<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR347250_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomenstoeslag Schiermonnikoog 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Schiermonnikoog</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-12-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Schiermonnikoog</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">www.overheid.nl</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomenstoeslag Schiermonnikoog 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035333">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-10-30</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Participatiewet</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Participatiewet</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele inkomenstoeslag Schiermonnikoog 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Schiermonnikoog,</al><al>Gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid van de
                        Participatiewet;</al><al>B E S L U I T </al><al>vast te stellen de </al><al>Verordening individuele inkomenstoeslag Schiermonnikoog 2015</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de wet,
                                en de algemene bijstand;</al></li><li nr="b."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                Schiermonnikoog;</al></li><li nr="c."><al>peildatum: de datum waartegen een persoon individuele
                                inkomenstoeslag aanvraagt;</al></li><li nr="d."><al>referteperiode: periode van 36 maanden voorafgaand aan de
                                peildatum;</al></li><li nr="e."><al>wet: de Participatiewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de wet wordt ingediend
                        middels een door het college vastgesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36,
                            eerste lid van de wet als gedurende de referteperiode het in aanmerking
                            te nemen inkomen niet hoger is dan 100% van de toepasselijke
                            bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bestaat recht op een gedeeltelijke
                            individuele inkomenstoeslag wanneer het inkomen op de peildatum hoger is
                            dan 100% van de bijstandsnorm, maar het meerdere op jaarbasis niet meer
                            bedraagt dan van toepassing zijnde individuele inkomenstoeslag die op
                            grond van artikel 4 van deze verordening op hem van toepassing zou
                            zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Hoogte van de individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar:</al><lijst><li nr="a."><al>Voor een alleenstaande 40% van het normbedrag bedoeld in artikel
                                    21, onderdeel a van de wet;</al></li><li nr="b."><al>Voor een alleenstaande ouder 40% van het normbedrag bedoeld in
                                    artikel 21, onderdeel a van de wet, vermeerderd met een bedrag
                                    dat gelijk is aan 20% van het normbedrag bedoeld in artikel 21,
                                    onderdeel b van de wet];</al></li><li nr="c."><al>Voor gehuwden 40% van het normbedrag bedoeld in artikel 21,
                                    onderdeel b van de wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid wordt de individuele inkomenstoeslag
                            voor de belanghebbende als bedoeld in artikel 3, tweede lid, verminderd
                            met het verschil op jaarbasis tussen het inkomen op de peildatum en 110%
                            van de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                            inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid van de wet
                            komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele
                            inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of
                            alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid is de situatie op
                            de peildatum bepalend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De individuele inkomenstoeslag is een vast percentage van het normbedrag
                            zoals die geldt op 1 januari van het kalenderjaar waarin de peildatum
                            valt. De bedragen worden op de hele euro naar boven afgerond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college stelt nadere regels vast met betrekking tot de uitvoering van
                        deze verordening. Deze regels bedoeld in het eerste lid hebben in ieder
                        geval betrekking op de invulling van het begrip ‘geen uitzicht op
                        inkomensverbetering’ zoals bedoeld in artikel 36, eerste lid van de
                        wet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen van deze
                        verordening indien onverkorte toepassing zou leiden tot onredelijkheid of
                        onbillijkheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verordening Langdurigheidstoeslag wordt op 1 januari 2015
                            ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele
                        inkomenstoeslag Schiermonnikoog 2015.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 16 december 2014.</ondertekening><ondertekening>J.Stellinga, voorzitter</ondertekening><ondertekening>S.T. van der Zwaag, griffier</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag,
                        bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                        met inbegrip van een reserveringscomponent, in beginsel toereikend is. Toch
                        kan de financiële positie van mensen die langdurig op een laag inkomen zijn
                        aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel
                        perspectief lijkt te zijn om de inkomsten uit arbeid het inkomen
                        (structureel) te verhogen. Om die reden is sinds 2004 de
                        langdurigheidstoeslag in de Wet werk en bijstand opgenomen. Sinds 2009 is de
                        langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd als een bijzondere vorm van
                        categoriale bijzondere bijstand en moeten gemeenten bij verordening regels
                        stellen met betrekking tot de langdurigheidstoeslag.</al><al>Met ingang van 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                        langdurigheidstoeslag. Het categoriale karakter verdwijnt doordat het
                        college bij de beoordeling van het recht op een individuele inkomenstoeslag
                        de omstandigheden van de persoon moet betrekken, waarbij in ieder geval de
                        krachten en bekwaamheden van de persoon en zijn inspanningen om tot
                        inkomensverbetering te komen in aanmerking moeten worden genomen. Het
                        verlenen van de individuele inkomenstoeslag is vanaf 2015 geen gebonden
                        bevoegdheid meer, maar een discretionaire bevoegdheid.</al><al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Uit
                        de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat de [langdurigheids]toeslag in het
                        leven is geroepen omdat bij een langdurig laag inkomen de mogelijkheden om
                        te reserveren voor vervangingsuitgaven verminderen (TK 28870, nr. 3,
                        p.11-13: “Hiermee wordt bereikt dat er op het moment van uitbetaling ruimte
                        ontstaat binnen het budget waaruit hogere kosten kunnen worden voldaan,
                        bijvoorbeeld voor vervangingsuitgaven.”).</al><al>Vast te leggen regels in verordening</al><al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het
                        is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig
                        een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die
                        persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste
                        lid, van de Participatiewet). Bij verordening moeten op grond van artikel 8,
                        tweede van de Participatiewet regels vastgesteld worden over het verlenen
                        van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de
                        Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de
                        wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag
                        inkomen’. Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen
                        bij een inkomen hoger dan 100% van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast
                        moet bij verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald
                        worden.</al><al>Het college kan in (wetsinterpreterende) regelingen aangeven wanneer sprake
                        is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel
                        8, tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden
                        vastgelegd in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen
                        uitzicht op inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de
                        omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de
                        Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden
                        gerekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al></li><li nr="-"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot
                                inkomensverbetering te komen.</al></li></lijst><al>Overgangsrecht</al><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                        langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening
                        overgangsrecht op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte
                        langdurigheidstoeslagen. Aangezien de langdurigheidstoeslag niet (meer) met
                        terugwerkende kracht kan worden toegekend, kan uitsluitend aanspraak gemaakt
                        worden op een langdurigheidstoeslag als de aanvraag vóór 1 januari 2015 is
                        ingediend. Toekenning van het recht op individuele inkomenstoeslag tegen een
                        datum gelegen op of ná 1 januari 2015 is uitsluitend mogelijk als wordt
                        voldaan aan de in artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening
                        opgenomen voorwaarden.</al><al>Artikel 1 – Begrippen</al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                        bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk in deze verordening
                        gedefinieerd. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                        verordening.</al><al>Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de
                        Participatiewet. In afwijking hiervan wordt ook de algemene
                        bijstandsuitkering ook in aanmerking genomen als inkomen. Bijzondere
                        bijstand (waaronder de individuele inkomenstoeslag en de individuele
                        studietoeslag) kan niet als inkomen in aanmerking genomen worden.</al><al>Artikel 44 van de wet is van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat
                        een peildatum gelijk is aan de aanvraagdatum. De hoofdregel inzake de
                        ingangsdatum van [de langdurigheids]toeslag sluit aan bij die voor de
                        overige vormen van (algemene en bijzondere) bijstand. Gemeenten hebben -
                        volgens vaste rechtspraak - de bevoegdheid om van de genoemde hoofdregel af
                        te wijken wanneer de individuele omstandigheden van de belanghebbende dat
                        rechtvaardigen. (Verzamelbrief december 2013).</al><al>Artikel 2 – Indienen verzoek</al><al>Artikel 36, eerste lid van de wet spreekt niet meer van een aanvraag, maar
                        van een verzoek. Deze term komt in het bestuursrecht niet voor. Om
                        onduidelijkheid te voorkomen bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het
                        verzoek door middel van een door het college vastgesteld formulier gedaan
                        moet worden. Het verzoek wordt dan overeenkomstig de Algemene wet
                        bestuursrecht gezien als een schriftelijke aanvraag die door de aanvrager
                        wordt ondertekend en ten minste naam en adres van de aanvrager bevat,
                        alsmede de dagtekening en de beslissing die gevraagd wordt. Hierbij
                        verstrekt de aanvrager ook de gegevens die het college nodig heeft om een
                        beslissing te nemen (artikel 4.2 Algemene wet bestuursrecht). Een mondeling
                        verzoek is dus niet mogelijk.</al><al>Op grond van artikel 44 van de wet wordt de bijstand toegekend vanaf de dag
                        waarop het recht is ontstaan voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop
                        de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Dit geldt ook
                        voor de individuele inkomenstoeslag. De peildatum kan daarom niet voor de
                        aanvraagdatum liggen. Een te vroeg ingediende aanvraag (binnen twaalf
                        maanden na de laatst verleende individuele inkomenstoeslag) moet op grond
                        van het derde lid van artikel 36 worden afgewezen.</al><al>Artikel 3 – Langdurig laag inkomen</al><al>In dit artikel wordt uitvoering gegeven aan de opdracht bij verordening
                        regels te stellen met betrekking tot de invulling van de begrippen langdurig
                        en laag inkomen. De langdurige periode wordt aangeduid als referteperiode.
                        De referteperiode is in artikel 1 van deze verordening vastgesteld op 36
                        maanden voorafgaand aan de peildatum.</al><al>Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 100% van de op de
                        belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm. De bijstandsnorm is op
                        grond van artikel 5, onderdeel c van de wet de op de belanghebbende van
                        toepassing zijnde (kostendelers?)norm.</al><al>De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet
                        hoger is dan deze norm mag niet al te rigide worden toegepast. Een marginale
                        overschrijding moet worden genegeerd (o.a. LJN BE8918 en BP5532).</al><al>Bij een inkomen dat meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm, maar het
                        meerdere op jaarbasis minder is dan de toepasselijke individuele
                        inkomenstoeslag, wordt de individuele inkomenstoeslag op grond van artikel
                        4, tweede lid van deze verordening verminderd met dat meerinkomen op
                        jaarbasis. Hierdoor kan iemand ook bij een inkomen dat hoger is dan de
                        bijstandsnorm in aanmerking komen voor een individuele inkomenstoeslag. De
                        gevolgen van de armoedeval worden hierdoor beperkt.</al><al>Artikel 4 – Hoogte van de individuele inkomenstoeslag</al><al>Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt
                        tussen een alleenstaande, alleenstaande ouder en gehuwden. De individuele
                        inkomenstoeslag is een percentage van het normbedrag zoals dat op 1 januari
                        van het kalenderjaar van toepassing is. Er is gekozen voor een percentage
                        van de in de wet genoemde normbedrag, en niet van de toepasselijke
                        bijstandsnorm omdat deze laatste door toepassing van de kostendelersnorm
                        lager kan uitvallen.</al><al>Omdat de basisbijstandsnormen voor alleenstaanden en alleenstaande ouders
                        gelijk zijn wordt voor de berekening van de hoogte van de individuele
                        inkomenstoeslag het in de wet genoemde normbedrag verhoogd met 20% van de
                        basisbijstandsnorm voor gehuwden. Op deze wijze wordt in de hoogte van de
                        individuele inkomenstoeslag rekening gehouden met de zorg voor
                        kinderen.</al><al>In het tweede lid van artikel 3 van deze verordening is bepaald dat recht
                        bestaat op een gedeeltelijke individuele inkomenstoeslag als het inkomen op
                        de peildatum meer bedraagt dan 110% van de bijstandsnorm, maar het meerdere
                        op jaarbasis niet meer bedraagt dan de toepasselijke individuele
                        inkomenstoeslag. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de hoogte
                        van de individuele inkomenstoeslag in dat geval wordt verminderd met het
                        bedrag van het meerinkomen op jaarbasis. Op deze manier kunnen
                        belanghebbenden met een inkomen tot ruim 103% van de bijstandsnorm in
                        aanmerking komen voor een individuele inkomenstoeslag.</al><al>Bijvoorbeeld: 100% bijstandsnorm gehuwden op jaarbasis is €16.254. Netto
                        jaarinkomen is €16.500. IIT wordt dan €542 –/- (€16.500 -1€6.254) = €542–
                        €246 = €296</al><al>Bij gehuwden geldt dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden
                        gezamenlijk toekomt. Zij moeten in de referteperiode beiden aan de
                        voorwaarden van artikel 36, eerste lid van de wet voldoen. Als één van de
                        echtgenoten, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van
                        artikel 36 van de wet, is uitgesloten van het recht op individuele
                        inkomenstoeslag, dan komt de rechthebbende partner in aanmerking voor een
                        individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of
                        alleenstaande ouder zou gelden.</al><al>Artikel 5 – Nadere regels</al><al>De invulling van de term langdurig laag inkomen en de hoogte van de
                        individuele inkomenstoeslag zijn in deze verordening geregeld. Het college
                        kan, gelet op de omstandigheden van de belanghebbende, een individuele
                        inkomenstoeslag verlenen aan de persoon met een langdurig laag inkomen die
                        geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. Tot de omstandigheden worden in
                        ieder geval gerekend de krachten en bekwaamheden van de persoon, en de
                        inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te
                        komen. Om tot een eenduidige uitvoering te komen stelt het college nadere
                        regels met betrekking tot de uitvoerig van deze verordening en de
                        beoordelingen die het college moet doen om op een verzoek voor een
                        individuele inkomenstoeslag te besluiten.</al><al>Artikel 6 - Hardheidsclausule</al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al>Artikel 7 – Inwerkingtreding</al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al>Artikel 8 – Citeertitel</al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>