<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR34723_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verstrekkingenboek individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Zwolle 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-03-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zwolle</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">de Peperbus, 10-10-2007</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verstrekkingenboek individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Zwolle 2007</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Zwolle 2007</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-09-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-10-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-11-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>cb 2007-09.04</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regels met betrekking tot de uitvoering van de verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Zwolle 2007</al><al>(beleidsregel)</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verstrekkingenboek individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Zwolle 2007
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>
            <vet>1 Inleiding</vet>
          </al>
          <al>
            <vet>2 Doelstellingen Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)</vet>
          </al>
          <al>
            <vet>3 Begrippen en definities</vet>
          </al>
          <al>3.1 Individuele voorzieningen</al>
          <al>3.2 Vorm van de verstrekking</al>
          <al>3.3 Algemeen gebruikelijke voorzieningen</al>
          <al>
            <vet>4 Hulp bij het huishouden</vet>
          </al>
          <al>4.1 Vormen van de verstrekking.</al>
          <al>4.1.1 Hulp bij het huishouden in natura</al>
          <al>4.1.2 Persoonsgebonden budget</al>
          <al>4.2. Voorwaarden voor het verkrijgen van hulp bij het huishouden</al>
          <al>4.2.1 Gebruikelijke zorg</al>
          <al>4.2.2 Algemeen gebruikelijke voorzieningen</al>
          <al>4.2.3 Wettelijke voorzieningen</al>
          <al>4.2.4 Eigen bijdrage voor hulp bij het huishouden</al>
          <al>4.3. Vaststellen behoefte en omvang van de hulp bij het huishouden</al>
          <al>4.3.1 Vaststellen normtijd Hulp bij het huishouden HH1.</al>
          <al>4.3.2 Vaststellen normtijd Hulp bij het huishouden HH2</al>
          <al>4.3.3 Vaststellen normtijd Hulp bij het huishouden HH3.</al>
          <al>4.4 Hulp in bijzondere situaties</al>
          <al>4.4.1 Hulp na ziekenhuisopname of revalidatieprogramma.</al>
          <al>4.4.2 Cliënten met een indicatie voor verblijf (AWBZ)</al>
          <al>4.4.3 Tijdelijk verblijf elders.</al>
          <al>4.4.4 Verhuizing</al>
          <al>4.4.5 Overlijden</al>
          <al>
            <vet>5 Woonvoorzieningen</vet>
          </al>
          <al>5.1 Inleiding</al>
          <al>5.2 Een tegemoetkoming in de kosten van verhuizen en stoffering</al>
          <al>5.2.1 Verhuisindicatie</al>
          <al>5.2.2 Subsidie voor het vrijmaken van een aangepaste woning</al>
          <al>5.3 Woningaanpassingen van bouwkundige of woontechnische aard</al>
          <al>5.3.1 Bereikbaarheid van de woning</al>
          <al>5.3.2. Toegankelijkheid van de woning</al>
          <al>5.3.3 Doorgankelijkheid van de woning</al>
          <al>5.3.4 Niveauverschillen</al>
          <al>5.4 Gebruiksruimtes in de woning</al>
          <al>5.4.1 Woonkamer</al>
          <al>5.4.2 Slaapkamer</al>
          <al>5.4.3 Uitraaskamer</al>
          <al>5.4.4 Speel/hobby-kamer</al>
          <al>5.4.5 Keuken</al>
          <al>5.4.6 Natte cel</al>
          <al>5.4.7 Toilet</al>
          <al>5.4.8 Berging</al>
          <al>5.5 Bedieningselementen in de woning</al>
          <al>5.5.1 Omgevingsbesturing</al>
          <al>5.5.2 Intercoms</al>
          <al>5.5.3 Ramen</al>
          <al>5.6 Woonvoorzieningen van niet bouwkundige of woontechnische aard </al>
          <al>5.6.1 Bad /douchevoorzieningen</al>
          <al>5.6.2 Tilliften</al>
          <al>5.6.3 Vloerbedekking en gordijnen (stoffering)</al>
          <al>
            <vet>6 Vervoersvoorzieningen</vet>
          </al>
          <al>6.1 Inleiding</al>
          <al>6.2 Collectief vervoer van deur tot deur</al>
          <al>6.2.1 Deelname collectief vervoer</al>
          <al>6.2.2 Tegemoetkoming in de kosten van bovenregionaal vervoer</al>
          <al>6.2.3 Tegemoetkoming in de kosten voor bovenregionaal vervoer voor bewoners
                        van een AWBZ-instelling</al>
          <al>6.3 Individueel vervoer van kamer tot kamer</al>
          <al>6.3.1 Bovenregionaal vervoer</al>
          <al>6.4 Tegemoetkoming in het gebruik van de eigen auto</al>
          <al>6.4.1 Tegemoetkoming in de kosten binnen zorggebied gemeente</al>
          <al>6.4.2 Tegemoetkoming in de kosten van bovenregionaal vervoer</al>
          <al>6.5 Voorzieningen voor de lange afstanden</al>
          <al>6.5.1 Gesloten buitenwagen</al>
          <al>6.5.2 Auto</al>
          <al>6.6 Autoaanpassingen</al>
          <al>6.6.1 Aanpassingen aan de besturing van de auto</al>
          <al>6.6.2 Aanpassingen aan de stoel van de chauffeur/ bijrijderstoel</al>
          <al>6.6.3 Autostoeltjes voor kinderen</al>
          <al>6.6.4. Aanpassingen voor het meenemen van de rolstoel in de auto</al>
          <al>6.6.5 Aanpassingen voor vervoer van een rolstoelgebruiker in de auto</al>
          <al>6.7 Voorzieningen voor in de directe woonomgeving</al>
          <al>6.7.1 Fietsen</al>
          <al>6.7.2 Scootmobielen</al>
          <al>6.7.3 Brommers</al>
          <al>6.7.4 Tegemoetkoming in de kosten van vervoer in de directe
                        woonomgeving</al>
          <al>6.8 Accessoires</al>
          <al>6.9 Onderhoud</al>
          <al>6.10 Verzekering</al>
          <al>6.11 Training</al>
          <al>
            <vet>7 Rolstoelen </vet>
          </al>
          <al>7.1 Inleiding</al>
          <al>7.2 Vormen van de verstrekkingen</al>
          <al>7.3 Rolstoelen in verpleeghuizen en verzorgingshuizen</al>
          <al>7.4 Duwrolstoelen</al>
          <al>7.5 Handbewogen rolstoelen</al>
          <al>7.6 Elektrische rolstoelen</al>
          <al>7.7 Kinderrolstoelen</al>
          <al>7.8 Sportrolstoelen</al>
          <al>7.9 Aanpassingen</al>
          <al>7.10 Accessoires</al>
          <al>7.11 Onderhoud</al>
          <al>7.12 Verzekering</al>
          <al>7.13 Training</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>VERSTREKKINGENBOEK INDIVIDUELE VOORZIENINGEN MAATSCHAPPELIJKE
                            ONDERSTEUNING GEMEENTE ZWOLLE 2007</titel>
          </kop>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>1 Inleiding </titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>In de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is geregeld dat gemeenten
                            voorzieningen verlenen aan mensen met een beperking of een chronisch
                            psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten
                            behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig
                            functioneren of hun deelname aan het maatschappelijk verkeer (art.1
                            Wmo).</al>
            <al/>
            <al>De gemeente Zwolle heeft de regels voor de uitvoering van de wet in een
                            verordening vastgelegd. Dit verstrekkingenboek moet gezien worden als
                            een uitwerking van de in de verordening vastgestelde beleidsregels.</al>
            <al/>
            <al>Het verstrekkingenboek is geschreven met het doel het beleid van de
                            gemeente inzichtelijk te maken aan een ieder, die betrokken is bij of
                            geïnteresseerd is in de wijze, waarop de gemeente Zwolle uitvoering
                            geeft aan de individuele voorzieningen van de Wet maatschappelijke
                            ondersteuning. </al>
            <al/>
            <al>Het verstrekkingenboek is onderverdeeld in 7 hoofdstukken.
                            Achtereenvolgens worden uitgewerkt: de doelstellingen van de Wmo (2),
                            begrippen en definities (3), hulp bij het huishouden (4),
                            woonvoorzieningen (5), vervoersvoorzieningen (6) en rolstoelen (7). </al>
            <al/>
            <al>Met het verstrekkingenpakket wordt aangesloten bij de visie van de
                            gemeente Zwolle op de centrale uitgangspunten van de Wmo, zoals deze
                            zijn vastgelegd in de beleidsnota 'Meedoen, nu en later'. Die visie is:
                                “<cursief>Vanuit een duidelijke regierol wil de gemeente Zwolle
                                individuele voorzieningen inzetten voor burgers die het zonder deze
                                voorzieningen niet redden om mee te doen in de Zwolse samenleving.
                                Het uitgangspunt hierbij is zelf doen wat zelf kan, maatwerk waar
                                dit nodig is”. </cursief></al>
            <al/>
            <al>Het verstrekkingenbeleid van de gemeente is een dynamisch geheel.
                            Ervaringsgegevens, veranderende inzichten over toepassing van het beleid
                            en technische ontwikkelingen op het gebied van individuele voorzieningen
                            kunnen tot gevolg hebben dat het verstrekkingenbeleid dient te worden
                            aangepast. Het verstrekkingenboek individuele voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning wordt daarom regelmatig geëvalueerd en
                            geactualiseerd.</al>
            <al/>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>2.Doelstellingen Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)</label>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Het doel van de Wmo is ´meedoen´. Dat meedoen geldt voor iedereen, jong
                            en oud, ongeacht maatschappelijke of economische positie, ongeacht of
                            iemand beperkingen ondervindt of niet. De Wmo is dan ook vooral een
                            participatiewet, geen zorgwet. In de Wmo worden de verantwoordelijkheden
                            van de gemeenten geordend in zogenaamde prestatievelden.</al>
            <al>Eén van de prestatievelden betreft de individuele voorzieningen en geeft
                            de gemeente opdracht tot het verlenen van voorzieningen, gericht op het
                            behoud en bevorderen van het zelfstandig functioneren en deelname aan
                            het maatschappelijk verkeer voor personen met lichamelijke en/of
                            psychische beperkingen. </al>
            <al>Aan de totstandkoming van het verstrekkingenbeleid van de individuele
                            voorzieningen liggen door het college en raad vastgestelde
                            uitgangspunten ten grondslag, die als volgt worden samengevat: </al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>individuele voorzieningen inzetten voor kwetsbare burgers met
                                    problematiek op diverse leefgebieden;</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="b."><al>bij de uitvoering van de individuele voorzieningen zo min
                                    mogelijk bureaucratie;</al></li>
              <li nr="c."><al>bij het inrichten van de toegang aansluiting zoeken bij de
                                    voormalige Wvg systematiek.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Bij de verstrekking van de individuele voorzieningen is er geen sprake
                            van een zorgplicht (wettelijk recht op een voorziening), maar is de
                            gemeente verplicht het compensatiebeginsel te hanteren. Hiermee wordt
                            bedoeld dat de gemeente ter compensatie van de beperkingen die een
                            persoon ondervindt in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke
                            participatie, voorzieningen treft op het gebied van de maatschappelijke
                            ondersteuning, die hem in staat stellen </al>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>een huishouden te voeren;</al></li>
              <li nr="2."><al>zich te verplaatsen in en om de woning;</al></li>
              <li nr="3."><al>zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;</al></li>
              <li nr="4."><al>medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden
                                    aan te gaan.</al></li>
            </lijst>
            <al>Het compensatiebeginsel is dus bedoeld om personen met beperkingen in
                            een gelijkwaardige uitgangspositie te brengen ten opzichte van personen
                            zonder beperkingen. </al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>3 Begrippen en definities </titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>3.1 Individuele voorzieningen</label>
            </kop>
            <al> De te verstrekken voorzieningen, die gerangschikt kunnen worden onder
                            de individuele </al>
            <al> voorzieningen zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>Hulp bij het huishouden</al></li>
              <li nr="-"><al>Vervoersvoorzieningen</al></li>
              <li nr="-"><al>Rolstoelen</al></li>
              <li nr="-"><al>Woonvoorzieningen</al></li>
            </lijst>
            <al> Individueel wil zeggen dat de gemeente bij het vaststellen van die
                            voorzieningen rekening houdt met de persoonskenmerken, omstandigheden,
                            specifieke behoeften en financiële draagkracht van de aanvrager. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>3.2 Vorm van de verstrekking</label>
            </kop>
            <al>Artikel 6 van de Wmo schrijft voor dat een cliënt bij de verstrekking
                            van een individuele voorziening een keuze kan maken uit: </al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>een voorziening in natura</al></li>
              <li nr="-"><al>een persoonsgebonden budget</al></li>
              <li nr="-"><al>een financiële tegemoetkoming</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>3.3 Algemeen gebruikelijke voorzieningen</label>
            </kop>
            <al>Voorzieningen, die beschouwd worden als algemeen gebruikelijk komen niet
                            voor een verstrekking in aanmerking. Hiermee worden voorzieningen
                            bedoeld, waarover de aanvrager, gezien zijn individuele situatie, ook
                            zonder zijn beperking(en) zou kunnen beschikken. </al>
            <al>Specifiek gaat het om voorzieningen die:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al> in de reguliere handel verkrijgbaar zijn, dus direct
                                    beschikbaar,</al></li>
              <li nr="·"><al> niet speciaal voor mensen met beperkingen bedoeld zijn, </al></li>
              <li nr="·"><al> niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met
                                    hetzelfde doel.</al></li>
            </lijst>
            <al>Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>een wasdroger</al></li>
              <li nr="·"><al>een thermostaatkraan </al></li>
              <li nr="·"><al>eenvoudige handgrepen in een douche of toilet</al></li>
              <li nr="·"><al>het vervangen van een geiser door een (elektrische) boiler</al></li>
              <li nr="·"><al>het vervangen van gordijnen door lamellen of zonwering door
                                    screens</al></li>
              <li nr="·"><al>een fiets met een hulpmotor</al></li>
              <li nr="·"><al>een algemene hulp bij het huishouden.** </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>** Hiermee wordt een collectieve voorziening bedoeld die in 2007 verder
                            ontwikkeld zal worden. Voorbeelden hiervan zijn: maaltijdvoorzieningen,
                            persoonsalarmering, vrijwilligersdiensten of een glazenwasserij. Ze
                            worden ook wel voorliggende voorzieningen genoemd. Het kenmerk en
                            voordeel van deze voorliggende voorzieningen is dat die vaak eenvoudig
                            en snel kunnen worden verkregen (meestal zonder een indicatie). </al>
            <al/>
            <al>Voorbeeld:</al>
            <al>Een fiets met hulpmotor wordt als algemeen gebruikelijk gezien. Van
                            mensen met verminderde beenkracht of inspanningstolerantie op basis van
                            leeftijd of een geleidelijke achteruitgang van de aandoening wordt
                            verwacht dat zij zich hierop instellen en zelf tot de aanschaf van een
                            fiets met hulpmotor overgaan. Er zijn echter situaties denkbaar dat een
                            aandoening plotseling of op jonge leeftijd optreedt en dus de noodzaak
                            tot aanschaf niet te voorzien was. In deze gevallen zal bekeken worden
                            of een tegemoetkoming in de kosten van aanschaf verstrekt kan worden.
                        </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>4 Hulp bij het huishouden </titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Voor 1 januari 2007 werd in de AWBZ de term huishoudelijke verzorging
                            gebruikt. In de Wmo wordt deze voorziening hulp bij het huishouden
                            genoemd. Hulp bij het huishouden wordt ingezet bij personen die op basis
                            van een medisch aantoonbare beperking niet in staat zijn om
                            huishoudelijke activiteiten (schoonmaak, was en maaltijdverzorging) te
                            verrichten of niet in staat zijn om het huishouden adequaat te
                            organiseren, bijv. in crisissituaties als het gaat om de primaire zorg
                            voor jonge kinderen. </al>
            <al>De hulp bij het huishouden bestaat in het Zwolse model uit drie groepen
                            van activiteiten (HH1, HH2 en HH3), die de volgende indeling
                            kennen:</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>HH1: lichte en zware schoonmaakwerkzaamheden, wasverzorging,
                                maaltijdverzorging en boodschappen doen </vet>(zie 4.3.1)</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al> Lichte schoonmaakwerkzaamheden:</al><al> stof afnemen, opruimen, bedden opmaken, kamers opruimen,
                                    afwassen, hand en </al><al> spandiensten.</al></li>
              <li nr="·"><al> Zware schoonmaakwerkzaamheden: </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="·"><al> stofzuigen, schrobben, dweilen van kamers/sanitair/keuken,
                                    bedden verschonen, opruimen, afval, vuilnis buiten zetten en
                                    ramen lappen**.</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="·"><al> Wasverzorging: </al><al>sorteren van de was, in de machine doen, eruit halen, wasgoed
                                    ophangen/afhalen, wasgoed, strijken en opruimen.</al></li>
              <li nr="·"><al> Maaltijdverzorging (brood en warme maaltijd): </al><al> smeren en snijden van brood, bereiden van de warme maaltijd,
                                    tafel dekken, afruimen </al><al> afwassen, opwarmen van de maaltijd, koffie en thee
                                    zetten**.</al><al>· Boodschappen doen. </al></li>
            </lijst>
            <al> ** deze activiteit wordt alleen in combinatie met andere activiteiten
                            van HH1 ingezet en daarmee niet als enkelvoudige activiteit.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>HH2: stimuleren, aanleren, samen opwerken en de organisatie van het
                                huishouden </vet>(zie 4.3.2.)</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al> gericht op het aanleren van HH1 activiteiten aan personen die
                                    het niet gewend zijn,</al></li>
              <li nr="·"><al> stimuleren tot zelfwerkzaamheid door samen op te werken, </al></li>
              <li nr="·"><al> organisatie van het huishouden,</al></li>
              <li nr="·"><al> overnemen activiteiten HH1</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>HH3: zorgtaken kinderen, hulp in crisissituaties en na revalidatie
                            </vet> (zie 4.3.3)</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>primaire zorg voor en opvang van kinderen: wassen en aankleden,
                                    maaltijdvoorbereiding en maaltijdverzorging, </al></li>
              <li nr="·"><al>de tijdelijke opvang van kinderen, </al></li>
              <li nr="·"><al>overnemen activiteiten HH1,</al></li>
              <li nr="·"><al>overnemen activiteiten HH2.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.1 Vormen van de verstrekking</label>
            </kop>
            <al>Bij de verstrekking van de hulp bij het huishouden heeft de cliënt de
                            keuze uit:</al>
            <lijst>
              <li nr="o"><al>de hulp bij het huishouden in natura,</al></li>
              <li nr="o"><al>een persoonsgebonden budget .</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label> 4.1.1 Hulp bij het huishouden in natura</label>
            </kop>
            <al>In natura wil zeggen dat hulp bij het huishouden wordt geleverd door een
                            van de zorgaanbieders waarmee de gemeente Zwolle een raamovereenkomst
                            heeft afgesloten. </al>
            <al>Cliënt kan daarbij zelf een keuze maken uit een van die gecontracteerde
                            zorgaanbieders. Heeft de cliënt geen voorkeur dan zal de gemeente Zwolle
                            een zorgaanbieder aanwijzen. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label> 4.1.2 Persoonsgebonden budget </label>
            </kop>
            <al/>
            <al> Een persoonsgebonden budget is een geldbedrag waarmee cliënt zelf hulp
                            bij het huishouden kan inkopen. Dat kan bij een (thuis)zorgorganisatie,
                            maar ook bij een familielid, vriend of kennis. De omvang van het
                            persoonsgebonden budget wordt bepaald door het uurtarief voor HH1 of
                            HH2/3 activiteiten te vermenigvuldigen met het aantal vastgestelde
                            (halve) uren per week voor de hulp bij het huishouden </al>
            <al/>
            <al>Bij de hulp bij het huishouden worden twee pgb uurtarieven
                            onderscheiden:</al>
            <lijst>
              <li nr="o"><al>een persoonsgebonden budget voor overname van lichte en zware
                                    schoonmaakactiviteiten, wasverzorging, maaltijdverzorging en
                                    boodschappen doen (HH1 activiteiten).</al></li>
              <li nr="o"><al>een persoonsgebonden budget voor het aanleren, stimuleren, samen
                                    opwerken, het organiseren van het huishouden, de primaire zorg
                                    en opvang van jonge kinderen in crisissituaties en na
                                    revalidatie (HH2/3 activiteiten).</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>De wijze van verstrekking en de verantwoording van het persoonsgebonden
                            budget is vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                            Gemeente Zwolle 2007.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.2 Voorwaarden voor het verkrijgen van hulp bij het huishouden</label>
            </kop>
            <al>Bij een aanvraag voor hulp bij het huishouden wordt vastgesteld of er
                            sprake is van een (medisch aantoonbare) beperking (ziekte of gebrek).
                            Vervolgens wordt eerst onderzocht of de huishoudelijke taken overgenomen
                            of (her)verdeeld kunnen worden onder huisgenoten, de zogenaamde
                            gebruikelijke zorg (zie 4.2.1). Als tweede criterium geldt dat een
                            beroep moet worden gedaan op voorliggende en/of wettelijke voorzieningen
                            (zie 4.2.2./4.2.3). Dat geldt ook als een voorliggende of wettelijke
                            voorziening slechts een deel van de huishoudelijke activiteiten kan
                            compenseren. Tenslotte wordt nagegaan of de aanvrager (gedeeltelijk) een
                            beroep kan doen op mantelzorg, dat wil zeggen de zorg door een naaste,
                            familielid of vriend, die op basis van vrijwilligheid wordt ingezet.
                            Gebruikelijke zorg, voorliggende en wettelijke voorzieningen gaan altijd
                            voor op de hulp het huishouden, mits aanwezig en toereikend. Mantelzorg
                            is niet afdwingbaar.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.2.1 Gebruikelijke zorg </label>
            </kop>
            <al/>
            <al>Gebruikelijke zorg is de normale, dagelijkse zorg, die partners, ouders
                            en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden, omdat ze
                            als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren. Dat betekent dat van
                            huisgenoten wordt verwacht dat, bij uitval van één van de leden van die
                            leefeenheid, gestreefd wordt naar een herverdeling van de huishoudelijke
                            taken. </al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Huisgenoot </vet>
            </al>
            <al>Een huisgenoot kan zowel een volwassene als een kind zijn, dus alle
                            bewoners van één adres die samen één huishouden voeren. Bij een
                            eenpersoonshuishouden is er geen sprake van gebruikelijke zorg. </al>
            <al/>
            <al>Onder een huisgenoot wordt <onderstreept>niet</onderstreept>
                            verstaan:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al> een persoon die een kamer huurt (bijv. via hospita/hospes)</al></li>
              <li nr="·"><al> een bewoner van AWBZ instellingen met een indicatie voor de
                                    AWBZ functie Verblijf,</al></li>
              <li nr="·"><al> een bewoner van een kloostergemeenschap.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Gemeenschappelijke ruimtes. </vet>
            </al>
            <al>In woonvormen met gemeenschappelijke ruimtes, zoals bijv. een
                            gezinsvervangend tehuis, heeft de bewoner zowel een zelfstandig
                            woongedeelte als ruimtes die hij met anderen moet delen, zoals een
                            gemeenschappelijke huiskamer, gang, portaal of trappenhuis. Voor wat
                            betreft de gemeenschappelijke ruimtes is het begrip huisgenoot wel van
                            toepassing, maar niet voor de eigen woonruimte. Voor de eigen woonruimte
                            kan zonodig een beroep worden gedaan op de hulp bij het huishouden. </al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Kinderen </vet>
            </al>
            <al>Kinderen kunnen afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal
                            functioneren een bijdrage leveren aan huishoudelijke taken. </al>
            <al>Daarbij worden drie leeftijdscategorieën onderscheiden:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al> Kinderen tot 5 jaar : geen bijdrage aan het huishouden, </al></li>
              <li nr="·"><al> Kinderen tussen 5 en 12 jaar: lichte huishoudelijke taken,
                                    bijv. tafel dekken/afruimen, kleding in de wasmand doen,</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="·"><al> Kinderen van 13 tot 18 jaar: naast genoemde taken bij vorige
                                    leeftijdscategorie ook hun eigen kamer opruimen, stofzuigen,
                                    boodschappen doen.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Volwassenen van 18 tot 23 jaar.</vet>
            </al>
            <al>Van personen in deze leeftijdscategorie wordt verwacht dat zij in staat
                            zijn een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren.</al>
            <al>In tijd uitgedrukt gaat het bij een eenpersoonshuishouden om 5 uur per
                            week, dat wil zeggen 2 uur zwaar huishoudelijke taken en 3 uur lichte
                            huishoudelijke taken.</al>
            <al>In taken uitgedrukt betekent dit:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al> schoonhouden van sanitair, keuken en kamer, </al></li>
              <li nr="·"><al> de was doen,</al></li>
              <li nr="·"><al> boodschappen doen, maaltijdverzorging, afwassen en
                                    opruimen,</al></li>
              <li nr="·"><al> verzorging/opvang jonge kinderen. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Algemene uitgangspunten.</vet>
            </al>
            <al>Bij de toepassing van het criterium gebruikelijke zorg gelden de
                            volgende uitgangspunten: </al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al> van iedere huisgenoot wordt verwacht dat hij een huishouden kan
                                    voeren, naast een volledige baan, het volgen van een opleiding
                                    of andere activiteiten in het kader van maatschappelijke
                                    participatie. Onder een (volledige) baan wordt ook verstaan het
                                    werken in onregelmatige of ploegendienst. </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="·"><al> bij het inventariseren van de eigen mogelijkheden van het
                                    huishouden wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse,
                                    religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of
                                    persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke
                                    werkzaamheden.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Gebruikelijke zorg is in de volgende situaties geheel of gedeeltelijk
                                <onderstreept>niet</onderstreept> van toepassing: </al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>bij een werkende partner/huisgenoot, die beroepshalve minimaal 5
                                    etmalen aaneengesloten van huis is, bijv. in het geval van een
                                    internationaal vrachtwagenchauffeur of bij offshore
                                    werkzaamheden. In dat geval dient een werkgeversverklaring als
                                    bewijs overlegd te worden;</al></li>
              <li nr="-"><al>als er sprake is van een dreigende (medisch aantoonbare)
                                    overbelasting van de gebruikelijke zorgverlener (een partner of
                                    andere huisgenoot), als gevolg van een combinatie van
                                    gebruikelijke zorg met bijv. een volledige baan of
                                    (dag)opleiding;</al></li>
              <li nr="-"><al>als de partner of mantelzorger naast huishoudelijke taken bijv.
                                    ook de persoonlijke verzorging op zich neemt . Indien door de
                                    combinatie van die taken een (medisch aantoonbare) overbelasting
                                    van de partner of mantelzorger dreigt, kan ter compensatie van
                                    de huishoudelijke taken een beroep worden gedaan op hulp bij het
                                    huishouden;</al></li>
              <li nr="-"><al>in crisissituaties bijv. bij het plotseling overlijden van de
                                    (verzorgende) partner/ouder met jonge kinderen;</al></li>
              <li nr="-"><al>bij personen, waarvan in redelijkheid niet meer verwacht kan
                                    worden dat huishoudelijke taken aan te leren zijn;</al></li>
              <li nr="-"><al>bij personen met een zeer korte levensverwachting.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.2.2 Algemeen gebruikelijke voorzieningen </label>
            </kop>
            <al>Gebruikelijke voorzieningen gaan voor op hulp bij het huishouden.
                            Daarbij geldt wel nadrukkelijk dat deze voorzieningen beschikbaar
                            (aanwezig in de stad of wijk) en bereikbaar (reisafstand) zijn. Ook
                            moeten ze een adequate compensatie bieden voor (een deel van)
                            ondersteuningsactiviteiten van de hulp bij het huishouden (HH1, HH2 of
                            HH3). </al>
            <al>De wens geen gebruik te willen maken van een algemeen gebruikelijke
                            voorziening doet niet ter zake. </al>
            <al>Mits beschikbaar en bereikbaar wordt die voorziening niet meegeteld bij
                            de vaststelling van de ondersteuningsbehoefte. Een uitzondering geldt
                            voor crisissituaties (HH3 van hulp bij het huishouden), waarbij voor
                            maximaal 3 maanden een indicatie kan worden afgegeven ter overbrugging
                            naar een eigen oplossing. Daarbij gaan eigen oplossingen altijd voor en
                            is de hulp bij het huishouden aanvullend.</al>
            <al/>
            <al>De volgende voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk of
                            voorliggend beschouwd:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>crèche, peuterspeelzaal, </al></li>
              <li nr="-"><al>onderwijsvoorzieningen zoals buitenschoolse opvang en een
                                    overblijfregeling, </al></li>
              <li nr="-"><al>een boodschappendienst van bijv. een supermarkt of andere
                                    welzijnsorganisatie,</al></li>
              <li nr="-"><al>maaltijdservice via bijv. Tafeltje Dekje, </al></li>
              <li nr="-"><al>technische hulpmiddelen zoals een stofzuiger, wasdroger en een
                                    afwasmachine voor zover aanwezig in het huishouden,</al></li>
              <li nr="-"><al> incontinentiemateriaal.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Op basis van medische redenen kan een voorliggende voorziening als niet
                            toereikend worden beschouwd. Bijvoorbeeld bij een boodschappendienst als
                            een aanvrager met een medisch vastgesteld dieet de boodschappen niet in
                            een nabijgelegen supermarkt kan kopen. Daarnaast ook in situaties
                            waarbij de maaltijd niet aansluit bij een medisch vastgesteld dieet. </al>
            <al/>
            <al>Tot een voorliggende voorziening wordt <onderstreept>niet</onderstreept>
                            beschouwd : </al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>de particuliere huishoudelijke hulp. </al></li>
            </lijst>
            <al> De aanwezigheid van een particuliere hulp vormt geen belemmering om een
                            beroep te doen op de hulp bij het huishouden. Aan de andere kant biedt
                            het geen garantie op verstrekking van de hulp bij het huishouden. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.2.3 Wettelijke voorzieningen </label>
            </kop>
            <al>Wettelijke voorzieningen die voorgaan op de hulp bij het huishouden
                            zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ)</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>De AWBZ functies Ondersteunende Begeleiding (OB) en Activerende
                                    Begeleiding (AB) hebben raakvlakken met de activiteiten van HH2
                                    en HH3 van de Wmo. </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>Ondersteunende begeleiding richt zich op het bieden van
                                    structuur en stabiliteit in het dagelijks leven van een cliënt
                                    bij regieproblemen op <onderstreept>meerdere</onderstreept>
                                    levensgebieden, zoals sociale contacten, administratie,
                                    financiën en de organisatie van het huishouden. De HH2 en HH3
                                    activiteiten hebben alleen betrekking op praktische
                                    ondersteuning bij de organisatie en regie op het huishoudelijk
                                    werk.</al></li>
              <li nr="-"><al>Activerende begeleiding richt zich op het aanleren (trainen) van
                                    vaardigheden of gedrag om beter met beperkingen om te kunnen
                                    gaan. Bijv. wanneer een cliënt als gevolg van een opgetreden
                                    aandoening (zoals reuma) op een andere wijze leert om te gaan
                                    met huishoudelijke taken zoals stofzuigen of koken.</al><al/></li>
              <li nr="·"><al>de Wet Kinderopvang</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>Hiermee wordt bedoeld: dagopvang van 0 tot 4 jarigen,
                                    buitenschoolse opvang** en gastouderschap voor ouders/verzorgers
                                    die werken of deelnemen aan een reïntegratietraject. Opvang
                                    tussen de middag valt niet onder deze wet, maar onder een
                                    overblijfregeling van een basisschool. </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>Aangezien de Wet Kinderopvang niet voorziet in de opvang van
                                    kinderen, indien er alleen sprake is van een sociaal-medische
                                    noodzaak (en geen werk of reïntegratieverplichting), heeft de
                                    Gemeente Zwolle een aanvullende regeling voor deze ouders
                                    vastgelegd in een verordening. </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>Daarmee is de opvangregeling voor kinderen verruimd.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>**Vanaf 1 augustus 2007 zijn de basisscholen wettelijk verplicht om
                            naschoolse opvang aan te bieden voor ouders/verzorgers die daarom
                            vragen. Dat kan in het schoolgebouw zijn, maar ook bij een
                            kinderdagverblijf of via een gastouderschap. Via de belastingdienst kan
                            een beroep worden gedaan op de kinderopvangtoeslag. </al>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>Wet Arbeid en Zorg</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>Deze wet regelt o.a. het kortdurend zorgverlof voor alle
                                    werknemers, bijv. bij ziekte van een kind of partner. Het gaat
                                    daarbij om maximaal 10 dagen per jaar met behoud van tenminste
                                    70% van het salaris. </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>Zorgverzekeringswet</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>Bij sommige verzekeraars is thuiszorg opgenomen in het
                                    (aanvullende) zorgverzekeringspakket. Daarbij gaat het wel om
                                    crisissituaties, bijv. bij de plotselinge ziekenhuisopname van
                                    een ouder uit een éénoudergezin, als er sprake is van niet
                                    uitstelbare zorgtaken. </al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.2.4 Eigen bijdrage voor hulp bij het huishouden</label>
            </kop>
            <al/>
            <al>Bij zowel de verstrekking van de hulp bij het huishouden in natura als
                            ook in de vorm van een persoonsgebonden budget betaalt cliënt per 4
                            weken een inkomensafhankelijke eigen bijdrage. </al>
            <al>De vaststelling en inning van de eigen bijdrage voor zowel de hulp in
                            natura als het persoonsgebonden budget geschiedt door het Centraal
                            Administratiekantoor (CAK). </al>
            <al>De uitgangspunten bij de berekening van de eigen bijdrage in de Wmo
                            zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al> Cliënten betalen een eigen bijdrage per vier weken, waarvan de
                                    hoogte is vastgesteld aan de hand van het inkomen, leeftijd en
                                    samenstelling van het huishouden. </al></li>
              <li nr="·"><al> Als grondslag voor de heffing van de eigen bijdrage geldt het
                                    verzamelinkomen van de belastingdienst, op basis van het
                                    peiljaar dat twee jaar voor het lopende jaar ligt. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al> De eigen bijdrageregeling is vastgelegd in het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Zwolle 2007. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.3 Vaststellen behoefte en omvang van de hulp bij het huishouden</label>
            </kop>
            <al>Bij een aanvraag voor hulp bij het huishouden wordt aan de hand van een
                            vragenlijst de ondersteuningsbehoefte vastgesteld. Daarin worden vragen
                            gesteld over beperkingen bij </al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>licht huishoudelijk werk, </al></li>
              <li nr="·"><al>zwaar huishoudelijk werk, </al></li>
              <li nr="·"><al>wasverzorging </al></li>
              <li nr="·"><al>maaltijdverzorging</al></li>
              <li nr="·"><al>boodschappen doen</al></li>
              <li nr="·"><al>mate van zelfredzaamheid bij het uitvoeren en organiseren van
                                    het huishouden</al></li>
              <li nr="·"><al>zorgtaken voor kinderen.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Aan de hand van een zogenaamd rekenmodel wordt per activiteit de
                            normtijd van de hulp bij het huishouden vastgesteld (HH1, HH2 en
                            HH3).</al>
            <al/>
            <al>De normtijd is onder meer afhankelijk van:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>samenstelling van het huishouden: één of meer
                                    persoonshuishouden,</al></li>
              <li nr="·"><al>de aanwezigheid en leeftijd van kinderen,</al></li>
              <li nr="·"><al>het aantal kamers dat intensief als leefruimte wordt gebruikt
                                    (bijv. woon en slaapkamer).</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Als de normtijden per activiteit zijn berekend wordt de totaaltijd
                            uitgedrukt in uren en minuten (afgerond op halve uren). Alle (halve)
                            uren hulp die iemand nodig heeft vallen onder de hoogste groep van HH
                            activiteiten.</al>
            <al>Dat wil zeggen als er bijv. een overnamevraag voor het schoonmaken (HH
                            1) én een begeleidingsvraag (HH2) is, vallen alle uren onder HH2. Als er
                            én een overnamevraag (HH1) én een vraag voor de primaire zorg voor
                            kinderen is (HH 3) dan vallen alle uren onder HH3. </al>
            <al>De tijden die benoemd zijn in het rekenmodel vormen de normtijden. Dit
                            betekent dat deze tijden gelden in de meest voorkomende gevallen. Deze
                            tijden worden gezien als normaal. Niet iedere situatie is goed te
                            beoordelen met normtijden. Er kan van die normtijden afgeweken worden op
                            basis van bijv. aantoonbare medische of psychosocialebeperkingen.
                            Dat kan betekenen dat de tijd voor bepaalde activiteiten wordt verruimd. </al>
            <al>Ook het omgekeerde is mogelijk. Bijvoorbeeld bij een cliënt die bepaalde
                            licht huishoudelijke taken deels wel en deels niet kan uitvoeren, bijv.
                            voor de helft. De normtijd voor die taken wordt dan door twee
                            gedeeld.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.3.1 Vaststellen normtijd Hulp bij het huishouden HH1</label>
            </kop>
            <al>Hulp bij het huishouden HH1 richt zich op het overnemen van</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>lichte huishoudelijke taken</al></li>
              <li nr="-"><al>zware huishoudelijke taken</al></li>
              <li nr="-"><al>de wasverzorging</al></li>
              <li nr="-"><al>de maaltijdvoorziening </al></li>
              <li nr="-"><al>boodschappen doen.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Onder <onderstreept>licht huishoudelijk werk</onderstreept> wordt
                            verstaan:</al>
            <al>ohet wekelijks (kamers) opruimen, stof afnemen, bed(den)opmaken,
                            boodschappen </al>
            <al>o wegruimen en afwassen.</al>
            <al/>
            <al>Meer/minderwerk.</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>De normtijd voor licht huishoudelijk taken is afhankelijk van
                                    een éénpersoonshuishouden of een meerpersoonshuishouden.
                                    Éénoudergezinnen met één of meer kinderen worden beschouwd als
                                    een meerpersoonshuishouden. </al></li>
              <li nr="·"><al>Voor kinderen in het gezin wordt extra tijd berekend. Er wordt
                                        <onderstreept>per huishouden</onderstreept> per week meer
                                    tijd berekend, <onderstreept>niet per kind.</onderstreept></al></li>
              <li nr="·"><al>Afwassen en het opruimen</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>Normaal gesproken valt een afwas 1 keer per week onder licht
                                    huishoudelijk werk of onder het verzorgen van de maaltijden. In
                                    situaties dat de aanvrager door beperkingen niet in staat is de
                                    afwas te doen en er daarnaast geen maaltijden worden verzorgd,
                                    kan maximaal 7 keer per week tijd voor de afwas en het opruimen
                                    berekend worden. Afwassen wordt alleen in combinatie met andere
                                    HH1 activiteiten ingezet. </al><al/></li>
            </lijst>
            <al> Normtijden licht huishoudelijk werk </al>
            <table>
              <tgroup cols="3">
                <colspec colname="col1" colwidth="44*"/>
                <colspec colname="col2" colwidth="25*"/>
                <colspec colname="col3" colwidth="31*"/>
                <tbody>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Samenstelling huishouden</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>Normtijd</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>Periode</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Eenpersoonshuishouden</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>60 minuten</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>per week</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Meerpersoonshuishouden</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>90 minuten</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>per week</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Kinderen tot 6 jaar </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>30 minuten</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>per week/per huishouden</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Kinderen tot 12 jaar</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>15 minuten</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>per week/per huishouden</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>
                        <cursief>Afwassen **</cursief>
                      </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>15 minuten </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>per keer max. 7 maal per week</al>
                    </entry>
                  </row>
                </tbody>
              </tgroup>
            </table>
            <al>** kan alleen ingezet worden in combinatie met andere activiteiten van
                            HH1.</al>
            <al/>
            <al>Voorbeeld </al>
            <al>Situatie:Een huishouden bestaat uit een vader, moeder, kind (2), </al>
            <al>kind (5), kind (8). Beide ouders kunnen geen licht huishoudelijke taken </al>
            <al>uitvoeren. </al>
            <al/>
            <al>Ondersteuningsbehoefte.</al>
            <table>
              <tgroup cols="2">
                <colspec colname="col1" colwidth="59*"/>
                <colspec colname="col2" colwidth="41*"/>
                <tbody>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Hulp bij het huishouden </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>Normtijd </al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Licht huishoudelijk werk: </al>
                      <al>meer persoonshuishouden</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>90 minuten </al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Meerwerk</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>Normtijd</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Kinderen tot 6 jaar </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>30 minuten</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Kinderen van 6 tot 12 jaar </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>15 minuten</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Totaal per week </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>2 uur en 15 min.</al>
                    </entry>
                  </row>
                </tbody>
              </tgroup>
            </table>
            <al>Onder <onderstreept>zwaar huishoudelijk werk</onderstreept> wordt
                            verstaan:</al>
            <al>ohet stofzuigen, dweilen, schrobben van kamers/sanitair/keuken, bedden
                            verschonen, de vuilnis buiten zetten en ramen lappen**,</al>
            <al>** deze activiteit kan alleen ingezet worden in combinatie met andere
                            HH1 activiteiten.</al>
            <al/>
            <al>Meer/minderwerk</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>De normtijd voor zwaar huishoudelijk taken is afhankelijk van
                                    een één persoonshuishouden of een meer persoonshuishouden.
                                    Éénoudergezinnen met kinderen worden beschouwd als een
                                    meerpersoonshuishouden. </al></li>
              <li nr="·"><al>Voor kinderen tot 6 jaar in het gezin wordt extra tijd berekend.
                                    Er wordt per huishouden per week meer tijd berekend, niet per
                                    kind.</al></li>
              <li nr="·"><al>Aantal kamers in gebruik</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>De normtijd wordt o.a. gebaseerd op het aantal kamers dat
                                    (intensief) gebruikt wordt, zoals de woonkamer, slaapkamer,
                                    studeer of hobbykamer. Kamers die leeg zijn, of juist als opslag
                                    vol spullen staan en het sporadisch gebruik van een logeerkamer
                                    worden niet meegerekend. Bij een eenpersoonshuishouden wordt de
                                    normtijd met 30 minuten vermeerderd, indien er meer dan twee
                                    kamers als leefruimte in gebruik zijn. In situaties waarbij een
                                    aanvrager besloten heeft in de woonkamer ook te slapen en de
                                    overige kamers niet te gebruiken is sprake van gebruik van
                                    minder dan twee kamers. Het reinigen van de badkamer, keuken en
                                    het sanitair is al in de normtijd voor zwaar huishoudelijk werk
                                    verwerkt.</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>De woningen die hieronder vallen zijn over het algemeen
                                    aanleun-, senioren- of kleineééngezinswoningen. </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>Vervuilingsgraad</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>Bij een ernstig vervuilde woning wordt zonodig hulp bij het
                                    huishouden ingezet <onderstreept>nadat</onderstreept> die woning
                                    eerst grondig is opgeruimd/gesaneerd, vaak met behulp van een
                                    gespecialiseerd schoonmaakbedrijf.</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>COPD klachten </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="·"><al> COPD is een verzamelnaam voor astma, chronische bronchitis en
                                    longemfyseem. </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>Voorliggend op hulp bij het huishouden is in deze situatie de
                                    sanering van de woning, bijv. laminaat i.p.v. vloerbedekking
                                    gelet op de chronische gevoeligheid voor prikkelende
                                    stoffen.</al></li>
            </lijst>
            <al>Het is mogelijk dat er <onderstreept>na</onderstreept> de sanering extra
                            gereinigd moet worden (stofvrij houden). In die situatie levert dat
                            extra werk (meertijd) op.</al>
            <al/>
            <al> Normtijden zwaar huishoudelijk werk </al>
            <table>
              <tgroup cols="3">
                <colspec colname="col1" colwidth="47*"/>
                <colspec colname="col2" colwidth="23*"/>
                <colspec colname="col3" colwidth="30*"/>
                <tbody>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Samenstelling huishouden</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>Normtijd</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>Periode</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Eenpersoons huishouden </al>
                      <al>&lt; 2 kamers</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>120 minuten</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>per week</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Eenpersoons huishouden </al>
                      <al>&gt; 2 kamers</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>180 minuten</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>per week</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Meerpersoonshuishouden </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>180 minuten</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>per week</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Kinderen tot 6 jaar</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al> 30 minuten </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>per week/per huishouden </al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Meerwerk </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>Normtijd </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>Periode</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>COPD beperkingen</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>20 minuten </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>max. 7 x per week</al>
                    </entry>
                  </row>
                </tbody>
              </tgroup>
            </table>
            <al/>
            <al>Onder <onderstreept> wasverzorging</onderstreept> wordt verstaan:</al>
            <lijst>
              <li nr="o"><al>het sorteren van de was, het in de machine doen, eruit halen,
                                    ophangen/afhalen, opvouwen, strijken en in de kast leggen.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Meer/minderwerk</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>Een wasdroger wordt gezien als een algemeen gebruikelijke
                                    voorliggende voorziening als </al><al> deze in het huishouden aanwezig is. Er bestaat geen
                                    verplichting tot aanschaf van een </al><al> droger.</al></li>
              <li nr="·"><al>Deels wel deels niet</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>Er kunnen situaties voorkomen waarbij personen deels wel en
                                    deels niet de wasverzorging kunnen uitvoeren. Bijvoorbeeld wel
                                    sorteren, in de machine doen, opvouwen en opruimen, maar niet de
                                    was uit de machine halen en strijken. In dat geval wordt de
                                    normtijd door twee gedeeld. </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>Bedlegerig </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>Als mensen bedlegerig zijn door hun ziektebeeld kan er extra
                                    tijd per week worden gerekend wegens het vaker dan normaal
                                    verschonen van het bed. </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>Kinderen</al><al> Voor elk kind tot 16 jaar in een meerpersoonshuishouden wordt
                                    extra tijd per week gerekend. </al></li>
              <li nr="·"><al>Incontinentie, speekselverlies</al><al> Bij personen met overmatig speekselverlies of overmatige
                                    incontinentie kan extra tijd worden gerekend. Daarbij moet wel
                                    sprake zijn van een dusdanige incontinentie dat onderleggers in
                                    bed en luiers niet toereikend zijn. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al> Normtijden wasverzorging </al>
            <table>
              <tgroup cols="2">
                <colspec colname="col1" colwidth="62*"/>
                <colspec colname="col2" colwidth="38*"/>
                <tbody>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Samenstelling huishouden</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>Normtijd</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Eenpersoons huishouden</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al> 60 minuten per </al>
                      <al> week </al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Meer persoonshuishouden</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al> 90 minuten per </al>
                      <al> Week</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Meerwerk</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al> Normtijd</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>
                        <cursief>Kinderen tot 16 jaar </cursief>
                      </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al> 30 minuten per </al>
                      <al> kind per keer </al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>
                        <cursief>Bedlegerig/incontinentie/speekselverlies</cursief>
                      </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al> 30 minuten per </al>
                      <al> week.</al>
                    </entry>
                  </row>
                </tbody>
              </tgroup>
            </table>
            <al/>
            <al>Onder de <onderstreept>maaltijdverzorging </onderstreept>wordt
                            verstaan:</al>
            <lijst>
              <li nr="o"><al>Broodmaaltijden</al></li>
            </lijst>
            <al>Onder het verzorgen van de broodmaaltijd wordt verstaan; het smeren
                            en/of snijden van de boterham, afwassen en het zetten van
                            koffie/thee**.Bij kinderen tot 12 jaar wordt hieronder ook
                            verstaan: sfeer maken, helpen met eten en het lunchpakketje maken.</al>
            <al>Het is mogelijk dat de aanvrager niet in staat is de boterham zelf te
                            smeren. Bijv. bij personen die een beperkte handfunctie hebben of door
                            cognitieve problemen niet meer weten wanneer en hoe dit te doen. In deze
                            gevallen kan het klaarmaken van de boterham geïndiceerd worden. De
                            boterham wordt één maal per dag gesmeerd als de aanvrager weet wanneer
                            hij/zij moet eten en de klaargemaakte boterham zelf kan pakken. De
                            boterham wordt twee maal per dag gesmeerd als de aanvrager vergeet te
                            eten en de activiteit brood smeren structuur aan de dag geeft. Daarnaast
                            in het geval dat een persoon een boterham niet zelf kan pakken.</al>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="o"><al>Warme maaltijden</al></li>
            </lijst>
            <al>Onder de warme maaltijd wordt verstaan het opwarmen of het bereiden van
                            de maaltijd.</al>
            <al>Binnen deze activiteit valt ook het afwassen, koffie/thee zetten**,
                            beetje opruimen enklaar zetten van het bord en bestek. Bij
                            kinderen tot 12 jaar wordt hieronder ook verstaan: sfeer maken en het
                            helpen met eten</al>
            <al>De maaltijdvoorziening is in principe een voorliggende voorziening. Dit
                            geldt ook bij een langdurige situatie. Een uitzondering hierop is een
                            gezin met één of meer kinderen. De kosten van de maaltijdverstrekkingen
                            zouden in die situatie onevenredige zwaar drukken op het te besteedbaar
                            inkomen voor het levensonderhoud. </al>
            <al>Er zijn situaties mogelijk waar de voorliggende voorziening niet de
                            hulpvraag dekt. Bijvoorbeeld als de aanvrager een streng dieet heeft op
                            medische grondslag (moet vastgesteld zijn) en niet in staat is zelf te
                            koken. In dit geval kan er maximaal 3 keer per week gekookt worden. </al>
            <al>Er wordt op één dag voor meerdere dagen gekookt. De warme maaltijd
                            opwarmen kan maximaal 7 keer per week verstrekt worden.</al>
            <al/>
            <al>**koffie en thee zetten kan alleen in combinatie met andere activiteiten
                            van de maaltijdverzorging ingezet worden.</al>
            <al/>
            <al>Meer/minderwerk </al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al> Bij kinderen tot 12 jaar wordt extra tijd gerekend per
                                    huishouden. Binnen die extra tijd valt ook </al></li>
            </lijst>
            <al> het sfeer maken, helpen met eten, lunchpakketje maken. </al>
            <al> Normtijden maaltijdvoorziening</al>
            <al/>
            <table>
              <tgroup cols="5">
                <colspec colname="col1" colwidth="25*"/>
                <colspec colname="col2" colwidth="16*"/>
                <colspec colname="col3" colwidth="16*"/>
                <colspec colname="col4" colwidth="18*"/>
                <colspec colname="col5" colwidth="24*"/>
                <tbody>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Soort maaltijd</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>Normtijd</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>Kinderen</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col4">
                      <al>Normtijd</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col5">
                      <al>Periode</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Broodmaaltijd</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al> 15 minuten</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al/>
                    </entry>
                    <entry colname="col4">
                      <al/>
                    </entry>
                    <entry colname="col5">
                      <al>per keer</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Broodmaaltijd </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al/>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>tot 12 jaar **</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col4">
                      <al>20 minuten</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col5">
                      <al>per maaltijd</al>
                      <al>per huishouden</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Maaltijd opwarmen</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>15 minuten </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al/>
                    </entry>
                    <entry colname="col4">
                      <al/>
                    </entry>
                    <entry colname="col5">
                      <al>per maaltijd, max. </al>
                      <al>7 x per week</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Warme maaltijd bereiden</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>30 minuten</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>tot 18 jaar</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col4">
                      <al/>
                    </entry>
                    <entry colname="col5">
                      <al>per maaltijd, max. </al>
                      <al>3 x per week</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Warme maaltijd</al>
                      <al>bereiden</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al/>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>tot 12 jaar**</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col4">
                      <al>20 minuten</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col5">
                      <al>per maaltijd per huishouden. </al>
                    </entry>
                  </row>
                </tbody>
              </tgroup>
            </table>
            <al>** inclusief: het sfeer maken, helpen met eten, lunch pakketje
                            maken.</al>
            <al/>
            <al>Onder <onderstreept>het boodschappen doen</onderstreept> wordt
                            verstaan:</al>
            <lijst>
              <li nr="o"><al>het doen van de wekelijkse boodschappen. </al></li>
            </lijst>
            <al>Boodschappenservice is een voorliggende voorziening. Deze voorziening is
                            in Zwolle nog niet in alle wijken aanwezig en in gelijke mate
                            beschikbaar. Er zijn supermarkten die de boodschappen bezorgen, maar die
                            service is veelal wijkgebonden. Daarnaast moeten klanten in de meeste
                            gevallen naar de winkel komen om de boodschappen te selecteren. Het
                            gebruik van een boodschappendienst geschiedt (vooralsnog) op vrijwillige
                            basis.</al>
            <al/>
            <al>Meer/minderwerk</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>Medische redenen.</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>Op basis van medische redenen kan het doen van boodschappen als
                                    ondersteuningsbehoefte vastgesteld worden, ook al is er sprake
                                    van een toereikende voorziening als de boodschappenservice.
                                    Bijv. bij een medisch vastgesteld (streng) dieet, waardoor de
                                    aanvrager is aangewezen op gespecialiseerde winkels, anders dan
                                    de supermarkt in de wijk.</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>Meer dan 4 persoonshuishouden </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al> Voor een huishouden van meer dan vier personen wordt extra tijd
                                    gerekend in verband met de grootte van het huishouden en de
                                    (naar verwachting) grotere inkoopbehoefte. </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>Inwoner buitengebied</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>Als de aanvrager op grote afstand woont van een supermarkt kan
                                    ook extra tijd opgenomen worden. Onder een grote afstand wordt
                                    verstaan: minimaal 30 minuten moeten lopen voordat een
                                    supermarkt bereikt kan worden.</al><al/></li>
            </lijst>
            <al>Normtijden boodschappen doen.</al>
            <table>
              <tgroup cols="4">
                <colspec colname="col1" colwidth="33*"/>
                <colspec colname="col2" colwidth="20*"/>
                <colspec colname="col3" colwidth="20*"/>
                <colspec colname="col4" colwidth="27*"/>
                <tbody>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Samenstelling huishouden</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>Normtijd</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>Meertijd</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col4">
                      <al>Periode</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Huishouden &lt; 4 pers.</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>60 minuten</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al/>
                    </entry>
                    <entry colname="col4">
                      <al>per week </al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Huishouden &gt; 4 pers.</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>30 minuten</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al/>
                    </entry>
                    <entry colname="col4">
                      <al>per keer extra per huishouden </al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Inwoner buitengebied </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al/>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al> 30 minuten </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col4">
                      <al>per week extra</al>
                      <al>per huishouden</al>
                    </entry>
                  </row>
                </tbody>
              </tgroup>
            </table>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.3.2 Vaststellen normtijd Hulp bij het huishouden HH2</label>
            </kop>
            <al/>
            <al>Hulp bij het huishouden HH2 richt zich op: </al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>het aanleren van huishoudelijke taken of, </al></li>
              <li nr="-"><al>het stimuleren en coachen door samen op te werken of,</al></li>
              <li nr="-"><al>het organiseren van het huishouden. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <onderstreept>Aandachtspunt</onderstreept>: de HH2 activiteit die
                            leidend is voor de ondersteuningsvraag wordt ingezet en geen combinatie
                            van HH2 activiteiten. Het aanleren betekent inclusief stimuleren en
                            organiseren en andersom ook. </al>
            <lijst>
              <li nr="o"><al>
                  <onderstreept>Het aanleren van huishoudelijke
                                        taken</onderstreept>
                </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al> Doel is het aanleren van huishoudelijke taken aan mensen die
                                    dit niet gewend zijn. Activiteiten richten zich alleen op het
                                    huishouden en het organiseren ervan. Een hulp legt een
                                    huisgenoot uit hoe het huishouden werkt. De volwassen huisgenoot
                                    is bijv. zelf gezond, maar weet niet hoe de huishoudelijke taken
                                    uit te voeren of is niet gewend deze uit te voeren. De
                                    aanvrager, die altijd de huishoudelijke taken heeft gedaan, is
                                    niet in staat deze taken aan de ander aan te leren. De maximale
                                    duur voor het aanleren van taken is 6 weken. Als na de periode
                                    van 6 weken blijkt dat er wel sprake is van leerbaarheid, maar
                                    meer tijd nodig is, kan de termijn worden verlengd. Het is ook
                                    mogelijk dat er na 6 weken geen leerbaarheid aanwezig is. In
                                    deze situatie wordt beoordeeld of bepaalde activiteiten
                                    overgenomen moeten worden. </al></li>
            </lijst>
            <al>
              <onderstreept>of </onderstreept>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="o"><al>
                  <onderstreept>Het stimuleren en samen opwerken
                                        (coachen)</onderstreept>
                </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>Bij het samen opwerken of coachen gaat het om het samen
                                    uitvoeren van huishoudelijke taken. De aanvrager kan (deels) de
                                    huishoudelijke taken wel uitvoeren, maar heeft stimulans (´een
                                    duwtje in de rug´) nodig om ze uit te voeren door middel van
                                    praktische begeleiding (voordoen) en aanwijzingen. Bijvoorbeeld
                                    als iemand licht vergeetachtig, verstandelijk gehandicapt is of
                                    depressieve klachten heeft. Deze ondersteuning kan kortdurig of
                                    langdurig noodzakelijk zijn. </al></li>
            </lijst>
            <al>
              <onderstreept>of</onderstreept>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="o"><al>
                  <onderstreept>Organisatie van het huishouden
                                    </onderstreept>
                </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al> In deze situatie gaat het om hulp bij de praktische organisatie
                                    van het huishouden. Concreet betekent dit dat hulp
                                    noodzakelijk is bij bijv. het(samen) schrijven van het
                                    boodschappen briefje, omdat een persoon niet kan overzien wat er
                                    ingekocht moet worden. Daarnaast bijv. het aanvragen van
                                    maaltijden bij de maaltijdvoorziening, het sorteren van de post
                                    en het scheiden van voedingsmiddelen in verband met de maximale
                                    houdbaarheidsdatum. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al> Meer/minderwerk</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>Kinderen</al><al> Een huishouden met kinderen vraagt in principe meer organisatie
                                    dan zonder kinderen. Extra tijd wordt gerekend als er kinderen
                                    tot 16jaar aanwezig zijn. De extra tijd geldt per
                                    huishouden en niet per kind.</al></li>
              <li nr="·"><al>Communicatieproblemen</al><al> Extra tijd wordt gerekend als personen bijv. een spraakprobleem
                                    hebbenbijv. bij een </al><al> spasme of in verband met stotteren. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al> Normtijden HH2 : aanleren, samen opwerken en organisatie van het
                            huishouden </al>
            <table>
              <tgroup cols="5">
                <colspec colname="col1" colwidth="27*"/>
                <colspec colname="col2" colwidth="7*"/>
                <colspec colname="col3" colwidth="20*"/>
                <colspec colname="col4" colwidth="23*"/>
                <colspec colname="col5" colwidth="23*"/>
                <tbody>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Soort activiteit </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al/>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>Normtijd</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col4">
                      <al>Extra tijd </al>
                      <al> kinderen tot 16 jr. </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col5">
                      <al>Extra tijd </al>
                      <al>Communicatie-</al>
                      <al>problemen</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Aanleren HH1 activiteiten </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2" morerows="2">
                      <al>}</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3" morerows="2">
                      <al>30 minuten per week </al>
                      <al>per huishouden</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col4" morerows="2">
                      <al>20 minuten</al>
                      <al>per week </al>
                      <al>per huishouden</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col5" morerows="2">
                      <al>15 minuten</al>
                      <al>per week </al>
                      <al>per huishouden</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Stimuleren en samen opwerken</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Organisatie van het huishouden</al>
                    </entry>
                  </row>
                </tbody>
              </tgroup>
            </table>
            <al> Voorbeeld van gecombineerde HH1 en HH2 activiteiten </al>
            <al>Situatie: De partner/volwassen huisgenoot van de aanvrager is wel in
                            staat </al>
            <al>het licht huishoudelijk werk te doen, maar zwaar huishoudelijk werk </al>
            <al>en de wasverzorging moeten worden geleerd</al>
            <al/>
            <al>Indicatie:</al>
            <table>
              <tgroup cols="3">
                <colspec colname="col1" colwidth="41*"/>
                <colspec colname="col2" colwidth="26*"/>
                <colspec colname="col3" colwidth="33*"/>
                <tbody>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Hulp bij het huishouden</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>Normtijd </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>HH categorie</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Zwaar huishoudelijk werk </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>180 minuten </al>
                      <al> per week</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>HH1</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Wasverzorging</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al> 90 minuten</al>
                      <al> per week </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>HH1</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Aanleren HH1 activiteiten</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al> 30 minuten</al>
                      <al> per week</al>
                      <al>(max. 6 weken)</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>HH2</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Totaal </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al> 300 minuten </al>
                      <al> (5 uur)</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>
                        <vet>HH2 wordt ingezet</vet>
                      </al>
                    </entry>
                  </row>
                </tbody>
              </tgroup>
            </table>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.3.3 Vaststellen normtijd Hulp bij het huishouden HH3.</label>
            </kop>
            <al> Hulp bij het huishouden HH3 richt zich op:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>het overnemen van zorgtaken voor jonge kinderen.</al></li>
              <li nr="-"><al> het bieden van opvang voor jonge kinderen in
                                    crisissituaties.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="o"><al> Het overnemen van zorgtaken voor jonge kinderen.</al></li>
            </lijst>
            <al>Onder het verzorgen van kinderen wordt verstaan; hulp bij het wassen en
                            kleden, de maaltijd(en) bereiden en zonodig het voeden. Het betreft de
                            primaire zorg voor kinderen tot 5 jaar. </al>
            <al>Van kinderen vanaf 5 jaar mag in principe verwacht worden dat zij zich
                            zelf kunnen aan- en uitkleden en wassen. </al>
            <al/>
            <al> Normtijd primaire zorg kinderen &lt;5 jaar</al>
            <table>
              <tgroup cols="4">
                <colspec colname="col1" colwidth="46*"/>
                <colspec colname="col2" colwidth="17*"/>
                <colspec colname="col3" colwidth="17*"/>
                <colspec colname="col4" colwidth="20*"/>
                <tbody>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Soort activiteit</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>Leeftijd</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>Normtijd</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col4">
                      <al>Periode</al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Verluieren, wassen, kleden, voeden</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>0 - 1 jaar </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>30 minuten </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col4">
                      <al>Per keer per kind </al>
                    </entry>
                  </row>
                  <row>
                    <entry colname="col1">
                      <al>Wassen, aankleden, maaltijden bereiden, voeden.</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col2">
                      <al>1 - 5 jaar</al>
                    </entry>
                    <entry colname="col3">
                      <al>20 minuten </al>
                    </entry>
                    <entry colname="col4">
                      <al>Per keer per kind </al>
                    </entry>
                  </row>
                </tbody>
              </tgroup>
            </table>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="o"><al>Het bieden van opvang voor kinderen in crisissituaties.</al></li>
            </lijst>
            <al>De structurele opvang van kinderen is geen primaire Wmo taak. De opvang
                            van kinderen is een HH activiteit die alleen ingezet wordt bij
                            crisissituaties of calamiteiten om ontwrichting van het gezin of de
                            leefeenheid te voorkomen. Het gaat om situaties waarbij de ouder(s)
                            /volwassen verzorgende(n) plotseling uitvalt. </al>
            <al>Bijvoorbeeld bij het plotseling overlijden van een ouder, een
                            spoedopname in het ziekenhuis of psychiatrische instelling. Deze opvang
                            wordt ingezet nadat is vastgesteld dat, naast het ontbreken van eigen
                            oplossingen, ook een voorliggende voorziening zoals buitenschoolse of
                            kinderopvang niet direct en adequaat kan inspelen op de ontstane
                            situatie. Bijvoorbeeld als er sprake is van een wachtlijst bij de
                            kinderopvang.</al>
            <al>De opvang/begeleiding van jonge kinderen (0 – 12 jr.) kan gedurende
                            maximaal 3 maanden,</al>
            <al>maximaal 40 uur per week worden ingezet als aanvulling op eigen
                            mogelijkheden. In die periode</al>
            <al>van 3 maanden dient een structurele oplossing gevonden te worden voor
                            het opvangprobleem. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.4. Hulp in bijzondere situaties </label>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label> 4.4.1 Hulp na ziekenhuisopname of revalidatieprogramma</label>
            </kop>
            <al>Voor personen die revalideren kan de hulp bij het huishouden ingezet
                            worden na ontslag uit een ziekenhuis of revalidatiecentrum. De vorm,
                            gewenste omvang en ingangsdatum van de hulp wordt afgestemd met een
                            (transfer)verpleegkundige van de betreffende organisatie.</al>
            <al>Met de transferverpleegkundigen van de Zwolse ziekenhuizen is
                            afgesproken dat zij zelf mogen vaststellen of er bij een patiënt sprake
                            is van een behoefte aan en noodzaak van hulp bij het huishouden na
                            ontslag uit het ziekenhuis. De transferverpleegkundige is vaak goed op
                            de hoogte van de persoonlijke situatie en omstandigheden van de
                            patiënt/cliënt en kan daarmee vroegtijdig inspelen op de verwachte
                            ondersteuningsbehoefte bij revalidatie. </al>
            <al> De bevindingen van de transferverpleegkundige worden in de vorm van een
                            advies aan de </al>
            <al>gemeente voorgelegd. De gemeente neemt op basis van dat advies een
                            voorlopig besluit voor maximaal 6 weken. In die periode wordt de
                            definitieve ondersteuningsbehoefte (indicatie) door de gemeente
                            vastgesteld. </al>
            <al> Voor de patiënt/cliënt betekent dit dat er geen of een beperkte
                            wachttijd is na ontslag uit het </al>
            <al> ziekenhuis of een revalidatiecentrum. De hulp kan bestaan uit
                            activiteiten van zowel HH1, HH2 of </al>
            <al> HH3. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.4.2 Cliënten met een indicatie voor verblijf (AWBZ)</label>
            </kop>
            <al>Cliënten met een indicatie verblijf die zelfstandig wonen (zoals
                            aanleunwoningen) ontvangen hulp bij het huishouden van de gemeente.
                            Cliënten die verblijven in een verzorgingsinstelling kunnen geen beroep
                            doen op hulp bij het huishouden van de gemeente, daarvoor is de
                            verzorgende instelling verantwoordelijk. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.4.3 Tijdelijk verblijf elders. </label>
            </kop>
            <al>Het hoofdverblijf geldt als uitgangspunt bij het vaststellen van de
                            ondersteuningsbehoefte van de hulp bij het huishouden. Wanneer een
                            cliënt tijdelijk geen gebruik maakt van het hoofdverblijf en elders
                            verblijft in verband met bijv. een opname (medisch), vakantie of een
                            overwintering, dan kan de hulp bij het huishouden gedurende die periode
                            tijdelijk onderbroken of beëindigd afhankelijk van de verwachte
                            onderbrekingsduur. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.4.4 Verhuizing</label>
            </kop>
            <al>Bij een verhuizing <onderstreept>buiten</onderstreept> de gemeente zal
                            cliënt tijdig een aanvraag moeten doen bij de gemeente waar hij naar toe
                            verhuist. De feitelijke datum van verhuizing buiten de gemeente is ook
                            de einddatum van de voorziening hulp bij het huishouden zoals door de
                            gemeente verstrekt.</al>
            <al>Bij een verhuizing <onderstreept>binnen</onderstreept> de gemeente zal
                            in principe de oorspronkelijke hulp worden ingezet, tenzij de
                            reisafstand en reistijd zodanig groot zijn dat vanuit praktisch oogpunt
                            niet verwacht mag worden dat de dezelfde hulp meeverhuist. In dat geval
                            kan ter overbrugging en gewenning gedurende een periode van maximaal 6
                            weken de eigen hulp <onderstreept>tijdelij</onderstreept>k meeverhuizen.
                        </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>4.4.5 Overlijden </label>
            </kop>
            <al>Indien de cliënt overlijdt kan de inzet van de hulp bij het huishouden
                            gedurende maximaal 6 weken worden verlengd ten behoeve van een
                            achterblijvende partner en/of andere huisgenoten. In die periode van 6
                            weken zal worden vastgesteld of de hulp bij het huishouden wordt
                            voortgezet, gewijzigd of beëindigd. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5 Woonvoorzieningen</titel>
          </kop>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.1 Inleiding</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Woonvoorzieningen zijn bedoeld om mensen met een handicap in staat te
                            stellen binnen de eigen woonomgeving te functioneren.</al>
            <al>De gemeente heeft een compensatieplicht voor de meest elementaire
                            woonfuncties zoals toegang tot en verblijf in de woning en het bereiden
                            en gebruiken van maaltijden.</al>
            <al>Iemand kan voor woonvoorzieningen in aanmerking komen wanneer hij door
                            aantoonbare beperkingen belemmeringen ondervindt in het
                                <onderstreept>normale</onderstreept> gebruik van de woning, wat wil
                            zeggen dat de meest elementaire functies zoals toegang tot de woning,
                            verblijf in de woning en functies als slapen, lichaamsreiniging en het
                            bereiden en gebruiken van maaltijden mogelijk moeten zijn. Hierbij
                            spelen ook aspecten als veiligheid en herkenbaarheid van de woning voor
                            de cliënt een rol. </al>
            <al>Onder het normale gebruik van de woning worden niet meegerekend: werk-,
                            hobby- of recreatieruimten, een strijk- droog- of wasmachineruimte. </al>
            <al/>
            <al>De vormen van de te verstrekken woonvoorzieningen zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al> een woonvoorziening in natura,</al></li>
              <li nr="-"><al> een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    woonvoorziening,</al></li>
              <li nr="-"><al> een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    woonvoorziening. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>De gemeente Zwolle onderscheidt de volgende woonvoorzieningen: </al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>een tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en
                                    stoffering;</al></li>
              <li nr="·"><al>woningaanpassingen waarvoor ingrepen van bouwkundige of
                                    woontechnische aard noodzakelijk zijn;</al></li>
              <li nr="·"><al>verstrekking van woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of
                                    woontechnische aard.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>In de verordening van de gemeente zijn bepalingen opgenomen, waarin de
                            voorwaarden beschreven staan waaraan voldaan moet worden wil men voor
                            woningaanpassing in aanmerking komen. In principe is een vergoeding voor
                            woningaanpassing alleen mogelijk indien de gehandicapte zijn
                            hoofdverblijf heeft in de woning, die aangepast moet worden. Een
                            uitzondering kan gemaakt worden als de gehandicapte zijn hoofdverblijf
                            heeft in een AWBZ-instelling en regelmatig een bepaalde woning bezoekt.
                            Het is dan mogelijk deze woning 'bezoekbaar' te maken, wat inhoudt dat
                            de gehandicapte de woning kan bereiken en de woonkamer en een toilet kan
                            gebruiken.</al>
            <al/>
            <al>Woningaanpassingen waarvoor ingrepen van bouwkundige of woontechnische
                            aard noodzakelijk zijn, worden alleen vergoed wanneer er sprake is van
                            aantoonbare <vet>ergonomische </vet>beperkingen.</al>
            <al>Hiermee wordt bedoeld dat het moet gaan om belemmeringen die
                            rechtstreeks het gevolg zijn van lichamelijke functionele beperkingen;
                            iemand kan b.v. moeilijk lopen of bewegen en ondervindt daardoor
                            belemmeringen in het traplopen of bij het douchen.</al>
            <al>Wanneer voorzieningen bedoeld zijn om bepaalde gezondheidsklachten of
                            ziekteverschijnselen te verminderen of te voorkomen, dan vallen deze
                            niet onder de Wmo. Ook voor belemmeringen die voortvloeien uit de aard
                            van de in de woning gebruikte, zelf aangebrachte of verwijderde
                            materialen of middelen wordt geen Wmo voorziening getroffen. </al>
            <al/>
            <al>Men kan hierbij b.v. denken aan een bad in (huur)woningen waarin
                            standaard geen bad aanwezig is, tuinhekken of schuttingen die de toegang
                            tot de berging belemmeren of trapleuningen of traphekjes die
                            oorspronkelijk wel in de woning aanwezig waren, maar door de cliënt zijn
                            verwijderd.</al>
            <al>Als voorbeeld van de consequenties die dit kan hebben, volgt hier een
                            beschrijving van de mogelijkheden die de Wmo biedt voor mensen met
                            COPD.</al>
            <al>De term COPD is een verzamelnaam voor astma, chronische bronchitis en
                            longemfyseem. In vrijwel alle gevallen hebben COPD-patiënten chronische
                            kortademigheidklachten. </al>
            <al>Voor een COPD-patiënt zijn er vele prikkelende stoffen, zowel buiten als
                            binnen de woonomgeving aanwezig, die de klachten kunnen veroorzaken of
                            verergeren, zoals b.v. luchtjes in huis, te hoge vochtigheid van de
                            woning, materiaalkeuze bij de inrichting van de woning.</al>
            <al/>
            <al>Voor ergonomische beperkingen, die het gevolg zijn van COPD, kan via de
                            Wmo een oplossing gezocht worden. Een voorbeeld hiervan is dat iemand
                            als gevolg van een COPD-aandoening geen trap kan lopen en daardoor niet
                            op de slaapverdieping kan komen. Via de Wmo kan dan een woonvoorziening,
                            bijvoorbeeld een traplift, worden verstrekt.</al>
            <al/>
            <al>Bouwkundige voorzieningen die bedoeld zijn om de gewenste
                            COPD-vriendelijke woonomgeving te bereiken worden gezien als
                            voorzieningen die bedoeld zijn om bepaalde gezondheidsklachten of
                            ziekteverschijnselen te verminderen en niet om ergonomische beperkingen
                            te verminderen. Deze komen daarom niet voor een Wmo-vergoeding in
                            aanmerking. </al>
            <al>Voorbeelden hiervan zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>centrale verwarming;</al></li>
              <li nr="·"><al>mechanische ventilatie;</al></li>
              <li nr="·"><al>ventilatieroosters;</al></li>
              <li nr="·"><al>dubbele beglazing;</al></li>
              <li nr="·"><al>een goede afvoer van verbrandingsgassen;</al></li>
              <li nr="·"><al>verhelpen van vochtproblemen, die gebaseerd zijn op problemen
                                    van bouwtechnische aard, zoals optrekkend vocht in draagmuren,
                                    een vochtige kruipruimte, lekkages e.d..</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Ook aspecten van <vet>niet</vet> bouwkundige of woontechnische aard
                            kunnen leiden tot een meer of minder COPD-vriendelijke omgeving, b.v. de
                            inrichtingselementen van een woning zoals gordijnen, vloerbedekking,
                            huishoudelijke apparaten, dekbedden i.p.v. dekens e.d.</al>
            <al>Hierbij wordt eerst het criterium algemeen gebruikelijk gehanteerd en
                            niet de ergonomische beperking als basis voor een vergoeding. </al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.2 Een tegemoetkoming in de kosten van verhuizen en
                            stoffering</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Er zijn binnen de Wmo twee situaties denkbaar, waarin het mogelijk is in
                            aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in de kosten van verhuizen
                            en inrichten van een nieuwe woning, te weten:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>het verhuizen naar een aangepaste woning vormt de goedkoopst
                                    adequate oplossing voor het woonprobleem van de cliënt;</al></li>
              <li nr="-"><al>door verhuizing wordt een aangepaste woning vrijgemaakt voor
                                    bewoning door iemand met een handicap.</al><al/></li>
            </lijst>
            <al>Een verhuiskostenvergoeding wordt <vet>niet</vet> verstrekt
                            wanneer:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>iemand met een handicap voor het eerst zelfstandig gaat wonen.
                                    Hierbij wordt het voor studie of opleiding ´op kamers´ wonen
                                    niet als zelfstandig wonen beschouwd;</al></li>
              <li nr="-"><al>iemand met een handicap op eigen initiatief verhuist vanuit een
                                    woning die op ergonomische gronden als geschikt moet worden
                                    beschouwd;</al></li>
              <li nr="-"><al>er wordt verhuisd naar een AWBZ instelling of een verzorging- of
                                    verpleeghuis;</al></li>
              <li nr="-"><al>er sprake is van een algemeen gebruikelijke verhuizing, zoals
                                    bij een verhuizing van senioren naar een kleinere woning, omdat
                                    de eengezinswoning te bewerkelijk is geworden en de kinderen
                                    reeds zelfstandig wonen. </al><al/></li>
            </lijst>
            <al>In de volgende situaties wordt hierop een uitzondering gemaakt:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>bij een te verwachten verergering van de handicap, waardoor op
                                    korte termijn belemmeringen ontstaan bij het normale gebruik van
                                    de woning;</al></li>
              <li nr="-"><al>een verhuizing als gevolg van het aanvaarden van een andere baan
                                    op onbereisbare afstand door de aanvrager of zijn partner;</al></li>
              <li nr="-"><al>de noodzaak tot mantelzorg, waardoor de verhuizing vanuit de
                                    adequate woning naar een andere woning onvermijdelijk is.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.2.1 Verhuisindicatie</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Wanneer iemand met een handicap een woning bewoont, waarin hij op grond
                            van zijn handicap belemmeringen ondervindt, dan kan verhuizen naar een
                            aangepaste of beter aan te passen woning een goede oplossing zijn. </al>
            <al>De gemeente hanteert daarvoor het begrip <vet>primaat van verhuizen,
                            </vet>wat inhoudt dat voordat de woning wordt aangepast wordt bekeken of
                            verhuizen een adequate oplossing biedt.</al>
            <al>Om enigszins tegemoet te komen aan de wens van de meeste mensen om in de
                            bestaande woning te blijven wonen is in de gemeentelijke verordening
                            vastgelegd dat het primaat van verhuizen wordt gehanteerd voor
                            woningaanpassingen, waarvan de kosten meer bedragen dan het jaarlijks
                            vastgestelde drempelbedrag of wanneer er sprake is van het aanpassen van
                            woonwagens of woonschepen.</al>
            <al>In een dergelijke situatie zal in nauw overleg met de cliënt primair
                            bekeken worden of verhuizing mogelijk en zinvol is.</al>
            <al>Om in dit proces van verhuizen of aanpassen van de huidige woning
                            zorgvuldige afwegingen te kunnen maken, is een <vet>Commissie
                                aangepast</vet><vet>wonen </vet>(Caw) samengesteld, waarin
                            medewerkers zitting hebben vanuit de afdeling individuele voorzieningen
                            Wmo.</al>
            <al/>
            <al>Bij de afweging tussen verhuizen of aanpassen van de huidige woning
                            spelen verschillende aspecten een rol, zoals:</al>
            <al>het op basis van het medisch advies opgestelde programma van eisen voor
                            de woningaanpassing;</al>
            <al>de bouwkundige consequenties voor de bestaande woning in relatie tot die
                            voor een nieuw te zoeken woning;</al>
            <al>de financiële consequenties van het wel of niet verhuizen, zowel voor de
                            cliënt als voor de gemeente. Een voorwaarde hierbij is dat de cliënt
                            niet ongewild voor een substantiële verhoging van de woonlasten komt te
                            staan;</al>
            <al>de sociale consequenties van een verhuizing voor zowel de cliënt als
                            zijn gezin, zoals:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>opgebouwde mantelzorg;</al></li>
              <li nr="·"><al>verandering van school bij schoolgaande kinderen;</al></li>
              <li nr="·"><al>algemene faciliteiten in de buurt;</al></li>
            </lijst>
            <al>de consequenties van verhuizen voor wooncomfort en mogelijkheden tot
                            onderhouden van de woning;</al>
            <al>de beschikbaarheid van een alternatieve woning op korte termijn. Onder
                            korte termijn wordt verstaan binnen 6 maanden daadwerkelijk vinden. De 6
                            maanden termijn begint te lopen vanaf de aanmelddatum bij de commissie
                            aangepast wonen (Caw). </al>
            <al>De 6-maandtermijn vervalt indien, op basis van ervaring, eerder in te
                            schatten is dat er geen geschikte woning binnen de 6-maandtermijn
                            gevonden zal worden.</al>
            <al/>
            <al>Indien na afweging verhuizen een adequate oplossing is, dan gaat bij het
                            verstrekken van de woonvoorziening een financiële tegemoetkoming in
                            aanpassings-, verhuis- en stofferingskosten voor.</al>
            <al>Aan de hand van het door de woningcorporaties aangemelde bestand van
                            beschikbare (aangepaste) woningen wordt bekeken welke woning het beste
                            past bij welke cliënt.</al>
            <al>Wanneer een passende woning gevonden is, wordt deze aangeboden aan de
                            cliënt.</al>
            <al/>
            <al>Bij weigering van de woning door de cliënt wordt bekeken of deze
                            weigering op terechte gronden is gebaseerd. De voor de gemeente
                            aanvaardbare redenen zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>de woning blijkt bij nadere beschouwing niet geschikt op
                                    ergonomische gronden.</al></li>
              <li nr=""><al>Aan de hand van tekeningen en gegevens verkregen vanuit de
                                    woningbouwvereniging wordt in eerste instantie beoordeeld of een
                                    woning geschikt zou kunnen zijn voor een bepaalde cliënt. Bij
                                    bezoek aan de woning kunnen er omstandigheden zijn, die de
                                    woning toch niet geschikt maken, b.v. de bereikbaarheid van de
                                    woning, niveauverschillen in de woning, die op tekening niet
                                    zichtbaar waren. </al></li>
              <li nr="-"><al>er worden persoonlijke omstandigheden aangevoerd, waaruit blijkt
                                    dat het aanbod niet als een passend aanbod kan worden
                                    beschouwd.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Wanneer een in alle opzichten passend aanbod wordt geweigerd, stopt de
                            bemoeienis van de Commissie aangepast wonen en dient de cliënt zelf op
                            zoek te gaan naar een geschikte woning. De gevonden woning kan
                            vervolgens worden aangepast tot een maximum bedrag van het jaarlijks
                            vastgestelde drempelbedrag voor het primaat van verhuizen op voorwaarde
                            dat de aanpassingen voldoen aan het programma van wooneisen.</al>
            <al/>
            <al>Indien na afweging van alle aspecten verhuizen geen adequate oplossing
                            is of de gemeente niet in staat is een passend aanbod te vinden dan kan
                            besloten worden over te gaan tot aanpassen van de huidige woning, mits
                            er een adequate situatie wordt gecreëerd.</al>
            <al>Het kan ook zijn dat de cliënt het aanpassen van de huur- of eigen
                            woning, die reeds in gebruik is, verkiest boven het verhuizen naar een
                            passend en goedkoper alternatief.</al>
            <al>Hij kan dan in aanmerking komen voor vergoeding van de kosten van
                            aanpassing van de bestaande woning tot een maximum van het jaarlijks
                            vastgestelde drempelbedrag voor het primaat van verhuizen. </al>
            <al>De vergoeding wordt uitgekeerd op het moment dat de cliënt zijn woning
                            volledig conform het programma van wooneisen op een sobere, doch
                            doelmatige wijze heeft aangepast. Meerkosten, die zijn ontstaan door een
                            luxere uitvoering komen voor eigen rekening.</al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.2.2 Subsidie voor het vrijmaken van een aangepaste woning</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Wanneer de cliënt waarvoor woningaanpassingen zijn aangebracht niet meer
                            in de woning woonachtig is, kan aan de achterblijvende gezinsleden een
                            verhuiskostenvergoeding verstrekt worden voor het verlaten van de
                            woning.</al>
            <al>Een voorwaarde hiervoor is dat de gemeente de woning kan gebruiken voor
                            andere kandidaten.</al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.3 Woningaanpassingen van bouwkundige of woontechnische aard</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Wanneer er op basis van aantoonbare ergonomische beperkingen besloten
                            wordt tot het aanpassen van de woning moet bekeken worden welke
                            aanpassingen noodzakelijk zijn op basis van de belemmeringen die worden
                            ondervonden.</al>
            <al/>
            <al>Een woningaanpassing wordt niet toegekend wanneer: </al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>iemand met een handicap voor het eerst zelfstandig gaat wonen.
                                    Hierbij wordt het voor studie of opleiding ‘op kamers‘ wonen
                                        <onderstreept>niet </onderstreept>als zelfstandig wonen
                                    beschouwd;</al></li>
              <li nr="-"><al>er wordt verhuisd naar een AWBZ-instelling of een verzorging- of
                                    verpleeghuis.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Hieronder volgt een beschrijving van de mogelijkheden tot
                            woningaanpassingen, die de Wmo biedt.</al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.3.1 Bereikbaarheid van de woning</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Met de bereikbaarheid van de woning wordt bedoeld het kunnen bereiken
                            van de woning, al dan niet met gebruik van een loophulpmiddel of
                            rolstoel.</al>
            <al>Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat de woning in ieder geval
                            bereikbaar moet zijn via één ingang. Het toegankelijk maken van een
                            tweede ingang is afhankelijk van het doel hiervan, bijv. de noodzaak van
                            het kunnen bereiken van de berging, de tuin of het terras.</al>
            <al/>
            <al>Problemen kunnen zich voordoen bij:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>·de ondergrond van het toegangspad. Deze moet zodanig zijn dat
                                    men zich veilig met behulp van de noodzakelijke
                                    verplaatsingshulpmiddelen kan verplaatsen.</al></li>
              <li nr=""><al>Wanneer de belemmeringen veroorzaakt worden door achterstallig
                                    onderhoud, dan wordt dit uiteraard niet vergoed vanuit de
                                    Wmo;</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>de breedte van het toegangspad. Het pad moet van voldoende
                                    breedte zijn om gebruik te kunnen maken van het
                                    verplaatsingshulpmiddel;</al></li>
              <li nr="·"><al>de hellingshoek van het toegangspad;</al></li>
            </lijst>
            <al>Als richtlijn worden hierbij de volgende verhoudingen tussen het
                            hoogteverschil en de lengte van het pad gehanteerd:</al>
            <al>max. 1 : 6 bij een niveauverschil van 10 cm</al>
            <al>max. 1 : 12 bij een niveauverschil van 25 cm</al>
            <al>max. 1 : 16 bij een niveauverschil van 50 cm</al>
            <al>max. 1 : 20 bij een niveauverschil van 100 cm</al>
            <al>Uiteraard zal per situatie bekeken moeten worden of deze hellinghoek
                            voor de betreffende cliënt ook haalbaar is.</al>
            <al/>
            <al>In wooncomplexen met een gemeenschappelijke ingang met trapportaal of
                            lift kan de bereikbaarheid van de woning problemen geven wat
                            betreft:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>overbrugging van de gemeenschappelijke trap in het
                                    trapportaal;</al></li>
              <li nr="·"><al>bediening van de lift;</al></li>
              <li nr="·"><al>bediening van tussendeuren of galerijdeuren.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Voor het treffen van voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten kan
                            subsidie verleend worden. Een voorwaarde is dat het voorzieningen zijn
                            die geen belemmering vormen voor andere bewoners en niet gevoelig zijn
                            voor het aanbrengen van schade door derden. Om deze reden worden in
                            portiekflats geen trapliften aangebracht, welke worden gesubsidieerd
                            vanuit de Wmo.</al>
            <al/>
            <al>Voorbeelden van mogelijke aanpassingen in gemeenschappelijke ruimten
                            zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>verbreden van toegangsdeuren;</al></li>
              <li nr="-"><al>aanbrengen van elektrische deuropeners;</al></li>
              <li nr="-"><al>aanleg van een hellingbaan vanaf de openbare weg naar de toegang
                                    van het gebouw; </al></li>
              <li nr="-"><al>drempelhulpen en vlonders;</al></li>
              <li nr="-"><al>een extra trapleuning;</al></li>
              <li nr="-"><al>het creëren van een opstelplaats voor een rolstoel of
                                    scootmobiel bij de toegangsdeur van het woongebouw.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>In gebouwen, die bestemd zijn voor de huisvesting van ouderen of
                            gehandicapten wordt er van uitgegaan dat reeds bij de bouw rekening
                            gehouden wordt met aspecten van bereikbaarheid en toegankelijkheid. In
                            deze wooncomplexen worden de hierboven genoemde voorzieningen als
                            algemeen gebruikelijk beschouwd.</al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.3.2 Toegankelijkheid van de woning</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Met de toegankelijkheid van de woning wordt bedoeld het kunnen betreden
                            van de woning, al dan niet met gebruik van een loophulpmiddel of
                            rolstoel.</al>
            <al>Problemen kunnen zich voordoen bij:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>het niveauverschil bij voordeur of terrasdeur; </al></li>
              <li nr="·"><al>de deurbreedte;</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>De dagmaat van een voordeur was (tot 2003) standaard minimaal 80
                                    cm. Het Bouwbesluit 2003 schrijft (voor nieuwbouw) als dagmaat
                                    een minimale breedte van 90 cm voor, die in de meeste gevallen
                                    toereikend is.</al></li>
              <li nr="·"><al>de ruimte bij de deur;</al></li>
              <li nr=""><al>Bij gebruik van een rolstoel moet er voldoende ruimte zijn om de
                                    voordeur te kunnen benaderen, het slot te kunnen bedienen en de
                                    deur te kunnen openen.</al></li>
              <li nr="·"><al>de bediening van het slot; </al></li>
              <li nr=""><al>De uitgangspositie en de arm/handfunctie zijn bepalend of het
                                    slot aangepast dient te worden.</al></li>
              <li nr=""><al>In een aantal gevallen is de cliënt dusdanig fysiek beperkt wat
                                    betreft arm/handfunctie, al dan niet in combinatie met
                                    beperkingen van de romp, dat gedacht moet worden aan een
                                    automatische deuropener. </al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.3.3 Doorgankelijkheid van de woning</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Met doorgankelijkheid van de woning wordt bedoeld; het kunnen bereiken
                            van de gebruiksruimten al dan niet met gebruik van een loophulpmiddel of
                            rolstoel.</al>
            <al>Er kunnen zich problemen voordoen bij:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>het overbruggen van niveauverschillen;</al></li>
              <li nr="·"><al>de toegankelijkheid van gebruiksruimtes wat betreft de
                                    deurbreedte;</al></li>
              <li nr="·"><al>de toegankelijkheid van gebruiksruimtes wat betreft het bedienen
                                    van de deuren.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.3.4 Niveauverschillen</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>
              <vet>Drempels</vet>
            </al>
            <al>Hoe de belemmeringen rondom het overbruggen van niveauverschillen binnen
                            de woning overbrugd kunnen worden is afhankelijk van de wijze van
                            verplaatsen en de bouwkundige mogelijkheden. </al>
            <al>Mogelijke oplossingen zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>aanbrengen van een steunpunt bij/ op de deurpost;</al></li>
              <li nr="·"><al>het plaatsen van een schegstuk;</al></li>
              <li nr="·"><al>het verwijderen van drempels.</al></li>
            </lijst>
            <al>Het opheffen van het niveauverschil naar de natte cel kan bouwkundig
                            gezien complex zijn. Hier wordt in het hoofdstuk ‘de natte cel’ op terug
                            gekomen.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Trap</vet>
            </al>
            <al>Voor veel mensen met een handicap vormt het traplopen een grote
                            belemmering.</al>
            <al>Er is een indicatie voor aanpassing wanneer:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>de gebruiker beperkt is in de frequentie van het traplopen.
                                    Onderzocht dient te worden in hoeverre dit belemmerend is in het
                                    uitvoeren van dagelijkse handelingen, alvorens aan voorzieningen
                                    te denken;</al></li>
              <li nr="-"><al>het traplopen op een niet veilige manier gebeurt;</al></li>
              <li nr="-"><al>traplopen motorisch gezien onmogelijk of medisch gezien niet
                                    verantwoord is.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Bij het zoeken naar oplossingen zal eerst gekeken worden of het plaatsen
                            van extra steunpunten het veilig traplopen mogelijk maakt.</al>
            <al>Is dit niet het geval dan dient onderzocht te worden of het aanpassen
                            middels traplift het probleem van verticaal verplaatsen oplost en of dit
                            bouwkundig gezien een oplossing is.</al>
            <al/>
            <al>Bij cliënten met een beperkte loopfunctie is een stoeltjestraplift een
                            mogelijkheid. De gebruiker moet in staat zijn hier veilig gebruik van te
                            kunnen maken. Het overstappen vanuit een (rol)stoel naar de stoel van de
                            traplift moet veilig uitgevoerd kunnen worden. Stoeltjesliften worden in
                            bruikleen verstrekt. Door de gemeente wordt met de leverancier een
                            onderhoudscontract afgesloten.</al>
            <al/>
            <al>Wanneer iemand volledig rolstoelafhankelijk is, is het gebruik van een
                            plateaulift of woonhuislift een mogelijke oplossing. Dit vergt
                            bouwkundig gezien veelal zo'n grote ingreep dat het jaarlijks
                            vastgestelde drempelbedrag voor het primaat van verhuizen wordt
                            overschreden, ook omdat er veelal andere aanpassingen in de woning
                            noodzakelijk zijn. </al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Deuren</vet>
            </al>
            <al>De deuren kunnen een belemmering vormen in de doorgankelijkheid van de
                            woning als cliënten bij het verplaatsen gebruik moeten maken van
                            rolstoelvoorzieningen.</al>
            <al/>
            <al>Hierbij kunnen de volgende problemen zich voordoen:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>de deurbreedte van woningen gebouwd voor 2003 was standaard 80
                                    cm. Met name bij gebruik van rolstoelen is dit te smal; </al></li>
              <li nr="·"><al>het vergt teveel kracht om de deur te openen of men is niet in
                                    staat de deur te openen. Onderzocht dient te worden op welke
                                    wijze, evt. middels aanpassen van hang- en sluitwerk of type
                                    deur het openen van de deur vergemakkelijkt kan worden;</al></li>
              <li nr="·"><al>bij de gevraagde breedte van de deur is teveel ruimte nodig om
                                    de deur geheel te kunnen openen. In een aantal gevallen kan een
                                    schuifdeur een oplossing bieden.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Garagedeuren worden aangepast indien de garage door de gemeente is
                            aangewezen als berging voor die verstrekte vervoersvoorzieningen, die
                            niet in de buitenlucht kunnen blijven staan, b.v. scootmobielen. </al>
            <al>Er moet sprake zijn van het niet kunnen openen van de garagedeuren
                            t.g.v. medisch/ ergonomische beperkingen, waarbij er geen beroep gedaan
                            kan worden op een huisgenoot om de deur te openen. Veelal zijn de deuren
                            te zwaar om te openen. Er zijn twee mogelijke oplossingen:</al>
            <al/>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>het plaatsen van een inloopdeur;</al></li>
              <li nr="·"><al>het elektrisch openen van de garagedeur.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Het parkeren van auto's in de buitenlucht wordt als algemeen
                            gebruikelijk beschouwd. Er is daarom geen reden om een garage vanuit de
                            Wmo aan te passen voor het stallen van een auto. </al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.4 Gebruiksruimtes in de woning</titel>
          </kop>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.4.1 Woonkamer</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Aan de woonkamer behoeven vanuit ergonomische overwegingen meestal geen
                            specifieke eisen gesteld te worden.</al>
            <al>Bij rolstoelgebruik kan bekeken worden of er met opstelling van
                            meubilair voldoende ruimte gecreëerd kan worden voor het gebruik van de
                            rolstoel.</al>
            <al>Is de ruimte echt te klein, dan zal het er meestal op neer komen dat ook
                            de overige ruimtes in de woning niet aan de eisen voldoen, waardoor het
                            primaat van verhuizen gaat gelden.</al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.4.2 Slaapkamer</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Bij rolstoelafhankelijkheid is er extra ruimte in de slaapkamer nodig.
                            Naast het kunnen bereiken van het bed en het uit kunnen voeren van een
                            transfer moeten ook voorzieningen als de kledingkast bereikbaar
                            zijn.</al>
            <al>Ook de noodzaak tot verzorgen op bed of gebruik van tilhulpmiddelen
                            kunnen een indicatie zijn voor de noodzakelijke extra ruimte in de
                            slaapkamer.</al>
            <al>Als richtlijn bij rolstoelgebruik wordt voor een draaicirkel gehanteerd
                            van 1,5 meter tussen de slaapkamerdeur en het bed. </al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.4.3 Uitraaskamer</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Bepaalde stoornissen van verstandelijk gehandicapten, bijvoorbeeld
                            hyperactiviteit en moeilijkheden in het doseren van omgevingsprikkels,
                            kunnen (op bepaalde tijden) aanleiding geven tot problemen bij het
                            verblijf van de verstandelijke gehandicapte in de woonruimte. Deze
                            problemen kunnen worden opgevangen door in de woning over een
                            uitraaskamer te beschikken.</al>
            <al>Onder een uitraaskamer wordt verstaan een kamer (verblijfsruimte),
                            waarin een psychisch gehandicapte die gedragsproblemen heeft, zich kan
                            afzonderen of tot rust kan komen.</al>
            <al/>
            <al>De criteria voor vergoeding van een uitraaskamer zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>betrokkene beschadigt zichzelf ( zelfverwonding);</al></li>
              <li nr="-"><al>betrokkene beschadigt de omgeving (vernielzucht);</al></li>
              <li nr="-"><al>er is sprake van ongecontroleerde driftbuien of overmatige
                                    apathie.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>De uitraaskamer is bedoeld om de gehandicapte, die bovenstaande
                            problemen ondervindt tegen zichzelf te beschermen. Alsmede om de ouders/
                            verzorgers in staat te stellen beter toezicht uit te oefenen. Daarbij
                            moet het er om gaan dat de uitraaskamer het belang van de gehandicapte
                            dient. Gaat het bij de gevolgen van de gedragsproblemen niet om de
                            belangen van de gehandicapte, maar om die van anderen, bijvoorbeeld
                            doordat zij bestaan uit hinder voor die anderen, dan is er geen sprake
                            van een uitraaskamer in de zin van de Wmo.</al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.4.4 Speel/hobby-kamer</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>In de wet wordt het begrip woonvoorziening omschreven; daarbij wordt
                            aangegeven dat het alleen gaat om het opheffen van (ergonomische)
                            beperkingen die het normale gebruik van de woning omvatten. </al>
            <al>Het gaat hierbij om de normale (elementaire) woonfuncties zoals slapen,
                            eten en lichaamsreiniging. Het gebruiken van een hobby-, werk- of
                            speel-/recreatieruimte valt niet onder de zorgplicht van de gemeente,
                            evenmin als het treffen van een voorziening uit oppas- of
                            verzorgingsoogpunt.</al>
            <al>Indien cliënt bijvoorbeeld alleen via de hobbyruimte toegang tot de
                            woning kan verkrijgen, kan deze wel daarop aangepast worden, maar dan
                            geldt de aanpassing niet de hobbyruimte, maar de
                            toegangsmogelijkheid.</al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.4.5 Keuken</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Keukenaanpassingen zijn mogelijk:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>indien er ergonomische belemmeringen zijn bij het uitvoeren van
                                    keukenactiviteiten en de taakverdeling dusdanig is dat
                                    betrokkene verantwoordelijk is voor de keukenactiviteiten.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Bij het vaststellen van de noodzaak tot aanpassingen in de keuken of
                            andere voorzieningen voor het verrichten van huishoudelijke
                            werkzaamheden zoals het doen van de (gezins)was is het van belang na te
                            gaan of het binnen de gezinsstructuur noodzakelijk is dat deze
                            activiteiten door de gehandicapte worden uitgevoerd.</al>
            <al>Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer deze activiteiten ook door andere
                            gezinsleden zijn te doen, b.v. het in- en uitladen van de wasmachine, er
                            geen zorgplicht voor de gemeente aanwezig is.</al>
            <al/>
            <al>Is dit niet het geval, dan is aanpassing mogelijk.Veelal bepalend voor
                            het vaststellen van een medisch ergonomische noodzaak voor aanpassingen
                            is de wijze van verplaatsen en de noodzakelijke uitgangshouding bij het
                            uitvoeren van de keukenactiviteiten.</al>
            <al>Bij medische noodzaak tot zittend werken of het afwisselend zittend/
                            staand werken dient onderzocht te worden hoe keukenactiviteiten op
                            ergonomisch verantwoorde wijze zittend uitgevoerd kunnen worden, waarbij
                            rekening gehouden moet worden met het soort zitvoorziening.</al>
            <al/>
            <al>Aanpassing van de keuken heeft meestal betrekking op de volgende
                            onderdelen:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>opstelling/ indeling van de keuken;</al></li>
              <li nr="·"><al>extra handgrepen;</al></li>
              <li nr="·"><al>aanrechtblad;</al></li>
              <li nr="·"><al>spoelbak;</al></li>
              <li nr="·"><al>keukenkasten;</al></li>
              <li nr="·"><al>apparaten</al></li>
              <li nr="·"><al>kookbron</al></li>
              <li nr="·"><al>kranen</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Opstelling/ indeling van de keuken</vet>
            </al>
            <al>Uitgegaan wordt van een standaard keukenblok met een spoelbak met aan
                            beide zijden 60 cm aanrechtblad en een kookbron, waarnaast veelal een 30
                            cm afzetvlak is gelegen.</al>
            <al/>
            <al>De standaard kastruimte in een keuken bevat 3 onder- en 3 bovenkastjes.
                            Afhankelijk van de beperkingen en de in gebruik zijnde hulpmiddelen kan
                            voor een afwijkende opstelling gekozen worden.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Handgrepen</vet>
            </al>
            <al>Om zich bij de verschillende keukenactiviteiten met werk- of rolstoel te
                            kunnen verplaatsen kan het nodig zijn extra handgrepen aan te brengen,
                            zoals b.v. een trekstang langs het keukenblok.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Aanrechtblad</vet>
            </al>
            <al>Bij een medische noodzaak tot zittend werken of het afwisselend zittend
                            en staand werken dient onderzocht te worden hoe keukenactiviteiten op
                            ergonomisch verantwoorde wijze zittend uitgevoerd kunnen worden, waarbij
                            rekening gehouden moet worden met het soort zitvoorziening.</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>in eerste instantie kan gedacht worden aan een extra werkblad in
                                    de keuken, evt. op/neerklapbaar;</al></li>
              <li nr="·"><al>in tweede instantie kan overwogen worden een deel van het
                                    keukenblok onderrijdbaar te maken. Veelal betreft dit de
                                    geschakelde vlakken, spoelbak-werkvlak-kookunit;</al></li>
              <li nr="·"><al>incidenteel wordt een hoog-laag instelbare keuken geadviseerd
                                    bij uitzonderlijke omstandigheden. Er moet hier sprake zijn van
                                    meerdere personen die gebruik <vet>moeten</vet> maken van de
                                    keuken, bijvoorbeeld omdat taken vastliggen en niet te
                                    veranderen zijn, en waarbij de uitgangshouding vanuit
                                    ergonomisch oogpunt dusdanig anders is dat verschillende
                                    werkhoogtes noodzakelijk zijn;</al></li>
              <li nr="·"><al>indien pannen alleen schuivend verplaatst kunnen worden, dan
                                    dient het afzetvlak hittebestendig te zijn.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Spoelbak</vet>
            </al>
            <al>Bij zittend gebruik van de keuken kan het noodzakelijk zijn de spoelbak
                            aan te passen. Hierbij wordt gelet op de diepte van de spoelbak en de
                            wijze van isoleren van de onderkant.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Kranen</vet>
            </al>
            <al>Zowel hendel(meng)kranen als thermisch begrensde kranen worden als
                            algemeen gebruikelijk beschouwd en in principe niet vergoed door de
                            Wmo.</al>
            <al>Uitzondering in verband met de aanschafkosten vormen de kranen waarbij
                            sprake is van een combinatie van een hendelkraan met een thermische
                            begrenzing. </al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Keukenkasten</vet>
            </al>
            <al>Indien de bereikbaarheid van de onderkastjes ergonomisch gezien niet
                            goed mogelijk is dan kunnen voorzieningen voor het bereikbaar maken van
                            de spullen in de kastjes noodzakelijk zijn. De ergonomische
                            belemmeringen die zich hierbij voordoen komen veelal voort uit:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>een verslechterde arm/handfunctie;</al></li>
              <li nr="-"><al>rugproblematiek;</al></li>
              <li nr="-"><al>problematiek van de knieën.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Indien de bovenkastjes niet bereikbaar zijn t.g.v. beperkingen van de
                            arm/handfunctie, of een veranderde uitgangspositie bij het uitvoeren van
                            de keukenactiviteiten, dan dienen deze verlaagd opgehangen te worden,
                            waarbij gelet moet worden op vrije hoofdruimte en lichtval en de
                            benodigde ruimte voor het plaatsen van keukenapparatuur op het
                            aanrechtblad.</al>
            <al/>
            <al>Bij het vervangen van weggevallen kastruimte moet uitgegaan worden van
                            de kastruimte van een standaard keuken, dus 3 onderkastjes en 3
                            bovenkastjes, of te wel een totaal van 6 kasten.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Apparaten</vet>
            </al>
            <al>De in een keuken gebruikelijke apparaten als een koelkast, een
                            diepvrieskist, een oven of magnetron, een vaatwasmachine en een
                            wasmachine of droger worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. </al>
            <al/>
            <al>Het kan soms wel noodzakelijk zijn de bereikbaarheid aan te passen door
                            de apparatuur op een console te zetten of een apart aansluitpunt te
                            creëren, wanneer het noodzakelijk is het apparaat te verplaatsen.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Kookbron</vet>
            </al>
            <al>Ook de kookbron dient aangeschaft te worden door de cliënt, omdat de
                            verschillende soorten kookbronnen, zoals een gaskomfoor, een elektrisch
                            of keramisch kookplaat en een inductiekookplaat als algemeen
                            gebruikelijk worden beschouwd en dus niet onder de zorgplicht van de Wmo
                            vallen. Hierop wordt een uitzondering gemaakt in huurwoningen, die na
                            vrijkomen weer aangeboden worden aan de afdeling Wmo. In deze woningen
                            wordt de kookbron door de Wmo vergoed wanneer het gaat om aangepaste
                            keukens, waarbij de kookbron integraal is opgenomen in het aanrechtblad.
                            Bij vertrek uit de woning blijft de kookbron in de woning achter. </al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.4.6 Natte cel</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Binnen de natte cel kunnen ergonomische belemmeringen optreden bij de
                            volgende functies:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>de toegankelijkheid;</al></li>
              <li nr="·"><al>de doorgankelijkheid;</al></li>
              <li nr="·"><al>de vloer;</al></li>
              <li nr="·"><al>het baden/ douchen;</al></li>
              <li nr="·"><al>het gebruik van de wastafel;</al></li>
              <li nr="·"><al>het gebruik van de kranen.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Toegankelijkheid</vet>
            </al>
            <al>In de meeste woningen is er een niveauverschil aanwezig tussen de gang/
                            overloop en de natte cel, omdat veelal het leidingwerk op de
                            verdiepingvloer ligt en daaroverheen de douchevloer is gestort.</al>
            <al>Bij mensen die zich lopend verplaatsen kan het aanbrengen van een
                            steunpunt voldoende zijn om dit niveauverschil te overbruggen.</al>
            <al>Bij mensen, die voor het zich verplaatsen gebruik maken van hulpmiddelen
                            zoals een rollator of een rolstoel, gaat de voorkeur uit naar een
                            genivelleerde toegang (met vloer op afschot). </al>
            <al>In veel woningen is het echter niet mogelijk dit te realiseren of wordt
                            dit een kostbare aangelegenheid. </al>
            <al>Het plaatsen van een schegstuk kan in sommige gevallen een oplossing
                            zijn.</al>
            <al>In uitzonderlijke gevallen kan het noodzakelijk zijn uit te wijken naar
                            het gebruik van een plafondlift.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Doorgankelijkheid</vet>
            </al>
            <al>Bij rolstoelgebruik of het gebruik van een douchestoelzelfbeweger of
                            douchestretcher/-brancard moet er voldoende ruimte zijn voor het
                            manoeuvreren met de voorzieningen, de noodzakelijke hulp bij de
                            verzorging en het eventueel gebruik van een tillift (verrijdbaar of aan
                            het plafond gemonteerd).</al>
            <al>Uitgaande van het gebruik van een opklapbaar douchezitje aan de muur in
                            combinatie met een toilet en wastafel in dezelfde ruimte wordt als
                            richtlijn voor het totale vloeroppervlak een afmeting van minimaal 4,5
                            m² gehanteerd.</al>
            <al>Bij gebruik van een douchestretcher in combinatie met een tillift wordt
                            een richtlijn gehanteerd van 6-7 m². De wijze van indeling van de natte
                            cel is afhankelijk van de te verrichten handelingen door </al>
            <al> betrokkene of verzorgers.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>De vloer</vet>
            </al>
            <al>Er is een indicatie voor het aanpassen van de douchevloer:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>indien betrokkene geen niveauverschillen kan nemen;</al></li>
              <li nr="-"><al>er een verhoogd risico tot vallen is i.v.m. een verminderde
                                    loopfunctie, verminderde</al></li>
            </lijst>
            <al>balans en/of een verminderde opvangreactie.</al>
            <al>De aanpassingen kunnen bestaan uit het nivelleren van de douchevloer.
                            Hiervoor zijn verschillende opties aanwezig. De keuze voor een bepaalde
                            optie wordt bepaald door de aard van de ergonomische belemmering en de
                            bouwtechnische mogelijkheden. Tevens is er een mogelijkheid de
                            douchevloer (gedeeltelijk) antislip te maken.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Het baden/ douchen</vet>
            </al>
            <al>In het algemeen wordt er van uitgegaan dat douchen de meest veilige en
                            adequate manier van lichaamsreiniging is. Bij bepaalde aandoeningen kan
                            een bad een heilzame werking hebben. Dit valt niet onder de
                            compensatieplicht van de Wmo, omdat immers Wmo voorzieningen niet
                            bedoeld zijn om bepaalde gezondheidsklachten of ziekteverschijnselen te
                            verminderen of te voorkomen.</al>
            <al>Baden worden daarom alleen via de Wmo verstrekt , wanneer er een
                            contra-indicatie bestaat voor het gebruik van een douche.</al>
            <al/>
            <al>De indicatie voor het gebruik van een bad is:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>er is sprake van een dermate sterke overgevoeligheid voor
                                    gevoelsprikkels dat de douchestraal niet wordt
                                    geaccepteerd.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Bij een bestaande badkuip kan het in en uit bad stappen een probleem
                            opleveren. In een dergelijke situatie wordt in eerste instantie bekeken
                            of het gebruik van een badplank een veilige en adequate oplossing
                            biedt.</al>
            <al>Zo niet, dan is er een indicatie tot het aanbrengen van een
                            douchevoorziening. Wanneer het hiervoor nodig is het bad te verwijderen
                            wordt bekeken of het bad oorspronkelijk in de woning thuishoorde. Is het
                            bad door de cliënt zelf aangebracht of overgenomen van een vorige
                            bewoner dan wordt de cliënt geacht het bad zelf te verwijderen. Hiervoor
                            is in dat geval in principe geen vergoeding vanuit de Wmo mogelijk.</al>
            <al/>
            <al>Ten gevolge van de aandoening kan het zijn dat de
                            douchehandelingen:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>gedeeltelijk staand/zittend;</al></li>
              <li nr="·"><al>geheel zittend;</al></li>
              <li nr="·"><al>liggend uitgevoerd worden.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Indien met name het staan de ergonomische belemmering is kan bij het
                            douchen worden volstaan met het plaatsen van een douchezitje aan de
                            wand.</al>
            <al>Is er een zitvoorziening noodzakelijk in zowel de natte hoek als bij de
                            wastafel en ingeval lopen moeizaam of niet mogelijk is een verplaatsbare
                            douchestoel de meest adequate oplossing.</al>
            <al>Indien zitten niet mogelijk is moet gedacht worden aan het gebruik van
                            een douchebrancard.</al>
            <al>Afhankelijk van de uitgangshouding kan het noodzakelijk zijn de positie
                            van kranen en ophangpunten voor de douchekop aan te passen.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>De wastafel</vet>
            </al>
            <al>De uitgangspositie van het uitvoeren van ADL-activiteiten aan de
                            wastafel bepaalt of er voorzieningen aan de wastafel noodzakelijk
                            zijn.</al>
            <al/>
            <al>Indien de activiteiten zittend uitgevoerd dienen te worden moet de
                            wastafel verlaagd geplaatst worden en dient de vorm van de onderzijde
                            vlak te zijn. De afvoer dient geïsoleerd te zijn om eventuele
                            verbranding te vermijden.</al>
            <al>Incidenteel wordt een hoog/laag wastafel verstrekt. Dit gebeurt als
                            medebewoners gebruik <onderstreept>moeten</onderstreept> maken van de
                            wastafel, waarbij een andere ergonomische uitgangshouding noodzakelijk
                            is.</al>
            <al>Bij zittend gebruik wordt uitgegaan van het gebruik van een lange
                            doorlopende spiegel tot aan de rand van de wastafel.</al>
            <al>Indien de activiteiten staande uitgevoerd worden kan het noodzakelijk
                            zijn extra steunpunten aan te brengen b.v. door middel van een
                            wastafelbeugel.</al>
            <al>Voor mensen met een stoma kan het gebruik van een stomatoilettafel een
                            uitkomst bieden.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Kranen</vet>
            </al>
            <al>Indien kranen niet bedienbaar of niet veilig bedienbaar zijn
                            vanwege:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>een slechte arm/handfunctie, waardoor het open en dicht draaien
                                    van kranen met een draaiknop niet mogelijk is;</al></li>
              <li nr="-"><al>gevoelstoornissen;</al></li>
              <li nr="-"><al>gedragsstoornissen</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>dan kan overgegaan worden tot het vervangen van deze kranen voor
                            hendel(meng)kranen of thermisch begrensde kranen.</al>
            <al>Zowel hendel(meng)kranen als thermisch begrensde kranen worden als
                            algemeen gebruikelijk beschouwd en in principe niet vergoed door de Wmo.
                            Uitzondering in verband met de aanschafkosten vormen de kranen waarbij
                            sprake is van een combinatie van een hendelkraan met een thermische
                            begrenzing.</al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.4.7 Toilet</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Bij gebruik van het toilet kunnen zich problemen voordoen met:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>Bereikbaarheid;</al></li>
              <li nr="·"><al>toe- en doorgankelijkheid;</al></li>
              <li nr="·"><al>de transfer van en naar de toiletpot;</al></li>
              <li nr="·"><al>het gebruik van de spoelinrichting;</al></li>
              <li nr="·"><al>lichaamsreiniging.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Bereikbaarheid</vet>
            </al>
            <al>Indien iemand gedurende de nacht, of langdurig verblijf op de
                            slaapverdieping vanwege bedlegerigheid, het toilet op de begane grond
                            niet kan bereiken kan overwogen worden een tweede toiletvoorziening te
                            realiseren.</al>
            <al>De meest sobere, adequate oplossing is: het verstrekken van een
                            toiletstoel.</al>
            <al>Een toiletstoel wordt geïndiceerd als:</al>
            <al>Betrokkene in staat is de emmer of ondersteek mee te nemen en te legen
                            in het toilet of er een gezinslid aanwezig is die deze taak op zich kan
                            nemen.</al>
            <al>Mocht dit niet mogelijk zijn dan kan overwogen worden een tweede toilet
                            op de eerste verdieping te realiseren. </al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Toe- en doorgankelijkheid</vet>
            </al>
            <al>Bij permanent gebruik van een rolstoel kan het i.v.m. de noodzakelijke
                            manoeuvreerruimte noodzakelijk zijn het toilet in de natte cel te
                            plaatsen.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>De transfer van en naar de toiletpot</vet>
            </al>
            <al>Ten gevolge van de aandoening kan iemand moeite hebben met het gaan
                            zitten op of het opstaan vanaf het toilet. </al>
            <al>Mogelijke oplossingen zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>aanpassen van de hoogte van het toilet;</al></li>
              <li nr="·"><al>het plaatsen van een hoog/laag toilet;</al></li>
              <li nr="·"><al>realiseren van steunpunten;</al></li>
              <li nr="·"><al>het gebruik van een tillift.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Een hoog/laag toilet kan geïndiceerd worden als ten behoeve van de
                            transfer wisselende hoogtes noodzakelijk zijn of wanneer er een andere
                            hoogte noodzakelijk is bij bijvoorbeeld de defaecatie.</al>
            <al>Wanneer de transfer plaatsvindt vanuit de rolstoel, dan is extra
                            aandacht nodig voor de plaats van de toiletpot. Het is gebruikelijk de
                            voorzijde van het toilet 70 cm uit de achterwand en het hart van de
                            afvoer 50 cm uit de zijwand te plaatsen.</al>
            <al>Dezelfde maten worden gehanteerd bij het gebruik van een po-/douchestoel
                            boven het toilet.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Het gebruik van de spoelinrichting.</vet>
            </al>
            <al>Het kan noodzakelijk zijn de bediening van de spoelinrichting aan te
                            passen wanneer deze standaard niet bereikbaar of bedienbaar is.</al>
            <al>Meestal kan hiervoor een oplossing gevonden worden door bij de keuze van
                            waterreservoir te letten op plaats en type van het
                            bedieningspaneel.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Lichaamsreiniging.</vet>
            </al>
            <al>Indien bij gebruik van toilet ten gevolge van ergonomisch/medische
                            belemmeringen hygiënische handelingen niet uitgevoerd kunnen worden en
                            er regelmatig geen personen aanwezig zijn om assistentie te verlenen kan
                            er een indicatie zijn tot het verstrekken van een toilet met onderdouche
                            en föhn.</al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.4.8 Berging</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Indien iemand t.b.v. het verplaatsen voorzieningen via de Wmo verstrekt
                            heeft gekregen kan er een noodzaak zijn tot het toegankelijk maken van
                            de berging en/of het aanbrengen van elektriciteit t.b.v. het opladen van
                            de accu’s van de voorziening.</al>
            <al>Verruiming van de berging is alleen mogelijk wanneer duidelijk is dat de
                            standaard bij de woning behorende bergruimte niet groot genoeg is om de
                            noodzakelijke voorzieningen te stallen. Verwacht mag worden dat de
                            cliënt zelf inspanningen verricht om een te volle bergruimte anders te
                            organiseren.</al>
            <al>Wanneer de toegang tot de berging belemmerd wordt door obstakels, die
                            door de cliënt zelf zijn aangebracht of overgenomen van een vorige
                            bewoner, b.v. tuinhekken of schuttingen, dan wordt de cliënt geacht deze
                            zelf te verwijderen of aan te passen. Hiervoor is geen vergoeding vanuit
                            de Wmo mogelijk.</al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>5.5</label>
            <nr>Bedieningselementen in de woning</nr>
            <titel/>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label/>
              <nr/>
              <titel/>
            </kop>
            <al>Indien het bedienen van bepaalde elementen in de woonkamer niet mogelijk
                            is op basis van medisch/ ergonomische belemmeringen en er geen hulp van
                            gezinsleden aanwezig is, kunnen specifieke aanpassingen gericht op
                            omgevingsbediening overwogen worden.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.5.1 Omgevingsbesturing</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Onder omgevingsbesturing wordt verstaan: het middels overdrachtssystemen
                            aansturen van inrichtingselementen en apparaten. Overdrachtssystemen
                            kunnen zijn; infraroodsignalen, radiofrequentiesignalen,
                            lichtnetoverdracht (via het stopcontact) en homebussystemen (via een
                            speciale leiding in de woning).</al>
            <al>De volgende omgevingselementen en apparaten kunnen op deze wijze bediend
                            worden:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>gordijnen. Dit betreft de gordijnen van ruimtes waarvan uit
                                    oogpunt van gebruik het noodzakelijk is om de ramen te
                                    blinderen. Hierbij kan gedacht worden aan de slaapkamer of
                                    badkamer;</al></li>
              <li nr="·"><al>verlichting: hierbij kan gedacht worden aan het bereikbaar maken
                                    van lichtknoppen of het op afstand bedienen van de
                                    verlichting;</al></li>
              <li nr="·"><al>zonwering; </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Hierbij dient te worden opgemerkt dat aanpassingen, die nodig zijn voor
                            het bedienen van de telefoon, audiovisuele apparatuur en computers niet
                            onder de Wmo, maar onder de Regeling Hulpmiddelen
                            Ziektekostenverzekering vallen.</al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.5.2 Intercoms</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>In een aantal gevallen kan het noodzakelijk zijn een intercominstallatie
                            of een spreek-luisterverbinding aan te brengen tussen de verblijfsruimte
                            van de gehandicapte, b.v. de slaapkamer en de verblijfsruimtes van de
                            overige gezinsleden of de voordeur.</al>
            <al/>
            <al>Voor een spreek-luisterverbinding naar de voordeur komt men in
                            aanmerking, wanneer:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>de cliënt niet in staat is zich te verplaatsen naar de voordeur
                                    of zich in een dusdanig laag tempo verplaatst dat de bezoeker
                                    inmiddels weer vertrokken is.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>De criteria voor een intercom binnen de verblijfsruimtes in de woning
                            zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>er is sprake van onvoldoende zelfredzaamheid om de noodzakelijke
                                    handelingen te kunnen verrichten;</al></li>
              <li nr="-"><al>er is een medische noodzaak tot het houden van contact.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al> Voorbeeld :</al>
            <al> Voor een gehandicapt kind met kans op epileptische insulten kan het
                            noodzakelijk zijn dat de ouders kunnen horen wat er in de slaapkamer van
                            het kind gebeurt, zodat zij snel kunnen reageren op evt.
                            geluidsveranderingen. </al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.5.3 Ramen</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Er wordt van uitgegaan dat het mogelijk moet zijn om in de ruimtes, die
                            gebruikt worden voor de meest elementaire woonfuncties een raam of
                            (balkon)deur open te zetten. </al>
            <al>Wanneer dit op grond van ergonomische beperkingen problemen geeft, is
                            aanpassing van één raam of deur per ruimte mogelijk. Een voorwaarde is
                            dat er geen medebewoner is die de handeling kan verrichten. </al>
          </structuurtekst>
          <artikel>
            <kop>
              <label>5.6 Woonvoorzieningen van niet bouwkundige of woontechnische aard</label>
            </kop>
            <al>Met woonvoorzieningen van niet bouwkundige aard worden losse
                            voorzieningen bedoeld, die geen deel uitmaken van de woning zelf,
                            zoals:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>toiletstoelen;</al></li>
              <li nr="·"><al>douchestoelen;</al></li>
              <li nr="·"><al>losse douchebrancards; </al></li>
              <li nr="·"><al>badplanken;</al></li>
              <li nr="·"><al>badliften;</al></li>
              <li nr="·"><al>tilliften;</al></li>
              <li nr="·"><al>meubilair;</al></li>
              <li nr="·"><al>vloerbedekking.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Duidelijk zal zijn dat via de Wmo alleen die voorzieningen worden
                            vergoed, die niet als algemeen gebruikelijk kunnen worden
                            beschouwd.</al>
            <al/>
            <al>Een aantal woonvoorzieningen van niet-bouwkundige aard, dat wel voor
                            vergoeding in aanmerking komt , valt niet onder de Wmo, maar onder de
                            Regeling Hulpmiddelen Ziektekostenverzekeringen. Voorbeelden hiervan
                            zijn hulpmiddelen voor zitten, slapen, eten en drinken en communicatie,
                            zoals stoelen, tafels, bedden, eetapparaten, aangepaste telefoons en
                            alarmeringssystemen.</al>
            <al/>
            <al>Onder de Wmo vallen in principe de hulpmiddelen voor lichaamsverzorging
                            en verplaatsing, zoals badplanken, toiletstoelen, douchestoelen,
                            douchebrancards en tilliften.</al>
            <al>Hiervoor geldt, zoals voor alle Wmo-voorzieningen, dat er een langdurige
                            noodzaak bestaat op basis van beperkingen, die veroorzaakt worden door
                            een aantoonbare stoornis. In principe wordt ook hierbij de periode van
                            langer dan een half jaar gehanteerd. Voorzieningen, die tijdelijk of te
                            wel korter dan een half jaar nodig zijn, kunnen worden geleend bij de
                            Thuiszorg. Het gaat hierbij b.v. om voorzieningen, die na een operatieve
                            ingreep tijdelijk nodig zijn om te kunnen douchen.</al>
            <al/>
            <al>Wmo-voorzieningen worden in principe in bruikleen verstrekt.
                            Bad/douchevoorzieningen worden vanuit hygiënisch oogpunt over het
                            algemeen niet herverstrekt.</al>
            <al/>
            <al>Losse woonvoorzieningen, die verstrekt worden via de Wmo zijn
                            ondermeer:</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.6.1 Bad /douchevoorzieningen</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>
              <vet>Toiletstoelen</vet>
            </al>
            <al>Indien iemand gedurende de nacht, of langdurig op de slaapverdieping
                            verblijft vanwege bedlegerigheid en het toilet op de begane grond niet
                            (tijdig) kan bereiken, kan overwogen worden een tweede toiletvoorziening
                            te realiseren. Dit met als doel:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>de toiletgang te bekorten;</al></li>
              <li nr="·"><al>het traplopen te beperken.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>De meest sobere, adequate oplossing is het verstrekken van een
                            toiletstoel.</al>
            <al>Toiletstoelen worden vanuit hygiënisch oogpunt in eigendom
                            verstrekt.</al>
            <al/>
            <al>Een toiletstoel wordt als adequate oplossing beschouwd als:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>betrokkene zelfstandig in staat is de emmer of ondersteek mee te
                                    nemen en te legen in het toilet;</al></li>
              <li nr="·"><al>de partner hiertoe in staat is.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Mocht dit niet mogelijk zijn dan kan overwogen worden een tweede toilet
                            op de eerste verdieping te realiseren.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Douchestoelen</vet>
            </al>
            <al>Douchestoelen hebben tot doel het zittend douchen mogelijk te
                            maken.</al>
            <al>Naast de opklapbare douchezitjes aan de muur is er de mogelijkheid van
                            een losse douchestoel.</al>
            <al/>
            <al>Er is een indicatie voor het verstrekken van een douchestoel,
                            indien:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>staand douchen niet mogelijk is;</al></li>
              <li nr="·"><al>het lopend verplaatsen over de douchevloer niet veilig is;</al></li>
              <li nr="·"><al>het aantal transfers beperkt dient te worden;</al></li>
              <li nr="·"><al>er een noodzaak is tot zowel zittend wassen aan de wastafel als
                                    zittend douchen.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Er zijn twee types douchestoelen n.l.: </al>
            <al/>
            <al>
              <onderstreept>Douchestoelzelfbewegers</onderstreept>
              <vet>
                <onderstreept>:</onderstreept>
              </vet>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>voor die mensen die zich op deze wijze zelfstandig kunnen
                                    verplaatsen;</al></li>
              <li nr="-"><al>de douche activiteiten zelfstandig kunnen uitvoeren.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <onderstreept>Duw-douchestoelen:</onderstreept>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>te verplaatsen door anderen, indien dit zelfstandig niet
                                    mogelijk is;</al></li>
              <li nr="-"><al>de ruimte in de natte cel de (grotere) douchestoelzelfbeweger
                                    niet toelaat. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Zo mogelijk wordt een douchestoel gecombineerd met een toiletstoel, wat
                            wil zeggen dat de douchestoel ook over het toilet gereden kan
                            worden.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Douchebrancards</vet>
            </al>
            <al>Er is een indicatie voor het verstrekken van een douchebrancard
                            indien:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>zowel staand als zittend douchen niet mogelijk is.</al><al/></li>
            </lijst>
            <al>
              <vet>Badplanken</vet>
            </al>
            <al>De criteria voor verstrekking van een badplank zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>de instap in het bad is niet op veilige wijze mogelijk en;</al></li>
              <li nr="-"><al>een steunpunt biedt onvoldoende veiligheid;</al></li>
              <li nr="-"><al>men kan in het bad niet zelfstandig gaan zitten of staan.</al><al/></li>
            </lijst>
            <al>
              <vet>Badliften</vet>
            </al>
            <al>De criteria voor verstrekking van een badlift zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>de instap in het bad is niet op veilige wijze mogelijk;</al></li>
              <li nr="-"><al>men kan in het bad niet zelfstandig gaan zitten of staan
                                    en;</al></li>
              <li nr="-"><al>er is medisch gezien een contra-indicatie voor het gebruik van
                                    de douche;</al></li>
              <li nr="-"><al>het verstrekken van een badlift vormt de goedkoopst adequate
                                    oplossing voor het probleem.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel> 5.6.2 Tilliften</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Tilliften worden verstrekt indien de cliënt niet in staat is, evt. met
                            assistentie, de transfers vanuit bed naar stoel of transfers vanuit
                            stoel naar stoel of van stoel naar andere voorzieningen als toilet,
                            douchestoel e.d. te maken.</al>
            <al>Globaal kan er een onderverdeling gemaakt worden in verrijdbare
                            tilliften of plafondliften.</al>
            <al>De voorkeur gaat uit naar verrijdbare tilliften omdat deze flexibeler in
                            te zetten zijn. </al>
            <al>Er wordt gekozen voor een plafondlift, indien er onvoldoende ruimte is
                            voor een verrijdbare tillift of als er niveauverschillen zijn die niet
                            te overbruggen zijn met een verrijdbare tillift.</al>
            <al/>
            <al>In de types verrijdbare tilliften kan onderscheid gemaakt worden tussen
                            actieve tilliften en passieve tilliften.</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>een actieve tillift wordt verstrekt indien de cliënt nog enig
                                    stafunctie heeft en de spierfunctie van de romp en
                                    schoudergordel dusdanig is dat de krachten die de tilband hierop
                                    uitoefent medisch gezien verantwoord is;</al></li>
              <li nr="-"><al>de passieve tillift wordt verstrekt indien betrokkene niet
                                    (meer) m.b.v. een actieve tillift de transfer kan uitvoeren.
                                    Passief betekent dat de cliënt geen enkele activiteit bij de
                                    transfer hoeft of kan uitvoeren. Bij de passieve tillift kan
                                    gekozen worden tussen 2 soorten tilbanden, n.l. de toiletband en
                                    de passieve tilband De keuze is afhankelijk van het gebruiksdoel
                                    en de benodigde ondersteuning. Er worden bij levering van de
                                    passieve tillift 2 tilbanden verstrekt t.b.v. de “natte” en de
                                    “droge” transfer.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>5.6.3 Vloerbedekking en gordijnen (stoffering)</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Vloerbedekking en gordijnen worden gezien als algemeen gebruikelijk. De
                            aanschaf of vervanging van vloerbedekking en gordijnen vallen in
                            principe onder het normale bestedingspatroon. De hieraan verbonden
                            kosten behoren tot de algemeen gebruikelijke kosten, die iedereen op
                            enig moment moet maken. In de volgende situaties kan er sprake zijn van
                            een acute en medische noodzaak tot vervanging van de vloerbedekking
                            en/of gordijnen:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>indien een rolstoel voor dagelijks en intensief gebruik
                                    binnenshuis verstrekt wordt;</al></li>
              <li nr="-"><al>in het geval van COPD.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Daarbij kan in de Wmo in bepaalde situaties een financiële
                            tegemoetkoming worden verstrekt, gebaseerd op het afschrijvingsbeginsel.
                            Dat betekent dat bij de aanvraag voor een financiële tegemoetkoming de
                            volgende criteria gelden:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>De noodzaak tot vervanging van de vloerbedekking/stoffering moet
                                    aangetoond worden door middel van een medisch advies van een
                                    COPD verpleegkundige. </al></li>
              <li nr="·"><al>Voor vloerbedekking en overige stoffering (gordijnen) geldt een
                                    afschrijvingstermijn van 60 maanden (5 jaar).</al></li>
              <li nr="·"><al>Is de te vervangen vloerbedekking/stoffering na het vaststellen
                                    van de COPD aangeschaft dan is een financiële tegemoetkoming
                                    niet mogelijk. </al></li>
              <li nr="·"><al>Is de te vervangen vloerbedekking voor het vaststellen van de
                                    COPD aangeschaft dan is in principe een financiële
                                    tegemoetkoming mogelijk, waarbij het afschrijvingsdeel (over een
                                    periode van 5 jaar) in mindering wordt gebracht op de nieuwprijs
                                    van de aan te schaffen vloerbedekking. </al></li>
              <li nr="·"><al>Alleen de vloerbedekking/stoffering in de woon en/of slaapkamer
                                    van de cliënt met COPD komt voor een vergoeding in aanmerking.
                                    Een uitzondering hierop is de situatie waarin cliënt met COPD
                                    zelf het huis schoonmaakt. In dat geval komen in principe alle
                                    vertrekken van een woning voor een financiële tegemoetkoming in
                                    aanmerking. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <onderstreept>Voorbeeld </onderstreept>
            </al>
            <al>Aanvraagdatum: 23 maart 2007</al>
            <al>Aanschaf datum te vervangen vloerbedekking: 22 augustus 2005</al>
            <al>Totaal af te schrijven in: 60 maanden</al>
            <al>Afschrijvingsdeel: 18 maanden </al>
            <al>Kosten nieuwe vloerbedekking: € 1200,-</al>
            <al>Via de Wmo te vergoeden: € 1200,- - 18/60 = € 360,- <vet>€
                            840,</vet></al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>6 Vervoersvoorzieningen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>6.1 Inleiding</label>
            </kop>
            <al>Vervoersvoorzieningen zijn bedoeld om mensen met een handicap in staat
                            te stellen datgene te doen wat mensen door de bank genomen van dag tot
                            dag plegen te doen.</al>
            <al>In de regel gaat het om het bereiken van bestemmingen in de directe
                            woon- en leefomgeving en behelst het routine verplaatsingen, regelmatig
                            terugkerende activiteiten als boodschappen doen, familie, vrienden en
                            kennissen bezoeken en het 'buiten zijn'; cq. de activiteiten die nodig
                            zijn om deelname aan het maatschappelijk verkeer mogelijk te maken.</al>
            <al>Hierbij wordt uitgegaan van het dagelijks verplaatsingspatroon van een
                            doorsnee burger. </al>
            <al/>
            <al>Een cliënt kan voor een vervoersvoorziening in aanmerking komen wanneer
                            aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van
                            de in doorsnee gebruikelijke middelen voor vervoer zoals openbaar
                            vervoer, auto of fiets (deels) onmogelijk maken.</al>
            <al/>
            <al>De vormen van de te verstrekken vervoersvoorzieningen zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>een algemene voorziening waaronder een collectieve
                                    vervoersvoorziening,</al></li>
              <li nr="-"><al>een vervoersvoorziening in natura,</al></li>
              <li nr="-"><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een individuele
                                    vervoersvoorziening,</al></li>
              <li nr="-"><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    vervoersvoorziening.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>De gemeente heeft een beperkte compensatieplicht voor het vervoer. In de
                            volgende hoofdstukken wordt per soort voorziening aangegeven hoever deze
                            compensatieplicht reikt.</al>
            <al>Voor vervoer buiten het gemeentelijk gebied is de landelijke
                            vervoersorganisatie Valys verantwoordelijk.</al>
            <al/>
            <al>De gemeente Zwolle kent de volgende vervoersvoorzieningen:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>collectief vervoer van deur tot deur;</al></li>
              <li nr="·"><al>individueel vervoer van kamer tot kamer;</al></li>
              <li nr="·"><al>een tegemoetkoming in het gebruik van de eigen auto;</al></li>
              <li nr="·"><al>voorzieningen voor de lange afstanden (auto/ gesloten
                                    buitenwagen); </al></li>
              <li nr="·"><al>autoaanpassingen;</al></li>
              <li nr="·"><al>voorzieningen voor in de directe woonomgeving.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>6.2 Collectief vervoer van deur tot deur</label>
            </kop>
            <al>De verordening van de gemeente regelt dat het primaat voor
                            vervoersproblematiek ligt bij deelname aan het collectief
                            vervoersysteem. Hiervoor zijn door de gemeente afspraken gemaakt met een
                            taxibedrijf. Pas als het collectief vervoer geen adequate oplossing
                            biedt voor de problematiek van de cliënt komen andere
                            vervoersvoorzieningen in beeld.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>6.2.1 Deelname collectief vervoer</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Om in aanmerking te komen voor deelname aan het collectief
                            vervoermoet men aan een van de volgende criteria voldoen:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>het niet zelfstandig kunnen bereiken van de bushalte (richtlijn
                                    stadsgebied 400 m, buitengebied 800 m);</al></li>
              <li nr="-"><al>het op grond van fysieke beperkingen niet kunnen overbruggen van
                                    de wachttijden bij de bushalte;</al></li>
              <li nr="-"><al>het niet kunnen maken van de instap in de bus;</al></li>
              <li nr="-"><al>het fysiek niet in staat zijn langere tijd te zitten of de
                                    beweging van de bus te doorstaan;</al></li>
              <li nr="-"><al>het op grond van cognitieve beperkingen niet in staat zijn om
                                    zonder begeleiding gebruik te maken van het openbaar vervoer.
                                    Hiervoor wordt een minimum leeftijdsgrens van 10 jaar
                                    gehanteerd, waarbij ervan wordt uitgegaan dat kinderen onder de
                                    10 jaar altijd onder begeleiding gebruik maken van het openbaar
                                    vervoer;</al></li>
              <li nr="-"><al>de aanwezigheid van sociaal/ psychische factoren ten gevolge
                                    waarvan de privacy of de veiligheid van cliënt of medepassagiers
                                    niet is gegarandeerd.</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><lijst>
                  <li nr=""><al>
                      <onderstreept>Voorbeelden:</onderstreept>
                    </al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><lijst>
                  <li nr="o"><al>oncontroleerbare bewegingen;</al></li>
                  <li nr="o"><al>privacygevoelige zaken die een extreme schaamte of gene
                                            ten gevolge hebben voor cliënt;</al></li>
                  <li nr="o"><al>extreme gedragsstoornissen;</al></li>
                  <li nr="o"><al>extreme fobieën, die ook na uitvoerige therapeutische
                                            begeleiding niet zijn te verhelpen.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Binnen de gemeentegrenzen van Zwolle kan men met het collectief vervoer
                            onbeperkt reizen. Voor vervoer buiten de gemeentegrens kan op basis van
                            een jaarlijks vastgesteld budget worden gereisd binnen vijf openbaar
                            vervoerzones vanaf het woonadres. Bij overschrijding van het budget kan
                            in uitzonderlijke gevallen een verhoogd budget worden toegekend. Men kan
                            voor een verhoging van het budget in aanmerking komen wanneer:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>er zonder de contacten buiten de gemeentegrens sprake is van
                                    dreigende vereenzaming;</al></li>
              <li nr="-"><al>er binnen de gemeentegrens geen bruikbaar alternatief is voor de
                                    uit te voeren activiteit en de activiteit van wezenlijk belang
                                    is voor de cliënt.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>6.2.2 Tegemoetkoming in de kosten van bovenregionaal vervoer</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>In incidentele gevallen is het mogelijk om naast deelname collectief
                            vervoer een tegemoetkoming in de kosten van bovenregionaal vervoer te
                            krijgen.</al>
            <al>Dit is mogelijk wanneer iemand binnen de gemeentegrenzen wel gebruik kan
                            maken van collectief vervoer, maar hij voldoet aan de criteria waaruit
                            blijkt dat er een essentiële vervoersbehoefte is buiten het
                            zorgplichtgebied van de gemeente Zwolle, welke niet via Valys kan
                            plaatsvinden.</al>
            <al>De financiële tegemoetkoming wordt gebaseerd op de meerkosten die men
                            moet maken ten opzichte van vervoer per openbaar vervoer.</al>
            <al>De tegemoetkoming wordt individueel berekend aan de hand van de voor de
                            cliënt noodzakelijke bovenregionale verplaatsingen.</al>
            <al>De criteria om hiervoor in aanmerking te komen zijn :</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>de cliënt heeft essentiële contacten buiten het zorggebied van
                                    de gemeente Zwolle en;</al></li>
              <li nr="-"><al>zonder deze contacten is er sprake van dreigende vereenzaming
                                    en;</al></li>
              <li nr="-"><al>de cliënt is op medische gronden niet in staat deze contacten te
                                    onderhouden door gebruik te maken van Valys volgens de daarvoor
                                    door Valys opgestelde bepalingen.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>6.2.3 Tegemoetkoming in de kosten voor bovenregionaal vervoer voor
                            bewoners van een AWBZ-instelling</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Een bewoner van een AWBZ-instelling wiens partner of directe familie
                            buiten het zorggebied van de gemeente woont, kan, naast deelname
                            collectief vervoer een vergoeding voor familiebezoek krijgen.</al>
            <al>Aan de hand van de vervoersbehoefte, de frequentie en het aantal af te
                            leggen kilometers wordt de hoogte van de vergoeding vastgesteld.</al>
            <al>Een voorwaarde is dat men niet in staat is gebruik te maken van de
                            landelijke vervoersorganisatie Valys</al>
          </structuurtekst>
          <artikel>
            <kop>
              <label>6.3 Individueel vervoer van kamer tot kamer</label>
            </kop>
            <al>Voor mensen die <vet>geen</vet> gebruik kunnen maken van collectief
                            vervoer en die <vet>niet</vet> in het bezit zijn van een eigen auto ligt
                            het primaat van de gemeente bij het verstrekken van een tegemoetkoming
                            in de kosten van individueel vervoer van kamer tot kamer.</al>
            <al/>
            <al>Om in aanmerking te komen voor individueel vervoer van kamer tot kamer
                            moet men aan de volgende criteria voldoen:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>het fysiek niet in staat zijn gebruik te maken van het via het
                                    vervoerbedrijf aangeboden materieel voor collectief
                                    vervoer;</al></li>
              <li nr="-"><al>het niet in staat zijn bij de deur van het wooncomplex te
                                    wachten, waardoor de noodzaak ontstaat iemand in het woongebouw
                                    op te halen;</al></li>
              <li nr="-"><al>een dermate verminderde belastbaarheid t.g.v. medische
                                    problematiek dat deelname collectief vervoer verdere deelname
                                    aan sociaal verkeer belemmert;</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>
                  <onderstreept>Voorbeeld:</onderstreept>
                </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><lijst>
                  <li nr="o"><al>ernstige mate van spierzwakte en/ of hart-/
                                            longproblematiek waardoor deelname collectief vervoer
                                            zoveel energie vraagt dat geen energie meer over is voor
                                            het doel van de verplaatsing.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="-"><al>de aanwezigheid van sociaal/ psychische factoren ten gevolge
                                    waarvan de privacy of de veiligheid van cliënt of medepassagiers
                                    niet is gegarandeerd;</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>
                  <onderstreept>Voorbeeld:</onderstreept>
                </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><lijst>
                  <li nr="o"><al>dermate extreme ongecontroleerde bewegingen dat de
                                            veiligheid van medepassagiers niet gegarandeerd kan
                                            worden;</al></li>
                  <li nr="o"><al>privacygevoelige zaken die een extreme schaamte of gene
                                            ten gevolg hebben voor cliënt;</al></li>
                  <li nr="o"><al>extreme gedragsproblematiek.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Met het individueel vervoer van kamer tot kamer kan men op basis van een
                            kilometertegoed reizen binnen 5 OV-zones vanaf het woonadres. Bij
                            overschrijding van het aantal kilometers kan in uitzonderlijke gevallen
                            een uitbreiding van het aantal kilometers worden toegekend. Men kan
                            hiervoor in aanmerking komen wanneer:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>er zonder de contacten buiten de gemeentegrens sprake is van
                                    dreigende vereenzaming;</al></li>
              <li nr="-"><al>er binnen de gemeentegrens geen bruikbaar alternatief is voor de
                                    uit te voeren activiteit en de activiteit van wezenlijk belang
                                    is voor de cliënt.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>6.3.1 Bovenregionaal vervoer</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Wanneer iemand uitsluitend is aangewezen op contact buiten het
                            zorggebied van de gemeente en niet door de vervoersorganisatie Valys
                            vervoerd kan worden, bestaat eveneens de mogelijkheid het aantal te
                            verrijden kilometers per jaar uit te breiden.</al>
            <al/>
            <al>De criteria om uitbreiding van het aantal kilometers in aanmerking te
                            komen zijn :</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>de cliënt heeft essentiële contacten buiten het zorggebied van
                                    de gemeente Zwolle en;</al></li>
              <li nr="-"><al>zonder deze contacten is er sprake van dreigende vereenzaming
                                    en;</al></li>
              <li nr="-"><al>de cliënt is op medische gronden niet in staat deze contacten te
                                    onderhouden door gebruik te maken van Valys volgens de daarvoor
                                    door Valys opgestelde bepalingen.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>6.4. Tegemoetkoming in het gebruik van de eigen auto</titel>
          </kop>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel> 6.4.1 Tegemoetkoming in de kosten binnen zorggebied gemeente
                        </titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Voor mensen, die <vet>geen </vet>gebruik kunnen maken van het collectief
                            vervoer en die in het bezit zijn van een eigen auto bestaat er de
                            mogelijkheid een tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van de
                            eigen auto te ontvangen. De hoogte van de tegemoetkoming wordt afgestemd
                            op de gemiddelde vervoersbehoefte binnen het zorggebied van de
                            gemeente.</al>
            <al/>
            <al>Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in het gebruik van de
                            eigen automoet men aanéén van de volgende criteria
                            voldoen:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>het fysiek niet in staat zijn gebruik te maken van het via het
                                    vervoerbedrijf aangeboden materieel voor collectief
                                    vervoer;</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>
                  <onderstreept>Voorbeeld:</onderstreept>
                </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><lijst>
                  <li nr="o"><al>Dermate ernstige rugproblematiek dat een standaard stoel
                                            in auto of taxibus niet voldoet.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="-"><al>een dermate verminderde belastbaarheid t.g.v. medische
                                    problematiek dat deelname collectief vervoer verdere deelname
                                    aan sociaal verkeer belemmert;</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>
                  <onderstreept>Voorbeeld:</onderstreept>
                </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><lijst>
                  <li nr="o"><al>Ernstige mate van spierzwakte en/ of hart-/
                                            longproblematiek waardoor deelname collectief vervoer
                                            zoveel energie vraagt dat geen energie meer over is voor
                                            het doel van de verplaatsing.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="-"><al>de aanwezigheid van sociaal/ psychische factoren ten gevolge
                                    waarvan de privacy of de veiligheid van cliënt of medepassagiers
                                    niet is gegarandeerd;</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>
                  <onderstreept>Voorbeeld:</onderstreept>
                </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><lijst>
                  <li nr="o"><al>dermate extreme ongecontroleerde bewegingen dat de
                                            veiligheid van medepassagiers niet gegarandeerd kan
                                            worden;</al></li>
                  <li nr="o"><al>privacygevoelige zaken die een extreme schaamte of gene
                                            ten gevolg hebben voor cliënt;</al></li>
                  <li nr="o"><al>extreme gedragsproblematiek.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="-"><al>sociale omstandigheden waardoor deelname collectief vervoer niet
                                    (volledig) voldoet aan de vervoersbehoefte/
                                    verplaatsingpatroon;</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <onderstreept>Voorbeeld:</onderstreept>
            </al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>een gehandicapt kind in een gezin met één of meer minderjarige
                                    kinderen. </al></li>
              <li nr=""><al>Een thuiswonend gehandicapt kind dient zoveel mogelijk deel te
                                    kunnen nemen aan het leven van alle dag van het gezin. Dit
                                    betekent het in gezinsverband kunnen ondernemen van
                                    activiteiten, die bij een gezin met jonge kinderen horen. In de
                                    meeste gevallen zal deelname aan het collectief vervoer hiervoor
                                    niet toereikend zijn;</al></li>
              <li nr="-"><al>een gehandicapte ouder in een gezin met jonge kinderen, die een
                                    actieve functie vervult binnen het gezin, zoals kinderen naar
                                    school brengen, boodschappen doen etc.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>6.4.2 Tegemoetkoming in de kosten van bovenregionaal vervoer</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Men kan in aanmerking komen voor een hogere autokostenvergoeding wanneer
                            men voldoet aan de volgende criteria:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>de cliënt heeft essentiële contacten buiten het zorggebied van
                                    de gemeente Zwolle en;</al></li>
              <li nr="-"><al>zonder deze contacten is er sprake van dreigende vereenzaming
                                    en;</al></li>
              <li nr="-"><al>de cliënt is op medische gronden niet in staat deze contacten te
                                    onderhouden door gebruik te maken van Valys volgens de daarvoor
                                    door Valys opgestelde bepalingen.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>De hoogte van de vergoeding wordt afgestemd op de vervoersbehoefte en
                            het aantal te verrijden kilometers.</al>
          </structuurtekst>
          <artikel>
            <kop>
              <label>6.5 Voorzieningen voor de lange afstanden</label>
            </kop>
            <al>In een aantal gevallen zal zowel het collectief vervoer als ook het
                            gebruik van individueel (rolstoel) taxivervoer niet tot de mogelijkheden
                            behoren.</al>
            <al>Het gebruik van een gesloten buitenwagen of een bruikleenauto kan dan
                            een alternatief zijn. Een voorwaarde is wel dat men niet in het bezit is
                            van een eigen auto.</al>
            <al>Daar het hier om uitzonderingen zal gaan, zal per situatie bekeken en
                            beoordeeld worden of er een aanleiding is om tot verstrekking van een
                            gesloten buitenwagen of een bruikleenauto over te gaan.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>6.5.1 Gesloten buitenwagen</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Een gesloten buitenwagen is een specifiek invalidenvoertuig met een
                            maximumsnelheid van 45 km per uur.</al>
            <al/>
            <al>De criteria voor verstrekking van een gesloten buitenwagen zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>deelname collectief vervoer is niet mogelijk of voldoet naar de
                                    mening van de gemeente niet aan de vervoersbehoefte en; </al></li>
              <li nr="-"><al>het gebruik maken van individueel vervoer is niet mogelijk of
                                    voldoet naar de mening van de gemeente niet aan de
                                    vervoersbehoefte en;</al></li>
              <li nr="-"><al>een ander, goedkoper vervoermiddel, bv. een scootmobiel biedt
                                    geen adequate oplossing op grond van medische problematiek.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Voorwaarden voor verstrekking van een gesloten buitenwagen zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>het vervoer per gesloten buitenwagen speelt een belangrijke rol
                                    in het dagelijks verplaatsingspatroon; dus niet alleen bij mooi
                                    weer of voor alleen recreatief gebruik;</al></li>
              <li nr="-"><al>cliënt beschikt over voldoende rijvaardigheid; </al></li>
              <li nr="-"><al>cliënt beschikt over een goed verkeersinzicht.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>6.5.2 Auto</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Auto's worden zelden verstrekt, daar er meestal wel een voorliggende
                            voorziening is die voldoet aan de gebruikerseisen van de cliënt.</al>
            <al>In incidentele gevallen is de aanschaf van een auto de enige oplossing
                            voor het vervoersprobleem.</al>
            <al>De algemene regel is dat in deze gevallen overgegaan wordt tot het
                            verstrekken van een (lease) auto in bruikleen.</al>
            <al/>
            <al>De criteria voor verstrekking van een auto zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>deelname collectief vervoer is niet mogelijk of voldoet naar de
                                    mening van de gemeente niet aan de vervoersbehoefte en; </al></li>
              <li nr="-"><al>het gebruik maken van individueel vervoer is niet mogelijk of
                                    voldoet naar de mening van de gemeente niet aan de
                                    vervoersbehoefte en;</al></li>
              <li nr="-"><al>een ander, goedkoper vervoermiddel biedt geen adequate oplossing
                                    op grond van medische problematiek.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Voorwaarden voor verstrekking zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>de cliënt heeft een inkomen wat lager ligt dan 1,5 maal het
                                    norminkomen.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
          <artikel>
            <kop>
              <label>6.6 Autoaanpassingen</label>
            </kop>
            <al>Wanneer is vastgesteld dat een cliënt niet in staat is gebruik te maken
                            van het collectief vervoerssysteem en daarom gebruik maakt van de eigen
                            auto, zijn aanpassingen aan de auto mogelijk.</al>
            <al/>
            <al>Aanpassingen aan een auto, die algemeen gebruikelijk zijn, worden niet
                            vergoed. Hierbij kan men b.v. denken aan automatische transmissie,
                            stuurbekrachtiging of rembekrachtiging in de normale uitvoering.</al>
            <al/>
            <al>Aanpassingen, die wel vergoed worden, moeten medisch en ergonomisch
                            noodzakelijk zijn. Voorbeelden hiervan zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>aanpassingen aan de besturing van de auto;</al></li>
              <li nr="·"><al>aanpassingen aan de stoel van de chauffeur/ bijrijder;</al></li>
              <li nr="·"><al>autostoeltjes voor kinderen;</al></li>
              <li nr="·"><al>aanpassingen voor het meenemen van een rolstoel in de auto;</al></li>
              <li nr="·"><al>aanpassingen voor het vervoer van een rolstoelgebruiker.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>6.6.1 Aanpassingen aan de besturing van de auto</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>De beoordeling of iemand met een handicap in staat is om op een veilige
                            manier met een auto aan het verkeer deel te nemen wordt gedaan door het
                            CBR, het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen. Via de afdeling
                            aanpassingen van het CBR wordt advies gegeven over de noodzakelijke
                            technische aanpassingen om de auto veilig te kunnen besturen.</al>
            <al>Of deze aanpassingen via de Wmo voor vergoeding in aanmerking komen
                            hangt af van de door de gemeente gehanteerde criteria voor de noodzaak
                            van het gebruik van de eigen auto, te weten:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>men is niet in staat gebruik te maken van het collectief vervoer
                                    en; </al></li>
              <li nr="-"><al>men is in het bezit van een eigen auto.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>6.6.2 Aanpassingen aan de stoel van de chauffeur/ bijrijderstoel
                        </titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Criteria voor het aanpassen van de chauffeursstoel zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>de cliënt is niet in staat gebruik te maken van collectief
                                    vervoer en; </al></li>
              <li nr="-"><al>er zijn dermate ernstige zitproblemen dat het voor de cliënt
                                    niet mogelijk is bezoekersdoelen te bereiken zonder aanpassing
                                    van de stoel;</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>problemen met in/ uitstappen, het maken van een transfer vanuit
                                    de rolstoel, waardoor aanpassing van de stoelslede noodzakelijk
                                    is.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Voor gebruik bijrijderstoel gelden dezelfde criteria. Duidelijk hierbij
                            zal zijn dat de bijrijderstoel aangepast wordt wanneer de cliënt is
                            aangewezen op het vervoer door derden (echtgenoot of huisgenoten) en
                            geen gebruik kan maken van het collectief vervoerssysteem. </al>
            <al>Het is niet mogelijk om voor één cliënt aanpassing van zowel de
                            bestuurdersstoel als de bijrijderstoel vergoed te krijgen.</al>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>6.6.3 Autostoeltjes voor kinderen</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Voor kinderen, die in de auto van de ouders vervoerd worden, zijn soms
                            aangepaste autostoeltjes nodig. </al>
            <al>Om voor verstrekking van een autostoeltje in aanmerking te komen dient
                            men aan de volgende criteria te voldoen:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>de normaal in de handel zijnde autostoeltjes voldoen niet qua
                                    zitondersteuning en/of kantelinstelling;</al></li>
              <li nr="-"><al>het in/uit de auto(stoel) tillen van het kind door de ouders is
                                    dermate belastend voor de ouders dat rugklachten (dreigen) te
                                    ontstaan. Een autostoeltje op een naar buiten draaiend frame kan
                                    dan b.v. een oplossing bieden.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>6.6.4 Aanpassingen voor het meenemen van de rolstoel in de
                            auto</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Wanneer de cliënt bij voor- en natransport is aangewezen op het gebruik
                            van een rolstoel is aanpassing voor het meenemen van de rolstoel in de
                            auto mogelijk </al>
            <al>De criteria voor aanpassing zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>cliënt is niet in staat gebruik te maken van het collectief
                                    vervoer en;</al></li>
              <li nr="-"><al>cliënt is niet in staat de rolstoel zelfstandig in/uit de auto
                                    te tillen en;</al></li>
            </lijst>
            <al>
              <onderstreept>Voorbeeld:</onderstreept>
            </al>
            <lijst>
              <li nr=""><lijst>
                  <li nr="o"><al>ernstige rugklachten ten gevolge waarvan er een
                                            contra-indicatie bestaat voor het tillen van zwaardere
                                            voorwerpen;</al></li>
                  <li nr="o"><al>ernstige balans-/ arm-/ handfunctieproblemen bij
                                            rolstoelgebruikers waardoor het niet mogelijk is de
                                            rolstoel met handkracht de auto in te tillen.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="-"><al>hulp van anderen bij het in/uittillen van de rolstoel is niet
                                    beschikbaar;</al></li>
              <li nr="-"><al>de vaste hulpverlener is niet in staat de rolstoel zelfstandig
                                    in/uit de auto te tillen.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>6.6.5 Aanpassingen voor vervoer van een rolstoelgebruiker in de
                            auto</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Wanneer het noodzakelijk is de cliënt in de rolstoel te vervoeren en
                            deelname collectief vervoer, ook per rolstoeltaxi, is geen adequate
                            oplossing, dan bestaat de mogelijkheid een auto aan te passen aan het
                            vervoer van de cliënt in de rolstoel. Ook hierbij wordt gekeken naar de
                            goedkoopst adequate oplossing.</al>
            <al/>
            <al>Criteria hierbij zijn: </al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>cliënt is niet in staat gebruik te maken van collectief vervoer
                                    en;</al></li>
              <li nr="-"><al>cliënt is niet in staat zelfstandig de transfer te maken vanuit
                                    de rolstoel naar een zitvoorziening in de auto en overtillen is
                                    niet mogelijk op ergonomisch verantwoorde wijze;</al></li>
              <li nr="-"><al>cliënt dient vervoerd te worden in een speciaal op maat gemaakte
                                    zitvoorziening, bv. een zitorthese, welke op een rolstoelframe
                                    is gemonteerd.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>In veel gevallen zal in deze situatie gebruik gemaakt worden van een
                            aangepaste auto/ bus, waarbij het voor de gebruiker financieel
                            aantrekkelijk kan zijn om gebruik te maken van een zgn.
                            aannemersuitvoering.</al>
            <al>Voor vergoeding in aanmerking komen de aanpassingen, die nodig zijn voor
                            het vervoer van de betrokken cliënt, zoals:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>aanpassing van de laadvloer met een systeem om de rolstoel op
                                    een veilige manier vast te zetten;</al></li>
              <li nr="·"><al>het rolstoelvergrendelingssysteem;</al></li>
              <li nr="·"><al>oprijbanen om de rolstoel in de bus te rijden in geval van een
                                    duwrolstoel;</al></li>
              <li nr="·"><al>gasgeveerd oprijplateau in geval van gebruik van een rolstoel
                                    met afwijkende maatvoering of een elektrische rolstoel;</al></li>
              <li nr="·"><al>keuringskosten van de Rijksdienst voor Wegverkeer; </al></li>
              <li nr="·"><al>de meerkosten van de autoverzekering, die in verband staan met
                                    de noodzakelijk aangebrachte aanpassingen.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Het ombouwen van een busje in aannemersuitvoering naar een busje,
                            geschikt voor personenvervoer, zoals bekleden en isoleren van hemel,
                            deuren en zijwanden komt niet voor vergoeding in aanmerking.</al>
            <al/>
            <al>Op speciaal medische indicatie kunnen extra aanpassingen worden
                            uitgevoerd, zoals:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>het plaatsen van een extra verwarmingselement in geval van
                                    extreme vatbaarheid bij spierziekten in combinatie met
                                    longaandoeningen;</al></li>
              <li nr="·"><al>het gebruik van een verlaagde vloer i.p.v. oprijgoten of
                                    oprijplateau in die gevallen waarin degene die hulp biedt deze
                                    op medische gronden niet kan hanteren;</al></li>
              <li nr="·"><al>aanpassingen die nodig zijn voor het veilig vervoeren van
                                    hulpapparatuur zoals zuurstofflessen.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Voorwaarden voor toekenning zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>vergoeding voor aanpassing wordt eens in de 7 jaren verstrekt;
                                    d.w.z. dat bij inruil van de auto binnen deze periode de nieuwe
                                    auto niet opnieuw wordt aangepast; </al></li>
              <li nr="-"><al>evt. aanvullende aanpassingen zijn alleen mogelijk bij een
                                    veranderde medische situatie;</al></li>
              <li nr="-"><al>cliënten dienen in toereikende mate verzekerd te zijn in geval
                                    van diefstal of schade aan de auto.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
          <artikel>
            <kop>
              <label>6.7 Voorzieningen voor in de directe woonomgeving</label>
            </kop>
            <al>Voorzieningen voor in de directe woonomgeving kunnen verstrekt worden in
                            aanvulling op deelname aan het collectief / individueel vervoerssysteem
                            of een tegemoetkoming in het gebruik van de eigen auto en zijn bedoeld
                            voor het overbruggen van korte tot middenlange afstanden in de
                            woonomgeving. </al>
            <al/>
            <al>Bij specifieke aandoeningen kan het voorkomen dat er wel een aanvullende
                            vervoersvoorziening verstrekt wordt, terwijl er geen duidelijke
                            indicatie is voor deelname aan het collectief vervoersysteem; m.a.w. men
                            kan wel gebruik maken van het openbaar vervoer, maar voor de
                            overbrugging van de korte loop-/ fietsafstanden in de directe omgeving
                            van de woning is een voorziening nodig.</al>
            <al/>
            <al>In principe wordt er niet meer dan 1 aanvullende vervoersvoorziening
                            verstrekt.</al>
            <al>Aanpassingen aan een auto om de vervoersvoorziening mee te kunnen nemen
                            op de auto komen niet voor vergoeding in aanmerking.</al>
            <al>Voorwaarden voor verstrekking van een aanvullende vervoersvoorziening
                            zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>de voorziening wordt min of meer voor dagelijkse verplaatsingen
                                    gebruikt en niet slechts incidenteel (bv. alleen bij mooi weer
                                    of voor alleen recreatief gebruik);</al></li>
              <li nr="-"><al>cliënt beschikt over voldoende rijvaardigheid; </al></li>
              <li nr="-"><al>cliënt bezit over voldoende verkeersinzicht;</al></li>
              <li nr="-"><al>cliënt is in staat zorg te dragen voor dagelijks onderhoud van
                                    de voorziening;</al></li>
              <li nr="-"><al>er is voldoende garantie voor veilige stalling/ berging van de
                                    voorziening.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Er zijn verschillende aanvullende vervoersvoorzieningen mogelijk</al>
            <al>De keuze van de voorzieningen hangt af van de restfuncties die iemand
                            met een handicap heeft, het verplaatsingspatroon en de vraag welke
                            voorziening de goedkoopst adequate oplossing vormt voor het
                            vervoersprobleem.</al>
            <al/>
            <al>Het gaat hierbij met name om de volgende voorzieningen:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>fietsen, zoals</al><lijst>
                  <li nr="·"><al>aanpassingen aan bestaande fietsen;</al></li>
                  <li nr="·"><al>fietsen in speciale uitvoering;</al></li>
                  <li nr="·"><al>driewielfietsen;</al></li>
                  <li nr="·"><al>tandems;</al></li>
                  <li nr="·"><al>rolstoelfietsen;</al></li>
                  <li nr="·"><al>handbikes.</al></li>
                </lijst></li>
              <li nr="·"><al>scootmobielen;</al></li>
              <li nr="·"><al>brommers, zoals</al><lijst>
                  <li nr="·"><al>driewielbrommers;</al></li>
                  <li nr="·"><al>rolstoelscooters.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>6.7.1 Fietsen</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>
              <vet>Aanpassing aan bestaande fietsen</vet>
            </al>
            <al>Wanneer het gebruik van een gewone fiets mogelijk is, mits er enkele
                            aanpassingen op aangebracht worden, dan geldt dit als de goedkoopst
                            adequate voorziening. Het gaat dan om specifieke aanpassingen, die niet
                            als algemeen gebruikelijk worden beschouwd.</al>
            <al>Een voorbeeld van een dergelijke aanpassing is een stevige zijwielset
                            aan het achterwiel van de fiets.</al>
            <al>Het criterium hiervoor is:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>een licht beperkt evenwicht bij een verder goede
                                    rompbalans.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Alleen de kosten van de aanpassing komen voor vergoeding of verstrekking
                            in bruikleen in aanmerking.</al>
            <al/>
            <al>Een andere vorm van aanpassing aan bestaande fietsen is een speciaal
                            fietszitje voor kinderen met een handicap. Hiervoor worden de volgende
                            criteria en voorwaarden gehanteerd:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>de normaal in de handel zijnde fietszitjes voldoen niet qua
                                    zitondersteuning en/of kantelinstelling en;</al></li>
              <li nr="-"><al>het achter op de fiets vervoerd worden speelt een belangrijke
                                    rol in het dagelijks verplaatsingspatroon en;</al></li>
              <li nr="-"><al>de met aangepaste voorzieningen geboden oplossing vormt een
                                    (verkeers)veilige oplossing voor een langere periode.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Fietsen in een speciale uitvoering</vet>
            </al>
            <al>Wanneer het gebruik van een gewone fiets problemen geeft, kan uitgeweken
                            worden naar een fiets in een speciale uitvoering.</al>
            <al>Voorwaarde is dat een dergelijke fiets niet als algemeen gebruikelijk
                            kan worden beschouwd en dus speciaal voor gebruik door mensen met een
                            handicap is ontwikkeld. Fietsen met een lage instap en fietsen met
                            hulpmotor zoals een spartamet of een fiets met elektrische aandrijving
                            zijn in vele uitvoeringen in de normale handel verkrijgbaar en worden
                            als algemeen gebruikelijk beschouwd.</al>
            <al/>
            <al>Is het om medische redenen noodzakelijk een fiets in een speciale
                            uitvoering, zoals een driewielfiets of een driewielligfiets uit te
                            voeren met een hulpmotor, dan is dit wel mogelijk.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Driewielfietsen</vet>
            </al>
            <al>Er zijn verschillende soorten driewielfietsen mogelijk, bv.
                            driewielfietsen met grote wielen achter, grote wielen voor of zgn.
                            driewielligfietsen. De keuze is weer afhankelijk van de beperkingen die
                            iemand heeft, het verplaatsingspatroon en het aspect van goedkoopst
                            adequate voorziening.</al>
            <al/>
            <al>Criteria voor een driewielfiets zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>men heeft onvoldoende motorische mogelijkheden om op een
                                    tweewielfiets te kunnen fietsen;</al></li>
              <li nr="-"><al>fietsen op een tweewielfiets vraagt vanwege motorische problemen
                                    zoveel concentratie dat er onvoldoende aandacht aan het verkeer
                                    kan worden besteed;</al></li>
              <li nr="-"><al>de aanvrager is een jong kind in ontwikkeling voor wie het
                                    fietsen op een ‘speel’driewielfiets uit de normale handel niet
                                    mogelijk is. De driewielfiets wordt dan gezien als
                                    speel-/vervoermiddel in en om de woning en niet als
                                    vervoersvoorziening op korte en middenlange afstanden. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Aanvullend criterium voor een fiets met grote wielen vòòr:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>cognitieve problemen waardoor het breedste deel van de fiets in
                                    het gezichtsveld dient te liggen.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Overwegingen bij de keuze voor een driewiellig-fiets:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>het gebruik van een ‘standaard’ driewielfiets wekt ongewenste
                                    bewegingspatronen op, bv. bij bepaalde vormen van
                                    spasticiteit;</al></li>
              <li nr="-"><al>rug-/ en bekkenproblematiek vraagt een aangepaste
                                    uitgangspositie, die op een standaard fiets niet bereikt kan
                                    worden;</al></li>
              <li nr="-"><al>verdeling energie/ actieradius maakt een fiets van speciale
                                    maatvoering en aandrijving noodzakelijk.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Tandems</vet>
            </al>
            <al>Tandems worden gebruikt voor mensen, die niet zelfstandig aan het
                            verkeer deel kunnen nemen, maar wel een duidelijke eigen
                            vervoersbehoefte hebben èn de lichamelijke mogelijkheden om te kunnen
                            fietsen. </al>
            <al/>
            <al>Criteria voor het verstrekken van een tandem zijn bv.:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>gezichts- of gehoorproblemen, die zelfstandige deelname aan het
                                    verkeer niet mogelijk maken;</al></li>
              <li nr="-"><al>cognitieve problemen, die zelfstandige deelname aan het verkeer
                                    niet mogelijk maken.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Voorwaarden zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>de tandem speelt een belangrijke rol in het regelmatig
                                    terugkerendverplaatsingspatroon;</al></li>
              <li nr="-"><al>er is een begeleider aanwezig, die met de tandem overweg
                                    kan.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Rolstoelfietsen</vet>
            </al>
            <al>Rolstoelfietsen zijn fietsen waaraan een rolstoel is vastgekoppeld. Deze
                            fietsen worden vooral gebruikt bij kinderen, die rolstoelafhankelijk
                            zijn en die te groot geworden zijn voor het vervoer achter op de fiets
                            van de ouders.</al>
            <al/>
            <al>Criteria en voorwaarden voor het verstrekken van een rolstoelfiets
                            zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>het vervoer per fiets speelt een belangrijke rol in het
                                    regelmatig terugkerendverplaatsingspatroon en;</al></li>
              <li nr="-"><al>cliënt is niet in staat om met behulp van een meer zelfstandige
                                    vervoersvoorziening (driewielfiets of tandem) in de
                                    vervoersbehoefte op korte tot middellange afstand te voorzien
                                    en;</al></li>
              <li nr="-"><al>er is een begeleider aanwezig, die met de rolstoelfiets overweg
                                    kan.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Handbikes</vet>
            </al>
            <al>De handbike is een fietsdeel dat is aan te koppelen aan een rolstoel,
                            zodat ‘gefietst’ kan worden met behulp van handaandrijving. Op de plaats
                            van bestemming kan het fietsdeel worden afgekoppeld, zodat de rolstoel
                            weer als rolstoel is te gebruiken.</al>
            <al/>
            <al>Criteria en voorwaarden voor verstrekking zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>cliënt is voor de verplaatsing afhankelijk van het gebruik van
                                    een rolstoel en;</al></li>
              <li nr="-"><al>er is onvoldoende beenfunctie aanwezig om zich fietsend te
                                    verplaatsen en;</al></li>
              <li nr="-"><al>er is voldoende arm-/handfunctie aanwezig om zich fietsend met
                                    behulp van handaandrijving te verplaatsen en;</al></li>
              <li nr="-"><al>het vervoer per fiets (handbike) speelt een belangrijke rol in
                                    het regelmatig terugkerend verplaatsingspatroon.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>6.7.2 Scootmobielen</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>De scootmobiel is een elektrisch aangedreven buitenvervoermiddel, dat
                            d.m.v. handbediening wordt bestuurd.</al>
            <al/>
            <al>Criteria en voorwaarden voor verstrekking van een scootmobiel zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>er is sprake van een dermate geringe loopfunctie dat de
                                    dagelijkse verplaatsingsdoelen niet lopend zijn te overbruggen.
                                    Hierbij wordt als richtlijn een loopafstand van minder dan 100
                                    meter gehanteerd en;</al></li>
              <li nr="-"><al>er is een mogelijkheid tot het creëren van een stallingruimte
                                    met faciliteiten voor het opladen van de scootmobiel en;</al></li>
              <li nr="-"><al>het vervoer per scootmobiel speelt een belangrijke rol in het
                                    dagelijks verplaatsingspatroon.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>NB.</vet> Omdat tijdens het adviestraject soms moeilijk vast te
                            stellen is hoe intensief een scootmobiel gebruikt gaat worden, kan er na
                            een bepaalde periode een controle plaatsvinden. </al>
            <al/>
            <al>Er zijn meerdere scootmobielen in diverse uitvoeringen opgenomen in het
                            basispakket van de gemeente.</al>
            <al>Standaard wordt uitgegaan van een scootmobiel in de 12 km-uitvoering.
                            Wanneer een lagere snelheid beter past bij het verplaatsingspatroon en
                            het verkeersinzicht van de cliënt, is het mogelijk een scootmobiel in de
                            8 km-uitvoering te verstrekken.</al>
            <al>Een scootmobiel met een hogere snelheid kan verstrekt worden, indien er
                            sprake is van een verplaatsingspatroon met een strak tijdsschema en
                            frequente verplaatsingen binnen een kort tijdsaspect.</al>
            <al>Daarnaast hangt de keuze af van de mate waarin op medische gronden eisen
                            gesteld worden aan b.v.:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>bedieningsmogelijkheden;</al></li>
              <li nr="·"><al>vering;</al></li>
              <li nr="·"><al>zitopvang;</al></li>
              <li nr="·"><al>lichaamsmaten.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>6.7.3 Brommers</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>
              <vet>Driewielbrommers.</vet>
            </al>
            <al>In incidentele gevallen kan overgegaan worden tot verstrekking van een
                            driewielbrommer. </al>
            <al>Criteria hiervoor zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>men heeft onvoldoende mogelijkheid om van een voorliggende
                                    (goedkopere) voorziening gebruik te maken en;</al></li>
              <li nr="-"><al>er is sprake van een dermate actief verplaatsingspatroon dat met
                                    andere voorzieningen zoals een driewielfiets of een scootmobiel
                                    niet voldaan kan worden aan de verplaatsingsbehoefte.</al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>Voorbeeld:</al><lijst>
                  <li nr="-"><al>ücliënt is gehouden aan een strak tijdsschema en
                                            frequente verplaatsingen binnen een kort
                                            tijdsbestek.</al></li>
                </lijst></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Rolstoelscooters.</vet>
            </al>
            <al>In incidentele gevallen kan overgegaan worden tot verstrekking van een
                            vervoersvoorziening, waar men met een rolstoel op rijdt, een zgn.
                            rolstoelscooter.</al>
            <al/>
            <al>Criteria hiervoor zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>cliënt is volledig rolstoelgebonden en;</al></li>
              <li nr="-"><al>cliënt is niet in staat veelvuldige transfers te maken vanuit de
                                    rolstoel op een ander vervoermiddel en;</al></li>
              <li nr="-"><al>cliënt heeft onvoldoende motorische mogelijkheden om van een
                                    voorliggende (goedkopere) voorziening, zoals bv. de handbike,
                                    gebruik te maken en; </al></li>
              <li nr="-"><al>het vervoer per aanvullende vervoersvoorziening speelt een
                                    belangrijke rol bij de dagelijkse verplaatsingen.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>6.7.4 Tegemoetkoming in de kosten van vervoer in de directe
                            woonomgeving</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Het is mogelijk om voor verplaatsing in de directe woonomgeving in
                            plaats van een aanvullende voorziening voor in de directe woonomgeving
                            een tegemoetkoming in het gebruik van de eigen auto te krijgen. </al>
            <al>Criteria en voorwaarden hiervoor zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>er is een indicatie voor een aanvullende vervoersvoorziening,
                                    maar men geeft de voorkeur aan het gebruik van de eigen auto
                                    boven het gebruik van een aanvullende vervoersvoorziening; </al></li>
              <li nr="-"><al>men is voor alle verplaatsingen afhankelijk van de auto, wat wil
                                    zeggen dat men niet in staat is gebruik te maken van een
                                    aanvullende vervoersvoorziening voor in de directe woonomgeving,
                                    zoals een aangepaste fiets of een scootmobiel;</al></li>
              <li nr="-"><al>men is in het bezit van een auto.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
          <artikel>
            <kop>
              <label>6.8 Accessoires</label>
            </kop>
            <al>Accessoires aan voorzieningen worden alleen vergoed wanneer deze medisch
                            noodzakelijk zijn en ze niet als algemeen gebruikelijk worden
                            beschouwd.</al>
            <al/>
            <al>Voorbeelden van accessoires die als algemeen gebruikelijk worden
                            beschouwd zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>regenkleding;</al></li>
              <li nr="·"><al>boodschappenmandjes/ tassen;</al></li>
              <li nr="·"><al>bandenpompjes;</al></li>
              <li nr="·"><al>spiegels.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Accessoires die op medische indicatie verstrekt kunnen worden zijn:</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Schootskleden/ voetenzakken/orthese-jassen</vet>
            </al>
            <al>Bij de beoordeling of er een medische noodzaak bestaat wordt er gekeken
                            naar de volgende factoren. Een combinatie van deze factoren kan
                            aanleiding geven tot verstrekking.</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>er is sprake van ernstige doorbloedingsstoornissen aan
                                    onderlichaam en /of benen;</al></li>
              <li nr="-"><al>men heeft onvoldoende ‘rilfunctie’, wat inhoudt dat men
                                    onvoldoende in staat is zichzelf bij stilzitten te
                                    verwarmen;</al></li>
              <li nr="-"><al>er is sprake van ernstige sensibiliteitsstoornissen van met name
                                    het temperatuurgevoel;</al></li>
              <li nr="-"><al>er is sprake van een aandoening, waarbij koude een ernstige
                                    toename van de klachten veroorzaakt;</al></li>
              <li nr="-"><al>er is sprake van een dermate gestoorde handfunctie dat het
                                    aan-en uittrekken van standaard in de handel zijnde warme
                                    kleding niet mogelijk is.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Houders voor het meenemen van een loophulpmiddel</vet>
            </al>
            <al>Wanneer er een noodzaak bestaat tot het meenemen van een loophulpmiddel,
                            zoals een stok of een rollator, op de vervoersvoorziening dan kan
                            bekeken worden of hiervoor technisch een mogelijkheid aanwezig is.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Zuurstoffleshouders</vet>
            </al>
            <al>Wanneer iemand aangewezen is op het gebruik van zuurstof en de
                            zuurstoffles dient meegenomen te worden op de vervoersvoorziening, dan
                            kan een aparte houder gemonteerd worden voor een veilig vervoer van de
                            zuurstoffles.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>6.9 Onderhoud</label>
            </kop>
            <al>De meeste voorzieningen in natura worden door de gemeente gekocht van de
                            vaste leverancier en vervolgens in bruikleen verstrekt aan de cliënt. </al>
            <al>In de bruikleenovereenkomst, die men bij aflevering van een voorziening
                            ondertekent is opgenomen dat de gebruiker verantwoordelijk is voor klein
                            onderhoud en de normale verzorging van de voorziening, zoals het
                            schoonhouden, het op spanning houden van de banden en het bijvullen van
                            accu’s.</al>
            <al>Met de leverancier is een onderhoudscontract afgesloten voor groot
                            onderhoud. In grote lijnen houdt dit in dat men voor het onderhoud dat
                            buiten de eigen mogelijkheden van de gebruiker ligt een beroep kan doen
                            op de leverancier.</al>
            <al/>
            <al>Uit praktische overwegingen worden de standaard onderhoudsbeurten
                            meestal gecombineerd met de noodzakelijke reparaties aan een
                            voorziening.</al>
            <al/>
            <al>Kosten van reparatie en vervanging van onderdelen zijn over het algemeen
                            voor rekening van de gemeente. Als reparaties het gevolg zijn van
                            (opzettelijk) onzorgvuldig gebruik kan de gemeente de kosten van
                            reparatie in rekening brengen bij de cliënt. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>6.10 Verzekering</label>
            </kop>
            <al>Voor alle elektrisch voortbewogen voorzieningen, die deelnemen aan het
                            verkeer geldt een verplichting tot verzekeren. Deze zogenaamde
                            “bromfietsverzekering” wordt door de gemeente betaald. De voorziening
                            wordt door de leverancier aangemeld bij de verzekeringsmaatschappij.
                            Alle schademeldingen worden door de leverancier afgehandeld. De
                            verzekering omvat een WA en Casco dekking.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>6.11 Training</label>
            </kop>
            <al>Binnen het kader van de Wmo zijn 2 soorten trainingen mogelijk in het
                            leren omgaan met een vervoersvoorziening:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>trainingen tijdens het adviestraject;</al></li>
              <li nr="·"><al>trainingen na aflevering van een voorziening.</al></li>
            </lijst>
            <al>Hierbij wordt uitgegaan van gemiddeld 3 trainingen per cliënt</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Training tijdens het adviestraject</vet>
            </al>
            <al>De training tijdens het adviestraject is bedoeld om te kunnen komen tot
                            een goed inzicht in de motorische en cognitieve vaardigheden van een
                            cliënt om zich met een vervoersvoorziening te verplaatsen.</al>
            <al>Na deze training wordt besloten of er tot verstrekking van een
                            voorziening kan worden overgegaan.</al>
            <al/>
            <al>De training is opgebouwd uit verschillende onderdelen:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>technische voertuigbeheersing;</al></li>
              <li nr="·"><al>toetsen en/of trainen van het inzicht in het rijden.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Training na aflevering van een voorziening</vet>
            </al>
            <al>Deze training is bedoeld om iemand vertrouwd te maken met een reeds
                            verstrekte voorziening. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>7 Rolstoelen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <label>7.1 Inleiding</label>
            </kop>
            <al>Rolstoelen zijn bedoeld om mensen met een handicap in staat te stellen
                            zich binnen of buiten de woonruimte over loopafstanden te verplaatsen of
                            verplaatst te worden.</al>
            <al>Iemand kan voor een rolstoel in aanmerking komen wanneer hij door
                            aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek voor
                            verplaatsing over loopafstanden is aangewezen op het gebruik van een
                            rolstoel.</al>
            <al/>
            <al>Er zijn verschillende typen rolstoelen met elk een eigen, specifiek
                            gebruiksdoel. Te onderscheiden vallen:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>duwrolstoelen/ wandelwagens;</al></li>
              <li nr="·"><al>handbewogen rolstoelen;</al></li>
              <li nr="·"><al>elektrische rolstoelen;</al></li>
              <li nr="·"><al>sportrolstoelen.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>7.2 Vormen van de verstrekkingen</label>
            </kop>
            <al>Volgens de verordening van de gemeente Zwolle worden rolstoelen in
                            natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt. </al>
            <al>Bij een rolstoel in natura wordt er via de leverancier van de gemeente
                            Zwolle een rolstoel in bruikleen verstrekt. Daarbij hanteert de gemeente
                            een zogenaamd ‘kernpakket’ waarin een aantal soorten rolstoelen zit. </al>
            <al>Bij een persoonsgebonden budget krijgt de aanvrager een geldbedrag
                            overgemaakt waarmee hij zelf de rolstoel kan kopen. Daarbij is de
                            aanvrager zelf verantwoordelijk voor het onderhoud en de verzekering van
                            de rolstoel. </al>
            <al>Verstrekking van een sportrolstoel vindt plaats in de vorm van een
                            financiële tegemoetkoming, waarmee voor de periode van 3 jaar een
                            rolstoel aangeschaft en onderhouden kan worden.</al>
            <al>Op basis hiervan wordt een programma van eisen opgesteld aan de hand
                            waarvan bekeken wordt welke rolstoel een oplossing vormt voor het
                            verplaatsingsprobleem. </al>
            <al/>
            <al>Met de rolstoelleverancier van de gemeente Zwolle is een
                            verstrekkingenpakket samengesteld, waarin voor elke categorie rolstoelen
                            een keuze is gemaakt uit een aantal rolstoelmerken. Deze keuze is
                            gebaseerd op prijskwaliteit verhouding, mate van herinzetbaarheid en
                            mate van aanpasbaarheid. In principe moet uit dit pakket voor een ieder
                            een passende rolstoel te vinden zijn. In uitzonderlijke gevallen kan van
                            hetstandaardpakket worden afgeweken.</al>
            <al>Het verstrekkingenpakket wordt jaarlijks geëvalueerd door
                            vertegenwoordigers van de gemeente, de medisch adviseur van de gemeente
                            en de rolstoelleverancier.</al>
            <al>Bij deze evaluatie worden de signalen die worden afgegeven door
                            gebruikers meegenomen.</al>
            <al/>
            <al>Voorop staat dat het selecteren van een rolstoel maatwerk is. De
                            gebruiker moet er goed mee overweg kunnen en de rolstoel moet bruikbaar
                            zijn in de omgeving waar de gebruiker woont en geschikt voor de
                            activiteiten die men wil ondernemen.</al>
            <al/>
            <al>Een goede analyse van alle factoren die meespelen bij de keuze van een
                            rolstoel is van groot belang.</al>
            <al/>
            <al>De keuze van de rolstoel hangt af van verschillende factoren,
                            zoals:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>de restfuncties die iemand heeft t.a.v. verplaatsen, zitten,
                                    bedienen van de rolstoel;</al></li>
              <li nr="·"><al>de benodigde maatvoering;</al></li>
              <li nr="·"><al>het gebruiksdoel en het gebruiksgebied van de rolstoel. Wat wil
                                    de gebruiker met de rolstoel kunnen doen en waar vindt dit
                                    plaats?</al></li>
              <li nr="·"><al>eisen die gesteld worden aan meeneembaarheid van de
                                    rolstoel.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>7.3 Rolstoelen in verpleeghuizen en verzorgingshuizen</label>
            </kop>
            <al>Sinds april 2003 is de regeling zorgaanspraken AWBZ op een aantal punten
                            veranderd. Een van deze veranderingen gaat over de zorgplicht van
                            gemeenten voor het verstrekken van rolstoelen aan bewoners van
                            AWBZ-instellingen, zoals verpleeghuizen.</al>
            <al>Voor de beoordeling van de vraag of de gemeente een compensatieplicht
                            heeft voor de verstrekking van rolstoelen aan bewoners van
                            AWBZ-instellingen, geldt de volgende systematiek:</al>
            <al>Men heeft recht op een rolstoel van de AWBZ indien:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>men verblijft in een AWBZ-instelling;</al></li>
              <li nr="·"><al>de instelling is toegelaten voor de functie 'behandeling';</al></li>
              <li nr="·"><al>men wordt behandeld door de toegelaten instelling waarin men
                                    verblijft.</al></li>
            </lijst>
            <al>Deze voorwaarden zijn cumulatief: indien aan één of meer van deze
                            voorwaarden niet is voldaan, heeft de persoon in kwestie geen recht op
                            een rolstoel op basis van de AWBZ. Mits voldaan aan de overige Wmo
                            voorwaarden kan in die situatie een beroep worden gedaan op de
                            compensatieplicht van de gemeente. </al>
            <al/>
            <al>Verzorgingshuizen zijn niet collectief toegelaten voor behandeling. Een
                            bewoner van een verzorgingshuis verkrijgt dus geen behandeling van het
                            verzorgingshuis. Een rolstoel zal dus zeker niet op basis van de AWBZ,
                            maar op basis van de Wmo worden verstrekt.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>7.4 Duwrolstoelen</label>
            </kop>
            <al>In duwrolstoelen worden de gebruikers voortgeduwd door een
                            begeleider.</al>
            <al>Om voor een duwrolstoel in aanmerking te komen moet men aan de volgende
                            criteria/ voorwaarden voldoen:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>men heeft onvoldoende motorische mogelijkheden en/of inzicht om
                                    loopafstanden zelfstandig lopend te kunnen overbruggen en;</al></li>
              <li nr="-"><al>men heeft onvoldoende motorische mogelijkheden en/of inzicht om
                                    een rolstoel zelfstandig te kunnen voortbewegen en;</al></li>
              <li nr="-"><al>er is een regelmatige behoefte aan het zich per rolstoel
                                    verplaatsen; </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr=""><al>Bewoners van een verzorgingshuis, die bijvoorbeeld enkele malen
                                    per jaar een rolstoel nodig hebben voor een uitstapje kunnen in
                                    de regel goed gebruik maken van de standaard rolstoelen die in
                                    een verzorgingshuis aanwezig zijn en; </al></li>
            </lijst>
            <lijst>
              <li nr="-"><al> (loop)hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de AWBZ
                                    Regeling thuiszorg voor tijdelijke hulpmiddelen zoals b.v. een
                                    rollator, bieden onvoldoende oplossing en;</al></li>
              <li nr="-"><al>er is een begeleider beschikbaar.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Er zijn vele typen duwrolstoelen en wandelwagens, afhankelijk van de
                            eisen gesteld worden t.a.v. lichamelijke mogelijkheden en beperkingen,
                            maatvoering, gebruiksdoel en gebruiksgebied.</al>
            <al/>
            <al>Zo kan er bij een rolstoel gekozen worden voor kleine of grote wielen
                            achter, afhankelijk van de eigen mogelijkheden van de gebruiker of het
                            gebruiksgemak voor de begeleider.</al>
            <al>Voor iemand die te weinig handfunctie heeft om zelf met de rolstoel te
                            rijden, kan het toch van belang zijn dat hij zich door aan het wiel te
                            draaien kan omdraaien of net even van de plek komen.</al>
            <al/>
            <al>Voor alle duwrolstoelen/ wandelwagens geldt dat aandacht besteed moet
                            worden aan:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>de hoogte van de duwhandvatten. Deze dienen afgesteld te zijn of
                                    te kunnen worden op de vaste begeleider;</al></li>
              <li nr="·"><al>meeneembaarheid. Wordt een rolstoel vervoerd in een rolstoelbus,
                                    dan dient deze geschikt te zijn om veilig vastgezet te kunnen
                                    worden, wordt hij vervoerd in een personenauto, dan kan de
                                    aanwezigheid van quick-release achterwielen een vereiste
                                    zijn.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Duwrolstoelen zijn onder te verdelen in:</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Duwrolstoelen voor kortdurend gebruik</vet>
            </al>
            <al>De rolstoel wordt vooral gebruikt als verplaatsingsmiddel over langere
                            loopafstanden. Er worden weinig eisen gesteld aan zitcomfort, omdat het
                            gebruik slechts van korte duur is en er meestal geen specifieke
                            zitproblemen aanwezig zijn.</al>
            <al>Volstaan kan worden met een eenvoudige rolstoel met slappe zitting en
                            rugleuning of in het geval van kinderen met een grote maat buggy.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Duwrolstoelen voor frequent, dagelijks gebruik</vet>
            </al>
            <al>Wanneer een gebruiker volledig is aangewezen op het gebruik van een
                            rolstoel dan heeft de rolstoel naast de functie van verplaatsen ook een
                            functie als zitvoorziening; de rolstoel vervangt de verschillende
                            stoelen die normaal gebruikt worden bij eten, rusten, t.v. kijken
                            e.d.</al>
            <al>De eisen die aan het zitcomfort van de rolstoel gesteld zijn liggen een
                            stuk hoger. Daarnaast is het ook nog zo dat er meestal sprake is van
                            medische problematiek. </al>
            <al>Een optimale zitondersteuning is dan nodig om de restfuncties die
                            iemand heeft zo goed mogelijk te kunnen benutten of om verergering van
                            de gezondheidsproblemen of het ontstaan van vergroeiingen of de vorming
                            van decubitus (doorzitten) te voorkomen. Wat de juiste uitgangshouding
                            in de rolstoel is, is vaak een kwestie van zorgvuldig observeren en
                            uitproberen. Contact met degene die als behandelaar bij de
                            rolstoelgebruiker betrokken is, kan hierbij een goed hulpmiddel zijn. </al>
            <al>De benodigde zitondersteuning in combinatie met de activiteiten die
                            vanuit de rolstoel moeten worden verricht bepalen de keuze van de
                            rolstoel.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Duwrolstoelen met kantelverstelling</vet>
            </al>
            <al>Wanneer de lichamelijke conditie dusdanig is dat men permanent gebruik
                            maakt van de rolstoel en dat naast het zich
                            zelfstandigvoortbewegen ook zelfstandig veranderen van zithouding
                            niet mogelijk is, dan zal dit in de meeste gevallen inhouden dat
                            uitgegaan moet worden van een duwrolstoel met meerdere
                            verstelmogelijkheden, zodat per activiteit een andere houding aangenomen
                            kan worden.</al>
            <al>De benodigde zitondersteuning in combinatie met de vereiste
                            verstellingen bepalen de keuze van de rolstoel. </al>
            <al>Speciale rolstoelonderstellen zijn ontwikkeld voor het gebruik van
                            zitorthesen of te wel stoelen die via een vacuüm zitafdruk een
                            individueel optimale zitondersteuning bieden (zie hoofdstuk
                            aanpassingen).</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Duwrolstoelen met elektrische aandrijving</vet>
            </al>
            <al>In uitzonderlijke gevallen kan gekozen worden voor een duwrolstoel met
                            elektrische aandrijving. Dit is een los systeem wat op een handbewogen
                            rolstoel is te plaatsen en waarvan de bediening gebeurt door de
                            begeleider.</al>
            <al>Een dergelijk systeem heeft nadelen wat betreft montage en gewicht,
                            waardoor het gebruik in de praktijk vaak tegenvalt.</al>
            <al>Een criterium voor verstrekking van een elektrische aandrijving op een
                            duwrolstoel is:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>de rolstoelgebruiker is niet in staat zichzelf voort te bewegen
                                    en;</al></li>
              <li nr="-"><al>de begeleider van de rolstoelgebruiker is vanwege aantoonbare
                                    beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat een
                                    duwrolstoel handmatig voort te bewegen.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>7.5 Handbewogen rolstoelen</label>
            </kop>
            <al>Men spreekt van handbewogen rolstoelen wanneer de gebruiker de rolstoel
                            op eigen kracht voortbeweegt.</al>
            <al>De manier van aandrijven kan verschillend zijn. Het meest gebruikelijk
                            is dat de rolstoel wordt voortbewogen door met beide handen aan de
                            hoepels van de achterwielen te pakken. Bij bepaalde aandoeningen is het
                            gebruik van één hand minder goed mogelijk. Aandrijving met één hand en
                            één been of zelfs met één hand kan dan een alternatief zijn.</al>
            <al/>
            <al>Het zelfstandig rijden in een handbewogen rolstoel vraagt over het
                            algemeen een goede handfunctie en een redelijk uithoudingsvermogen.
                            Rolstoel rijden is een inspannende bezigheid. </al>
            <al>Zeker bij een handbewogen rolstoel is een goede inventarisatie van de
                            voorwaarden waaraan de rolstoel moet voldoen van groot belang.</al>
            <al/>
            <al>Om voor een <vet>handbewogen</vet> rolstoel in aanmerking te komen dient
                            men aan de volgende criteria te voldoen:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>men heeft onvoldoende motorische mogelijkheden om loopafstanden
                                    zelfstandig lopend te overbruggen en;</al></li>
              <li nr="-"><al>men heeft voldoende arm-/handfunctie en uithoudingsvermogen om
                                    een handbewogen rolstoel zelfstandig te bedienen en;</al></li>
              <li nr="-"><al>er is een regelmatige behoefte zich per rolstoel te verplaatsen
                                    en;</al></li>
              <li nr="-"><al>(loop)hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Regeling
                                    Hulpmiddelen Ziektekosten bieden onvoldoende oplossing.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Evenals bij duwrolstoelen zijn er vele typen handbewogen rolstoelen,
                            afhankelijk van de eisen die gesteld worden t.a.v. lichamelijke
                            mogelijkheden en beperkingen, maatvoering, gebruiksdoel en
                            gebruiksgebied. Een jonge, actieve rolstoelgebruiker die veel bezigheden
                            buitenshuis heeft zal een andere rolstoel nodig hebben dan iemand die
                            vooral binnenshuis functioneert en vooral de nadruk legt op zitcomfort
                            en veiligheid. In grote lijnen is de volgende indeling te maken:</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Rolstoelen voor kortdurend gebruik</vet>
            </al>
            <al>De rolstoel wordt vooral gebruikt als verplaatsingsmiddel over langere
                            loopafstanden. Er worden weinig eisen gesteld aan zitcomfort, omdat het
                            gebruik slechts van korte duur is en er meestal geen specifieke
                            zitproblemen aanwezig zijn. De rolstoel zal afwisselend zelfrijdend of
                            als duwrolstoel gebruikt worden.</al>
            <al>Volstaan kan worden met een eenvoudige rolstoel met slappe zitting en
                            rugleuning.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Rolstoelen voor frequent, dagelijks gebruik</vet>
            </al>
            <al>Zoals al eerder is aangegeven hangt de keuze van een rolstoel af van
                            verschillende factoren, zoals:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>de restfuncties die iemand heeft t.a.v. verplaatsen, zitten,
                                    bedienen van de rolstoel;</al></li>
              <li nr="·"><al>de benodigde maatvoering;</al></li>
              <li nr="·"><al>het gebruiksdoel en het gebruiksgebied van de rolstoel. Wat wil
                                    de gebruiker met de rolstoel kunnen doen en waar vindt dit
                                    plaats?;</al></li>
              <li nr="·"><al>eisen die gesteld worden aan meeneembaarheid van de
                                    rolstoel.</al></li>
            </lijst>
            <al>Dit geldt al in het bijzonder voor een rolstoel, die eigenlijk de
                            loopfunctie vervangt en dus permanent wordt gebruikt.</al>
            <al/>
            <al>Vele aspecten zijn van belang bij de juiste keuze van de rolstoel. Zeker
                            bij frequent, dagelijks gebruik van een rolstoel weegt de ervaring en de
                            inbreng van de gebruiker zelf zwaar bij het maken van de juiste keuze. </al>
            <al>Om wat meer inzicht te geven in het keuzeproces, worden een aantal van
                            bovengenoemde factoren wat nader toegelicht.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>
                <onderstreept>Zithouding:</onderstreept>
              </vet>
            </al>
            <al>Voor mensen die de hele dag in de rolstoel doorbrengen is een goede
                            zithouding van groot belang. Vaak worden alle activiteiten, die normaal
                            vanuit diverse stoelen als een eetkamerstoel, een bureaustoel, een
                            ruststoel e.d. worden uitgevoerd, verricht vanuit een en dezelfde
                            rolstoel. </al>
            <al>Daarnaast is het ook nog zo dat er meestal sprake is van medische
                            problematiek. Een optimale zitondersteuning is dan nodig om de
                            restfuncties die iemand heeft zo goed mogelijk te kunnen benutten of om
                            verergering van de gezondheidsproblemen of het ontstaan van
                            vergroeiingen of de vorming van decubitus (doorzitten) te
                            voorkomen.</al>
            <al>Wat de juiste uitgangshouding in de rolstoel is, is vaak een kwestie van
                            zorgvuldig observeren en uitproberen. Contact met degenen die als
                            behandelaar bij de rolstoelgebruiker betrokken zijn, kan hierbij een
                            goed hulpmiddel zijn. </al>
            <al/>
            <al>
              <vet>
                <onderstreept>Aandrijving:</onderstreept>
              </vet>
            </al>
            <al>Er zijn verschillende manieren om een handbewogen rolstoel aan te
                            sturen. De meest gebruikelijke manier is dat de rolstoel wordt
                            voortbewogen door met beide handen aan de hoepels van de achterwielen te
                            pakken. </al>
            <al>Door de rolstoel zo in te stellen dat er een goede balans ontstaat
                            tussen lichaamshouding, lichaamsas en positie van de wielen kunnen de
                            rijeigenschappen van de rolstoel optimaal benut worden.</al>
            <al>Afhankelijk van de lichamelijke mogelijkheden van de gebruiker kan een
                            rolstoel meer of minder ‘kritisch’ ingesteld worden; dit vraagt zoeken
                            naar een evenwicht tussen goede rijeigenschappen en veilig gebruik. Hoe
                            kritischer een rolstoel is ingesteld, hoe beter hij rijdt, maar hoe
                            groter het gevaar aanwezig is van achterover kiepen.</al>
            <al>Wanneer het gebruik van één van beide handen niet of minder goed
                            mogelijk is, dan kan de rolstoel voortbewogen worden door met één hand
                            aan de hoepel te pakken en met de voet te sturen. Deze manier van
                            voortbewegen wordt veel gebruikt door mensen met een halfzijdige
                            verlamming. Het is een manier van voortbewegen die weer heel andere
                            eisen aan een rolstoel stelt. Een goede zithoogte om met de voet bij de
                            grond te kunnen is belangrijk, maar ook een zithouding die zo min
                            mogelijk het opbouwen van extra spanning in de aangedane lichaamshelft
                            voorkomt.</al>
            <al>Wanneer ook het gebruik van de voeten niet mogelijk is, dan is er nog de
                            mogelijkheid van eenhandige bediening van 2 hoepels aan één kant van de
                            rolstoel. Door beide hoepels te gebruiken rijdt de rolstoel rechtdoor,
                            aandrijving van éénhoepel verzorgt een bocht naar links of rechts.
                            Duidelijk zal zijn dat deze manier van voortbewegen binnenshuis redelijk
                            lukt, maar voor gebruik buitenshuis over langere afstanden minder
                            geschikt is.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>
                <onderstreept>Gebruiksdoel/
                            gebruiksgebied.</onderstreept>
              </vet>
            </al>
            <al>Om een juiste keuze van rolstoel te maken is het van belang te weten hoe
                            en waar een rolstoel gebruikt gaat worden. Bij rolstoelen die
                            voornamelijk binnenshuis gebruikt wordt zal het belangrijk zijn dat de
                            rolstoel een kleine draaicirkel heeft, veelvuldig gebruik buitenshuis
                            vraagt een goede stabiliteit op oneffen terrein en de mogelijkheid op
                            een langer stuk rechtuit te blijven rijden.</al>
            <al>Niet alleen de framekeuze is daarom van belang, maar ook het type
                            wielen. Ook is het van belang te weten hoe iemand de transfers in en uit
                            de rolstoel maakt. Stapt iemand over, dan zijn op- of wegklapbare
                            beensteunen een vereiste, maakt iemand een zijdelingse transfer, b.v met
                            behulp van een glijplank, dan kan een vaste voetbeugel overwogen
                            worden.</al>
            <al>Een volgende niet onbelangrijke zaak is te weten hoe iemand met de
                            rolstoel vervoerd gaat worden. Wordt er gebruik gemaakt van collectief
                            vervoer of heeft men een eigen auto, waarin de rolstoel meegenomen moet
                            kunnen worden. Moet de rolstoelgebruiker zelfstandig in staat zijn de
                            rolstoel in de auto te krijgen of is er altijd hulp aanwezig. </al>
            <al/>
            <al>De handbewogen rolstoelen voor frequent dagelijks gebruik zijn in grote
                            lijnen te verdelen in 2 typen rolstoelen met ieder hun eigen kwaliteiten
                            en eigenschappen, nl. de rolstoelen met een vouwframe en de rolstoelen
                            met een vast frame.</al>
            <al>In het algemeen kan gesteld worden dat de rolstoelen met vouwframe meer
                            geschikt zijn om het zitcomfort aan te passen. De rolstoelen met een
                            vast frame worden beschouwd als meer actieve rolstoelen voor
                            rolstoelgebruikers die een redelijke zitbalans hebben en hoge eisen
                            stellen aan de rijeigenschappen van de rolstoel.</al>
            <al/>
            <al>Duidelijk zal zijn dat de keuze van een handbewogen rolstoel voor
                            frequent dagelijks gebruik een nauwkeurig onderzoek vraagt.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>7.6 Elektrische rolstoelen</label>
            </kop>
            <al>Elektrische rolstoelen zijn rolstoelen die met behulp van een via een
                            accu opgeladen elektromotor worden aangedreven. De bediening vindt
                            meestal plaats via een joystick, die met de hand wordt bediend, maar ook
                            meer ingewikkelde manieren van besturen zijn mogelijk zoals
                            kinbesturing, hoofd-/voetbesturing of besturing via een scanner.</al>
            <al/>
            <al>Om voor een elektrische rolstoel in aanmerking te komen dient men aan de
                            volgende criteria te voldoen:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>men heeft onvoldoende motorische mogelijkheden om een
                                    handbewogen rolstoel (over een langere periode) zelfstandig te
                                    bedienen en;</al></li>
              <li nr="-"><al>men heeft onvoldoende motorische mogelijkheden om gebruik te
                                    maken van een voorliggende voorziening zoals b.v. een
                                    scootmobiel en;</al></li>
              <li nr="-"><al>er is een dagelijkse behoefte zich zelfstandig per rolstoel te
                                    verplaatsen en;</al></li>
              <li nr="-"><al>men heeft voldoende inzicht om een elektrische rolstoel te
                                    bedienen en zich hier op een veilige manier mee te verplaatsen
                                    en;</al></li>
              <li nr="-"><al>er is een mogelijkheid tot het creëren van een ruimte met
                                    faciliteiten voor het opladen van de elektrische rolstoel.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>In het algemeen zal het zo zijn dat gebruikers van elektrische
                            rolstoelen de hele dag in deze rolstoel zitten. In incidentele gevallen
                            kan het voorkomen dat binnenshuis gebruik gemaakt wordt van een
                            handbewogen rolstoel en buitenshuis van de elektrische rolstoel. Dit
                            heeft dan meestal te maken met de beperkte ruimte binnenshuis.</al>
            <al/>
            <al>In principe wordt bij verstrekking van elektrische rolstoelen uitgegaan
                            van de verstrekking van één elektrische rolstoel. Bij de keuze worden
                            afwegingen gemaakt t.a.v.:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>gebruiksgebied;</al></li>
              <li nr="·"><al>gebruiksdoel;</al></li>
              <li nr="·"><al>eisen t.a.v. zitopvang;</al></li>
              <li nr="·"><al>eisen t.a.v. bediening.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>In praktisch alle gevallen zal het zo zijn dat er naast de elektrische
                            rolstoel tevens een handbewogen rolstoel verstrekt wordt<vet>.
                            </vet></al>
            <al>De redenen hiervoor kunnen zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>de gebruiker is nog wel in staat zich binnenshuis met een
                                    handbewogen rolstoel voort te bewegen, maar is voor buitenshuis
                                    aangewezen op een elektrische rolstoel;</al></li>
              <li nr="-"><al>er dient een individueel aangepaste zitvoorziening op een
                                    (duw)rolstoel aanwezig te zijn wanneer de elektrische rolstoel
                                    voor reparatie afwezig is;</al></li>
              <li nr="-"><al>de rolstoelgebruiker bezoekt regelmatig adressen waar men niet
                                    met een elektrische rolstoel kan komen.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Elektrische rolstoelen zijn onder te verdelen in:</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Elektrische rolstoelen voor gebruik binnenshuis</vet>
            </al>
            <al>Dit type elektrische rolstoel is uitsluitend bedoeld voor gebruik
                            binnenshuis. De rolstoel kenmerkt zich door de geringe afmetingen,
                            waardoor er in kleine ruimtes gemakkelijk mee te manoeuvreren valt. De
                            stoelen zijn qua zitcomfort te vergelijken met een keukenwerkstoel of
                            een goede bureaustoel. Dit type stoel wordt incidenteel verstrekt,
                            wanneer de ruimtelijke eisen geen ander type elektrische rolstoel
                            toelaten.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Elektrische rolstoelen voor in en om de woning</vet>
            </al>
            <al>Onder deze categorie vallen de rolstoelen, die bedoeld zijn voor het
                            verplaatsen in de woning en in de directe omgeving van de woning.
                            Vergeleken met de rolstoelen die uitsluitend bedoeld zijn voor gebruik
                            binnenshuis heeft deze rolstoel krachtiger motoren en ook de zitopbouw
                            is beter aan te passen aan zitproblemen van de gebruiker.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Elektrische rolstoelen voor binnen en buitenshuis</vet>
            </al>
            <al>Deze rolstoelen worden verstrekt wanneer het gebruiksgebied vooral
                            buitenshuis is gelegen. Gebruik binnenshuis stelt hogere eisen aan de
                            afmeting van de ruimtes in de woning.</al>
            <al>De keuze van de rolstoel is afhankelijk van:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>eisen die gesteld worden aan de manier van bedienen/ aansturen
                                    van de rolstoel;</al></li>
              <li nr="·"><al>mate van aanpasbaarheid van het zitgedeelte;</al></li>
              <li nr="·"><al>mate van aanpasbaarheid van de elektronica.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Elektrische rolstoelen voor gebruik buitenshuis</vet>
            </al>
            <al>In uitzonderlijke gevallen kan overgegaan worden tot verstrekking van
                            een elektrische rolstoel die uitsluitend bestemd is voor gebruik
                            buitenshuis. Vaak zal het zo zijn dat niet zozeer het gebruiksgebied de
                            keuze van deze rolstoel bepaalt, maar eerder de specifieke eisen, die
                            gesteld worden aan de aanpasbaarheid van de besturing. Hierbij wordt
                            b.v. gedacht aan aanpassingen als hoofd-/voetbesturing.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>7.7 Kinderrolstoelen</label>
            </kop>
            <al>Voor kinderen gelden in principe dezelfde verstrekkingscriteria voor een
                            wandelwagen of rolstoel als voor volwassenen.</al>
            <al>Bij het keuzeproces echter zijn een aantal zaken van belang die extra
                            aandacht vragen. Immers:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>een kind is in ontwikkeling;</al></li>
              <li nr="·"><al>de ontwikkeling verloopt spelenderwijs;</al></li>
              <li nr="·"><al>een kind is in de groei;</al></li>
              <li nr="·"><al>dit alles kan leiden tot een steeds groter wordende
                                    zelfredzaamheid.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Bovenstaande houdt in dat bij een kind door de jaren heen het
                            eisenpakket voor de juiste voorziening kan veranderen, soms zelfs snel
                            kan veranderen. Dit vraagt extra kennis en deskundigheid van het team,
                            dat zich met het adviseren en verstrekken van kindervoorzieningen
                            bezighoudt.</al>
            <al/>
            <al>Ook de inbreng van het kind zelf is bij het keuzeproces belangrijk.
                            Kinderen hebben vaak een uitgesproken mening over het uiterlijk en de
                            kleur van de rolstoel.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Wandelwagens en duwrolstoelen</vet>
            </al>
            <al>Voorzieningen dienen afgestemd te zijn op het ontwikkelingsniveau van
                            het kind. Zo kan een jong kind, dat normaal nog in een wandelwagen
                            vervoerd wordt voor een aangepaste wandelwagen via de Wmo in aanmerking
                            komen, wanneer:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>de normaal in de handel zijnde wandelwagens of buggy’s niet
                                    voldoen wat betreft zitopvang en ondersteuning.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Ook bij kinderen die qua leeftijd eigenlijk niet meer toe zijn aan een
                            wandelwagen kan tot verstrekking van een wandelwagen of een duwrolstoel
                            overgegaan worden op grondvan de criteria die genoemd zijn bij het
                            hoofdstuk duwrolstoelen en wandelwagens.</al>
            <al>De keuze hangt dan weer af van gebruiksdoel, gebruiksgebied en de eisen
                            die gesteld worden aan zitopbouw en meeneembaarheid.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Handbewogen rolstoelen.</vet>
            </al>
            <al>Kinderen met een redelijke handfunctie zijn al op zeer jonge leeftijd in
                            staat zich per rolstoel voort te bewegen. In grote lijnen kan men zeggen
                            dat vanaf het moment dat kinderen kunnen lopen gehandicapte kinderen
                            zich zelfstandig per rolstoel kunnen verplaatsen.</al>
            <al>Het gebruik van een rolstoel kan een belangrijke bijdrage leveren aan de
                            ontwikkeling van het kind. </al>
            <al>Zelf kunnen rondrijden in een rolstoel biedt het kind uitdagingen en
                            stimuleert het om zelfstandig te worden en zoveel mogelijk mee te doen
                            met leeftijdsgenootjes.</al>
            <al/>
            <al>De criteria voor verstrekking van een handbewogen rolstoel aan kinderen
                            komen overeen met de criteria die genoemd zijn in het hoofdstuk
                            handbewogen rolstoelen.</al>
            <al>Er wordt van uitgegaan dat de rolstoel bij verstrekking de vervanging
                            vormt van een eerder verstrekte wandelwagen.</al>
            <al/>
            <al>Bij de keuze van een handbewogen rolstoel aan kinderen zijn naast de
                            gebruikelijke factoren als gebruiksdoel en gebruiksgebied een aantal
                            specifieke factoren van belang:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>de rolstoel dient een alternatief te zijn voor het zelfstandig
                                    verplaatsen op het ontwikkelingsniveau van het kind. Er wordt
                                    b.v. van uitgegaan dat het kind, zittend in de rolstoel op
                                    ooghoogte van leeftijdsgenootjes zit;</al></li>
              <li nr="-"><al>de rolstoel moet licht te bedienen zijn, goed wendbaar en tegen
                                    een stootje kunnen; immers de rolstoel is voor een kind naast
                                    een verplaatsingsvoorziening ook een middel om spelend de wereld
                                    te verkennen;</al></li>
              <li nr="-"><al>de rolstoel moet goed passend zijn en tegelijkertijd de
                                    mogelijkheid in zich hebben om in eniger mate te kunnen
                                    meegroeien met het kind;</al></li>
              <li nr="-"><al>de rolstoel moet meeneembaar zijn binnen de
                                    vervoersmogelijkheden van het gezin.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Elektrische rolstoelen</vet>
            </al>
            <al>Kinderen die een zo beperkte arm-/handfunctie hebben dat het zelfstandig
                            voortbewegen met een handbewogen rolstoel niet of slechts in geringe
                            mate mogelijk is, kunnen in aanmerking komen voor een elektrische
                            rolstoel.</al>
            <al>In tegenstelling tot wat soms wordt beweerd zijn kinderen soms op heel
                            jonge leeftijd al in staat om veilig met een elektrische rolstoel om te
                            gaan.</al>
            <al>In de meeste gevallen zal dit in een behandelsituatie uitgeprobeerd
                            zijn. </al>
            <al>Ook hierbij gelden de criteria zoals deze vermeld staan in het hoofdstuk
                            elektrische rolstoelen.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>7.8 Sportrolstoelen</label>
            </kop>
            <al>Sportrolstoelen zijn rolstoelen die speciaal ontwikkeld zijn voor het
                            uitoefenen van een sportactiviteit.</al>
            <al/>
            <al>Criteria om in aanmerking te komen voor een sportrolstoel zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>iemand is op basis van aantoonbare beperkingen als gevolg van
                                    ziekte of gebrek niet in staat tot sportbeoefening zonder
                                    rolstoel en;</al></li>
              <li nr="-"><al>er is een duidelijk aantoonbare behoefte aan regelmatige
                                    sportbeoefening.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Een voorwaarde voor het verkrijgen van een sportrolstoel is dat men
                            aannemelijk kan maken dat men de sportrolstoel voor een langere periode
                            zal gebruiken.</al>
            <al>Bij de verstrekking van sportrolstoelen gaat de gemeente uit van het
                            niveau van recreatiesport. Cliënten die een speciale rolstoel nodig
                            hebben voor het beoefenen van een sport op topniveau zullen het
                            aanvullende bedrag zelf (evt. via sponsoring) moeten regelen.</al>
            <al>Speciale sportvoorzieningen zoals een aangepaste ski vallen in principe
                            buiten de regeling van de gemeente. Hierop wordt een uitzondering
                            gemaakt wanneer aangetoond kan worden dat de voorziening voorziet in een
                            duidelijk aantoonbare behoefte aan regelmatige sportbeoefening met de
                            beoogde voorziening.</al>
            <al/>
            <al>In de verordening van de gemeente Zwolle is wel vastgelegd dat de keuze
                            voor een bepaalde sport ligt bij de cliënt. Dit houdt in dat een verzoek
                            om een sportrolstoel niet kan worden afgewezen op grond van het feit dat
                            er alternatieve sporten zijn waar de cliënt geen rolstoel voor nodig
                            heeft.</al>
            <al/>
            <al>In de regel wordt voor het verstrekken van een sportrolstoel geen
                            medisch advies ingewonnen, omdat meestal vanuit dossiergegevens reeds
                            voldoende gegevens bij de gemeente aanwezig zijn om tot verstrekking
                            over te gaan.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>7.9 Aanpassingen </label>
            </kop>
            <al>De meeste rolstoelen worden in een standaard uitvoering geleverd. Bij de
                            keuze van de rolstoel zal zoveel mogelijk gezocht worden naar een
                            rolstoel die in de standaard uitvoering zoveel mogelijk tegemoetkomt aan
                            de eisen van de gebruiker.</al>
            <al>Toch zal het in een aantal gevallen nodig zijn aanpassingen aan te
                            brengen om de rolstoel tot een adequaat middel te maken.</al>
            <al/>
            <al>Aanpassingen zijn onder te verdelen in:</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Aanpassingen ten behoeve van de zithouding</vet>
            </al>
            <al>Specifieke zitproblematiek kan aanleiding zijn tot aanpassen van het
                            zitgedeelte in de vorm van:</al>
            <al>·speciale zitkussens, b.v. de zgn. anti-decubituskussens; </al>
            <al>In principe wordt er één anti-decubitus kussen verstrekt. Met de
                            leverancier is afgesproken dat op moment van kapot gaan de leverancier
                            garant staat voor directe vervanging en/ of reparatie. </al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>speciale rugondersteuning;</al></li>
              <li nr="·"><al>zitorthesen;</al></li>
              <li nr="·"><al>fixatiegordels;</al></li>
              <li nr="·"><al>speciale hoofd-, arm- en beenondersteuningen;</al></li>
              <li nr="·"><al>werkbladen.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Aanpassingen aan bediening/ besturing van de rolstoel</vet>
            </al>
            <al>Zowel bij handbewogen als bij elektrische rolstoelen kan het nodig zijn
                            de bediening van de rolstoel aan te passen. Men kan hierbij denken
                            aan:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>aanpassingen aan de hoepels van een handbewogen rolstoel in de
                                    vorm van extra tussenruimte tussen hoepel en wiel, rubber
                                    hoepelovertrekken, hoepels met knoppen of staafjes;</al></li>
              <li nr="·"><al>aanpassing van de bediening van een elektrische rolstoel. Naast
                                    de standaard joystickbesturing zijn er vele mogelijkheden om een
                                    elektrische rolstoel aan te sturen. </al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Afhankelijk van de restfuncties die iemand heeft kan gekozen worden voor
                            hoofd-/ voetbesturing, kinbesturing, besturing via een scanfunctie etc. </al>
            <al>Wanneer er sprake is van complexe aanpassingen van of het zitgedeelte of
                            de bediening van een rolstoel is nauwkeurig onderzoek nodig. Vaak zal in
                            samenwerking met de behandelsector uitgezocht moeten worden welke
                            aanpassingen het beste voldoen.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Afleveraanpassingen</vet>.</al>
            <al>Het kan voorkomen dat na aflevering van een rolstoel blijkt dat er nog
                            kleine aanpassingen of wijzigingen aan de rolstoel nodig zijn. Om dit
                            vlot te laten verlopen is er een afspraak gemaakt tussen gemeente,
                            leverancier en medisch adviseur aangaande afleveraanpassingen. </al>
            <al/>
            <al>Binnen de periode van 6 maanden na aflevering van een voorziening worden
                            aanpassingen onder de € 250,-. door de leverancier direct uitgevoerd.
                            Gemeente en medisch adviseur worden door de leverancier op de hoogte
                            gesteld.</al>
            <al>Voor aanpassingen boven de € 250,- vindt er eerst overleg plaats met de
                            medisch adviseur. Deze bekijkt of hij op basis van dossieronderzoek
                            akkoord kan gaan of dat het noodzakelijk is een nieuwe aanvraag voor
                            aanpassing van de rolstoel op te starten.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>7.10</label>
              <label>Accessoires</label>
            </kop>
            <al>Accessoires aan rolstoelen worden alleen vergoed wanneer deze medisch
                            noodzakelijk zijn en ze niet als algemeen gebruikelijk worden
                            beschouwd.</al>
            <al/>
            <al>Voorbeelden van accessoires die als algemeen gebruikelijk worden
                            beschouwd zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>(rolstoel) handschoenen;</al></li>
              <li nr="·"><al>regenkleding;</al></li>
              <li nr="·"><al>boodschappenmandjes/ tassen;</al></li>
              <li nr="·"><al>bandenpompjes;</al></li>
              <li nr="·"><al>spiegels.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>Accessoires die op medische indicatie verstrekt kunnen worden zijn:</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Schootskleden/ voetenzakken/orthese-jassen</vet>
            </al>
            <al>Bij de beoordeling of er een medische noodzaak bestaat wordt er gekeken
                            naar de volgende factoren. Een combinatie van deze factoren kan
                            aanleiding geven tot verstrekking.</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>er is sprake van ernstige doorbloedingsstoornissen aan
                                    onderlichaam of benen;</al></li>
              <li nr="-"><al>men heeft onvoldoende ‘rilfunctie’, wat inhoudt dat men
                                    onvoldoende in staat is zichzelf bij stilzitten te
                                    verwarmen;</al></li>
              <li nr="-"><al>er is sprake van ernstige sensibiliteitsstoornissen van met name
                                    het temperatuurgevoel;</al></li>
              <li nr="-"><al>er is sprake van een aandoening, waarbij koude een ernstige
                                    toename van de klachten veroorzaakt;</al></li>
              <li nr="-"><al>er is sprake van een dermate gestoorde handfunctie dat het
                                    aan-en uittrekken van standaard in de handel zijnde warme
                                    kleding niet mogelijk is.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Spaakbeschermers</vet>
            </al>
            <al>De criteria voor verstrekking zijn:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>er is sprake van een dermate gestoorde handfunctie dat bij het
                                    aandrijven van de rolstoel (een deel van) de hand tegen of in de
                                    spaken van het wiel komt;</al></li>
              <li nr="-"><al>de omstandigheden zijn van dien aard dat zonder spaakbeschermers
                                    er gesproken kan worden van een onveilige situatie;</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Stokhouders</vet>
            </al>
            <al>Voor de montage van een stokhouder is een indicatie aanwezig wanneer er
                            naast de rolstoel ter overbrugging van loopafstanden gebruik gemaakt
                            wordt van een stok of elleboogkruk.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Zuurstoffleshouders</vet>
            </al>
            <al>Wanneer iemand aangewezen is op het gebruik van zuurstof en de
                            zuurstoffles dient meegenomen te worden op de rolstoel, dan kan een
                            aparte houder op de rolstoel gemonteerd worden voor een veilig vervoer
                            van de zuurstoffles.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Zonnekap/ scherm</vet>
            </al>
            <al>In incidentele gevallen kan er sprake zijn van een medische noodzaak tot
                            verstrekking van een zonnescherm op wandelwagen of buggy.</al>
            <al/>
            <al>Het criterium hiervoor is:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>er is sprake van een aandoening op grond waarvan men niet direct
                                    mag worden blootgesteld aan (zon)licht en de normaal in de
                                    handel zijnde zonnekappen passen niet op de gebruikte rolstoel/
                                    wandelwagen.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>7.11</label>
              <label>Onderhoud</label>
            </kop>
            <al>Rolstoelen worden door de gemeente gekocht van de leverancier en
                            vervolgens in bruikleen verstrekt aan de cliënt. In de
                            bruikleenovereenkomst, die men bij aflevering van een rolstoel
                            ondertekent is opgenomen dat de gebruiker verantwoordelijk is voor klein
                            onderhoud en de normale verzorging van de rolstoel, zoals het
                            schoonhouden, het op spanning houden van de banden en het bijvullen van
                            accu's</al>
            <al>Met de leverancier is een onderhoudscontract afgesloten voor groot
                            onderhoud. In grote lijnen houdt dit in dat men voor het onderhoud dat
                            buiten de eigen mogelijkheden van de gebruiker ligt een beroep kan doen
                            op de leverancier.</al>
            <al/>
            <al>Uit praktische overwegingen worden de standaard onderhoudsbeurten
                            meestal gecombineerd met de noodzakelijke reparaties aan een
                            rolstoel.</al>
            <al/>
            <al>Kosten van reparatie en vervanging van onderdelen zijn over het algemeen
                            voor rekening van de gemeente. Als reparaties het gevolg zijn van
                            (opzettelijk) onzorgvuldig gebruik kan de gemeente de kosten van
                            reparatie in rekening brengen bij de cliënt. </al>
            <al/>
            <al>Indien de aanvrager bij de verstrekking van een rolstoel kiest voor een
                            persoonsgebonden budget dan zijn in het budget de kosten van onderhoud
                            (klein en groot) al meegenomen. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>7.12</label>
              <label>Verzekering</label>
            </kop>
            <al>Voor alle elektrisch voortbewogen rolstoelen, die deelnemen aan het
                            verkeer geldt een verplichting tot verzekeren. Deze zogenaamde
                            “bromfietsverzekering” wordt door de gemeente betaald. De elektrische
                            rolstoel wordt door de leverancier aangemeld bij de
                            verzekeringsmaatschappij. Alle schademeldingen worden door de
                            leverancier afgehandeld. De verzekering omvat een WA en Casco
                            dekking.</al>
            <al>Indien de aanvrager bij de verstrekking van een rolstoel kiest voor een
                            persoonsgebonden budget dan zijn in het budget de kosten van onderhoud
                            (klein en groot) al meegenomen. </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <label>7.13 Training</label>
            </kop>
            <al>Binnen het kader van de Wmo zijn 2 soorten trainingen mogelijk in het
                            leren omgaan met een rolstoel:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>trainingen tijdens het adviestraject;</al></li>
              <li nr="·"><al>trainingen na aflevering van een voorziening.</al></li>
            </lijst>
            <al>Hierbij wordt uitgegaan van gemiddeld 3 trainingen per cliënt.</al>
            <al/>
            <al>
              <vet>Training tijdens het adviestraject</vet>
            </al>
            <al>De training tijdens het adviestraject is bedoeld om te kunnen komen tot
                            een goed inzicht in de motorische en cognitieve vaardigheden van een
                            cliënt om zich met een (elektrische) rolstoel te verplaatsen.</al>
            <al>Na deze training wordt besloten of er tot verstrekking van een rolstoel
                            kan worden overgegaan.</al>
            <al/>
            <al>De training is opgebouwd uit verschillende onderdelen:</al>
            <lijst>
              <li nr="·"><al>technische voertuigbeheersing;</al></li>
              <li nr="·"><al>toetsen en/of trainen van het inzicht in het rijden.</al></li>
            </lijst>
            <al/>
            <al>
              <vet>Training na aflevering van een voorziening</vet>
            </al>
            <al>Deze training is bedoeld om iemand vertrouwd te maken met een reeds
                            verstrekte voorziening. </al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>