<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR347343_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Den Helder</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stadsnieuws 2014, 47</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 147 lid 1 en 2 Gemeentewet en artikel 8 lid 1 en 2 Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-10-09</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Regeling vervangt Afstemmingsverordening WWB 2013.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RB14.0117</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vervangt Afstemmingsverordening WWB 2013</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-17863</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Participatiewet</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                                worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college : het college van burgemeester en wethouders van
                                        Den Helder;</al></li><li nr="b."><al>de wet : de Participatiewet;</al></li><li nr="c."><al>bijstand : de algemene en bijzondere bijstand als bedoeld in
                                        artikel 5 onderdeel b en d,van de wet;</al></li><li nr="d."><al>de bijstandsnorm : de bijstandsnorm zoals gedefinieerd in
                                        artikel 5 onder c van de wet;</al></li><li nr="e."><al>afstemming : het verlagen van de bijstand op grond van
                                        artikel 18 tweede lid van de wet;</al></li><li nr="f."><al>participatie-instrumenten : instrumenten die het college ter
                                        beschikking heeft voor het bieden van ondersteuning als
                                        bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                                        wet;</al></li><li nr="g."><al>participatietraject : een plan, bestaande uit een geheel van
                                        participatie-instrumenten, dat tot doel heeft om binnen een
                                        bepaald tijdsbestek te komen tot arbeidsinschakeling of
                                        zelfstandige maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="h."><al>zoekperiode : de periode van vier weken na de melding,
                                        waarin de belanghebbendeaantoonbare inspanningen heeft
                                        gepleegd om werk te vinden of terug te keren naar
                                        school;</al></li><li nr="i."><al>geüniformeerde : verplichtingen welke opgenomen zijn in
                                        artikel 18, vierde lid, van de wetverplichtingen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het toepassen van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In overeenstemming met deze verordening wordt de bijstand verlaagd
                                indien de belanghebbende:</al><lijst><li nr="a."><al>niet of onvoldoende de verplichtingen voortvloeiende uit de
                                        wet nakomt;</al></li><li nr="b."><al> blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                        bestaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende en
                                kan daarom afwijken van de in deze verordening genormeerde
                                verlagingen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Duur verlaging</titel></kop><al>Bij het niet of onvoldoende nakomen van de verplichtingen als bedoeld in
                            artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging
                            100% van de bijstandsnorm gedurende één maand. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verrekening verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bedrag van de verlaging wordt verrekend over één maand, indien
                                belanghebbende de volgende verplichtingen niet of onvoldoende is
                                nagekomen:</al><lijst><li nr="-"><al>het aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde
                                        arbeid(artikel 4, onderdeel a, van de wet);</al></li><li nr="-"><al>bereid zijn om te verhuizen, indien het college is gebleken
                                        dat er geen andere mogelijkheid is voor het naar vermogen
                                        verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid, en de belanghebbende een
                                        arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste een jaar en
                                        netto beloning die ten minste gelijk is aan de voor de
                                        belanghebbende geldende bijstandsnorm, kan aangaan (artikel
                                        18, vierde lid, onderdeel e, van de wet).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bedrag van de verlaging wordt verrekend in gelijke delen over
                                drie maanden, indien belanghebbende de volgende verplichtingen niet
                                of onvoldoende is nagekomen:</al><lijst><li nr="-"><al>het uitvoering geven aan de door het college opgelegde
                                        verplichting om ingeschreven te staan bij een uitzendbureau
                                        (artikel 18, vierde lid, onderdeel b, van de wet);</al></li><li nr="-"><al>het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                        arbeid in een andere dan de gemeente van inwoning, alvorens
                                        naar die gemeente te verhuizen (artikel 18, vierde lid,
                                        onderdeel c, van de wet);</al></li><li nr="-"><al>bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale
                                        reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor
                                        het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden
                                        van algemeen geaccepteerde arbeid (artikel 18, vierde lid,
                                        onderdeel d, van de wet);</al></li><li nr="-"><al>het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden,
                                        noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, het
                                        aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid
                                        (artikel 18, vierde lid, onderdeel f, van de wet);</al></li><li nr="-"><al>het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden
                                        van algemeen geaccepteerde arbeid niet belemmeren door
                                        kleding, gebrek aan persoonlijke verzorging of gedrag
                                        (artikel 18, vierde lid, onderdeel g, van de wet);</al></li><li nr="-"><al>het gebruik maken van door het college aangeboden
                                        voorzieningen, waaronder begrepen sociale activering,
                                        gericht op arbeidsinschakeling en mee te werken aan
                                        onderzoek naar zijn of haar mogelijkheden tot
                                        arbeidsinschakeling (artikel 18, vierde lid, onderdeel h,
                                        van de wet).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op grond van bijzondere omstandigheden kan afgeweken worden van de
                                bepaling van lid 1 en kan het bedrag van de verlaging verrekend
                                worden in gelijke delen over drie maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Recidive geüniformeerde verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer binnen twaalf maanden na de eerste als verwijtbaar
                                aangemerkte gedraging voor een tweede maal de verplichtingen als
                                bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of
                                onvoldoende worden nagekomen, bedraagt de verlaging 100% van de
                                bijstandsnorm gedurende twee maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bedrag van de verlaging wordt verrekend over twee maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verzoek om herziening</titel></kop><al>Een verzoek om herziening van de verlaging welke is opgelegd op grond
                            van artikel 18, vijfde, zesde, zevende of achtste lid, van de
                            Participatie kan uitsluitend schriftelijk worden ingediend. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Niet nakomen van de overige verplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Voor de bepaling van de hoogte van de verlagingen bij schending van
                            verplichtingen die niet opgenomen zijn in artikel 18, vierde lid, van de
                            Participatiewet, wordt, onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede
                            lid, een categorie-indeling gehanteerd op basis van de verwijtbare
                            gedraging. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Eerste categorie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als
                                        bedoeld in artikel 55 van de wet;</al></li><li nr="b."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende het
                                        Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet
                                        tijdig laten verlengen van de registratie;</al></li><li nr="c."><al>het zonder afbericht geen gehoor geven aan een schriftelijke
                                        uitnodiging in verband meteen gesprek over
                                        participatie(mogelijkheden).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het percentage van de standaard verlaging bedraagt 15% van de
                                bijstandsnorm.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Tweede categorie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>gedurende de zoekperiode onvoldoende activiteiten of
                                        inspanningen plegen om algemeen geaccepteerde arbeid te
                                        vinden;</al></li><li nr="b."><al>het onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en
                                        evalueren van het plan van aanpak met betrekking tot de
                                        arbeidsinschakeling in het kader van de gemeentelijke
                                        ondersteuning;</al></li><li nr="c."><al>het niet dan wel onvoldoende meewerken aan het onderzoek
                                        naar de mogelijkheden tot scholing,arbeidsinschakeling dan
                                        wel maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="d."><al>het zich niet onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling
                                        van medische aard;</al></li><li nr="e."><al>het niet dan wel onvoldoende gebruik maken van een door het
                                        college aangeboden participatie-instrument, voor zover dit
                                        niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                        voortijdige beëindiging </al><al> van het participatietraject.</al></li><li nr="f."><al>het niet naar vermogen door het college opgedragen
                                        onbeloonde maatschappelijke nuttige werkzaamheden te
                                        verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op
                                        reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de
                                        arbeidsmarkt.</al></li><li nr="g."><al>het blijk geven van tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in hetbestaan door
                                        vermogen op onverantwoord snelle wijze in te teren.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het percentage van de standaard verlaging bedraagt 30% van de
                                bijstandsnorm.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Derde categorie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>het niet nakomen van de afspraken in het plan van aanpak met
                                        betrekking tot de arbeidsinschakeling in het kader van de
                                        gemeentelijke ondersteuning, tenzij het een gedraging
                                        betreft genoemd in artikel 18, lid 4, van de
                                        Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>het nalaten de opgedragen werkzaamheden of activiteiten naar
                                        beste vermogen te verrichten;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het percentage van de standaard verlaging bedraagt 50% van de
                                bijstandsnorm.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Vierde categorie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                        arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het blijk geven van tekortschietend besef van
                                        verantwoordelijkheid voor de voorziening in hetbestaan,
                                        waaronder in ieder geval wordt verstaan het niet of te laat
                                        aanvragen van een voorliggende voorziening; </al></li><li nr="c."><al>het stellen van onredelijke eisen in verband met de te
                                        verrichten algemeen geaccepteerdearbeid, die het aanvaarden
                                        of verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid
                                        belemmeren;</al></li><li nr="d."><al>het zich niet onthouden van zeer ernstige gedragingen jegens
                                        de met de uitvoering van de wet belastepersonen en
                                        instanties tijdens het verrichten van hun
                                        werkzaamheden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het percentage van de standaard verlaging bedraagt 100% van de
                                bijstandsnorm.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Uitvoeringsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast op de voor de belanghebbende van
                                toepassing zijnde bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien de belanghebbende
                                bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van
                                de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast met ingang van de kalendermaand volgend
                                op de datum waarop het besluit tot het verlagen van de bijstand aan
                                de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de
                                voor die maand geldende bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tenzij het betreft het onverantwoord interen van het vermogen of het
                                schenden van een verplichting die opgenomen is in artikel 18, vierde
                                lid, van de Participatiewet vindt de verlaging van de bijstand
                                plaats:</al><lijst><li nr="a."><al>voor de duur van één kalendermaand, wanneer er sprake is van
                                        een eerste verwijtbare gedraging;</al></li><li nr="b."><al>voor de duur van twee kalendermaanden, wanneer er sprake is
                                        van een tweede verwijtbaregedraging, waarvoor hetzelfde of
                                        een hoger verlagingspercentage geldt, binnen twaalf maanden
                                        na de eerste als verwijtbaar aangemerkte gedraging.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij een derde en volgende gedraging, waarvoor
                                hetzelfde of een hoger verlagingspercentage geldt, binnen twaalf
                                maanden na de laatste als verwijtbaar aangemerkte gedraging de
                                bijstand voor onbepaalde duur verlagen, rekening houdend met het
                                bepaalde in artikel 2, tweede lid, van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen de bijstand verlagen voor een
                                langere of voor onbepaalde duur, als de ernst van de gedraging, de
                                mate van verwijtbaarheid of de omstandigheden van de belanghebbende
                                daartoe aanleiding geven.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Met betrekking tot de duur van de verlaging bij tekortschietend
                                besef van verantwoordelijkheid voor devoorziening in het bestaan
                                door vermogen op onverantwoord snelle wijze in te teren, stelt het
                                college </al><al> nadere regels.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Het besluit tot toepassen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het toepassen van een verlaging wordt in ieder geval
                            vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd evenals het
                                    bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd;</al></li><li nr="d."><al>de maand(en) waarin de bijstand wordt verlaagd;</al></li><li nr="e."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van een
                                    standaardverlaging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Afzien van het toepassen van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het verlagen van de bijstand indien elke
                                vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan volstaan met een schriftelijke waarschuwing
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeftplaatsgevonden;</al></li><li nr="b."><al>het een eerste verwijtbare gedraging betreft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan afzien van het uitvoeren van de verlaging van de
                                bijstand indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.
                                Omstandigheden die rechtstreeks het gevolg zijn van een als
                                verwijtbaar aan te merken gedraging, zijn geen dringende
                                redenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het college afziet van het toepassen van een verlaging op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt éénmaal een
                                verlaging toegepast. Indien voor schending van die verplichtingen </al><al> verlagingen van verschillende percentages gelden, wordt de
                                verlaging met het hoogste percentage toegepast.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in de wetgenoemde verplichtingen, wordt voor
                                iedere gedraging een afzonderlijke verlaging toegepast. Deze </al><al> verlagingen worden gelijktijdig toegepast, tenzij dit gelet op
                                artikel 2, tweede lid, niet verantwoord is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Heroverweging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college heroverweegt de verlaging van de bijstand bedoeld in
                                artikel 7 onder e en 13 vierde en vijfde lid, als de verlaging wordt
                                toegepast voor een periode van meer dan drie maanden, binnen de
                                termijn van ten hoogste drie maanden na de datum van het besluit tot
                                verlaging.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het kader van de in het eerste lid bedoelde heroverweging
                                beoordeelt het college of en in hoeverre de omstandigheden en het
                                gedrag van de belanghebbende aanleiding geven te besluiten tot
                                beëindiging of voortzetting van het toepassen van de verlaging van
                                de bijstand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij een besluit tot voortzetting van het toepassen
                                van de verlaging van de bijstand het percentage van de verlaging
                                verdubbelen, rekening houdend met het gestelde in artikel 2 tweede
                                lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening,
                            nadere regels vaststellen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in individuele bijzondere situaties ten gunste van de
                            belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien
                            toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende </al><al>aard leidt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Voor lopende onderzoeken die betrekking hebben op verwijtbare
                            gedragingen vóór 1 januari 2015, geldt dat deze gedragingen zullen
                            worden beoordeeld conform het gestelde in de Afstemmingsverordening WWB
                            2013, die geldt vanaf 1 januari 2013.</al><al>Voor de beoordeling van recidive op grond van deze verordening geldt dat
                            alle al vastgestelde besluiten tot verlaging van de bijstand op grond
                            van voorgaande afstemmingsverordeningen<vet>, </vet>zoals die van
                            toepassing waren vóór 1 januari 2015, meetellen bij de beoordeling van
                            recidive.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening
                            Participatiewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Na haar bekendmaking treedt de verordening in werking op 1
                                    januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze verordening is
                                    ingetrokken de Afstemmingsverordening WWB 2013, door de raad
                                    laatstelijk vastgesteld in zijn vergadering van 11 december
                                    2012.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de raadsvergadering van 20 oktober 2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Koen Schuiling, voorzitter</ondertekening><ondertekening>mr. drs. M. Huisman, griffier</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Den Helder/i246682.pdf">Toelichting</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>