<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR347377_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Zwartewaterland 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zwartewaterland</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zwartewaterland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-153078.html">Gemeenteblad 2016 - 153078</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Zwartewaterland 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-07-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-11-11</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Aanvulling van de Verordening met artikel 7.a</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Nieuwe regeling</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Zwartewaterland
                2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De raad van de gemeente Zwartewaterland;</vet></al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 18 november
                        2014;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 8, eerste
                        lid, aanhef en onderdeel a en e van de Participatiewet, artikel 35 van de
                        Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                        werknemers en artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>overwegende dat bij verordening regels dienen te worden vastgesteld:</al><lijst><li nr="-"><al>ter verlaging van de bijstand ingevolge de Participatiewet en,</al></li><li nr="-"><al>ter weigering en verlaging van de uitkering ingevolge de IOAW en
                                IOAZ;</al></li></lijst><al>besluit vast te stellen:</al><al><vet>de Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente
                            Zwartewaterland 2015</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
                                de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Zwartewaterland;</al></li><li nr="c."><al>de raad: de gemeenteraad van Zwartewaterland;</al></li><li nr="d."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="e."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="f."><al>benadelingsbedrag: netto algemene en/of bijzondere bijstand
                                        waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep
                                        wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                        bestaan;</al></li><li nr="g."><al>bijstandsnorm:</al></li><li nr="i."><al>toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5,
                                        onderdeel c van de wet, of,</al></li><li nr="ii."><al>toepasselijke grondslag van de uitkering als bedoeld in
                                        artikel 5 IOAW of artikel 5 IOAZ voor zover sprake is van
                                        een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ;</al></li><li nr="h."><al>uitkering: uitkering op grond van de IOAW of IOAZ;</al></li><li nr="i."><al>maatregel:</al></li><li nr="i."><al>het verlagen van de bijstand als bedoeld in artikel 18,
                                        tweede, vijfde en zesde lid van de wet of,</al></li><li nr="ii."><al>het verlagen van de uitkering als bedoeld in de artikelen
                                        20, tweede lid, en 38, twaalfde lid IOAW of de artikelen 20,
                                        eerste lid, en 38, twaalfde lid IOAZ of</al></li><li nr="iii."><al>het blijvend of tijdelijk weigeren van de uitkering als
                                        bedoeld in artikel 20, eerste lid IOAW of artikel 20, tweede
                                        lid IOAZ.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college legt overeenkomstig deze verordening een maatregel op
                                indien de belanghebbende naar het oordeel van het college:</al><lijst><li nr="a."><al>een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont
                                        voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel
                                        18, tweede lid van de wet;</al></li><li nr="b."><al>de uit de wet voortvloeiende verplichtingen, met
                                        uitzondering van artikel 17, eerste lid, niet of onvoldoende
                                        nakomt;</al></li><li nr="c."><al>een verplichting als bedoeld in artikel 13, tweede en vierde
                                        lid IOAW/IOAZ of een op grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ
                                        aan de uitkering verbonden verplichting niet of onvoldoende
                                        nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer
                                        ernstig misdragen onder omstandigheden die rechtstreeks
                                        verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="d."><al>een inkomen zou hebben kunnen verwerven uit of in verband
                                        met arbeid als bedoeld in artikel 20, eerste lid IOAW of
                                        artikel 20, tweede lid IOAZ.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel worden toegepast op
                                de bijzondere bijstand als:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de wet, of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                        geeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de
                                hoofdstukken 2, 4 en 5 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als
                                ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de wet
                                verleende bijzondere bijstand’.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de
                                hoofdstukken 2, 4 en 5 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de
                                verleende bijzondere bijstand en/of verleende individuele
                                inkomenstoeslag’.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de maatregel;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de maatregel;</al></li><li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de bijstand of uitkering wordt
                                    verlaagd of geweigerd; en</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                    standaardmaatregel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                                        zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid, of</al></li><li nr="d."><al>belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen
                                        maken.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel als:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid redelijkerwijs ontbreekt,
                                        of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan
                                        door het college heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel als het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond
                                van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk
                                op de hoogte gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende
                                kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die
                                belanghebbende geldende bijstandsnorm, tenzij de verordening anders
                                bepaalt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel kan met terugwerkende kracht worden opgelegd over de
                                periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de
                                periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een maatregel
                                overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de bijstand
                                en/of uitkering is beëindigd of ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.a</nr><titel>Niet meewerken aan taaltoets</titel></kop><al>Als een belanghebbende niet meewerkt aan het afleggen van de taaltoets
                            als bedoeld in artikel 18b, tweede lid, van de Participatiewet, wordt
                            een verlaging opgelegd van:</al><al>a. 20 procent van de bijstandsnorm gedurende maximaal 6 maand vanaf de
                            datum dat belanghebbende is opgeroepen voor de Taaltoets; </al><al>b. 40 procent van de bijstandsnorm gedurende maximaal 6 maand als
                            belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit
                            waarmee een verlaging is toegepast vanwege het niet meewerken aan het
                            afleggen van de taaltoets blijft schuldig maken aan dezelfde verwijtbare
                            gedraging;</al><al>c. 100 procent van de bijstandsnorm als belanghebbende zich na 12
                            maanden na bekendmaking van een besluit in de zin van artikel 7a,
                            onderdeel b, van deze verordening, blijft schuldig maken aan dezelfde
                            verwijtbare gedraging.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 9, 9a en 55 van de wet niet of onvoldoende wordt
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al>a.eerste categorie:</al><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten
                            verlengen van de registratie;</al><al>b. tweede categorie:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1e."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 44a van de wet;</al></li><li nr="2e."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld
                                            in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de wet, voor
                                            zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar,
                                            gedurende vier weken na een melding als bedoeld in
                                            artikel 43, vierde en vijfde lid van de wet, voor zover
                                            deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18,
                                            vierde lid van de wet;</al></li><li nr="3e."><al>het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om op een
                                            aangegeven plaats en tijd te verschijnen, in verband met
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="4e."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                            onderdeel b, van de wet niet te willen nakomen, wat
                                            heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                            arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in
                                            artikel 9a, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="5e."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c van de
                                            wet;</al></li><li nr="6e."><al>geen uitvoering geven aan de door het college opgelegde
                                            verplichting om ingeschreven te staan bij drie
                                            uitzendbureaus;</al></li></lijst></li></lijst><al>c. derde categorie:</al><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit
                            uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 37 en 38 IOAW of de artikelen 37 en 38 IOAZ niet of
                            onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><al>a.eerste categorie:</al><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het
                            Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten
                            verlengen van de registratie;</al><lijst><li nr="b."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="1e."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2e."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening als bedoeld in de
                                            artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e
                                            IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37,
                                            eerste lid, onderdeel e IOAZ, voor zover dit niet heeft
                                            geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige
                                            beëindiging van die voorziening;</al></li><li nr="3e."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e
                                            IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het
                                            intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor
                                            een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 38, eerste
                                            lid IOAW of artikel 38, eerste lid IOAZ;</al></li><li nr="4e."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f IOAW of
                                            artikel 37, eerste lid, onderdeel f IOAZ;</al></li><li nr="5e."><al>geen uitvoering geven aan de door het college opgelegde
                                            verplichting om ingeschreven te staan bij drie
                                            uitzendbureaus.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>derde categorie:</al><lijst><li nr="1e."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="2e."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36,
                                            eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e IOAW en de
                                            artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e
                                            IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang
                                            vinden of tot voortijdige beëindiging van die
                                            voorziening;</al></li><li nr="3e."><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren
                                            als bedoeld inartikel 20, eerste lid, onder a of b, van
                                            de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                            gedeeltelijkarbeidsongeschikte werkloze werknemers of
                                            artikel 20, tweede lid, onder a of b, van de
                                            Wetinkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 8 en
                                    9, wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                            gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                            gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                            gedragingen van de derde categorie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                    verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden
                                    na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is
                                    opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare
                                    gedraging uit dezelfde of een hogere categorie.</al></li></lijst><al> Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld
                            het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, als
                            bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al><al>3.Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit
                            waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid,
                            belanghebbende zich nog tweemaal schuldig maakt aan een eenzelfde
                            verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie, dan wordt
                            door het college aan belanghebbende een maatregel opgelegd van honderd
                            procent van de bijstandsnorm gedurende maximaal drie maanden. Met een
                            besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het
                            besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in
                            artikel 6, tweede lid.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Tijdelijk of blijvend weigeren van uitkeringen ingevolge de IOAW of
                            IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                                arbeid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de
                                belanghebbende die arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard uit of
                                in verband met deze arbeid inkomen als bedoeld in of op grond van
                                artikel 8 IOAW of artikel 8 IOAZ zou hebben kunnen verwerven
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende
                                        reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek
                                        7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake
                                        een verwijt kan worden gemaakt;</al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de
                                        belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige
                                        bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
                                        redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, weigert het college de
                                uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het bedrag
                                van de uitkering te verlagen met 50% van het inkomen, bedoeld in de
                                eerste zin van het eerste lid, indien het eindigen van de
                                dienstbetrekking belanghebbende niet in overwegende mate kan worden
                                verweten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><al>Het college weigert de uitkering blijvend naar de mate waarin de
                            belanghebbende met het verrichten van arbeid inkomen zou hebben kunnen
                            verwerven als bedoeld in of op grond van artikel 8 IOAW of artikel 8
                            IOAZ indien de belanghebbende:</al><lijst><li nr="a."><al>nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                                    verkrijgt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Duur maatregel bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                                vierde lid van de wet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de
                                maatregel honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één
                                maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de wet, opnieuw
                                schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel
                                18, vierde lid van de wet, bedraagt de verlaging honderd procent van
                                de bijstandsnorm gedurende twee maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Beleidsregels inkeerregeling</titel></kop><al>Het college stelt beleidsregels vast waarin het de inkeerregeling, als
                            bedoeld in artikel 18, elfde lid van de wet, nader invult.</al><al>Op basis van deze beleidsregels heroverweegt het college de op grond van
                            artikel 18, vijfde, zesde, zevende of achtste lid van de wet opgelegde
                            maatregel, indien belanghebbende het college daarom verzoekt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een maatregel wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede
                                lid van de wet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag, tenzij het
                                benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel wordt vastgesteld op 20% van de bijstandsnorm gedurende
                                één maand indien het benadelingsbedrag niet kan worden
                                vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De maatregel wordt vastgesteld op 100% van de bijstandsnorm
                                gedurende één maand indien sprake is van een benadelingsbedrag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het bedrag van de maatregel op grond van het derde lid hoger
                                zou zijn dan het benadelingsbedrag, is het bedrag van de maatregel,
                                in afwijking van het derde lid, gelijk aan het benadelingsbedrag
                                doch niet lager dan 20% van de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid en derde lid
                                wordt met één maand verlengd, indien de belanghebbende zich binnen
                                twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel
                                is opgelegd opnieuw een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan betoont. Met
                                een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld
                                het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen,
                                als bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onder tekortschietend besef voor de voorziening in het bestaan als
                                bedoeld in het eerste lid wordt onder andere verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet alles in het werk stellen om een boedelscheiding
                                        tot stand te brengen;</al></li><li nr="b."><al>het verkopen van de woning beneden de WOZ-waarde;</al></li><li nr="c."><al>het te snel interen van vermogen;</al></li><li nr="d."><al>onder bedeling bij echtscheiding;</al></li><li nr="e."><al>te late of geen aanvaarding van een voorliggende
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>het door eigen schuld verliezen van het recht op een
                                        uitkering;</al></li><li nr="g."><al>het feitelijk niet kunnen beschikken over een voorliggende
                                        voorziening omdat een bestuurlijke boete daarmee is
                                        verrekend zonder rekening te houden met de beslagvrije voet
                                        vanwege recidive;</al></li><li nr="h."><al>bij nadere overeenkomst afstand doen van door de rechter
                                        toegekende alimentatie;</al></li><li nr="i."><al>het niet hebben van een op grond van de Zorgverzekeringswet
                                        verplichte basisverzekering.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                    personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de
                                    wet als bedoeld in artikel 9, zesde lid van die wet, wordt een
                                    maatregel opgelegd van 50% van de bijstandsnorm gedurende één
                                    maand.</al></li><li nr="2."><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                    college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die
                                    rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW of
                                    IOAZ, wordt een maatregel opgelegd van 50% van de bijstandsnorm
                                    gedurende één maand.</al></li><li nr="3."><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste en tweede lid
                                    wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf
                                    maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is
                                    opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare
                                    gedraging.Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd,
                                    wordt gelijk gesteld het besluit om daarvan af te zien op grond
                                    van dringende redenen, als bedoeld in artikel 6, tweede
                                    lid.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Onder zeer ernstige misdragingen als bedoeld in het eerste en
                                    tweede lid wordt onder andere verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>extreem verbaal geweld;</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>ernstige intimidatie (uitoefenen van psychische
                                            druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>overige/combinatie van agressievormen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting
                                als bedoeld in artikel 55 van de wet niet of onvoldoende nakomt,
                                wordt een maatregel opgelegd. De maatregel wordt vastgesteld
                                op:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet
                                        of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                        arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet
                                        of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden
                                        met de aard en het doel van een bepaalde vorm van
                                        bijstand;</al></li><li nr="c."><al>40% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet
                                        of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                        vermindering van de bijstand;</al></li><li nr="d."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet
                                        of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                        beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een belanghebbende een door het college opgelegde
                                budgetteringsplicht als bedoeld in artikel 57, onderdeel a van de
                                wet niet of onvoldoende nakomt, wordt een maatregel opgelegd van 20%
                                van de bijstandsnorm gedurende één maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd
                                opnieuw schuldig maakt aan een eenzelfde verwijtbare gedraging. Met
                                een besluit waarmee een maatregel is opgelegd, wordt gelijk gesteld
                                het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen,
                                als bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit
                                waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid,
                                belanghebbende zich nog tweemaal schuldig maakt aan een eenzelfde
                                verwijtbare gedraging, dan wordt door het college aan belanghebbende
                                een maatregel opgelegd van honderd procent van de bijstandsnorm
                                gedurende maximaal drie maanden. Met een besluit waarmee een
                                maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af
                                te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede
                                lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Samenloop</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                    meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid van de
                                    wet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Voor
                                    het bepalen van de hoogte en duur van de maatregel wordt
                                    uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste maatregel is
                                    gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                    van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde
                                    lid van de wet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere
                                    gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd.Deze maatregelen
                                    worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van
                                    de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden
                                    van de belanghebbende niet verantwoord is.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel
                                    een in deze verordening of artikel 18, vierde lid van de wet
                                    genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid van de
                                    wet genoemde verplichting, wordt geen maatregel opgelegd, voor
                                    zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt
                                    opgelegd.</al></li><li nr="4."><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                    van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid van
                                    de wet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid
                                    van de wet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke
                                    boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een
                                    afzonderlijke maatregel opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst
                                    van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                                    omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid IOAW of
                            artikel 20, tweede lid van de IOAZ blijvend of tijdelijk weigert en de
                            gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze
                            verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging
                            ter zake van die gedraging achterwege.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening
                            Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Zwartewaterland 2015.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2014.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>A.J. Renkema ing. E.J. Bilder </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE Toelichting</titel></kop><al><vet><cursief>Rechten en plichten in de Participatiewet (hierna
                        PW)</cursief></vet></al><al>De gemeente heeft een verantwoordelijkheid met betrekking tot de invulling van
                    de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet het gemeentelijk beleid
                    vastgelegd worden in een verordening. Rechten en plichten zijn echter twee
                    kanten van één medaille. Het recht op algemene bijstand is altijd verbonden aan
                    de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                    uitkering.</al><al>Artikel 18, eerste lid PW spreekt over het afstemmen van de bijstand en de
                    daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen
                    van een belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van
                    de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor
                    bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de
                    individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                    bijstandsgerechtigden. Artikel 18, tweede lid PW legt een directe koppeling
                    tussen de rechten en plichten van uitkeringsgerechtigden: het recht op een
                    uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk te worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van
                    de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                    uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de bijstandsgerechtigde, maar ook
                    van de mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. De inspanningen die van
                    de bijstandsgerechtigde naar vermogen kunnen worden verwacht, spelen ook een
                    rol.</al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, legt het een maatregel op. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    dergelijke maatregel. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de
                    maatregel rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een maatregel afzien
                    als het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 zijn in artikel 18, vierde lid PW geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen opgenomen. Voor schending van deze verplichting geldt dat
                    de bijstand in beginsel moet worden verlaagd met honderd procent gedurende één
                    tot drie maanden. In de verordening moet de duur van de maatregel worden
                    vastgelegd (artikel 18, vijfde lid PW).</al><al>Is afgezien van een maatregel wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18, eerste lid PW of vanwege dringende redenen afgezien van
                    het opleggen van een maatregel, dan is daarin geen reden gelegen om de
                    betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van recidive.</al><al>Het college beoordeelt uiterlijk drie maanden na de datum van de beschikking of
                    de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende aanleiding geven de
                    beslissing te herzien (artikel 18, derde lid PW). Bij een dergelijke
                    herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle
                    feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Het heeft
                    slechts als doel vast te stellen of belanghebbende tussentijds (binnen de
                    periode waarover de maatregel zich uitstrekt) blijk heeft gegeven van een
                    zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige wijziging van
                    omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde maatregel in zwaarte
                    of duur bij te stellen.</al><al>Artikel 18, derde lid PW is naar oordeel van het ministerie van Sociale Zaken en
                    Werkgelegenheid niet van toepassing als sprake is van schending van een van de
                    geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid PW). Ten aanzien
                    van geüniformeerde arbeidsverplichtingen is artikel 18, elfde lid PW van
                    toepassing. Verschil tussen artikel 18, derde lid en artikel 18, elfde lid PW is
                    dat artikel 18, elfde lid, pas wordt toegepast als belanghebbende daarom
                    vraagt.</al><al>Een maatregel krachtens de maatregelenverordening is een punitieve sanctie voor
                    zover de verlaging wordt opgelegd omdat belanghebbende zich zeer ernstig heeft
                    misdragen . Als een betreffende gedraging ook een strafbaar feit oplevert, kan
                    belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. Deze maatregel en de
                    strafvervolging kunnen alleen naast elkaar bestaan als sprake is van juridisch
                    te onderscheiden feiten. Bijvoorbeeld: belanghebbende beledigt opzettelijk een
                    ambtenaar. Strafrechtelijk bezien kan een geldboete worden opgelegd of een
                    gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden. Daarnaast is sprake van zich zeer
                    ernstig misdragen zoals bedoeld in artikel 9, zesde lid PW op grond waarvan een
                    maatregel kan worden opgelegd. </al><al>In andere gevallen waarin een maatregel wordt opgelegd krachtens de
                    maatregelenverordening is sprake van een reparatoire sanctie (bijvoorbeeld bij
                    schending arbeidsverplichting). Als een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor worden vervolgd. De
                    maatregel en de strafvervolging kunnen naast elkaar bestaan omdat het hier gaat
                    om een reparatoire maatregel en een punitieve sanctie.</al><al/><al><vet><cursief>Verrekenen van de maatregel</cursief></vet></al><al>Het college heeft de mogelijkheid bij een maatregel wegens schending van een
                    geüniformeerde arbeidsverplichting, de maatregel over drie maanden te spreiden.
                    Dit over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee
                    volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag
                    van de verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin PW).
                    Het gaat hier om een facultatieve bepaling.</al><al>In deze verordening is er voor gekozen geen gebruik te maken van deze
                    bepaling.</al><al>Allereerst omdat de duur van de maatregel voor het niet of onvoldoende nakomen
                    van geüniformeerde maatregelen in deze verordening is beperkt tot één maand. Op
                    grond van de vorige maatregelenverordening onder de Wet werk en bijstand werden
                    ook maatregelen van 100% gedurende één maand opgelegd, zonder deze over een
                    langere periode uit te smeren. </al><al>Ten tweede wil de gemeente met de maatregel een gedragsverandering
                    teweegbrengen. Indien belanghebbende uit houding en gedragingen ondubbelzinnig
                    laat blijken dat hij de verplichtingen alsnog nakomt, kan hij het college
                    verzoeken de maatregel wegens schending van de geüniformeerde
                    arbeidsverplichting te heroverwegen. In beleidsregels vult het college deze
                    zogenaamde inkeerregeling nader in.</al><al/><al><vet><cursief>Afstemmen in de IOAW en de IOAZ</cursief></vet></al><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid op grond van de Wet
                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
                    werknemers (hierna: IOAW) of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ) een maatregel op te
                    leggen of een uitkering te weigeren als een belanghebbende de aan het recht op
                    uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 IOAW
                    en artikel 20 IOAZ). Het gemeentelijk beleid moet vastgelegd worden in een
                    verordening (artikel 35 IOAW en artikel 35 IOAZ).</al><al>De maatregelen op grond van deze verordening komen in de plaats van het tot 1
                    juli 2010 geldende maatregelenregime.</al><al>In deze verordening is er voor gekozen om met betrekking tot de IOAW en IOAZ te
                    komen tot een zo veel mogelijk analoog aan de PW toe te passen
                    afstemmingsbeleid. Wel is in afwijking van de Participatiewet de mogelijkheid
                    gecreëerd om in een aantal situaties de uitkering blijvend geheel te weigeren
                    dan wel tijdelijk gedeeltelijk. Op grond van de IOAW en IOAZ is dit mogelijk .
                    Belanghebbenden bij wie dit het geval is, kunnen eventueel een beroep doen op de
                    PW. De PW vormt het vangnet van sociale zekerheid.</al><al/><al><vet>Schenden van de inlichtingenplicht</vet></al><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de Wet werk en
                    bijstand (hierna: WWB) (thans: PW), IOAW en IOAZ. Deze moet worden opgelegd bij
                    een schending van de inlichtingenplicht en komt in de plaats van een
                    maatregel.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de PW, de IOAW, de IOAZ, de Algemene wet
                        bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                        gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing
                        op deze verordening.</al><al><vet><cursief>Tweede lid</cursief></vet></al><al>De onderdelen a tot en met e behoeven geen nadere toelichting.</al><al><vet><cursief>Onderdeel f Benadelingsbedrag</cursief></vet></al><al>Het benadelingsbedrag is de netto algemene en/of bijzondere bijstand waarop
                        eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten
                        gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                        voorziening in het bestaan. Voor het bepalen van het benadelingsbedrag wordt
                        uitgegaan van het nettobedrag van de uitkering, zoals ook het geval is bij
                        het benadelingsbedrag in het kader van de bestuurlijke boete.</al><al><vet><cursief>Onderdeel g Bijstandsnorm</cursief></vet></al><al>Onder de ‘bijstandsnorm’ wordt in deze verordening verstaan de in de
                        situatie van belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke
                        norm, vermeerderd met toeslagen , en verminderd met verlagingen, alles
                        inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake is van een uitkering op grond
                        van de IOAW of de IOAZ wordt onder bijstandsnorm verstaan de toepasselijke
                        grondslag zoals bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ.</al><al><vet><cursief>Onderdeel i Maatregel</cursief></vet></al><al>Het verlagen van de bijstand wordt, net als het verlagen of weigeren van een
                        uitkering op grond van de IOAW of IOAZ, in deze verordening aangeduid als
                        het opleggen van een maatregel.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opleggen van een maatregel</titel></kop><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>De PW verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering verschillende soorten
                        verplichtingen, waaronder:</al><al>• Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                        in het bestaan (artikel 18, tweede lid PW);</al><al>• De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9, eerste lid, onderdelen a en
                        b PW);</al><al>• De plicht tot tegenprestatie (artikel 9, eerste lid, onderdeel c PW);</al><al>• De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid PW);</al><al>• De plicht zich te onthouden van zeer ernstige misdragingen jegens de met
                        de uitvoering van deze wet belaste personen en instanties tijdens het
                        verrichten van hun werkzaamheden;</al><al>• Daarnaast is het mogelijk om aanvullende verplichtingen op te leggen op
                        grond van de artikelen 55 en 57 PW.</al><al>Net als voor de PW verbinden de IOAW en IOAZ aan het recht op een uitkering
                        ook verschillende soorten verplichtingen, zoals de plicht tot
                        arbeidsinschakeling en de plicht tot tegenprestatie.</al><al>Het eerste lid bepaalt dat het college een maatregel oplegt, wanneer één van
                        deze verplichtingen niet wordt nagekomen.</al><al><vet><cursief>Tweede lid</cursief></vet></al><al>In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                        schending van een verplichting</al><al>betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van een vaste
                        (percentuele) verlaging van de</al><al>bijstandsnorm.</al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te
                        leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                        belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich
                        mee dat het college bij elk op te leggen maatregel moet nagaan of gelet op
                        de individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde
                        afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel
                        geboden is. Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als
                        een matiging betekenen.</al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                        opgelegd en zo ja welke,</al><al>telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><lijst><li nr="-"><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging;</al></li><li nr="-"><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid;</al></li><li nr="-"><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                                uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                        waarmee de bijstand wordt</al><al>verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt
                        verwezen naar de toelichting bij artikel 6.</al><al>Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan
                        bijvoorbeeld in de</al><al>volgende gevallen aan de orde zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                                bijvoorbeeld hoge woonlasten;</al></li><li nr="-"><al>andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen
                                financiële tegemoetkoming mogelijk is;</al></li><li nr="-"><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld.</al></li></lijst><al>Het tweede lid is gebaseerd op het individualiseringsbeginsel van artikel
                        18, eerste lid PW. </al><al>In de ‘Nota naar aanleiding van het verslag: Wijziging van de Wet werk en
                        bijstand en enkele andere sociale zekerheidswetten (Wet maatregelen Wet werk
                        en bijstand en enkele andere wetten)’ benadrukt de Regering op pagina 5 dat
                        het individualiseringsbeginsel onverkort van toepassing blijft bij het
                        opleggen van maatregelen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>Hierin is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt berekend over
                        de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm,
                        inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag.
                        Bij een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt gekeken naar de
                        grondslag als bedoeld in artikel 5 IOAW respectievelijk IOAZ.</al><al><vet><cursief>Tweede lid</cursief></vet></al><al>In dit lid is bepaald dat een maatregel ook kan worden toegepast op de
                        bijzondere bijstand als aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt
                        verleend met toepassing van artikel 12 PW. Personen tussen de 18 en 21 jaar
                        ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld
                        door middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van
                        levensonderhoud. Als een maatregel uitsluitend op de lage jongerennorm wordt
                        opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de
                        21-jarigen. </al><al>Daarom is in het derde lid, onderdeel a, geregeld dat de
                        berekeningsgrondslag in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm inclusief de
                        verleende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 PW.</al><al>Op grond van het tweede lid, onderdeel b, is het mogelijk dat het college in
                        incidentele gevallen een maatregel oplegt over de bijzondere bijstand. Er
                        moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende
                        en zijn recht op bijzondere bijstand. Een maatregel kan uitsluitend worden
                        opgelegd als daadwerkelijk bijzondere bijstand is verstrekt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een maatregel</titel></kop><al>Het opleggen van een maatregel op grond van deze verordening vindt plaats
                        door middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende
                        bezwaar en beroep indienen. In dit artikel is aangegeven wat in het besluit
                        in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort
                        uit de Awb en dan vooral uit het motiveringsvereiste. Het
                        motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van
                        een deugdelijke motivering is voorzien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>Op grond van Afdeling 4.1.2 Awb is in een aantal gevallen het horen van de
                        belanghebbende</al><al>verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze hoorplicht geldt
                        echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die betrekking hebben op
                        een financiële aanspraak (artikel 4:12 Awb).</al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel
                        wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven.</al><al><vet><cursief>Tweede lid</cursief></vet></al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                        onderdelen a en b staan ook</al><al>genoemd in artikel 4:11 Awb.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel “indien elke vorm van
                        verwijtbaarheid ontbreekt", is overgenomen uit artikel 18, negende lid PW,
                        respectievelijk artikel 20, derde lid IOAW en artikel 20, derde lid IOAZ.
                        Aangenomen moet worden dat hiervan uitsluitend sprake is bij evidente
                        afwezigheid van verwijtbaarheid . Het is aan het college te beoordelen of
                        elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is
                        vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een
                        maatregel, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze
                        gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op grond van artikel 18,
                        eerste lid PW van een maatregel afgezien dan is daarin geen reden gelegen om
                        de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval van
                        recidive.</al><al>Bij mensen met een verstandelijke beperking of psychische aandoening zal met
                        inschakeling van deskundigen onderzocht worden of er sprake is van
                        verwijtbaarheid. </al><al/><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                        gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                        effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat
                        de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden regelt artikel
                        6, eerste lid, onderdeel b van deze verordening dat het college geen
                        maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben
                        plaatsgevonden. Dit heeft tevens als voordeel dat een uitkeringsgerechtigde
                        niet te lang in onzekerheid wordt gehouden over de vraag of het college
                        overgaat tot het opleggen van een maatregel.</al><al><vet><cursief>Tweede lid</cursief></vet></al><al>In het tweede lid is geregeld dat kan worden afgezien van het opleggen van
                        een maatregel als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.</al><al>De verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een
                        maatregel voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn als voor de
                        belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het woord
                        "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de
                        hand moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd
                        zijn. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en
                        kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. Er kan worden gedacht aan
                        enerzijds een mindere mate van verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging
                        en anderzijds aan de financiële of sociale gevolgen voor belanghebbende
                        en/of diens gezin. Daarbij moet worden opgemerkt dat ernstige financiële
                        gevolgen op zichzelf geen reden zijn om van een maatregel af te zien, omdat
                        dit inherent is aan het opleggen van een maatregel.</al><al><vet><cursief>Afzien maatregel ook mogelijk bij geüniformeerde
                                arbeidsverplichtingen</cursief></vet></al><al>De wet schrijft bij overtreding van een geüniformeerde arbeidsverplichting
                        een afstemming voor van honderd procent van de bijstand gedurende één tot
                        drie maanden. Op grond van artikel 18, tiende lid PW moet het college een op
                        te leggen maatregel of een opgelegde maatregel afstemmen op de
                        omstandigheden van een belanghebbende en diens mogelijkheden om middelen te
                        verwerven. Dit als - volgens het college - dringende redenen daartoe
                        noodzaken, gelet op bijzondere omstandigheden. Op grond van bijzondere
                        omstandigheden kan het college besluiten de maatregel op een lager niveau,
                        voor een kortere duur of op nul vast te stellen.</al><al><vet><cursief>Derde lid</cursief></vet></al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling in een beschikking dat het college
                        afziet van het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van
                        belang in verband met eventuele recidive.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een maatregel</titel></kop><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>Het opleggen van een maatregel op een uitkering die in de nabije toekomst
                        wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode. Dan hoeft niet te worden
                        overgegaan tot herziening van de uitkering en terugvordering van het te veel
                        betaalde bedrag. In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een maatregel
                        wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt
                        op de kalendermaand waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening
                        van de hoogte van de maatregel moet worden uitgegaan van de voor die maand
                        geldende bijstandsnorm.</al><al><vet><cursief>Tweede lid</cursief></vet></al><al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die
                        gevallen kan de maatregel met terugwerkende kracht worden toegepast. Het
                        afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere vorm
                        van herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot te veel
                        verstrekte uitkering. De uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit
                        te veel is verstrekt kan met toepassing van artikel 58, tweede lid,
                        onderdeel a PW, respectievelijk artikel 25, tweede lid IOAW en IOAZ, worden
                        teruggevorderd. Afstemming met terugwerkende kracht is echter niet altijd
                        mogelijk. Als alle uitkering over de betreffende periode is ingetrokken en
                        teruggevorderd, resteert er niets meer om af te stemmen. Is geen duidelijke
                        datum te koppelen aan de gedraging van een belanghebbende of is de verlaging
                        het gevolg van een gedraging voorafgaande aan de aanvraag, dan is verlagen
                        met terugwerkende kracht evenmin mogelijk en kan de verlaging uitsluitend
                        naar de toekomst toe worden toegepast. Denk bijvoorbeeld aan het nalaten om
                        voldoende te solliciteren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Gedragingen Participatiewet</titel></kop><al>De artikelen 8 en 10 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In
                        artikel 8 worden schendingen van verplichtingen uit de PW geformuleerd.</al><al>De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 8 zijn ondergebracht
                        in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 10 een gewicht
                        toegekend. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een
                        gedraging wordt ernstiger geacht en leidt tot een hogere maatregel naarmate
                        de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of
                        behouden van betaalde arbeid.</al><al><vet><cursief>Niet of onvoldoende nakomen van
                        verplichtingen</cursief></vet></al><al>De verwijtbare gedragingen omvatten zowel het niet als het onvoldoende
                        nakomen van diverse verplichtingen. Artikel 18, tweede lid WWB zoals dat
                        luidde vóór 1 januari 2015, bepaalde dat het college moest afstemmen als een
                        belanghebbende de verplichtingen "niet of onvoldoende nakomt". Met het
                        huidige artikel 18, tweede lid PW wordt dit gewijzigd in "het niet nakomen
                        van de verplichtingen". Het woord "onvoldoende" valt hiermee weg. Gemeend
                        wordt dat de wetgever hiermee echter geen inhoudelijke wijziging heeft
                        beoogd en dat dit moet worden gelezen als het niet of onvoldoende nakomen
                        van verplichtingen. Om onduidelijkheid hierover te voorkomen is daarom in
                        artikel 8 neergelegd dat sprake is van een verwijtbare gedraging bij het
                        niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen.</al><al><vet><cursief>Sub a</cursief></vet></al><al>Dit onderdeel behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet><cursief>Sub b</cursief></vet></al><al>De eerste twee onderdelen hebben betrekking op personen jonger dan 27 jaar.
                        Voor hen gelden specifieke verplichtingen. Zo worden zij beoordeeld op hun
                        inspanningen in de eerste vier weken na de melding (artikel 43, vierde en
                        vijfde lid PW). Is geen enkele inspanning verricht, dan bestaat op grond van
                        artikel 13, tweede lid, onderdeel d PW geen recht op bijstand. Zijn er wel
                        inspanningen verricht, maar naar het oordeel van het college onvoldoende,
                        dan legt het college een maatregel op. De maatregel kan in principe al
                        worden toegepast op basis van de grondslagen zoals genoemd in artikel 8 van
                        deze verordening. Een aparte grondslag is strikt genomen niet noodzakelijk.
                        Het zou wellicht zelfs tot verwarring kunnen leiden als het bijvoorbeeld
                        gaat om een belanghebbende die in de vijfde of zesde week na de melding de
                        fout in gaat. Desalniettemin is het niet of onvoldoende verrichten van
                        inspanningen vanwege de herkenbaarheid toch als aparte gedraging genoemd
                        opgenomen in de maatregelenverordening (zie artikel 8, sub b, ten
                        tweede).</al><al><vet><cursief>Niet verlenen van medewerking</cursief></vet></al><al><onderstreept>Inlichtingenplicht</onderstreept></al><al>Het niet verlenen van medewerking in het kader van de inlichtingenplicht zal
                        niet snel aanleiding geven tot een maatregel. Het belangrijkste voorbeeld
                        van de medewerkingsplicht is het toestaan van een huisbezoek. In de praktijk
                        zal het niet toestaan van een huisbezoek echter leiden tot beëindiging of
                        intrekking van het recht op bijstand of uitkering omdat het recht op
                        bijstand of uitkering niet kan worden vastgesteld. Een maatregel is in dat
                        geval niet aan de orde. In de praktijk betreft het echter veelal oproepen
                        voor gesprekken om bepaalde inlichtingen te verstrekken zodat het niet
                        verschijnen dan wordt gezien als het niet nakomen van de inlichtingenplicht.
                        Daarom is ervoor gekozen het niet verlenen van medewerking in het kader van
                        de inlichtingenplicht zoals bedoeld in de artikel 17, tweede lid PW, artikel
                        13, tweede lid IOAW en artikel 13, tweede lid IOAZ niet als
                        maatregelwaardige gedraging op te nemen in deze verordening.</al><al><onderstreept>Arbeidsinschakeling</onderstreept></al><al>Het voldoen aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen
                        in verband met arbeidsinschakeling valt ook onder het voldoen aan de
                        medewerkingsplicht.</al><al>Het niet daaraan voldoen is wel als maatregelwaardige gedraging in de
                        verordening opgenomen. Bij belanghebbenden die niet verschijnen schort het
                        college de bijstandsuitkering op. Vervolgens krijgen zij een hersteltermijn
                        met een herhaalde oproep. Verschijnen zij wederom niet, dan trekt het
                        college de bijstandsuitkering in (artikel 54 PW). Geeft belanghebbende wel
                        gehoor aan deze tweede oproep, dan legt het college een maatregel op omdat
                        belanghebbende niet verscheen naar aanleiding van de eerste oproep (artikel
                        8, sub b, ten derde).</al><al><onderstreept>Alleenstaande ouders</onderstreept></al><al>Op verzoek krijgt de alleenstaande ouder met een kind jonger dan vijf jaar
                        van het college een ontheffing van de verplichting zich actief op te stellen
                        op de arbeidsmarkt (artikel 9a, eerste lid PW).</al><al>Wel blijft de alleenstaande ouder verplicht mee te werken aan een
                        re-integratietraject. Dit traject zal voor ouders zonder startkwalificatie
                        veelal bestaan uit scholing (artikel 9a, tiende lid PW). Ouders met
                        startkwalificatie kunnen op verzoek in aanmerking komen voor een
                        vervolgopleiding (artikel 9a, elfde lid PW). Colleges zijn verplicht een
                        maatregel op te leggen als uit houding en gedragingen van de alleenstaande
                        ouder blijkt dat deze niet aan de re-integratieplicht wil voldoen (artikel
                        9a, twaalfde lid PW). Dit moet dan wel bij verordening geregeld zijn
                        (artikel 8 lid 1 onderdeel d PW). Artikel 8 sub b, ten vierde van de
                        verordening regelt dit.</al><al><onderstreept>Tegenprestatie</onderstreept></al><al>Indien een bijstandsgerechtigde niet naar vermogen meewerkt aan een door het
                        college opgedragen tegenprestatie, is sprake van een maatregelwaardige
                        gedraging. De bijstandsgerechtigde voldoet dan niet aan de verplichting van
                        artikel 9, eerste lid, onderdeel c PW.</al><al><onderstreept>Niet ingeschreven staan bij
                            </onderstreept><onderstreept>drie</onderstreept><onderstreept>
                            uitzendbureaus</onderstreept></al><al>In de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid en vijfde
                        lid PW) is onder andere opgenomen dat de bijstandsgerechtigde die van het
                        college de verplichting opgedragen heeft gekregen om bij een uitzendbureau
                        ingeschreven te staan en daar niet aan voldoet, een maatregel krijgt van
                        100% van de bijstandsnorm. De verplichting om bij één uitzendbureau
                        ingeschreven te staan, draagt naar het oordeel van het college onvoldoende
                        bij aan een actieve opstelling op de arbeidsmarkt. Het college legt daarom
                        in principe vanaf datum melding belanghebbenden de verplichting op om bij
                        minimaal drie uitzendbureaus ingeschreven te staan. Staat een belanghebbende
                        wel bij uitzendbureaus ingeschreven, maar bij minder dan drie dan legt het
                        college een maatregel op van 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand.
                        Staat een belanghebbende in het geheel niet bij een uitzendbureau
                        ingeschreven dan legt het college conform de geüniformeerde
                        arbeidsverplichtingen een maatregel op van 100%. De duur van deze maatregel
                        is in artikel 13 geregeld.</al><al><vet><cursief>Sub c</cursief></vet></al><al>Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen
                        (onderdeel c)</al><al>Deze verwijtbare gedraging is niet aan de orde voor zover het gaat om het
                        niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                        als dit het gevolg is van een gedraging zoals bedoeld in artikel 18, vierde
                        lid PW. In artikel 18, vierde lid PW staan de geüniformeerde
                        arbeidsverplichtingen. Voor schending van een geüniformeerde
                        arbeidsverplichting geldt een apart afstemmingsregime: een maatregel van
                        honderd procent gedurende een in de afstemmingsverordening vastgelegde duur
                        van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden (artikel 18, vijfde lid
                        PW). In deze verordening is de duur vastgelegd in artikel 13.</al><al>Er is dus geen sprake van een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in artikel
                        8, sub c, als het niet naar vermogen proberen te verkrijgen van algemeen
                        geaccepteerde arbeid voortvloeit uit een gedraging zoals bedoeld in artikel
                        18, vierde lid PW zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>het niet verkrijgen of niet behouden van kennis en vaardigheden die
                                noodzakelijk zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                arbeid, en</al></li><li nr="-"><al>het belemmeren van het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                                door kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging en gedrag.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>De artikelen 9 en 10 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In
                        artikel 9 worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ
                        geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 9, zijn
                        ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 10 een
                        gewicht toegekend. in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën
                        zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger
                        geacht en leidt tot een hogere maatregel naarmate de gedraging meer concrete
                        gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden van betaalde
                        arbeid.</al><al><vet><cursief>Sub a</cursief></vet></al><al>Dit onderdeel behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet><cursief>Sub b</cursief></vet></al><al>Het niet voldoen aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te
                        verschijnen in verband met arbeidsinschakeling, is in de IOAW en IOAZ niet
                        expliciet onder het voldoen aan de medewerkingsplicht gebracht zoals in de
                        PW. In tegenstelling tot de PW is het dan ook niet mogelijk om een uitkering
                        ingevolge IOAW of IOAZ op te schorten en in te trekken indien belanghebbende
                        niet verschijnt. </al><al>Veelal valt een dergelijke oproep samen met een onderzoek naar de
                        mogelijkheden van arbeidsinschakeling en kan om die reden een maatregel
                        worden opgelegd.</al><al><onderstreept>Niet of onvoldoende gebruik maken van
                            re-integratievoorziening</onderstreept></al><al>Artikel 9 maakt onderscheid tussen twee situaties. De situatie waarin de
                        gedraging niet leidt tot het geen doorgang vinden of beëindiging van de
                        voorziening en de situatie waarin dat wel het geval is. Het eerste is minder
                        verwijtbaar dan het laatste. Reden waarom de eerste situatie is
                        ondergebracht in de tweede categorie en de tweede situatie in de derde
                        categorie.</al><al><onderstreept>Tegenprestatie</onderstreept></al><al>Indien een uitkeringsgerechtigde niet naar vermogen meewerkt aan een door
                        het college opgedragen tegenprestatie, is sprake van een maatregelwaardige
                        gedraging. De uitkeringsgerechtigde voldoet dan niet aan de verplichting van
                        artikel 37, eerste lid, onderdeel f IOAW respectievelijk IOAZ.</al><al><onderstreept>Niet ingeschreven</onderstreept><onderstreept> staan bij
                            </onderstreept><onderstreept>drie</onderstreept><onderstreept>
                            uitzendbureaus</onderstreept></al><al>Het college verwacht van belanghebbenden een actieve opstelling richting
                        arbeidsmarkt. Het legt daarom in principe vanaf datum melding
                        belanghebbenden de verplichting op om bij minimaal drie uitzendbureaus
                        ingeschreven te staan. Doet belanghebbende dat niet, dan legt het college
                        een maatregel op van 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand.</al><al><vet><cursief>Sub c</cursief></vet></al><al>Voor de hoogte van de maatregel sluit de verordening aan bij de
                        geüniformeerde arbeidsverplichtingen geldend op grond van de PW. Zie
                        toelichting artikel 10.</al><al>Voor het niet of onvoldoende gebruik maken van door het college aangeboden
                        voorzieningen wordt verwezen naar de toelichting op sub b.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al>Zie voor de maatregelwaardige gedragingen de toelichting bij de artikelen 8
                        en 9.</al><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>Met de Wet Maatregelen WWB zijn geüniformeerde arbeidsverplichtingen en
                        bijbehorende maatregelen geïntroduceerd (Zie artikel 18, vierde en vijfde
                        lid PW). Er is voor gekozen bij de zwaarte van de afstemming zoveel mogelijk
                        aan te sluiten bij de forse maatregelen voor het schenden van geüniformeerde
                        arbeidsverplichtingen. Dit omwille van eenvoud en duidelijkheid. Bovendien
                        zijn diverse geüniformeerde arbeidsverplichtingen verwant aan de gedragingen
                        als bedoeld in de artikelen 8 en 9 van deze verordening.</al><al><vet><cursief>Tweede lid</cursief></vet></al><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging sprake is
                        van een herhaling van de</al><al>verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                        uitdrukking gebracht in een</al><al>verdubbeling van de duur van de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging
                        wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest voor het
                        opleggen van een maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen
                        niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van
                        twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel
                        is opgelegd, bekend is gemaakt.</al><al><vet><cursief>Derde lid</cursief></vet></al><al>Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging zich wederom
                        schuldig maakt aan een</al><al>verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie binnen de termijn
                        van twaalf maanden, kan een maatregel worden opgelegd van honderd procent
                        van de bijstandsnorm gedurende maximaal drie</al><al>maanden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde
                            arbeid</titel></kop><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>In deze bepaling zijn de mogelijkheden uitgewerkt die de IOAW en IOAZ bieden
                        om de uitkering (tijdelijk en/of blijvend geheel of gedeeltelijk) te
                        weigeren. Artikel 20, eerste lid, onderdelen a en b IOAW en artikel 20,
                        tweede lid, onderdelen a en b IOAZ komen overeen met artikel 24, tweede lid
                        Werkloosheidswet. In de Memorie van Toelichting (toelichting artikelsgewijs)
                        op de Verzamelwet sociale verzekeringen 2007 (kamerstuk 30 682) blijkt dat
                        de wetgever voor wat betreft de</al><al>verwijtbaarheidstoets in de IOAW en IOAZ heeft aangesloten bij de
                        Werkloosheidswet. Het huidige artikel 20 IOAW/IOAZ brengt daar geen
                        wijziging in.</al><al>Als de uitkering volledig wordt geweigerd, kan de belanghebbende in wezen
                        per direct aankloppen voor</al><al>een aanvulling in het kader van de PW. Binnen het kader van de PW zal dan
                        moeten worden beoordeeld of belanghebbende recht heeft op bijstand (in
                        afwijking van de IOAW en IOAZ kent de PW een beperkte vermogensvrijlating en
                        een ruimer inkomensbegrip) en in hoeverre het maatregelwaardige gedrag ook
                        binnen de PW tot een verlaging zou hebben geleid.</al><al>De hoogte van de maatregel is afhankelijk van het inkomen dat verloren is
                        gegaan.</al><al><vet><cursief>Tweede lid</cursief></vet></al><al>Dit lid komt overeen met de laatste zin van artikel 20, tweede lid,
                        onderdeel b IOAW en artikel</al><al>20, eerste lid, onderdeel b IOAZ zoals die tot 1 juli 2010 gold.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid</titel></kop><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>In deze bepaling is de mogelijkheid die de IOAW en IOAZ biedt om de
                        uitkering (tijdelijk en/of blijvend</al><al>geheel of gedeeltelijk) te weigeren volledig uitgewerkt.</al><al><vet><cursief>Tweede lid</cursief></vet></al><al>De hoogte van de maatregel is afhankelijk van het inkomen dat belanghebbende
                        met het verrichten van deze inkomsten had kunnen verwerven.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Duur verlaging bij schending geüniformeerde
                            arbeidsverplichting</titel></kop><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>De eerste keer dat het college een verwijtbaar niet naleven van een
                        geüniformeerde arbeidsverplichting vaststelt, bedraagt de verlaging honderd
                        procent van de bijstandsnorm gedurende een bij deze verordening vastgestelde
                        periode van één maand (artikel 18, vijfde lid, eerste volzin PW).</al><al><vet><cursief>Tweede lid</cursief></vet></al><al>Bij recidive als bedoeld in artikel 18, zesde lid PW verdubbelt het college
                        de duur van de maatregel. De hoogte en duur van de maatregel is in de wet
                        geregeld voor die gevallen waarin belanghebbende voor een derde maal binnen
                        12 maanden de geüniformeerde arbeidsverplichting niet nakomt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Beleidsregels inkeerregeling</titel></kop><al>Op verzoek van de belanghebbende kan het college de maatregel herzien zodra
                        uit de houding en gedragingen van de belanghebbende ondubbelzinnig is
                        gebleken dat hij de verplichtingen, waarvoor een maatregel is opgelegd,
                        alsnog nakomt. Het moet dan wel gaan om een maatregel wegens schending van
                        een van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen (artikel 18, vierde lid
                        PW).</al><al>Op basis van door het college vast te stellen beleidsregels, wordt het
                        verzoek beoordeeld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>Aan de PW ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie
                        in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet
                        mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat
                        iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te
                        voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of
                        voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van
                        een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in
                        het bestaan.</al><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>Op grond van artikel 15 van deze verordening kan een maatregel worden
                        opgelegd wegens het betonen van tekortschietend besef van
                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de
                        gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat
                        is in dit geval het gedeelte van de uitkering waarop eerder, langer of tot
                        een hoger bedrag een beroep wordt gedaan.</al><al>Maar ook wanneer het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld, kan een
                        maatregel worden opgelegd. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan de
                        boedelscheiding die nog niet rond is.</al><al><vet><cursief>Tweede en derde lid</cursief></vet></al><al>De hoogte de maatregel is afhankelijk van het feit of sprake is van een
                        benadelingsbedrag. In artikel 1 van de verordening is het benadelingsbedrag
                        nader gedefinieerd. De duur van de maatregel is in beide gevallen één
                        maand.</al><al><vet><cursief>Vierde lid</cursief></vet></al><al>Dit lid is opgenomen om te voorkomen dat de maatregel niet in verhouding
                        staat tot het benadelingsbedrag. De maatregel bedraagt echter minimaal 20%
                        van de bijstandsnorm. Dat is ook het geval indien geen sprake is van een
                        benadelingsbedrag.</al><al><vet><cursief>Vijfde lid</cursief></vet></al><al>Bij recidive wordt de duur van de maatregel verlengd met één maand.</al><al><vet><cursief>Zesde lid</cursief></vet></al><al>In het zesde lid staat een aantal gedragingen dat in ieder geval tot een
                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid leidt.</al><al><onderstreept>Bijstand in de vorm van een geldlening</onderstreept></al><al>Als sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan het
                        college tevens besluiten de bijstand in de vorm van een geldlening te
                        verstrekken. Dit volgt uit artikel 48, tweede lid, onderdeel b PW. Als het
                        college besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand én verlaging)
                        moet het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de
                        bijstandsgerechtigde.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>Onder de term 'zeer ernstige misdraging' dient in elk geval te worden
                        verstaan: elke vorm van ongewenst en agressief fysiek contact met een
                        persoon of het ondernemen van pogingen daartoe. Hieronder valt bijvoorbeeld
                        schoppen, slaan of het (dreigen met) gooien van voorwerpen naar een persoon.
                        Ook het toebrengen van schade aan een gebouw of inventarisonderdeel, evenals
                        het ondernemen van pogingen daartoe in enige vorm wordt als zeer ernstige
                        misdraging gezien. Handelingen die door hun grote en mogelijk blijvende
                        impact op de desbetreffende persoon of personen grote invloed hebben zoals
                        het opzetten van gerichte lastercampagnes, seksuele intimidatie, het tonen
                        van steek en/of vuurwapens evenals (pogingen tot) opsluiting in een ruimte
                        zijn eveneens als zeer ernstige misdraging te beschouwen. Ook verbaal geweld
                        valt onder de noemer 'zeer ernstige misdraging'.</al><al>Het gaat dus om alle vormen van zeer ernstige misdragingen tegenover de met
                        de uitvoering van de Participatiewet belaste personen en instanties
                        (college, SVB en re-integratiebedrijven) tijdens het verrichten van hun
                        werkzaamheden. Met de zinsnede 'tijdens het verrichten van de werkzaamheden'
                        wordt aangegeven dat de misdraging dient plaats te vinden in het kader van
                        de uitvoering van de Participatiewet. Dat is anders als betrokkenen elkaar
                        buiten werktijd tegen komen: dan is alleen het strafrecht van
                        toepassing.</al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de verplichting om zich te onthouden van
                        zeer ernstige misdragingen een zelfstandige verplichting die is opgenomen in
                        artikel 9, zesde lid PW.</al><al>Deze verplichting staat dus op zichzelf. Vóór 1 januari 2015 was dit een
                        onzelfstandige verplichting. Om een belanghebbende te sanctioneren wegens
                        zeer ernstige misdragingen, moest sprake zijn van een samenhang tussen de
                        zeer ernstige misdragingen met het niet nakomen van een of meer
                        verplichtingen die voortvloeien uit de toenmalige WWB, IOAW of IOAZ.</al><al><vet><cursief>Tweede lid</cursief></vet></al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                        verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle
                        gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. Ook verbaal geweld valt onder de
                        noemer 'zeer ernstige misdraging'.</al><al>Het college kan alleen een verlaging opleggen als er een verband bestaat
                        tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij het
                        vaststellen van het recht op een uitkering. De IOAW en IOAZ bevatten immers
                        geen afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige misdragingen.
                        Het recht op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens het zich
                        zeer ernstig misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet) nakomen
                        van een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting.</al><al>Vandaar dat in het tweede lid wordt bepaald dat de zeer ernstige
                        misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die
                        rechtstreeks verband houden met de uitvoering van IOAW of IOAZ. Als een
                        belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt, geheel los van een (andere) aan
                        de uitkering verbonden verplichting - hij komt bijvoorbeeld uit eigen
                        beweging stennis maken - dan is binnen de IOAW en IOAZ tegen deze gedraging
                        geen sanctie mogelijk.</al><al><vet><cursief>Derde lid</cursief></vet></al><al>Indien een belanghebbende zich binnen 12 maanden opnieuw ernstig misdraagt,
                        verdubbelt het college de duur van de maatregel.</al><al><vet><cursief>Vierde lid</cursief></vet></al><al>Dit lid omschrijft benoemt een aantal zeer ernstige misdragingen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>De PW geeft het college de bevoegdheid om personen verplichtingen op te
                        leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 PW biedt daartoe de
                        mogelijkheid en beperkt deze tot een viertal categorieën, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                                bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="3."><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand,
                                en</al></li><li nr="4."><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst><al>De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend
                        vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 55
                        PW kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het voorkomen dat
                        de in de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op de
                        individuele omstandigheden van een belanghebbende. Het college zal daarom
                        altijd rekening moeten houden met de individualiseringsbepaling van artikel
                        18, eerste lid PW. Deze bepaling verplicht het college de bijstand af te
                        stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                        belanghebbende. In individuele gevallen kan dus worden afgeweken van de in
                        dit artikel vastgestelde verlaging.</al><al>Bij verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling kan gedacht worden
                        aan:</al><lijst><li nr="-"><al>Medische hulp zoeken;</al></li><li nr="-"><al>Meewerken aan medisch onderzoek;</al></li><li nr="-"><al>Het volgen en afmaken van een agressie regulatietraining.</al></li></lijst><al>Bij verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                        bepaalde vorm van bijstand kan gedacht worden aan:</al><lijst><li nr="-"><al>Bestedingsverplichting bijzondere bijstand (Dit houdt in dat de
                                bijstand moet worden aangewend voor het doel waarvoor zij wordt
                                verstrekt);</al></li><li nr="-"><al>Verplichting tot het niet maken van nieuwe schulden.</al></li></lijst><al>Bij verplichtingen die strekken tot vermindering of beëindiging van de
                        bijstand kan gedacht worden aan:</al><lijst><li nr="-"><al>De verplichting alimentatie te vorderen ten behoeve van zichzelf
                                en/of de kinderen.</al></li><li nr="-"><al>De verplichting een voorlopige teruggaaf bij de belastingdienst in
                                te dienen.</al></li></lijst><al><vet><cursief>Tweede lid</cursief></vet></al><al>Indien belanghebbende niet in staat is om verantwoord om te gaan met zijn
                        bijstandsuitkering kan hij/zij verplicht worden mee te werken aan een
                        budgettering.</al><al><vet><cursief>Derde en vierde lid</cursief></vet></al><al>Hierin is de maatregel bij recidive geregeld. De budgetteringsplicht is niet
                        onder de reikwijdte van deze leden gebracht. Bij belanghebbende die
                        herhaaldelijk niet meewerken aan de budgetteringsplicht heeft het college
                        nog de mogelijkheid om de bijstand in natura te verlenen op grond van
                        artikel 57, sub b PW.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>Het eerste lid regelt samenloop als sprake is van één gedraging die
                        schending oplevert van meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in deze
                        verordening, artikel 18, vierde lid PW of in beide regelingen. In dat geval
                        wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van
                        de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                        gesteld.</al><al><vet><cursief>Tweede lid</cursief></vet></al><al>Het tweede regelt samenloop als sprake is van meerdere gedragingen die
                        schending opleveren van één of meerdere verplichtingen, die zijn genoemd in
                        deze verordening, artikel 18, vierde lid PW of in beide regelingen. Dit
                        wordt 'meerdaadse samenloop' genoemd. In dat geval wordt voor iedere
                        gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze verlagingen worden in
                        principe gelijktijdig opgelegd. Dit is anders als dit niet verantwoord is.
                        Hierbij spelen factoren zoals de ernst van de gedraging, de mate van
                        verwijtbaarheid en de omstandigheden van een belanghebbende een rol.
                        Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele omstandigheden. De
                        verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd.</al><al><vet><cursief>Derde en vierde lid</cursief></vet></al><al>Het derde en vierde lid regelen in hoeverre een verlaging kan worden
                        opgelegd als sprake is van een verlagingswaardige gedraging die tevens een
                        boetewaardige gedragingen is.</al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in deze
                        verordening opgenomen verplichting als schending van de inlichtingenplicht
                        oplevert, kan de schending van deze verplichtingen niet gezamenlijk worden
                        afgedaan, omdat schending van de inlichtingenplicht (wettelijk) is geregeld
                        in de vorm van een bestuurlijke boete. In het geval zich de situatie
                        voordoet dat er sprake is van samenloop tussen de bestuurlijke boete en
                        afstemming dient het college in het individuele geval te beoordelen welke
                        sanctie wordt opgelegd. Bij eendaadse samenloop ligt het voor de hand één
                        sanctie op te leggen. Het college bepaalt of al dan niet een boete wordt
                        opgelegd. Is dit het geval, dan wordt geen verlaging meer opgelegd (derde
                        lid).</al><al>Bij meerdaadse samenloop ligt het voor de hand de gedraging te sanctioneren
                        door het opleggen van een bestuurlijke boete voor zover sprake is van een
                        gedraging waarin ook een beboetbare gedraging zit. Daarnaast kan het college
                        in dit geval nog een of meer maatregelen opleggen, waarbij bij de hoogte van
                        de afstemming zo nodig rekening kan worden gehouden met de boete en de
                        eventuele andere maatregelen (vierde lid).</al><al>Als sprake is van één gedraging die zowel schending van een in artikel 18,
                        vierde lid PW benoemde verplichting als schending van de inlichtingenplicht
                        oplevert, is het voorgaande ook van toepassing.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Het college is op grond van artikel 20 IOAW en artikel 20 IOAZ bevoegd de
                        uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende, kort
                        gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is een
                        discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een verlaging moet
                        worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel
                        heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling
                        gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weigering
                        geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden
                        toegepast.</al><al>Artikel 19 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te
                        voorkomen.</al><al><vet>Artikelen 20 en 21</vet></al><al>Deze artikelen spreken voor zich en worden niet nader toegelicht.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>