<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR347291_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening forensenbelasting 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elektronisch Gemeenteblad, 17-11-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening forensenbelasting 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=216">Gemeentewet, art. 216 </dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=223">Gemeentewet, art. 223</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015/06/001712; Z2015-003532</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vervangen door de '<extref doc="1.1:CVDR381352_1">Verordening forensenbelasting 2016</extref>'.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening forensenbelasting 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zandvoort:</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4
                        september 2014;</al><al>gelet op de overwegingen van de commissie Bestuur en Middelen van 7 oktober
                        2014 gelet op artikel 216 en 223 van de Gemeentewet;</al><al>besluit de volgende verordening, inclusief toelichting, vast te
                        stellen:</al><al>VERORDENING FORENSENBELASTING 2015.</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>1.1 BEGRIPSBEPALINGEN </label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><al/><lijst><li nr="a."><al><vet>woning: </vet>een gemeubileerde woning als bedoeld in
                                    artikel 223 van de Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al><vet>het college: </vet>het college van Burgemeester en
                                    Wethouders van de gemeente Zandvoort;</al></li><li nr="c."><al><vet>de raad: </vet>de gemeenteraad van Zandvoort;</al></li><li nr="d."><al><vet>ambtenaar belast met de heffing: </vet>de gemeenteambtenaar
                                    die door het college is aangewezen als de in artikel 231, tweede
                                    lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar belast
                                    met de heffing van de gemeentelijke belastingen.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>1.2 NORMSTELLING</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit en belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam "forensenbelasting" wordt een directe belasting
                                geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente
                                hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het
                                belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning
                                beschikbaar houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de
                                omstandigheden beoordeeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>Niet belastingplichtig is degene die ter tijdelijke waarneming van een
                            openbare betrekking of ter bijwoning van de vergaderingen van een
                            algemeen vertegenwoordigend lichaam, waarvan hij het lidmaatschap
                            bekleedt, dan wel ingevolge last of bevel van de overheid, buiten de
                            gemeente van zijn hoofdverblijf vertoeft.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf voor de
                                onroerende-zaakbelastingen zoals die voor het belastingobject
                                waarvan de woning deel uitmaakt, voor het tijdvak waarbinnen het
                                belastingjaar valt, is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven naar de
                                waarde, indien de heffingsmaatstaf voor de
                                onroerende-zaakbelastingen voor het belastingobject waarvan de
                                woning deel uitmaakt voor het belastingjaar is vastgesteld met
                                toepassing van artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering
                                onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ingeval geen heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen is
                                vastgesteld, wordt de belasting geheven naar de waarde.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De vaststelling van de waarde bedoeld in het tweede en derde lid
                                geschiedt overeenkomstig de artikelen 220 tot en met 220d van de
                                Gemeentewet, met dien verstande dat daarbij artikel 16, onderdeel e,
                                van de Wet waardering onroerende zaken niet wordt toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarief</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een heffingsmaatstaf als bedoeld in artikel 4 of bij een waarde
                                van € 50.000,- of minder, bedraagt de belasting € 511,80.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een heffingsmaatstaf als bedoeld in artikel 4 of bij een waarde
                                van meer dan € 50.000,-, bedraagt de belasting 1,28% van deze
                                heffingsmaatstaf of waarde, met dien verstande dat het te betalen
                                bedrag niet meer zal bedragen dan € 1.674,80.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Belastingjaar</titel></kop><al>Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6a</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld</titel></kop><al>De belasting is verschuldigd op het moment dat de gemeubileerde woning
                            meer dan 90 dagen in het belastingjaar beschikbaar is gehouden als
                            bedoeld in artikel 2.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                                moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van
                                de derde maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
                                aanslagbiljet is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c,
                                van de Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde
                                beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van
                                overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt
                                opgelegd met de vaststelling van de aanslag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de
                                voorgaande leden gestelde termijnen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Nadere regels door het college</titel></kop><al>Het college kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de
                            invordering van de forensenbelasting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Bij de invordering van forensenbelasting wordt geen kwijtschelding
                            verleend.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Bevoegdheden</titel></kop><al>De 'ambtenaar belast met de heffing' is belast met de uitvoering van
                            deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De 'Verordening forensenbelasting 2014', vastgesteld bij
                                    raadsbesluit van 6 november 2013, wordt ingetrokken met ingang
                                    van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de
                                    heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de
                                    belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                                    voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag
                                    na die van de bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening
                                    forensenbelasting 2015'.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 10 november 2014</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>2 TOELICHTING OP DE VERORDENING</label></kop><al/></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>2.1 ALGEMEEN </label></kop><al>De verordening forensenbelasting is gebaseerd op de tekst van artikel 223 van de
                    Gemeentewet. De tekst van hogere wettelijke regelingen, waar nodig voor de
                    duidelijkheid, is overgenomen.</al><al>Omdat sprake is van een belasting, hoeft er tegenover het heffen van de
                    forensenbelasting geen individuele tegenprestatie of kostenpost te staan van de
                    gemeente. Het vereiste van maximaal 100% kostendekkendheid, zoals dat van
                    toepassing is bij de legesheffing, geldt hier niet. De opbrengst vloeit in de
                    algemene middelen en de gemeente kan die aanwenden naar eigen inzicht. De
                    forensenbelasting wordt dan ook primair als een algemeen dekkingsmiddel
                    opgevat.</al><al>Eén van de factoren op grond waarvan de hoogte van de uitkering uit het
                    gemeentefonds voor een gemeente wordt berekend, is het aantal inwoners. Forensen
                    zijn echter geen inwoner van de gemeente waar ze als forens verblijven, maar
                    profiteren wel van de door de gemeente aangebrachte en bekostigde voorzieningen.
                    Het 'gemis' aan inkomsten kan de gemeente (deels) compenseren door het heffen
                    van een forensenbelasting. Deze gedachte als rechtsgrond voor de
                    forensenbelasting geldt nog steeds, ook al is de uitkering uit het gemeentefonds
                    gekoppeld aan circa 60 kostenveroorzakende factoren binnen de gemeente.
                    Bijvoorbeeld het aantal inwoners, het aantal woonruimten, de bodemgesteldheid,
                    wel of geen centrumfunctie, etc.</al><al>In dit verband besliste Hof Den Haag (29 augustus 1991, nr. 4055/90,
                    Belastingblad 1993, blz. 218) dat de wetsgeschiedenis geen aanwijzing bevat dat
                    de wetgever de hoogte van de forensenbelasting afhankelijk heeft willen stellen
                    van de mate waarin de gemeente uitkeringen ontvangt die geacht kunnen worden
                    verband te houden met de woonforens en/of diens vakantiewoning. De omstandigheid
                    dat het beloop van de algemene uitkering uit het gemeentefonds sedert 1984 in
                    toenemende mate wordt bepaald door de maatstaf van de bebouwing en in afnemende
                    mate door de maatstaf van het inwonertal, staat de heffing van forensenbelasting
                    dan ook niet in de weg.</al><al/></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><nr>2.2 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</nr></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Ad a.</al><al>Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van het in de verordening
                        voorkomende begrip 'woning' is daarvan een omschrijving opgenomen in artikel
                        1. Onder woning wordt verstaan een gemeubileerde woning als bedoeld in
                        artikel 223 van de Gemeentewet. Over de vraag wat moet worden verstaan onder
                        een gemeubileerde woning is veel jurisprudentie ontstaan.</al><al>Van belang zijn de bestemming en de geschiktheid voor bewoning. De vraag
                        moet worden beantwoord of de gemeubileerde woning op zich zelf beschouwd
                        zowel bestemd als geschikt is om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning
                        te dienen (HR 19 december 1962, nr. 14 905, BNB 1963/95 en Hof Leeuwarden 16
                        september 1974, nr. 248/74, BNB 1975/106).</al><al>Voor het duurzaam dienen voor bewoning wordt wel gekeken naar de aanwezige
                        voorzieningen, aansluiting op waterleiding, riolering, aanwezigheid
                        verwarming, kookgelegenheid en dergelijke. Het ontbreken van een aantal
                        voorzieningen is echter niet altijd doorslaggevend (Hof Arnhem 16 mei 1989,
                        nr. 5/1989 E II, Belastingblad 1989, blz. 418 en Hof Amsterdam 14 juni 1990,
                        nr. 3900/90, Belastingblad 1993, blz. 710).</al><al>De gemeubileerde woning hoeft echter geen woning te zijn in de zin van
                        de Woningwet. Een stacaravan kan ook een gemeubileerde woning zijn (HR 12
                        januari 1972, nr. 16 560, BNB 1972/41 en HR 4 maart 1987, nr. 24 399, BNB
                        1987/117, Belastingblad 1987, blz. 315).</al><al>Ook een woonschip kan een gemeubileerde woning zijn (HR 2 maart 1994, nr. 29
                        642, BNB 1994/115, Belastingblad 1994, blz. 52 en na verwijzing Hof Arnhem
                        17 juni 1994, nr. 940535, Belastingblad 1995, blz. 138 en Hof Leeuwarden 10
                        februari 2006, nr. BK 589/04, Belastingblad 2006, blz. 353).</al><al>Er zijn echter ook stacaravans en toercaravans die niet beschikken over de
                        meest elementaire voorzieningen voor duurzame bewoning. In dat geval is er
                        geen sprake van een gemeubileerde woning in de zin van artikel 223 van de
                        Gemeentewet (Hof 'sGravenhage 23 oktober 1973, nr 16/1973, BNB 1974/213, Hof
                        Leeuwarden 24 december 1982, nr. 1260/81, BNB 1984/149, Belastingblad 1984,
                        blz. 199, Hof Amsterdam 12 maart 1984, nr 46/33, Belastingblad 1985, blz.
                        599, Hof Amsterdam 21 oktober 1986, nr 1760/85, Belastingblad 1987, blz.
                        545, Hof Arnhem 21 maart 1989, nr 1492/1988, Belastingblad 1989, blz. 578,
                        Hof 's-Gravenhage 11 mei 1989, nr. 4859/87, Belastingblad 1989, blz. 619).
                        Het is niet toegestaan om stacaravans uit doelmatigheidsoverwegingen buiten
                        de heffing te laten. Voor het achterhalen van stacaravans die als
                        gemeubileerde woning zijn aan te merken, is weliswaar een omvangrijk
                        onderzoek nodig, maar dit onderzoek is eenmalig. Aan gemeenten staan volgens
                        de belastingrechter voldoende middelen ten dienste om de medewerking van
                        vakantieparken af te dwingen (verwijzingsprocedure Hof Leeuwarden, 12
                        augustus 1994, nr. 240/94, nog niet gepubliceerd, na Hoge Raad, 9 februari
                        1994, nr. 29 504, Belastingblad 1994, blz. 373). Van een gemeubileerde
                        woning, die uitsluitend voor verhuur gereed te maken en te houden, kan niet
                        gezegd worden dat deze door de eigenaar beschikbaar wordt gehouden voor zich
                        of zijn gezin. Indien echter een gemeubileerde woning weliswaar is bestemd
                        voor verhuur maar ook in enige mate door de eigenaar zelf wordt gebruikt,
                        anders dan nodig is om deze voor verhuur gereed te maken en te houden, moet
                        worden aangenomen dat die woning door de eigenaar voor zich of zijn gezin
                        beschikbaar wordt gehouden voor het gedeelte van het jaar dat eigen gebruik
                        niet in verband met verhuur is uitgesloten (HR 24 juli 1995, nr. 30 470,
                        Belastingblad 1995, blz. 618).</al><al>Ook het beschikbaar stellen van de woning aan kennissen is gebruik dat
                        zodanig is verbonden met de privésfeer dat het is aan te merken als het voor
                        zich beschikbaar houden (Hof Amsterdam, 20 januari 2003, nr. 02/02853, UN:
                        AF 3407).</al><al/><al>Ad c.</al><al>Artikel 231 lid 2 sub b van de Gemeentewet regelt dat de bevoegdheden en
                        verplichtingen die op rijksniveau gelden voor de inspecteur overeenkomstig
                        gelden voor de ambtenaar die belast is met de heffing van de gemeentelijke
                        belastingen. Deze ambtenaar wordt op grond van artikel 232 lid 2 sub a van
                        de Gemeentewet aangewezen door het college.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit en belastingplicht</titel></kop><al>In artikel 2 hebben de omschrijving van de belastingplicht en het belastbaar
                        feit een plaats gevonden. Zoveel mogelijk is aangesloten bij de tekst van
                        artikel 223 van de Gemeentewet. Dat artikel biedt de mogelijkheid tot het
                        heffen van een slaapforensenbelasting en een woonforensenbelasting. In de
                        verordening heeft alleen de woonforensenbelasting een plaats gekregen. Toch
                        is in deze verordening gekozen voor de naam 'forensenbelasting'. Artikel 223
                        kent namelijk alleen het begrip 'forensenbelasting'. Gemeenten kunnen
                        onroerende gemeubileerde woningen zowel in de forensenbelasting als in de
                        onroerende-zaakbelastingen aanslaan. De Hoge Raad heeft dit in 2001
                        bevestigd: er is geen strijd met enige wettelijke bepaling of
                        discriminatieverbod als beide heffingen naast elkaar worden geheven (HR 9
                        november 2001, nr. 36.111, UN: AD5329). Ook samenloop met de
                        toeristenbelasting is toegestaan (Hof Arnhem, 22-10-2008, nr. 07/04060, UN:
                        BG1754), al hebben de meeste gemeenten hiervoor wel een
                        anti-samenloopbepaling in de verordening opgenomen. Zie hiervoor de
                        toelichting bij artikel 3 Vrijstellingen.</al><al/><al>Belastingplichtig kunnen slechts zijn natuurlijke personen die in de
                        gemeente geen hoofdverblijf hebben. Of er al dan niet sprake is van het
                        hebben van hoofdverblijf moet worden beoordeeld naar de omstandigheden
                        (artikel 223, derde lid, van de Gemeentewet). De inschrijving in het
                        bevolkingsregister kan een omstandigheid zijn, maar doorslaggevend is dat
                        niet (HR 9 mei 1984, nr 22 373, BNB 1984/175, Belastingblad 1984, blz. 371).
                        Zie voor van belang zijnde omstandigheden Hof Leeuwarden 14 mei 2004, nr
                        296/03, UN: A09762, Belastingblad, 2004, blz. 760, Hof Amsterdam 2 december
                        1992, nr. 92/1085, Belastingblad 1993, blz. 342 en Hof 's-Gravenhage 26
                        februari 1992, nr. 91/0638, Belastingblad 1992, blz. 492.</al><al>Indien de gemeente bij het aanwijzen van degene die voor zich of hun gezin
                        een gemeubileerde woning beschikbaar houdt de keuze heeft, zal het college,
                        op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, bij die keuze
                        moeten handelen op basis van beleid. De beleidsregels moeten bovendien
                        tijdig worden bekendgemaakt, zodat ze voor belastingplichtigen kenbaar zijn.
                        De in dit verband met betrekking tot de onroerende-zaakbelastingen gewezen
                        jurisprudentie, strekt zich blijkens de uitspraak van het Hof Amsterdam van
                        29 april 1994, nr. 93/2462, E VII, Belastingblad 1994, blz. 543, inzake
                        Afvalstoffenheffing, ook uit tot andere gemeentelijke belastingen bij welke
                        een keuzesituatie bestaat voor het aanwijzen van een
                        belastingplichtige.</al><al>Het is noodzakelijk dat alle natuurlijke personen die aan het belastbaar
                        feit voldoen in de heffing worden betrokken. Dit is een gevolg van het
                        arrest van de Hoge Raad 4 juli 1989, nr. 26 141, Belastingblad 1989, blz.
                        576. In het aldaar berechte geval kon overigens de woonforensenbelasting
                        niet worden geheven. Het Hof had daar als vaststaand aangemerkt dat de
                        woning slechts op basis van afspraken door de vijf mede-eigenaren
                        zelfstandig en zonder de anderen gebruikt wordt en voorts dat zij niet tot
                        hetzelfde gezin behoorden. In die omstandigheden biedt de wet noch de
                        verordening houvast voor het in de heffing betrekken van de gezamenlijke
                        eigenaren. Over de beschikbaarheid van de woning voor de vijf eigenaren koos
                        overigens het Hof bij gebreke van duidelijkheid daarover waarschijnlijk voor
                        een rekenkundige uitleg. Dit betekent dat bij mede-eigendom van meer dan
                        vier eigenaren nagegaan zal moeten worden hoe de desbetreffende overeenkomst
                        luidt om te constateren of een belastbaar feit heeft plaats gevonden.</al><al>Uit doelmatigheidsoverwegingen kan de gemeente bepaalde categorieën
                        gemeubileerde woningen buiten de heffing laten (HR 9 februari 1994, nr. 29
                        504, BNB 1994/109, Belastingblad 1994, blz. 219).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>Het betreft hier de verplichte vrijstelling zoals die in het tweede lid van
                        artikel 223 van de Gemeentewet is opgenomen.</al><al>Daarnaast staat het gemeenten vrij facultatieve vrijstellingen in de
                        verordening op te nemen. Zo zijn er gemeenten die een vrijstelling van
                        forensenbelasting toepassen indien ook toeristenbelasting is verschuldigd.
                        Het omgekeerde komt echter vaker voor.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><al>Het vierde lid van het tot 1 januari 1995 geldende artikel 224 van de
                        Gemeentewet is bij de inwerkingtreding van de Wet materiële
                        belastingbepalingen vervallen. In dit artikellid waren de te hanteren
                        heffingsmaatstaven opgenomen. Vanaf 1 januari 1995 bepaalt zoals gezegd
                        artikel 219, tweede lid, de toegestane heffingsmaatstaven. Dit betekent dat
                        bij de forensenbelasting alle heffingsmaatstaven zijn toegestaan behalve die
                        naar inkomen, winst of vermogen.</al><al>De heffingsmaatstaf wordt overgenomen zoals deze is vastgesteld voor de
                        onroerende-zaakbelastingen. Dat impliceert dat de heffingsmaatstaf
                        betrekking heeft op de woning en alle daarbij behorende gebouwde en
                        ongebouwde eigendommen. De heffingsmaatstaf wordt immers vastgesteld met
                        inachtneming van de objectafbakeningsregels van artikel 16 Wet WOZ.</al><al>Door wijziging van de objectafbakening van recreatieterreinen per 1 januari
                        2005 zal voor een aantal recreatiewoningen geen afzonderlijke WOZ-waarde
                        meer worden vastgesteld.</al><al/><al>Het tweede lid van dit artikel regelt dat als een recreatieterrein ingevolge
                        artikel 16, onderdeel e, van de Wet WOZ, als één geheel wordt afgebakend en
                        als één geheel wordt gewaardeerd, de heffingsmaatstaf voor de afzonderlijke
                        woningen voor de forensenbelasting de waarde is. Het vierde lid zorgt er
                        voor dat de waarde in het economische verkeer wordt gehanteerd en dat het
                        belastingobject voor de forensenbelasting wordt afgebakend met inachtneming
                        van alleen artikel 16, onderdeel a tot en met d en f van de Wet waardering
                        onroerende zaken en onderdeel e buiten beschouwing blijft.</al><al>Nu het mogelijk is dat bepaalde gemeubileerde woningen voor de
                        forensenbelasting niet onroerend zijn, moet daarvoor een aparte bepaling
                        worden opgenomen. Deze heeft een plaats gekregen in het derde lid.</al><al>In het vierde lid is verankerd dat de objectafbakening en waardering dienen
                        te geschieden overeenkomstig de regels zoals die voor de
                        onroerende-zaakbelastingen gelden, met uitzondering van de woningen die deel
                        uitmaken van een recreatieterrein dat als één geheel is gewaardeerd. Voor
                        die woningen gelden dus nog de objectafbakeningsregels van voor 1 januari
                        2005.Voor roerende woningen dienen de regels op overeenkomstige wijze te
                        worden toegepast.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarief</titel></kop><al>De forensenbelasting is geen bestemmingsheffing. Aan de hoogte van de
                        tarieven zijn geen beperkingen gesteld. Natuurlijk zijn er talloze andere
                        mogelijkheden denkbaar. (Zie Hof Leeuwarden, 22 juni 2001, nr. 99/30204, UN:
                        AB 2299, Borger-Odoorn). Door het waardeklassenstelsel zoals dat hier wordt
                        gehanteerd, wordt een eenvoudige differentiatie in het tarief bereikt.</al><al>Met ingang van 2005 is de objectafbakening van recreatieterreinen gewijzigd.
                        Hierdoor wordt de waarde van veel caravans en recreatiewoningen niet apart
                        voor de uitvoering van de Wet WOZ vastgesteld. Om te voorkomen dat hierdoor
                        de recreatiewoningen uitgebreid gewaardeerd moeten worden voor de
                        forensenbelasting, is gekozen voor de grove waardestaffel.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Belastingjaar</titel></kop><al>In artikel 6 is bepaald dat het belastingjaar gelijk loopt met het
                        kalenderjaar.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6a</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld</titel></kop><al>In dit artikel is geregeld dat de belastingschuld ontstaat indien in de loop
                        van het belastingtijdvak de gemeubileerde woning 90 dagen beschikbaar is
                        gehouden. Inmiddels zijn er verschillende hofuitspraken (Zie Hof Den Haag,
                        26 januari 2005, nr. 03/00589, UN: AS4338, Veere en Hof Arnhem, 7 februari
                        2002, nr. 00/00590, UN: AE0504)) waarin wordt geconcludeerd dat de vraag of
                        het belastbaar feit voor de forensenbelasting zich heeft voorgedaan, pas na
                        afloop van het kalenderjaar kan worden beantwoord. Een definitieve aanslag
                        forensenbelasting kan als er geen bepaling over het ontstaan van de
                        belastingschuld in de verordening is opgenomen, pas na afloop van het
                        belastingjaar worden opgelegd. In deze uitspraken was in de verordening
                        forensenbelasting geen bepaling opgenomen op grond waarvan de
                        belastingschuld geacht kan worden te zijn ontstaan vóór de afloop van het
                        belastingjaar. Naar onze mening behoeft niet te worden gewacht met het
                        opleggen van de aanslag tot het einde van het kalenderjaar. Indien in de
                        loop van het belastingtijdvak de 90 dagen reeds zijn 'volgemaakt' staat op
                        dat moment de belastingschuld vast.</al><al>Daarom is in de verordening een aparte bepaling opgenomen waarin het
                        ontstaan van de belastingschuld is geregeld. In de voornoemde uitspraak van
                        het Hof Arnhem geeft het hof aan dat in de verordening forensenbelasting kan
                        worden bepaald dat de belastingschuld eerder ontstaat dan na afloop van het
                        belastingtijdvak. Bij de uitvoering van deze bepaling moet uiteraard wel
                        rekening gehouden worden met omstandigheden zoals de sluiting van een
                        camping. Als een camping pas vanaf maart weer opent, gaat vanaf dat moment
                        het '90-dagen criterium' lopen.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>Ingevolge artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen
                        worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of
                        op andere wijze. In de verordening is gekozen voor de heffing bij wege van
                        aanslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Er bestaat een wettelijke regeling omtrent de betaaltermijnen. Deze is
                        opgenomen in artikel 9 van de Invorderingswet 1990. Op grond van artikel 250
                        van de Gemeentewet kan hiervan in de belastingverordening worden afgeweken.
                        In het eerste lid van artikel 8 is afgeweken van de wettelijke
                        betalingstermijn.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Met betrekking tot de bij het vaststellen van een belastingaanslag op te
                        leggen boete zijn de betaaltermijnen gelijk aan die voor de
                        belastingaanslag, ook indien in de belastingverordening van artikel 9 van de
                        Invorderingswet 1990 afwijkende betaaltermijnen zijn opgenomen. Dit volgt
                        uit artikel 9, derde lid, van de Invorderingswet 1990. Het is dus niet nodig
                        om in de belastingverordening betaaltermijnen voor bestuurlijke boeten op te
                        nemen.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>De Algemene termijnenwet (ATW) is van toepassing op in een wet gestelde
                        termijnen (artikel 1). Hiermee wordt een wet in formele zin bedoeld. Artikel
                        9, tiende lid, van de Invorderingswet 1990 bepaalt echter dat de ATW niet
                        van toepassing is op de in de leden 1 tot en met 9 gestelde termijnen.
                        Indien gemeenten afwijkende termijnen in de belastingverordening hebben
                        opgenomen en dus artikel 9, tiende lid, van de Invorderingswet 1990 niet
                        geldt, is voor de betaling van de definitieve aanslag de ATVV wel van
                        toepassing.</al><al>Dit volgt ook uit artikel 145 van de Gemeentewet, waarin is bepaald dat de
                        ATW van toepassing is op in een verordening gestelde termijnen, tenzij in de
                        verordening anders is bepaald.</al><al>Indien voor de betaling van aanslagen een regeling is getroffen in de
                        belastingverordening en voor voorlopige aanslagen, navorderingsaanslagen of
                        naheffingsaanslagen niet, betekent dit dat voor de laatste drie genoemde
                        aanslagen artikel 9 van de Invorderingswet 1990 geldt. In dat geval is de
                        ATW wel van toepassing op de betaaltermijnen voor aanslagen en niet van
                        toepassing op de betaaltermijnen voor voorlopige aanslagen,
                        navorderingsaanslagen en naheffingsaanslagen. Teneinde te voorkomen dat voor
                        de verschillende belastingaanslagen een verschillend juridisch regime geldt,
                        is in artikel 8, derde lid, overeenkomstig artikel 9, tiende lid, van de
                        Invorderingswet — de ATW buiten toepassing verklaard.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Nadere regels door het college</titel></kop><al>Op grond van artikel 231 van de Gemeentewet zijn bij de heffing en de
                        invordering van gemeentelijke belastingen onder meer de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen (AWR) en de Invorderingswet 1990 van toepassing. De
                        heffingsbevoegdheden komen toe aan de daartoe aangewezen heffingsambtenaar
                        en de invorderingsbevoegdheden aan de daartoe aangewezen
                        invorderingsambtenaar. De AWR en de Invorderingswet 1990 kennen ook
                        bepalingen op grond waarvan de minister van Financiën de bevoegdheid wordt
                        toegekend nadere regels te geven over bepaalde heffings- en
                        invorderingsaangelegenheden. Voor de gemeentelijke belastingen komt die
                        bevoegdheid op grond van artikel 231 toe aan het college. Verder is het
                        college als bestuursverantwoordelijke voor de heffings- en
                        invorderingsambtenaar bevoegd om beleidsregels vast te stellen (artikel 4:81
                        Algemene wet bestuursrecht, hierna Awb). Op grond van artikel 160, eerste
                        lid, onderdeel b, van de Gemeentewet is het college eveneens bevoegd
                        beslissingen van de raad (lees:belastingverordeningen) uit te voeren. Met
                        het oog hierop kan het college over uitvoeringsaangelegenheden regels
                        stellen. Te denken valt hierbij aan het vaststellen van de modellen voor het
                        formulier van de onderscheiden aangiftebiljetten.</al><al>Met de inwerkingtreding van de derde tranche Awb op 1 januari 1998 is een
                        aantal bevoegdheden van de raad op belastinggebied overgegaan op het
                        college. In verband hiermee is in elke belastingverordening een bepaling
                        opgenomen dat het college nadere regels kan geven met betrekking tot de
                        heffing en invordering van de betreffende belasting. Op deze wijze is het
                        voor de belastingplichtigen duidelijk dat er nog nadere regels kunnen
                        gelden. In de (uitvoerings)regeling gemeentelijke belastingen is een en
                        ander uitgewerkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Op grond van artikel 255 van de Gemeentewet volgen gemeenten het
                        kwijtscheldingsbeleid van de rijksoverheid zoals dat is geregeld in de
                        Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Indien gemeenten niets regelen
                        geldt deze ministeriële regeling automatisch voor alle gemeentelijke
                        belastingen.</al><al>Artikel 255 van de Gemeentewet biedt echter de mogelijkheid om van de
                        ministeriële regeling af te wijken. Omdat geen kwijtschelding bij de
                        invordering van forensenbelasting wordt verleend is dit expliciet opgenomen
                        in artikel 10.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel Overgangsrecht</titel></kop><al>Als een verordening wordt gewijzigd of een vervangende verordening wordt
                        vastgesteld, verdient het aanbeveling eerbiedigende werking aan de oude
                        verordening te geven. Dit houdt in dat de verordening die wordt ingetrokken,
                        van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich vóór de datum van
                        ingang van de heffing van de nieuwe verordening hebben voorgedaan. Voor die
                        belastbare feiten blijft heffing dus mogelijk op basis van de oude
                        verordening, ook al is die verordening ingetrokken. Een eventuele opgenomen
                        zinsnede 'laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van &lt;datum&gt;' is
                        opgenomen als het vaststellen van een 'basis' belastingverordening is
                        gevolgd door wijzigingsverordeningen. In dat geval moet worden verwezen naar
                        de laatst vastgestelde wijziging.</al><al>Opgemerkt wordt dat er geen sprake is van het overdragen aan het college van
                        burgemeester en wethouders van de bevoegdheid tot het vaststellen van de
                        belastingverordening of de wijziging daarvan op grond van artikel 156,
                        tweede lid, aanhef en onderdeel h, van de Gemeentewet.</al><al/><al><vet>Inwerkingtreding</vet></al><al>Op grond van artikel 139 van de Gemeentewet moeten gemeenten de besluiten
                        tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van belastingverordeningen bekend
                        maken. Het niet voldoen aan de bekendmakingsplicht leidt tot
                        onverbindendheid van de</al><al>belastingverordening (HR 31 maart 1993, nr. 28.034, BNB 1993/182,
                        Belastingblad 1993, blz. 274; Hoge Raad 10 augustus 1998, nr. 33.632, UN:
                        AA2624). Een</al><al>belastingverordening treedt dus pas in werking na haar bekendmaking
                        (afgezien van terugwerkende kracht in bijzondere gevallen). In de
                        verordening is de inwerkingtreding bepaald op de eerste dag na die van de
                        bekendmaking. Er is afgezien van het noemen van een concrete datum. Voor de
                        gevallen dat de verordening onverhoopt niet zelf in haar inwerkingtreding
                        voorziet, biedt artikel 142 Gemeentewet een vangnet: de inwerkingtreding is
                        dan de achtste dag na die van de bekendmaking.</al><al>Zeker als een belasting wordt ingevoerd is een reële termijn tussen
                        bekendmaking en inwerkingtreding van de belastingverordening noodzakelijk om
                        een goede uitvoeringdaarvan mogelijk te maken. De datum van inwerkingtreding
                        moet zodanig worden vastgesteld, dat niet alleen de heffings- en
                        invorderingsambtenaar de nodige voorbereidingshandelingen kunnen treffen,
                        maar ook de toekomstige belastingplichtigen de gelegenheid hebben om tijdig
                        kennis te nemen van de nieuwe verordening.</al><al/><al><vet>Bekendmaking</vet></al><al>Bekendmaking geschiedt door plaatsing van de integrale tekst van het besluit
                        tot</al><al>vaststelling of wijziging van de belastingverordening in het gemeenteblad of
                        als een gemeenteblad ontbreekt (sinds 1 januari 2010) door terinzagelegging
                        gedurende twaalf weken op de gemeentesecretarie of een andere door het
                        college bepaalde plaats. Van die terinzagelegging moet mededeling worden
                        gedaan in een plaatselijk verschijnend dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad
                        (artikel 139, tweede lid, Gemeentewet ). Met deze bepaling</al><al>heeft de wetgever de jurisprudentie van de Hoge Raad over de bekendmaking
                        van belastingverordeningen gecodificeerd. Zie:</al><lijst><li nr="·"><al>Hoge Raad 24 december 1997, nrs. 31643 (Albrandswaard), 32325
                                (Velsen) en 32569, Belastingblad 1998, blz. 146, 148 en 320: de
                                gemeente moet aan de burger, in bijvoorbeeld een huis-aan-huisblad,
                                meedelen dat de tekst van een bepaald besluit tot vaststelling of
                                wijziging van de belastingverordening verkrijgbaar is en (kosteloos)
                                ter inzage ligt bij de gemeente;</al></li><li nr="·"><al>Hoge Raad 28 maart 2001, nr. 35954, LJN:AB0763, Belastingblad 2001,
                                blz. 467, en nr. 35949, LJN:AR5974 (Alkmaar): deze wijze van
                                mededeling/publicatie in bijv. een huis-aan-huisblad geldt niet als
                                de tekst van de belastingverordening in het gemeenteblad is
                                opgenomen. Naar de bedoeling van de wetgever is met opneming van de
                                integrale tekst van verordeningen en besluiten in het gemeenteblad
                                voldaan aan het vereiste van bekendmaking in een externe, met het
                                Staatsblad of Provincieblad vergelijkbare publicatie, hoewel
                                daarnaast bekendmaking via andere media onder omstandigheden door de
                                wetgever wenselijk werd geacht.</al></li></lijst><al>De enige eisen die voor een gemeenteblad gelden, zijn een register en een
                        nummering voor de overzichtelijkheid. Gemeentebesturen zijn voor het overige
                        volledig vrij in de wijze waarop zij het gemeenteblad vormgeven en uitvoeren
                        en in de frequentie van de verschijning ervan. De editie van het
                        gemeenteblad waarin de verordening is geplaatst, moet algemeen verkrijgbaar
                        zijn, dat wil zeggen in het algemeen voor het nemen van inzage en het
                        verkrijgen van een exemplaar of een afschrift voor de burgers beschikbaar
                        zijn. Dit behoeft niet kosteloos te geschieden. Legesheffing is mogelijk ter
                        bestrijding van de kosten voor het maken van een afschrift.</al><al/><al>Het gemeenteblad kan ook elektronisch worden uitgegeven (artikel 139, derde
                        lid, Gemeentewet ). Vanaf een nog nader te bepalen moment moet
                        bekendmaking</al><al>plaatsvinden in het gemeenteblad en moet dat gemeenteblad elektronisch op
                        een algemeen toegankelijke wijze worden uitgegeven (Wet elektronische
                        bekendmaking, Stb. 2008, 551). De Wet elektronische bekendmaking geeft niet
                        alleen de mogelijkheid om</al><al>regelgeving elektronisch bekend te maken, maar zij legt ook de verplichting
                        op om doorlopende ('geconsolideerde') teksten van verordeningen en keuren op
                        het internet beschikbaar te stellen (nieuw artikel 140 Gemeentewet ). Door
                        de beschikbaarstelling van doorlopende teksten van regelgeving krijgt de
                        burger niet alleen toegang tot de bekendmaking van nieuwe regels, maar ook
                        tot een volledig overzicht van alle op enig moment geldende voorschriften.
                        Er is wat dat betreft een belangrijk onderscheid tussen bekendmaking (als
                        voorwaarde voor inwerkingtreding) en andere vormen van kennisgeving,
                        waaronder het beschikbaar houden van geconsolideerde teksten, die niet van
                        belang zijn voor de inwerkingtreding, maar wel voor de verspreiding en de
                        toegankelijkheid van de</al><al>betrokken teksten. De Regeling elektronische bekendmaking en
                        beschikbaarstelling regelgeving decentrale overheden verplicht provincies,
                        gemeenten en waterschappen de geconsolideerde teksten op internet
                        beschikbaar te stellen overeenkomstig het Internetpublicatiemodel Decentrale
                        Regelgeving. Dit betekent onder meer dat geconsolideerde regelingen ter
                        beschikking worden gesteld aan de door het ministerie van BZK in het leven
                        geroepen Centrale Voorziening voor Decentrale Regelgeving (CVDR).</al><al/><al>Het verdient aanbeveling ook een mededeling in een huis-aan-huisblad op te
                        nemen. Een dergelijke mededeling zou als volgt kunnen luiden:</al><al/><al>Burgemeester en wethouders delen mee dat de raad van de gemeente
                        &lt;gemeentenaam&gt; op &lt;datum&gt; heeft vastgesteld &lt;naam
                        (wijzigings)verordening&gt;. De &lt;naam (wijzigings)verordening&gt; treedt
                        in werking op de &lt;achtste&gt; dag na de datum zoals vermeld op dit blad.
                        [Het besluit is opgenomen in het gemeenteblad op &lt;datum&gt;, onder nummer
                        &lt;getal&gt;.] De &lt;naam (wijzigings)verordening&gt; ligt kosteloos ter
                        inzage op &lt;de gemeentesecretarie of een andere door het college te
                        bepalen plaats&gt;. Een ieder kan op verzoek &lt;tegen betaling van een
                        bedrag aan leges of gratis&gt; een afschrift verkrijgen van het genoemde
                        besluit.</al><al/><al>Als er geen gemeenteblad is en dus bekendmaking in een dag-, nieuws- of
                        huis-aan-huisblad moet plaatsvinden en de publicatie op verschillende data
                        en/of in meerdere huis-aan-huisbladen geschiedt, moet de tekst hierop
                        aangepast te worden om te vermijden dat er verschillende
                        inwerkingtredingsdata ontstaan. Geadviseerd wordt om in dat geval de
                        hierboven vermelde tekstsuggestie te hanteren voor de eerste publicatie en
                        in latere publicaties de tweede volzin als volgt te herschrijven:</al><al/><al>'De &lt;naam van de (wijzigings)verordening&gt; treedt in werking (is in
                        werking getreden) op</al><al>&lt;datum&gt;: De datum van inwerkingtreding kan hierbij afgeleid worden uit
                        de eerste publicatie. Voorbeeld: de bekendmaking is voor de eerste keer
                        gepubliceerd in een huis-aan-huisblad d.d. 18 januari 2011 en treedt dus in
                        werking op (bijvoorbeeld) de achtste dag daarna, 26 januari 2011. In latere
                        publicatie kan 26 januari 2011 als datum van inwerkingtreding worden
                        vermeld.</al><al/><al>Op grond van artikel 142 van de Gemeentewet treedt het bekend gemaakte
                        besluit in werking met ingang van de achtste dag na de dag van de
                        bekendmaking, tenzij in de verordening een ander tijdstip is aangegeven
                        (vroeger of later). De datum van inwerkingtreding van een
                        belastingverordening mag echter niet liggen voor de vaststelling én
                        bekendmaking ervan.</al><al/><al>Het feit dat de belastingverordening pas in werking treedt na bekendmaking,
                        houdt slechts in dat de gemeente vóór dat tijdstip geen belastingaanslagen
                        kan opleggen. De aanslagen kunnen echter wel betrekking hebben op de periode
                        vanaf de datum van ingang van de heffing. Een voorbeeld kan dit
                        toelichten.</al><al/><al>Op 4 november 2010 stelt de gemeenteraad de verordening vast met als datum
                        van inwerkingtreding de achtste dag na de bekendmaking en als tijdstip van
                        ingang van de heffing 1 januari 2011. De verordening wordt door de gemeente
                        bekendgemaakt op 18 januari 2011.</al><al/><al>De verordening treedt in werking op 26 januari 2011 (achtste dag na de dag
                        van bekendmaking). Vanaf dat moment kan de gemeente aanslagen opleggen. Deze
                        aanslagen kunnen echter betrekking hebben op de periode vanaf het tijdstip
                        van ingang van de heffing (in dit geval 1 januari 2011).</al><al/><al><vet>Datum ingang heffing</vet></al><al/><al>Artikel 217 van de Gemeentewet bepaalt dat een belastingverordening een
                        datum van ingang van de heffing moet vermelden. De datum van ingang van de
                        heffing geeft aan vanaf welke datum de in de belastingverordening genoemde
                        (belastbare) feiten in de heffing worden betrokken. Ook bij het wijzigen van
                        een verordening is het nodig om voor de</al><al>wijzigingsverordening te bepalen vanaf welk moment de (gewijzigde) heffing
                        wordt toegepast.</al><al/><al><vet>Citeertitel</vet></al><al/><al>Een citeertitel vereenvoudigt de verwijzing naar een bepaalde verordening.
                        Wij hebben in de modelbepaling in de citeertitel een jaartal genoemd. Het
                        lijkt verstandig om als jaartal opte nemen het eerste jaar waarin de
                        gemeente de &lt;naam heffing&gt; op basis van deze verordening heft.</al><al/><al><vet>Ondertekening</vet></al><al>Alle stukken die van de raad uitgaan, worden ondertekend door de
                        burgemeester (in zijn hoedanigheid van voorzitter) en medeondertekend door
                        de griffier (artikel 32a Gemeentewet ). Bij verhindering of ontstentenis van
                        de burgemeester worden de stukken ondertekend door degene die de
                        burgemeester als voorzitter van de raad vervangt (het langst zittende
                        raadslid; artikel 32a jo. 77 Gemeentewet ). Aan het slot van het besluit
                        tot</al><al>vaststelling van de belastingverordening hebben wij daarom als
                        ondertekenaars 'de voorzitter' en 'de griffier' genoemd.</al><al/><al>Ten overvloede merken wij nog op dat de stukken die van het college uitgaan
                        worden ondertekend door de burgemeester en medeondertekend door de
                        secretaris (artikel 59a, eerste lid, Gemeentewet ).</al><al/></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>