<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR347575_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Participatiewet, Ioaw en Ioaz Schiermonnikoog            2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schiermonnikoog</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schiermonnikoog</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">www.overheid.nl</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie Participatiewet, Ioaw en Ioaz Schiermonnikoog 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035333">Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044">Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163">Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Participatiewet</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegenprestatie Participatiewet, Ioaw en Ioaz Schiermonnikoog
            2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Schiermonnikoog,</al><al>Gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet,
                        artikel 35, eerste lid, onderdeel e van de Wet Inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de Wet
                        Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen;</al><al>B E S L U I T </al><al>vast te stellen de </al><al>Verordening tegenprestatie Participatiewet, Ioaw en Ioaz Schiermonnikoog
                        2015</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>-</lidnr><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is
                            redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is
                            redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>mantelzorg: mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet
                            maatschappelijke ondersteuning 2015.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                        additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                        werkzaamheden:</al><lijst><li nr="a)"><al>naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                arbeidsmarkt,</al></li><li nr="b)"><al>niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument,</al></li><li nr="c)"><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid, en </al></li><li nr="d)"><al>die niet leiden tot verdringing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende met een grote afstand tot de
                            arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende met een korte afstand tot de
                            arbeidsmarkt uitsluitend een tegenprestatie opdragen indien bijzondere
                            omstandigheden dat rechtvaardigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college in ieder geval
                            rekening met de volgende factoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende
                                    worden in overweging genomen;</al></li><li nr="b."><al>de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden
                                    verricht;</al></li><li nr="c."><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden moeten in
                                    aanmerking worden genomen;</al></li><li nr="d."><al>met lopende activiteiten of vrijwilligerswerk kan rekening
                                    worden gehouden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende
                        mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het
                        oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>De duur en omvang van de tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegenprestatie kan worden opgedragen voor de maximale duur van twaalf
                            maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal zestien uren per week.
                        </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan besluiten om af te wijken van de in het eerste en tweede
                            lid gestelde (maximale duur en uren). Het college zal hierbij rekening
                            houden met de volgende factoren, bedoeld in artikel 3, derde lid van
                            deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De tegenprestatie kan na oplegging van de maximale duur bedoeld in het
                            eerste lid binnen een periode van zes maanden niet weer worden
                            opgedragen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Beleidsregels</titel></kop><al>Het college kan aanvullend beleidsregels opstellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie
                        Participatiewet, Ioaw en Ioaz Schiermonnikoog 2015.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 16 december 2014.</ondertekening><ondertekening>J.Stellinga, voorzitter</ondertekening><ondertekening>S.T. van der Zwaag, griffier</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Algemene toelichting</al><al>Het college is bevoegd een ontvanger van een uitkering op grond van de
                        Participatiewet, de Ioaw of de Ioaz te verplichten naar vermogen een
                        tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct
                        samenhangt met arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar of
                        ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van
                        melding gehouden naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is
                        vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet en
                        artikel 34 van de Ioaz en artikel 34 van de Ioaz. De tegenprestatie bestaat
                        uit de plicht om naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde
                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling
                        op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. </al><al>Individuele omstandigheden </al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                        voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard,
                        de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie.
                        Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht
                        nemen. Als het college een belanghebbende een tegenprestatie opdraagt, moet
                        het een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden.
                        Het moet voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie
                        van hem verwacht wordt (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr.
                        12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al>Geen tegenprestatie </al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                        college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht
                        tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                        Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                        belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in
                        artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                        lid, van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet
                        van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een
                        ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet
                        (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet). </al><al>Afstemmen </al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting
                        geldt voor het niet nakomen van de tegenprestatie dat de bijstand kan worden
                        afgestemd overeenkomstig de gemeentelijke afstemmingsverordening. </al><al>Bevoegdheid opdragen tegenprestatie </al><al>De bevoegdheid van het college om een belanghebbende te verplichten naar
                        vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De
                        regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een
                        gelegenheid is om te blijven participeren in de samenleving en om een
                        sociaal netwerk, arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de
                        regering ook noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te
                        vergroten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29). </al><al>Tegenprestatie is geen re-integratie instrument </al><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                        werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het
                        ontvangen van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet
                        primair tot doel de re-integratie van een belanghebbende te bevorderen, maar
                        moet worden gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving (TK
                        2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49-50). De tegenprestatie is daarom naar zijn
                        aard niet gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als
                        re-integratie instrument. Voorts mag een tegenprestatie het accepteren van
                        passende arbeid of van re-integratie inspanningen niet belemmeren. Immers,
                        als uitgangspunt geldt werk boven uitkering. </al><al>Verordeningsplicht </al><al>De Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij
                        verordening regels vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie
                        aan mensen met een bijstandsuitkering in de leeftijd van 18 jaar tot de
                        pensioengerechtigde leeftijd. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in
                        artikel 8a, eerste lid, onderdeel b Participatiewet, artikel 35, eerste lid
                        onder e van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35, eerste lid, onderdeel
                        e van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        gewezen zelfstandigen. Het is aan de gemeente om de duur, omvang en inhoud
                        van de tegenprestatie te regelen (zie TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p.
                        6).</al><al>Ontwikkelen beleid door college </al><al>Het college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het
                        verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig de
                        verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel
                        c, van de Participatiewet.</al><al> Artikelsgewijze toelichting</al><al>Artikel 1. Begrippen </al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Ioaw en Ioaz, de
                        Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                        gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing
                        op deze verordening. </al><al>Korte afstand tot de arbeidsmarkt </al><al>Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                        redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                        arbeidsmarkt. Dit begrip is van belang in verband met de mogelijkheid tot
                        het opdragen van een tegenprestatie. Zie hierover artikel 3 van deze
                        verordening. </al><al>Grote afstand tot de arbeidsmarkt </al><al>Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                        redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                        arbeidsmarkt. Dit begrip is van belang in verband met de mogelijkheid tot
                        het opdragen van een tegenprestatie. Zie hierover artikel 3 van deze
                        verordening. </al><al>Mantelzorg </al><al>In de WMO 2015 (Stb. 2014, 280) is mantelzorg gedefinieerd als hulp ten
                        behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang,
                        jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige
                        diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit
                        uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend
                        in het kader van een hulpverlenend beroep.</al><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals neergelegd
                        in de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier belangrijkste
                        kenmerken van mantelzorg zijn: </al><lijst><li nr="1."><al>er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                                zorgverlener;</al></li><li nr="2."><al>mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband;</al></li><li nr="3."><al>het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze;</al></li><li nr="4."><al>het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar.</al></li></lijst><al>Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg van
                        huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitvoering van de Wet
                        maatschappelijke ondersteuning hanteren gemeenten veelal het protocol
                        Gebruikelijke Zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg om vast te stellen
                        of sprake is van gebruikelijke zorg. Voor de uitleg van wat onder
                        gebruikelijke zorg kan worden aangesloten bij de definitie van gebruikelijke
                        zorg in het protocol Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke zorg wordt in dat
                        Protocol als volgt omschreven: de normale, dagelijkse zorg die partners of
                        ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat
                        ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een
                        gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat
                        huishouden. </al><al>Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK 2004-2005, 30
                        169, nr. 1 (Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK 2005-2006, 30 131, nr.
                        C. </al><al>Artikel 2. Inhoud van een tegenprestatie </al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                        voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard,
                        de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie.
                        Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht
                        nemen. </al><al>Het college dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van werkzaamheden.
                        Rekening moet worden gehouden met de individuele omstandigheden van
                        belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en andere
                        relevante persoonlijke omstandigheden. De werkzaamheden worden immers
                        opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in
                        staat is de werkzaamheden te verrichten.</al><al>Als het college onbeloonde werkzaamheden vraagt van belanghebbende, moet het
                        een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het
                        moet voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van
                        hem wordt verwacht (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr.
                        12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al>In dit artikel is bepaald dat het onbeloonde werk additioneel van aard is.
                        De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie
                        dienen zich te onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere
                        arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde
                        werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en van
                        keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de overheid
                        worden gemaakt. Het ontvangen van een onkostenvergoeding geldt daarbij
                        ondanks de ontvangst als onbetaalde werkzaamheden. Denk bijvoorbeeld aan
                        vrijwilligerswerk.</al><al>Het college is niet beperkt in het aanwijzen van het soort werkzaamheden die
                        als tegenprestatie kunnen worden ingezet. Hierdoor kan het college snel
                        inspelen op nieuwe activiteiten die als werkzaamheden kunnen worden ingezet
                        zonder dat wijziging van de verordening noodzakelijk is. </al><al>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing</al><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van re-integratie. De
                        tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar de
                        arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als re-integratie instrument. Het
                        betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op
                        reguliere arbeid die niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
                        Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden
                        ingezet. De onbeloonde werkzaamheden mag het accepteren van passende arbeid
                        of van re-integratie niet belemmeren. Het uitgangspunt is werk boven
                        uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c,
                        van de Participatiewet en de parlementaire geschiedenis. (zie TK 2010-2011,
                        32 815, nr. 3, p.14)</al><al>Artikel 3. Het opdragen van een tegenprestatie </al><al>De gemeente kiest ervoor om de tegenprestatie in beginsel op te dragen aan
                        een belanghebbende die een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Mensen
                        met een korte afstand tot de arbeidsmarkt kunnen zich in de eerste plaats
                        richten op de arbeidsplicht en de re-integratieplicht, zoals het naar
                        vermogen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen. </al><al>Bij mensen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt mag worden verwacht dat
                        hun inspanningen eerder zullen leiden tot uitstroom. Daarom wordt aan mensen
                        met een korte afstand tot de arbeidsmarkt minder aangedrongen op het
                        verrichten van onbeloonde maatschappelijke activiteiten. De onbeloonde
                        werkzaamheden mogen immers het accepteren van passende arbeid of
                        re-integratie inspanningen niet belemmeren: werk gaat boven uitkering. </al><al>Binnen deze groep kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie waarin
                        geen re-integratieactiviteiten worden verricht door belanghebbende en het
                        verrichten van re-integratieactiviteiten op korte termijn redelijkerwijs
                        niet kan worden verwacht. In dat geval bestaat er ruimte voor het opleggen
                        van onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten. </al><al>Geen tegenprestatie </al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                        college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht
                        tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                        Participatiewet). </al><al>De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van
                        toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
                        is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
                        (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet) De verplichting tot
                        tegenprestatie is niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het
                        bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                        Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet). </al><al>Factoren opdragen tegenprestatie </al><al>In artikel 3, derde lid, van deze verordening is neergelegd met welke
                        factoren het college rekening moet houden bij het opdragen van een
                        tegenprestatie. Deze factoren worden hierna toegelicht. </al><al>Tegenprestatie 'naar vermogen' </al><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar vermogen
                        door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar vermogen'
                        heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een belanghebbende beschikt om
                        deze werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle onbeloonde
                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan elke
                        uitkeringsgerechtigde.</al><al>Persoonlijke situatie en individuele omstandigheden belanghebbende </al><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de
                        persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende,
                        waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring. (Rechtbank
                        Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).
                        Hierbij wordt rekening gehouden met het fysieke en psychische vermogen van
                        een belanghebbende. Bij het opdragen van de tegenprestatie dient het college
                        maatwerk te leveren. </al><al>Persoonlijke wensen en kwaliteiten belanghebbende </al><al>Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het college
                        rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende. De
                        regering vindt het immers belangrijk dat een belanghebbende invloed heeft op
                        de keuze van de activiteiten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47).
                        Belanghebbende kan zelf ideeën aandragen voor de als tegenprestatie te
                        verrichten werkzaamheden. Het college kan in beleidsregels bepalen wanneer
                        een belanghebbende zijn keuze voor het verrichten van maatschappelijk
                        nuttige activiteit kenbaar maakt aan het college. Het college beoordeelt de
                        door belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan besluiten om het voorstel
                        van belanghebbende over te nemen en die werkzaamheden in te zetten als
                        tegenprestatie. Uiteraard moet die werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij
                        of krachtens artikel 3 van deze verordening en moet die werkzaamheid
                        beschikbaar zijn. Het college is niet gehouden te voldoen aan de wensen van
                        een belanghebbende, maar moet deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt
                        belanghebbende geen ideeën aan, dan legt het college belanghebbende een
                        lijst met keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                        die voorhanden zijn. Als belanghebbende geen voorkeur kenbaar maakt of er
                        geen keuzemogelijkheid is, legt het college een werkzaamheid op. Het is
                        immers aan het college, en niet aan een belanghebbende, een tegenprestatie
                        op te dragen aan belanghebbende. </al><al>Praktische omstandigheden</al><al>Voorts wordt bij opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met
                        praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang
                        en/of belanghebbende al maatschappelijke activiteiten verricht.</al><al>Maatschappelijke activiteiten en vrijwilligerswerk door belanghebbende </al><al>Sommige uitkeringsgerechtigden zijn al maatschappelijk actief of hebben
                        vrijwilligerswerk. De gemeente kan besluiten deze maatschappelijke
                        activiteit aan te merken als tegenprestatie. Ook kan een al bestaande
                        maatschappelijke activiteit of vrijwilligerswerk ertoe leiden dat men name
                        de duur en de omvang van de tegenprestatie anders worden vastgesteld. Een
                        voorbeeld van een maatschappelijke activiteit is: de zorg voor een ouder of
                        een gehandicapt familielid.</al><al>Weigering tegenprestatie </al><al>Het college dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie te
                        verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur van de
                        op te leggen maatregel te bepalen. </al><al>Artikel 4. Mantelzorg</al><al>Zie onder toelichting artikel 1 en artikel 3</al><al>Artikel 5. Duur en omvang van een tegenprestatie </al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                        voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard,
                        de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Dat
                        betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis van de situatie
                        in welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden. Hierbij moet het
                        college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. De omvang
                        van de werkzaamheden en de duur in de tijd dienen vanwege het verbod op
                        dwangarbeid en slavernij beperkt te zijn(artikel 4 EVRM). Binnen de genoemde
                        termijn van een jaar is het mogelijk voor de gemeente om de onbeloonde
                        werkzaamheden te wijzigen naar aard en omvang. Voor de omvang is gekeken
                        naar de maximale inzet van een vrijwilliger. Gemiddeld is dat voor een
                        Nederlander 5 uur per week. Iemand zonder werk of
                        re-integratieverplichtingen kan een grotere prestatie leveren als
                        vrijwilliger. Uitgaande van een dagdeel per dag over maximaal 4 dagen is de
                        maximale inzet 16 uur per week. Een tegenprestatie kan ook worden ingezet op
                        kortdurende opdrachten van bijvoorbeeld één of twee weken waarbij de
                        maximale inzet van 16 uur voor deze korte periode kan worden overschreden. </al><al>Artikel 6. Inwerkingtreding</al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al>Artikel 7. Beleidsregels</al><al>Met betrekking tot de uitvoering van de “Tegenprestatie” kan het college
                        regels opstellen.</al><al>Artikel 8. Citeertitel</al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>