<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR347549_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden Schiermonnikoog 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schiermonnikoog</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-06-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schiermonnikoog</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">www.overheid.nl</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden Schiermonnikoog 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-12-20</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2014-07-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-02-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>rechtspositieregeling</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden Schiermonnikoog
            2014
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Schiermonnikoog;</al>
          <al>Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4
                        december 2014;</al>
          <al>Gelet op de artikelen 95, 96, eerste en tweede lid en 97 en 147 van de
                        Gemeentewet, de artikelen 22, eerste lid, 23, eerste lid, 27a, vijfde lid,
                        van het Rechtspositiebesluit wethouders, en de artikelen 4, 7a, vierde lid,
                        13, tweede lid, 14, eerste lid, en 15 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                        commissieleden;</al>
          <al>B E S L U I T:</al>
          <al>vast te stellen de </al>
          <al>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden
                        Schiermonnikoog 2014</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>I</nr>
            <titel>Algemene bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>1</nr>
              <titel>Begripsbepalingen</titel>
            </kop>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>commissie: commissie ingesteld op grond van de artikelen 82, 83
                                    of 84 van de Gemeentewet;</al></li>
              <li nr="-"><al>commissielid: lid van een commissie, bedoeld in artikel 1,
                                    onderdeel e, van het Rechtspositiebesluit raads- en
                                    commissieleden.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>II</nr>
            <titel>Voorzieningen voor raads- en commissieleden</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>2</nr>
              <titel>Vergoeding voor de werkzaamheden voor raadsleden</titel>
            </kop>
            <al>Van de vergoeding, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, wordt 20% uitgekeerd op
                            basis van het aantal bijgewoonde raadsvergaderingen afgezet tegen het
                            aantal gehouden vergaderingen.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>3</nr>
              <titel>Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Aan commissieleden wordt een vergoeding voor het bijwonen van de
                                vergaderingen van een commissie en haar subcommissies toegekend die
                                gelijk is aan het voor de van toepassing zijnde inwonersklasse
                                vastgestelde bedrag in tabel IV van het Rechtspositiebesluit raads-
                                en commissieleden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>In afwijking van het eerste lid ontvangt geen vergoeding degene die
                                zitting heeft in een commissie uit hoofde van dan wel als
                                rechtstreeks uitvloeisel van een functie bij een instelling die
                                grotendeels van overheidswege wordt gesubsidieerd. </al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>4</nr>
              <titel>Reis- en verblijfkosten</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Aan raadsleden worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte reis-
                                en verblijfkosten in verband met reizen buiten het grondgebied van
                                de gemeente ter uitvoering van een beslissing van het
                                gemeentebestuur vergoed.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Aan commissieleden worden de reis- en verblijfkosten voor het
                                bijwonen van de vergaderingen van de commissie vergoed.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De vergoeding als bedoeld in het eerste en tweede lid is:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>voor wat betreft de verblijfkosten gelijk aan het
                                        overeenkomstig in artikel 4, onderdeel c, van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders bepaalde;</al></li>
                <li nr="b."><al>voor wat betreft de reiskosten gelijk aan het overeenkomstig
                                        in artikel 4, onderdeel a en b, van de Regeling
                                        rechtspositie wethouders bepaalde. </al></li>
              </lijst>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De reiskosten worden voor ten hoogste één vergadering per dag
                                vergoed.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>In afwijking van het eerste lid ontvangt geen vergoeding degene die
                                zitting heeft in een commissie uit hoofde van dan wel als
                                rechtstreeks uitvloeisel van een functie bij een instelling die
                                grotendeels van overheidswege wordt gesubsidieerd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>De reis- en verblijfkosten worden alleen vergoed als deze
                                gedeclareerd worden overeenkomstig de bepalingen in deze
                                verordening.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>5</nr>
              <titel>Buitenlandse excursie of reis</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De gemeenteraad kan een delegatie uit de gemeenteraad of een
                                raadscommissie toestemming verlenen voor een excursie of reis naar
                                het buitenland als deze door of vanwege de gemeente wordt
                                georganiseerd. De gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaarden
                                verbinden.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>6</nr>
              <titel>Scholing</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Raads- of commissieleden die aan scholing als bedoeld in artikel 13,
                                eerste lid van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden
                                willen deelnemen, die niet door of namens de gemeente wordt
                                aangeboden of verzorgd, dienen daartoe vooraf een gemotiveerde
                                aanvraag in bij de griffier. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De aanvraag bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van
                                inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Kosten van scholing die wordt georganiseerd door de
                                beroepsvereniging van raadsleden of door de Vereniging van
                                Nederlandse Gemeenten komt altijd voor vergoeding door de gemeente
                                in aanmerking als voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in het
                                eerste lid. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>De gemeenteraad kan bij aparte verordening nadere regels stellen met
                                betrekking tot de maximale vergoeding.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Aanvragen die niet overeenkomstig de bepalingen in deze verordening
                                worden ingediend komen niet voor vergoeding in aanmerking.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>In voorkomende gevallen beslist de vergadering van
                                fractievoorzitters van alle in de raad vertegenwoordigde politieke
                                groeperingen.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>7</nr>
              <titel>Computer en internetverbinding</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Raads- of commissieleden als bedoeld in artikel 3, lid 1 aan wie een
                                computer, bijbehorende apparatuur en software in bruikleen ter
                                beschikking wordt gesteld, ondertekenen hiervoor een
                                bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De vergoeding voor de aanleg- en abonnementskosten voor een
                                internetverbinding voor de computer bedoeld in dit artikel, bedraagt
                                € 10,00 (modelverordening, was 30,00) per maand, waarbij alleen in
                                aanmerking komen de extra abonnementskosten die gemaakt worden voor
                                een goede vervulling van het raads- of commissielidmaatschap. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Een aanvraag om een vergoeding als bedoeld in dit artikel wordt
                                gedaan bij de griffier en gaat vergezeld van de benodigde
                                bewijsstukken.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>8</nr>
              <titel>Werkkostenregeling</titel>
            </kop>
            <al>Gezien de Wet op de loonbelasting 1964 wijst de gemeente als
                            eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel
                            f, van die wet aan de vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in
                            artikel 13a van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>III</nr>
            <titel>Voorzieningen voor wethouders</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>9</nr>
              <titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Wethouders hebben recht op een vergoeding van de kosten voor
                                woon-werkverkeer, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van de
                                Regeling rechtspositie wethouders.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Er bestaat maximaal twee keer per dag recht op een enkele reis
                                vergoeding woon-werkverkeer.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>De reiskosten als bedoeld in het eerste lid worden alleen vergoed
                                als deze gedeclareerd worden overeenkomstig de bepalingen in deze
                                verordening.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>10</nr>
              <titel>Zakelijke reiskosten</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Wethouders hebben recht op een vergoeding voor reis- en
                                verblijfkosten voor reizen gemaakt voor de uitoefening van het ambt
                                overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van de Regeling
                                rechtspositie wethouders.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De reiskosten als bedoeld in het eerste lid worden alleen vergoed
                                als deze gedeclareerd worden overeenkomstig de bepalingen in deze
                                verordening.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>11</nr>
              <titel>Dienstauto</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Wethouders kunnen voor reizen ten behoeve van de gemeente gebruik
                                maken van een dienstauto met of zonder chauffeur. Onder dienstauto
                                wordt voor de toepassing van dit artikel mede verstaan een door de
                                gemeente ingehuurde auto.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De dienstauto met of zonder chauffeur kan door de wethouders ook
                                worden gebruikt voor het woon-werkverkeer en voor reizen ten behoeve
                                van nevenfuncties die de wethouders vervullen uit hoofde van het
                                ambt.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Als de wethouders gebruikmaken van een dienstauto dan hebben zij
                                voor die reizen geen recht op een tegemoetkoming voor de reiskosten.
                            </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Als de wethouders voor reizen ten behoeve van in het tweede lid
                                bedoelde nevenfuncties gebruikmaken van de dienstauto en daarvoor
                                een vergoeding van reiskosten ontvangen wordt die vergoeding in de
                                gemeentelijke kas gestort.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>12</nr>
              <titel>Buitenlandse dienstreis</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Als de wethouders in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                Nederland maken worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming
                                van het college vereist. De gemeenteraad kan aan deze toestemming
                                voorwaarden verbinden.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>13</nr>
              <titel>Computer en internetverbinding</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De wethouders aan wie een computer, bijbehorende apparatuur en
                                software in bruikleen ter beschikking wordt gesteld, tekenen
                                hiervoor een bruikleenovereenkomst met de gemeente.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De vergoeding voor de aanleg- en abonnementskosten voor een
                                internetverbinding voor een computer bedraagt ten hoogste € 10,00
                                per maand, waarbij alleen in aanmerking komen de extra
                                abonnementskosten die gemaakt worden voor een goede vervulling van
                                het wethouderschap. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Een aanvraag om een vergoeding als bedoeld in dit artikel wordt
                                gedaan bij de gemeentesecretaris en gaat vergezeld van de benodigde
                                bewijsstukken.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>14</nr>
              <titel>Communicatieapparatuur</titel>
            </kop>
            <al>De wethouders aan wie communicatieapparatuur in bruikleen ter
                            beschikking wordt gesteld tekenen hiervoor een bruikleenovereenkomst met
                            de gemeente.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>15</nr>
              <titel>Reis- en pensionkosten en verhuiskosten bij benoeming</titel>
            </kop>
            <al>De wethouders die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                            beschikken hebben ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding
                            van:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1
                                    van de Regeling rechtspositie wethouders, en</al></li>
              <li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de Regeling
                                    rechtspositie wethouders.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>16</nr>
              <titel>Werkkostenregeling</titel>
            </kop>
            <al>Gezien de Wet op de loonbelasting 1964 wijst de gemeente als
                            eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel
                            f, van die wet aan de vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in
                            artikel 28a van het Rechtspositiebesluit wethouders. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>IV</nr>
            <titel>De procedure van declaratie</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>17</nr>
              <titel>Betaling vaste vergoedingen</titel>
            </kop>
            <al>De betaling van de vergoeding voor werkzaamheden, de bezoldiging voor
                            wethouders op grond van het Rechtspositiebesluit wethouders, de
                            onkostenvergoedingen en declaraties geschiedt maandelijks of in
                            maandelijkse termijnen als er sprake is van een vergoeding op jaarbasis
                            tenzij het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, het
                            Rechtspositiebesluit wethouders of de Regeling rechtspositie wethouders
                            anders bepalen.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>18</nr>
              <titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Raads- en commissieleden en wethouders dragen ten behoeve van het
                                vergoeden van kosten zorg voor rechtstreekse toezending van de
                                factuur aan de gemeente.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Verantwoording van de vergoeding door het raadslid, het commissielid
                                respectievelijk de wethouder vindt plaats door een door het college
                                vastgesteld formulier volledig in te vullen en te ondertekenen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Facturen komen alleen voor vergoeding in aanmerking als voldaan
                                wordt aan de bepalingen in deze verordening. </al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Het formulier wordt ter goedkeuring ingediend bij de griffier,
                                respectievelijk de gemeentesecretaris, of een daartoe aangewezen
                                ambtenaar.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>19</nr>
              <titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>De declaratie van de kosten die uit eigen middelen vooruit zijn
                                betaald en de vergoeding van reiskosten met de eigen auto vindt
                                plaats door gebruikmaking van een door het college vastgesteld
                                formulier.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>Het formulier wordt binnen twee maanden na de betaling cq de datum
                                van de gemaakte rit volledig ingevuld en ondertekend door het raads-
                                of het commissielid respectievelijk de wethouder en ter goedkeuring
                                ingediend bij de griffier, respectievelijk de gemeentesecretaris, of
                                een daartoe aangewezen ambtenaar, onder bijvoeging van de
                                bewijsstukken.</al>
            </lid>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>20</nr>
              <titel>Gebruik creditcard</titel>
            </kop>
            <lid>
              <lidnr>1.</lidnr>
              <al>Indien van toepassing, is de gemeentelijke creditcard in bezit en
                                beheer van de gemeentesecretaris voor het doen van uitgaven die voor
                                vergoeding of tegemoetkoming ten laste van de gemeente in aanmerking
                                komen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>2.</lidnr>
              <al>De vergoeding van reis- en verblijfkosten in het buitenland kan
                                plaatsvinden door gebruikmaking van de gemeentelijke
                                creditcard.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>3.</lidnr>
              <al>Verantwoording van de betaling met de creditcard vindt plaats door
                                gebruikmaking van een door het college vastgesteld formulier,
                                volledig in te vullen en te ondertekenen door de wethouder voor wie
                                de kosten zijn gemaakt. Het formulier wordt binnen één maand na
                                afloop van de kalendermaand van inhouding door de
                                creditcardmaatschappij ter goedkeuring ingediend bij de
                                gemeentesecretaris.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>4.</lidnr>
              <al>Niet tijdige inlevering van het formulier heeft, tenzij er sprake is
                                overmacht, tot gevolg dat de gemaakte kosten voor rekening van de
                                wethouder komen.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>5.</lidnr>
              <al>Bij beëindiging van het ambt van wethouder wordt de creditcard
                                onverwijld ingeleverd.</al>
            </lid>
            <lid>
              <lidnr>6.</lidnr>
              <al>Verlies of diefstal van de creditcard wordt onverwijld gemeld bij de
                                betreffende creditcardmaatschappij en de gemeente. Het eigen risico
                                bij verlies en diefstal komt voor rekening van de gemeente, mits is
                                voldaan aan de daarvoor geldende regels.</al>
            </lid>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>V</nr>
            <titel>Overgangsbepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>21</nr>
              <titel>Brutering vergoedingen</titel>
            </kop>
            <al>Als de gemeente toepassing geeft aan artikel 39c van de Wet op de
                            Loonbelasting 1964 zijn de artikelen 8 en 16 niet van toepassing en
                            worden artikel 16 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden
                            en artikel 29b van het Rechtspositiebesluit wethouders toegepast.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>VI</nr>
            <titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>22</nr>
              <titel>Intrekking oude regeling</titel>
            </kop>
            <al>De Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2006
                            wordt ingetrokken.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>23</nr>
              <titel>Inwerkingtreding</titel>
            </kop>
            <al>Deze regeling treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug
                            tot en met 1 juli 2014.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>Artikel</label>
              <nr>24</nr>
              <titel>Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden Schiermonnikoog 2014.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 16 december 2014</ondertekening>
        <ondertekening>J.Stellinga, voorzitter</ondertekening>
        <ondertekening>S.T. van der Zwaag, griffier</ondertekening>
        <ondertekening/>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <al>Toelichting</al>
        <al>ALGEMEEN</al>
        <al>Wettelijke regelingen</al>
        <al>De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                            gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten
                            bij wet, algemene maatregel van bestuur (AMvB), ministeriële regeling
                            (alleen wethouders) en gemeentelijke verordening. Wettelijk is voor
                            wethouders in de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) de
                            uitkering na aftreden en het pensioen geregeld. In de Gemeentewet is
                            aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van wethouders,
                            raads- en commissieleden moet worden geregeld bij of krachtens de wet
                            (AMvB en ministeriële regeling). Daartoe zijn tot stand gekomen het
                            Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden. In een ministeriële regeling, de Regeling rechtspositie
                            wethouders, zijn sommige vergoedingen nader uitgewerkt. In deze wetten
                            en nadere regelgeving zijn alle voor de rechtspositie van belang zijnde
                            onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen, zoals de hoogte van de
                            bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, is in de
                            rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingendrechtelijke
                            bepalingen. </al>
        <al>De vergoedingen en regelingen voor raads- en commissieleden en
                            wethouders die bij of krachtens de wet (lees Gemeentewet,
                            rechtspositiebesluit of regeling) dwingendrechtelijk geregeld zijn, zijn
                            niet opgenomen in deze verordening. Dit betreft de vergoedingen
                            voor:</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>De onkostenvergoedingen voor raadsleden en wethouders</al></li>
          <li nr="2."><al>de toelage voor fractievoorzitters, leden van de
                                    vertrouwenscommissie, leden van de rekenkamerfunctie bedoeld in
                                    artikel 81oa Gemeentewet, dan wel van onderzoekscommissie zoals
                                    bedoeld in artikel 115a, derde lid Gemeentewet</al></li>
          <li nr="3."><al>de compensatiemaatregelen voor raads- en commissieleden als zij
                                    een WW, BWOO of arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben</al></li>
          <li nr="4."><al>de verstrekking van een computer</al></li>
          <li nr="5."><al>de voorzieningen bij ziekte en dienstongeval</al></li>
          <li nr="6."><al>de vergoeding voor de waarneming van het voorzitterschap van de
                                    gemeenteraad</al></li>
          <li nr="7."><al>de voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                                    bevalling of ziekte</al></li>
          <li nr="8."><al>de tegemoetkoming in de ziektekosten</al></li>
          <li nr="9."><al>voorzieningen voor raads- en commissieleden en wethouders met
                                    een fysieke beperking</al></li>
          <li nr="10."><al>de bezoldiging van de wethouders</al></li>
        </lijst>
        <al>Hoofdlijnen gemeentelijke verordening</al>
        <al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                            wethouders, raadsleden en leden van gemeentelijke commissies zover die
                            niet dwingend geregeld is in hogere wet- en regelgeving. De grondslag
                            hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en genoemde
                            rechtspositiebesluiten. Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is
                            toegekend genieten wethouders als zodanig geen inkomsten, in welke vorm
                            dan ook, ten laste van de gemeente (artikel 44 van de Gemeentewet). Dit
                            betekent dat de rechtspositionele aanspraken voor zittende wethouders
                            uitsluitend te vinden zijn in respectievelijk de Gemeentewet, het
                            Rechtspositiebesluit wethouders, de Regeling rechtspositie wethouders en
                            de plaatselijke Verordening rechtspositie wethouders, raads- en
                            commissieleden. Gewezen wethouders ontlenen hun aanspraak op een
                            ontslaguitkering en pensioen aan de Algemene pensioenwet politieke
                            ambtsdragers.</al>
        <al>Een soortgelijke bepaling als artikel 44 is voor raads- en
                            commissieleden opgenomen in artikel 99 van de Gemeentewet. Het tweede
                            lid van die bepaling voegt daaraan toe dat bij gemeentelijke verordening
                            aan raads- en commissieleden voordelen, anders dan in de vorm van
                            vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is
                            wel de goedkeuring van gedeputeerde staten vereist.</al>
        <al>De rechtspositionele aanspraken voor raads- en commissieleden zijn dan
                            ook uitsluitend te vinden in respectievelijk de Gemeentewet, het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en de plaatselijke
                            Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden.</al>
        <al>Afzonderlijke verordeningen</al>
        <al>Sommige gemeenten geven er de voorkeur aan de lokale regeling voor
                            wethouders en voor raads- en commissieleden in afzonderlijke
                            verordeningen op te nemen. Daartegen bestaat geen bezwaar. In dat geval
                            bestaat de Verordening rechtspositie raads- en commissieleden uit de
                            hoofdstukken I, II, IV, V en VI van de modelverordening en de
                            Verordening rechtspositie wethouders uit de hoofdstukken I, III, IV, V
                            en VI van de modelverordening.</al>
        <al>De verordening bevat bepalingen inzake:</al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de beloning voor de werkzaamheden van raads- en commissieleden
                                    (artikelen 2 en 3). Voor wethouders is niets opgenomen omdat hun
                                    bezoldiging uitputtend is geregeld in het Rechtspositiebesluit
                                    wethouders;</al></li>
          <li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van wethouders, raads- en
                                    commissieleden. Voor wethouders is een onderscheid gemaakt
                                    tussen woon-werkverkeer en zakelijke reizen (artikelen 4 en 5, 9
                                    t/m 12);</al></li>
          <li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten van de bij benoeming
                                    verhuisplichtige wethouder (artikel 15);</al></li>
          <li nr="-"><al>beschikbaarstelling van computer- en communicatieapparatuur aan
                                    wethouders, raads- en commissieleden (artikelen 7 en 13) en
                                    uitwerking van de bepaling over scholing voor raads- en
                                    commissieleden (artikel 6). Voor wethouders moet dit laatste
                                    door het college geregeld worden;</al></li>
          <li nr="-"><al>de procedure van uitbetalen en declareren (hoofdstuk IV);</al></li>
          <li nr="-"><al>artikelen in verband met de juiste fiscale behandeling (artikel
                                    8 en 16 en hoofdstuk V)</al></li>
        </lijst>
        <al>De arbeidsverhouding van de wethouder en het raadslid</al>
        <al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is
                            dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het
                            betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de
                            werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA.
                            Omdat er geen dienstbetrekking met de gemeente is vallen raadsleden niet
                            onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten getoetst
                            aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kan een raadslid opteren voor de
                            loonbelasting door te kiezen voor het fictief werknemerschap (zie
                            hieronder).</al>
        <al>Wethouders zijn ingevolge de Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in
                            openbare dienst aangesteld en vallen onder de werking van die wet.
                            Echter de bepalingen over het materiële ambtenarenrecht uit de
                            Ambtenarenwet zijn niet van toepassing op wethouders. Hun rechtspositie
                            wordt, zoals hiervoor is aangegeven, beheerst door specifieke wet- en
                            regelgeving. De aanstelling in openbare dienst houdt voor de toepassing
                            van de fiscale wetgeving in dat sprake is van een arbeidsverhouding die
                            als dienstbetrekking wordt aangemerkt. Dit betekent dat wethouders
                            direct onder de werking van de Wet op de loonbelasting vallen.
                            Wethouders vallen niet onder de werking van de Ziektewet,
                            Werkloosheidswet en WIA. Evenmin geldt voor hen de pensioenvoorziening
                            bij het ABP. De uitkering na aftreden en ouderdoms- en
                            nabestaandenpensioen zijn voor wethouders geregeld in de Algemene
                            pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). </al>
        <al>De loon- en inkomstenbelasting</al>
        <al>Opting-in-regeling</al>
        <al>Raadsleden kunnen opteren voor de loonbelasting. Het raadslid kan met de
                            gemeente overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Dat wordt de
                            ‘opting-in-regeling’ genoemd. De administratie van de gemeente is
                            zodanig ingericht dat wordt voldaan aan de daaraan gestelde wettelijke
                            eisen. In een gezamenlijke verklaring melden de gemeente en het raadslid
                            aan de Belastingdienst dat wordt geopteerd voor de loonbelasting. Als
                            gezamenlijk wordt gekozen voor het loonbelastingsysteem, dan draagt de
                            gemeente de ingehouden loonheffing af aan de Belastingdienst. Omdat een
                            raadslid geen werknemer in de formele zin van het woord is, valt hij
                            zoals gezegd vanwege het raadslidmaatschap niet onder de sociale
                            zekerheidswetgeving. Om die reden worden over de raadsvergoeding ook
                            geen premies sociale zekerheid ingehouden. De inkomsten worden als loon
                            belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat geval geen administratie bij
                            te houden. </al>
        <al>De Belastingdienst accepteert inmiddels ook van commissieleden de
                            toepassing van de opting-in-regeling.</al>
        <al>Fiscale standaardpositie</al>
        <al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd, dan geldt voor het
                            raadslid dat hij voor de Wet inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een
                            werkzaamheid geniet. In dat geval is het winstsysteem van toepassing.
                            Betrokkene moet dan alle ontvangsten verantwoorden als winst en kan de
                            gemaakte kosten daarop in mindering brengen. Raadsleden die gekozen
                            hebben voor de standaardregeling zullen dan ook over de
                            netto-onkostenvergoeding inkomstenbelasting moeten betalen, tenzij zij
                            aan de hand van bewijsmateriaal aan kunnen tonen dat de vergoeding is
                            besteed aan onkosten voortvloeiend uit het raadslidmaatschap.</al>
        <al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                            beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                            normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                            resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en
                            verstrekkingen op grond van deze verordening aan de Belastingdienst te
                            melden middels een opgave IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in
                            het economische verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk
                            gebruik leidt dan tot aftrek. </al>
        <al>Eenmalige keuze per zittingsperiode</al>
        <al>De keuze om al of niet te opteren voor de loonbelasting kan voor het
                            raadslid ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om voor de
                            loonbelasting te opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt
                            en geldt in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel kan
                            betrokkene als spijtoptant terugkomen op deze beslissing voor de
                            resterende periode. Opteren voor de loonbelasting hoeft niet bij aanvang
                            van de zittingsperiode te gebeuren, maar kan ook gedurende de
                            zittingsperiode voor de resterende periode.</al>
        <al>De vergoedingensystematiek</al>
        <al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het
                            eigen inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek
                            is daarom van belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het
                            aanbeveling terughoudend te zijn met een financieringswijze waarin de
                            bestuurder deze uit eigen middelen vooruit betaalt en de gemeente ze
                            terugbetaalt. Eigen middelen en publieke middelen moeten zo veel
                            mogelijk gescheiden worden gehouden. Vanuit die overweging heeft het de
                            voorkeur de kosten direct in rekening te brengen bij de gemeente. Aan de
                            mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter behoefte
                            blijven bestaan.</al>
        <al>Controle en verantwoording</al>
        <al>Voor de bestuurlijke uitgaven is – net als voor de besteding van alle
                            andere publieke middelen – transparantie van groot belang. Daartoe
                            dienen enerzijds inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het
                            vergoedingen- en voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een
                            duidelijke verantwoording van het daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze
                            kan worden voorkomen dat er onnodige discussies plaatsvinden omtrent het
                            gebruik van onkostenregelingen of voorzieningen door gemeentebestuurders
                            en over de eventueel verschuldigde belasting.</al>
        <al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen
                            zonder te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van
                            de functionele uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende
                            financiële en administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen
                            kan bestaan omtrent de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven.</al>
        <al>In hoofdstuk IV is in verband hiermee, in aanvulling op de in de
                            beheers- en controleverordening vastgestelde regels, een aantal
                            belangrijke procedures vastgelegd over rechtstreekse facturering van
                            functionele uitgaven, declaratie van vooruitbetaalde kosten en het
                            gebruik van creditcards. Daarnaast moeten in de bruikleenovereenkomsten
                            heldere afspraken vastgelegd over het gebruik van computer- en
                            communicatie-apparatuur die beschikbaar wordt gesteld voor de
                            uitoefening van de politieke functie. In aanvulling hierop is een
                            gedragscode ontwikkeld waarin nadere gedragsregels zijn vastgelegd. </al>
        <al> ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</al>
        <al>Artikel 2 Vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid</al>
        <al>In artikel 2 is de hoogte van de vergoeding bepaald op een vast bedrag
                            per inwonersklasse overeenkomstig het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden. De gemeenteraad kan besluiten dat een deel van de
                            raadsvergoeding wordt uitbetaald als presentiegeld. Dat deel mag
                            maximaal 20% van de raadsvergoeding zijn.</al>
        <al>Er mag geen onderscheid worden gemaakt tussen raadsleden, dus een
                            presentievergoeding geldt voor alle raadsleden. Het bedrag van de
                            vergoeding voor de werkzaamheden wordt geïndexeerd. Het wordt jaarlijks
                            per 1 januari herzien aan de hand van het indexcijfer Cao lonen
                            overheid. Hiervoor is in de gemeente geen nadere besluitvorming
                            nodig.</al>
        <al>Raadsleden die een WAO-uitkering ontvangen, kunnen verzoeken hun
                            raadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het nadeel van indeling in een
                            lagere arbeidsongeschiktheidsklasse worden voorkomen. Deze mogelijkheid
                            is opgenomen in artikel 12 lid 3 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden.</al>
        <al>Raadsleden die een WW- of een BWOO uitkering ontvangen kunnen verzoeken
                            hun raadsvergoeding te verhogen als de korting als gevolg van hun
                            raadslidmaatschap hoger is dan hun raadsvergoeding. Deze mogelijkheid is
                            geregeld in artikel 12 lid 1 en 2 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden.</al>
        <al>Artikel 3 Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</al>
        <al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke
                            commissies die zijn ingesteld op basis van artikel 82 t/m 84 Gemeentewet
                            geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en wethouders die in
                            de commissie zitten (uitgezonderd in artikel 96 Gemeentewet).
                            Uitgezonderd zijn verder onder meer ambtenaren (op grond van artikel 1
                            rechtspositiebesluit raads- en commissieleden), en medewerkers en
                            bestuurders van door de gesubsidieerde organisaties die in die
                            hoedanigheid in de commissie zitting hebben. </al>
        <al>De hoogte van het presentiegeld wordt bepaald op een vast bedrag per
                            inwonersklasse overeenkomstig het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden. De Minister van Binnenlandse Zaken en
                            Koninkrijksrelaties indexeert jaarlijks per 1 januari het bedrag zoals
                            dat is herzien aan de hand van het indexcijfer Cao lonen overheid.</al>
        <al>Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en de Gemeentewet
                            bieden de mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening te regelen dat
                            in bepaalde gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend
                            dan het eerder bedoelde bedrag. Deze mogelijkheid is geregeld in het
                            vierde lid. Er kan gekozen worden voor een procentuele verhoging, maar
                            het is ook mogelijk om het bedrag uit een hogere inwonersklasse te
                            kiezen.</al>
        <al>Artikel 4 Reis- en verblijfkosten raads- en commissieleden</al>
        <al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor ‘woon-werkverkeer’
                            voor raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de
                            Gemeentewet als raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor
                            reizen binnen het grondgebied van de gemeente.</al>
        <al>Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads- en commissieleden wel
                            in een vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor reizen buiten het
                            grondgebied van de gemeente ter uitvoering van een beslissing van het
                            gemeentebestuur.</al>
        <al>Aan commissieleden kan krachtens artikel 96, eerste lid, van de
                            Gemeentewet echter wel een vergoeding worden gegeven voor de reis- en
                            verblijfkosten in verband met reizen binnen de gemeente.</al>
        <al>De vergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                            verblijfkosten is niet nader ingevuld. Daarmee is dit een lokale
                            aangelegenheid </al>
        <al>Omdat in het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden verder geen
                            eigen vergoedingsregeling is opgenomen, is aansluiting gezocht bij de
                            vergoedingsregelingen voor wethouders. </al>
        <al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt
                            dat de verstrekte vergoedingen bij de aangifte inkomstenbelasting als
                            opbrengst moeten worden verantwoord. De reiskosten kunnen binnen de
                            geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten worden
                            opgevoerd.</al>
        <al>Artikelen 5 en 12 Buitenlandse dienstreis</al>
        <al>Gemeenteraden, delegaties daaruit of wethouders kunnen in het
                            gemeentelijk belang excursies of reizen naar het buitenland. Hiervoor
                            moet de gemeenteraad expliciet toestemming verlenen. De reis of excursie
                            wordt in alle gevallen door of vanwege de gemeente georganiseerd. </al>
        <al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan de
                            wethouder de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten
                            worden vergoed. De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende
                            Reisbesluit buitenland zijn daarbij richtsnoer. </al>
        <al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt
                            dat de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische
                            verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden
                            verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden
                            als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al>
        <al>Artikelen 6 Scholing</al>
        <al>Op grond van artikel 13 lid 1 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden komt niet partij-politiek georiënteerde scholing in
                            verband met de vervulling van de functie van raads- of
                            commissielidmaatschap ten laste van de gemeente. In dit artikel is de
                            procedure verder uitgewerkt</al>
        <al>Gezien de aard en duur van het ambt liggen voor raads- en commissieleden
                            opleidingen voor de hand die gericht zijn op het persoonlijk
                            functioneren in het ambt. </al>
        <al>Scholing is functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde
                            vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden. </al>
        <al>Onder deze scholingskosten worden verstaan de cursus- en lesgelden, de
                            kosten van het studiemateriaal, examen- en diplomakosten en de
                            aanschafkosten van verplicht gesteld studiemateriaal, alsmede reis- en
                            verblijfkosten in het kader van de opleiding.</al>
        <al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt
                            dat de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische
                            verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden
                            verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden
                            als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al>
        <al>De raad kan bij verordening nadere regels stellen omtrent het maximale
                            bedrag voor de scholing die voor vergoeding in aanmerking komt. Deze
                            mogelijkheid is geboden in de kapstokbepaling in het vierde lid.</al>
        <al>Het zesde lid bevat een hardheidsclausule. Mocht de griffier behoefte
                            hebben aan extra oordeel of of de gevraagde vergoeding binnen de
                            geldende regels voor vergoeding in aanmerking komt, dan kan de
                            vergadering van de fractievoorzitters in de raad om een oordeel gevraagd
                            worden.</al>
        <al>Artikelen 7 en 13 Computer en internetverbinding</al>
        <al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en het
                            Rechtspositiebesluit wethouders is geregeld dat het raads- of
                            commissielid, respectievelijk de wethouder van de gemeente een computer
                            in bruikleen krijgt verstrekt of een vergoeding ontvangt voor de
                            aanschaf of het gebruik van zijn eigen computer. De vergoeding is daarom
                            niet in strijd met artikel 99 van de Gemeentewet. Deze aanspraken kunnen
                            echter alleen worden verstrekt wanneer dat is vastgelegd in een
                            verordening. De vergoeding voor (het gebruik van) een eigen pc is
                            belast. De belastingheffing mag niet worden gecompenseerd. </al>
        <al>De verordening gaat ervan uit dat een computer in bruikleen wordt
                            verstrekt.</al>
        <al>De leden 2 en 3 zijn opgenomen als een vergoeding wordt gegeven. Als de
                            raad besluit deze keuze niet te bieden, dan kunnen deze bepalingen
                            vervallen.</al>
        <al>Een onbelaste vergoeding is alleen toegestaan wanneer het gebruik voor
                            90% zakelijk is. Stijgt het gebruik voor privédoeleinden uit boven de
                            10% dan wordt dat gebruik belast door jaarlijks over 1/3 van de
                            aanschafwaarde van de pc en de bijbehorende ter beschikking gestelde
                            apparatuur belasting te heffen. Daarbij maakt het niet uit of het om een
                            desktop-computer, een laptop, een pocket-pc , een mini-notebook of een
                            tabletcomputer gaat. </al>
        <al>De randapparatuur kan bestaan uit een een printer of een docking
                            station. De randapparatuur moet voor het werk functioneel zijn en kan
                            niet zelfstandig gebruikt worden.</al>
        <al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor de loonbelasting geldt
                            dat de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economisch
                            verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden
                            verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de geldende randvoorwaarden
                            als aftrekbare beroepskosten kunnen worden opgevoerd.</al>
        <al>Artikelen 8 en 16 Werkkostenregeling</al>
        <al>In verband met de werkkostenregeling moeten een aantal
                            netto-vergoedingen en verstrekkingen door de gemeente aangewezen worden
                            als eindheffingsbestanddeel. Anders worden deze door de belastingdienst
                            als loon gezien en moet hierover belasting worden ingehouden. Ook de
                            vergoedingen en verstrekkingen die door de belastingdienst gezien worden
                            als gerichte vrijstelling of voor nihil waardering in aanmerking komen
                            moeten in eerste instantie wel aangewezen worden. In een later stadium
                            wordt dan (in de financiële administratie) aangegeven dat dit gerichte
                            vrijstellingen of nihil waarderingen betreft. De vergoedingen voor
                            raads- en commissieleden vallen ook onder de Werkkostenregeling. Dit is
                            vooral een fiscale operatie en heeft geen invloed op de netto
                            vergoeding. </al>
        <al>Artikel 9 en 10 Reiskosten woon-werk en zakelijke reiskosten</al>
        <al>Voor wethouders is in artikel 9 een belastingvrije vergoeding voor het
                            woon-werkverkeer geregeld overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens
                            het Rechtspositiebesluit wethouders en de Regeling rechtspositie
                            wethouders. </al>
        <al>Op grond van artikel 10 worden zakelijke reiskosten, vergoed
                            overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens het Rechtspositiebesluit
                            wethouders en de Regeling rechtspositie wethouders.</al>
        <al>Bij gebruik van een eigen personenauto voor dienstreizen ontvangen
                            wethouders een bedrag van € 0,28 (0,37) per kilometer (zie artikel 4,
                            onderdeel b, en artikel 5a, onder 1, van de Regeling rechtspositie
                            wethouders). De hoogte van deze vergoeding is geënt op de ‘hoge’
                            kilometervergoeding die geldt voor het rijkspersoneel op grond van het
                            Reisbesluit en Reisregeling binnenland. Op grond van artikel 5, tweede
                            lid, van de regeling wordt onder openbaar vervoer voor dienstreizen wel
                            verstaan een veerpont of een veerboot. Tol- en parkeerkosten worden niet
                            genoemd in de regeling en mogen daarom op grond van artikel 44 lid 3
                            Gemeentewet niet vergoed worden. </al>
        <al>Verblijfkosten zijn zakelijk gebruikte maaltijden en kosten voor
                            overnachting en geen parkeerkosten.</al>
        <al>Artikel 11 Dienstauto</al>
        <al>Als onderdeel van de bedrijfsvoering kan de gemeente een dienstauto met
                            of zonder chauffeur voor zakelijk gebruik beschikbaar stellen aan
                            wethouders. De dienstauto kan ook voor het woon-werkverkeer worden
                            gebruikt. In dat geval vindt wel een korting plaats op de tegemoetkoming
                            in de reiskosten woon-werk. De dienstauto kan ook worden gebruikt voor
                            de vervulling van een q.q.-nevenfunctie. De eventueel uit hoofde van die
                            nevenfunctie ontvangen vergoeding van reiskosten terzake wordt in dat
                            geval in de gemeentelijke kas gestort. De dienstauto is niet beschikbaar
                            voor privégebruik.</al>
        <al>De kilometers voor ambtsgebonden nevenfuncties worden als zakelijk
                            aangemerkt. Ambtsgebonden nevenfuncties vloeien voort uit het ambt. Van
                            een ambtsgebonden nevenfunctie is in elk geval sprake als de ambtsdrager
                            zich er niet aan kan onttrekken en de functie moet worden beëindigd als
                            het ambt niet meer wordt uitgeoefend. Of met de nevenfunctie een
                            maatschappelijk of algemeen bestuurlijk belang is gediend, is fiscaal
                            bezien geen criterium voor het begrip ambtsgebonden nevenfunctie. Ook is
                            het fiscaal niet relevant of door provinciale staten c.q. de
                            gemeenteraad toestemming is gegeven voor het vervullen van de
                            nevenfunctie en het gebruik van de dienstauto voor dat doel.</al>
        <al>Het gebruik van de dienstauto voor niet ambtsgebonden nevenfuncties
                            wordt als privégebruik aangemerkt. (Brief van de minister van
                            Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 22 maart 2007 aan de
                            Tweede Kamer, Tweede Kamerstuknummer 30 800 VII, nr. 42).</al>
        <al>Bijwonen van bijvoorbeeld vergaderingen van de VNG behoort tot
                            ambtsgebonden activiteiten. Het gebruik voor overige nevenactiviteiten
                            die dus tot het privégebruik worden gerekend, is slechts tot 500 km per
                            jaar onbelast. Daarboven wordt het privégebruik aangemerkt als loon in
                            natura en is om die reden belast.</al>
        <al>Artikel 14 Communicatieapparatuur</al>
        <al>Vergoedingen of verstrekkingen van een mobiele telefoon kunnen vrij
                            worden verstrekt als het nodig is voor de uitoefening van het ambt (het
                            zogenaamde noodzakelijkheidscriterium).</al>
        <al>Artikel 15 Reis- en pensionkosten en verhuiskosten</al>
        <al>Ook personen van buiten de gemeenteraad kunnen tot wethouder worden
                            benoemd. Dat kunnen ook personen zijn die niet in de gemeente zelf
                            wonen. Die zijn op grond van de Gemeentewet verplicht om te gaan wonen
                            in de gemeente waar zij wethouder zijn geworden. In artikel 17 is
                            geregeld dat zij bij verhuizing naar de gemeente in aanmerking komen
                            voor een verhuiskostenvergoeding en eventueel voor vergoeding van reis-
                            en pensionkosten in afwachting van de verhuizing volgens de bepalingen
                            in artikel 1 en 2 van de Regeling Rechtspositie Wethouders. De
                            vergoedingen zijn onbelast.</al>
        <al>Artikelen 18 t/m 20 De procedure van declaratie</al>
        <al>In de verordening zijn de drie wijzen van betaling aangegeven. Ook is
                            aangegeven in welke gevallen welke betalingswijze aan de orde is en
                            welke procedurevoorschriften in achtgenomen moeten worden. Hierbij gaat
                            de voorkeur uit naar rechtstreeks facturering bij de gemeente, en daarna
                            declaratie van vooruitbetaalde kosten of gebruik van de gemeentelijk
                            creditcard, waarbij deze laatste twee afhankelijk zijn van de
                            situatie.</al>
        <al>Artikel 21 Overgangsbepaling</al>
        <al>In artikel 21 is de overgangsbepaling opgenomen voor de gemeenten die in
                            2014 nog niet de werkkostenregeling hebben ingevoerd. Gemeenten die al
                            wel de werkkostenregeling hebben ingevoerd hoeven dit artikel niet op te
                            nemen in de verordening.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>