Gelijktijdig stelt het college de overige bevoegde gezagsorganen
                                schriftelijk in kennis van de genomen besluiten.</al></li><li nr="2."><al>De besluiten worden gelijktijdig met de bekendmaking ter inzage
                                gelegd.</al></li></lijst><al><vet>Par</vet><vet>agraaf 2.4 Uitvoer</vet><vet>en</vet><vet>
                            programma</vet><vet>Artikel 1</vet><vet>3</vet><vet>. </vet><vet>Overleg
                            wijze van uitvoering</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld treedt het
                                college in overleg met de aanvrager over de wijze waarop de op het
                                programma geplaatste voorziening wordt uitgevoerd. In dit overleg
                                wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor het uitvoeren van
                                de voorziening en worden, voor zover van toepassing, afspraken
                                gemaakt over:</al><lijst><li nr="a."><al>het bouwheerschap, bedoeld in artikel 103 van de Wet op het
                                        primair onderwijs;</al></li><li nr="b."><al>het tijdstip waarop het bouwplan en de begroting door de
                                        aanvrager worden ingediend;</al></li><li nr="c."><al>als dit van toepassing is, een andere wijze waarop de
                                        toegekende voorziening wordt uitgevoerd, met inachtneming
                                        van het beschikbaar te stellen bedrag;</al></li><li nr="d."><al>de wijze waarop het college het bouwplan en de begroting
                                        toetst, en of het naar het oordeel van het college
                                        noodzakelijk is bij het toetsen van het bouwplan en de
                                        begroting rekening te houden met feiten en omstandigheden
                                        die gewijzigd zijn ten opzichte van het moment waarop het
                                        programma is vastgesteld, waardoor het eerder genomen
                                        besluit kan worden herzien;</al></li><li nr="e."><al>de controle op en het afleggen van verantwoording over het
                                        besteden van de beschikbaar te stellen middelen;</al></li><li nr="f."><al>de wijze waarop de aanbesteding plaatsvindt;</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheid om vooruitlopend op het aanvragen van het
                                        totale investeringskrediet een bedrag aan te vragen voor de
                                        kosten van voorbereiding van het bouwplan.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De inhoud van de afspraken of het feit dat het overleg niet tot
                                overeenstemming heeft geleid legt het college schriftelijk vast in
                                een verslag. De aanvrager ontvangt het verslag binnen 4 weken na het
                                overleg. Als de aanvrager niet binnen 2 weken nadat het verslag is
                                ontvangen schriftelijk reageert, wordt, afhankelijk van de inhoud
                                van het vastgestelde verslag, geacht overeenstemming of geen
                                overeenstemming te zijn bereikt.</al></li><li nr="3."><al>Bij het toepassen van artikel 14, vierde lid, neemt het college
                                binnen 4 weken nadat overeenstemming is bereikt een beslissing over
                                het tijdstip waarop de bekostiging aanvangt. Het bepaalde in artikel
                                17 is daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Als in het overleg geen overeenstemming is bereikt, deelt het
                                college dit binnen 4 weken nadat het verslag is vastgesteld
                                schriftelijk mede aan de aanvrager en vermeldt gelijktijdig dat het
                                bekostigen van de uitvoering van de voorziening wordt
                                opgeschort.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 1</vet><vet>4</vet><vet>.
                            </vet><vet>Instemm</vet><vet>en</vet><vet> bouwplannen en begroting;
                            tijdstip aanvang bekostiging; toets</vet><vet>en</vet><vet> wettelijke
                            voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden;
                            overlegg</vet><vet>en</vet><vet> offertes</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Nadat overeenstemming als bedoeld in artikel 13, tweede lid, is
                                bereikt dient het bevoegd gezag het bouwplan en, als de voorziening
                                wordt bekostigd op basis van de feitelijke kosten, de bijbehorende
                                begroting in bij het college. Het bevoegd gezag houdt daarbij
                                rekening met de hierover gemaakte afspraken, bedoeld in artikel 13,
                                eerste lid. Gelijktijdig vermeldt het bevoegd gezag het tijdstip
                                waarop de bekostiging kan starten. Het college moet instemmen met
                                het bouwplan en de begroting voordat een bouwopdracht wordt
                                verleend.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist binnen 6 weken nadat de stukken zijn ontvangen
                                over de bouwplannen, de desbetreffende begroting en het tijdstip
                                waarop de bekostiging start. Het college kan, onder mededeling
                                daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met 6 weken. Als
                                niet binnen de gestelde termijn is besloten, wordt geacht instemming
                                te zijn verleend met de bouwplannen en de begroting en start de
                                bekostiging op het door de aanvrager aangegeven tijdstip. Het
                                college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de
                                beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het
                                tijdstip waarop de bekostiging start respectievelijk na de datum
                                waarop de instemming geacht wordt te zijn verleend hiervan
                                schriftelijk in kennis.</al></li><li nr="3."><al>De vergoeding op basis van de feitelijke kosten wordt vastgesteld op
                                basis van de economisch meest voordelige aanbieding.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 1</vet><vet>5</vet><vet>. </vet><vet>Aanvang bekostiging</vet>
                        Het college kan bij de beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging
                        start bepalen dat de gelden in termijnen betaald worden. Het betalen van de
                        gelden vindt telkens plaats op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan
                        voldoen aan de financiële verplichtingen die voortkomen uit het realiseren
                        van de op het programma geplaatste voorziening. </al><al><vet>Artikel 1</vet><vet>6</vet><vet>. </vet><vet>Vervallen aanspraak op
                            bekostiging</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor 1 oktober van het jaar waarop het programma betrekking heeft
                                geeft de aanvrager een bouwopdracht of sluit hij een koop-, huur- of
                                erfpachtovereenkomst af. Hiervan zendt hij voor 15 oktober een
                                afschrift aan het college. De aanspraak op bekostiging vervalt als
                                niet aan deze verplichtingen wordt voldaan.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwopdrachten en overeenkomsten zijn onherroepelijk;</al></li><li nr="b."><al>bouwopdrachten vermelden de aanvangsdatum van het werk en de
                                        termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen
                                        het werk wordt opgeleverd;</al></li><li nr="c."><al>huur- of erfpachtovereenkomsten vermelden de datum van
                                        inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeenkomst;</al></li><li nr="d."><al>koopovereenkomsten vermelden de datum van aankoop.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De aanspraak op bekostiging vervalt niet als het overschrijden van
                                de in het eerste lid bedoelde termijn veroorzaakt wordt door:</al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe
                                        te rekenen, en</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd
                                        verzoek tot het verlengen van de termijn heeft ingediend bij
                                        het college.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college beslist voor15 september op een verzoek tot
                                het verlengen van de termijn. Bij inwilliging van het verzoek wordt
                                in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn wordt
                                verlengd.</al></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet> 3</vet><vet>.</vet><vet> Aan</vet><vet>vragen met
                            spoedeisend karakter</vet><vet>Paragraaf 3.1 Aanvraag</vet></al><al><vet>Artikel 1</vet><vet>7</vet><vet>.
                            </vet><vet>Indien</vet><vet>en</vet><vet> aanvraag</vet> Een aanvraag
                        tot het bekostigen van een voorziening die gelet op de voortgang van het
                        onderwijs geen uitstel kan lijden, wordt binnen 2 weken na het ontstaan van
                        de calamiteit ingediend bij het college.</al><al><vet>Artikel </vet><vet>18</vet><vet>. </vet><vet>Inhoud aanvraag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 17 vermeldt naast de gegevens
                                genoemd in artikel 7, eerste lid, de omstandigheden waarom de
                                voorziening spoedeisend wordt geacht.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum waarop de
                                aanvraag is ingediend schriftelijk op de hoogte als gegevens als
                                bedoeld in het eerste ontbreken. De aanvrager heeft vervolgens 2
                                weken om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Als dit niet
                                gebeurt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.</al></li></lijst><al><vet>Paragraaf 3.2 Beoordel</vet><vet>en</vet><vet> aanvraag;
                            uitvoer</vet><vet>en</vet><vet> besluit</vet></al><al><vet>Artikel </vet><vet>19</vet><vet>. </vet><vet>Tijdstip
                        beslissing</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college beslist binnen 6 weken nadat de aanvraag is ontvangen
                                of, binnen 6 weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of
                                hadden moeten zijn verstrekt.</al></li><li nr="2."><al>Als een beschikking niet binnen de gestelde termijn kan worden
                                gegeven, deelt het college dit aan de aanvrager schriftelijk mede en
                                noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel
                                tegemoet kan worden gezien.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt de aanvrager binnen 2 weken na de datum van de
                                beslissing schriftelijk van de beslissing in kennis.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2</vet><vet>0</vet><vet>. </vet><vet>Vervallen aanspraak op
                            bekostiging</vet></al><al>De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien niet binnen
                        3 maanden na de beschikking, bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot
                        de voorziening een bouwopdracht is gegeven dan wel een koop-, huur- of
                        erfpachtovereenkomst is gesloten.</al><al><vet>Artikel 2</vet><vet>1</vet><vet>.
                            </vet><vet>Uitvoer</vet><vet>en</vet><vet> beslissing</vet> Na het
                        bekendmaken van een beslissing als bedoeld in artikel 20 waarbij een
                        vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in overleg
                        met de aanvrager over de wijze waarop de voorziening wordt uitgevoerd. Het
                        bepaalde in de artikelen 13, 14, 15 en 16 is daarbij van overeenkomstige
                        toepassing, met dien verstande dat in plaats van de termijn, bedoeld in
                        artikel 14, tweede lid, eerste volzin, een termijn van 3 weken geldt. </al><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet>4</vet><vet>.</vet><vet> Medegebruik
                            </vet><vet>en verhuur</vet><vet> Paragraaf
                            </vet><vet>4</vet><vet>.1 Medegebruik </vet><vet>voor</vet><vet>
                            onderwijs of educatie</vet></al><al><vet>Artikel 2</vet><vet>2</vet><vet>.
                            </vet><vet>Aanduid</vet><vet>en</vet><vet> omstandigheden</vet> Het
                        college kan overgaan tot het vorderen van een gedeelte van een voor een
                        school bestemd gebouw of terrein als:</al><lijst><li nr="a."><al>door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien
                                van een school waarbij overeenkomstig bijlage III, deel C, een
                                aanvullende ruimtebehoefte is vastgesteld en het bevoegd gezag van
                                die school een aanvraag als bedoeld in de artikelen 6 of 19 heeft
                                ingediend;</al></li><li nr="b."><al>leegstand is vastgesteld in een lesgebouw van een school;</al></li><li nr="c."><al>leegstand is vastgesteld in een lokaal bewegingsonderwijs van een
                                school.</al></li></lijst><al><vet>Artikel </vet><vet>2</vet><vet>3</vet><vet>. </vet><vet>Omschrijving
                            leegstand</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Er is sprake van leegstand in een schoolgebouw als overeenkomstig
                                bijlage III, deel C, is vastgesteld dat de vastgestelde capaciteit
                                van het gebouw groter is dan de vastgestelde ruimtebehoefte.</al></li><li nr="2."><al>Er is sprake van leegstand in een lokaal bewegingsonderwijs
                                als:</al><lijst><li nr="a."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor
                                            basisonderwijs<cursief>, </cursief>speciaal
                                        basisonderwijs ende som van het aantal klokuren
                                        gebruik dat door het college is vastgesteld minder is dan 40
                                        klokuren;</al></li><li nr="b."><al>het lokaal wordt gebruikt door een of meer scholen voor
                                        basisonderwijs enspeciaal basisonderwijs en de som
                                        van de berekeningswijzen, bedoeld onder a en b, minder is
                                        dan 40 klokuren.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel </vet><vet>2</vet><vet>4</vet><vet>.</vet><vet> Nalaten
                            vorder</vet><vet>en</vet></al><al>Het college vordert geen medegebruik als het bevoegd gezag de leegstand van
                        het gebouw waarin het beoogde medegebruik moet plaatsvinden, in gebruik
                        heeft gegeven aan een andere school of scholen voor het onderwijs aan die
                        school of scholen, tenzij dat gebruik kan plaatsvinden in de voor die
                        scholen al beschikbare huisvestingscapaciteit.</al><al><vet>Artikel </vet><vet>2</vet><vet>5</vet><vet>.</vet><vet> Overleg en
                            mededeling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een
                                aanvraag als bedoeld in artikel 6 overlegt het daarover met de
                                betrokken bevoegde gezagsorganen tijdens het overleg als bedoeld in
                                artikel 10.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college overgaat tot vorderen in het kader van een
                                aanvraag als bedoeld in artikel 19, overlegt het daarover zo spoedig
                                mogelijk met de betrokken bevoegde gezagsorganen.</al></li><li nr="3."><al>Binnen 4 weken nadat het programma is vastgesteld of binnen 1 week
                                na het overleg, bedoeld in het vorige lid, deelt het college het
                                bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt schriftelijk mede dat
                                gevorderd wordt.</al></li><li nr="4."><al>De schriftelijke mededeling van het college bevat in ieder
                                geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam van de school en het bevoegd gezag waarvoor wordt
                                        gevorderd;</al></li><li nr="b."><al>een aanduiding van het aantal leerlingen waarvoor gevorderd
                                        wordt of, als het betreft het bewegingsonderwijsonderwijs,
                                        het aantal klokuren dat gevorderd wordt;</al></li><li nr="c."><al>het gebouw waarop de vordering betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al>het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlakte dat
                                        gevorderd wordt;</al></li><li nr="e."><al>de periode waarvoor gevorderd wordt, en</al></li><li nr="f."><al>de ingangsdatum van het medegebruik.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Artikel </vet><vet>2</vet><vet>6</vet><vet>.</vet><vet>
                            Vergoeding</vet> De betrokken bevoegde gezagsorganen stellen in
                        onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik vast. Hierbij wordt als
                        uitgangspunt genomen dat de vergoeding kostendekkend dient te zijn.</al><al><vet>Paragraaf </vet><vet>4</vet><vet>.3 Verhuur</vet></al><al><vet>Artikel </vet><vet>28</vet><vet>.</vet><vet>Verzoek
                            t</vet><vet>oestemming college</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag verzoekt het college schriftelijk om toestemming
                                als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Wet op het primair
                                onderwijs voordat een huurovereenkomst wordt gesloten.</al></li><li nr="2."><al>Het verzoek bevat een aanduiding van de huurder en van de bestemming
                                van de te verhuren ruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan aan de toestemming de voorwaarde verbinden dat voor
                                de verhuur een huur is verschuldigd.</al></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet>5</vet><vet>.</vet><vet> Eind</vet><vet>e
                            gebruik gebouwen en terreinen</vet></al><al><vet>Artikel </vet><vet>29</vet><vet>.</vet><vet>S</vet><vet>taat van
                            onderhoud</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Als het bevoegd gezag aan het college schriftelijk meldt dat een
                                gebouw of terrein niet meer nodig is voor het huisvesten van een
                                school stelt het college vast of er mogelijk sprake is van
                                achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein.</al></li><li nr="2."><al>Als het college vaststelt dat er sprake is van achterstallig
                                onderhoud wordt voordat de eigendomsoverdracht plaatsvindt een staat
                                van onderhoud opgemaakt.</al></li><li nr="3."><al>De staat van onderhoud wordt na overleg met het bevoegd gezag
                                opgemaakt in opdracht van het college.</al></li><li nr="4."><al>Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd
                                gezag.</al></li><li nr="5."><al>Als uit de staat van onderhoud blijkt dat sprake is van
                                achterstallig onderhoud wordt in het overleg vastgesteld welk deel
                                hiervan voor rekening van het bevoegd gezag komt en of het bevoegd
                                gezag opdracht verstrekt voor het uitvoeren van de werkzaamheden, of
                                dat het bevoegd gezag een in overleg vast te stellen bedrag aan het
                                college betaalt. Als geen overeenstemming wordt bereikt, stellen
                                partijen vast welke handelwijze verder gevolgd wordt.</al></li><li nr="6."><al>Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege als dit
                                naar het oordeel van het college niet nodig is.</al></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet>6</vet><vet>. </vet><vet>Gebruik
                            </vet><vet>lokaal bewegingsonderwijs</vet><vet>d</vet><vet>oor
                            </vet><vet>(speciaal) </vet><vet>basisonderwijs </vet></al><al><vet>Artikel 3</vet><vet>0</vet><vet>.</vet><vet> Mutaties aantal klokuren
                            binnen beschikbare capaciteit</vet><vet>,
                            </vet><vet>inrooster</vet><vet>en en</vet><vet> gebruik</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt jaarlijks voor 1 januari voorlopig vast het aantal
                                klokuren bewegingsonderwijs waarop een school voor basisonderwijs in
                                het daaropvolgende schooljaar aanspraak maakt.</al></li><li nr="2."><al>Grondslag voor het berekenen van het aantal klokuren is het aantal
                                leerlingen dat op 1 oktober van het lopende schooljaar op de school
                                staat ingeschreven.</al></li><li nr="3."><al>Op basis van het aantal klokuren stelt het college een rooster op
                                voor het gebruik van de lokalen bewegingsonderwijs, waarbij het
                                college rekening houdt met de volgende uitgangspunten:</al><lijst><li nr="a."><al>de afstanden in relatie tot de omvang van het
                                        onderwijsgebruik van een lokaal bewegingsonderwijs, bedoeld
                                        in bijlage I, deel B;</al></li><li nr="b."><al>een school waarvan het bevoegd gezag eigenaar is van het
                                        lokaal bewegingsonderwijs wordt voor de school als eerste
                                        ingeroosterd voor het lokaal bewegingsonderwijs, en</al></li><li nr="c."><al>het bewegingsonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk
                                        ingeroosterd in één lokaal bewegingsonderwijs.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college stelt het bevoegd gezag, nadat het rooster voorlopig is
                                vastgesteld, voor 1 maart in kennis van het rooster. Hierbij worden
                                per school de volgende gegevens vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal klokuren waarvoor wordt ingeroosterd;</al></li><li nr="b."><al>het lokaal bewegingsonderwijs dat voor het
                                        bewegingsonderwijs is toegewezen, en</al></li><li nr="c."><al>de lestijden gedurende welke het onderwijsgebruik
                                        plaatsvindt.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De bevoegde gezagsorganen kunnen tot 1 april reageren op het
                                voorstel.</al></li><li nr="6."><al>Op verzoek van de bevoegde gezagsorganen kan het college een overleg
                                over het voorstel plannen. Dit overleg vindt plaats voor 15 april.
                                In het overleg kunnen de vertegenwoordigers van de bevoegde
                                gezagsorganen reageren op het voorstel.</al></li><li nr="7."><al>Het college stelt het rooster voor 1 junidefinitief vast
                                en houdt hierbij rekening met de reacties van de bevoegde
                                gezagsorganen.</al></li><li nr="8."><al>Het bevoegd gezag kan het college verzoeken meer klokuren in te
                                roosteren dan het aantal klokuren dat door het college is
                                vastgesteld.</al></li><li nr="9."><al>Het college neemt een verzoek als bedoeld in het vorige lid
                                uitsluitend in behandeling als daarvoor nog capaciteit beschikbaar
                                is. Het aantal klokuren dat door het college extra wordt
                                ingeroosterd komt voor rekening van het bevoegd gezag van de school.
                            </al></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk</vet><vet>7</vet><vet>.</vet><vet>S</vet><vet>lotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel </vet><vet>3</vet><vet>1</vet><vet>.</vet><vet> Beslissing
                            college in gevallen waar</vet><vet>in de verordening niet voorziet</vet>
                        In gevallen die de uitvoering van deze verordening betreffen en waarin deze
                        verordening niet voorziet beslist het college. <vet>Artikel
                            </vet><vet>3</vet><vet>2</vet><vet>.</vet><vet> Indexering</vet> Het
                        college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde
                        normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in
                        bijlage IV opgenomen systematiek van prijsbijstelling.</al><al><vet>Artikel 3</vet><vet>3</vet><vet>. Intrekken oude verordening</vet></al><al>De [<vet>citeertitel oude verordening</vet>] wordt ingetrokken.</al><al><vet>Artikel 3</vet><vet>4</vet><vet>. Inwerkingtreding en
                        citeertitel</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                                huisvesting onderwijs gemeente Ten Boer.</al></li></lijst></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 17 december 2014.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening><ondertekening>N.A. van de Nadort R.Sj. Bosma</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><al><vet>Bijlage I – Beoordelingscriteria </vet><vet>noodzaak
                            </vet><vet>aangevraagde voorzieningen</vet></al><al>Deel A - Lesgebouwen</al><al>De voorzieningen genoemd onder A.2 (vervangende bouw), A.3.1 (uitbreiding
                        met één of meer leslokalen) en A.3.2 (uitbreiding met een speellokaal)
                        worden niet noodzakelijk geacht voor dislocaties met een permanente
                        bouwaard. Slechts in bijzondere omstandigheden kan dit, na overleg met het
                        bevoegd gezag en ter beoordeling van het college plaatsvinden.</al><al>A.1 Nieuwbouw</al><al>Noodzaak van nieuwbouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging
                                in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht
                                en:</al></li></lijst><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een
                        overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen
                        gedurende ten minste 15 jaar kunnen worden verwacht, of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een
                        overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen
                        gedurende ten minste 4 jaar kunnen worden verwacht, en</al><lijst><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te
                                maken is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor
                                de school te realiseren.</al></li><li nr="A."><al>2 Vervangende bouw</al></li></lijst><al>De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige
                                rapportage wordt vastgesteld dat onderhoud of renovatie niet zal
                                leiden tot de gewenste levensduurverlenging;</al></li><li nr="b."><al>dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>dit het gevolg is van ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
                                en:</al></li></lijst><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een
                        overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal
                        leerlingen gedurende ten minste 15 jaar aanwezig zijn of kunnen worden
                        verwacht, of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een
                        overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal
                        leerlingen gedurende ten minste 4 jaar aanwezig zijn of kunnen worden
                        verwacht, en</al><lijst><li nr="e."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te
                                maken is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="f."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor
                                de school te realiseren.</al></li></lijst><al>A.3 Uitbreiding</al><al>A.3.1 Uitbreiding schoolgebouw</al><al>De noodzaak van het uitbreiden van een schoolgebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde
                                capaciteit van een schoolgebouw van een school voor basisonderwijs
                                kleiner is dan de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde
                                ruimtebehoefte en het verschil tussen de capaciteit en de
                                ruimtebehoeftevoor een school voor basisonderwijsgelijk of
                                groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III, deel C,
                                en</al></li><li nr="b."><al>daarnaast:</al></li></lijst><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een
                        overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal
                        leerlingen gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht, </al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een
                        overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat dit aantal
                        leerlingen gedurende minstens vier jaar aanwezig zijn of kunnen worden
                        verwacht, of</al><al>3°. de prognose op basis van de laatste teldatum voor het indienen van de
                        aanvraag aantoont dat het aantal leerlingen dat aanwezig is niet voor ten
                        hoogste vier jaar binnen het gebouw of de gebouwen kunnen worden gehuisvest,
                        en</al><lijst><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te
                                maken is als passende huisvesting voor de school, en</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor
                                de school te realiseren.</al></li></lijst><al>A.3.2 Uitbreiding met een speellokaal</al><al>De noodzaak van het uitbreiden met een speellokaal is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de school volgens een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose
                                aantoont dat de school minstens vijftien jaar zal blijven
                                bestaan;</al></li><li nr="c."><al>in het schoolgebouw geen speellokaal aanwezig is;</al></li><li nr="d."><al>medegebruik van een speellokaal of lokaal bewegingsonderwijs binnen
                                300 meter hemelsbreed onmogelijk is, en</al></li><li nr="e."><al>het naar oordeel van het college onmogelijk is om tegen redelijke
                                kosten inpandig een speellokaal te realiseren door gebruik te maken
                                van een bestaand verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel
                                A, vastgestelde capaciteit en de overeenkomstig bijlage III, deel B,
                                vastgestelde ruimtebehoefte.</al></li></lijst><al>A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</al><al>De noodzaak van het in gebruik nemen van een gebouw is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>de minister de desbetreffende school voor het eerst voor bekostiging
                                in aanmerking brengt of als het huidige gebouw moet worden vervangen
                                of uitgebreid;</al></li><li nr="b."><al>de te huisvesten leerlingen aanwezig zijn of kunnen worden verwacht
                                en:</al></li></lijst><al>1°. als het een voor blijvend gebruik bestemde voorziening betreft een
                        overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen
                        gedurende minstens vijftien jaar kunnen worden verwacht, of</al><al>2°. als het een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening betreft een
                        overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat deze leerlingen
                        gedurende minstens vier jaar kunnen worden verwacht, en</al><lijst><li nr="c."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te
                                maken is als passende huisvesting voor de school;</al></li><li nr="d."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor
                                de school te realiseren, en</al></li><li nr="e."><al>de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het
                                college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende
                                bouw of uitbreiding.</al></li></lijst><al>A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</al><al>De noodzaak van het verplaatsen van een tijdelijk gebouw is aanwezig
                        als:</al><lijst><li nr="a."><al>er op basis van een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose
                                een tijdelijke behoefte aan huisvesting voor minstens vier jaar is,
                                waarin een beschikbaar leeg of leegkomend tijdelijk gebouw kan
                                voorzien;</al></li><li nr="b."><al>geen gebouw beschikbaar is of komt dat geschikt is of geschikt te
                                maken is als passende huisvesting voor de school;</al></li><li nr="c."><al>het onmogelijk is om door medegebruik een passende huisvesting voor
                                de school te realiseren, en</al></li><li nr="d."><al>de kosten van het verplaatsen naar oordeel van het college in
                                redelijke verhouding staan tot de kosten van een nieuwe tijdelijke
                                voorziening voor hetzelfde aantal leerlingen en voor dezelfde
                                tijdsduur.</al></li></lijst><al>A.6 Terrein</al><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel
                        daarvan is aanwezig als het college heeft ingestemd met een voorziening als
                        bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder 1° tot en met 4°, en de oppervlakte
                        van het bestaande terrein niet voldoende is om deze voorziening te
                        realiseren. De oppervlakte van het terrein moet voldoen aan de
                        minimumnormen, bedoeld in bijlage III, deel D.</al><lijst><li nr="A."><al>7 Eerste inrichting</al><lijst><li nr="1."><al>De noodzaak van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket
                                        en meubilair of leer- en hulpmiddelenontstaat
                                        wanneer een voorziening wordt toegekend die uitbreiding van
                                        de totale huisvestingscapaciteit van de school tot gevolg
                                        heeft en deze niet voor 1 januari is bekostigd.</al></li><li nr="2."><al>Bij fusie van scholen wordt uitsluitend uitbreiding van
                                        eerste aanschaf van onderwijsleerpakket, meubilair of leer-
                                        en hulpmiddelen toegekend als het aantal leerlingen na de
                                        fusie groter is dan het totaal aantal leerlingen van de
                                        afzonderlijk aan de fusie deelnemende scholen.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="A."><al>8 Medegebruik</al><lijst><li nr="1."><al>De noodzaak van medegebruik van een school voor
                                        basisonderwijs is aanwezig als het verschil tussen de
                                        overeenkomstig bijlage III, deel A, vastgestelde capaciteit
                                        en de overeenkomstig bijlage III, deel B, vastgestelde
                                        ruimtebehoefte:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>gelijk of groter is dan de drempelwaarde, bedoeld in bijlage III,
                                deel C, en</al></li><li nr="b."><al>een overeenkomstig bijlage II opgestelde prognose aantoont dat de
                                overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende
                                ruimtebehoefte voor minimaal 4 jaar noodzakelijk is.</al><lijst><li nr="2."><al>Medegebruik blijft beperkt tot ten hoogste 2 gebouwen.</al></li></lijst></li></lijst><al>A.9 Herstel van constructiefouten</al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een
                        bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die
                        hersteld moeten worden. </al><al>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of
                        meubilair als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden
                        bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                        gehinderd.</al><al><vet>Deel</vet><vet> B - Voorzieningen voor lichamelijke oefening</vet></al><al>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding en ingebruikneming.</al><al>De noodzaak van:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouwis aanwezig als de minister de desbetreffende school
                                voor het eerst voor bekostiging in aanmerking brengt;</al></li><li nr="b."><al>vervangende nieuwbouw is aanwezig op grond van een overeenkomstig
                                NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat
                                onderhoud of renovatie niet zal leiden tot de gewenste
                                levensduurverlenging of dit het gevolg is van een
                                herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="c."><al>uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs is aanwezig als de
                                oppervlakte van de zaal kleiner is dan 140 vierkante meters en het
                                effectief gebruik van het lokaal daardoor belemmerd wordt.</al></li></lijst><al>De noodzaak voor het in gebruik nemen van een lokaal bewegingsonderwijs is
                        aanwezig als:</al><lijst><li nr="-"><al>de minister de school voor het eerst voor bekostiging in aanmerking
                                brengt;</al></li><li nr="-"><al>het huidige gebouw overeenkomstig onderdeel b voor vervanging in
                                aanmerking komt; of</al></li><li nr="-"><al>de kosten van het in gebruik nemen en aanpassen naar oordeel van het
                                college in redelijke verhouding staan tot de kosten van vervangende
                                bouw, en</al></li><li nr="-"><al>het onmogelijk is gebruik te maken van één of meer lokalen
                                bewegingsonderwijs of van binnen een redelijke termijn beschikbaar
                                komende lokalen bewegingsonderwijs voor:</al></li></lijst><al>een school voorbasisonderwijs, </al><al>B.2 Terrein</al><al>De noodzaak van het verwerven of uitbreiden van een terrein of een deel
                        daarvan is aanwezig als voor het realiseren van de nieuwbouw of de
                        uitbreiding geen of onvoldoende terrein aanwezig is.</al><al>B.3 Eerste inrichting</al><al>De noodzaak van eerste inrichting bewegingsonderwijs is aanwezig als:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw, uitbreiding of ingebruikneming bestaand lokaal
                                bewegingsonderwijs voor de school is goedgekeurd, en</al></li><li nr="b."><al>voor de desbetreffende groepen leerlingen van het basisonderwijs nog
                                niet eerder bekostiging eerste inrichting bewegingsonderwijs is
                                verstrekt of voor de desbetreffende leerlingen van het voortgezet
                                onderwijs nog niet eerder bekostiging eerste inrichting
                                bewegingsonderwijs is verstrekt.</al></li></lijst><al>B.4 Medegebruik</al><al>De noodzaak van medegebruik is aanwezig als het door de gemeente
                        vastgestelde aantal klokuren bewegingsonderwijs zodanig is dat daarvoor
                        binnen de op dat moment in gebruik zijnde lokalen bewegingsonderwijs geen
                        plaats is.</al><al>B.5 Herstel constructiefouten</al><al>De noodzaak van herstel van constructiefouten is aanwezig als een
                        bouwkundige rapportage uitwijst dat het gaat om constructiefouten die
                        hersteld moeten worden. </al><al>B.6 Herstel of vervanging van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>De noodzaak van vervangen of herstel van een gebouw, onderwijsleerpakket of
                        meubilair als gevolg van schade daaraan is aanwezig als door de opgetreden
                        bijzondere omstandigheid het onderwijs in het desbetreffende gebouw wordt
                            gehinderd<vet>Bijlage II – </vet><vet>Prognosecriteria</vet></al><al><vet>A. Algemeen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een prognose van het aantal te verwachten leerlingen van een school
                                voor basisonderwijswordt gemaakt voor een periode van
                                minstens vijftien jaar, met als eerste jaar het jaar waarin de start
                                van de bekostiging wordt gewenst (de prognoseperiode).</al></li><li nr="2."><al>De prognose omvat gegevens voor minstens een periode van zes jaar
                                (de analyseperiode) met als laatste jaar het jaar dat voorafgaat aan
                                het indienen van de aanvraag. De prognose is niet meer dan twee jaar
                                oud. Als basis voor de prognose mag gebruik gemaakt worden van de
                                omvang van de basisgeneratie voor het basisonderwijs zoals het meest
                                recent berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek of het
                                ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.</al></li><li nr="3."><al>Een prognose wordt schriftelijk aangeleverd en bevat in ieder geval
                                de relevante gegevens en berekeningen over de analyse- en
                                prognoseperiode, een beschrijving van de gebruikte programmatuur en
                                een onderbouwing van de aannames waarop de prognose is
                                gebaseerd.</al></li></lijst><al><vet>B. Voedingsgebied</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het voedingsgebied van een school omvat het gebied waaruit het
                                overgrote deel van de leerlingen afkomstig is of zal zijn.</al></li><li nr="2."><al>De prognose voor een basisschool bevat in ieder geval een
                                beschrijving van het voedingsgebied op wijkniveau.</al></li><li nr="3."><al>Voor zover het voedingsgebied kleiner is dan de hele gemeente wordt
                                beredeneerd aangegeven welke berekeningen op de basisgeneratie zijn
                                toegepast.</al></li></lijst><al><vet>C. Prognose school voor basisonderwijs</vet></al><al>De prognose van een school voor basisonderwijs geeft per jaar inzicht in het
                        te verwachten aantal leerlingen van de school of nevenvestiging waarbij
                        rekening wordt gehouden met:</al><lijst><li nr="a."><al>het voedingsgebied;</al></li><li nr="b."><al>de bevolking in het voedingsgebied, verdeeld in relevante
                                leeftijdsgroepen;</al></li><li nr="c."><al>de woningvoorraad en wijzigingen daarin, inclusief een eventuele
                                wijziging van het voedingsgebied;</al></li><li nr="d."><al>veranderingen als gevolg van migratie, sterfte en geboorte in de
                                leeftijdsgroepen, bedoeld onder b;</al></li><li nr="e."><al>veranderingen in de bevolking als gevolg van wijzigingen in de
                                woningvoorraad;</al></li><li nr="f."><al>de verdeling van de leerlingen als gevolg van de belangstelling voor
                                de basisschool, en</al></li><li nr="g."><al>het onderwijs dat wordt gegeven.</al></li></lijst><al><vet>Bijlage III – </vet><vet>Criteria vaststellen
                            </vet><vet>capaciteit</vet><vet>,</vet><vet>ruimtebehoefte</vet><vet>
                            en </vet><vet>aanvullende ruimtebehoefte</vet></al><al><vet>Deel A –</vet><vet>Vaststellen c</vet><vet>apaciteit </vet></al><al><vet>A.1 Uitgangspunten</vet></al><al>De capaciteit van gebouwen wordt op basis van onderstaande methodiek
                        vastgesteld. Het college kan in overeenstemming met het bevoegd gezag van
                        een school besluiten tot het verminderen van de met onderstaande methodiek
                        vastgestelde capaciteit, als de hiertoe beschikbaar komende ruimten worden
                        ingezet voor onderwijskundige, culturele, maatschappelijke of recreatieve
                        doeleinden. Als een deel van een gebouw is gerealiseerd met andere dan
                        overheidsmiddelen en hiervoor geen vergoeding wordt genoten, wordt dit deel
                        niet tot de capaciteit van het gebouw gerekend. Dit deel wordt wel
                        geregistreerd.</al><al><vet>A.1.1 School voor basisonderwijs</vet>1. De capaciteit van een gebouw
                        voor een school voor basisonderwijs wordt vastgelegd in de bruto
                        vloeroppervlakte van het gebouw en bepaald overeenkomstig bijlage III, deel
                        E. De capaciteit van ieder gebouw wordt afzonderlijk vastgesteld.</al><lijst><li nr="2."><al>De capaciteit van een schoolgebouw wordt verminderd met 90 vierkante
                                meter als een ruimte in het schoolgebouw is verhuurd voor het
                                huisvesten van een peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang of
                                kinderopvang en het college voor deze verhuur vooraf toestemming
                                heeft verleend.</al></li><li nr="3."><al>Als sprake is van een schoolgebouw met een bruto-netto-verhouding in
                                de oppervlakte die sterk afwijkt van de sinds 1 januari 1997
                                gerealiseerde schoolgebouwen, kan het schoolbestuur een verzoek
                                indienen tot vaststelling van een fictieve bruto vloeroppervlakte
                                als grondslag voor de capaciteitsbepaling.</al></li></lijst><al><vet>A.1.2 Dislocaties, gebouwen met een permanente of tijdelijke
                            bouwaard</vet></al><al>De capaciteit van dislocaties wordt overeenkomstig bijlage III, deel E,
                        vastgesteld.</al><al><vet>A.1.3 Rangorde hoofdgebouwen en dislocaties</vet></al><al>Als een schoolbestuur voornemens is een hoofdvestiging, nevenvestiging of
                        dislocatie af te stoten, wordt in overleg met het college vastgesteld welk
                        gebouw wordt afgestoten.</al><al><vet>A.1.4 Terrein</vet></al><al>Het terrein omvat het kadastraal perceel of de kadastrale percelen waarop
                        het schoolgebouw met toebehoren zich bevindt. De terreinoppervlakte is
                        gelijk aan de grootte in de kadastrale registratie van het Kadaster. Als de
                        kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                        schoolterrein wordt het met overheidsmiddelen bekostigde deel van de
                        terreinoppervlakte vastgelegd.</al><al><vet>A.1.5 Inventaris</vet></al><al>Voor de inventaris geldt als uitgangspunt dat op 1 januari alle scholen voor
                        basisonderwijs in de gemeente zijn voorzien van voldoende
                        onderwijsleerpakket en meubilair en leer- en hulpmiddelen. De bruto
                        vloeroppervlakte van de school is de basis voor het vaststellen van de
                        omvang van de aanwezige inventaris.</al><al><vet>A.1.6 </vet><vet>Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al><vet>A.1.6.1 </vet><vet>Lokalen bewegingsonderwijs.</vet></al><al>De capaciteit van een lokaal bewegingsonderwijs bedraagt 40 klokuren.</al><al><vet>A.1.6.2 Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlakte is de oppervlakte zoals vastgelegd bij het Kadaster.
                        Slechts de terreinoppervlakte van de vrijstaande lokalen bewegingsonderwijs
                        gelegen op eigen terrein, los van het terrein van het lesgebouw, wordt
                        geregistreerd.</al><al><vet>A.1.6.3 Inventaris</vet></al><al>De inventaris aanwezig op 1 januari 2015wordt geacht voldoende te
                        zijn.</al><al><vet>Deel B
                            –</vet><vet>Vaststellen</vet><vet>r</vet><vet>uimtebehoefte</vet></al><al><vet>B.</vet><vet>1 </vet><vet>Lesgebouwen</vet></al><al><vet>B.1.1 School voor basisonderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt bepaald
                                aan de hand van het aantal leerlingen. De ruimtebehoefte wordt
                                berekend voor elke school met een eigen BRIN-nummer en voor elke
                                nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Een nevenvestiging
                                wordt voor het berekenen van de ruimtebehoefte beschouwd als een
                                afzonderlijke school. De ruimtebehoefte is opgebouwd uit een
                                basisruimtebehoefte en een toeslag in verband met de
                                gewichtensom.</al></li><li nr="2."><al>De basisruimtebehoefte wordt berekend met de formule:</al></li></lijst><al>B = 200 + 5,03 * L, waarbij:</al><al>B = Basisruimtebehoefte in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond
                        op hele vierkante meter.</al><al>L = Aantal leerlingen dat op 1 oktober voorafgaande aan elk jaar waarop de
                        prognose betrekking heeft op de school zijn ingeschreven.</al><al>3.De toeslag wordt berekend met de formule:</al><al>T = 1,40 * G, waarbij:</al><al>T = Toeslag in vierkante meter bruto vloeroppervlakte, afgerond op hele
                        vierkante meter.</al><al>G = Gecorrigeerde gewichtensom, welke als volgt wordt bepaald:</al><al>1°. bepaal de (ongecorrigeerde) gewichtensom (= het totaal van alle
                        gewichten van alle ingeschreven leerlingen);</al><al>2°. verminder de ongecorrigeerde gewichtensom met een getal ter grootte van
                        6 procent van het aantal ingeschreven leerlingen, waarbij de gewichtensom
                        niet kleiner dan 0 mag worden. De uitkomst wordt afgerond op een geheel
                        getal;</al><al>3°. als de dan verkregen gewichtensom meer bedraagt dan 80 procent van het
                        aantal ingeschreven leerlingen wordt de gewichtensom vastgesteld op 80
                        procent van het aantal ingeschreven leerlingen.</al><al><vet>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs wordt
                                vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een school voor basisonderwijs, op 1,5 klokuur per week
                                        per groep leerlingen 6 jaar en ouder;</al></li></lijst></li></lijst><al>en</al><al>b.als het schoolgebouw niet beschikt over een speellokaal, op 3,75 klokuur
                        per week voor de leerlingen 4 en 5 jaa</al><al><vet>Deel C – </vet><vet>Vaststellen </vet><vet>aanvullende
                            </vet><vet>ruimtebehoefte</vet></al><al><vet>C.1 Voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>Er is sprake van een voorziening voor blijvend gebruik als de overeenkomstig
                        deel C vastgestelde ruimtebehoefte gedurende minstens vijftien jaar blijft
                        bestaan.</al><al><vet>C.1.1 Nieuwbouw, </vet><vet>of</vet><vet> vervangende
                        nieuwbouw</vet></al><al>De omvang van de goedgekeurde voor blijvend gebruik bestemde voorziening
                        nieuwbouw of vervangende nieuwbouw wordt overeenkomstig deel B
                        vastgesteld.</al><al><vet>C.1.2 Overige voor blijvend gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>Uitbreiding, uitbreiding ter vervanging van een bestaand gebouw,
                        ingebruikneming of medegebruik wordt voor een school voor basisonderwijs
                        vastgesteld als het verschil tussen de overeenkomstig deel A vastgestelde
                        capaciteit en de overeenkomstig deel B vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of
                        groter is dan de drempelwaarde van 55 vierkante meter bruto vloeroppervlakte
                        voor een voorziening basisonderwijs.</al><al><vet>C.2 Voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen </vet></al><al>De ruimtebehoefte van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening wordt
                        op dezelfde wijze vastgesteld als de ruimtebehoefte voor een voor blijvend
                        gebruik bestemde voorzieningen. Een voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening is voor minstens vier jaar en maximaal vijftien jaar
                        noodzakelijk. Voor het vaststellen van de omvang van een voor tijdelijk
                        gebruik bestemde voorziening moet het verschil bij een school voor
                        basisonderwijs ten minste 40 vierkante meter bruto vloeroppervlakte
                        bedragen.</al><al><vet>C.3 Overige voor blijvend gebruik </vet><vet>of</vet><vet> voor
                            tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen</vet></al><al>De omvang van een goedgekeurde voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>voor blijvend of tijdelijk gebruik bestemde voorziening terrein, dan
                                wel uitbreiding van het terrein, wordt bepaald door de minimaal
                                noodzakelijke terreinoppervlakte om het schoolgebouw te realiseren
                                met inachtneming van de bij of krachtens de wet gestelde eisen ten
                                aanzien van de terreinoppervlakte en de minimumnormen, bedoeld in
                                deel D.</al></li><li nr="b."><al>eerste aanschaf van: onderwijsleerpakket en meubilair, of
                                uitbreiding van de eerste aanschaf van het onderwijsleerpakket en
                                meubilair voor een school basisonderwijs</al></li></lijst><al>is gekoppeld aan de omvang van de toegekende voorziening.</al><al>c.herstel van constructiefouten en herstel van schade aan het gebouw,
                        onderwijsleerpakket, leer- en hulpmiddelen en meubilair in geval van
                        bijzondere omstandigheden wordt bepaald door de activiteiten die minimaal
                        noodzakelijk zijn voor de voortgang van het onderwijs.</al><al><vet>C.4 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening nieuwbouw, vervangende
                                nieuwbouw en uitbreiding van een lokaal bewegingsonderwijs wordt
                                voor een school voor basisonderwijsvastgesteld
                                ophet verschil tussen de overeenkomstig bijlage III, deel
                                A, vastgestelde capaciteit en het overeenkomstig B.2, eerste lid,
                                vastgestelde ruimtebehoefte.</al></li><li nr="2."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening aanpassen van een lokaal
                                bewegingsonderwijs van een school voor basisonderwijs wordt
                                vastgesteld op de minimaal noodzakelijke aanvullende
                                vloeroppervlakte om te kunnen voldoen aan de minimumnormen, bedoeld
                                in deel D, onder D.3.</al></li><li nr="4."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening terrein, of uitbreiding
                                van het terrein, voor een lokaal bewegingsonderwijs wordt
                                vastgesteld op de minimaal noodzakelijke terreinoppervlakte om het
                                lokaal, of de uitbreiding van het lokaal te realiseren.</al></li><li nr="5."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening aanvulling op de eerste
                                aanschaf van het meubilair wordt overeenkomstig bijlage IV bepaald
                                als een lokaal bewegingsonderwijs in gebruik wordt genomen door
                                andere leerlingen dan waarvoor het lokaal oorspronkelijk is bedoeld
                                of wordt uitgebreid.</al></li><li nr="6."><al>De omvang van de goedgekeurde voorziening herstel van
                                constructiefouten en het herstel van schade aan gebouw,
                                onderwijsleerpakket en meubilair in geval van bijzondere
                                omstandigheden, wordt bepaald door de feitelijke kosten voor de
                                activiteiten die minimaal noodzakelijk zijn voor de voortgang van
                                het onderwijs.</al></li></lijst><al><vet>Deel D – Minimumnormen bij het realiseren van nieuwe voorzieningen
                        </vet></al><al><vet>D.1 Terreinoppervlakte </vet></al><al>Voor een school voor basisonderwijsgeldt voor het verharde
                        gedeelte (speelplaats) een minimum terreinoppervlakte van 3 vierkante meter
                        per leerling, met een minimum van 300 vierkant meter netto. Vanaf 200
                        leerlingen kan worden volstaan met 600 vierkante meter netto.</al><al><vet>D.2 Speellokaal </vet></al><al>Een speellokaal heeft een minimum van 90 vierkante meter netto.</al><al><vet>D.3 Lokaal bewegingsonderwijs </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De netto vloeroppervlakte van een lokaal bewegingsonderwijs is
                                minstens 252 vierkante meter netto en de hoogte minstens 5
                                meter.</al></li><li nr="2."><al>Een lokaal bewegingsonderwijs bevat minstens twee kleedruimten met
                                een was- of douchegelegenheid.</al></li></lijst><al><vet>Deel E</vet><vet> – Meetinstructie vo</vet><vet>or het vaststellen van
                            de bruto </vet><vet>vloeroppervlakte van schoolgebouwen</vet></al><al><vet>E.1 Meetinstructie voor schoolgebouwen</vet></al><al>De bruto vloeroppervlakte van een schoolgebouw wordt vastgesteld volgens NEN
                        2580.</al><al><vet>E.2</vet><vet> Aanvulling op de meetinstructie voor de
                            schoolgebouwen</vet></al><al><vet>E.</vet><vet>2.1 </vet><vet>B</vet><vet>asisonderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De in- en aangebouwde fietsenstallingen en bergingen die uitsluitend
                                van buitenaf bereikbaar</al><al> zijn, worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend.</al></li><li nr="2."><al>De oppervlakte van verbindende ruimten tussen in- of aanpandige
                                lokalen bewegingsonderwijs wordt toegekend aan het lesgebouw.</al></li><li nr="3."><al>Bij scheidingswanden tussen lesgebouwen en in- of aanpandige lokalen
                                bewegingsonderwijs wordt de bruto vloeroppervlakte gerekend tot het
                                hart van de scheidingsconstructie.</al></li></lijst><al><vet>E.</vet><vet>2.</vet><vet>2</vet><vet> Uitzonderingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De oppervlakten van overdekte niet door vaste buitenbegrenzingen
                                omsloten ruimten worden niet tot de bruto vloeroppervlakte gerekend,
                                ongeacht de vloerconstructie of wijze van verharding. Dit betreft in
                                ieder geval luifels, dakoverstekken, de ruimte onder op kolommen
                                staande verdiepingen, fietsenstallingen.</al></li><li nr="2."><al>Open brand-of vluchttrappen aan de buitenzijde van een gebouw worden
                                bij de bepaling van de bruto oppervlakte niet meegerekend.</al></li><li nr="3."><al>Niet beloopbare kelders en zolders worden niet meegerekend.</al></li></lijst><al><vet>Bijlage IV</vet><vet> – Normbedragen voor vergoeding</vet><vet> en
                            indexering</vet></al><al><vet>Deel A</vet><vet> – Indexering </vet></al><al>De normbedragen in deel B worden jaarlijks aangepast in overeenstemming met
                        de onderstaande systematiek van prijsbijstelling:</al><al><vet>A.1 Nieuwbouw </vet><vet>en </vet><vet>uitbreiding</vet></al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="37*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="37*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="4*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="19*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe woningen,
                                            jaar t,</al><al>tweede kwartaal (bron: CBS, kerncijfers, bouwnijverheid,
                                            inclusief btw)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>MEV, jaar t+1, bruto investeringen door bedrijven in
                                            woningen (bron: CPB, Middelen en bestedingen)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>----------------------------------------</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>----------------------------------------</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>----------------------------------------</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>MEV, jaar t, bruto investeringen door bedrijven in
                                            woningen (bron: CPB, Middelen en bestedingen)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Prijsindexcijfer van de bouwkosten van nieuwe woningen,
                                            jaar t-1, tweede kwartaal (bron: CBS, kerncijfers,
                                            bouwnijverheid, inclusief btw)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>1</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>A.2 </vet><vet>E</vet><vet>erste inrichting onderwijsleerpakket en
                            meubilair</vet></al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="3*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="32*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="3*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="32*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t, per 1
                                            juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni
                                            jaar t)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>MEV, jaar t+1 prijsmutatie netto materiële
                                            overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens collectieve
                                            sector)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>----------------------------------------</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>----------------------------------------</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>----------------------------------------</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>MEV, jaar t, prijsmutatie netto materiële
                                            overheidsconsumptie (bron: CPB, Kerngegevens collectieve
                                            sector)</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Consumentenprijsindex, alle huishoudens, jaar t-1, per 1
                                            juli (bron: CBS, Kerncijfers, cijfer van de maand juni
                                            jaar t-1)</al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>1</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Deel B – </vet><vet>Normbedragen</vet></al><al>Alle in dit deel genoemde bedragen zijn inclusief BTW.</al><al><vet>A. </vet><vet>Nieuwbouw </vet><vet>met </vet><vet>permanente
                            bouwaard</vet></al><al><vet>A.1 Kostencomponenten</vet><vet> nieuwbouw</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De financiële normering voor nieuwbouw valt uiteen in de volgende
                                kostencomponenten:</al><lijst><li nr="a."><al>kosten voor terrein;</al></li><li nr="b."><al>bouwkosten;</al></li><li nr="c."><al>toeslag voor het herstel van terrein en verhuiskosten bij
                                        vervangende bouw.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als vervangende nieuwbouw wordt gecombineerd met het uitbreiden van
                                een gebouw ter vervanging van een ander gebouw, gelden de bedragen
                                bedoeld in paragraaf B.</al></li></lijst><al><vet>A.2 </vet><vet>Kosten voor terreinen</vet></al><al>Het benodigde bouwrijpe terrein wordt door de gemeente, eventueel na
                        aankoop, om niet aan het schoolbestuur beschikbaar gesteld en het juridisch
                        eigendom wordt aan hen overgedragen. De kosten van een terrein worden
                        opgenomen op het programma, zowel bij aankoop van een terrein als in de
                        situatie dat de gemeente een terrein beschikbaar stelt. De kosten voor het
                        terrein worden bepaald op de in de gemeente gangbare wijze van
                        waardevaststelling van terreinen. Bij vervangende nieuwbouw op dezelfde
                        plaats als het oude gebouw behoren de kosten voor het slopen van het oude
                        gebouw tot de kosten voor terreinen.</al><al><vet>A.3</vet><vet>.1</vet><vet>Bouwkosten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwkosten van het gebouw, inclusief fundering, en</al></li><li nr="b."><al>de kosten van de aanleg en inrichting van het
                                        schoolterrein.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal
                                vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter bruto
                                vloeroppervlakte. Met deze vergoedingsbedragen moet de in
                                overeenkomstig bijlage III, deel C, vastgestelde aanvullende
                                ruimtebehoefte worden gerealiseerd.</al></li></lijst><al><vet>A.</vet><vet>3.2 </vet><vet>Bouwkosten school voor
                        basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de
                        volgende bedragen: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="78*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag voor de realisatie van de eerste 350
                                            m<sup>2 </sup>bvo<sup/></al></entry><entry colname="col2"><al>€ 666.689,57</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.140,89</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>A.3.7 Toeslag voor herstel van terrein en verhuiskosten bij vervangende
                            bouw school voor primair onderwijs.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Als de vervangende nieuwbouw voor een school voor
                                basisonderwijsplaatsvindt op dezelfde plaats, moet het
                                desbetreffende terrein, nadat de bouw is afgerond, worden hersteld
                                en moeten de leerlingen verhuizen naar een tijdelijke, vervangende
                                locatie. De genormeerde vergoeding voor deze kosten is gebaseerd op
                                een vast bedrag per vierkante meter bruto vloeroppervlakte.</al></li><li nr="2."><al>De vergoeding voor een basisschoolwordt vastgesteld op
                                basis van de volgende bedragen:</al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="70*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="30*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Permanente bouw per m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 46,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tijdelijke bouw per m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 31,74</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>B. </vet><vet>Uitbreiding </vet><vet>met p</vet><vet>ermanente
                            bouw</vet><vet>aard</vet></al><al><vet>B.1 </vet><vet>Reikwijdte</vet></al><al>Deze paragraaf is van toepassing op de uitbreiding van de huisvesting in
                        permanente bouwaard van een school voor basisonderwijs tot 1035 vierkante
                        meter bruto vloeroppervlakte. Op overige uitbreidingen is paragraaf A
                        overeenkomstig van toepassing.</al><al><vet>B</vet><vet>.</vet><vet>2</vet><vet>Kosten terrein</vet></al><al>Als uitbreiding van het terrein noodzakelijk is, is het bepaalde in A.2
                        overeenkomstig van toepassing op het vaststellen van de kosten voor het voor
                        uitbreiding benodigde terrein.</al><al><vet>B</vet><vet>.</vet><vet>3</vet><vet>.1 </vet><vet>Bouwkosten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tot de bouwkosten behoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwkosten van het gebouw, en</al></li><li nr="b."><al>kosten voor extra aanleg en inrichting van een deel van het
                                        schoolterrein.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De vergoeding bestaat uit een startbedrag, inclusief een aantal
                                vierkante meters, en een bedrag per vierkante meter. Met deze
                                vergoedingsbedragen moet de overeenkomstig bijlage III, deel C,
                                vastgestelde aanvullende ruimtebehoefte worden gerealiseerd.</al></li></lijst><al><vet>B.</vet><vet>3</vet><vet>.2 Bouwkosten </vet><vet>school voor
                            basisonderwijs</vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt bepaald op basis van de volgende
                        bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 115 m<sup>2</sup> bvo
                                            of groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 97.630,04</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreidingen van 55 tot 115
                                            m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 65.086,70</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1.300,53</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>B.</vet><vet>3</vet><vet>.</vet><vet>3</vet><vet>Toeslag voor het
                            herstel van het terrein en verhuiskosten bij vervangende bouw op
                            dezelfde plaats</vet></al><al>Het bepaalde in A.3.7 is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de
                        omvang van de vergoeding voor het herstel van terrein en verhuizing bij
                        uitbreiding.</al><al><vet>C.</vet><vet>Tijdelijke voorziening</vet></al><al><vet>C.1 Vergoedingsbedragen tijdelijke voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoedingsbedragen voor tijdelijke voorzieningen zijn afgestemd
                                op de investeringslasten van voor tijdelijk gebruik bestemde
                                voorzieningen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw van een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw als
                                        hoofdlocatie;</al></li><li nr="b."><al>uitbreiding van een permanente hoofdlocatie met een voor
                                        tijdelijk gebruik bestemd gebouw, en</al></li><li nr="c."><al>uitbreiding van bestaande voor tijdelijk gebruik bestemde
                                        gebouwen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In aanvulling op het eerste lid wordt rekening gehouden met het
                                bekostigen van een tijdelijke voorziening door middel van huur van
                                een voor tijdelijk gebruik bestemd gebouw.</al></li></lijst><al><vet>C.2 Kosten voor terreinen</vet></al><al>Als een tijdelijke voorziening niet gerealiseerd kan worden op het aanwezige
                        terrein, worden de kosten voor het benodigde terrein bepaald overeenkomstig
                        A.2.</al><al><vet>C.3</vet><vet>.1 </vet><vet>Nieuwbouw als hoofdlocatie/uitbreiding van
                            permanente hoofdlocatie</vet></al><al>De vergoeding voor een tijdelijke voorziening bestaat uit een startbedrag en
                        een bedrag per vierkante meter. In deze bedragen zijn begrepen de
                        bouwkosten, de kosten van herstel en inrichting van terreinen, de kosten van
                        paalfundering en de eenmalige aansluitkosten op nutsvoorzieningen. </al><al><vet>C</vet><vet>.</vet><vet>3</vet><vet>.2 Vergoeding basisschool </vet>De
                        vergoeding voor een basisschool [en een speciale school voor basisonderwijs]
                        wordt vastgesteld op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 80 m<sup>2 </sup>bvo of
                                            groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 37.966,88</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij nieuwbouw van 40 tot 80 m<sup>2</sup>
                                            bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 25.311,26</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 933,03</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>C.</vet><vet>4</vet><vet>.1</vet><vet>Uitbreiding van bestaande
                            tijdelijke voorzieningen primair onderwijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding voor uitbreiding bestaande tijdelijke voorziening
                                bestaat uit een startbedrag en een bedrag per vierkante meter. In
                                deze bedragen zijn begrepen de bouwkosten, de toeslag voor
                                paalfundering en de toeslag voor herstel en inrichting van
                                terreinen.</al></li><li nr="2."><al>Paragraaf A is overeenkomstig van toepassing op het bepalen van de
                                hoogte van de vergoeding voor sloopkosten van het oude gebouw,
                                herstel en inrichting van terreinen en voor tijdelijke verhuizing
                                van de leerlingen.</al></li></lijst><al><vet>C.4</vet><vet>.2 Vergoeding basisschool </vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de
                        volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 80 m<sup>2 </sup>bvo of
                                            groter</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 21.341,49</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag bij uitbreiding van 40 tot 80
                                            m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 14.227,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2</sup> bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 977,65</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>C.5</vet><vet>Huur van voor tijdelijk gebruik bestemde
                            gebouwen</vet></al><al>Huur van een voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening en huur van een
                        bestaand gebouw worden vergoed op basis van de werkelijke kosten.</al><al><vet>D. </vet><vet>Eerste inrichting</vet></al><al><vet>D</vet><vet>.</vet><vet>1</vet><vet>.1</vet><vet>Uitbreiding
                            </vet><vet>onderwijsleerpakket en meubilair</vet></al><al>Bij uitbreiding met onderwijsleerpakket en meubilair wordt het uit te keren
                        bedrag van de vergoeding bepaald aan de hand van het verschil tussen de al
                        toegekende investeringsbedragen en de nieuw berekende vergoeding.</al><al><vet>D.1.2 Vergoeding basisschool </vet></al><al>De vergoeding voor een basisschool wordt vastgesteld op basis van de
                        volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="75*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="25*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Startbedrag</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 38.300,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Voor elke volgende m<sup>2 </sup>bvo</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 133,98</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>E</vet><vet>.</vet><vet>Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al><vet>E</vet><vet>.1</vet><vet>Bouwkosten nieuwbouw</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergoeding van de bouwkosten voor nieuwbouw van een lokaal
                                bewegingsonderwijs met een netto speeloppervlakte van 252 vierkante
                                meters bedraagt € 700.859,23 als deze op het schoolterrein
                                gerealiseerd kan worden, of € 715.034,52 als deze op een
                                afzonderlijk terrein gerealiseerd wordt. In deze vergoeding zijn
                                opgenomen de kosten van fundering op staal en inrichting van het
                                terrein.</al></li><li nr="2."><al>Scholen met lichamelijk gehandicapte leerlingen, meervoudig
                                gehandicapte leerlingen of zeer moeilijk lerende leerlingen wordt
                                een toeslag toegekend van 50 vierkante meter. Het normbedrag van
                                deze toeslag is € 70.306,32.</al></li><li nr="3."><al>Als paalfundering noodzakelijk is wordt een toeslag gegeven op basis
                                van de volgende bedragen:</al></li></lijst><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="23*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="28*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="49*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Paallengte</al></entry><entry colname="col2"><al>Vergoeding</al></entry><entry colname="col3"><al>Vergoeding bij ruimten LG en MG</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1&lt;15m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 14.097,01</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 17.774,32</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>15&lt;20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 19.433,46</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 4.616,04</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><onderstreept>&gt;</onderstreept>20m</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 27.293,44</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 5.426,62</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>E.</vet><vet>2</vet><vet>Uitbreiding</vet></al><al>Het bepaalde in E.1, eerste lid, is overeenkomstig van toepassing op het
                        bepalen van de hoogte van de vergoeding voor uitbreiding van een lokaal
                        bewegingsonderwijs. Bij lokalen bewegingsonderwijs met een oefenvloer van
                        140 vierkante meter netto speeloppervlakte of minder, kan de oefenvloer
                        worden uitgebreid tot een oppervlakte van 252 vierkante meter. De hoogte van
                        de vergoeding wordt bepaald op basis van de volgende bedragen:</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="23*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="19*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="17*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="19*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="1"><al>Uitbreiding</al></entry><entry colname="col2" morerows="1"><al>Normbedrag</al></entry><entry colname="col3" nameend="col5" namest="col3"><al>Paallengte</al></entry></row><row><entry colname="col3"><al>1 &lt; 15 meter</al></entry><entry colname="col4"><al>15 &lt; 20 meter</al></entry><entry colname="col5"><al><onderstreept>&gt;</onderstreept> 20 meter</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>112 t/m 120 m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col2"><al>€ 162.835,79</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 6.310,99</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 10.930,99</al></entry><entry colname="col5"><al>€ 17.870,96</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>121 t/m 150 m<sup>2</sup></al></entry><entry colname="col2"><al>€ 197.949,27</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 7.891,30</al></entry><entry colname="col4"><al>€ 13.660,22</al></entry><entry colname="col5"><al>€ 22.338,70</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>E.3.2 </vet><vet>OLP/meubilair school voor basisonderwijs </vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair
                        voor een lokaal bewegingsonderwijs voor een basisschool bedraagt €
                        51.310,54.</al><al><vet>E.</vet><vet>4</vet><vet>Medegebruik/huur van een niet-eigen
                            voorziening</vet></al><al>Naast bewegingsonderwijs in een eigen lokaal van de school is ook
                        bewegingsonderwijs mogelijk in een bestaand lokaal bewegingsonderwijs door
                        middel van:</al><lijst><li nr="a."><al>medegebruik van een gebouw van een andere school of de gemeente,
                                of</al></li><li nr="b."><al>huur van een gebouw van een commerciële exploitant.</al></li></lijst><al><vet>Bijlage V – Criteria voor het vaststellen van de prioriteit van de
                            aangevraagde voorziening</vet></al><al><vet>1. Algemeen</vet></al><al>Prioriteiten worden vastgesteld als het overeenkomstig artikel 11
                        vastgestelde bekostigingsplafond onvoldoende is om alle aangevraagde
                        voorzieningen die in aanmerking komen om te worden opgenomen op het
                        programma te honoreren. Op basis van de gestelde prioriteiten wordt een
                        rangorde vastgesteld van de voorzieningen waarvan is vastgesteld dat die
                        voor bekostiging in aanmerking komen. Daarna wordt vastgesteld voor welke
                        voorzieningen het bekostigingsplafond voldoende is en deze voorzieningen
                        worden opgenomen op het programma. De voorzieningen die niet worden
                        opgenomen op het programma worden op het overzicht geplaatst.</al><al><vet>2. Onderscheid voorzieningen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij het stellen van de prioriteiten wordt onderscheid gemaakt in
                                voorzieningen die noodzakelijk zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>om capaciteitstekorten op te heffen, en</al></li><li nr="b."><al>om een adequaat niveau te handhaven.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder a, vallen onder
                                hoofdprioriteit 1. Het betreft de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>nieuwbouw, inclusief terrein;</al></li><li nr="b."><al>uitbreiding, indien van toepassing, inclusief terrein;</al></li><li nr="c."><al>in gebruik nemen bestaand gebouw, indien van toepassing,
                                        inclusief terrein;</al></li><li nr="d."><al>verplaatsen tijdelijke gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket of meubilair of
                                        leer- en hulpmiddelen;</al></li><li nr="f."><al>uitbreiding eerste inrichting met onderwijsleerpakket en
                                        meubilair of leer- enhulpmiddelen, en</al></li><li nr="g."><al>medegebruik.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid, onder b, vallen onder
                                hoofdprioriteit 2. Het betreft de volgende voorzieningen:</al><lijst><li nr="a."><al>vervangende nieuwbouw, indien van toepassing, inclusief
                                        terrein;</al></li><li nr="b."><al>herstel van een constructiefout, en</al></li><li nr="c."><al>herstel en vervanging in verband met schade.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De onder hoofdprioriteit 2 opgenomen voorziening vervangende
                                nieuwbouw valt onder hoofdprioriteit 1 op het moment dat deze
                                voorziening gecombineerd wordt met een uitbreiding van de capaciteit
                                en de vervangende nieuwbouw noodzakelijk is omdat wordt voldaan aan
                                het criterium genoemd onder in bijlage I, deel A, onder A.2.</al></li></lijst><al><vet>3. Hoofd- en subprioriteit</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Om te komen tot het vaststellen van de prioriteit wordt een
                                onderverdeling gemaakt in hoofdprioriteit en sub-prioriteit.</al></li><li nr="2."><al>Voor het vaststellen van de prioriteiten wordt voor de onder 2,
                                eerste lid, onder a, genoemde voorzieningen de ruimtebehoefte
                                vastgesteld overeenkomstig bijlage III, deel C. Deze voorzieningen
                                omvatten zowel de schoolgebouwen als de lokalen
                                bewegingsonderwijs.</al></li><li nr="3."><al>Nadat de onderverdeling naar hoofdprioriteiten heeft plaatsgevonden
                                moet worden vastgesteld welke voorzieningen in aanmerking komen om
                                op het programma te worden geplaatst. Dit vindt plaats op basis van
                                het vaststellen van de sub-prioriteit. Bij hoofdprioriteit 1 worden
                                de volgende uitgangspunten gehanteerd om vast te stellen welke
                                voorzieningen voor het plaatsen op het programma in aanmerking
                                komen:</al><lijst><li nr="a."><al>als eerste die voorziening die relatief gezien een zo groot
                                        mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie met
                                        herschikking van schoolgebouwen;</al></li><li nr="b."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot
                                        mogelijk kwantitatief tekort opheft in een situatie zonder
                                        herschikking van schoolgebouwen, en</al></li><li nr="c."><al>vervolgens die voorziening die relatief gezien een zo groot
                                        mogelijk kwantitatief tekort aan lokalen bewegingsonderwijs
                                        en sportterreinen opheft.</al></li></lijst></li></lijst><al><vet>Toelichting </vet></al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>De begripsomschrijving ‘bevoegd gezag’ en ‘aanvrager’ omvatten alle bevoegde
                        gezagsorganen die een volgens de wet bekostigde voorziening
                        onderwijshuisvesting in stand houden die geheel of gedeeltelijk staat op het
                        grondgebied van de gemeente (hoofdvestiging, nevenvestiging, tijdelijke
                        nevenvestiging, dislocatie). </al><al><vet>Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting</vet></al><al>Artikel 2 vermeldt de voorzieningen onderwijshuisvesting die op grond van de
                        Wet op het primair onderwijs (WPO) door het bevoegd gezag bij het college
                        kunnen worden aangevraagd. Deze hebben een limitatief karakter. Dit betekent
                        dat het college deze niet kan inperken. Niet alleen voor de schoolgebouwen,
                        maar ook voor de lokalen bewegingsonderwijs kan een voorziening huisvesting
                        onderwijs worden aangevraagd. Voorzieningen die een bevoegd gezag wenst,
                        maar die niet in de onderwijswetten zijn opgenomen, dus geen voorziening in
                        de onderwijshuisvesting zijn, vallen buiten het bereik van deze verordening.
                        Dit gaat om voorzieningen waarvoor het bevoegd gezag een vergoeding van de
                        minister van OCW ontvangt via de rijksvergoeding materiële instandhouding
                        (bijv. onderhoud, aanpassingen, vervangen cv-ketel, meubilair). Het college
                        wijst een dergelijk aangevraagde voorziening af op grond van artikel 100,
                        eerste lid, onder a, van de WPO.</al><al>In het kader van lokaal maatwerk heeft het college de vrijheid om
                        aanvullende voorzieningen te bekostigen. Daarbij geldt dat de gemeenten geen
                        uitgaven mogen doen voor een niet door de gemeente in stand gehouden school
                        dan op grond van de wet (artikel 6 van de WPO). Voor het bekostigen van de
                        voorzieningen die geen onderdeel uitmaken van de voorzieningen
                        onderwijshuisvesting moet zodoende een andere juridische basis worden
                        vastgesteld. Voor het bekostigen van deze voorzieningen geldt de Algemene
                        subsidieverordening gemeente Ten Boer.</al><al><cursief>Onderdeel a. De voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorzieningen</cursief></al><al>1° Het begrip nieuwbouw omvat tevens het begrip vervangende nieuwbouw.</al><al>2° Uitbreiding is het gevolg van een toename van het aantal leerlingen op de
                        school. Het bevoegd gezag komt voor het bekostigen van uitbreiding in
                        aanmerking als wordt voldaan aan de in bijlage I opgenomen criteria
                        (noodzaak van de voorziening) en de gevraagde uitbreiding gelijk of groter
                        is dan de in bijlage III, deel C, opgenomen drempelwaarde.</al><al>3° Ingebruikgeving kan plaatsvinden als een aanvraag voor het bekostigen van
                        de voorziening (vervangende) nieuwbouw of uitbreiding is ontvangen en het
                        college een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan beschikbaar heeft. Het
                        kan gaan om een onderwijsgebouw dat geheel leeg staat en nog een
                        onderwijsbestemming heeft, maar ook om een niet-onderwijsgebouw. Bij
                        ingebruikgeving van een onderwijsgebouw of een niet-onderwijsgebouw moet het
                        gebouw geschikt zijn of geschikt gemaakt worden voor het onderwijs van de
                        betreffende school. Het in gebruik geven van een gebouw moet worden
                        onderscheiden van medegebruik, zie 8°.</al><al>4° Verplaatsing is alleen mogelijk van die lokalen die gelet op de bouwaard
                        van het gebouw verplaatst kunnen worden. Dit betreft over het algemeen
                        tijdelijke huisvesting die in semipermanente gebouwen is gerealiseerd.</al><al>5° Terrein is noodzakelijk voor het realiseren van nieuwbouw en kan
                        noodzakelijk zijn bij vervangende nieuwbouw en uitbreiding. Of bij
                        vervangende nieuwbouw en uitbreiding terrein noodzakelijk is, is afhankelijk
                        van de situering van de voorgenomen investering en de oppervlakte van het
                        terrein.</al><al>6°/7° Onderwijsleerpakket en meubilair resp. leer- en hulpmiddelen wordt in
                        principe alleen toegekend op het moment dat ook nieuwbouw (eerste
                        voorziening) en uitbreiding van een schoolgebouw of lokaal
                        bewegingsonderwijs wordt toegekend. Een uitzondering is de situatie dat het
                        college een school heeft gehuisvest in een schoolgebouw dat een grotere
                        capaciteit heeft dan de ruimtebehoefte en de toekenning van de eerste
                        inrichting is gebaseerd op het werkelijk aantal leerlingen vanaf de start
                        van de school. In die situatie heeft het bevoegd gezag nog aanspraak op
                        bekostiging van eerste inrichting bij toename van het aantal leerlingen als
                        wordt voldaan aan de drempelwaarde genoemd in bijlage III, deel C. Bij
                        vervangende nieuwbouw wordt geen eerste inrichting toegekend omdat het
                        bevoegd gezag in het verleden al bekostiging voor de eerste inrichting heeft
                        ontvangen. Zie verder de toelichting in bijlage III, deel C.</al><al>8° Medegebruik is het gebruik van ruimte in een schoolgebouw of lokaal
                        bewegingsonderwijs die het bevoegd gezag, dat juridisch eigenaar is, niet
                        nodig heeft voor het huisvesten van het aantal leerlingen dat op de school
                        staat ingeschreven. Er is dan sprake van ‘leegstand’. Medegebruik is
                        uitsluitend mogelijk als de leegstand hoger is dan de in bijlage III, deel
                        C, opgenomen drempelwaarde resp. het lokaal bewegingsonderwijs niet volledig
                        is ingeroosterd.</al><al><cursief>Onderdeel b. Herstel van constructiefouten</cursief></al><al>Voor de omschrijving van het begrip ‘constructiefouten’ is aangesloten bij
                        een ‘definitie’ die in het verleden door middel van jurisprudentie tot stand
                        is gekomen. Als een constructiefout de voortgang van het onderwijs belemmert
                        kan voor het herstel van de constructiefout de spoedprocedure (artikel 19
                        e.v.) worden gevolgd. Is er geen sprake van een bedreiging voor de voortgang
                        van het onderwijs, dan kan het herstel worden aangevraagd op grond van de
                        reguliere procedure. Dit betekent dat een constructiefout dan wordt
                        opgenomen op het programma of overzicht, afhankelijk van het feit of deze
                        voorziening past binnen het door het college vastgestelde
                        bekostigingsplafond.</al><al><cursief>Onderdeel c. Herstel in verband met schade</cursief></al><al>In de onderwijswetten is als voorziening huisvesting onderwijs het begrip
                        ‘bijzondere omstandigheden’ opgenomen. Dit begrip is in de verordening niet
                        verder uitgewerkt, omdat ‘bijzondere’ omstandigheden zich niet uitputtend
                        laten beschrijven. Voor het bekostigen van ‘herstel en vervanging in verband
                        met schade aan een gebouw’ geldt de aanvraagprocedure van het programma, of
                        de aanvraagprocedure in het kader van spoedeisendheid (de voortgang van het
                        onderwijs wordt belemmerd door bijv. schade door inbraak of brand). Het
                        college kan zich voor deze zaken verzekeren. Heeft het college geen
                        verzekering afgesloten, dan is sprake van ‘eigen risico’ voor het college. </al><al><vet>Artikel 3. Voorbereidingskrediet</vet></al><al>Het voorbereidingskrediet kan worden aangevraagd voor zowel de situatie dat
                        de investering wordt bekostigd op basis van de normbedragen als op basis van
                        de feitelijke kosten. Doelstelling van het voorbereidingskrediet is dat het
                        bevoegd gezag vroegtijdig kan starten met de voorbereiding van een bouwplan.
                        Uitgangspunt van het voorbereidingskrediet is dat er een principebesluit
                        ligt dat de voorziening, waarvoor het voorbereidingskrediet wordt
                        aangevraagd, na het indienen van de aanvraag voor het bekostigen van de
                        voorziening op het eerstvolgende programma wordt opgenomen. Het
                        voorbereidingskrediet stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid om een voor
                        aanbesteding gereed bouwplan te ontwikkelen resp. een aanbesteding te laten
                        plaatsvinden. Uitsluitend als de investering wordt bekostigd op basis van de
                        feitelijke kosten wordt de op basis van het bouwplan opgestelde kostenraming
                        resp. de uitkomst van de aanbesteding opgenomen op het programma. Heeft
                        voorafgaande aan het vaststellen van het programma nog geen aanbesteding
                        plaatsgevonden, dan kan de aanbesteding of het vragen van offertes
                        plaatsvinden nadat het programma is vastgesteld. Door te werken met een
                        voorbereidingskrediet kan het realiseren van een bouwplan worden bespoedigd.
                        Het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet maakt onderdeel uit van het
                        totale investeringsbedrag en wordt in mindering gebracht op het totaal
                        vastgestelde investeringskrediet.</al><al><vet>Artikel 4. Vaststellen vergoeding voorzieningen</vet></al><al>Dit artikel bepaalt op welke wijze de voorzieningen huisvesting onderwijs
                        worden bekostigd. Dit kan op basis van normbedragen (normatieve kosten) of
                        op basis van feitelijke kosten. De normbedragen voor de diverse
                        voorzieningen die op basis daarvan worden bekostigd zijn opgenomen in
                        bijlage IV, deel B.</al><al>Wordt het normbedrag beschikbaar gesteld, dan heeft het bevoegd gezag
                        aanspraak op het beschikbaar stellen van het volledige normbedrag,
                        onafhankelijk van de werkelijke kosten. Dit betekent dat als de werkelijke
                        kosten hoger of lager zijn dan het normbedrag (= uitkomst aanbesteding) in
                        de ene situatie het schoolbestuur een financieel voordeel heeft en in de
                        andere situatie een financieel nadeel. Bij een financieel voordeel moet het
                        schoolbestuur de beschikbare middelen wel inzetten voor het doel waarvoor
                        het is verstrekt: investeren in de voorziening huisvesting onderwijs.</al><al>Het bedrag van de bekostiging, gebaseerd op de feitelijke kosten, wordt
                        vastgesteld op basis van ontvangen offertes (de zgn. offertelijn, zie ook
                        artikel 13, eerste lid).</al><al><vet>Artikel 5. Informatieverstrekking</vet></al><al>Dit artikel verplicht het bevoegd gezag aan het college alle informatie te
                        verstrekken die noodzakelijk is om de verordening voorzieningen huisvesting
                        onderwijs op een verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren (zie artikel 112 van
                        de WPO). Deze informatie staat los van de informatie die wordt gevraagd als
                        onderdeel van een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening. Het
                        betreft de actuele gegevens, zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>gegevens van het bevoegd gezag (o.a. naam en adres voorzitter en
                                secretaris en bankrekeningnummer);</al></li><li nr="-"><al>gegevens van de school (o.a. naam school, naam directeur, adres
                                school, telefoonnummer);</al></li><li nr="-"><al>bruto vloeroppervlakte schoolgebouw;</al></li><li nr="-"><al>naam contactpersoon;</al></li><li nr="-"><al>medegebruik/verhuur.</al></li></lijst><al>Om deze informatie op een eenduidige wijze te ontvangen stelt het college
                        een formulier vast. Dit formulier wordt aan de bevoegde gezagsorganen
                        toegezonden. Het college kan in dit formulier opnemen de gegevens die al bij
                        het college bekend zijn. Het bevoegd gezag kan zich dan beperken tot het
                        vermelden van de wijzigingen. Beschikt het college over digitale
                        informatievoorziening, dan kan van deze digitale informatievoorziening
                        gebruik worden gemaakt.</al><al><vet>Artikel 6. Indienen aanvraag</vet></al><al>Voor het overzicht wordt geen aanvraag ingediend. De reden is dat op het
                        overzicht worden opgenomen de aanvragen die zijn ingediend voor het
                        programma, maar niet worden gehonoreerd (zie artikel 96 van de WPO en
                        toelichting bij artikel 13). </al><al><vet>Artikel 7. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet
                            behandelen onvolledige aanvraag</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit lid bepaalt welke gegevens het bevoegd gezag moet aanleveren wil het
                        college de aanvraag in behandeling kunnen nemen. Naast de gegevens van
                        bevoegd gezag en school moet de aanvraag voor de onderbouwing van de
                        benoemde voorzieningen huisvesting onderwijs worden onderbouwd met een
                        leerlingenprognose en/of een bouwkundige rapportage. Uitgangspunt is dat het
                        bevoegd gezag bij de aanvraag een leerlingenprognose indient.Het
                        college en het bevoegd gezag kunnen overeenkomen dat het college een
                        leerlingenprognose opstelt voor alle basisscholen en dat deze
                        leerlingenprognose dan bepalend is als onderbouwing van de aanvraag. Een
                        bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs kandan afzien van
                        het laten opstellen van een leerlingenprognose<cursief>.</cursief></al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het tweede lid bepaalt dat het college het bevoegd gezag in staat moet
                        stellen, als de ontvangen aanvraag niet volledig is, deze ontbrekende
                        gegevens binnen de in dit lid gestelde termijn aan te vullen. Is de
                        ontvangen aanvraag ook op de hersteldatum niet volledig dan besluit het
                        college de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dit besluit is een voor
                        bezwaar en beroep vatbare beslissing.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van o.a. de voorzieningen (vervangende)
                        nieuwbouw en uitbreiding is het aantal leerlingen dat op de school staat
                        ingeschreven van wezenlijk belang. Schoolbesturen zijn verplicht deze
                        gegevens aan te leveren via de Basisregistratie Onderwijs (BRON). Omdat de
                        ingediende aanvraag is gebaseerd op het aantal leerlingen dat op de school
                        staat ingeschreven op 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het indienen
                        van de aanvraag (bijv. bij de aanvraag voor programma 2016 is opgenomen het
                        aantal leerlingen op de teldatum 1 oktober 2014), moet het college tijdig
                        beschikken over het werkelijk aantal ingeschreven leerlingen op de
                        wettelijke teldatum van 1 oktober, voorafgaande aan het jaar waarvoor het
                        programma wordt vastgesteld. Met de gegevens van de laatste teldatum kan
                        worden vastgesteld of de eerder aangevraagde voorziening, die mogelijk wordt
                        toegekend omdat aan de in bijlage I tot en met III gestelde criteria is
                        voldaan, op basis van de laatste gegevens ook daadwerkelijk noodzakelijk is.
                        De in het derde lid opgenomen termijn is een fatale termijn. Dit betekent
                        dat als de gevraagde gegevens niet tijdig zijn ontvangen het college besluit
                        om de aanvraag niet te behandelen. Dit besluit is een voor bezwaar en beroep
                        vatbare beslissing.</al><al><vet>Artikel 8. Opgave ingediende aanvragen</vet></al><al>Dit artikel verplicht het college om alle bevoegde gezagsorganen een
                        overzicht beschikbaar te stellen van alle ingediende aanvragen. Met dit
                        overzicht hebben alle bevoegde gezagsorganen inzicht in wat er aan
                        aanvragen, zowel vanuit het bijzonder als het openbaar onderwijs is
                        ontvangen en of deze aanvragen al of niet in behandeling worden genomen. Dit
                        betreft algemene informatie en gaat vooraf aan het beoordelen van de
                        aanvragen.</al><al><vet>Artikel 9. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende
                            begroting</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De mogelijkheid om een nadere toelichting/verduidelijking te vragen of te
                        geven is bedoeld om mogelijke onduidelijkheden over de op zich complete
                        aanvragen te bespreken voordat het programma wordt voorgelegd aan het
                        bestuurlijk overleg (artikel 10). Door een nadere toelichting wordt
                        voorkomen dat het bestuurlijk overleg onnodig belast wordt door allerlei
                        vragen over onduidelijkheden in de aanvragen.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Voor een voorziening waarvan de vergoeding wordt gebaseerd op de feitelijke
                        kosten wordt bij de aanvraag een kostenraming ingediend. Is het college na
                        het beoordelen van de ontvangen kostenraming van oordeel dat de kostenraming
                        op een of meer onderdelen moet worden bijgesteld dan vindt hierover overleg
                        plaats met het bevoegd gezag. Als in het overleg geen overeenstemming wordt
                        bereikt over de kostenraming bepaalt het college de hoogte van de geraamde
                        kosten die in het kader van het vast te stellen programma worden toegekend.
                        Het college moet in de beschikking wel motiveren waarom op het programma is
                        afgeweken van het bedrag dat door het bevoegd gezag bij de aanvraag is
                        overlegd.</al><al><vet>Artikel 10. Overleg programma en overzicht; </vet></al><al><cursief>Lid 1-4</cursief></al><al>Het college is verplicht, voordat het programma en overzicht wordt
                        vastgesteld, overleg te voeren met het onderwijsveld over het voorgenomen
                        besluit. In afwijking van het wettelijke verplichte overleg over het
                        vaststellen of wijzigen van de verordening voorzieningen huisvesting
                        onderwijs (artikel 102 van de WPO) is dit overleg geen ‘op overeenstemming
                        gericht overleg’. Uitgangspunt is dat het bedoelde overleg plaatsvindt met
                        alle bevoegde gezagsorganen. Het overleg over de voorzieningen huisvesting
                        onderwijs kan ook ingebed worden in een breder gestructureerd overleg in het
                        kader van het lokaal onderwijsbeleid, de zgn. lokaal educatieve agenda. Het
                        staat de aanvrager die niet aan het overleg deelneemt vrij om zijn
                        standpunten schriftelijk kenbaar te maken. Degenen die wel aan het overleg
                        deelnemen, moeten voorafgaande aan het overleg op de hoogte zijn van de
                        schriftelijke ingebrachte standpunten, zodat ze daar in het overleg
                        eventueel op kunnen reageren.</al><al><vet>Artikel 11. </vet><vet>V</vet><vet>aststellen
                        bekostigingsplafond</vet></al><al>Het college is verplicht het bekostigingsplafond dat beschikbaar is voor het
                        honoreren van de aangevraagde voorzieningen vast te stellen. Het vaststellen
                        van het bekostigingsplafond is een afzonderlijk collegebesluit, maar kan in
                        dezelfde vergadering worden genomen als het besluit tot het vaststellen van
                        het programma en overzicht.<sup/> Het bekostigingsplafond staat los van het
                        totaal van het investeringsbedrag van de aangevraagde voorzieningen. Het
                        bekostigingsplafond is uitsluitend bepalend voor de vraag of alle
                        aangevraagde voorzieningen huisvesting onderwijs ook kunnen worden
                        gehonoreerd. Het college kan een bekostigingsplafond per onderwijssector of
                        per voorziening vaststellen. Achtergrond van deze mogelijkheid is te
                        voorkomen dat één onderwijssector of één bepaalde voorziening structureel
                        voor bekostiging in aanmerking komt, waardoor andere gewenste investeringen
                        niet kunnen worden gehonoreerd. Het onderverdelen van het beschikbare
                        investeringsbedrag voor een specifieke categorie van voorzieningen is een
                        instrument om bepaalde accenten te leggen in de uitvoering van de
                        zorgplicht. Deze onderverdeling kan uitsluitend plaatsvinden op basis van
                        een door de gemeenteraad vastgesteld meerjareninvesteringsplan. </al><al><vet>Artikel 12. Bekendmaken besluiten vaststellen bekostigingsplafond,
                            programma en overzicht</vet></al><al>Artikel 95 van de vermeldt de criteria die het college moet hanteren bij het
                        vaststellen van het programma voorziening huisvesting onderwijs. Het
                        uitgangspunt voor het overzicht voorziening huisvesting onderwijs is
                        opgenomen in artikel 96 van de WPO. In dit artikel wordt bepaald op welke
                        wijze het besluit tot het vaststellen van het programma en overzicht aan de
                        bevoegde gezagsorganen wordt bekendgemaakt.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het programma en overzicht zijn een bundel beschikkingen. De aanvragers
                        ontvangen deze beschikkingen binnen een termijn van twee weken nadat het
                        programma en overzicht zijn vastgesteld. Voor deze termijn is gekozen omdat
                        de onderwijswetten bepalen (zie toelichting artikel 13, eerste lid) dat
                        binnen vier weken nadat het programma is vastgesteld overleg over de
                        uitvoering van de voorziening moet plaatsvinden met het college. Op grond
                        van artikel 3:43 van de Awb moet het college het besluit meedelen aan
                        degenen die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren
                        hebben gebracht. Omdat het programma en overzicht onderdeel uitmaken van het
                        bestuurlijk overleg dat vooraf gaat aan het vaststellen van het programma is
                        in de modelverordening opgenomen dat het besluit aan alle schoolbesturen
                        wordt verzonden. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De onderwijswetten bepalen alleen iets over het ter inzage leggen van het
                        overzicht. Vanwege de samenhang tussen bekostigingsplafond, programma en
                        overzicht is in de verordening opgenomen dat zowel het programma als
                        overzicht ter inzage wordt gelegd.</al><al><vet>Artikel 13. Overleg wijze van uitvoering</vet></al><al>Dit artikel geeft een nadere invulling aan het wettelijk voorgeschreven
                        overleg over het maken van afspraken over de zaken die van belang zijn om te
                        komen tot het beschikbaar stellen van een investeringskrediet voor de
                        voorziening die op het programma is opgenomen. Door het maken van deze
                        afspraken voorafgaande aan de start van de uitvoering van het project worden
                        onduidelijkheden en misverstanden in het verdere uitvoeringstraject
                        voorkomen.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In artikel 95, achtste lid, van de WPO is opgenomen dat het college binnen
                        vier weken met het betrokken bevoegd gezag in overleg treedt over de
                        uitvoering van het programma. De in dit overleg gemaakte afspraken moeten in
                        een verslag worden vastgelegd. De passage ‘voor zover van toepassing’
                        betekent dat niet alle onderwerpen die in dit lid zijn opgenomen betrekking
                        hebben op alle voorzieningen die op het programma zijn opgenomen (voor bijv.
                        de voorziening eerste inrichting is geen bouwplan noodzakelijk) en het
                        college daarnaast van mening is dat het indienen van het bouwplan en de
                        desbetreffende begroting voor een op het programma opgenomen voorziening
                        achterwege kan blijven. De onderwerpen die besproken moeten worden zijn
                        o.a.:</al><lijst><li nr="-"><al>het bouwheerschap (onderdeel a), met als uitgangspunt dat het
                                bevoegd gezag optreedt als bouwheer, conform het bepaalde in artikel
                                103, eerste lid , van de WPO. Het alternatief is dat het college de
                                voorziening tot stand brengt (artikel 103, tweede lid, van de WPO).
                                In het overleg moet worden vastgesteld of van deze mogelijkheid
                                gebruik wordt gemaakt. Daarnaast kan besproken worden de
                                mogelijkheid dat de bouw van een multifunctionele accommodatie wordt
                                gerealiseerd door een derde partij;</al></li><li nr="-"><al>het bouwplan, dat moet worden getoetst aan de uitgangspunten zoals
                                die op het vastgestelde programma zijn opgenomen (bijv. aantal
                                vierkante meter bruto vloeroppervlakte);</al></li><li nr="-"><al>het feit dat het college in de periode die is verlopen tussen het
                                moment van het vaststellen van het programma en het aanvragen van de
                                goedkeuring van het bouwplan en de kostenraming kan toetsen of zich
                                nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan of voordoen,
                                waardoor het eerder genomen besluit moet worden herzien. In het
                                overleg wordt vastgelegd of het college gebruik maakt van deze
                                mogelijkheid, zodat het college, na ontvangst tot goedkeuring van
                                het bouwplan en de kostenbegroting kan besluiten om de toegekende
                                vergoeding te herzien; </al></li><li nr="-"><al>de wijze waarop de controle en het afleggen van verantwoording over
                                de besteding van de middelen plaatsvindt. De wijze van
                                verantwoording is grotendeels afhankelijk van de omvang het project
                                (zie ook toelichting artikel 15);</al></li><li nr="-"><al>de afspraak over de wijze van aanbesteding. Voor toegekende
                                voorzieningen is de aanvrager verplicht een aanbestedingsprocedure
                                te volgen. Wordt de voorziening bekostigd op basis van de
                                genormeerde vergoeding dan is de uitkomst van de aanbesteding voor
                                het college feitelijk niet relevant, omdat het bevoegd gezag
                                aanspraak maakt op het normbedrag. Wordt de voorziening bekostigd op
                                basis van de feitelijke kosten dan is de uitkomst van de
                                aanbesteding wel relevant voor het bepalen voor de hoogte van het
                                definitieve investeringsbedrag. Uitgangspunt is dat voldaan wordt
                                aan het bepaalde in de Aanbestedingswet 2012 en in relevante
                                Europese regelgeving.<sup/> Daarnaast is van toepassing wat de
                                gemeenteraad heeft vastgesteld in het gemeentelijk
                                aanbestedingsbeleid over het opvragen van offertes als er geen
                                Europese regelgeving van toepassing is.</al></li></lijst><al>Als sprake is van huur moet de huurovereenkomst met daarin onder meer de
                        overeengekomen huurprijs vooraf aan het college ter goedkeuring worden
                        voorgelegd.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Om te voorkomen dat in een later stadium misverstanden ontstaan over de
                        afspraken die gemaakt zijn over de uitvoering van de voorziening is bepaald
                        dat de afspraken schriftelijk worden vastgelegd en ter instemming aan de
                        aanvrager worden voorgelegd. Als de aanvrager zijn instemming schriftelijk
                        heeft verleend, dan is daarmee direct vastgelegd dat er overeenstemming
                        bestaat over de wijze van uitvoering van de voorziening. Stemt de aanvrager
                        niet in met het verslag, dan is nader overleg noodzakelijk met als doel
                        alsnog overeenstemming te bereiken. Blijken partijen het ook dan niet eens
                        te kunnen worden over de uitvoering van de voorziening dan wordt dit ook
                        schriftelijk door beide partijen vastgelegd. </al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het college kan in het gevoerde overleg meedelen dat het indienen van een
                        bouwplan en begroting achterwege kan blijven, of dat er geen nadere toetsing
                        aan wettelijke voorschriften of gewijzigde omstandigheden zal plaatsvinden.
                        Over het algemeen betreft het voorzieningen waarvoor in een eerder stadium
                        al een offerte is overgelegd en die weinig of geen voorbereidingstijd meer
                        vergt. Heeft het overleg tot overeenstemming geleid, dan ontvangt de
                        aanvrager binnen vier weken bericht over het moment waarop de bekostiging
                        een aanvang neemt.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Als blijkt dat in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de
                        wijze van uitvoering van de voorziening en dit in het vastgestelde verslag
                        is opgenomen dan is het college de instantie die een definitief besluit
                        neemt. Dit besluit deelt het college mee aan het bevoegd gezag. In het
                        besluit zijn opgenomen de overwegingen om niet in te stemmen met de door de
                        aanvrager gewenste wijze van uitvoering van de voorziening. Deze mededeling
                        is een besluit in de zin van de Awb, waartegen dan ook voor aanvrager de
                        mogelijkheid van bezwaar en beroep openstaat.</al><al><vet>Artikel 14. Instemmen bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang
                            bekostiging</vet><vet>; toetsen wettelijke voorschriften en nieuwe
                            feiten en omstandigheden; overleggen offertes</vet></al><al>De aanvrager kan in principe niet eerder tot aanbesteding overgaan dan nadat
                        het college heeft ingestemd met het bouwplan. Uitsluitend als een dergelijk
                        plan naar het oordeel van college gezien de aard van de voorziening niet
                        vereist is kan de aanvrager voorafgaande aan het goedkeuren van het bouwplan
                        de procedure van aanbesteding volgen (zie ook artikel 13, derde lid). </al><al>Nadat het college de uitkomst van de aanbesteding heeft ontvangen besluit
                        het college tot het vaststellen van het definitieve bedrag van de
                        bekostiging. Basis voor dit bedrag zijn de overgelegde offertes.</al><al>Is geen aanvraag voor een voorbereidingskrediet ontvangen dan kan in het
                        overleg deze mogelijkheid alsnog worden besproken.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit artikel betreft de nadere uitwerking van artikel 103 van de WPO en heeft
                        een relatie met artikel 13, eerste en tweede lid. Op basis van de daar
                        gemaakte afspraken wordt het bouwplan en de kostenbegroting ingediend. Het
                        college toetst, voordat het bouwplan wordt goedgekeurd, aan mogelijk nieuwe
                        ontwikkelingen en stelt het bedrag van de bekostiging vast.</al><lijst><li nr="-"><al>Het goedkeuren van het bouwplan zoals dat in dit artikel wordt
                                bedoeld staat los van de goedkeuring van het bouwplan op grond van
                                de bouwverordening, dus het verlenen van de omgevingsvergunning. Op
                                grond van dit artikel wordt het bouwplan getoetst aan de afgegeven
                                beschikking (toegekend investeringsbedrag bij feitelijke kosten en
                                toegekende bvo).</al></li><li nr="-"><al>De wijze waarop de begroting die is ontvangen wordt getoetst is
                                afhankelijk van de wijze waarop de voorziening wordt bekostigd.
                                Maakt het bevoegd gezag aanspraak op:</al></li><li nr="-"><al>de genormeerde vergoeding dan wordt de begroting marginaal getoetst,
                                omdat het bevoegd gezag aanspraak maakt op het normbedrag en het
                                college geen hoger bedrag dan het normbedrag beschikbaar stelt;</al></li><li nr="-"><al>de vergoeding op basis van de feitelijke kosten dan vindt een
                                inhoudelijke toetsing van de begroting plaats om het definitieve
                                bedrag van de vergoeding te kunnen vaststellen. De kostenbegroting
                                die was ingediend bij de aanvraag voor het programma was namelijk
                                een raming van de kosten. Deze begroting had toen als functie te
                                komen tot het vaststellen van een bedrag als onderdeel voor het
                                vaststellen van het programma. Gelet op het tijdsverloop tussen het
                                ontvangen van de aanvraag en het besluit tot het vaststellen van het
                                programma kan het definitieve bedrag van de bekostiging afwijken van
                                de begroting die is ontvangen als onderdeel van de ingediende
                                aanvraag voor het programma. Bij de uitvoering van een voorziening
                                die volgens de offertelijn wordt gerealiseerd, nemen de offertes de
                                rol over van de begroting. </al></li></lijst><al>Bij het indienen van de stukken vermeldt het bevoegd gezag tevens op welk
                        moment het bevoegd gezag de werkzaamheden wil starten en in relatie daarmee
                        de bekostiging. </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De in dit lid opgenomen termijnen zijn fatale termijnen. Als het college
                        niet binnen de gestelde termijnen beslist, wordt geacht de gevraagde
                        goedkeuring te zijn verleend en vindt de bekostiging plaats op de wijze en
                        het tijdstip zoals door de aanvrager is aangegeven. De aanvrager kan daarna
                        de procedure voor het aanvragen van de omgevingsvergunning starten. De
                        fatale termijn is noodzakelijk met het oog op een goede voortgang van de
                        uitvoering van de voorziening en de duidelijkheid richting aanvrager.
                        Gelijktijdig met het goedkeuren van het bouwplan en begroting stelt het
                        college het tijdstip vast waarop de bekostiging een aanvang neemt, conform
                        het bepaalde in artikel 99, eerste lid van de WPO.</al><al><cursief>Lid 3 </cursief></al><al>Derde lid bepaalt dat voor het vaststellen van de vergoeding niet de laagste
                        prijs maar de economisch meest voordelige aanbieding bepalend is.</al><al><vet>Artikel 15. Aanvang bekostiging</vet></al><al>Dit artikel is de uitwerking van artikel 102, vierde lid, van de WPO. Het
                        geeft het college de vrijheid om per voorziening te besluiten op welke wijze
                        het bedrag van de bekostiging beschikbaar wordt gesteld. Deze keuze is sterk
                        afhankelijk van de concrete omstandigheden (o.a. grootte van de opdracht,
                        hoogte van het investeringsbedrag). Uitgangspunt is dat de aanvrager tijdig
                        aan zijn financiële verplichtingen moet kunnen voldoen. Dit betekent
                        bijvoorbeeld dat wordt overeengekomen dat de:</al><lijst><li nr="-"><al>vergoeding eerste inrichting als normbedrag in één keer wordt
                                uitbetaald;</al></li><li nr="-"><al>vergoedingen voor bouwkundige werkzaamheden in termijnen worden
                                uitbetaald, waarbij wordt aangesloten bij de termijnbetalingen aan
                                de aannemer op basis van de door de aannemer ingediende termijnstaat
                                (automatische verwerking met valutadata in financiële
                                administratie), en</al></li><li nr="-"><al>vergoeding op declaratiebasis wordt betaald na ontvangst van de
                                nota’s van het bevoegd gezag<cursief>.</cursief></al></li></lijst><al>De vergoeding wordt rechtstreeks beschikbaar gesteld aan de opdrachtgever,
                        tenzij in het overleg als bedoeld in artikel 13 wordt overeengekomen dat de
                        vergoeding door het college rechtstreeks aan de opdrachtnemer wordt
                        verstrekt. Op grond van de onderwijswetten bestaat er uitsluitend een
                        relatie tussen college en bevoegd gezag. Vanuit dit uitgangspunt is de
                        formele lijn dat het college het bedrag aan het bevoegd gezag betaalt en het
                        bevoegd gezag het bedrag aan de opdrachtnemer. Op deze wijze kan het bevoegd
                        gezag ook verantwoording van de ontvangen middelen afleggen. Gedacht kan
                        worden aan een gespecificeerde verantwoording met als bijlagen alle
                        rekeningen die op het project betrekking hebben, of een
                        accountantsverklaring.</al><al><vet>Artikel 16. Vervallen aanspraak op bekostiging</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De data van 1 en 15 oktoberzijn gekozen met het oog op het moment dat
                        de gemeentebegroting wordt vastgesteld. Vanuit financieel perspectief is het
                        noodzakelijk om te weten of een via het programma toegekende voorziening in
                        het jaar van toekenning ook daadwerkelijk in dat jaar wordt gerealiseerd, of
                        dat de realisatie in dat jaar door omstandigheden niet mogelijk is. Wordt
                        vastgesteld dat realisatie niet mogelijk is: </al><lijst><li nr="-"><al>in het toegekende programmajaar maar wel in een volgend
                                begrotingsjaar, dan blijft het beschikbaar gestelde krediet
                                gehandhaafd, en</al></li><li nr="-"><al>ook niet in een van de volgende begrotingsjaren dan kan het
                                beschikbaar gestelde krediet worden ingetrokken; het gevolg van dit
                                besluit is dat de aangevraagde voorziening te zijner tijd opnieuw
                                moet worden aangevraagd.</al></li></lijst><al>De bepaling over het toezenden van onder meer de bouwopdracht is van belang
                        voor het college, omdat het college na de genoemde data actie in de richting
                        van de aanvrager kan ondernemen. De term ‘door de aanvrager’ betekent dat,
                        als het college optreedt als bouwheer en de termijn wordt overschreden, het
                        recht op bekostiging niet vervalt. De aanvrager heeft dan immers recht op
                        een voorziening.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het kan voorkomen dat het bevoegd gezag niet aan de gestelde termijnen kan
                        voldoen. De overschrijding van de termijn kan het gevolg zijn van diverse
                        omstandigheden die buiten de schuld van de aanvrager liggen.
                        Bijvoorbeeld:</al><lijst><li nr="-"><al>planologische en stedenbouwkundige ontwikkelingen;</al></li><li nr="-"><al>procedures in het kader van de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="-"><al>vervuilde grond.</al></li></lijst><al>Het is dan aan de aanvrager om bij het college een verzoek in te dienen om
                        de gestelde termijnen te verlengen.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>De datum in dit lid heeft een relatie met de data in het eerste lid. Als het
                        verzoek van de aanvrager wordt afgewezen moet een zodanige datum worden
                        gekozen dat de aanvrager in de gelegenheid is om alsnog voor de in het
                        eerste lid genoemde datum een bouwopdracht et cetera te overleggen. Als het
                        college dus niet tijdig beslist is voor de aanvrager de in het eerste lid
                        genoemde datum niet haalbaar.</al><al><vet>Artikelen 17-21. Aanvragen met spoedeisend karakter</vet></al><al>Er kan zich een calamiteit voordoen waardoor de voortgang van het onderwijs
                        wordt belemmerd. Het bevoegd gezag kan dan op grond van deze artikelen een
                        aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs
                        indienen. Het moet duidelijk zijn dat het een calamiteit is die op korte
                        termijn moet worden opgelost en niet kan wachten op de reguliere
                        aanvraagprocedure. Het spoedeisende karakter moet dus duidelijk naar voren
                        komen in de omschrijving van aanvraag. Bij aanvragen met een spoedeisend
                        karakter valt te denken aan:</al><lijst><li nr="-"><al>brand- en stormschade, waardoor het onderwijsproces (tijdelijk) in
                                een andere accommodatie moet plaatsvinden;</al></li><li nr="-"><al>herstel van schade als gevolg van constructiefouten (verwijderen
                                asbest), of</al></li><li nr="-"><al>overige schades (vandalisme, glasbreuk, inbraak).</al></li></lijst><al>De spoedprocedure kan niet worden gebruikt als een soort ‘ontsnappingsroute’
                        voor de reguliere procedure, zoals een situatie:</al><lijst><li nr="-"><al>dat een bevoegd gezag verzuimd heeft tijdig – op grond van artikel 6
                                van de verordening – een aanvraag in te dienen voor het programma,
                                of</al></li><li nr="-"><al>dat een aangevraagde voorziening niet op het programma is geplaatst
                                wegens het toepassen van de financiële weigeringsgrond omdat het
                                bekostigingsplafond niet toereikend is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 17. Indienen aanvraag</vet></al><al>Een aanvraag op basis van de spoedprocedure kan gedurende het hele jaar
                        worden ingediend, omdat het moment waarop de calamiteit zich voordoet niet
                        bij voorbaat bekend is. De calamiteit moet zo spoedig mogelijk (telefonisch)
                        worden gemeld en de noodzakelijke maatregelen moeten worden genomen. Na de
                        melding moet de aanvrager binnen de gestelde termijn de aanvraag indienen. </al><al><vet>Artikel 18. Inhoud aanvraag</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Naast de gegevens die noodzakelijk zijn bij het indienen van een aanvraag op
                        grond van de reguliere procedure (artikel 7, eerste lid) is het bevoegd
                        gezag verplicht te motiveren waarom deze voorziening spoedeisend is. Uit de
                        aanvraag moet onomstotelijk blijken dat de aanvraag betrekking heeft op een
                        calamiteit die niet voorzienbaar was en dat het treffen van een voorziening
                        geen uitstel kan lijden, omdat anders het onderwijsproces geen doorgang meer
                        kan vinden.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Gelet op het spoedeisende karakter van de aanvraag zijn de termijnen voor
                        het aanleveren van aanvullende gegevens kort gehouden.</al><al><vet>Artikel 21. Uitvoer</vet><vet>en</vet><vet> beslissing</vet></al><al>Voor het beoordelen en toekennen van de op grond van de spoedprocedure
                        aangevraagde voorziening gelden de criteria die zijn opgenomen in de
                        bijlagen I tot en met III van de verordening. Als extra toets geldt het
                        element van de spoedeisendheid: het treffen van de voorziening kan geen
                        uitstel lijden in verband met de voortgang van het onderwijs. In
                        tegenstelling tot de reguliere procedure kan het college bij de
                        spoedprocedure geen financiële weigeringsgrond hanteren. Dit blijkt uit de
                        relatie tussen artikel 98, tweede lid, van de WPO en artikel 100, eerste
                        lid, van de WPO<cursief>.</cursief></al><al>Op de uitvoering van de beschikking zijn de artikelen 13 tot en met 16 van
                        toepassing.</al><al><vet>Artikelen 22-28. Medegebruik en verhuur</vet></al><al>De artikelen 22-28 zijn een nadere uitwerking van artikel 102 van de WPO. Op
                        grond hiervan moet de gemeenteraad bij verordening een procedure vaststellen
                        voor het medegebruik en de verhuur. Bij medegebruik en verhuur gaat het
                        nadrukkelijk om delen van lesgebouwen die niet noodzakelijk zijn voor het
                        gebruik door de eigen school.</al><al>De artikelen 22 t/m 27 worden door het college toegepast als het college een
                        aanvraag van een bevoegd gezag voor het bekostigen van een voorziening
                        huisvesting onderwijs heeft ontvangen. Het college kan besluiten dat de
                        aangevraagde voorziening huisvesting wordt afgewezen omdat door middel van
                        medegebruik in de noodzakelijke huisvestingsbehoefte kan worden
                        voorzien.</al><al><vet>Artikel 22. Aanduiden omstandigheden</vet></al><al><cursief>Onderdelen a en c</cursief></al><al>Deze bepalingen geven het college de mogelijkheid om leegstand te vorderen
                        op het moment dat het college op grond van artikel 6 of 19 een aanvraag voor
                        het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs nieuwbouw,
                        vervangende nieuwbouw of uitbreiding voor een school heeft ontvangen. Het
                        college moet twee zaken vaststellen, te weten dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de school die de aanvraag heeft ingediend ook daadwerkelijk een
                                tekort aan capaciteit heeft, en</al></li><li nr="-"><al>er leegstand binnen een ander schoolgebouw aanwezig is.</al></li></lijst><al>Het vorderingsrecht op grond van dit artikel heeft betrekking op medegebruik
                        door een school. Dit medegebruik betekent dat het doel van het vorderen
                        (ruimte voor het geven van onderwijs) in principe in overeenstemming is met
                        de bestemming van het schoolgebouw en aanpassingen niet noodzakelijk
                        zijn.</al><al><vet>Artikel 23. Omschrijving leegstand</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De leegstand is gekoppeld aan het criterium ‘bruto vierkante meters’. De
                        leegstand wordt vastgesteld op basis van het saldo tussen de vastgestelde
                        capaciteit (bijlage III, deel A) en de berekende ruimtebehoefte (bijlage
                        III, deel B). Bij het vaststellen van de leegstand wordt geen rekening
                        gehouden met de drempelwaarde. Bij het vorderen wordt geen onderscheid
                        gemaakt in leegstand bij een school voor basisonderwijs, een speciale school
                        voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                        speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs. Dit betekent dat
                        het college kan besluiten leegstand die wordt vastgesteld in een school voor
                        basisonderwijs toe te wijzen aan een speciale school voor basisonderwijs,
                        een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, of een
                        school voor voortgezet onderwijs<cursief>.</cursief></al><al>Bij het vaststellen van leegstand worden ook betrokken de zgn. eigendoms- en
                        huurscholen, omdat deze schoolgebouwen behoren tot de voorzieningen
                        huisvesting onderwijs en zodoende vallen onder het vorderingsrecht. Het
                        vorderingsrecht kan ook worden toegepast op de leegstaande capaciteit
                        waaraan een bevoegd gezag een andere bestemming (bijvoorbeeld mediatheek,
                        overblijflokaal) heeft gegeven. Genormeerde leegstand waaraan een bevoegd
                        gezag een andere bestemming heeft gegeven moet wijken voor noodzakelijk
                        onderwijsgebruik.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Een lokaal bewegingsonderwijs kan maximaal 40 klokuren per week voor
                        bewegingsonderwijs in gebruik worden gegeven. Een school voor
                        basisonderwijskan op basis van het lesrooster per week maximaal 26
                        klokuren worden ingeroosterd. Hierdoor wordt voorkomen dat deze scholen
                        buiten hun reguliere lestijden voor het bewegingsonderwijs worden verwezen
                        naar een lokaal bewegingsonderwijs dat nog geen 40 klokuren in gebruik is. </al><al>Dit betekent dat als in een lokaal bewegingsonderwijs:</al><lijst><li nr="-"><al>voor een school voor basisonderwijsminder dan 26 klokuren zijn
                                ingeroosterd medegebruik mogelijk is door een andere school voor
                                basisonderwijs[, een speciale school voor basisonderwijs, een school
                                voor speciaal of voortgezet speciaal onderwijs] voor het verschil
                                tussen 26 klokuren en het aantal ingeroosterde klokuren;</al></li><li nr="-"><al>voor een school voor basisonderwijsminder dan 26 klokuren of 26
                                klokuren zijn ingeroosterd medegebruik mogelijk is door een school
                                voor voortgezet onderwijs voor de resterende klokuren tot een
                                maximum van 40 lesuren;</al></li></lijst><al>Medegebruik kan alleen plaatsvinden binnen de voor de betreffende
                        onderwijssector geldende reële schooltijden.</al><al><vet>Artikel 24. Nalaten vorderen</vet></al><al>Dit artikel geeft de bevoegde gezagsorganen de ruimte in onderling overleg
                        medegebruik te regelen. Als de bevoegde gezagsorganen een onderlinge
                        regeling hebben getroffen is er voor het college geen reden om dat te
                        doorkruisen, tenzij het college heeft vastgesteld dat de school die
                        medegebruiker is in de eigen accommodatie voldoende capaciteit heeft om alle
                        leerlingen te huisvesten. Als bevoegde gezagsorganen medegebruik onderling
                        hebben geregeld moet het college hiervan in kennis worden gesteld. Het
                        college moet vaststellen of door het medegebruik de (meest) optimale
                        situatie is gecreëerd. </al><al>Op het moment dat een school is gehuisvest in meerdere schoolgebouwen wordt
                        in onderling overleg vastgesteld in welk schoolgebouw de leegstand wordt
                        gevorderd. Wordt geen overeenstemming bereikt, dan besluit het college
                        zelfstandig in welk schoolgebouw de leegstand wordt gevorderd.</al><al><vet>Artikel 25. Overleg en mededeling</vet></al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Onderdeel van het vaststellen van het programma is het besluit tot het
                        vorderen voor en toekennen van medegebruik in plaats van het toekennen van
                        bijv. een aangevraagde voorziening 'uitbreiding'. Om deze reden maakt het
                        vorderen voor medegebruik onderdeel uit van het wettelijk verplichte overleg
                        over het programma. Voor beide bevoegde gezagsorganen die betrokken zijn bij
                        het voorgenomen besluit tot medegebruik in het kader van het programma
                        bestaat de mogelijkheid een advies van de Onderwijsraad te vragen. Op het
                        programma wordt niet vermeld het besluit tot vordering, dit is een
                        afzonderlijk besluit van het college.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Voor het vorderen van leegstand als een aanvraag voor het bekostigen van een
                        voorziening op grond van de spoedprocedure is ontvangen is geen termijn voor
                        het overleg opgenomen. De aard van de aanvragen kan namelijk met zich
                        meebrengen dat een en ander op zeer korte termijn geregeld moet worden.
                        Uiteraard moet ook hier het 'ontvangende' bevoegde gezag redelijkerwijs de
                        gelegenheid hebben om de nodige maatregelen te treffen.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Een bevoegd gezag waarvan leegstand gevorderd wordt moet de gelegenheid
                        hebben tijdig eventuele (organisatorische) maatregelen te nemen. Daarom is
                        de termijn waarop het besluit tot vorderen bekend moet worden gemaakt zo
                        kort mogelijk gehouden. Voordat het college het besluit tot vorderen heeft
                        genomen heeft over dit besluit over het algemeen al overleg plaatsgevonden
                        met het bevoegd gezag. Dit betekent dat het bevoegd gezag in principe al in
                        de gelegenheid geweest om zich voor te bereiden op het medegebruik.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt moet weten waar het aan toe is. Om
                        deze reden moeten de in het vierde lid opgenomen elementen in de beschikking
                        worden opgenomen, waarvan vooral de onder ‘e’ genoemde periode gedurende
                        welke de leegstand wordt gevorderd van belang is. De periode kan bijv.
                        worden gebaseerd op de uitkomst van de leerlingenprognose. Het kan wenselijk
                        zijn om in het besluit tot het vorderen van medegebruik op te nemen dat het
                        vorderen voor medegebruik in ieder geval eindigt als de leegstand voor de
                        eigen school noodzakelijk is. Dit is niet strikt noodzakelijk, omdat
                        uitgangspunt van de verordening is dat eigen gebruik voor medegebruik
                        gaat.</al><al><vet>Artikel 26. Vergoeding</vet></al><al>Bij medegebruik heeft het bevoegd gezag dat ruimte in medegebruik geeft te
                        maken met exploitatiekosten als gevolg van dit medegebruik. De bevoegde
                        gezagsorganen moeten in onderling overleg de vergoeding voor het medegebruik
                        overeenkomen. Uitgangspunt is dat de werkelijke exploitatiekosten worden
                        vergoedt. Dit is redelijk omdat het bevoegd gezag dat medegebruiker is ook
                        bij het gebruik van de eigen accommodatie de werkelijke kosten moet betalen.
                        Deze werkelijke kosten zijn onafhankelijk van de rijksvergoeding materiële
                        instandhouding die het schoolbestuur ontvangt. Worden de werkelijke kosten
                        niet doorberekend, dan is sprake van een indirecte subsidiëring van de
                        medegebruiker en zet het bevoegd gezag dat een gedeelte van de school in
                        medegebruik heeft geven de ontvangen rijksvergoeding niet in voor het doel
                        waarvoor deze wordt ontvangen. De hoogte van de vergoeding is ook
                        afhankelijk van de afspraken die worden gemaakt over de activiteiten die
                        voor rekening van de school en de medegebruiker komen.</al><al><vet>Artikel 27. Overleg en mededeling</vet></al><al>Artikel 27 heeft betrekking op het vorderen voor medegebruik voor culturele,
                        maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Dit vorderen kan plaatsvinden
                        zowel tijdens als na de schooltijden. Medegebruik voor de genoemde
                        activiteiten kan in overeenstemming zijn met de bestemming van het
                        schoolgebouw (eisen bestemmingsplan), of met het onderwijs dat in het gebouw
                        wordt gegeven, maar dat is niet strikt noodzakelijk. Is het medegebruik niet
                        in overeenstemming met de bestemming van het schoolgebouw, dan betekent dit
                        dat het medegebruik niet eerder kan plaatsvinden dan nadat een wijziging van
                        het bestemmingsplan is vastgesteld. Is medegebruik niet in overeenstemming
                        met het onderwijs van de school dan is het noodzakelijk dat het bevoegd
                        gezag in het overleg met het college de gelegenheid krijgt om specifieke
                        wensen aangaande het medegebruik naar voren te brengen. Voor het bevoegd
                        gezag kan daarbij de vrijheid van richting en inrichting een rol
                        spelen.</al><al>Lid 2 vermeldt de onderwerpen die in het overleg tussen college en bevoegd
                        gezag minimaal moeten worden besproken als medegebruik door een niet
                        onderwijsinstelling aan de orde is. Het bevoegd gezag moet, voordat het
                        instemt met het medegebruik, in het overleg in de gelegenheid gesteld worden
                        zich een oordeel te vormen over de aard van de activiteit en de invloed van
                        die activiteit op het onderwijsproces. Afhankelijk van de uitkomst van het
                        overleg en de activiteiten waarvoor het medegebruik noodzakelijk is, kan het
                        noodzakelijk zijn dat besloten moet worden om bepaalde bouwkundige
                        maatregelen te nemen om hinder te voorkomen. Artikel 26 (bedrag van de
                        vergoeding ‘medegebruik’) is niet van toepassing op medegebruik voor
                        culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Het staat het bevoegd
                        gezag vrij om een ander tarief in rekening te brengen, maar ook aan te
                        sluiten bij de systematiek die is opgenomen in artikel 26.</al><al>Verondersteld wordt dat de beoogde organisatie die medegebruiker wordt in
                        het overleg tussen college en bevoegd gezag wordt vertegenwoordigd door het
                        college. Het is aan het college om te besluiten of de beoogde medegebruiker
                        al of niet deelneemt aan het overleg. Het bevoegd gezag, college en de
                        medegebruiker moeten voor de aanvang van het medegebruik schriftelijk een
                        aantal (praktische) afspraken vastleggen. Het kader voor die afspraken wordt
                        gevormd door het besluit tot vordering door college.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt, neemt het college een
                        beslissing inzake de openstaande punten. Hiervoor is gekozen om te voorkomen
                        dat door een verschil van mening het vorderingsrecht niet geëffectueerd kan
                        worden.</al><al><vet>Artikel 28. </vet><vet>Verzoek t</vet><vet>oestemming
                        college</vet></al><al>Verhuur van een gedeelte van een schoolgebouw kan uitsluitend plaatsvinden
                        door de juridisch eigenaar. Dit betekent dat het college een schoolgebouw
                        waarvan het bevoegd gezag juridisch eigenaar is niet kan vorderen voor
                        verhuur. De afweging om een ruimte te verhuren is uitsluitend de
                        verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet, als het
                        (een gedeelte van) het schoolgebouw wil verhuren, vooraf aan het college
                        toestemming voor de verhuur vragen. Zonder toestemming van het college is
                        een huurovereenkomst strijdig met de wet en dus nietig. Bij het aanvragen
                        van de toestemming voor de verhuur moet het bevoegd gezag het college
                        inzicht geven in de huurder, de te verhuren ruimte, de activiteiten die in
                        de te verhuren ruimte plaatsvinden, de periode van verhuur en de in de
                        komende jaren te verwachten ruimtebehoefte van de school. Daarnaast betrekt
                        het college bij het verlenen van de toestemming ook de te verwachten
                        ruimtebehoefte van de overige scholen. Dit om te voorkomen dat het college
                        toestemming voor de verhuur verleent, maar binnen de verhuurtermijn een
                        aanvraag wordt ontvangen voor bijvoorbeeld uitbreiding van een
                        schoolgebouw.</al><al>Met de door het bevoegd gezag verstrekte informatie toets het college het
                        verzoek aan wet- en regelgeving. Op grond van artikel 108, eerste lid, van
                        de WPO is het niet toegestaan om een onderwijsgebouw of -terrein te verhuren
                        als:</al><lijst><li nr="-"><al>woon- of bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 1623a, tweede lid, en
                                1624, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, of</al></li><li nr="-"><al>de bestemming zich niet verdraagt met het onderwijs aan de
                                school.</al></li></lijst><al>Het college neemt bij het verlenen van de toestemming in ieder geval de
                        voorwaarde op dat als de te verhuren ruimte op (korte) termijn nodig is voor
                        het onderwijs, dat het college deze ruimte dan vordert. De wet bepaalt dat
                        de risico's voor verhuur en de eventuele schadeplicht die ontstaat bij het
                        voortijdig opzeggen van het huurcontract door het bevoegd gezag, omdat het
                        college gebruik maakt van hun vorderingsrecht, liggen bij het bevoegd
                        gezag.</al><al>Bij verhuur moet een huurovereenkomst worden afgesloten en een huurprijs
                        bepaald worden. Onderscheid moet worden gemaakt in de vergoeding voor de
                        exploitatiekosten (= gebruiksvergoeding) en de vergoeding in de
                        investeringslasten (= huurvergoeding). Het schoolbestuur stelt de hoogte van
                        de component ‘exploitatiekosten’ (beheer en onderhoud van het schoolgebouw)
                        vast. In het derde lid is opgenomen de mogelijkheid voor het college om aan
                        de toestemming tot verhuur de voorwaarde te verbinden dat voor de verhuur
                        een huur is verschuldigd, waarvan de hoogte door het college wordt
                        vastgesteld. Dit lid is een aanvulling op wat in de onderwijswetten is
                        opgenomen. Deze huurvergoeding is wat anders dan de gebruiksvergoeding
                        waarvan de hoogte door het bevoegd gezag wordt vastgesteld en waar het
                        bevoegd gezag aanspraak op maakt. De huurcomponent moet worden afgedragen
                        aan het college als bijdrage in de investeringslasten van het schoolgebouw.
                        Aan het verbinden van de voorwaarde tot het betalen van een huurvergoeding
                        zijn voorwaarden verbonden:</al><lijst><li nr="1."><al>het college moet kunnen aantonen dat door het niet doorbereken van
                                de huur de gemeente een financieel nadeel leidt;</al></li><li nr="2."><al>de huurprijs moet gerelateerd zijn aan de extra kosten of het
                                verlies aan inkomsten door de gemeente en</al></li><li nr="3."><al>de ontvangen huurvergoeding moet rechtstreeks ten goede komen aan
                                onderwijshuisvesting.<sup/></al></li></lijst><al><vet>Artikel 29. Staat van onderhoud</vet></al><al>In artikel 110 van de WPO is geregeld in welke situatie en hoe moet worden
                        omgegaan met de overdracht van een (gedeelte van een) schoolgebouw en
                        -terrein aan het college. Over het algemeen is de overdracht van het hele
                        schoolgebouw en -terrein gekoppeld aan het beëindigen van de bekostiging
                        (bijzonder onderwijs) of het opheffen van de school (openbaar onderwijs)
                        door de minister van OCW. Overdracht door het bevoegd gezag van een
                        schoolgebouw en -terrein aan de gemeente vindt uitsluitend plaats als het
                        bevoegd gezag (bijzonder onderwijs, of verzelfstandigd openbaar onderwijs in
                        bijv. een stichting) juridisch eigenaar is van het schoolgebouw. Is de
                        gemeente juridisch eigenaar van het schoolgebouw en -terrein dan vindt geen
                        overdracht van een (gedeelte van een) schoolgebouw en -terrein plaats. Een
                        overdracht kan ook plaatsvinden als vervangende nieuwbouw op een andere
                        locatie is gerealiseerd. Als dit noodzakelijk is wordt in de door het
                        college en bevoegd gezag gezamenlijk opgestelde en ondertekende acte
                        opgenomen een termijn waarin het schoolgebouw nog kan worden gebruikt. Bij
                        het einde van het gebruik wordt geen onderscheid gemaakt tussen
                        hoofdgebouwen en dislocaties, omdat dit onderscheid bij het einde van het
                        gebruik niet relevant is. Voor alle gebouwen moet duidelijk zijn op welk
                        moment het gebruik uiterlijk beëindigd moet worden. </al><al>De procedure voor het opmaken van een staat van onderhoud bij het beëindigen
                        van het gebruik is gekoppeld aan het beëindigen van het gebruik van een
                        gebouw door het bevoegd gezag. Is sprake van integraal bestuur dan blijft
                        het opmaken van een staat onderhoud achterwege. Vanuit het oogpunt van
                        gelijke behandeling van het openbaar en bijzonder onderwijs kan in materiële
                        zin gekozen worden voor een gelijke handelwijze.</al><al>Met 'achterstallig onderhoud' wordt bedoeld het onderhoud dat het bevoegd
                        gezag, met het oog op de onderhoudsplicht, had moeten uitvoeren. Het gaat er
                        dus niet om dat een gebouw nog een extra opknapbeurt moet krijgen voordat
                        het buiten gebruik wordt gesteld.</al><al>De staat van het onderhoud wordt opgemaakt voordat de eigendomsoverdracht
                        plaatsvindt, omdat alleen voor die tijd nog eenduidig kan worden vastgesteld
                        aan wie het eventueel achterstallig onderhoud is toe te rekenen. De staat
                        van onderhoud maakt ook onderdeel uit van de op te maken akte van
                        overdracht. </al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het college geeft de opdracht voor het opstellen van het rapport met daarin
                        een beschrijving van de staat van onderhoud. Deze opdracht wordt, vanuit het
                        oogpunt van objectiviteit, verstrekt aan een onafhankelijke derde, zoals een
                        bouwkundig adviesbureau. Voordat de opdracht wordt verstrekt heeft het
                        college overleg met het betrokken bevoegd gezag over de inhoud van de
                        opdracht en over de instantie die deze opdracht uitvoert. Hiermee wordt
                        voorkomen dat achteraf onnodige discussies c.q. meningsverschillen ontstaan
                        over de inhoud van de opdracht en over de keuze van de uitvoerder. Op grond
                        van artikel 5 kunnen bepaalde inlichtingen van het bevoegd gezag gevraagd
                        worden (bijv. beschikbaar stellen meerjarenonderhoudsplan en/of
                        bewijsstukken dat er geregeld onderhoud is uitgevoerd).</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Als uit de rapportage van de staat van onderhoud blijkt dat bij het opmaken
                        van de rapportage achterstallig onderhoud is geconstateerd en het bevoegd
                        gezag met deze constatering instemt, kan in het overleg overeengekomen
                        worden dat het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="-"><al>alsnog opdracht verstrekt tot het uitvoeren van het noodzakelijke
                                onderhoud, of</al></li><li nr="-"><al>het bedrag dat gemoeid is met het achterstallig onderhoud aan het
                                college betaalt, waarna het college de opdracht verstrekt.</al></li></lijst><al>Als in het overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de uitkomst van
                        de rapportage wordt in het overleg besproken hoe de vervolgprocedure zal
                        zijn. Er kan worden overeengekomen dat arbitrage plaatsvindt, waarbij beide
                        partijen afspreken zich te zullen neerleggen bij de uitkomst daarvan.
                        Alternatief is dat het college zicht wendt tot de burgerlijke rechter, op
                        grond van het feit dat het bevoegd gezag een onrechtmatige daad heeft
                        gepleegd door zich niet te houden aan de wettelijke opdracht om een gebouw
                        behoorlijk te gebruiken of te onderhouden.</al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Deze bepaling is opgenomen voor de situatie dat er geen enkele aanleiding is
                        om te veronderstellen dat sprake is van achterstallig onderhoud, of een
                        vermoeden over achterstallig onderhoud bestaat, maar er geen reden is om dit
                        nog te laten vastleggen in een rapport. Dit laatste kan zich voordoen als
                        het voornemen bestaat het schoolgebouw dat buiten gebruik wordt gesteld op
                        termijn bijv. te verbouwen voor een andere bestemming of te slopen.</al><al><vet>Artikel 30. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit;
                            inroosteren en gebruik</vet></al><al>Lokalen bewegingsonderwijs zijn een voorziening huisvesting onderwijs en
                        kunnen juridisch eigendom zijn van de gemeente, het bevoegd gezag of een
                        derde. In het kader van de ruimtebehoefte van de lokalen bewegingsonderwijs
                        is het de verantwoordelijkheid van de gemeenteraad om de criteria vast te
                        stellen voor het vaststellen van de ruimtebehoefte en de aanvullende
                        ruimtebehoefte. Deze criteria zijn opgenomen in bijlage III, deel B.
                        Daarnaast is het de verantwoordelijkheid van het college om een rooster
                        bewegingsonderwijs vast te stellen. De omvang van het gebruik door een
                        school voor basisonderwijs<cursief>,</cursief> een speciale school voor
                        basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                        onderwijs van lokalen bewegingsonderwijs wordt uitgedrukt in het aantal
                        klokuren. Het aantal klokuren is afhankelijk is van het aantal gymgroepen.
                        Omdat het aantal gymgroepen afhankelijk is van het aantal formatieplaatsen
                        en het aantal formatieplaatsen afhankelijk van het aantal leerlingen dat op
                        de school is ingeschreven fluctueert het aantal klokuren jaarlijks als
                        gevolg van mutaties in het aantal leerlingen. Voor het verwerken van de
                        jaarlijkse mutaties is de jaarlijkse procedure tot aanvragen in het kader
                        van het programma en de spoedprocedure niet het geëigende middel. Beide
                        procedures zijn te zwaar en te omslachtig voor het verwerken van de
                        jaarlijkse mutaties in het gebruik van de lokalen bewegingsonderwijs. Dit
                        geldt in ieder geval als het aantal klokuren binnen de bestaande capaciteit
                        kan worden opgevangen en dus niet leidt tot een uitbreiding of nieuwbouw van
                        lokalen bewegingsonderwijs.</al><al>Tegen deze achtergrond is in artikel 30 een afzonderlijke procedure
                        opgenomen. Uitgangspunt van deze procedure is dat het college op basis van
                        het aantal ingeschreven leerlingen op de teldatum 1 oktober het aantal
                        gymgroepen en daarmee het aantal klokuren bewegingsonderwijs vaststelt en op
                        basis van het aantal klokuren het conceptrooster bewegingsonderwijs kan
                        vaststellen. Stelt het college vast dat er te weinig capaciteit is, of dat
                        een lokaal bewegingsonderwijs moet worden vervangen, dan kan het college de
                        procedure voor het aanvragen van bekostiging van een huisvestingsvoorziening
                        starten. Door deze procedure heeft het college, als lokale overheid, tijdig
                        zicht heeft op:</al><lijst><li nr="-"><al>de accommodaties die geschikt zijn voor bewegingsonderwijs,
                                inclusief de accommodaties die op grond van de
                                onderwijswijswetgeving behoren tot de zgn. ‘eigendomsscholen’;</al></li><li nr="-"><al>de capaciteit van de accommodaties bewegingsonderwijs;</al></li><li nr="-"><al>het gebruik van de accommodatie bewegingsonderwijs (welke school
                                geeft bewegingsonderwijs in welk gebouw);</al></li><li nr="-"><al>de tijdstippen en het aantal uren dat het lokaal bewegingsonderwijs
                                gebruikt wordt, en</al></li><li nr="-"><al>het gebruik, waarbij moet worden vastgesteld of het een genormeerd
                                gebruik is of dat het gebruik gebaseerd is op feitelijk
                                gebruik.</al></li></lijst><al>De verordening kent zodoende de volgende stappen:</al><lijst><li nr="1."><al>het college stelt voor 1 januari op basis van de teldatum 1 oktober
                                het aantal gymgroepen vast op de datum 1 augustus (start
                                schooljaar);</al></li><li nr="2."><al>het college stelt daaropvolgend een conceptrooster op; als basis kan
                                dienen het rooster bewegingsonderwijs van het lopende schooljaar en
                                daarin worden de mutaties als gevolg van mutaties in het aantal
                                gymgroepen verwerkt;</al></li><li nr="3."><al>het college stelt de bevoegde gezagsorganen voor 1 maart
                                daaropvolgend in kennis van het voorlopig vastgestelde rooster
                                bewegingsonderwijs voor het komende schooljaar;</al></li><li nr="4."><al>de bevoegde gezagsorganen reageren voor 1 april op het aangeboden
                                conceptrooster;</al></li><li nr="5."><al>het bevoegd gezag kan het college vragen om voor de datum van 15
                                april een overleg over het conceptrooster te beleggen;</al></li><li nr="6."><al>het college stelt het rooster bewegingsonderwijs voor het komende
                                schooljaar vast voor 1 juni.</al></li></lijst><al>De verordening geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om meer klokuren
                        bewegingsonderwijs aan te vragen dan door het college genormeerd is
                        vastgesteld. Het college kan dit verzoek honoreren als binnen de bestaande
                        accommodaties daarvoor ruimte beschikbaar is. Aan het bevoegd gezag worden
                        dan de kosten van deze extra klokuren doorberekend.</al><al><vet>Artikel 32. Indexering</vet></al><al>De in bijlage IV, deel B, opgenomen genormeerde vergoedingen moeten
                        jaarlijks worden aangepast aan de prijsontwikkeling. Omdat bijlage IV
                        integraal onderdeel is van de verordening moet op grond van de
                        onderwijswetten een wijziging van de verordening worden vastgesteld door de
                        gemeenteraad. Om deze zware procedure voor uitsluitend het aanpassen van de
                        normbedragen te voorkomen bepaalt dit artikel dat het jaarlijks aanpassen
                        van de normbedragen wordt gedelegeerd aan het college. De uitgangspunten
                        voor de indexering zijn opgenomen in bijlage IV, deel A. Het wettelijk
                        verplichte overleg met het onderwijsveld dat voor een wijziging van de
                        verordening noodzakelijk is, kan plaatsvinden door het toezenden van de
                        voorgenomen prijsbijstellingen en het bieden van de mogelijkheid om hierop
                        te reageren.</al><al><vet>Bijlage I</vet><vet> –</vet><vet> Beoordelingscriteria noodzaak
                            aangevraagde voorzieningen</vet></al><al>In bijlage I zijn opgenomen de criteria die van belang zijn voor het
                        vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorziening. De bijlage is
                        onderverdeeld in deel A – Lesgebouwen en deel B – Lokalen
                        bewegingsonderwijs. </al><al><vet>Deel A </vet><vet>–</vet><vet>Lesgebouwen</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Per voorziening onderwijshuisvesting zijn de criteria voor het vaststellen
                        van de noodzaak van de aangevraagde voorziening beschreven. </al><al>Een school kan gehuisvest zijn in een hoofdvestiging of een dislocatie. De
                        dislocatie is bedoeld als tijdelijke huisvesting, voor de situatie dat de
                        hoofdvestiging te weinig capaciteit heeft om alle leerlingen te huisvesten.
                        Is het aantal leerlingen zodanig afgenomen dat alle leerlingen weer op de
                        hoofdvestiging kunnen worden gehuisvest, dan wordt de dislocatie afgestoten.
                        Ontvangt het college een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening
                        voor een dislocatie, dan stelt het college, voordat het besluit deze
                        aanvraag te honoreren, vast of:</al><lijst><li nr="-"><al>de dislocatie, gelet op het aantal leerlingen, nog als aanvullende
                                huisvesting voor de school noodzakelijk is;</al></li><li nr="-"><al>dat het mogelijk is alle leerlingen in de hoofdvestiging te
                                huisvesten, eventueel met een bouwkundige aanpassing, of</al></li><li nr="-"><al>dat er een andere geschikte of geschikt te maken locatie beschikbaar
                                is.</al></li></lijst><al>Of het bekostigen van de voorziening in/aan de dislocatie wordt toegekend is
                        op basis van het voorgaande een financiële afweging van het college.</al><al>Om de beoordelingscriteria van bijlage I te kunnen toepassen moet het
                        college beschikken over minimaal de volgende gegevens:</al><lijst><li nr="-"><al>het aantal leerlingen dat op de teldatum op de school staat
                                ingeschreven;</al></li><li nr="-"><al>het aantal leerlingen dat op lange termijn wordt verwacht;</al></li><li nr="-"><al>het verschil tussen de bestaande capaciteit (=
                                brutovloeroppervlakte) van het gebouw of de gebouwen die door de
                                school worden gebruikt en de gewenste ruimtebehoefte, en</al></li><li nr="-"><al>zo nodig, de bouwkundige staat van het gebouw of de gebouwen.</al></li></lijst><al>Het vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs
                        noodzakelijk is, is nodig om desinvesteringen te voorkomen. Is de
                        (aanvullende) voorziening onderwijshuisvesting voor een korte periode
                        noodzakelijk, dan wordt gekozen voor een ‘voor tijdelijk gebruik bestemde
                        voorziening’ tenzij een ‘voor blijvend gebruik bestemde voorziening’ voor de
                        periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is beschikbaar is. De periode
                        waarvoor de voorziening noodzakelijk is wordt herleid uit de
                        leerlingenprognose. De leerlingenprognose geeft antwoord op de vraag of het
                        aantal leerlingen op de teldatum voorafgaande aan de datum waarop de
                        aanvraag is ingediend ook de komende jaren nog wordt verwacht. Is de
                        uitkomst van de leerlingenprognose dat het aantal leerlingen waarvoor de
                        aangevraagde voorziening huisvesting onderwijs is bedoeld ook de komende
                        jaren aanwezig is en noodzakelijk is voor een periode van:</al><lijst><li nr="-"><al>drie jaar, dan wordt geen voorziening onderwijshuisvesting toegekend
                                omdat wordt verondersteld dat de school de extra ruimtebehoefte voor
                                deze beperkte periode binnen de eigen school kan opvangen. Alleen
                                als wordt vastgesteld dat dit onmogelijk is, wordt een andere
                                voorziening goedgekeurd;</al></li><li nr="-"><al>minimaal vier tot maximaal veertien jaar, dan wordt een voor
                                tijdelijk gebruik bestemde voorziening toegekend en</al></li><li nr="-"><al>minimaal vijftien jaar, dan wordt een voor blijvend gebruik bestemde
                                voorziening onderwijshuisvesting toegekend</al></li></lijst><al>De genoemde termijnen gelden niet voor aanvragen die zijn ontvangen voor het
                        bekostigen van de voorzieningen huisvesting onderwijs constructiefouten en
                        vervanging of herstel van schade in geval van bijzondere
                        omstandigheden.</al><al>Bij het vaststellen van de noodzaak van de aangevraagde voorzieningen
                        huisvesting onderwijs (vervangende) nieuwbouw en uitbreiding speelt,
                        onafhankelijk van de periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, een
                        rol de mogelijkheid van medegebruik of ingebruikname van een bestaand
                        gebouw.</al><al>A.1 Nieuwbouw</al><al>Nieuwbouwis noodzakelijk voor het huisvesten van een nieuw
                        instituut of een nieuwe afdeling en heeft dus betrekking op een
                        onderwijsvoorziening die nog niet in de gemeente is gevestigd en voor deze
                        nieuwe voorziening ook geen bestaande accommodatie beschikbaar is.</al><al>A.2 Vervangende bouw</al><al>Vervangende nieuwbouwkan het gevolg zijn van een tweetal
                        situaties. Ten eerste vanwege de slechte conditie (bouwkundige staat) van
                        een gebouw. Voor het vaststellen van de bouwkundige staat van het gebouw en
                        om verschillen in de bouwkundige staat tussen verschillende gebouwen in een
                        volgorde te kunnen plaatsen wordt voor de bouwkundige rapportage als eis
                        gesteld een rapportage op grond van NEN 2767.Uitgangspunt van deze
                        methode is dat de onderhoudsscenario's op basis van verschillende keuzes en
                        bevindingen worden doorgerekend en bij het bepalen van de keuzes een
                        afweging plaatsvindt tussen kwaliteit, kosten en risico's. Bij het maken van
                        keuzes met betrekking tot onderhoud is inzicht in de aanwezige en de te
                        bereiken kwaliteit (en de daaraan verbonden kosten) essentieel. Uitgangspunt
                        van de methode van conditiemeting NEN 2767 is dat voor alle bouwkundige
                        elementen een conditie wordt toegekend. Bij het vaststellen van de condities
                        wordt ook rekening gehouden met de noodzaak van het onderhoud binnen een
                        vooraf vastgestelde periode (in principe 3 jaar). Voor het antwoord op de
                        vraag of activiteiten binnen de periode van 3 jaar voor het onderhoud in
                        aanmerking komen wordt de ernst, de omvang en de intensiteit van het gebrek
                        vastgesteld. De ernst van het gebrek wordt uitgedrukt in een score, de zgn.
                        'conditie voor'. Met de 'conditie voor' wordt dus eigenlijk de kwaliteit van
                        het totale schoolgebouw vastgesteld. Deze kwaliteit kan worden onderverdeeld
                        in de volgende conditieschalen:</al><al>Conditie 1 Nieuwbouwkwaliteit of met nieuwbouw vergelijkbare kwaliteit;</al><al>Conditie 2 Een bouw- of installatiedeel vertoont kenmerken van een
                        beginnende veroudering;</al><al>Conditie 3 Het verouderingsproces is duidelijk op gang gekomen;</al><al>Conditie 4 Het verouderingsproces is duidelijk zichtbaar;</al><al>Conditie 5 Het verouderingsproces is niet meer te keren;</al><al>Conditie 6 De bouwkundige staat is zo slecht dat deze niet meer onder
                        conditie 5 kan worden gerangschikt.</al><al>Op basis van de vermelde condities wordt inzicht verkregen in de bouwkundige
                        staat en kan worden vastgesteld of vervangende nieuwbouw noodzakelijk
                        is.</al><al>Vervangende nieuwbouwkan ten tweede het gevolg zijn een
                        herschikkingsoperatie. Dit kan zich in meerdere gevallen voordoen:</al><lijst><li nr="-"><al>bevoegde gezagsorganen kunnen overeenkomen om schoolgebouwen te
                                ruilen omdat is vastgesteld dat er voldoende capaciteit voor het
                                huisvesten van de leerlingen beschikbaar is, maar dat het ene
                                schoolgebouw een overmaat aan capaciteit heeft en het andere
                                schoolgebouw een tekort aan capaciteit. Door onderlinge ruil,
                                eventueel met een beperkte bouwkundige aanpassing of uitbreiding bij
                                een bestaand schoolgebouw of in relatie met vervangende nieuwbouw
                                voor een bestaand schoolgebouw kan een efficiënte bezetting van de
                                schoolgebouwen worden gerealiseerd en kan mogelijk een schoolgebouw
                                worden afgestoten;</al></li><li nr="-"><al>fusies van scholen kunnen aanleiding zijn voor een
                                herschikkingsoperatie omdat een fusie op schoolniveau ook gevolgen
                                heeft voor de leerlingenstromen, waardoor mogelijk door een beperkte
                                uitbreiding (= vervangende bouw) van het ene schoolgebouw het andere
                                schoolgebouw kan worden afgestoten;</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw kan verband houden met ontwikkelingen in de
                                ruimtelijke ordening, als gevolg van bijv. stadsvernieuwing, of het
                                herinrichten van een wijk, waarvoor het noodzakelijk is dat het
                                bestaande schoolgebouw of de bestaande schoolgebouwen vervangen
                                wordt/worden.</al></li></lijst><al>Uitgangspunt van investeringen die het gevolg zijn van een herschikkingsplan
                        is dat een grotere doelmatigheid in het gebruik van de schoolgebouwen wordt
                        bereikt en dat het voor het college een budgettair neutrale investering is,
                        dus voor de gemeente geen extra investeringslasten ontstaan. De budgettaire
                        neutraliteit kan uitsluitend worden gerealiseerd als de investering van de
                        vervangende nieuwbouw kan worden gefinancierd uit de (grond)opbrengst van de
                        verkoop van de bestaande (te vervangen) locatie. Eventueel kunnen, nadat
                        hierover overeenstemming is bereikt met het aanvragende schoolbestuur,
                        gelden die het bevoegd gezag van het rijk ontvangt voor het bekostigen van
                        de exploitatie, het onderhoud, en de aanpassingen schoolbestuur als
                        medefinanciering worden ingezet.</al><al>A.3 Uitbreiding</al><al>Uitbreidingwordt toegekend als de bestaande capaciteit van het
                        schoolgebouw of de schoolgebouwen niet voldoende is voor het huisvesten van
                        het aantal leerlingen dat op de school is ingeschreven: de ruimtebehoefte is
                        dan groter dan de beschikbare huisvestingscapaciteit (zie ook bijlage III).
                        Het is aan het college te bepalen op welke wijze de gevraagde extra
                        capaciteit beschikbaar wordt gesteld. Bij het besluit kan het college
                        rekening houden met de eventueel beschikbare capaciteit bij andere
                        schoolgebouwen en als dat mogelijk is in plaats van de gevraagde uitbreiding
                        van het schoolgebouw bijv. medegebruik toekennen.</al><al><vet>A.4 In gebruik nemen van een bestaand gebouw</vet></al><al>In gebruik nemenvan een bestaand gebouw of een gedeelte daarvan is
                        afhankelijk van de volgende factoren:</al><lijst><li nr="-"><al>het aspect afstand en bereikbaarheid, waarbij het aspect afstand
                                alleen een rol speelt als het gebouw een dislocatie wordt van een
                                bestaande hoofdvestiging; is het gebouw noodzakelijk voor het
                                huisvesten van een nieuwe school dan is de ligging niet
                                relevant;</al></li><li nr="-"><al>de omvang van het gebouw is van belang om vast te stellen of en zo
                                ja welke in- of uitpandige investeringen noodzakelijk zijn om te
                                zorgen voor voldoende capaciteit voor het huisvesten van de
                                leerlingen.</al></li><li nr="-"><al>de bouwkundige en onderwijskundige kwaliteit van het gebouw is van
                                belang om vast te stellen welke bouwkundige investeringen
                                noodzakelijk zijn om het gebouw bouwkundig en onderwijskundig
                                geschikt te maken als kwalitatief geschikte huisvesting. Het college
                                kan besluiten tot het bekostigen van vervangende nieuwbouw als de
                                investeringskosten om het gebouw voor het onderwijs geschikt te
                                maken, zoals aanpassing, uitbreiding en onderhoud, vermeerderd met
                                (eventuele) kosten van verwerving hoger zijn dan de kosten van
                                volledige nieuwbouw.</al></li></lijst><al>In gebruik nemen is ook mogelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>als vervanging van een bestaand gebouw aan de orde is en
                                ingebruikgeving per saldo geen meerkosten met zich meebrengt;</al></li><li nr="-"><al>bij een herschikkingsoperatie;</al></li><li nr="-"><al>als gevolg ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening;</al></li><li nr="-"><al>als uitbreiding van het huidige schoolgebouw aan de orde is.</al></li></lijst><al>A.5 Verplaatsen tijdelijk gebouw</al><al>Verplaatsen van een tijdelijk gebouw kan alleen als het gebouw niet aard en
                        nagelvast aan de grond is verbonden. Bij het verplaatsen van een tijdelijk
                        gebouw moet rekening worden gehouden met de kosten van verplaatsen
                        (verwijderen en opnieuw plaatsen) en het op termijn opnieuw verwijderen. Op
                        dit punt kan het college een afweging maken tussen het verplaatsen en het
                        bekostigen van een nieuwe voorziening.</al><al>A.6 Terrein</al><al>Terreinis een voorziening huisvesting onderwijs die niet
                        automatisch wordt toegekend. Vervangende nieuwbouw of uitbreiding van het
                        schoolgebouw kan bijv. op het bestaande schoolterrein worden gerealiseerd.
                        Als voor het realiseren van de genoemde voorzieningen terrein noodzakelijk
                        is, wordt daar bij de eventuele toestemming voor de huisvestingsvoorziening
                        rekening mee gehouden, deze voorziening wordt opgenomen op het
                        programma.</al><al>A.7 Eerste inrichting</al><al>Eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair wordt bekostigd aan een
                        school voor basisonderwijs<cursief>, </cursief>een speciale school voor
                        basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                        onderwijs. Eerste inrichting leer- en hulpmiddelen wordt bekostigd aan een
                        school voor voortgezet onderwijs<cursief>. </cursief>Voor alle
                        onderwijssectoren is de bekostiging van de eerste
                        inrichtinggekoppeld aan het aantal m<sup>2</sup> bruto
                        vloeroppervlakte waarvoor de voorziening nieuwbouw of uitbreiding wordt
                        toegekend.</al><al>Bij fusie van scholen worden twee of meer scholen samengevoegd tot één
                        school. In principe hebben de afzonderlijke scholen tot het moment van fusie
                        ieder voor zich bekostiging voor eerste inrichting ontvangen. Dit betekent
                        dat bij fusie van voorheen afzonderlijke scholen geen aanspraak bestaat op
                        bekostiging van eerste inrichting als de bruto vloeroppervlakte van de
                        gefuseerde scholen minder of gelijk is aan de bruto vloeroppervlakte van de
                        voor de fusie afzonderlijke scholen. Uitbreiding eerste inrichting wordt
                        uitsluitend toegekend in combinatie met uitbreiding van het schoolgebouw.
                        Bij een fusie wordt voor de gefuseerde school geregistreerd de bruto
                        vloeroppervlakte van de schoolgebouwen van de voorheen aan de afzonderlijke
                        scholen is toegekend.</al><al>A.8 Medegebruik</al><al>Medegebruik is een belangrijk instrument als het gaat om het realiseren van
                        het doelmatig gebruik van schoolgebouwen en de efficiënte inzet van
                        middelen. </al><al>Voordat het college besluit tot medegebruik is het noodzakelijk om inzicht
                        te hebben:</al><lijst><li nr="-"><al>in de periode waarvoor medegebruik noodzakelijk is (door middel van
                                de leerlingenprognose), en</al></li><li nr="-"><al>de periode van medegebruik in het schoolgebouw waar de leegstand is
                                vastgesteld (wordt op korte termijn een toename van het aantal
                                leerlingen verwacht dan is het de vraag of medegebruik zinvol
                                is).</al></li></lijst><al>De verordening kent geen beperking in het aantal locaties waarnaar bij
                        medegebruik van leegstand kan worden verwezen. Wel hanteert de verordening
                        bij medegebruik een afstandscriterium tussen de hoofdvestiging en de ruimte
                        die in aanmerking komt voor het medegebruik, de zgn. verwijsafstand). </al><al>De verordening maakt geen onderscheid tussen leegstand in een schoolgebouw
                        van scholen van verschillende onderwijssectoren. De leegstand wordt
                        vastgesteld op basis van het verschil tussen de vastgestelde capaciteit
                        (bruto vloeroppervlakte) op grond van bijlage III, deel A, en de voor de
                        school vastgestelde ruimtebehoefte op grond van bijlage III, deel B. Of de
                        berekende genormeerde leegstand ook als leegstaande ruimte geschikt is voor
                        medegebruik wordt afzonderlijk vastgesteld.</al><lijst><li nr="-"><al>Feitelijke leegstand in een school voor basisonderwijsis
                                per definitie geschikt voor medegebruik.</al></li><li nr="-"><al>Ruimten, die een bevoegd gezag met eigen middelen heeft bekostigd,
                                maar waarvoor het college een vergoeding verstrekt (zogenaamde
                                eigendoms- en huurscholen) maken onderdeel uit van de voorzieningen
                                huisvesting onderwijs en komen in aanmerking voor medegebruik.</al></li><li nr="-"><al>Ruimten die een bevoegd gezag volledig met eigen middelen heeft
                                gerealiseerd en waarvoor geen vergoeding van de overheid is
                                ontvangen kunnen niet in medegebruik worden gegeven omdat deze
                                ruimte geen onderdeel uitmaken van de voor het schoolgebouw
                                vastgestelde capaciteit (bijlage III, deel A).</al></li></lijst><al><vet>A.4 en A.8 Investeringskosten bij geschikt maken voor nieuwe
                            bewoner</vet></al><al>In de situatie van het in gebruik nemen van een bestaand gebouw (A.4) en
                        medegebruik (A.8) kan het noodzakelijk zijn dat bouwkundige voorzieningen
                        moeten worden getroffen om het betreffende (school)gebouw geschikt te maken
                        voor de nieuwe bewoner. De investeringskosten van deze investering komen
                        voor rekening van de gemeente.</al><al>A.9 Herstel van constructiefouten</al><al>Herstel van constructiefoutenis een voorziening huisvesting
                        onderwijs. Voordat bekostiging voor een constructiefout wordt toegekend is
                        het van belang vast te stellen dat het daadwerkelijk gaat om een
                        constructiefout en wie verantwoordelijk is voor het ontstaan van de
                        constructiefout. Als sprake is van een ontwerpfout o.i.d. kan de veroorzaker
                        van de constructiefout aansprakelijk worden gesteld voor het herstel. In dit
                        verband speelt ook het moment waarop bekostiging voor een constructiefout
                        wordt aangevraagd een rol. In dit verband heeft de Raad van State
                        uitgesproken dat herstel van riolering waarvoor het schoolbestuur
                        verantwoordelijk was (onder schoolterrein) niet als een constructiefout kan
                        worden aangemerkt maar als regulier onderhoud moet worden gezien. Tussen het
                        moment van het aanleggen van de riolering en het aanvragen van bekostiging
                        lag een periode van 28 jaar. De Raad van State was van oordeel dat, gelet op
                        de levensduur, er op dat moment geen sprake meer kan zijn van een
                        constructiefout, maar dat sprake is van regulier onderhoud.<sup/> Het
                        herstel van een constructiefout is eveneens geen voorziening huisvesting
                        onderwijs en komt voor rekening van het bevoegd gezag als de constructiefout
                        het gevolg is van nalatigheid van het bevoegd gezag (artikel 100, tweede
                        lid, van de WPO)</al><al>A.10 Vervangen of herstel van schade aan gebouw, onderwijsleerpakket en
                        meubilair in geval van bijzondere omstandigheden</al><al>Het bekostigen van vervangen of herstel van schade in geval van bijzondere
                        omstandighedenis van toepassing als het bevoegd gezag
                        geconfronteerd wordt met schade als gevolg van bijv. vandalisme, ruitbreuk,
                        storm, inbraak, brand etc. en deze schade niet is te verhalen op een derde
                        (daderaansprakelijkheid). Bij het bepalen van de omvang van de bekostiging
                        wordt rekening gehouden met de situatie van de school. Bij vervanging na
                        brand kan bijvoorbeeld een totaal afgebrande school worden vervangen door
                        een schoolgebouw met minder bruto vloeroppervlakte als de leerlingenprognose
                        daartoe aanleiding geeft. Ook kan het college in plaats van nieuwbouw een
                        ander schoolgebouw toewijzen. Hiervoor geldt eveneens dat als de schade
                        veroorzaakt wordt door nalatigheid van het bevoegd gezag (bijv. inbraak was
                        mogelijk doordat een raam niet was afgesloten) de kosten voor rekening van
                        het bevoegd gezag komen.</al><al><vet>Deel B</vet><vet> –</vet><vet> Voorzieningen voor lichamelijke
                            oefening</vet></al><al>Tot een ruimte voor bewegingsonderwijs wordt niet alleen gerekend het
                        traditionele lokaal bewegingsonderwijs (= gymnastiekruimten), maar ook het
                        gebruik van de (gemeentelijke) sporthal. Een lokaal bewegingsonderwijs kan
                        juridisch eigendom zijn van de gemeente, het bevoegd gezag, of een
                        derde.</al><al><vet>B.1 Nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding of
                            ingebruikgeving</vet></al><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van een van de gevraagde voorzieningen
                        geldt de afstand tussen het schoolgebouw en het lokaal voor
                        bewegingsonderwijs</al><al>Als vervoer naar een verder weg gelegen lokaal bewegingsonderwijs voor de
                        gemeente financieel een goed alternatief is kan het college besluiten in
                        plaats van een voorziening het vervoer naar het lokaal bewegingsonderwijs te
                        vergoeden. Voordat hierover een besluit wordt genomen voert het college
                        overleg met het bevoegd gezag. Voor het bekostigen van deze voorzieningen
                        geldt de Algemene subsidieverordening gemeente Groningen.</al><al>B.3 Eerste inrichting</al><al>Aanvullend meubilairvoor het inrichten van het lokaal
                        bewegingsonderwijs kan als eerste inrichting worden verstrekt als een
                        bestaand lokaal:</al><lijst><li nr="-"><al>met een te kleine oefenzaal wordt uitgebreid waarbij de oefenzaal
                                wordt vergroot, of</al></li><li nr="-"><al>vervangende nieuwbouw wordt gerealiseerd met een groter lokaal
                                bewegingsonderwijs.</al></li></lijst><al>In deze situaties is de eerste inrichting in het verleden bekostigd voor de
                        toen gerealiseerde oppervlakte en voldoet de bestaande eerste inrichting
                        naar verwachting niet aan de gestelde eisen, respectievelijk is voor deze
                        vernieuwde lokalen bewegingsonderwijs niet eerder de volledige bekostiging
                        eerste inrichting verstrekt.</al><al>B.5 Medegebruik</al><al>De mogelijkheid van medegebruikin een lokaal
                        bewegingsonderwijswordt vastgesteld op basis van het rooster
                        bewegingsonderwijs dat het college heeft vastgesteld voor de scholen voor
                        primair onderwijs.</al><al><vet>Bijlage II</vet><vet> –</vet><vet>Prognosecriteria </vet></al><al>Op grond van de artikelen 7, tweede lid, onder a, en 20, eerste lid, onder
                        c, is het bevoegd gezag verplicht een leerlingenprognose te overleggen als
                        een aanvraag voor het bekostigen van een voorziening huisvesting onderwijs
                        (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding gebouw, eerste inrichting, in gebruik
                        nemen, verplaatsen, terrein en medegebruik wordt ingediend. De
                        leerlingenprognose is de basis voor het beoordelen van de noodzaak van de
                        door de bevoegde gezagsorganen aangevraagde voorziening en van belang voor
                        het vaststellen van de periode waarvoor de voorziening huisvesting onderwijs
                        noodzakelijk is. </al><al><vet>Bijlage III</vet><vet> –</vet><vet> Beoordelingscriteria capaciteit,
                            ruimtebehoefte en </vet><vet>aanvullende ruimtebehoefte</vet></al><al>In bijlage III wordt evenals in bijlage I een onderverdeling per voorziening
                        huisvesting onderwijs gehanteerd. Op verschillen tussen de onderwijssectoren
                        wordt bij de sectoren afzonderlijk ingegaan.</al><al>Bij het vaststellen van de onderwijscapaciteit van het schoolgebouw die
                        wordt geregistreerd wordt geen rekening gehouden met de m<sup>2</sup> bruto
                        vloeroppervlakte die een bevoegd gezag voor eigen rekening heeft
                        gerealiseerd, waar dus geen (rijks)vergoeding voor is verstrekt. Deze
                        capaciteit wordt wel geregistreerd.</al><al><vet>Deel A</vet><vet> –</vet><vet> Vaststellen capaciteit</vet></al><al>De capaciteit van een (school)gebouw wordt vastgesteld in m<sup>2</sup>
                        bruto vloeroppervlakte. Op basis van de vastgestelde capaciteit kan worden
                        beoordeeld of het (school)gebouw:</al><lijst><li nr="a."><al>te maken heeft met leegstand, of</al></li><li nr="b."><al>moet worden uitgebreid omdat er een tekort aan capaciteit is
                                (aanvullende ruimtebehoefte, deel C).</al></li></lijst><al>De bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw wordt door het college
                        opgenomen in de gemeentelijke administratie, omdat dit gegeven van wezenlijk
                        belang is voor het uitvoeren van de verordening. Mutaties die plaatsvinden
                        (nieuwbouw, vervangende nieuwbouw, uitbreiding etc.) moeten op grond van
                        artikel 5 van de verordening door de bevoegde gezagsorganen aan het college
                        worden doorgegeven. Door het vastleggen van deze mutaties in de
                        gemeentelijke administratie beschikt het college over de meest actuele bruto
                        vloeroppervlakte van de (school)gebouwen. De bruto vloeroppervlakte is een
                        gegeven dat wordt bepaald aan de hand van deel E, de meetinstructie voor het
                        vaststellen van de bruto vloeroppervlakte van schoolgebouwen.</al><al>Bij het vaststellen van de capaciteit kan vastgesteld worden dat als gevolg
                        van de indeling van het schoolgebouw de vastgestelde capaciteit niet
                        volledig geschikt is voor medegebruik (bijv. een gangenschool). Het
                        schoolgebouw is dan ‘overgedimensioneerd’ als gevolg van een onevenwichtige
                        indeling van het schoolgebouw. Op dat moment kan het bevoegd gezag het
                        college vragen om de capaciteit lager vast te stellen. Het college neemt
                        over dit verzoek een besluit. Besluit het college aan het verzoek van het
                        bevoegd gezag te voldoen, dan registreert het college zowel de totale bruto
                        vloeroppervlakte van het schoolgebouw en de bruto vloeroppervlakte die
                        geschikt is als op minder onderwijscapaciteit. Op het moment dat het college
                        een aanvraag voor het bekostigen van uitbreiding van het schoolgebouw
                        ontvangt stelt het college vast of het mogelijk is de gevraagde uitbreiding
                        geheel of gedeeltelijk inpandig te realiseren waardoor de
                        ‘overdimensionering’ van het schoolgebouw wordt verminderd.</al><al><vet>A.1.2 en A.1.3 Dislocaties</vet></al><al>Als de school is gehuisvest in meerdere gebouwen wordt gesproken van
                        huisvesting in een hoofdgebouw en een of meer dislocaties. Daalt het aantal
                        leerlingen zodanig dat het gebruik van een van de locaties kan worden
                        beëindigd, dan is het in eerste instantie aan het bevoegd gezag een besluit
                        te nemen over de locatie die buiten gebruik wordt gesteld en wordt
                        overgedragen aan het college, tenzij een van de locaties een gebouw is
                        waarvoor het college een huurvergoeding betaalt. Een schoolgebouw waarvoor
                        het college een huurvergoeding betaalt wordt als eerste buiten gebruik
                        gesteld. Als het college van mening is dat het buiten gebruik stellen van
                        een ander schoolgebouw de voorkeur heeft, dan vindt overleg plaats tussen
                        het bevoegd gezag en het college.</al><al><vet>A.1.4 Terrein </vet></al><al>De terreinoppervlakte waarop het schoolgebouw staat is gelijk aan de grootte
                        van het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Het kan voorkomen
                        dat de kadastrale perceelgrenzen niet overeenkomen met de grenzen van het
                        schoolterrein. Oorzaak is vaak dat de terreinoppervlakte van het openbaar
                        groen en eventueel andere openbare gebouwen samen met het schoolterrein als
                        een geheel is geregistreerd. In die situatie wordt voor het schoolgebouw het
                        met overheidsmiddelen bekostigde deel van de terreinoppervlakte
                        vastgelegd.</al><al><vet>A.1.5 Inventaris </vet></al><al>Het vaststellen van het aantal leerlingen waarvoor eerste inrichting is
                        bekostigd is noodzakelijk voor het beoordelen van een aanvraag voor het
                        bekostigen uitbreiding van eerste inrichting. Evenals geldt voor het
                        schoolgebouw is de uitbreiding van de eerste inrichting gekoppeld aan de
                        uitbreiding met het aantal m<sup>2</sup> bruto vloeroppervlakte.
                        Uitgangspunt is dat op <vet>1 januari 2015</vet> de eerste inrichting is
                        bekostigd waarop het bevoegd gezag tot die datum aanspraak maakte.</al><al><vet>A.1.6 Loka</vet><vet>len</vet><vet> bewegingsonderwijs </vet></al><al>Het vaststellen van de capaciteit van het lokaal bewegingsonderwijs is van
                        belang om te kunnen vaststellen of het aantal klokuren voor een school voor
                        basisonderwijs kan worden ingeroosterd.</al><al><vet>A</vet><vet>.1.6.2 Terrein</vet></al><al>De terreinoppervlaktevan een lokaal bewegingsonderwijs is gelijk
                        aan de grootte van het perceel zoals dit bij het Kadaster is vastgelegd. Of
                        de terreinoppervlakte van het lokaal bewegingsonderwijs afzonderlijk wordt
                        geregistreerd is afhankelijk van de ligging van het lokaal
                        bewegingsonderwijs. Als het lokaal bewegingsonderwijs:</al><lijst><li nr="-"><al>inpandig in het schoolgebouw is gerealiseerd maakt het onderdeel uit
                                van de terreinoppervlakte van het schoolgebouw; </al></li><li nr="-"><al>als aanbouw van het schoolgebouw, of als afzonderlijk gebouw is
                                gerealiseerd op het terrein van het bevoegd gezag wordt het
                                afzonderlijk geregistreerd;</al></li><li nr="-"><al>ligt op een afzonderlijk terrein wordt het afzonderlijk
                                geregistreerd;</al></li><li nr="-"><al>onderdeel uitmaakt van een school voor voortgezet onderwijs en ligt
                                op hetzelfde terrein als het schoolgebouw, dan wordt het niet
                                afzonderlijk geregistreerd.</al></li></lijst><al><vet>A.1.6.3 Inventaris</vet></al><al>De eerste inrichting van het lokaal bewegingsonderwijs die bekostigd is
                        wordt geacht voldoende te zijn om te voldoen aan de gesteld eisen van het
                        bewegingsonderwijs.</al><al><vet>Deel B</vet><vet> –</vet><vet> Vaststellen ruimtebehoefte</vet></al><al>Voor het vaststellen van de ruimtebehoefte is bepalend het aantal leerlingen
                        dat op de teldatum 1 oktober voorafgaande aan het indienen van de aanvraag
                        op de school aanwezig is. Op basis van het aantal leerlingen wordt de bruto
                        vloeroppervlakte (= ruimtebehoefte) vastgesteld. Op basis van de uitkomst
                        van de leerlingenprognose wordt vastgesteld voor welke periode deze
                        ruimtebehoefte noodzakelijk is. </al><al><vet>B.1 Lesgebouwen</vet></al><al>De ruimtebehoefte voor een school voor basisonderwijs wordt gebaseerd op het
                        aantal leerlingen vermenigvuldigd met een m<sup>2</sup> bruto
                        vloeroppervlakte per leerling. </al><al><vet>B.1.1 School voor basisonderwijs </vet></al><al>De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs is opgebouwd uit de
                        basisruimtebehoefte en de aanvullende ruimtebehoefte. De basisruimtebehoefte
                        bestaat uit de vaste voet (200 m<sup>2</sup>) en de som van het aantal
                        ongewogen leerlingen dat op de school voor basisonderwijs is ingeschreven
                        vermenigvuldigd met 5,03 m<sup>2</sup> per leerling. Op aanvullende
                        ruimtebehoefte bestaat aanspraak als op de school ‘gewichtenleerlingen’
                        staan ingeschreven. De aanvullende ruimtebehoefte is afhankelijk van de
                        ‘gewichtensom’. De som van de basisruimtebehoefte en de aanvullende
                        ruimtebehoefte is de totale ruimtebehoefte.</al><al><vet>B.2 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al>De ruimtebehoefte van een lokaal bewegingsonderwijs is afhankelijk van het
                        totaal aantal klokuren of lesuren dat in het lokaal bewegingsonderwijs is
                        ingeroosterd. De ruimtebehoefte van de school voor basisonderwijs is
                        afhankelijk van het aantal gymgroepen. Het aantal gymgroepen voor de school
                        voor basisonderwijs is afhankelijk van het aantal formatieplaatsen. Om het
                        aantal formatieplaatsen te bepalen wordt de splitsingstabel gehanteerd die
                        het college hanteert bij het vaststellen van de materiele vergoeding.
                        Beschikt de school voor basisonderwijs niet over een speellokaal, dan
                        bestaat aanspraak op gebruik van een lokaal bewegingsonderwijs door de
                        leerlingen in de leeftijd van 4 en 5 jaar. Hierop bestaat geen aanspraak als
                        de school voor basisonderwijs binnen de genormeerde bruto vloeroppervlakte
                        geen speellokaal heeft gerealiseerd.</al><al><vet>Deel C</vet><vet> –</vet><vet> Vaststellen aanvullende
                            ruimtebehoefte</vet></al><al>De aanvullende ruimtebehoefte wordt in de volgende stappen vastgesteld:</al><lijst><li nr="-"><al>stap 1 vastgestelde capaciteit (deel A)</al></li><li nr="-"><al>stap 2 vastgestelde ruimtebehoefte (deel B)</al></li><li nr="-"><al>stap 3 vaststellen aanvullende ruimtebehoefte = saldo capaciteit –
                                vastgestelde ruimtebehoefte</al></li><li nr="-"><al>stap 4 vaststellen of saldo van stap 3 gelijk of groter is dan de
                                drempelwaarde<sup/></al></li><li nr="-"><al>stap 5 is de uitkomst van stap 4:</al></li><li nr="-"><al>lager dan de drempelwaarde, dan bestaat geen aanspraak op bekostigen
                                voorziening,</al></li><li nr="-"><al>gelijk of groter dan de drempelwaarde, dan bestaat aanspraak op het
                                bekostigen van een voorziening op basis van de uitkomst van stap
                                3.</al></li></lijst><al>Een school voor basisonderwijs maakt geen aanspraak op extra bruto
                        vloeroppervlakte voor een speellokaal, omdat deze bruto vloeroppervlakte is
                        geïntegreerd in de vaste voet en bruto vloeroppervlakte per leerling. Heeft
                        de school voor basisonderwijs binnen de genormeerde bruto vloeroppervlakte
                        geen speellokaal gerealiseerd dan bestaat geen aanspraak op gebruik van een
                        lokaal bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 wegens het ontbreken van
                        een speellokaal. In deze situatie kan de school voor basisonderwijs een
                        lokaal bewegingsonderwijs door de groepen 1 en 2 alleen gebruiken als het
                        college hiervoor toestemming verleend, binnen het lokaal bewegingsonderwijs
                        de noodzakelijke capaciteit beschikbaar is en het bevoegd gezag bereid is
                        een huurvergoeding te betalen. </al><al>Bij een aanvraag voor het bekostigen van de voorziening onderwijshuisvesting
                        uitbreiding wordt vastgesteld of gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om
                        de capaciteit van het schoolgebouw lager vast te stellen dan de feitelijke
                        bruto vloeroppervlakte van het schoolgebouw (zie toelichting deel A). Heeft
                        deze situatie zich voorgedaan, dan wordt in de berekening voor het
                        vaststellen van het aantal m<sup>2</sup> uitbreiding van het schoolgebouw
                        bekeken of het verschil tussen de feitelijk aanwezige capaciteit en de
                        geregistreerde capaciteit kan worden opgeheven resp. verminderd. Doet deze
                        situatie zich voor, dan geldt als uitgangspunt voor het ontwerpen van een
                        bouwplan dat de toegekende uitbreiding in eerste instantie moet leiden tot
                        het verminderen van de zgn. verschiloppervlakte. Dit kan leiden tot het
                        toekennen van een interne aanpassing of beperkte uitbreiding in combinatie
                        met een interne aanpassing van het schoolgebouw. De definitieve keuze is
                        afhankelijk van de investeringskosten die moeten blijken uit een
                        vergelijking tussen de investeringskosten van uitsluitend de aanpassing en
                        de investeringskosten van een combinatie van aanpassing met een eventuele
                        (beperkte) uitbreiding. Op het moment dat wordt vastgesteld dat de
                        investeringskosten van de aanpassing hoger zijn dan de investeringskosten
                        van een (beperkte) uitbreiding van het gebouw kan worden besloten het gebouw
                        uit te breiden. </al><al><vet>C.1 en C.2 Voor blijvend en tijdelijk gebruik bestemde
                            voorzieningen</vet></al><al>Bij het toekennen van ruimtebehoefte wordt onderscheid gemaakt in voor
                        tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen en voor blijvend gebruik bestemde
                        voorzieningen. De keuze tussen voor tijdelijk of permanent is afhankelijk
                        van de verwachte periode dat de voorziening noodzakelijk is. Bij een periode
                        van:</al><lijst><li nr="-"><al>korter dan 4 jaar, dan in principe geen toekenning;</al></li><li nr="-"><al>4 jaar tot 15 jaar, dan toekennen van voor tijdelijk gebruik
                                bestemde huisvesting;</al></li><li nr="-"><al>langer dan 15 jaar, dan toekennen van voor blijvend gebruik bestemde
                                huisvesting.</al></li></lijst><al><vet>C.3 Overige voor blijvend gebruik of voor tijdelijk gebruik bestemde
                            voorzieningen</vet></al><al>De mogelijkheid van ingebruikneming is afhankelijk van de vastgestelde
                        ruimtebehoefte in relatie tot de capaciteit van het schoolgebouw.
                        Afhankelijk van de benodigde capaciteit kan een gebouw volledig dan wel
                        gedeeltelijk in gebruik worden gegeven.</al><al>De mogelijkheid van medegebruik is afhankelijk van de vastgestelde leegstand
                        in het schoolgebouw en in relatie tot de vastgestelde ruimtebehoefte en de
                        afstand tussen de hoofdvestiging en de vestiging waar het medegebruik kan
                        worden gerealiseerd.</al><al>De omvang van het terrein heeft betrekking op zowel de ondergrond van het
                        schoolgebouw als het aangrenzende speelterrein. De minimaal noodzakelijke
                        oppervlakte voor een school voor basisonderwijsis opgenomen in
                        deel D. Tot het terrein behoren niet de eventueel noodzakelijke
                        parkeerplaatsen, of de ruimte voor een kiss-en-ride-strook. </al><al>De omvang van de eerste aanschaf van onderwijsleerpakket of de uitbreiding
                        is gekoppeld aan de voorziening nieuwbouw of uitbreiding. Wordt een van deze
                        voorzieningen toegekend, of een alternatief (bijv. ingebruikgeving,
                        medegebruik), dan ontstaat aanspraak op bekostiging van deze
                        voorziening.</al><al><vet>C.4 Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al>De bepalingen rond de verschillende voorzieningen huisvesting onderwijs die
                        betrekking hebben op het lokaal bewegingsonderwijs zijn gelijk aan de
                        bepalingen die van toepassing zijn op het toekennen van voorzieningen voor
                        schoolgebouwen. </al><al><vet>Deel D</vet><vet> –</vet><vet> Minimumnormen bij het realiseren van
                            nieuwe voorzieningen </vet></al><al>In de verordening zijn uitsluitend minimumnormen opgenomen. Het is aan het
                        bevoegd gezag om de ruimten en indeling van het schoolgebouw te bepalen.
                        Daarbij moet het bevoegd gezag wel voldoen aan de eisen van het
                        Bouwbesluit.</al><al><vet>Bijlage IV</vet><vet> –</vet><vet> Normbedragen voor vergoeding en
                            indexering</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Artikel 102, derde lid, van de WPOverplicht de gemeenteraad normen
                        vast te stellen voor het bekostigen van de voorzieningen huisvesting
                        onderwijs die worden toegekend. Bijlage IV is de uitwerking van deze
                        artikelen en deze bijlage heeft een relatie met artikel 4 van de
                        verordening, waarin is opgenomen welke voorzieningen worden bekostigd op
                        basis van normbedragen </al><al>Naast het bekostigen van de genoemde voorzieningen onderwijshuisvesting is
                        de gemeente verantwoordelijk voor het bekostigen van de onroerend zaak
                        belasting (artikel 133 van de WPO<cursief>).</cursief> Het bedrag dat de
                        gemeente voor de OZB moet bekostigen is gelijk aan het bedrag van de
                        opgelegde aanslag.</al><al><vet>Deel A</vet><vet> –</vet><vet> Indexering</vet></al><al>De normbedragen moeten jaarlijks worden aangepast aan het dan geldende
                        prijspeil. Met het bijstellen aan de hand van een indexcijfer wordt het
                        normbedrag op een actueel prijspeil gebracht. De verordening hanteert het
                        MEV-prijsindexcijfer dat jaarlijks, gelijktijdig met de miljoenennota, wordt
                        gepubliceerd. Het vaststellen van de nieuwe normbedragen is door de
                        gemeenteraad gedelegeerd aan het college (artikel 32 van de
                        verordening).</al><al><vet>Deel B</vet><vet> –</vet><vet> Normbedragen</vet></al><al><vet>Vergoeding voorbereidingskrediet</vet></al><al>In de artikelen 3, 4, 7 en 15 van de verordening is de mogelijkheid
                        opgenomen om een voorbereidingskrediet aan te vragen en toe te kennen. Het
                        voorbereidingskrediet wordt gebaseerd op een [<vet>percentage</vet>] van het
                        normbedrag zoals opgenomen in deze bijlage, of op [<vet>percentage</vet>]
                        van het geraamde bedrag van de feitelijke kosten. Nadat het definitieve
                        bedrag van de bekostiging is vastgesteld wordt bij het beschikbaar stellen
                        van de vergoeding het al beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet in
                        mindering gebracht op het bedrag van de vastgestelde bekostiging. </al><al><vet>A en B. Nieuwbouw en uitbreiding met permanente
                            bouw</vet><vet>aard</vet></al><al>De opgenomen normbedragen omvatten alle bijkomende kosten, zoals eventuele
                        kosten voor fundering, aansluitkosten, terreininrichting en dergelijke en
                        zijn incl. BTW.</al><al>De hoogte van de normvergoeding is voor:</al><al>-een school voor basisonderwijs,een speciale school voor
                        basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal
                            onderwijsopgebouwduit
                        een:</al><al>1) startbedrag, inclusief een aantal m2 bruto vloeroppervlakte<cursief>
                            en</cursief></al><al><cursief>2) </cursief>bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte<cursief>,
                        </cursief>welk bedrag voor een school voor speciaal onderwijs of voortgezet
                        speciaal onderwijs afhankelijk is van de onderwijssector].</al><al>-een school voor voortgezet onderwijs opgebouwd uit een:</al><al>1) vaste voet (hoofdvestiging en nevenvestiging met spreidingsnoodzaak)</al><al>2) bedrag per m2 bruto vloeroppervlakte, afhankelijk van de toegekende bruto
                        vloeroppervlakte en toegekende ruimtesoort (lokaal specifiek en sectie
                        specifiek).</al><al>De normvergoeding ‘uitbreiding’ voor een school voor voortgezet onderwijs
                        wordt als volgt vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>per ruimtesoort bepalen het verschil tussen bestaande capaciteit
                                bruto vloeroppervlakte en toegekende uitbreiding bruto
                                vloeroppervlakte;</al></li><li nr="b."><al>per ruimtesoort berekenen de vergoeding op basis van het onder a
                                vastgestelde verschil in capaciteit, en</al></li><li nr="c."><al>vaststellen de hoogte van de vergoeding.</al></li></lijst><al>Deze berekening is noodzakelijk omdat een uitbreiding van een school voor
                        voortgezet onderwijs enerzijds bestaande ruimten in het schoolgebouw moeten
                        worden uitgebreid en anderzijds mogelijk bestaande ruimten in bruto
                        vloeroppervlakte kunnen worden teruggebracht.</al><al>Naast de genoemde normbedragen voor de stichtingskosten kunnen, afhankelijk
                        van de toe te kennen voorziening, aanvullende vergoedingen worden toegekend
                        voor bijv. fundering, inrichting van het terrein, het realiseren van een
                        speellokaal en sloopkosten. Kosten voor de verwerving van een terrein zijn
                        niet opgenomen, aangezien deze kosten afhankelijk van de ligging sterk
                        kunnen variëren.</al><al><vet>A.2</vet><vet> Kosten voor terreinen</vet></al><al>De gemeente moet de grond bouw- en woonrijp opleveren. Dit betekent dat alle
                        kosten die verband houden met het bouw- en woonrijp maken (aankoop,
                        aanleggen riolering, schoongrond verklaring, bestrating et cetera) voor
                        rekening van de gemeente komen</al><al><vet>C. Tijdelijke voorziening</vet></al><al>Een tijdelijk gebouw kan worden gerealiseerd in de vorm van nieuwbouw, of
                        door middel van huur van een tijdelijke voorziening of bestaande huisvesting
                        (een tijdelijke accommodatie kan ook betrekking hebben op een semipermanent
                        gebouw). De keuze tussen aankoop en huur van tijdelijke huisvesting is
                        afhankelijk van aspecten als de verwachte gebruiksduur, verwerving van
                        eigendom en multifunctioneel gebruik. Tijdelijke lokalen kunnen noodzakelijk
                        zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>als eerste voorziening (nieuwbouw);</al></li><li nr="-"><al>voor het uitbreiden van een permanent hoofdgebouw, en</al></li><li nr="-"><al>voor het uitbreiden van een bestaande accommodatie.</al></li></lijst><al>De keuze tussen huur of koop van tijdelijke huisvesting in plaats van het
                        realiseren van permanente huisvesting wordt gebaseerd op de uitkomst van een
                        vergelijking tussen de kosten van:</al><lijst><li nr="-"><al>tijdelijke huisvesting in relatie tot de kosten van een permanente
                                voorziening, en</al></li><li nr="-"><al>aankoop van tijdelijke huisvesting in relatie met de kosten van huur
                                van tijdelijke huisvesting,</al></li></lijst><al>waarbij in beide vergelijkingen rekening moet worden gehouden met de kosten
                        van het plaatsen en het in de toekomst verwijderen van de te huren resp. aan
                        te kopen lokalen.</al><al>Afhankelijk van de uitkomst van de berekening kan de conclusie zijn dat
                        gelet op de:</al><lijst><li nr="-"><al>kosten van de tijdelijke huisvesting in vergelijking met de kosten
                                van de permanente huisvesting alsnog bekostiging voor permanente
                                bouw wordt toegekend (dit speelt vooral als de tijdelijke
                                huisvesting naar verwachting voor lange termijn noodzakelijk
                                is);</al></li><li nr="-"><al>korte periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is een
                                huurvergoeding wordt toegekend, of</al></li><li nr="-"><al>periode waarvoor de voorziening noodzakelijk is, wordt overgegaan
                                tot koop van een tijdelijk gebouw omdat dit goedkoper is dan
                                huur.</al></li></lijst><al><vet>D. Eerste inrichting</vet></al><al>De vergoeding voor de eerste inrichting van een school voor
                        basisonderwijs,een speciale school voor basisonderwijs, een school
                        voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs] bestaat uit een
                        basisbedrag en een bedrag per m<sup>2</sup>. [Bij een school voor speciaal
                        onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs wordt zowel bij het basisbedrag
                        als het bedrag per m<sup>2</sup> onderscheid gemaakt naar
                        onderwijssoort.</al><al>Voor het voortgezet onderwijs wordt bij (vervangende) nieuwbouw het bedrag
                        van de bekostiging eerste inrichting waarop de school voor voortgezet
                        onderwijs aanspraak maakt op gelijke wijze berekend als de berekening van
                        vergoeding bouwkosten(vervangende) nieuwbouw. Aanvullende
                        bekostiging eerste inrichting leer- en hulpmiddelen is niet in alle gevallen
                        noodzakelijk:</al><lijst><li nr="-"><al>als een school goedkope ruimte (bijv. algemene ruimte) moet ombouwen
                                voor dure ruimte (bijv. werkplaats of specifieke ruimte) wordt het
                                verschil in inventariskosten gecompenseerd;</al></li><li nr="-"><al>als een school een werkplaats of specifieke ruimte ombouwt tot
                                algemene ruimte ontstaat de omgekeerde situatie, in principe wordt
                                de school gekort op het bedrag voor inventaris. Als deze situatie
                                zich voordoet wordt vastgesteld dat de school een hoger bedrag aan
                                bekostiging heeft ontvangen dan waarop het volgens de verordening
                                aanspraak maakt. Dit verschil wordt geregistreerd.</al></li></lijst><al><vet>E. Lokalen bewegingsonderwijs</vet></al><al>De normbedragen voor de lokalen bewegingsonderwijs zijn onderverdeeld in
                        bedragen voor:</al><lijst><li nr="-"><al>nieuwbouw;</al></li><li nr="-"><al>uitbreiding, en</al></li><li nr="-"><al>eerste inrichting met onderwijsleerpakket/meubilair.</al></li></lijst><al><vet>F. Vergoeding feitelijke kosten</vet></al><al>Voor het vaststellen van de vergoeding op basis van de feitelijke kosten
                        wordt onderscheid gemaakt in de voorzieningen genoemd in artikel 2, onder a,
                        en de voorzieningen genoemd in artikel 2, onder b en c. In de
                        kostenbegroting van de eerstgenoemde voorzieningen zijn opgenomen de kosten
                        van de architect en het bouwkundig toezicht. Deze kosten maken geen
                        onderdeel uit van de ontvangen offertes voor het herstel als gevolg van een
                        constructiefout of andere schade. Ook bij het vaststellen van deze niet
                        genormeerde kosten moet rekening worden gehouden met de kosten van
                        technische advisering.<sup/></al></bijlage></regeling></body></cvdr>