<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR347336_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening toeristenbelasting 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elektronisch Gemeenteblad, 17-11-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening toeristenbelasting 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=216">Gemeentewet,art. 216</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=224">Gemeentewet,art. 224</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015/06/001712; Z2015-003532</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vervangen door de '<extref doc="1.1:CVDR381281_1">Verordening toeristenbelasting 2016</extref>'.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening toeristenbelasting 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>1. De verordening </al><al/><al><vet>De raad van de gemeente Zandvoort:</vet></al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4
                        september 2014;</al><al>gelet op de overwegingen van de commissie Bestuur en Middelen van 7 oktober
                        2014</al><al>gelet op artikel 216 en 224 van de Gemeentewet;</al><al>besluit de volgende verordening, inclusief toelichting, vast te
                        stellen:</al><al/><al>VERORDENING TOERISTENBELASTING 2015.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1.1 BEGRIPSBEPALINGEN </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>het college: </vet>het college van burgemeester en
                                    wethouders van de gemeente Zandvoort;</al></li><li nr="b."><al><vet>de raad: </vet>de gemeenteraad van Zandvoort;</al></li><li nr="c."><al><vet>ambtenaar belast met de heffing: </vet>de gemeenteambtenaar
                                    die door het college is aangewezen als de in artikel 231, tweede
                                    lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar belast
                                    met de heffing van de gemeentelijke belastingen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.2 NORMSTELLING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit</titel></kop><al>Onder de naam 'toeristenbelasting' wordt een directe belasting geheven
                            voor het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen
                            een vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als
                            ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen
                            zijn ingeschreven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot verblijf als
                                bedoeld in artikel 2;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te
                                verhalen op degene die verblijf houdt als bedoeld in artikel 2;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als er geen persoon is aan te wijzen die gelegenheid biedt tot
                                verblijf, is degene belastingplichtig die verblijf houdt als bedoeld
                                in artikel 2.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>De belasting wordt niet geheven voor het verblijf:</al><lijst><li nr="1."><al>van degene die verblijft in een toegelaten instelling als
                                    bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet Toelating Zorg
                                    instellingen;</al><al/></li><li nr="2."><al>van een vreemdeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van
                                    de Vreemdelingenwet 2000, die rechtmatig in Nederland verblijft
                                    in de zin van artikel 8, letters c, d, f, g, h, van voornoemde
                                    wet, en voor zover deze persoon verblijf houdt als bedoeld in
                                    artikel 2 van de Verordening, onder verantwoordelijkheid van het
                                    Centraal Orgaan opvang Asielzoekers;</al><al/></li><li nr="3."><al>van degene die verblijf houdt in een gemeubileerde woning voor
                                    welk verblijf forensenbelasting is verschuldigd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><al>De belasting wordt geheven naar het aantal overnachtingen in het
                            belastingjaar. Het aantal overnachtingen wordt gesteld op het aantal
                            overnachtende personen vermenigvuldigd met het aantal nachten dat zij
                            verblijf houden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Forfaitaire berekeningswijze van de maatstaf van heffing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>kampeermiddel: tent, tentwagen, kampeerauto, caravan dan
                                            wel enig ander onderkomen of ander voertuig of gewezen
                                            voertuig of een gedeelte daarvan, voor zover geen
                                            bouwwerk zijnde waarvoor een omgevingsvergunning voor
                                            een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste
                                            lid, onderdeel a, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                                            is vereist; een en ander voor zover deze onderkomens of
                                            voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of
                                            opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor
                                            recreatief nachtverblijf.</al></li><li nr="b."><al>kampeerterrein: terrein of plaats, geheel of
                                            gedeeltelijk ingericht, en volgens die inrichting
                                            bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen
                                            of geplaatst houden van kampeermiddelen merendeels /
                                            hoofdzakelijk / geheel of nagenoeg geheel ten behoeve
                                            van recreatief nachtverblijf.</al></li><li nr="c."><al>vaste standplaats: een terrein of terreingedeelte dat
                                            deel uitmaakt van een kampeerterrein en dat ter
                                            beschikking wordt gesteld voor de plaatsing van
                                            eenzelfde kampeermiddel gedurende een seizoen of een
                                            jaar.</al></li><li nr="d."><al>volgtijdige standplaats: een terrein of terreingedeelte
                                            dat deel uitmaakt van een kampeerterrein en dat ter
                                            beschikking wordt gesteld voor de volgtijdige plaatsing
                                            van verschillende kampeermiddelen.</al></li><li nr="e."><al>woning: een huis, een naar aard en inrichting
                                            vergelijkbare ander onderkomen of een deel van een huis
                                            of een vergelijkbaar onderkomen.</al></li><li nr="f."><al>particulier: een natuurlijk persoon die buiten de
                                            uitoefening van een bedrijf of beroep gelegenheid biedt
                                            tot verblijf.</al></li><li nr="g."><al>particulier verhuurde woning: een woning die door een
                                            particulier ter beschikking wordt gesteld voor het
                                            houden van verblijf met overnachting tegen een
                                            vergoeding in welke vorm dan ook.</al></li><li nr="h."><al>strandhuisjes: bouwwerken op het Noordzeestrand, niet
                                            zijnde een commercieel geëxploiteerde ruimte, in
                                            hoofdzaak bestemd voor en gebezigd als verblijf voor
                                            vakantie- en andere recreatieve doeleinden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor particulier verhuurde woningen, voor kampeermiddelen op
                                    vaste standplaatsen en voor strandhuisjes kan het aantal
                                    overnachtingen bedoeld in artikel 5 op een bij de aangifte
                                    gedaan verzoek van de belastingplichtige forfaitair worden
                                    vastgesteld.</al></li><li nr="3."><al>Bij de forfaitaire berekening voor particulier verhuurde
                                    woningen wordt per woning:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal overnachtende personen gesteld op 2 per
                                            woning indien het aantal aanwezige slaapplaatsen 3 of
                                            minder bedraagt en 3 per woning indien het aantal
                                            slaapplaatsen 4 bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>het aantal nachten gesteld op 90.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Bij de forfaitaire berekening voor strandhuisjes wordt per
                                    strandhuisje:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal overnachtende personen gesteld op 2,74 per
                                            strandhuisje;</al></li><li nr="b."><al>het aantal nachten gesteld op 60.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Bij de forfaitaire berekening voor kampeermiddelen op vaste
                                    standplaatsen wordt per standplaats:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal overnachtende personen gesteld op 2,36
                                            personen;</al></li><li nr="b."><al>het aantal nachten gesteld op 91,75.</al></li></lijst></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Opteren voor niet-forfaitaire maatstaf van heffing</titel></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 6 wordt op een door de
                            belastingplichtige bij de aangifte gedane aanvraag de maatstaf van
                            heffing vastgesteld op het werkelijke aantal overnachtingen, indien
                            blijkt dat dit aantal lager is dan het op grond van artikel 6 berekende
                            aantal.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Belastingtarief</titel></kop><al>Het tarief bedraagt per overnachting € 2,25.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Belastingjaar</titel></kop><al>Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na aanvang van het belastingjaar kan aan de belastingplichtige een
                                voorlopige aanslag worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag waarop
                                de aanslag over dat jaar vermoedelijk zal worden vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                                moeten de voorlopige aanslagen worden betaald in twee gelijke
                                termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand
                                volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
                                vermeld, en de tweede termijn vervalt op de laatste dag van de derde
                                maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
                                aanslagbiljet is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde
                                bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden
                                afgeschreven, dat de voorlopige aanslagen moeten worden betaald in 7
                                gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van
                                de maand volgend op die welke in de dagtekening van het
                                aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens op
                                de laatste dag van de daarop volgende maand..</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                                moeten de aanslagen, voor zover niet bedoeld in het eerste en tweede
                                lid, worden betaald in twee gelijke termijnen. De eerste termijn
                                vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de
                                dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld, en de tweede termijn
                                vervalt op de laatste dag van de derde maand volgend op de maand die
                                in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c,
                                van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde
                                beschikking inzake een bestuurlijke boete zijn het eerste, tweede en
                                het derde lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze
                                gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de
                                voorgaande leden gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Nadere regels door het college</titel></kop><al>Het college kan nadere regels geven voor de heffing en de invordering
                            van de toeristenbelasting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Bij de invordering van toeristenbelasting wordt geen kwijtschelding
                            verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Aanmeldingsplicht</titel></kop><al>De belastingplichtige bedoeld in artikel 3, eerste lid, is gehouden,
                            voordat hij voor de eerste maal na het inwerking treden van deze
                            verordening gelegenheid tot overnachten verschaft,zulks schriftelijk te
                            melden aan de door het college aangewezen gemeenteambtenaren, bedoeld in
                            artikel 231, tweede lid, onderdelen b en d van de Gemeentewet.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>1.3 OVERGANGS EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Bevoegdheden</titel></kop><al>De 'ambtenaar belast met de heffing' is belast met de uitvoering van
                            deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Overgangsbepaling, inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De 'Verordening toeristenbelasting 2014', vastgesteld bij
                                    raadsbesluit van 6 november 2013, wordt ingetrokken met ingang
                                    van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de
                                    heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                                    belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                                    voorgedaan.</al><al/><lijst><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de
                                            eerste dag na die van de bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari
                                            2015.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening
                                            toeristenbelasting 2015'.</al></li></lijst></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in openbare raadsvergadering van 10 november 2014</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>2 TOELICHTING OP DE VERORDENING</titel></kop><al/><divisie><kop><label>2.1 ALGEMEEN </label></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Artikel 224 Gemeentewet maakt het mogelijk om een toeristenbelasting te
                        heffen voor het houden van verblijf door niet-ingezetenen. Het gaat hier om
                        een algemene belasting waarvan de opbrengsten toevloeien aan de algemene
                        middelen van de gemeente. Dat laat onverlet dat tegenover de opbrengsten ook
                        aanzienlijke investeringen staan die direct of indirect ten goede komen aan
                        de recreatief-toeristische sector. Te denken valt aan extra uitgaven voor
                        openbare orde en veiligheid, voor verkeer, vervoer en waterstaat (zoals
                        recreatieve fietspaden en bewegwijzering), voor evenementen, promotie en VVV
                        en voor investeringen in recreatievoorzieningen en musea.</al><al>Hoewel de Gemeentewet daartoe niet verplicht, beperkt de verordening het
                        belastbaar feit tot een verblijf met betaalde overnachting. Deze beperking
                        is aangebracht uit een oogpunt van uitvoerbaarheid. Zonder deze nadere
                        beperking zou bijvoorbeeld ook de logeerpartij bij familie tot
                        belastingheffing moeten leiden. Dit is in de praktijk niet te controleren en
                        te handhaven.</al><al>Met de keuze voor overnachtingen tegen een vergoeding in welke vorm ook,
                        sluit de verordening aan bij een in de praktijk bestaand afrekenmoment.
                        Degene die gelegenheid biedt tot overnachting zal immers ervoor zorg dragen
                        dat hij de afgesproken vergoeding ontvangt. Daarnaast zal de ontvangen
                        vergoeding in de (financiële) administratie worden verantwoord. De heffing
                        van de toeristenbelasting sluit daarmee aan bij een al bestaande wettelijke
                        plicht tot het voeren van een administratie. Dit maakt de controle en
                        handhaving uitvoerbaar.</al><al>Hoewel niet verplicht voorgeschreven, is de naam 'toeristenbelasting'
                        ontleend aan artikel 224 Gemeentewet. Opgemerkt wordt dat de naam de lading
                        van de belastingheffing op grond van deze verordening niet volledig dekt. In
                        navolging van de Gemeentewet stelt deze verordening aan de overnachting geen
                        eisen van toeristische of recreatieve aard. Ook in de jurisprudentie is al
                        meermalen bevestigd dat ook betaald verblijf met overnachting zonder
                        toeristische of recreatieve aanleiding, tot belastingplicht leidt.</al><al><vet>Een neutraal belastbaar feit</vet></al><al>Voor een goede spreiding van lasten is het wenselijk dat het belastbaar feit
                        niet onnodig wordt ingeperkt. Doel is alle overnachtingen waarvoor de
                        verblijfhouder een vergoeding in welke vorm dan ook verschuldigd is, in de
                        heffing te betrekken. Gelet op het voorgaande is het belastbaar feit in de
                        verordening neutraal geformuleerd. Hierdoor wordt voorkomen dat nieuwe
                        benamingen die voor nieuwe en bestaande verblijfsvormen worden
                        geintroduceerd, zonder aanpassingen in de verordening aan de
                        toeristenbelasting zijn onderworpen.</al><al/><al><vet>Beperkte forfaitaire regeling</vet></al><al>In de verblijfssector zijn voornamelijk ondernemers actief. Op deze
                        ondernemers rust op grond van fiscale wetgeving al een administratieplicht.
                        Daarnaast zijn deze ondernemers op grond van het Wetboek van Strafrecht en
                        de Algemene plaatselijke verordening (APV) verplicht een zogenoemd
                        nachtregister bij te houden. Deze administraties bieden op zich al voldoende
                        informatie om de hoogte van de belastingaanslag te bepalen. Door bij de
                        aanslagregeling op deze administraties aan te sluiten, wordt voorkomen dat
                        ondernemers onnodige aanvullende handelingen moeten verrichten. Daarnaast
                        sluit de aanslagregeling beter aan bij de werkelijke overnachtingen zodat
                        ook hiermee een realistische spreiding wordt bereikt over alle
                        verblijfhoudende niet-ingezetenen.</al><al>Naast ondernemers bieden ook particulieren overnachtingsmogelijkheden aan.
                        Zolang dit op kleine schaal gebeurt, is geen sprake van een onderneming en
                        hoeft die particulier ook geen administratie bij te houden. Een sluitende
                        overnachtingsadministratie zou in dat geval wel tot een noemenswaardige
                        verzwaring van de administratieplicht leiden.</al><al>Om die reden is voor deze groep een forfaitaire regeling geopend om op een
                        doelmatige wijze tot een reële belastingheffing te komen.</al><al>Er zijn verblijfsvormen waarbij een onderkomen ter beschikking wordt gesteld
                        maar waar geen helder zicht bestaat op het werkelijk aantal persoenen dat
                        voor overnachting van dat onderkomen gebruik maakt. Bij die onderkomen
                        dwingen ook de administratieve voorschriften niet tot het dagelijks
                        bijhouden van het aantal personen. Het gaat daarbij vooral om
                        kampeerterreinen met vaste standplaatsen. Ook hier wordt uit</al><al>doelnnatigheidsoverwegingen de mogelijkheid geboden om het forfait toe te
                        passen. Overigens geldt het forfait niet automatisch bij de genoemde
                        onderkomens. Uitgangspunt is het werkelijke aantal overnachtingen. Het
                        forfait wordt alleen op verzoek toegepast voor de genoemde categorieën
                        onderkomens. Overigens kan het college van B&amp;W in specifieke situaties
                        die sterke gelijkenis vertonen, op grond van art. 63 AWR (hardheidsclausule)
                        het forfait overeenkomstig van toepassing verklaren.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>2.2 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</label></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de
                        belastingverordening voorkomende begrippen is daarvan een omschrijving
                        opgenomen in artikel 1. Ook in artikel 6 zijn begrippen en
                        begripsomschrijvingen opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit</titel></kop><al>Ter voorkoming van discussies is het belastbaar feit neutraal geformuleerd.
                        In verband met de Wet basisregistratie personen is de tekst van artikel 224
                        Gemeentewet aangepast. Deze aanpassing is in artikel 2 verwerkt.</al><al>Ingevolge artikel 224 van de Gemeentewet kan slechts toeristenbelasting
                        geheven worden indien is voldaan aan de volgende eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>er moet binnen de gemeente verblijf gehouden worden;</al></li><li nr="b."><al>door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente
                                in de basisregistratie personen zijn ingeschreven.</al></li></lijst><al>Het begrip 'verblijf houden' is ruim. Het kan ieder soort verblijf
                        betreffen, zoals het verblijven in een ontspanningscentrum, in een museum,
                        op het strand, in een hotel en een pension of op een kampeerterrein. Om
                        praktische redenen is het belastbare feit beperkt tot het 'houden van
                        verblijf met overnachten'.</al><al>Ook zijn de woorden 'tegen betaling van een vergoeding' opgenomen om te
                        voorkomen dat ook het logeren bij familie of bekenden belast is. Het
                        belasten van overnachtingen bij familie of kennissen zou tegen de geest van
                        de wet ingaan. De woorden 'in welke vorm dan ook' zijn opgenomen om ook die
                        gevallen in de belastingheffing te betrekken, waarin de vergoeding in natura
                        wordt voldaan of een woningruil met gesloten beurzen overeen is gekomen. Zo
                        kunnen bijvoorbeeld leden van een naturistenvereniging via de contributie
                        voor hun verblijf betalen (Hoge Raad 7 juni 2002, nr. 36.316, UN: AD3600,
                        Belastingblad 2002, blz. 889).</al><al>Wij wijzen erop dat door de woorden 'tegen betaling van een vergoeding in
                        welke vorm dan ook' er geen toeristenbelasting verschuldigd is als in het
                        geheel geen vergoeding hoeft te worden betaald. Zo mocht een gemeente geen
                        toeristenbelasting heffen voor het verblijf van kinderen onder de zes jaar,
                        omdat dat verblijf van deze kinderen op de camping gratis was en de camping
                        ook geen gezinstarief kende (Hoge Raad 25 februari 2005, nr. 39129, UN:
                        AS7919; Schouwen-Duiveland).</al><al>In de verordening is ervan afgezien om uitsluitend de overnachtingen door
                        toeristen belastbaar te stellen. Het is immers praktisch ondoenlijk om de
                        toeristen te scheiden van hen die om andere redenen binnen de gemeente tegen
                        vergoeding overnachten. Het begrip 'verblijf houden' veronderstelt een
                        verblijf van enige duur.</al><al>De beperking dat de belasting alleen geheven kan worden indien verblijf
                        wordt gehouden door personen die volgens de basisregistratie personen niet
                        met een adres in de gemeente zijn ingeschreven, maakt de toepassing van de
                        toeristenbelasting in andere gevallen dan die waarin sprake is van het
                        houden van nachtverblijf niet eenvoudig. Het is namelijk praktisch
                        nauwelijks uitvoerbaar om van bijvoorbeeld de bezoekers van een
                        ontspanningscentrum, te verlangen dat zij aantonen dat zij in het
                        persoonsregister van de gemeente staan ingeschreven. Om die reden is er in
                        deze verordening van afgezien om ook andere verblijfsmogelijkheden in de
                        belastingheffing te betrekken. Hoewel ook heffing van een
                        dagtoeristenbelasting mogelijk is, is in de verordening de heffing van
                        toeristenbelasting gekoppeld aan het houden van verblijf met
                        overnachten.</al><al/><al>Aan de heffing van dagtoeristenbelasting zijn door de jurisprudentie
                        overigens beperkingen gesteld. Uit het arrest van de Hoge Raad inzake de
                        watertoeristenbelasting van Amsterdam (Hoge Raad 30 maart 1983, nr. 21.535,
                        BNB 1983/191, Belastingblad 1983, blz. 289) blijkt dat de gemeente met de
                        toeristenbelasting niet in de voetsporen mag treden van de oude
                        vermakelijkhedenbelasting. Doordat de gemeente Amsterdam (dag)verblijf aan
                        boord van rondvaartboten in de heffing betrok, was de Hoge Raad van oordeel
                        dat daarmee het</al><al>houden van verblijf in een inrichting tot het geven van vermakelijkheid werd
                        belast.</al><al>In dergelijke gevallen kan de gemeente wel een vermakelijkhedenretributie
                        heffen in de zin van artikel 229, eerste lid, onderdeel c, van de
                        Gemeentewet. Vanaf de inwerkingtreding van de Wet materiële
                        belastingbepalingen (1 januari 1995) geldt niet langer dat de
                        vermakelijkhedenretributie maximaal kostendekkend is. Dit betekent dat de
                        mogelijkheden voor gemeenten tot het heffen van een
                        vermakelijkhedenretributie zijn verruimd.</al><al/><al>De toeristenbelasting is aangemerkt als directe belasting. Deze aanwijzing
                        is noodzakelijk om toepassing van de artikelen 31 e.v. van de Algemene wet
                        inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) betreffende de richtige heffing,
                        mogelijk te maken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al>Eerste lid</al><al>De belasting wordt geheven van ieder die gelegenheid tot overnachting biedt
                        en dit doet tegen de ontvangst van een vergoeding.</al><al>In de verordening wordt deze persoon steeds aangeduid als 'de
                        belastingplichtige'.</al><al>De belastingplichtige kan zowel een natuurlijk persoon als een lichaam zijn.
                        Onder de laatstgenoemde categorie valt ook de gemeente zelf voor de door
                        haar geëxploiteerde ondernemingen. Degene die tegen vergoeding gelegenheid
                        tot overnachten biedt, maar die zijn gasten elders onderbrengt omdat zijn
                        eigen bedrijf geheel volgeboekt is en hiervoor een vergoeding ontvangt,
                        wordt eveneens als belastingplichtige aangemerkt. Uit de tekst blijkt dat
                        iemand die meerdere verblijfsaccommodaties beheert voor het totaal aantal
                        overnachtingen belastingplichtig is.</al><al>Onder 'hem ter beschikking staande ruimten of terreinen' vallen ook ruimten
                        of terreinen bij derden waarover hij op afroep beschikking kan krijgen. Ook
                        deze staan hem ter beschikking.</al><al/><al>Tweede lid</al><al>Ingevolge artikel 224, tweede lid, van de Gemeentewet mag de
                        belastingplichtige de belasting als zodanig doorberekenen aan zijn gasten en
                        wel als een extra bedrag dat boven de normale verblijfskosten in rekening
                        wordt gebracht. Zie in dit verband ook HR 8 oktober 1993, nr. 15 101,
                        Belastingblad 1994, blz. 5 (Marken).</al><al/><al>Derde lid</al><al>Het derde lid bepaalt dat degene die verblijf houdt zelf belastingplichtig
                        is, indien er geen belastingplichtige is aan te wijzen als bedoeld in
                        artikel 3, derde lid. Primair is echter degene die gelegenheid biedt tot
                        verblijf belastingplichtig.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>De Gemeentewet schrijft geen verplichte vrijstellingen voor. Desondanks is
                        ervoor gekozen enkele bijzondere verblijfsvormen vrij te stellen. Het gaat
                        hierbij om verblijfsvormen waarbij de verblijfhouder doorgaans geen vrije
                        keuze heeft. Naast verzorgden en verpleegden in verzorgings-, verpleeg- en
                        ziekenhuizen is daarbij in een regeling voorzien voor asielzoekers die door
                        het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers zijn gehuisvest.</al><al/><al>Eerste lid</al><al>Voor de vrijstelling voor verzorgden en verpleegden is aansluiting gezocht
                        bij de Wet Toelating Zorginstellingen.</al><al/><al>Tweede lid</al><al>Deze opgenomen vrijstelling heeft tot doel verblijf in de gemeente van
                        asielzoekers onbelast te laten zijn als zij niet als ingezetenen met een
                        adres in de gemeente zijn ingeschreven in de basisregistratie personen.
                        Hoewel blijkens de uitspraak van het Hof Leeuwarden van 26 november 1993,
                        nr. 1135/92, Belastingblad 1994, blz. 205 (Sleen) heffing mogelijk is ter
                        zake van het verblijf van asielzoekers, achtte de toenmalige
                        staatssecretaris van Binnenlandse Zaken een terughoudend beleid van
                        gemeenten gewenst. Dit blijkt uit haar beantwoording van naar aanleiding van
                        de hiervoor genoemde uitspraak van het Hof Leeuwarden gestelde Kamervragen
                        (Belastingblad 1994, blz. 284). In een geval waarin een gemeente toch hief,
                        sprak Hof Arnhem uit dat asielzoekers in een voormalig hotel niet onder de
                        belasting vielen omdat het voormalig hotel blijvend aan die bestemming was
                        onttrokken en het verblijf van de asielzoekers niet viel onder een van de in
                        de verordening opgesomde accommodatiemogelijkheden (Hof Arnhem 4 april 2002,
                        nr. 00/01365, UN: AE3601, Belastingblad 2002, blz. 992; zie ook Hof
                        's-Hertogenbosch, nr. 98/05499, UN: AB1527, Belastingblad 2001/938).</al><al/><al>Derde lid</al><al>In de praktijk komt het voor dat mensen meer dan 90 dagen een gemeubileerde
                        woonruimte huren (bijvoorbeeld bij een stacaravan of een standplaats). In
                        dat geval doet zich niet alleen het belastbaar feit van de
                        toeristenbelasting voor (overnachten tegen vergoeding) maar ook dat van de
                        forensenbelasting (90 dagen of meer beschikken over een gemeubileerde
                        woonruimte). In de verordening is daarom een vrijstelling in de
                        toeristenbelasting opgenomen. Hierdoor betalen huurders van een
                        gemeubileerde woonruimte wel forensenbelasting maar geen
                        toeristenbelasting.</al><al>Hoewel volgens de uitspraak Hof 's-Gravenhage 1 oktober 1975, nr. 63/1975,
                        BNB 1976/83 (Wissenkerke) deze cumulatie niet in strijd is met de wet, lijkt
                        het billijk deze anticumulatiebepaling op te nemen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><al>Als mogelijke maatstaven van heffing voor de toeristenbelasting noemt de
                        memorie van toelichting bij de Wet materiële belastingbepalingen
                        differentiaties naar leeftijd (jongerentarief, 65+-tarief), groepsgrootte en
                        een percentage van de overnachtingsprijs. Dit laatste is bevestigd in de
                        jurisprudentie (Hoge Raad 3 oktober 2003, nr. 38185, LJN:AL6974,
                        Belastingblad 2003, blz. 1238 (Haarlemmermeer)).</al><al>Uit het voorgaande valt af te leiden dat de beleidsvrijheid van gemeenten
                        bij de keuze van heffingsmaatstaven is vergroot. Door de aard van de
                        toeristenbelasting als verblijfsbelasting, ligt het voor de hand dat de te
                        betalen toeristenbelasting zich richt naar de duur van het verblijf en het
                        aantal personen dat verblijf houdt (zie ook HR 21 juli 1987, nr. 24.516, BNB
                        1987/272, Belastingblad 1987, blz. 629). Dit is in de artikelen Stoten met 7
                        van de verordening het geval.</al><al/><al>De maatstaf van heffing gaat uit van de formule: aantal overnachtende
                        personen x het aantal nachten dat zij verblijf hielden = het aantal
                        overnachtingen. Een overnachting is de keer dat een niet-ingezetene
                        overnacht. Bij een gezin van 4 personen dat een week in een hotel verblijft,
                        is dus sprake van (4 personen x 7 nachten is) 28 overnachtingen.</al><al/><al>Uitgangspunt is het werkelijke aantal personen en het werkelijke aantal
                        nachten. Alleen in situaties waarbij deze aantallen op basis van
                        administraties niet zijn vast te stellen geldt een forfait.</al><al/><al>Artikel 6 Forfaitaire berekeningswijze van de maatstaf van heffing</al><al>Zoals onder de algemene toelichting al is aangegeven, is de forfaitaire
                        berekeningswijze beperkt tot situaties waarin doorgaans geen administratie
                        wordt gevoerd, of waar een aanslagregeling naar het werkelijke aantal
                        overnachtingen tot extra administratieve inspanningen leidt. Dit laatste
                        doet zich bijvoorbeeld voor bij seizoens- of jaarplaatsen waarbij de
                        ondernemer geen goed zicht heeft op de dagelijkse bezetting.</al><al/><al>Uit de jurisprudentie valt af te leiden dat de toeristenbelasting naar haar
                        aard een verblijfsbelasting is waaraan als eis moet worden gesteld dat zij
                        het bedrag van de belasting afhankelijk stelt van feiten en omstandigheden
                        die verband houden met de duur van het verblijf en het aantal personen dat
                        verblijf houdt. Ook is uitgesproken dat de gemeentelijke wetgever met
                        betrekking tot deze feiten en omstandigheden een forfaitaire regeling mag
                        vaststellen. Zie in dit verband Hoge Raad 17 juni 1981, nr. 19.919, BNB
                        1981/243 (Gasselte), Hof Leeuwarden 21 augustus 1981, nr. 290.80, V-N 1981,
                        blz. 2030 (Schiermonnikoog), Hof Leeuwarden 11 juni 1982, nr. 1.099/80 El,
                        Belastingblad 1983, blz. 258 (Schiermonnikoog), Hof Leeuwarden 12 november
                        1982, nr. 399/82 El, Belastingblad 1983, blz. 535 (Ameland), Hoge Raad 21
                        juli 1987, nrs. 24.516, 24.517 en 24.518, Belastingblad 1987, blz. 629, 637
                        en 641, Hoge Raad 15 september 1993, nr. 28.125, BNB 1993/355, Belastingblad
                        1993, blz. 636 (Aalsmeer).</al><al/><al>Eerste lid</al><al>Het eerste lid geeft een beschrijving van de gebruikte begrippen. De
                        definities in dit artikel dienen uitsluitend voor de uitwerking van de
                        forfaitaire berekeningswijze.</al><al/><al>De begrippen 'kampeermiddel' en 'kampeerterrein' zijn ontleend aan de Wet op
                        de openluchtrecreatie. Hoewel deze wet inmiddels is ingetrokken, bieden de
                        daar gegeven omschrijvingen ons inziens een betere afbakening van de typen
                        onderkomens en van de locatie waar deze worden aangetroffen. Door de
                        formulering hoeven stacaravans niet meer afzonderlijk te worden genoemd.
                        Zolang stacaravans niet omgevingsvergunningplichtig zijn en op een
                        standplaats staan (in de praktijk voor een seizoen of een jaar) kan het
                        forfait van toepassing zijn. Stacaravans die niet op een standplaats staan,
                        kunnen bij verhuur door particulieren ook onder de forfaitaire regeling
                        (voor woningen) vallen.</al><al>Het begrip 'woning' bouwt voort op het spraakgebruik. Het gaat hier om
                        bouwwerken die mensen tot woning dienen of als zodanig geschikt zijn.
                        Kenmerkend voor een woning is doorgaans dat een gezin in het bouwwerk
                        langere tijd in zelfstandigheid kan verblijven. Voorbeelden van woningen en
                        vergelijkbare onderkomens zijn zomerhuisjes, vakantiebungalows,
                        appartementen, woonboten, waterwoningen, stacaravans en chalets. Ook een
                        verdieping of een kamer in een huis vallen onder de omschrijving.</al><al>Met het begrip 'particulier' is aangegeven dat het moet gaan om een
                        natuurlijke persoon die de overnachtingsmogelijkheid aanbiedt buiten de
                        uitoefening van een bedrijf of beroep. Te denken valt aan particulieren die
                        een kamer verhuren tijdens een groot evenement zoals de vierdaagse, het
                        bollenseizoen of een jaarlijks terugkerend festival. Voor de vraag of de
                        overnachtingen al dan niet worden aangeboden buiten de uitoefening van een
                        bedrijf of een beroep, kan aansluiting worden gezocht bij het
                        ondernemerschap in de Wet op de inkomstenbelasting (Wet IB). Drijft de
                        belastingplichtige een onderneming en worden de inkomsten uit overnachting
                        binnen die onderneming gegenereerd, dan is er geen sprake</al><al>van een particulier. Doordat ondernemers voor de aangiften bij de
                        Belastingdienst een administratie moeten voeren, kan hierop voor de
                        toeristenbelasting eenvoudig worden aangesloten.</al><al/><al>Tweede lid</al><al>Het tweede lid regelt dat de forfaitaire regeling kan worden toegepast op
                        verzoek. Door deze bepaling wordt benadrukt dat de hoofdregel in artikel 4
                        in beginsel altijd wordt toegepast. Alleen bij enkele beschreven
                        verblijfsvormen is toepassing van het forfait mogelijk. Het betreft
                        verblijfsvormen waarbij het aantal overnachtingen op basis van
                        administraties die voor andere doeleinden moeten worden aangehouden, niet
                        aanwezig zijn.</al><al/><al>Om te benadrukken dat de afrekening naar het werkelijke aantal
                        overnachtingen het uitgangspunt is, benoemt lid 2 de situaties waarin een
                        forfaitaire berekeningswijze van toepassing kan zijn. In alle andere
                        situaties geldt de hoofdregel. Gekozen is om het forfait alleen op verzoek
                        toe te passen. Voor de uitvoerbaarheid moet dit verzoek bij de aangifte
                        worden gedaan. Daarnaast kan het college van B&amp;W nadere regels stellen
                        om voor toepassing van het forfait in aanmerking te komen. De gekozen
                        formulering heeft tot gevolg dat bij het niet doen van aangifte altijd naar
                        het werkelijke aantal overnachtingen wordt geheven.</al><al/><al>Derde lid</al><al>De forfaitaire regeling in het derde lid ziet op verhuur door particulieren.
                        Daarbij wordt het aantal overnachtende personen gesteld op het aantal
                        slaapplaatsen dat beschikbaar is. Dit aantal wordt vermenigvuldigd met een
                        forfaitair aantal overnachtingen. Het forfaitaire aantal overnachtingen is
                        zodanig bepaald dat het aansluit bij een realistisch aantal werkelijke
                        overnachtingen.</al><al/><al>Vijfde lid</al><al>Het vijfde lid regelt de forfaitaire berekening van het aantal
                        overnachtingen bij kampeermiddelen op vaste standplaatsen. Het zal hier
                        meestal gaan om stacaravans en chalets. Bij deze onderkomens bestaat
                        doorgaans geen zicht op het aantal personen dat in het kampeermiddel
                        verblijft. Omdat het om staanplaatsen gaat die langere tijd worden verhuurd
                        zullen veel gebruikers zich niet melden bij de beheerder.</al><al>Hier wordt het aantal overnachtende personen forfaitair voorgeschreven. Het
                        forfait moet realistisch zijn en aansluiten bij het gemiddelde aantal
                        personen dat daadwerkelijk in een kampeermiddel verblijft. Tellingen of
                        ervaringscijfers uit voorgaande jaren zijn daarbij gebruikt voor het
                        vaststellen van het forfait. Ook het forfaitaire aantal overnachtingen moet
                        zodanig worden bepaald dat het aansluit bij een realistisch aantal
                        werkelijke overnachtingen.</al><al/><al>Artikel 5 regelt de berekeningswijze in het algemeen. Vervolgens werken
                        artikel 6, lid 3 t/m 5, de van belang zijnde elementen uit voor de
                        afzonderlijke onderkomens waarop het forfait van toepassing kan zijn. Per
                        type verblijfsruimte is aangegeven hoe het forfait wordt berekend.</al><al/><al>Artikel 7 Opteren voor niet-forfaitaire maatstaf van heffing</al><al>In dit artikel wordt de belastingplichtige de mogelijkheid geboden om bij
                        het doen van de aangifte te opteren voor toepassing van de hoofdregel in
                        plaats van de forfaitaire regeling, indien blijkt dat het werkelijke aantal
                        overnachtingen lager is dan het forfaitair berekende aantal. Uit het woord
                        'blijkt' kan worden afgeleid dat hier een zware vorm van bewijs kan worden
                        verlangd, dit te meer omdat de gemeente achteraf niet meer kan nagaan
                        hoeveelpersonen werkelijk verblijf hebben gehouden anders dan op grond van
                        de gevoerde administratie. Daarom wordt in artikel 7 duidelijk aangegeven
                        dat moet blijken dat het aantal overnachtingen in werkelijkheid lager is dan
                        het forfaitair berekende aantal overnachtingen. Bij hiertoe over te leggen
                        bescheiden kan ook worden gedacht aan een door de gemeente te verstrekken
                        nachtverblijfregister.</al><al>In de uitspraak van het Hof Leeuwarden van 23 september 2003, nr. 1425/02
                        (Westerveld; niet gepubliceerd) slaagt een belanghebbende er niet in om
                        aannemelijk te maken dat het daadwerkelijk aantal overnachtingen lager is
                        dan het toegepaste forfait. Het hof weegt bij deze bewijslast mee dat de
                        belanghebbende geen nachtverblijfregister heeft bijgehouden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Belastingtarief</titel></kop><al>De toeristenbelasting kan worden gezien als een algemene belasting waarvan
                        de opbrengst ten goede komt aan de algemene middelen, uit welke middelen
                        mede voorzieningen in het belang van het toerisme kunnen worden bekostigd.
                        Voor de hoogte van de tarieven gelden geen beperkingen.</al><al>De gemeente hanteert een vast tarief per overnachting. Ten opzichte van het
                        vorige belastingjaar is het tarief met € 0,25 gestegen naar € 2,25.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Belastingjaar</titel></kop><al>Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Hieraan doet niet af dat
                        het onderkomen waar wordt overnacht, maar een gedeelte van het jaar is
                        opengesteld. Deze beperkte openstelling komt tot uitdrukking in de
                        berekening van het aantal overnachtingen.</al><al>De betekenis van het belastingjaar is dat hiermee wordt aangegeven de
                        periode waarover de aanslag wordt opgelegd. Door middel van de aanslag wordt
                        namelijk de belasting die reeds gedurende die periode ter zake van het
                        overnachten door de in artikel 2 bedoelde personen verschuldigd is geworden,
                        geheven van degene die het nachtverblijf heeft geboden.</al><al>De heffing kan niet plaatsvinden als de omvang van de materiële
                        belastingschuld nog niet vaststaat, bijvoorbeeld als het kan gaan om het
                        werkelijke aantal overnachtingen per jaar in plaats van het forfait (Hoge
                        Raad 14 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4170, Belastingblad 2002, blz.
                        890).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>Ingevolge artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen
                        worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of
                        op andere wijze. In de verordening hebben wij gekozen voor de heffing bij
                        wege van aanslag. Doordat de belastingschuld pas aan het einde van het jaar
                        kan worden vastgesteld, vindt de aanslagregeling in het volgende
                        kalenderjaar plaats. Daarop vooruitlopend legt de gemeente in de loop van
                        het belastingjaar voorlopige aanslagen toeristenbelasting op.</al><al>Vanaf 2012 wordt met nog maar één jaarlijks aangifteformulier
                        toeristenbelasting gewerkt. Daarnaast is er een aanmeldingsformulier. Met
                        dit aanmeldingsformulier meldt de exploitant zich éénmalig aan als
                        belastingplichtige die binnen Zandvoort tegen betaling overnachtingen
                        aanbiedt aan personen die niet in de Gemeentelijke Basisadministratie zijn
                        opgenomen.</al><al>De exploitant kan een voorlopige aanslag toeristenbelasting over het lopende
                        jaar, gebaseerd op de cijfers van het voorgaande jaar ontvangen. Een nieuwe
                        vestiging ontvangt een voorlopige aanslag gebaseerd op een soortgelijke
                        onderneming.</al><al>Na afloop van het belastingjaar krijgt de exploitant een aangifteformulier
                        toegezonden om opgave te doen over het werkelijk aantal overnachtingen in
                        het afgelopen jaar. Bij het aangifte formulier zal een toelichting worden
                        gegeven. Het aangifteformulier dient binnen 4 weken retour gestuurd te
                        worden.</al><al>Aan de hand van de aangifte ontvangt de exploitant vervolgens een
                        definitieve aanslag en volgt verrekening met de voorlopige aanslag. Controle
                        van de aangifte kan tot uiterlijk 5 jaar na het belastingjaar
                        plaatsvinden.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><al><cursief>Eerste lid en tweede lid</cursief></al><al>Er bestaat een wettelijke regeling omtrent de betaaltermijnen. Deze is
                        opgenomen in artikel 9 van de Invorderingswet 1990. Op grond van artikel 250
                        van de Gemeentewet kan hiervan in de belastingverordening worden afgeweken.
                        In het eerste en tweede lid van artikel 11 is aangegeven dat er is afgeweken
                        van de wettelijke betalingstermijn.</al><al>De voorlopige aanslag kan voldaan worden in 7 maandelijkse termijnen indien
                        gebruik gemaakt wordt van automatische incasso of in 2 termijnen, indien
                        geen gebruik gemaakt wordt van automatische incasso (analoog aan de
                        wettelijke betalingstermijn).</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Er bestaat een wettelijke regeling omtrent de betaaltermijnen. Deze is
                        opgenomen in artikel 9 van de Invorderingswet 1990. Op grond van artikel 250
                        van de Gemeentewet kan hiervan in de belastingverordening worden afgeweken.
                        In het derde lid van artikel 11 is aangegeven dat er is afgeweken van de
                        wettelijke betalingstermijn.</al><al>Een definitieve aanslag kan in 2 termijnen worden betaald. Teveel betaalde
                        bedragen worden in één keer terugbetaald.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Met betrekking tot de bij het vaststellen van een belastingaanslag op te
                        leggen boete zijn de betaaltermijnen gelijk aan die voor de
                        belastingaanslag, ook indien in de belastingverordening van artikel 9 van de
                        Invorderingswet 1990 afwijkende betaaltermijnen zijn opgenomen. Dit volgt
                        uit artikel 9, derde lid, van de Invorderingswet 1990. Het is dus niet nodig
                        om in de belastingverordening betaaltermijnen voor bestuurlijke boeten op te
                        nemen.</al><al/><al><cursief>Vijfde lid</cursief></al><al>De Algemene termijnenwet (ATW) is van toepassing op in een wet gestelde
                        termijnen (artikel 1). Hiermee wordt een wet in formele zin bedoeld. Artikel
                        9, tiende lid, van de Invorderingswet 1990 bepaalt echter dat de ATW niet
                        van toepassing is op de in de leden 1 tot en met 9 gestelde termijnen.
                        Indien gemeenten afwijkende termijnen in de belastingverordening hebben
                        opgenomen en dus artikel 9, tiende lid, van de Invorderingswet 1990 niet
                        geldt, is voor de betaling van de definitieve aanslag de ATW wel van
                        toepassing.</al><al>Dit volgt ook uit artikel 145 van de Gemeentewet, waarin is bepaald dat de
                        ATW van toepassing is op in een verordening gestelde termijnen, tenzij in de
                        verordening anders is bepaald.</al><al>Indien voor de betaling van aanslagen een regeling is getroffen in de
                        belastingverordening en voor voorlopige aanslagen, navorderingsaanslagen of
                        naheffingsaanslagen niet, betekent dit dat voor de laatste drie genoemde
                        aanslagen artikel 9 van de Invorderingswet 1990 geldt. In dat geval is de
                        ATW wel van toepassing op de betaaltermijnen voor aanslagen en niet van
                        toepassing op de betaaltermijnen voor voorlopige aanslagen,
                        navorderingsaanslagen en naheffingsaanslagen. Teneinde te voorkomen dat voor
                        de verschillende belastingaanslagen een verschillend juridisch regime geldt,
                        is in artikel 10 vierde lid, overeenkomstig artikel 9, tiende lid, van de
                        Invorderingswet — de ATW buiten toepassing verklaard.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Nadere regels door het college</titel></kop><al>Op grond van artikel 231 van de Gemeentewet zijn bij de heffing en de
                        invordering van gemeentelijke belastingen onder meer de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen (AWR) en de Invorderingswet 1990 van toepassing. De
                        heffingsbevoegdheden komen toe aan de daartoe aangewezen heffingsambtenaar
                        en de invorderingsbevoegdheden aan de daartoe aangewezen
                        invorderingsambtenaar. De AWR en de Invorderingswet 1990 kennen ook
                        bepalingen op grond waarvan de minister van Financiën de bevoegdheid wordt
                        toegekendnadere regels te geven over bepaalde heffings- en
                        invorderingsaangelegenheden. Voor de gemeentelijke belastingen komt die
                        bevoegdheid op grond van artikel 231 toe aan het college. Verder is het
                        college als bestuursverantwoordelijke voor de heffings- en
                        invorderingsambtenaar bevoegd om beleidsregels vast te stellen (artikel 4:81
                        Algemene wet bestuursrecht, hierna Awb). Op grond van artikel 160, eerste
                        lid, onderdeel b, van de Gemeentewet is het college eveneens bevoegd
                        beslissingen van de raad (lees: belastingverordeningen) uit te voeren. Met
                        het oog hierop kan het college over uitvoeringsaangelegenheden regels
                        stellen. Te denken valt hierbij aan het vaststellen van de modellen voor het
                        formulier van de onderscheiden aangiftebiljetten. Met de inwerkingtreding
                        van de derde tranche Awb op 1 januari 1998 is een aantal bevoegdheden van de
                        raad op belastinggebied overgegaan op het college. In verband hiermee is in
                        elke belastingverordening een bepaling opgenomen dat het college nadere
                        regels kan geven met betrekking tot de heffing en invordering van de
                        betreffende belasting. Op deze wijze is het voor de belastingplichtigen
                        duidelijk dat er nog nadere regels kunnen gelden. In de
                        (uitvoerings)regeling gemeentelijke belastingen is een en ander
                        uitgewerkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Aanmeldingsplicht</titel></kop><al>Ten einde tot registratie van de belastingplichtigen te komen - zulks mede
                        ten dienste van de uitreiking van aangiftebiljetten en
                        nachtverblijfregisters, alsmede het opleggen van voorlopige aanslagen - is
                        in de verordening een bepaling opgenomen waarbij iedereen die
                        belastingplichtig is of wordt, verplicht wordt hiervan aan de door het
                        college van burgemeester en wethouders aangewezen gemeenteambtenaren,
                        bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdelen b en d, van de Gemeentewet
                        melding te doen. Hij moet dit doen voordat hij voor de eerste maal
                        gelegenheid tot overnachten biedt. Ook degenen die onder de oude verordening
                        reeds belastingplichtig waren op het moment van inwerkingtreding van deze
                        toeristenbelastingverordening, zijn gehouden zich aan te melden. Dit vloeit
                        voort uit de bewoordingen 'voor de eerste maal na het in werking treden van
                        deze verordening'.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel Overgangsrecht</titel></kop><al>Als een verordening wordt gewijzigd of een vervangende verordening wordt
                        vastgesteld, verdient het aanbeveling eerbiedigende werking aan de oude
                        verordening te geven. Dit houdt in dat de verordening die wordt ingetrokken,
                        van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich vóór de datum van
                        ingang van de heffing van de nieuwe verordening hebben voorgedaan. Voor die
                        belastbare feiten blijft heffing dus mogelijk op basis van de oude
                        verordening, ook al is die verordening ingetrokken. Een eventuele opgenomen
                        zinsnede 'laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van &lt;datum&gt;' is
                        opgenomen als het vaststellen van een 'basis' belastingverordening is
                        gevolgd door wijzigingsverordeningen. In dat geval moet worden verwezen naar
                        de laatst vastgestelde wijziging.</al><al/><al>Opgemerkt wordt dat er geen sprake is van het overdragen aan het college van
                        burgemeester en wethouders van de bevoegdheid tot het vaststellen van de
                        belastingverordening of de wijziging daarvan op grond van
                            <onderstreept>artikel 156, tweede lid, aanhef en onderdeel h, van de
                            Gemeentewet.</onderstreept></al><al/><al><vet>Inwerkingtreding</vet></al><al/><al>Op grond van <onderstreept>artikel 139 van de Gemeentewet</onderstreept>
                        moeten gemeenten de besluiten tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van
                        belastingverordeningen bekend maken. Het niet voldoen aan de
                        bekendmakingsplicht leidt tot onverbindendheid van de belastingverordening
                        (HR 31 maart 1993, nr. 28.034, BNB 1993/182, Belastingblad 1993, blz. 274;
                        Hoge Raad 10 augustus 1998, nr. 33.632, UN: AA2624). Een</al><al>belastingverordening treedt dus pas in werking na haar bekendmaking
                        (afgezien van terugwerkende kracht in bijzondere gevallen). In de
                        verordening is de inwerkingtreding bepaald op de eerste dag na die van de
                        bekendmaking. Er is afgezien van het noemen van een concrete datum. Voor de
                        gevallen dat de verordening onverhoopt niet zelf in haar inwerkingtreding
                        voorziet, biedt <onderstreept>artikel 142 Gemeentewet</onderstreept> een
                        vangnet: de inwerkingtreding is dan de achtste dag na die van de
                        bekendmaking.</al><al/><al>Zeker als een belasting wordt ingevoerd is een reële termijn tussen
                        bekendmaking en</al><al>inwerkingtreding van de belastingverordening noodzakelijk om een goede
                        uitvoering daarvan mogelijk te maken. De datum van inwerkingtreding moet
                        zodanig worden vastgesteld, dat niet alleen de heffings- en
                        invorderingsambtenaar de nodige voorbereidingshandelingen kunnen treffen,
                        maar ook de toekomstige belastingplichtigen de gelegenheid hebben om tijdig
                        kennis te nemen van de nieuwe verordening.</al><al/><al><vet>Bekendmaking</vet></al><al/><al>Bekendmaking geschiedt door plaatsing van de integrale tekst van het besluit
                        totvaststelling of wijziging van de belastingverordening in het gemeenteblad
                        of als een gemeenteblad ontbreekt (sinds 1 januari 2010) door
                        terinzagelegging gedurende twaalf weken op de gemeentesecretarie of een
                        andere door het college bepaalde plaats. Van die terinzagelegging moet
                        mededeling worden gedaan in een plaatselijk verschijnend dag-, nieuws- of
                        huis-aan-huisblad <onderstreept>(artikel 139, tweede lid,
                            Gemeentewet</onderstreept> ). Met deze bepalingheeft de wetgever de
                        jurisprudentie van de Hoge Raad over de bekendmaking van
                        belastingverordeningen gecodificeerd. Zie:</al><lijst><li nr="·"><al>Hoge Raad 24 december 1997, nrs. 31643 (Albrandswaard), 32325
                                (Velsen) en 32569, Belastingblad 1998, blz. 146, 148 en 320: de
                                gemeente moet aan de burger, in bijvoorbeeld een huis-aan-huisblad,
                                meedelen dat de tekst van een bepaald besluit tot vaststelling of
                                wijziging van de belastingverordening verkrijgbaar is en (kosteloos)
                                ter inzage ligt bij de gemeente;</al></li><li nr="·"><al>Hoge Raad 28 maart 2001, nr. 35954, LJN:AB0763, Belastingblad 2001,
                                blz. 467, en nr. 35949, LJN:AR5974 (Alkmaar): deze wijze van
                                mededeling/publicatie in bijv. een huis-aan-huisblad geldt niet als
                                de tekst van de belastingverordening in het gemeenteblad is
                                opgenomen. Naar de bedoeling van de wetgever is met opneming van de
                                integrale tekst van verordeningen en besluiten in het gemeenteblad
                                voldaan aan het vereiste van bekendmaking in een externe, met het
                                Staatsblad of Provincieblad vergelijkbare publicatie, hoewel
                                daarnaast bekendmaking via andere media onder omstandigheden door de
                                wetgever wenselijk werd geacht.</al></li></lijst><al/><al>De enige eisen die voor een gemeenteblad gelden, zijn een register en een
                        nummering voor de overzichtelijkheid. Gemeentebesturen zijn voor het overige
                        volledig vrij in de wijze waarop zij het gemeenteblad vormgeven en uitvoeren
                        en in de frequentie van de verschijning ervan. De editie van het
                        gemeenteblad waarin de verordening is geplaatst, moet algemeen verkrijgbaar
                        zijn, dat wil zeggen in het algemeen voor het nemen van inzage en het
                        verkrijgen van een exemplaar of een afschrift voor de burgers beschikbaar
                        zijn. Dit behoeft niet kosteloos te geschieden. Legesheffing is mogelijk ter
                        bestrijding van de kosten voor het maken van een afschrift.</al><al/><al>Het gemeenteblad kan ook elektronisch worden uitgegeven
                            <onderstreept>(artikel 139, derde lid, Gemeentewet</onderstreept> ).
                        Vanaf een nog nader te bepalen moment moet bekendmaking plaatsvinden in het
                        gemeenteblad en moet dat gemeenteblad elektronisch op een algemeen
                        toegankelijke wijze worden uitgegeven (Wet elektronische bekendmaking, Stb.
                        2008, 551). De Wet elektronische bekendmaking geeft niet alleen de
                        mogelijkheid omregelgeving elektronisch bekend te maken, maar zij legt ook
                        de verplichting op om doorlopende ('geconsolideerde') teksten van
                        verordeningen en keuren op het internet beschikbaar te stellen (nieuw
                            <onderstreept>artikel 140 Gemeentewet</onderstreept> ). Door de
                        beschikbaarstelling van doorlopende teksten van regelgeving krijgt de burger
                        niet alleen toegang tot de bekendmaking van nieuwe regels, maar ook tot een
                        volledig overzicht van alle op enig moment geldende voorschriften. Er is wat
                        dat betreft een belangrijk onderscheid tussen bekendmaking (als voorwaarde
                        voor inwerkingtreding) en andere vormen van kennisgeving, waaronder het
                        beschikbaar houden van geconsolideerde teksten, die niet van belang zijn
                        voor de inwerkingtreding, maar wel voor de verspreiding en de
                        toegankelijkheid van de</al><al>betrokken teksten. De Regeling elektronische bekendmaking en
                        beschikbaarstelling regelgeving decentrale overheden verplicht provincies,
                        gemeenten en waterschappen de geconsolideerde teksten op internet
                        beschikbaar te stellen overeenkomstig het Internetpublicatiemodel Decentrale
                        Regelgeving. Dit betekent onder meer dat geconsolideerde regelingen ter
                        beschikking worden gesteld aan de door het ministerie van BZK in het leven
                        geroepen Centrale Voorziening voor Decentrale Regelgeving (CVDR).</al><al/><al>Het verdient aanbeveling ook een mededeling in een huis-aan-huisblad op te
                        nemen. Een dergelijke mededeling zou als volgt kunnen luiden:</al><al/><al>Burgemeester en wethouders delen mee dat de raad van de gemeente
                        &lt;gemeentenaam&gt; op &lt;datum&gt; heeft vastgesteld &lt;naam
                        (wijzigings)verordening&gt;. De &lt;naam (wijzigings)verordening&gt; treedt
                        in werking op de &lt;achtste&gt; dag na de datum zoals vermeld op dit blad.
                        [Het besluit is opgenomen in het gemeenteblad op &lt;datum&gt;, onder nummer
                        &lt;getal&gt;.] De &lt;naam (wijzigings)verordening&gt; ligt kosteloos ter
                        inzage op &lt;de gemeentesecretarie of een andere door het college te
                        bepalen plaats&gt;. Een ieder kan op verzoek &lt;tegen betaling van een
                        bedrag aan leges of gratis&gt; een afschrift verkrijgen van het genoemde
                        besluit.</al><al/><al>Als er geen gemeenteblad is en dus bekendmaking in een dag-, nieuws- of
                        huis-aan-huisblad moet plaatsvinden en de publicatie op verschillende data
                        en/of in meerdere huis-aan-huisbladen geschiedt, moet de tekst hierop
                        aangepast te worden om te vermijden dat er verschillende
                        inwerkingtredingsdata ontstaan. Geadviseerd wordt om in dat geval de</al><al>hierboven vermelde tekstsuggestie te hanteren voor de eerste publicatie en
                        in latere publicaties de tweede volzin als volgt te herschrijven:</al><al/><al>'De &lt;naam van de (wijzigings)verordening&gt; treedt in werking (is in
                        werking getreden) op</al><al>&lt;datum&gt;: De datum van inwerkingtreding kan hierbij afgeleid worden uit
                        de eerste publicatie. Voorbeeld: de bekendmaking is voor de eerste keer
                        gepubliceerd in een huis-aan-huisblad d.d. 18 januari 2011 en treedt dus in
                        werking op (bijvoorbeeld) de achtste dag daarna, 26 januari 2011. In latere
                        publicatie kan 26 januari 2011 als datum van inwerkingtreding worden
                        vermeld.</al><al/><al>Op grond van <onderstreept>artikel 142 van de Gemeentewet</onderstreept>
                        treedt het bekend gemaakte besluit in werking met ingang van de achtste dag
                        na de dag van de bekendmaking, tenzij in de verordening een ander tijdstip
                        is aangegeven (vroeger of later). De datum van inwerkingtreding van een
                        belastingverordening mag echter niet liggen voor de vaststelling én
                        bekendmaking ervan.</al><al/><al>Het feit dat de belastingverordening pas in werking treedt na bekendmaking,
                        houdt slechts in dat de gemeente vóór dat tijdstip geen belastingaanslagen
                        kan opleggen. De aanslagen kunnen echter wel betrekking hebben op de periode
                        vanaf de datum van ingang van de heffing. Een voorbeeld kan dit
                        toelichten.</al><al/><al>Op 4 november 2010 stelt de gemeenteraad de verordening vast met als datum
                        van inwerkingtreding de achtste dag na de bekendmaking en als tijdstip van
                        ingang van de heffing 1 januari 2011. De verordening wordt door de gemeente
                        bekendgemaakt op 18 januari 2011.</al><al>De verordening treedt in werking op 26 januari 2011 (achtste dag na de dag
                        van bekendmaking). Vanaf dat moment kan de gemeente aanslagen opleggen. Deze
                        aanslagen kunnen echter betrekking hebben op de periode vanaf het tijdstip
                        van ingang van de heffing (in dit geval 1 januari 2011).</al><al/><al><vet>Datum ingang heffing</vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>217</nr><titel>van de Gemeentewet</titel></kop><al> bepaalt dat een belastingverordening een datum van ingang van de heffing
                        moet vermelden. De datum van ingang van de heffing geeft aan vanaf welke
                        datum de in de belastingverordening genoemde (belastbare) feiten in de
                        heffing worden betrokken. Ook bij het wijzigen van een verordening is het
                        nodig om voor de</al><al>wijzigingsverordening te bepalen vanaf welk moment de (gewijzigde) heffing
                        wordt toegepast.</al><al/><al><vet>Citeertitel</vet></al><al/><al>In de verordening is het jaartal 2014 genoemd omdat dat het jaar is waarin
                        voor het eerst de toeristenbelasting op basis van deze verordening wordt
                        geheven.</al><al/><al><vet>Ondertekening</vet></al><al/><al>Alle stukken die van de raad uitgaan, worden ondertekend door de
                        burgemeester (in zijn hoedanigheid van voorzitter) en medeondertekend door
                        de griffier <onderstreept>(artikel 32a Gemeentewet</onderstreept> ). Bij
                        verhindering of ontstentenis van de burgemeester worden de stukken
                        ondertekend door degene die de burgemeester als voorzitter van de raad
                        vervangt (het langst zittende raadslid; <onderstreept>artikel
                            32a</onderstreept> jo. <onderstreept>77 Gemeentewet</onderstreept> ).
                        Aan het slot van het besluit tot</al><al>vaststelling van de belastingverordening hebben wij daarom als
                        ondertekenaars 'de voorzitter' en 'de griffier' genoemd.</al><al>Ten overvloede merken wij nog op dat de stukken die van het college uitgaan
                        worden ondertekend door de burgemeester en medeondertekend door de
                        secretaris <onderstreept>(artikel 59a, eerste lid,
                            Gemeentewet</onderstreept> ).</al><al/></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>