<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR347160_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning Moerdijk</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Moerdijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Moerdijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Moerdijkse Bode</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning Moerdijk</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035362">de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede derde en zevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7,</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035362">2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning Moerdijk</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Moerdijk, in zijn vergadering van 30 oktober
                        2014,</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 16 september
                        2014;</al><al>gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede derde en zevende lid,
                        2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7,2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van
                        de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al><al>gezien het advies van de Commissie Sociale Infrastructuur, gezien het advies
                        van de Wmo Raad;</al><al>overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze
                        waarop zij hun leveninrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;
                        dat van burgers verwacht mag worden dat zijelkaar daarin naar vermogen
                        bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun</al><al>omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot
                        participatie, een beroepmoeten kunnen doen op ondersteuning door de
                        gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigenleefomgeving kunnen blijven
                        wonen; dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering
                        van</al><al>het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot
                        de ondersteuning bij deversterking van de zelfredzaamheid en participatie
                        van personen met een beperking of met chronischepsychische of psychosociale
                        problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is omde
                        toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een
                        beperking tebevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een
                        inclusieve samenleving;</al><al/><al><vet>BESLUIT</vet></al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al/><al><vet>Verordening maatschappelijke ondersteuning Moerdijk</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel><vet>Begripsbepalingen</vet></titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                        onder:</al><al>algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld
                        voor mensen met een</al><al>beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is
                        dan vergelijkbare</al><al>producten;</al><al>andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet
                        maatschappelijke</al><al>ondersteuning 2015;</al><al>bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de
                        wet;</al><al>gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel
                        2.3.2, eerste lid, van de</al><al>wet;</al><al>hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in
                        artikel 2.3.2, eerste lid,</al><al>van de wet;</al><al>melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid,
                        van de wet;</al><al>pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;</al><al>wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Melding hulpvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden
                                gemeld.</al></li><li nr="2."><al>Het college bevestigt de ontvangst van een melding
                                schriftelijk.</al></li><li nr="3."><al>In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet
                                treft het college na de meldingonverwijld een tijdelijke
                                maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het
                                onderzoek.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Cliëntondersteuning</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op
                                gratis cliëntondersteuning,waarbij het belang van de cliënt
                                uitgangspunt is.</al></li><li nr="2."><al>Het college wijst de cliënt, zijn vertegenwoordiger en/of zijn
                                mantelzorger voor het onderzoek,bedoeld in artikel 2.3.2, eerste
                                lid, van de wet, op de mogelijkheid voor de cliënt gebruik te
                                makenvan gratis cliëntondersteuning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel
                                2.3.2, eerste lid, van de wet, vanbelang zijnde en toegankelijke
                                gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedigmogelijk
                                met hem een afspraak voor een gesprek.</al></li><li nr="2."><al>Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige
                                gegevens en bescheiden die naar hetoordeel van het college voor het
                                onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs debeschikking
                                kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een
                                identificatiedocument als bedoeld inartikel 1 van de Wet op de
                                identificatieplicht ter inzage.</al></li><li nr="3."><al>Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college
                                in overeenstemming met decliënt afzien van een vooronderzoek als
                                bedoeld in het eerste en tweede lid.</al></li><li nr="4."><al>Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een
                                persoonlijk plan alsbedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet
                                op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagenna de melding in de
                                gelegenheid het plan te overhandigen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Gesprek</titel></kop><al>1.Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en degene door of
                        namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de
                        mantelzorger of mantelzorgers.</al><lijst><li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;</al></li><li nr="c."><al>de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of
                                algemeen gebruikelijkevoorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn
                                participatie te handhaven ofte verbeteren, oftevoorkomen dat hij een
                                beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit
                                zijn sociaal netwerk tekomen tot verbetering van zijn
                                zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij
                                eenberoep moet doen op een maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="e."><al>de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger
                                van de cliënt;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening,
                                zoals opgenomen inhet beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de
                                wet, of door het verrichten vanmaatschappelijk nuttige activiteiten
                                te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of
                                zijnparticipatie, ofte voorkomen dat hij een beroep moet doen op een
                                maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of
                                door samen metzorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de
                                Zorgverzekeringswet en anderepartijen op het gebied van publieke
                                gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk eninkomen, te
                                voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;</al></li><li nr="i."><al>welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het
                                bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en</al></li><li nr="j."><al>de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de
                        cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die
                        keuze.</al></li></lijst><al>2.Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid,
                        aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het
                        eerste lid.</al><al>3.Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek,
                        diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt schriftelijk toestemming om zijn
                        persoonsgegevens te verwerken.</al><al>4.Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het
                        bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Schriftelijke weergave van het onderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college zorgt voor een schriftelijke weergave van de uitkomsten
                                van het onderzoek.</al></li><li nr="2."><al>Binnen 14 dagen na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt
                                de in het eerste lid bedoelde schriftelijke weergave.</al></li><li nr="3."><al>Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan de
                        schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek toegevoegd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag
                                om eenmaatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het
                                college.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan een ondertekende schriftelijke weergave van de
                                uitkomsten van het onderzoekaanmerken als aanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Criteria voor een maatwerkvoorziening</titel></kop><al>1.Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een
                        aanvraag om een maatwerkvoorziening.</al><al>2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of
                                participatie die de cliëntondervindt, voor zover de cliënt deze
                                beperkingen naar het oordeel van het college niet opeigen kracht,
                                met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere
                                personen uit zijnsociale netwerk dan wel met gebruikmaking van
                                algemeen gebruikelijke voorzieningen ofalgemene voorzieningen kan
                                verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert,rekening
                                houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek,
                                een passendebijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de
                                cliënt in staat wordt gesteld totzelfredzaamheid en/of participatie
                                en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.</al></li><li nr="b."><al>b.ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de
                                samenleving van de cliëntmet psychische of psychosociale problemen
                                en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, aldan niet in
                                verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk
                                geweld, voor zoverde cliënt deze problemen naar het oordeel van het
                                college niet op eigen kracht, metgebruikelijke hulp, met mantelzorg
                                of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerkdan wel met
                                gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of
                                wegnemen. Demaatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de
                                uitkomsten van het in artikel 5bedoelde onderzoek, een passende
                                bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliëntaan beschermd
                                wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de
                                cliënt instaat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen
                                kracht te handhaven in de samenleving.</al></li></lijst><al>3.Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid
                        en/of participatie zoals bedoeld in tweede lid onder a. geldt dat een cliënt alleen voor een
                        maatwerkvoorziening in aanmerking komt als:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet
                                vermijdbaar was, en</al></li><li nr="b."><al>de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs
                                niet verwacht kon wordenmaatregelen te hebben getroffen die de
                                hulpvraag overbodig had gemaakt, en</al></li><li nr="c."><al>deze zijn hoofdverblijf in de gemeente Moerdijk heeft.</al></li></lijst><al>4. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder
                        door het collegeverstrekte voorziening wordt deze slechts verstrekt als de
                        eerder verstrekte voorziening technischis afgeschreven,</al><lijst><li nr="a."><al>tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als
                                gevolg van omstandigheden dieniet aan de cliënt zijn toe te
                                rekenen;</al></li><li nr="b."><al>tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de
                                veroorzaakte kosten, of</al></li><li nr="c."><al>als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt
                                voor de behoefte van decliënt aan maatschappelijke
                                ondersteuning.</al></li></lijst><al>5.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de
                        goedkoopst adequate voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Advisering</titel></kop><al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies
                        vragen als het dit vanbelang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een
                        maatwerkvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><al>1.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de
                        beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat
                                daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt, en</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of
                                kunnen zijn.</al></li></lijst><al>2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb
                        wordt in de beschikkingin ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk resultaat het pgb dient te worden aangewend;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld,
                                en</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.</al></li></lijst><al>3. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de
                        beschikking geïnformeerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Regels voor pgb</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6
                                van de wet.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet
                                verstrekt het college geen pgb voorzover de aanvraag betrekking
                                heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan deindiening
                                van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de
                                ingekochte voorzieningnoodzakelijk was.</al></li><li nr="3."><al>Het College verstrekt geen pgb als het bieden van een keuze voor het
                                pgb negatieve gevolgenzou hebben voor het voortbestaan van het
                                systeem van de desbetreffende maatwerkvoorzieningin natura.</al></li><li nr="4."><al>Het tarief voor een pgb:</al><lijst><li nr="a."><al>is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld plan over hoe
                                        hij het pgb gaat besteden;</al></li><li nr="b."><al>is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te
                                        kopen, en</al></li><li nr="c."><al>bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende
                                        situatie goedkoopst adequatemaatwerkvoorziening in
                                        natura.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De hoogte van een pgb voor dienstverlening is opgebouwd uit
                                verschillende kostencomponenten,zoals salaris, vervanging tijdens
                                vakantie, verzekeringen en reiskosten.</al></li><li nr="6."><al>De hoogte van een pgb voor een zaak</al><lijst><li nr="a."><al>wordt bepaald op basis van het bedrag voor de goedkoopst
                                        adequate voorziening in natura.Dit betreft de aanschafprijs
                                        en kosten voor onderhoud-en reparatie en indien van
                                        toepassingverzekeringskosten gedurende de minimale
                                        toekenningsduur van het pgb .</al></li><li nr="b."><al>het pgb voor de aanschafkosten wordt bepaald op basis van onderzoek naar
                        marktconforme tarieven voor de aanschaf van de betreffende zaak</al></li><li nr="c."><al>Het pgb voor onderhoud, reparatie en indien van toepassing verzekering
                        voor de zaak wordt op basis van onderzoek naar marktconforme tarieven vastgesteld.</al></li><li nr="d."><al>Als een zaak na de minimale termijn zoals bedoeld in het zesde lid onder a
                        nog adequaat is wordt geen nieuw pgb voor de aanschafkosten toegekend. Wel wordt jaarlijks
                        een pgb toegekend voor de instandhoudingskosten conform hetgeen bepaald is in het
                        zesde lid onder c.</al></li><li nr="e."><al>Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen,
                        woningaanpassingen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden betreffende het tarief,
                        betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk:</al></li><li nr="f."><al>daar waar de ondersteuning de gebruikelijke hulp overstijgt, en</al></li><li nr="g."><al>dat deze persoon een tarief krijgt betaald voor zijn diensten van
                                maximaal het op grond van de Wet langdurige zorg geldende pgb-uurtarief voor hulp van
                        niet-professionele zorgverleners,</al><al>en</al></li><li nr="i."><al> dat tussenpersonen of belangbehartigers niet uit het pgb mogen worden
                        betaald.</al></li></lijst></li></lijst><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit en effectiviteit van de
                        geleverde ondersteuning, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb's.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en
                            algemene voorzieningen</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                                cliëntondersteuning, tenzij andersgeregeld door het college op grond
                                van het tweede lid, en,</al></li><li nr="b."><al>voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang hij van de
                                maatwerkvoorziening gebruikmaakt of gedurende de periode waarvoor
                                het pgb wordt verstrekt, overeenkomstig het Besluitmaatschappelijke
                                ondersteuning, en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de
                                cliënten zijn echtgenoot.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning,
                                de cliënt een bijdrage isverschuldigd;</al></li><li nr="b."><al>dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van
                                een woningaanpassingvoor een minderjarige is verschuldigd door de
                                onderhoudsplichtige ouders, daaronderbegrepen degene tegen wie een
                                op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboekgegrond verzoek
                                is afgewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder
                                hetgezag uitoefent over een cliënt.</al></li><li nr="c."><al>de aard, inhoud en hoogte van de bijdrage voor een algemene
                                voorziening.</al></li><li nr="d."><al>voor welke groepen cliënten er een korting geldt op de bijdrage voor
                                een algemenevoorziening</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college bepaalt bij nadere regeling:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening en
                                        pgb wordt bepaald, en</al></li><li nr="b."><al>door welke andere instantie dan het CAK in de gevallen
                                        bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid,de bijdragen voor een
                                        maatwerkvoorziening of pgb worden vastgesteld en geïnd.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><al>1.Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met
                        betrekking tot de</al><al>deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:</al><lijst><li nr="a."><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de
                                cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;</al></li><li nr="c."><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in
                                het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele
                        standaard;</al></li></lijst><al>2.Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden
                        gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van
                        beroepskrachten daaronder begrepen.</al><al>3.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                        naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks
                        cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de
                        geleverde voorzieningen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><al>1.Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en
                        geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een
                        toezichthoudend ambtenaar aan.</al><al>2.Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich
                        heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend
                        ambtenaar.</al><al>3.De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet
                        onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het
                        voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.</al><al>4.Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden
                        voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                            terugvordering</titel></kop><al>1.Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op
                        verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem
                        redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van
                        een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.</al><al>2.Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als
                        bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt
                        dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
                        verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is
                                aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                                achten;</al></li><li nr="d."><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb
                                verbonden voorwaarden,</al></li></lijst><al>of</al><lijst><li nr="e."><al>de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander
                                doel gebruikt.</al></li></lijst><al>3.Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden
                                        ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de
                        voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.</al><al>4.Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft
                        ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt
                        opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan
                        opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten
                        onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.</al><al>5.Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                        ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al><al>6.Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                        ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van
                        waardering voor mantelzorgers</al><al>van cliënten in de gemeente bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische
                            problemen</titel></kop><al>Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel
                        2.1.2 van de wet, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of
                        psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming
                        verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                            derden</titel></kop><al><vet>1. </vet>Het college houdt in het belang van een goede
                        prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder
                        geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="c."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                personeel als gevolg van verlof,</al></li></lijst><al>ziekte, scholing en werkoverleg;</al><lijst><li nr="d."><al>kosten voor bijscholing van het personeel, en</al><lijst><li nr="2."><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                        prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de</al></li></lijst></li></lijst><al>tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen,
                        in ieder geval</al><al>rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de marktprijs van de voorziening, en</al></li><li nr="b."><al>de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de
                                leverancier worden gevraagd, zoals:</al></li></lijst><al>1°. aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;</al><al>2°. instructie over het gebruik van de voorziening;</al><al>3°. onderhoud van de voorziening, en</al><al>4°. verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijv. sociaal
                        wijkteams).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><al><vet>1. </vet>Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van
                        klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in
                        deze verordening.]</al><al>2.Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van
                        cliënten in ieder geval ten aanzien van maatwerkvoorzieningen.</al><al>3.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                        naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de
                        aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                            ondersteuning</titel></kop><al>1.Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten
                        over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn in ieder
                        geval ten aanzien van maatwerkvoorzieningen.</al><al>2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                        naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de
                        aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><al>1.Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval
                        cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende
                        maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
                        gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.</al><al>2.Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen
                        voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de
                        besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke
                        ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.</al><al>3.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek
                        overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van
                        de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en
                        ondersteuning.</al><al>4.Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en
                        derde lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><al>1.De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Moerdijk wordt ingetrokken per 1 januari 2015.</al><al>2.Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van
                        de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Moerdijk, totdat het
                        college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is
                        verstrekt, wordt ingetrokken.</al><al>3.Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening voorzieningen
                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Moerdijk en waarop nog niet is beslist bij het in
                        werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.</al><al>4.Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening
                        voorzieningen &gt;maatschappelijke ondersteuning gemeente Moerdijk, wordt beslist met
                        inachtneming van die verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke
                                ondersteuning Moerdijk.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de raadsvergadering d.d. 30 oktober 2014,</ondertekening><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 gemeente
                        Moerdijk</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
                    (hierna: Wmo</al><al>2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en - met toepassing
                    van een</al><al>budgetkorting - financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken
                    uit de Algemene Wet</al><al>Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ). Deze taken worden toegevoegd aan het
                    takenpakket dat al</al><al>bij gemeenten lag onder de 'oude' Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij
                    wordt deels</al><al>voortgeborduurd op de weg die met die wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat
                    redelijkerwijs</al><al>verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar
                    nodig de gemeente in</al><al>aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene
                    voorziening o f - als dat</al><al>niet volstaat- een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan
                    zijn mogelijkheden</al><al>om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren
                    in de maatschappij.</al><al>Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de
                    hulpvraag van de</al><al>cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te
                    achterhalen wat de cliënt op</al><al>eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal
                    netwerk dan wel door het</al><al>verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn
                    zelfredzaamheid en participatie te</al><al>handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een
                    algemene</al><al>voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of
                    sprake is van een</al><al>voorliggende of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015
                    valt. De Wmo 2015</al><al>en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom <cursief>[in
                        hoofdlijnen] </cursief>vast. Want waar het</al><al>recht op compensatie dat bestond onder de 'oude' Wet maatschappelijke
                    ondersteuning is komen te</al><al>vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure
                    daartegenover gesteld. Een</al><al>dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een
                    juist eindoordeel</al><al>moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is.</al><al>Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen
                    maatwerkvoorziening verstrekt</al><al>of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of
                    participatie, of dat</al><al>hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene
                    daartegen</al><al>vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de
                    beslissing op zijn</al><al>bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de
                    voorgeschreven</al><al>procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate
                    wijze heeft verricht</al><al>en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een
                    situatie waarin de</al><al>cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang
                    mogelijk in de eigen</al><al>leefomgeving kan blijven.</al><al>De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De
                    uitvoering hiervan</al><al>zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door
                    deskundige consulenten,</al><al>ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet
                    'het college' staat, kan</al><al>het college deze bevoegdheid namelijk mandateren aan ondergeschikten dan wel
                    nietondergeschikten</al><al>op grond van de algemene regels van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de
                    wet</al><al>kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter
                    alleen mandateren aan</al><al>een aanbieder. Zie voor de definitie van 'aanbieder' de toelichting onder
                    artikel 1. Deze beperking</al><al>geldt alleen voor mandatering aan niet-ondergeschikten. Het college kan de
                    vaststelling van rechten</al><al>en plichten ook aan ondergeschikten mandateren.</al><al>De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per
                    verordening de regels dient</al><al>vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte
                    gemeentelijk beleidsplan met</al><al>betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. In de verordening dient
                    overeenkomstig de artikelen</al><al>2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van
                    de Wmo 2015 in ieder</al><al>geval bepaald te worden:</al><al>-op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt
                    voor een</al><al>maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of
                    opvang in aanmerking</al><al>komt;</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt
                            vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief
                            eisen met betrekking tot de</al></li></lijst><al>deskundigheid van beroepskrachten;</al><al>-ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van
                    klachten van cliënten</al><al>vereist is;</al><al>-ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten
                    over</al><al>voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn
                    vereist is;</al><al>-op welke wijze ingezeten, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden
                    betrokken bij</al><al>uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en
                    ongevraagd advies kunnen</al><al>uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van
                    ondersteuning en deel</al><al>kunnen nemen aan periodiek overleg;</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend;
                            en</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van
                            waardering voor de mantelzorgers</al></li></lijst><al>van cliënten in de gemeente.</al><al>Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6,
                    eerste lid, van de Wmo</al><al>2015 per verordening regels te stellen:</al><al>-voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening
                    of een</al><al>persoonsgebonden budget, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet;</al><al>-ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de
                    eisen die worden</al><al>gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien
                    daarvan de uitvoering van</al><al>de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te
                    worden met de</al><al>deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke
                    arbeidsvoorwaarden.</al><al>Op basis van het dualisme, waardoor de Raad belast is met de kaderstelling en de
                    hoofdlijnen, en het</al><al>College verantwoordelijk is voor de uitvoering, wordt de uitwerking van
                    bovenstaande bepalingen</al><al>gedelegeerd aan het College.</al><al>Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid,
                    2.1.5, eerste lid,</al><al>2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015:</al><al>-bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde
                    cliëntondersteuning, en</al><al>maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd zullen zijn;</al><al>-de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook
                    wanneer de cliënt</al><al>de ondersteuning zelf inkoopt met een persoonsgebonden budget, in de verordening
                    verschillend</al><al>vaststellen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting
                    wordt gegeven voor</al><al>personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage
                    afhankelijk is van het</al><al>inkomen en het vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot;</al><al>-bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere instantie dan
                    het CAK wordt</al><al>vastgesteld en geïnd;</al><al>-bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de eigenaar is
                    van de woning, een</al><al>bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die
                    anders dan als ouder</al><al>samen met de ouder het gezag over de cliënt uitoefent;</al><al>-bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of
                    psychosociale problemen</al><al>die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming
                    wordt</al><al>verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie, en
                    vaststellen welke de</al><al>toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot de financiële draagkracht;</al><al>-bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een
                    persoonsgebonden</al><al>budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort
                    tot het sociale</al><al>netwerk.</al><al>Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op
                    grond van artikel</al><al>2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt
                    het door het</al><al>gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke
                    ondersteuning vastgelegd.</al><al/><tussenkop><vet>Artikelsgewijs</vet></tussenkop><tussenkop><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></tussenkop><al>Een algemeen gebruikelijke voorziening is bijvoorbeeld een elektrische fiets.
                    'Gebruikelijke hulp' is niet</al><al>in de verordening, maar in de wet gedefinieerd en is bijvoorbeeld de hulp van
                    een partner van de</al><al>cliënt. Zie ook de wettelijke definitie hieronder.</al><al>Het gesprek is het mondeling contact na een melding waarin het college met
                    degene die</al><al>maatschappelijke ondersteuning vraagt zijn gehele situatie inventariseert ten
                    aanzien van zijn</al><al>mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met
                    hulp van andere</al><al>personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van voorliggende
                    voorzieningen,</al><al>algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of
                    maatwerkvoorzieningen zijn</al><al>zelfredzaamheid of participatie te verbeteren ofte voorkomen dat hij gebruik
                    moet maken van</al><al>beschermd wonen of opvang.</al><al>Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet (in artikel
                    1.1.1) al een flink aantal</al><al>definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Voor de
                    duidelijkheid zijn een aantal</al><al>belangrijke wettelijke definities hieronder weergegeven.</al><al>-aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden
                    is een algemene</al><al>voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren;</al><al>-algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder
                    voorafgaand onderzoek naar</al><al>de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk
                    is en dat is</al><al>gericht op maatschappelijke ondersteuning;</al><al>-begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en
                    participatie van de cliënt</al><al>opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven;</al><al>-cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie
                    een</al><al>maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens
                    wie een melding is</al><al>gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid;</al><al>-cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en
                    algemene</al><al>ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en
                    participatie en het</al><al>verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van
                    maatschappelijke</al><al>ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen,
                    werk en inkomen;</al><al>-gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in
                    redelijkheid mag worden</al><al>verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere
                    huisgenoten;</al><al>-maatschappelijke ondersteuning:</al><al>1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de
                    toegankelijkheid van</al><al>voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid
                    en leefbaarheid in</al><al>de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld,</al><al>2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een
                    beperking of met</al><al>chronische psychische of psycho-sociale problemen zoveel mogelijk in de eigen
                    leefomgeving,</al><al>3°. bieden van beschermd wonen en opvang;</al><al>-maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van
                    een persoon</al><al>afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                    maatregelen:</al><al>1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in
                    een instelling ter</al><al>ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede
                    hulpmiddelen,</al><al>woningaanpassingen en andere maatregelen,</al><al>2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke
                    vervoer, alsmede</al><al>hulpmiddelen en andere maatregelen,</al><al>3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang;</al><al>-mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd
                    wonen, opvang,</al><al>jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten
                    als bedoeld in de</al><al>Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen
                    bestaande sociale relatie</al><al>en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;</al><lijst><li nr="-"><al>participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;</al></li><li nr="-"><al>persoonsgebonden budget: bedrag waaruit namens het college betalingen
                            worden gedaan voor</al></li></lijst><al>diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot
                    een</al><al>maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken;</al><al>-sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de
                    cliënt een sociale</al><al>relatie onderhoudt;</al><al>-vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die
                    niet in staat kan</al><al>worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake;</al><lijst><li nr="-"><al>voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="-"><al>zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke
                            algemene dagelijkse</al></li></lijst><al>levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.</al><al>Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal
                    (definitie)bepalingen die voor deze</al><al>verordening van belang zijn, zoals: 'aanvraag' (artikel 1:3, derde lid): een
                        <cursief>verzoek van een</cursief></al><al><cursief>belanghebbende om een besluit te nemen, </cursief>en 'beschikking'
                    (artikel 1:2).</al><tussenkop>Procedureregels aanvraag maatschappelijke ondersteuning</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 2. Melding hulpvraag</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan
                    worden gezien als</al><al>een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid
                    en tweede lid, onder a,</al><al>van de wet. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in
                    ieder geval bepaalt op</al><al>welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor
                    zelfredzaamheid,</al><al>participatie, beschermd wonen of opvang.</al><al>In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het
                    college melding wordt gedaan</al><al>van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding
                    onderzoekt. Deze</al><al>bepaling verankert ook in de verordening dat bij het college een melding kan
                    worden gedaan en door</al><al>wie. In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet
                    kan worden gedaan dan</al><al>nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het
                    onderzoek niet is</al><al>uitgevoerd binnen de termijn van zes weken.</al><al>Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is
                    vormvrij en kan</al><al>schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden
                    gedaan. Zie de algemene</al><al>toelichting over mandatering door het college.</al><al>In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer
                    per email) kan</al><al>worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg
                    geopend is. De</al><al>melding kan 'door of namens de cliënt' worden gedaan. Dit kan ruim worden
                    opgevat. Naast de cliënt</al><al>kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid,
                    buurman of andere</al><al>betrokkene de melding doen.</al><al>In het eerste lid is met gebruik van de in artikel 1 gedefinieerde term
                    'hulpvraag' een</al><al>afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een
                    andere wet kan</al><al>worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt
                    hier bijvoorbeeld aan</al><al>de Zorgverzekeringswet, de Wet werk en bijstand en de Leerplichtwet. Zie ook de
                    tekst en toelichting</al><al>van artikel 8, tweede lid.</al><al>In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel
                    2.3.2, eerste lid, slotzin, van</al><al>de wet). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een
                    elektronisch</al><al>ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan - en ligt voor de hand - ook
                    elektronisch. Indien de</al><al>melding mondeling of telefonisch is gedaan, zou dit ook kunnen worden
                    afgesproken.</al><al>Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie
                    artikel 2.3.2, eerste</al><al>lid, van de wet), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in
                    het kader van deze</al><al>termijn van belang.</al><al>In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet een uitzondering
                    vervat voor spoedeisende</al><al>gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen
                    een passende tijdelijke</al><al>maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het
                    onderzoek dat volgt na</al><al>de melding.</al><al/><tussenkop>Artikel 3. Cliëntondersteuning</tussenkop><al>Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college
                    in artikel 2.2.4, eerste lid,</al><al>onder a, en tweede lid, van de wet. De wet adresseert het college rechtstreeks
                    en vraagt niet om</al><al>hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is
                    toch in de verordening</al><al>opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van
                    rechten en</al><al>plichten van cliënten te geven. Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning
                    op grond van de wet</al><al>voor de cliënt kosteloos is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van
                    de wet (Kamerstukken II</al><al>2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in
                    ieder geval een</al><al>algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren. In het tweede lid
                    is overeenkomstig</al><al>artikel 2.3.2, derde lid, van de wet bepaald dat het college de betrokkene na
                    melding van de</al><al>ondersteuningsvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis
                    cliëntondersteuning.</al><al/><tussenkop>Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan</tussenkop><al>Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het
                    eerste lid dient</al><al>ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in
                    samenspraak met de</al><al>cliënt bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet worden belast
                    met vragen over</al><al>zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van
                    de inhoud van de</al><al>melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de
                    belanghebbende</al><al>afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens het gesprek
                    kunnen op basis van dit</al><al>vooronderzoek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de cliënt worden
                    verzocht om nog</al><al>een aantal stukken over te leggen.</al><al>De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in het tweede lid,
                    is opgenomen</al><al>overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet. In het kader van de
                    rechtmatigheid is het op</al><al>grond van artikel 2.3.4 van de wet in ieder geval verplicht om de identiteit van
                    de cliënt vast te stellen</al><al>aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                    identificatieplicht en is de</al><al>cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat
                    document ter inzage te</al><al>geven. Bij de gegevensverzameling op grond van het eerste en tweede lid zullen
                    de grenzen van de</al><al>Wet bescherming persoonsgegevens in acht genomen moeten worden.</al><al>Op grond van het derde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat
                    een onnodige</al><al>herhaling van zetten zou betekenen.</al><al>In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet de
                    verplichting voor het college</al><al>opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om
                    een persoonlijk plan</al><al>op te stellen en deze binnen zeven dagen (conform de Algemene Termijnenwet) aan
                    het college te</al><al>overhandigen. Zie ook artikel 5, tweede lid.</al><al/><tussenkop>Artikel 5. Gesprek</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan
                    worden gezien als</al><al>een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid
                    en tweede lid, onder a,</al><al>van de wet, waarbij onder meer is bepaald dat de gemeente bij verordening in
                    ieder geval regels</al><al>vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2
                    bedoelde plan en de door het</al><al>college te nemen besluiten ofte verrichten handelingen.</al><al>De onderdelen van het eerste lid zijn overeenkomstig de opsomming in artikel
                    2.3.2 van de wet</al><al>opgenomen. In artikel 2.3.2, eerste lid, wordt niet de aanduiding "het gesprek"
                    gebruikt maar "een</al><al>onderzoek in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en
                    waar mogelijk</al><al>met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger". De
                    memorie van toelichting</al><al>op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143)
                    verduidelijkt dat voor een</al><al>zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van persoonlijk
                    contact met betrokkene of</al><al>een vertegenwoordiger van betrokkene, aangezien daardoor een adequaat
                    totaalbeeld van de</al><al>betrokkene en zijn situatie verkregen kan worden. Het eerste lid bepaalt daarom
                    dat het onderzoek</al><al>moet plaatsvinden in samenspraak met betrokkene, dan wel diens vertegenwoordiger
                    en waar</al><al>mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers. Het begrip mantelzorger(s) dient
                    hierbij breed te</al><al>worden opgevat: familie, vrienden etc. kunnen daaronder verstaan worden. De vorm
                    van het</al><al>onderzoek is vrij.</al><al>In het eerste lid is verder benadrukt dat het gesprek met de cliënt wordt
                    gevoerd door deskundigen</al><al>(namens het college). Het gesprek vindt zo mogelijk bij de cliënt thuis plaats.
                    Indien</al><al>woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker essentieel om de thuissituatie goed
                    te kunnen</al><al>beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden.</al><al>In onderdeel b is als onderwerp van gesprek 'het gewenste resultaat van het
                    verzoek om</al><al>ondersteuning' opgenomen. Dit is belangrijk omdat in de woorden van de nota naar
                    aanleiding van het</al><al>verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183) "de ultieme
                    toetssteen of de</al><al>maatschappelijke ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording
                    van de vraag of de</al><al>cliënt zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft
                    bijgedragen aan een</al><al>verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In het wetsvoorstel Wmo
                    2015 staat het bereiken</al><al>van dit resultaat centraal".</al><al>In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet
                    verankerd dat het college een</al><al>door of namens de cliënt ingediend persoonlijk plan betrekt bij het
                    onderzoek.</al><al>Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet
                    nodig is (zie het vierde</al><al>lid). Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij de gemeente
                    en een eenvoudige</al><al>'vervolgvraag' heeft.</al><al/><tussenkop>Artikel 6. Schriftelijke weergave van het onderzoek</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en
                    een zorgvuldige</al><al>procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet
                    opgenomen.</al><al>Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze
                    verslagplicht is vormvrij.</al><al>Daarom wordt de term schriftelijke weergave van het onderzoek hanteren. Hierbij
                    kan worden</al><al>voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo. In de memorie van toelichting
                    (Kamerstukken II 2013/14,</al><al>33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de
                    uitkomsten van het</al><al>onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een
                    maatwerkvoorziening.</al><al>Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente
                    inzichtelijk om een</al><al>juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een
                    inzichtelijke communicatie</al><al>met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek
                    variëren met de</al><al>uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld
                    heel beperkt</al><al>kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is
                    dat geen aanvraag van</al><al>een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal
                    uiteraard een</al><al>uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de
                    schriftelijke weergave van</al><al>de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt
                    overeengekomen plan</al><al>(arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie
                    waarin de gemaakte</al><al>afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Indien
                    een persoonlijk plan is</al><al>overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag.</al><al>Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog
                    moeten worden</al><al>uitgewerkt en gaat daar een paar dagen overheen. Daarom begint het tweede lid
                    met de zinsnede</al><al>"Binnen 14 dagen na het gesprek". Het kan overigens ook zijn dat na een gesprek
                    de cliënt</al><al>bijvoorbeeld nog onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of
                    hij met iemand kan</al><al>meerijden om boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking
                    heeft. Ook dan is een</al><al>paar dagen tijd na het gesprek nuttig.</al><al/><tussenkop>Artikel 7. Aanvraag</tussenkop><al>Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede
                    lid, onder a, van de wet,</al><al>waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op
                    welke wijze wordt</al><al>vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd</al><al>wonen of opvang in aanmerking komt. De wet bepaalt dat het college binnen twee
                    weken na de</al><al>ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid).
                    In de Awb worden</al><al>regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Op
                    grond van artikel 4:1</al><al>van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk
                    ingediend bij het</al><al>bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college),
                    tenzij bij wettelijk</al><al>voorschrift anders is bepaald.</al><al>In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem
                    gemachtigd persoon</al><al>of een vertegenwoordiger (zie voor een definitie van vertegenwoordiger de
                    toelichting onder artikel 1)</al><al>een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de
                    cliënt die een</al><al>melding kan doen. Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien
                    het hier gaat om de</al><al>formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis
                    van machtiging of</al><al>vertegenwoordiging gesteld.</al><al>Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het tweede lid de
                    mogelijkheid opgenomen</al><al>om een door de cliënt ondertekend verslag als aanvraag aan te merken.</al><al/><tussenkop>Artikel 8.Criteria voor een maatwerkvoorziening</tussenkop><al>In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij
                    verordening moet aangeven</al><al>op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een
                    maatwerkvoorziening</al><al>voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking
                    komt. In de memorie</al><al>van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.
                    134) wordt aangegeven</al><al>dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt.
                    Gemeentelijke</al><al>vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen
                    verschillen en de sociale en</al><al>fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene
                    voorzieningen is niet in</al><al>iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de
                    verordening limitatief wordt</al><al>geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet
                    wel aan de hand</al><al>van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen
                    in welke gevallen</al><al>iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting
                    uitgewerkt.</al><al>Het vijfde lid houdt in dat het college eerst kijkt naar welke voorzieningen
                    adequaat zijn, en vanuit die</al><al>verzameling voorzieningen kiest het college vervolgens de goedkoopste
                    voorziening.</al><al/><tussenkop>Artikel 9. Advisering</tussenkop><al>Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een
                    aanvraag nodig is; als</al><al>dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te
                    doen, is het zelfs in</al><al>zekere zin verplicht.</al><al>Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of
                    afgebakende opdracht wordt</al><al>verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend
                    onderzoek nog nodig is.</al><al>In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De
                    cliënt is verplicht aan</al><al>het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is
                    voor de uitvoering van</al><al>deze wet.</al><al/><tussenkop>Artikel 10. Inhoud beschikking</tussenkop><al>Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in 'natura'
                    krijgt. Indien gewenst</al><al>door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een
                    persoonsgebonden budget.</al><al>Eerste lid, onder a, en tweede lid, onder a: het beoogde resultaat is
                    bijvoorbeeld 'mobiliteit' en niet</al><al>'een scootmobiel'. Zie ook de toelichting op artikel 5, eerste lid, onder
                    b.</al><al>Eerste, onder b, en tweede lid, onder d: onder 'duur' valt ook de termijn waarop
                    een voorziening</al><al>technisch is afgeschreven.</al><al>Het derde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt
                    niet de hoogte van de</al><al>bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK,
                    evenals de mogelijkheid van</al><al>bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de
                    wet, waarin is bepaald</al><al>dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden
                    budget, met</al><al>uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd
                    door het CAK.</al><al/><tussenkop>Artikel 11. Regels voor pgb</tussenkop><al>Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als
                    aan alle wettelijke</al><al>voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college
                    worden gesproken.</al><al>Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit
                    gemotiveerd vraagt (zie artikel</al><al>2.3.6, tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat
                    duidelijk is dat het de</al><al>beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting
                    op amendement</al><al>Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103).</al><al>Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten
                    te declareren.</al><al>Het derde <cursief>[tot en met vijfde] </cursief>lid berust[en] op artikel
                    2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat</al><al>dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van
                    een pgb wordt</al><al>vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. Gemeenten kunnen
                    verschillende</al><al>tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor
                    verschillende typen</al><al>hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven bijvoorbeeld
                    onderscheid maken</al><al>tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door
                    hulpverleners die werken</al><al>volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals
                    werkstudenten, zzp'ers</al><al>zonder diploma's e.d.).</al><al>Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb
                    hoger zijn dan</al><al>de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de
                    wet). De situatie</al><al>waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het
                    college betekent dus</al><al>niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten
                    kunnen zelf</al><al>bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan
                    het door het college</al><al>voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte
                    dat duurder is dan</al><al>het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen
                    doordat de gemeente</al><al>vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen
                    leveren dan</al><al>wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht
                    worden aan vervoersof</al><al>opvangvoorzieningen.</al><al>Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er
                    bijvoorbeeld minder of</al><al>geen overheadkosten hoeven te worden meegerekend. Zo zal voor de ondersteuning,
                    die met een</al><al>pgb wordt ingekocht bij een ZZP'er geen of nauwelijks sprake zijn van
                    overheadkosten. De maximale</al><al>hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de
                    betreffende situatie</al><al>goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in
                    natura.</al><al>Ten aanzien van het zesde lid is van belang dat in de nota naar aanleiding van
                    het verslag</al><al>(Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder
                    dit sociale netwerk</al><al>ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning
                    van het sociale</al><al>netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de
                    gebruikelijke hulp overstijgt en</al><al>dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar
                    doelmatiger is.</al><al>Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt
                    hierbij in ieder geval</al><al>gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij
                    hulpmiddelen,</al><al>woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook
                    hiervoor een pgb</al><al>wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt
                    verstrekt indien naar het</al><al>oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten,
                    hulpmiddelen,</al><al>woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht
                    worden verstrekt</al><al>(artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de
                    kwaliteit als bedoeld in artikel</al><al>2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten,
                    hulpmiddelen,</al><al>woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het
                    doel waarvoor het</al><al>persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de
                    wet).</al><al/><tussenkop>Artikel 12. Regels voor bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene
                    voorzieningen</tussenkop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met derde
                    en zevende lid, en</al><al>2.1.5, eerste lid van de wet. De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen
                    in de kosten van</al><al>algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de kosten van
                    algemene</al><al>voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. In de nota
                    naar aanleiding</al><al>van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 95) staat
                    hierover dat de regering</al><al>gemeenten beleidsruimte geeft door hen de mogelijkheid te bieden om in de
                    verordening te bepalen</al><al>welke eigen bijdrage een cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening.
                    Bij het bieden van</al><al>deze beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier verstandig mee
                    omgaan en</al><al>voorzieningen, zoals laagdrempelige informatievoorziening uit zal sluiten van
                    eigen bijdragen.</al><al>Gemeenten hebben er zelf belang bij om een algemene voorziening (financieel)
                    laagdrempelig te</al><al>maken, zodat de druk op vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt.</al><tussenkop>De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot
                    een bedrag gelijk aan de</tussenkop><tussenkop>kostprijs van de voorziening (artikel 2.1.4, derde lid, eerste zin, van
                    de wet) en in het Besluit</tussenkop><tussenkop>maatschappelijke ondersteuning worden regels vastgesteld met betrekking
                    tot deze bijdragen (artikel</tussenkop><tussenkop>2.1.4, vierde lid, van de wet). De bijdrageregels in de verordening
                    moeten passen binnen de kaders</tussenkop><tussenkop>die het Besluit maatschappelijke ondersteuning stelt.</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 13. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder c,</al><al>van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald
                    welke eisen worden</al><al>gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de
                    deskundigheid van</al><al>beroepskrachten daaronder begrepen.</al><al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij
                    de gemeente en de</al><al>aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke
                    kwaliteitseisen worden</al><al>gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen
                    hebben op de</al><al>deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de
                    memorie van</al><al>toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II
                    2013/14, 33 841, nr. 3)</al><al>dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en
                    die zich rechtstreeks tot</al><al>aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van
                    goede kwaliteit wordt</al><al>verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van
                    cliënten en</al><al>aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.</al><al>In het eerste lid zijn de wettelijk bepaalde kwaliteitseisen uitgewerkt. Het in
                    het derde lid genoemde</al><al>jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1,
                    eerste lid, van de wet.</al><tussenkop>Artikel 14. Meldingsregeling calamiteiten en geweld</tussenkop><al>In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de
                    toezichthoudend ambtenaar,</al><al>bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit
                    die bij de verstrekking</al><al>van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van
                    een voorziening. In</al><al>artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn
                    belast met het houden van</al><al>toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.</al><al>In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 14 dat er door het college een
                    regeling wordt</al><al>opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze
                    meldingen</al><al>onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten
                    en het bestrijden</al><al>van geweld. Overeenkomstig het vierde lid kan het college bij nadere regeling
                    bepalen welke verdere</al><al>eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van
                    een voorziening.</al><tussenkop>Artikel 15. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    vierde lid, van de wet,</al><al>waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld
                    voor de bestrijding van</al><al>het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van
                    misbruik of</al><al>oneigenlijk gebruik van de wet.</al><al>Het eerste, tweede en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de
                    tekst van de wet is</al><al>opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van deze wettekst in de
                    verordening wordt</al><al>beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten
                    onrechte</al><al>ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of
                    oneigenlijk gebruik van</al><al>de wet.</al><al>Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft.
                    Als binnen zes</al><al>maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is
                    getroffen, heeft het</al><al>college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken.
                    Deze bepaling is te zien</al><al>als een verbijzondering van de bepaling in het tweede lid, onder e (dat tevens
                    op</al><al>maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).</al><al>In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van
                    kosten opgenomen en is de</al><al>bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van
                    een ten onrechte</al><al>verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college
                    het terug te vorderen</al><al>bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel
                    2.4.1 (Kamerstukken</al><al>II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de
                    mogelijkheid blijft bestaan om</al><al>maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; 'omdat het niet in alle gevallen
                    mogelijk is een al genoten</al><al>maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de
                    genoten</al><al>maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in
                    aanmerking komt.'</al><al>In het vijfde en zesde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de
                    bevoegdheid geven</al><al>tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte
                    voorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 16. Jaarlijkse waardering mantelzorgers</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een delegatie van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6
                    van de wet. Het college</al><al>werkt in een nadere regeling uit hoe zij zorgt voor een jaarlijkse blijk van
                    waardering voor de</al><al>mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</al><al>Artikel 2.1.6 van de wet stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten
                    in de gemeente. Artikel</al><al>1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een
                    algemene</al><al>voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is
                    gedaan. Het gaat dus</al><al>ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is
                    daar geen</al><al>voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de
                    cliënt bepalend, zodat</al><al>het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen. Het
                    College zal bij nadere</al><al>regeling de doelgroepomschrijving voor de jaarlijkse waardering van
                    mantelzorgers bepalen.</al><al/><tussenkop>Artikel 17. Tegemoetkoming meerkosten personen meteen beperking of
                    chronische problemen</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de wet. Daarin is
                    opgenomen dat bij</al><al>verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een
                    beperking of chronische</al><al>psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke
                    meerkosten</al><al>hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de
                    zelfredzaamheid en de</al><al>participatie.</al><al>De tegemoetkoming kan op aanvraag verstrekt. De beslissing op een dergelijke
                    aanvraag is een</al><al>beschikking.</al><al/><tussenkop>Artikel 18. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                    derden</tussenkop><al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling
                    van de rechten en</al><al>plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste
                    lid, van de wet). Met het</al><al>oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij
                    verordening regels</al><al>worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                    levering van een</al><al>voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel
                    2.6.6, eerste lid, van de</al><al>wet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid
                    van de</al><al>beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden.</al><al>Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                    uitvoering worden in dit</al><al>artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het
                    vaststellen van tarieven</al><al>(naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter
                    beeld ontstaat van</al><al>reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten
                    uitvoeren. Uitgangspunt is dat de</al><al>aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de
                    vereiste</al><al>vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste
                    activiteiten en de</al><al>arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat
                    hun</al><al>werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><al/><tussenkop>Artikel 19. Klachtregeling</tussenkop><al>De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke
                    behandeling van</al><al>mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en
                    bestuursorganen die onder</al><al>haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. [In het eerste lid is een bepaling
                    opgenomen over het</al><al>gemeentelijke klachtrecht. Deze bepaling is niet verplicht op grond van deze wet
                    en is hier</al><al>opgenomen in het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten
                    en plichten van</al><al>cliënten te geven. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb,
                    waarin een uitvoerige</al><al>regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om
                    na de afhandeling</al><al>van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen,
                    kan in deze</al><al>verordening met de eenvoudige bepaling van het eerste lid worden volstaan.</al><al>In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders
                    opgenomen. Een</al><al>dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder
                    e, van de wet, waarin is</al><al>bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke
                    voorzieningen een</al><al>regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder
                    is in ieder geval ten</al><al>aanzien van de in de verordening genoemde maatvoorzieningen verplicht een
                    klachtregeling op te</al><al>stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet).</al><al>In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.
                    57-58) staat dat cliënten in</al><al>beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier
                    waarop zij zich</al><al>bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een</al><al>gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of
                    over diens</al><al>(vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een
                    gedraging van de</al><al>aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde
                    maatschappelijke</al><al>ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde
                    houding of</al><al>uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).</al><al>Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk
                    deze klacht eerst bij de</al><al>betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de
                    aanbieder de klacht snel</al><al>in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling
                    niet naar wens is,</al><al>staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.</al><al>In het derde lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat de</al><al>verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd</al><al/><tussenkop>Artikel 20. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                    ondersteuning</tussenkop><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet,
                    waarin is bepaald dat in</al><al>ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling
                    voor</al><al>medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke
                    voor de</al><al>gebruikers van belang zijn, vereist is.</al><al>In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de
                    aanbieder. Voorheen</al><al>moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet
                    medezeggenschap</al><al>cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak
                    tegenover de</al><al>aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het
                    stellen van regels</al><al>geheel aan gemeenten overgelaten.</al><al>In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders voor in ieder
                    geval</al><al>maatwerkvoorzieningen een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen.
                    De aanbieder is</al><al>ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een</al><al>medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de
                    wet).</al><al>In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat de</al><al>verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.</al><al/><tussenkop>Artikel 21. Betrekken van ingezetenen bij het beleid</tussenkop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet.</al><al>In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
                    vastgestelde</al><al>inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde
                    inspraakprocedure geldt</al><al>voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle
                    ingezetenen. Dit is</al><al>uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment
                    aangewezen kan raken</al><al>op ondersteuning.</al><al>Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling
                    van de</al><al>medezeggenschap vorm te geven.</al><al/><tussenkop>Artikel 22. Intrekking oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op
                    basis van de oude</al><al>verordening. In het derde lid is bepaald dat aanvragen die voor de
                    inwerkingtreding van deze nieuwe</al><al>verordening zijn ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet is
                    beslist, worden afgedaan</al><al>op grond van de nieuwe verordening. In het vierde lid is voor lopende
                    bezwaarschriften bepaald dat</al><al>deze volgens de oude verordening worden afgedaan. Daarnaast bevat de wet nog
                    overgangsrecht</al><al>voor AWBZ cliënten die overgaan naar de Wmo en voor de doelgroep beschermd wonen
                    (zie de</al><al>artikelen 8.1 tot en met 8.4 van de wet.</al><al/><tussenkop>Artikel 23 Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>