<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR347122_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Jeugdhulp gemeente Goirle 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Goirle</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Goirle</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-81160.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26dpr%3dAnderePeriode%26spd%3d20141229%26epd%3d20141229%26sdt%3dDatumPublicatie%26org%3dGoirle%26pnr%3d2%26rpp%3d10%26_page%3d1%26sorttype%3d1%26sortorder%3d4&amp;resultIndex=9&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad, 2014, 81160</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Jeugdhulp gemeente Goirle 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Jeugdwet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-09</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>jeugdhulp</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>
      Verordening Jeugdhulp gemeente Goirle 2015
    </intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="1."><al>Algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet
                                    speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die
                                    algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan
                                    vergelijkbare producten;</al></li><li nr="2."><al>andere voorziening: een voorziening niet vallend onder de
                                    jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
                                    ondersteuning of werk en inkomen;</al></li><li nr="3."><al>gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen
                                    in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders,
                                    inwonende kinderen of andere huisgenoten. </al></li><li nr="4."><al>hulp- en ondersteuningsvraag: de behoefte van een jeugdige of
                                    een ouder aan jeugdhulp in verband met opgroei- en
                                    opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als
                                    bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="5."><al>Individuele voorziening: de via een beschikking toegankelijke op
                                    de</al></li><li nr="6."><al>jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening die
                                    door het college in natura of bij pgb wordt verstrekt, als
                                    bedoeld in artikel 2, 2e lid verordening jeugdhulp </al></li><li nr="7."><al>mantelzorg: hulp ten behoeve van de zelfredzaamheid,
                                    participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden
                                    en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als
                                    bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit
                                    uit een tussenpersonen bestaande sociale relatie en niet wordt
                                    verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. </al></li><li nr="8."><al>melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.2. van
                                    deze verordening </al></li><li nr="9."><al>ondersteuningsplan: het hulpverleningsplan als bedoeld in
                                    artikel 1.1 van de wet;</al></li><li nr="10."><al>overige voorzieningen: de overige voorzieningen als bedoeld in
                                    artikel 2.9, onder a,van de wet, waarvoor geen beschikking van
                                    het college vereist is. In de gemeente Goirle verder te noemen
                                    als algemene voorziening, artikel 2, lid 1 van de verordening
                                    Jeugdhulp.</al></li><li nr="11."><al>participatie; deelnemen aan het maatschappelijk verkeer; </al></li><li nr="12."><al>persoonsgebonden budget (PGB): het persoonsgebonden budget als
                                    bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijn de een door het
                                    college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat
                                    hen instaat stelt de jeugdhulp die in de vorm van een
                                    individuele voorziening is toegekend van derden te
                                    betrekken;</al></li><li nr="13."><al>specialistisch team: door het college aangewezen professionals
                                    die bij ondersteuningsvragen waarbij zorg en ondersteuning
                                    gewenst is, adviseren over het ondersteuningsarrangement;</al></li><li nr="14."><al>spoedeisend: een situatie waarin zo spoedig mogelijk, doch in
                                    ieder geval binnen drie werkdagen hulp moet worden ingezet;</al></li><li nr="15."><al>voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere
                                    voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen;</al></li><li nr="16."><al>wet: Jeugdwet;</al></li><li nr="17."><al>zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de
                                    noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het
                                    voeren van een gestructureerd huishouden.</al></li><li nr="18."><al>zelfredzaamheidsmatrix: schematisch overzicht van
                                    resultaatgebieden in de mate van zelfredzaamheid op het gebied
                                    van sociaal netwerk, huisvesting, financiële situatie,
                                    thuissituatie met en zonder kinderen, opvoed- en
                                    opgroeisituatie, mantelzorgondersteuning en daginvulling. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Toegang</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.</nr><titel>Toegang jeugdhulp via huisarts, medisch specialist of
                                jeugdarts</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een
                                verwijzing door huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een
                                jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemd jeugdhulpaanbieder van
                                oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het
                                afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel
                                3.4. van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.</nr><titel>Toegang jeugdhulp via gemeente, melding hulpvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jeugdigen en hun ouders kunnen een hulpvraag melden bij het
                                college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een
                                passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging
                                gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot een algemene
                                voorziening. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en
                                toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt
                                vervolgens zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het gesprek verschaffen de jeugdige of zijn ouders aan het
                                college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van
                                het college voor onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs
                                de beschikking kunnen krijgen. De jeugdigen of zijn ouders
                                verstrekken in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in
                                artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van
                                een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.</nr><titel>Gesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de
                                jeugdige of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover
                                nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>De behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid,
                                        ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het
                                        probleem of de hulpvraag;</al></li><li nr="b."><al>Het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;</al></li><li nr="c."><al>Het vermogen van de jeugdige of zijn ouders of zelf of met
                                        ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de
                                        hulpvraag te vinden;</al></li><li nr="d."><al>De mogelijkheden om gebruik te maken van een andere
                                        voorziening;</al></li><li nr="e."><al>De mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking
                                        van een algemene voorziening;</al></li><li nr="f."><al>De mogelijkheden om een individuele voorziening te
                                        verstrekken. </al></li><li nr="g."><al>De wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele
                                        voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het
                                        gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning
                                        of werk en inkomen;</al></li><li nr="h."><al>Hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige
                                        gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond
                                        van de jeugdigen en zijn ouders, en</al></li><li nr="i."><al>De mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een
                                        pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouders worden ingelicht
                                        over de gevolgen van die keuze</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de gevallen bedoeld in artikel 8.2.1. van de wet informeert het
                                college de ouders dat een ouderbijdrage is verschuldigd en hoe deze
                                bijdrage wordt geïnd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in
                                artikel 1.1. van de wet hebben opgesteld, betrekt het college dat
                                als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college informeert de jeugdige of zijn ouders over de gang van
                                zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de
                                vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens
                                te verwerken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van
                                een gesprek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.</nr><titel>Verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het
                                onderzoek, bedoeld in artikel 2.4. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen 4 weken na het gesprek verstrekt het college aan de jeugdige
                                of zijn ouders een verslag van de uitkomsten van het onderzoek,
                                tenzij zij hebben medegedeeld dit niet te wensen. Dit kan in de vorm
                                van een ondersteuningsplan. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien nader onderzoek door het specialistisch team nodig is,
                                bedraagt de in lid 2 genoemde termijn 6 weken. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De jeugdigen en/of ouders tekent het verslag voor gezien of akkoord
                                en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen 5 werkdagen wordt
                                geretourneerd aan de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft
                                gevoerd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>als de jeugdige en/ of zijn ouders tekent voor gezien, kan hij
                                daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is.
                            </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/ of zijn
                                ouders worden aan het verslag toegevoegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders kunnen een aanvraag om een individuele
                                voorziening schriftelijk indienen bij het college. De aanvraag wordt
                                ingediend door middel van een door het college vastgesteld
                                formulier. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ook het getekend verslag kan worden aangemerkt als een aanvraag.
                            </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>beoordeling aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.</nr><titel>Criteria voor een individuele voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt het verslag en de zelfredzaamheidsmatrix als
                                uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een individuele
                                voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kent een individuele voorziening toe voor zover in het
                                verslag en ondersteuningsplan zoals bedoeld in artikel 2.5. wordt
                                vastgesteld dat de jeugdige:</al><lijst><li nr="a."><al>Op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit
                                        zijn naaste omgeving geen oplossing voor zijn hulpvraag kan
                                        vinden;</al></li><li nr="b."><al>Geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan
                                        niet gedeeltelijk gebruik te maken van een algemene
                                        voorziening;</al></li><li nr="c."><al>Geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag, door al dan
                                        niet gedeeltelijk gebruik te maken van een andere
                                        voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het
                                college de goedkoopst mogelijke adequate voorziening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een jeugdige kan voor een voorziening in natura of persoonsgebonden
                                budget in aanmerking komen wanneer beperkingen, chronische
                                psychische problemen of psychosociale problemen het gebruik van een
                                collectieve (of algemene) voorziening onmogelijk maken, dan wel niet
                                aanwezig is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.</nr><titel>Weigeringsgronden voor een individuele voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt geen individuele voorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is
                                        gericht;</al></li><li nr="b."><al>als deze niet langdurig noodzakelijk is;</al></li><li nr="c."><al>voor zover er geen sprake is van aantoonbare meerkosten ten
                                        opzicht van de situatie voorafgaand aan de melding;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verstrekt geen PGB gericht op zelfredzaamheid en
                                participatie:</al><lijst><li nr="a."><al>voor hulp door een persoon uit het netwerk van de cliënt
                                        voor zover de soort hulp die wordt verleend, de frequentie
                                        van de hulp, de duur van de hulp en de mate van verplichting
                                        beperkt zijn in zwaarte en omvang;</al></li><li nr="b."><al>voor hulp door een persoon uit het netwerk van de cliënt die
                                        deze hulp eerder om niet heeft geboden;</al></li><li nr="c."><al>aan een mantelzorger die overbelast is of dreigt te geraken
                                        en zelf met het pgb de maatschappelijke ondersteuning wil
                                        blijven verlenen, tenzij de mantelzorger aantoonbaar gestopt
                                        is met betaald werken of minder betaald is gaan werken om
                                        zelf de mantelzorg te kunnen verlenen. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.</nr><titel>Advisering</titel></kop><al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om
                            advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de
                            aanvraag om een individuele voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het
                                afwijzen ervan, vast in een beschikking. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening
                                wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als
                                pgb wordt verstrekt en wordt ook aangegeven hoe bezwaar tegen deze
                                beschikking kan worden gemaakt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de
                                beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te treffen voorziening is en wat het beoogde
                                        resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>welke gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder van
                                        jeugdhulp de voorziening verstrekt, en indien van
                                        toepassing,</al></li><li nr="d."><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen
                                        zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening als pgb wordt in de
                                beschikking vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke individuele voorziening het pgb kan worden
                                        aangewend;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                        pgb;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is berekend;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is
                                        bedoeld, en</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                        pgb.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als sprake is van een te betalen ouderbijdrage wordt hierover
                                informatie in de beschikking opgenomen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Individuele voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1.</nr><titel>Vormen van jeugdhulp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr=""><al>De volgende algemene voorzieningen / vrij toegankelijke
                                        voorzieningen zijn minimaal beschikbaar (basisaanbod):</al></li><li nr="a."><lijst><li nr="-"><al>Kinderopvang / peuterspeelzaalwerk</al></li><li nr="-"><al>Cursussen/trainingen</al></li><li nr="-"><al>Jongerenwerk</al></li><li nr="-"><al>Sport</al></li><li nr="-"><al>begeleiding en verzorging jeugdigen met
                                                verstandelijke beperking</al></li><li nr="-"><al>generalistische basis-ggz voor jeugdigen</al></li><li nr="-"><al>Gezinscoaching</al></li><li nr="-"><al>Gezinsondersteuning</al></li><li nr="-"><al>Jongerentrajecten</al></li><li nr="-"><al>ambulante opvoedhulp</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>Informatie en (opvoed)advies</al></li><li nr="c."><al>Intensief casemanagement</al></li><li nr="d."><al>Jeugdgezondheidszorg maatwerkdeel</al></li><li nr="e."><al>Schoolmaatschappelijk werk</al></li><li nr="f."><al>Voorlichting</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><lijst><li nr=""><al>De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar:</al></li></lijst><al>zonder verblijf:</al><lijst><li nr="-"><al>persoonlijke verzorging</al></li><li nr="-"><al>Begeleiding</al></li><li nr="-"><al>specialistische ambulante jeugdhulp (incl. eerste en tweede
                                        lijns psychologische hulp)</al></li><li nr="-"><al>onderzoek en diagnostiek</al></li></lijst><al>met verblijf </al><lijst><li nr="-"><al>pleegzorg </al></li><li nr="-"><al>gezinsgerichte zorg</al></li><li nr="-"><al>residentiele hulp (inclusief specialistische jeugd GGZ)</al></li><li nr="-"><al>gedwongen verblijf</al></li><li nr="-"><al>bovenregionale gespecialiseerde voorzieningen</al></li><li nr="-"><al>landelijke gespecialiseerde voorzieningen </al></li></lijst><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2.</nr><titel>Regels voor PGB</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Conform artikel 8.1.1 van de wet verstrekt het college alleen een
                                individuele voorziening in de vorm van een pgb:</al><lijst><li nr="a."><al>als de jeugdige of zijn ouders, al dan niet met hulp uit hun
                                        sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder,
                                        mentor of gemachtigde, in staat zijn de aan een pgb
                                        verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;</al></li><li nr="b."><al>als de jeugdige of zijn ouders overtuigend kunnen motiveren
                                        waarom zij de individuele voorziening die door een aanbieder
                                        wordt geleverd, niet passend achten;</al></li><li nr="c."><al>als naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de
                                        jeugdhulp die de jeugdige of zijn ouders willen betrekken
                                        van een aanbieder of een persoon die behoort tot het sociale
                                        netwerk, van goede kwaliteit is;</al></li><li nr="d."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die door
                                        de jeugdige of zijn ouders zijn aangegeven, na is te gaan of
                                        de voorziening noodzakelijk is en als goedkoopste adequate
                                        voorziening aan te merken valt;</al></li><li nr="e."><al>als de jeugdige of zijn ouders de kosten die uitstijgen
                                        boven de kostprijs van de naar het oordeel van het college
                                        adequate individuele voorziening in natura, zelf willen
                                        bekostigen;</al></li><li nr="f."><al>als gebleken is dat de jeugdigen of zijn ouders geen
                                        (problematische) schulden hebben</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de individuele
                                voorziening uitsluitend betrekken van een persoon die behoort tot
                                zijn sociale netwerk indien deze persoon:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zijn diensten niet meer krijgt betaald dan het
                                        vastgestelde bedrag;</al></li><li nr="b."><al>niet heeft aangegeven dat de zorg aan de ontvanger van het
                                        pgb hem te zwaar valt;</al></li><li nr="c."><al>het pgb niet zal gebruiken voor de betaling van
                                        tussenpersonen of belangbehartigers, en </al></li><li nr="d."><al>op geen enkele wijze druk op de ontvanger van het pgb heeft
                                        uitgeoefend bij diens besluitvorming.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van een pgb voor dienstverlening is een percentage dat is
                                afgeleid van het tarief van de vergelijkbare door de gemeente
                                gecontracteerde maatwerkvoorziening in natura en is opgebouwd uit
                                verschillende kostencomponenten. Het college kan nadere regels
                                stellen over de hoogte van het tarief en houdt hierbij rekening met
                                de rechtsvorm van de dienstverlener.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Conform artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige of zijn ouders op
                                verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling
                                van alle feiten en omstandigheden, waarvan hen redelijkerwijs
                                duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot
                                heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerk
                                voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Conform artikel 8.1.4 van de wet kan het college een besluit,
                                genomen op grond van deze verordening herzien dan wel intrekken
                                indien het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens
                                        hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
                                        gegevens tot een andere besluit zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de jeugdige of zijn ouders niet langer op de
                                        maatwerkvoorziening of op het daarmee samenhangende pgb zijn
                                        aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb niet
                                        meer toereikend is te achten;</al></li><li nr="d."><al>de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden
                                        van het pgb, of</al></li><li nr="e."><al>de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening niet
                                        of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is
                                        bestemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder
                                a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of
                                onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het
                                college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten
                                onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten
                                pgb.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een besluit tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken indien
                                blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is
                                aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>het college kan uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg,
                                al dan niet steeksproefsgewijs, de bestedingen van pgb's
                                onderzoeken</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders
                                kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</titel></kop><al>Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding
                            bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te
                            leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of
                            jeugdreclassering, in ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de
                                    zwaarte van de functie;</al></li><li nr="c."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="d."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                    personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                    werkoverleg, en</al></li><li nr="e."><al>kosten voor bijscholing van het personeel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3.</nr><titel>Vertrouwenspersoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt er voor dat de jeugdigen, ouders en pleegouders
                                een beroep kunnen doen op een onafhankelijke
                                vertrouwenspersoon.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst jeugdigen en ouders en pleegouders erop dat zij
                                zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke
                                vertrouwenspersoon. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><al>Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van
                            jeugdigen en ouders die betrekking hebben op de wijze van afhandeling
                            van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5.</nr><titel>Inspraak en medezeggenschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de
                                voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de
                                krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met
                                betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen
                                vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid
                                betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de
                                besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende
                                jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te
                                kunnen vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De wijze waarop invulling wordt gegeven aan de in lid 1 tot met 3
                                genoemde bepalingen is geregeld in de Verordening participatieraad
                                gemeente Goirle. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5</nr><titel>A Evaluatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per vier
                                jaar geëvalueerd, met uitzondering van een additionele evaluatie
                                over het jaar 2015. Het college zendt hiertoe aan de gemeenteraad
                                een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de
                                verordening in de praktijk. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid vindt een tussenevaluatie plaats een
                                jaar na inwerkingtreding van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, als toepassing van deze verordening tot onbillijkheden
                            van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.7.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp
                                    gemeente Goirle 2015. </al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten door de raad van de gemeente Goirle in zijn vergadering van
                        09-12-2014.</al></slotformulering><ondertekening>
           , de voorzitter
        </ondertekening><ondertekening>
           , de griffier
        </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening Jeugdhulp gemeente Goirle 2015 </titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De Verordening Jeugdhulp gemeente Goirle 2015 (hierna: de verordening) is
                    gebaseerd op de “Wet houdende regels over de gemeentelijke verantwoordelijkheid
                    voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei-
                    en opvoedproblemen, psychische problemen en stoornissen”, kortweg de
                    Jeugdwet.</al><al/><tussenkop>Wijze van totstandkoming verordening</tussenkop><al>Deze verordening is primair gericht op de Goirlese situatie. Ze komt in voorts
                    in belangrijke mate overeen met de VNG-modelverordening. In november 2014 is de
                    consultatieversie van de verordening op de website van de gemeente Goirle
                    gepubliceerd.</al><al/><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Deze wet maakt onderdeel uit
                    van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de
                    jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de
                    begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Daarnaast wordt met deze
                    wet een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg
                    (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten
                    (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning (Wmo). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken
                    op jeugdzorg worden hierbij vervangen door een voorzieningenplicht waarvan de
                    aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel
                    van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en
                    ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd
                    doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en
                    probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.</al><al/><al>De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad
                    per verordening in ieder geval regels opstelt:</al><al>• over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige
                    (jeugdhulp)voorzieningen; </al><al>• met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling
                    van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;</al><al>• over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele
                    voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op gebied van zorg,
                    onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;</al><al>• over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt
                    vastgesteld;</al><al>• voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele
                    voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke
                    gebruik van de Jeugdwet; </al><al>• over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de
                    Jeugdwet, en</al><al>• ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en
                    de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp,
                    kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten aanzien
                    daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat verrichten. Hierbij dient
                    rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                    toepasselijke arbeidsvoorwaarden. </al><al/><al>Artikel 2.9 van de Jeugdwet biedt verder ruimte om met inachtneming van het
                    bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet andere regels te stellen. Deze verordening
                    maakt hier spaarzaam gebruik van; om een meer compleet beeld te geven van de
                    rechten en plichten van burgers en de gemeente. Dit geldt bijvoorbeeld voor de
                    bepalingen omtrent het familiegroepsplan, de vertrouwenspersoon en het
                    klachtrecht. Daarnaast kan op grond van artikel 4.2 artikel 1, lid c, bij
                    verordening bepaald worden onder welke voorwaarden de persoon aan wie een
                    persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een
                    persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.</al><al>Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op
                    grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens dient vast te stellen. In dit
                    beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met
                    betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van
                    kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. </al><al/><tussenkop>Familiegroepsplan</tussenkop><al>Het familiegroepsplan is in artikel 1.1 van de Jeugdwet gedefinieerd als:
                    hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met
                    bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de
                    jeugdige behoren. In artikel 4.1.2 van de Jeugdwet is bepaald dat de
                    jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling bij het uitvoeren van
                    artikel 4.1.1 en indien sprake is van vroegsignalering van opgroei- en
                    opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als eerste de
                    mogelijkheid biedt om, binnen redelijke termijn, een familiegroepsplan op te
                    stellen. Op grond van artikel 2.1, onder g, van de Jeugdwet maakt het
                    familiegroepsplan onderdeel uit van het gemeentelijk beleid. </al><al>Deze bepalingen zijn een uitvloeisel van het amendement Voordewind/Ypma
                    (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 83). Dit amendement beoogt ouders,
                    familieleden en anderszins direct betrokkenen de mogelijkheid te geven om (ook
                    in de preventieve fase) voor gedwongen of vrijwillige jeugdhulp mee te denken en
                    te helpen aan een oplossing. Burgers zijn in veel gevallen zeer wel in staat
                    verantwoordelijkheid te nemen voor problemen in eigen familie- of vriendenkring.
                    Sociale samenhang draagt daarnaast bij aan het welzijn van kinderen. Door vormen
                    van hulp van betrokkenen en steun uit directe kring kan bovendien
                    uithuisplaatsing worden afgewend en wordt netwerkpleegzorg bevorderd. Een
                    familiegroepsplan kan bijvoorbeeld binnen een wijkteam worden georganiseerd.
                    Indien het een machtiging of een voorwaardelijke machtiging betreft biedt de
                    kinderrechter de kans voor het opstellen van een familiegroepsplan. Als er een
                    familiegroepsplan is opgesteld, kan dit als hulpverleningsplan gaan gelden. De
                    jeugdhulpaanbieder zal dan niet zelf weer een heel nieuw plan gaan opstellen.
                    Wel kan het in de loop van het traject nodig blijken het plan te actualiseren.
                    De hulpverlener zal dat dan bij de opstellers van het familiegroepsplan aan
                    moeten kaarten. Ook is de uitvoering van een familiegroepsplan begrensd door het
                    professionele kader op grond van de te hanteren professionele standaard als
                    bedoeld in artikel 453 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 4.1.1,
                    tweede lid, juncto 4.1.5, eerste lid, van de Jeugdwet en de verplichte meldcode
                    huiselijk geweld en kindermishandeling. Deze eisen zijn geoperationaliseerd in
                    het Kwaliteitskader van het Besluit Jeugdwet. De professional zal dus vanuit
                    zijn beroepsuitoefening moeten toetsen of hij uitvoering kan geven aan het
                    familiegroepsplan en daarover in gesprek moeten gaan met betrokkenen, met als
                    ondergrens de veiligheid en gezonde ontwikkeling van de jeugdige. Het
                    familiegroepsplan speelt zoals vermeld ook een rol in het gedwongen kader. De
                    bepalingen in de verordening (zie artikel 2.4., lid 3 omtrent het
                    familiegroepsplan betreffen echter alleen het vrijwillig kader van
                    jeugdhulp.</al><al/><tussenkop>Vrij toegankelijk</tussenkop><al>In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en
                    individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp
                    (zie hoofdstuk 4, artikel 4.1). Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan
                    kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en
                    zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een
                    besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich
                    voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden.</al><al/><tussenkop>Toegang jeugdhulp via de gemeente</tussenkop><al>Ook kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij de
                    gemeente. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder
                    precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met die jeugdige en
                    zijn ouders. In een gesprek tussen een door de gemeente ingezette deskundige en
                    de jeugdige en zijn ouders zal gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders
                    eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als
                    aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal
                    eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet
                    vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt deze
                    deskundige, namens het college, een besluit en verwijst hij de jeugdige door
                    naar de jeugdhulpaanbieder die volgens de deskundige de aangewezene is om de
                    betreffende problematiek aan te pakken. </al><al/><tussenkop>Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch
                    specialist</tussenkop><al>De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing
                    door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke
                    verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van
                    jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies
                    nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders
                    die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder
                    zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing
                    beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand
                    moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de
                    jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de
                    gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze
                    afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang
                    van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de
                    gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of
                    behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het
                    principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan
                    worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij
                    professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn.
                    Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de
                    gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van
                    de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente
                    toegankelijk is (zie artikel 2). Omdat de gemeente verder geen nadrukkelijke rol
                    speelt in bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist,
                    regelt deze slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces (zie artikel
                    2.1.). </al><al/><tussenkop>Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar
                    ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële
                    jeugdinrichting</tussenkop><al>Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de
                    kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot
                    jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de
                    selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde
                    instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het
                    kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of
                    jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg
                    een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens
                    gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering
                    van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht
                    van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen
                    tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen
                    garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel
                    gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de
                    kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst
                    hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de
                    maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de
                    kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke
                    gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de
                    kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op
                    die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het
                    geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is
                    verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de
                    Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.</al><al/><tussenkop>Totstandkoming van de Jeugdwet</tussenkop><al>Op 18 mei 2010 presenteerde de Parlementaire werkgroep Toekomstverkenning
                    jeugdzorg haar rapport ‘Jeugdzorg dichterbij’. De werkgroep concludeerde dat de
                    jeugdzorg gebaat zou zijn bij één financiële regeling en één bestuurslaag, de
                    gemeentelijke overheid, naast de rijksoverheid als stelselverantwoordelijke. Op
                    30</al><al>september 2010 werden de aanbevelingen van de werkgroep overgenomen. Vervolgens
                    is op 29 oktober 2012 in het regeerakkoord van VVD en PvdA ‘Bruggenslaan’
                    opgenomen dat de jeugdzorg per 2015 gedecentraliseerd wordt naar gemeenten:</al><al>De decentralisatie omvat alle onderdelen: de jeugdzorg die nu een
                    verantwoordelijkheid is van de provincie, de gesloten jeugdzorg onder regie van
                    Volksgezondheid Welzijn en Sport, de jeugd-GGZ die onder de ZVW valt, de zorg
                    voor lichtverstandelijk gehandicapte jongeren op basis van de AWBZ en de
                    jeugdbescherming en jeugdreclassering van Veiligheid en Justitie. Deze
                    decentralisatie wordt gecoördineerd op het ministerie van VWS. Ouders zijn er
                    voor verantwoordelijk hun kinderen veilig en gezond te laten opgroeien. Wanneer
                    de ontwikkeling van kinderen ernstig in gevaar komt, moet de overheid tijdig
                    ingrijpen. Dat is in het verleden ondanks toenemende budgetten niet altijd
                    gebeurd. De jeugdzorg zal daarom de komende jaren sterk worden verbeterd.
                    Tegelijkertijd zullende fors gestegen uitgaven voor jeugdzorg en geestelijke
                    gezondheidszorg voor de jeugd worden teruggebracht.</al><al>Niet alleen de jeugdzorg gaat overigens naar gemeenten Ook via de
                    Participatieweten de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) krijgen
                    gemeenten nieuwe taken. Uitgangspunt bij deze drie decentralisaties in het
                    sociaal domein is volgens het akkoord ‘één gezin, één plan, één regisseur. Er
                    komt een einde aan de praktijk waarbij vele hulpverleners langs elkaar heen
                    werken bij de ondersteuning van één gezin .Het wetsontwerp Jeugdwet is van 19
                    juli tot 18 oktober 2012 onderwerp geweest van internetconsultatie. Na
                    verwerking van de (vele) commentaren is het wetsontwerp aangeboden aan de Raad
                    van State, die op 31 mei 2013 zijn advies vaststelde. Op 1 juli 2013 is het
                    wetsontwerp Jeugdwet aangeboden aan de Tweede Kamer. Op 18oktober 2013 stemde de
                    meerderheid van de Tweede Kamer in met het wetsontwerp. Vervolgens stemde ook de
                    meerderheid van de Eerste Kamer op 18 februari 2014 in met het wetsontwerp.</al><al/><tussenkop>Opdrachten Jeugdwet aan de gemeente</tussenkop><al>De Jeugdwet draagt gemeenten via een beleidsplicht op het opvoedkundig klimaat
                    in gezinnen en wijken, buurten, scholen, kinderopvang en peuterspeelzalen te
                    versterken. Ook vraagt de wet gemeenten beleid te maken gericht op vroege
                    signalering van en vroegtijdige interventie bij opvoed- en opgroeiproblemen,
                    psychische problemen en stoornissen (preventie). De wet stelt geen nadere eisen
                    aan deze beleidsopdrachten. </al><al>Wel moet het aanbod van jeugdhulp kwalitatief en kwantitatief toereikend zijn.
                    Daarnaast regelt de Jeugdwet de jeugdhulp. Hieronder vallen de volgende
                    functies, gedefinieerd in art. 1.1:</al><lijst><li nr="1."><al>ondersteuning van en hulp en zorg aan jeugdigen en hun ouders bij het
                            verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de
                            gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale
                            problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de
                            jeugdige of opvoedingsproblemen van ouders;</al></li><li nr="2."><al>het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van
                            het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een verstandelijke,
                            lichamelijk of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch of een
                            psychosociaal probleem;</al></li><li nr="3."><al>het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van
                            de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan
                            zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of
                            zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of
                            beperking.</al></li></lijst><al>Niet onder de werking van de Jeugdwet vallen:</al><al>• Het basistakenpakket jeugdgezondheidszorg, zoals onder verantwoordelijkheid
                    van gemeenten aan ouders en kinderen aangeboden op grond van de Wet</al><al>publieke gezondheid.</al><al>• Onderwijsgebonden leerlingenzorg in school</al><al>• Huisartsenzorg aan jeugdigen, praktijkondersteuning huisartsen aan
                    jeugdigen</al><al>en extramurale psychofarmaca verstrekt aan jeugdigen (minderjarigen),</al><al>vallende onder de basisverzekering in het kader van de Zorgverzekeringswet.</al><al>• Zorg verleend op basis van ‘romp-AWBZ’, d.w.z. de AWBZ-zorg die overblijft
                    na</al><al>decentralisatie taken naar gemeenten, te weten de intramurale zorg voor</al><al>gehandicapten en ouderen met een zware zorgvraag.</al><al>Bovendien is artikel 1.2 van de wet van belang, waarin ingegaan wordt op
                    samenloop met andere wetten die een recht op een voorziening regelen. Dit
                    artikel luidt als volgt:</al><lijst><li nr="1."><al>Het college is niet gehouden een voorziening op grond van deze wet te
                            treffen:</al></li><li nr="a."><al>indien er met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op
                            zorg als bedoeld bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere
                            Ziektekosten of de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een
                            recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Zorgverzekeringswet,
                            of</al></li><li nr="b."><al>indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de
                            problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een
                            andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een voorziening op het
                            gebied van maatschappelijke ondersteuning die de jeugdige in staat stelt
                            dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het persoonlijk leven te
                            structureren en daarover regie te voeren.</al></li><li nr="2."><al>Indien er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de
                            betreffendeproblematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond
                            van een aanspraak op zorg als bedoeld bij of krachtens de Algemene Wet
                            Bijzondere Ziektekosten of een recht op zorg als bedoeld bij of
                            krachtens de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op
                            grond van deze wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze
                            voorziening op grond van deze wet te treffen.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het eerste lid is het college gehouden een voorziening
                            op grond van deze wet te treffen, indien jeugdhulp voortvloeit uit een
                            strafrechtelijke beslissing.</al></li></lijst><al/><tussenkop>Rechtsbescherming</tussenkop><al>In de verordening is veel aandacht besteed aan de rechtsbescherming van
                    jeugdigen en ouders zodra deze met de gemeente te maken krijgen in het kader van
                    de wet. Dat begint al vanaf het eerste moment dat een hulpvraag zich aandient:
                    de gemeente dient dan in het belang van een zorgvuldige procedure te zorgen voor
                    registratie van relevante gegevens en betrokkenen hierover goed te
                    informeren.</al><al>Naar verwachting zullen hiervoor nog nadere regels door het college worden
                    vastgesteld. Er zijn weliswaar al diverse convenanten en reglementen in verband
                    met de verwerking van persoonsgegevens van burgers door de gemeente, maar meer
                    overzicht en samenhang zijn wenselijk.</al><al>De wet gaat ervan uit dat de gemeente via de verordening helder maakt wat
                    concreet het aanbod is aan voorzieningen dat wordt ingezet om te voldoen aan de
                    hulpvragen van jeugdigen en ouders. Dat aanbod is op te maken uit de opsomming
                    in artikel 4.1., waarbij ook de in de wet genoemde ‘overige voorzieningen’
                    vermeld zijn. Deze zijn in principe vrij toegankelijk en kunnen daarom zonder
                    beschikking worden aangeboden. De gemeente kan overigens wel behulpzaam bij het
                    toe leiden van een jeugdige of zijn ouders naar zo’n overige voorziening. Dat is
                    dan dus niet in het kader van een ‘aanvraag’ in de zin van de Algemene wet
                    bestuursrecht. Zo’n aanvraag is immers uitsluitend gericht op het toekennen van
                    een individuele voorziening. Mocht uit de contacten met een jeugdige of zijn
                    ouders blijken, dat deze vinden dat er meer nodig is dan een overige
                    voorziening, dan wordt dat vastgelegd en kan die vastlegging desgewenst alsnog
                    als een aanvraag voor een individuele voorziening in</al><al>behandeling worden genomen. Bij een weigering is er dan de mogelijkheid van
                    bezwaar en beroep. In de toelichting bij de conceptverordening wordt op deze
                    situatie nader ingegaan. Bezwaar en beroep is uitgesloten bij jeugdhulp die
                    wordt ingezet in het gedwongen kader, dus bij de uitvoering van een
                    kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Dan geeft de gemeente ook geen
                    beschikking af. De gemeente is wel verantwoordelijk voor het leveren van de
                    jeugdhulp. Welke dat is, wordt</al><al>in de meeste gevallen door de gecertificeerde instelling bepaald. De wet eist
                    wel dat die daarover overlegt met de gemeente.</al><al>Toegang tot het gemeentelijk aanbod aan voorzieningen loopt via 't Loket in de
                    gemeente Goirle, maar ook via in de wet en verordening genoemde verwijzers:
                    huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten. Na een verwijzing naar een
                    individuele voorziening moet de gemeente nog wel een verleningsbeschikking
                    afgeven. Om dat proces goed te stroomlijnen is het noodzakelijk dat de gemeente
                    in kennis wordt gesteld van de verwijzing, zoals ook expliciet is vastgelegd in
                    de verordening. Een goede inkoop van jeugdhulp door de gemeente zal in principe
                    moeten voorkomen dat er verwezen wordt naar een voorziening die de gemeente niet
                    (meteen) beschikbaar heeft. Goede afspraken tussen gemeente en verwijzers(zoals
                    voorgeschreven in art. 2.7, vierde lid, van de wet) zijn hiervoor natuurlijk ook
                    van belang. Verder kan het ook nog zijn dat gekozen wordt voor het toekennen van
                    een individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget.
                    Gedurende de procedure zoals in de verordening beschreven, zijn er –
                    onafhankelijk van de duur van de procedure – verschillende momenten te bepalen
                    waarbij vastlegging met het oog op de rechtsbescherming van belang is. Een
                    onderzoeks- of gespreksverslag of een ondersteuningsplan zijn in de verordening
                    genoemde documenten die met het oog op de aanvraag voor een individuele
                    voorziening relevant kunnen zijn en daarom ter ondertekening dienen te worden
                    aangeboden. Het voor ‘niet akkoord’ ondertekenen kan (desgewenst) leiden tot
                    een(weigerings)beschikking op een aanvraag, zodat bezwaar en beroep mogelijk is.
                    Uit oogpunt van rechtsbescherming is het ook van belang dat er geen onredelijke
                    doorlooptijden ontstaan. Dat hangt echter wel sterk samen met de mate
                    vancomplexiteit van de hulpvraag. Ook wordt nog nader verduidelijkt waartoe de
                    gemeenteverplicht is volgens de bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht met
                    betrekkingtot de beslistermijn. Het klachtrecht en de medezeggenschap van
                    belanghebbenden tegenover de</al><al>aanbieders (jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen c.q. uitvoerders
                    vankinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering) is geregeld in de
                    wet(paragraaf 4.2, ‘rechtspositie jeugdigen en ouders’).Voor zover het de
                    gemeente betreft, gelden reeds bestaande algemene regelingen.</al><al>Voor klachtrecht geldt hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
                    envoor inspraak geldt artikel 150 van de Gemeentewet. Niettemin is voor
                    deduidelijkheid in deze verordening een bepaling omtrent het klachtrecht
                    opgenomen. </al><al/><tussenkop>Wettelijk overgangsrecht</tussenkop><al>Hoofdstuk 10 van de wet bevat bepalingen omtrent het overgangsrecht. In de
                    Memorie van Toelichting, artikelsgewijze deel, onder artikel 10.1 tot en met
                    10.4,staat hierover onder andere het volgende vermeld:</al><al>Uitgangspunt bij de decentralisatie van alle jeugdhulp is dat gemeenten vanaf de
                    inwerkingtreding van deze wet verantwoordelijk zijn voor alle jeugdigen en
                    ouders die een beroep doen op jeugdhulp. Wel is ervoor gekozen om een
                    overgangsjaar in te bouwen met betrekking tot die jeugdigen en hun ouders die op
                    het moment van</al><al>inwerkingtreding reeds een verwijzing in de zin van de Zorgverzekeringswet (Zvw)
                    of een indicatiebesluit in de zin van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
                    (AWBZ)of de Wet op de jeugdzorg (Wjz) hebben. Deze verwijzingen en indicatie
                    besluiten blijven nog een jaar na inwerkingtreding van de onderhavige wet
                    gelden, met dien verstande dat de gemeente vanaf het moment van inwerkingtreding
                    de financieel verantwoordelijke partij wordt.</al><al/><tussenkop>Nieuwe gemeentelijke taken</tussenkop><al>Tot 1 januari 2015 hebben ouders en jeugdigen recht op hulp en zorg bij de
                    provinciale jeugdzorg, ziektekostenverzekering en AWBZ. Vanaf 1januari 2015 is
                    de gemeente verantwoordelijk voor alle jeugdhulptaken. Hieraan is een
                    jeugdhulpplicht verbonden. De gemeente dient daar waar een jeugdige of zijn
                    ouders dit nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de zelfredzaamheid of
                    maatschappelijke participatie, een voorziening te treffen op het gebied van
                    jeugdhulp. Uitgangspunt hierbij blijft echter de eigen kracht van de jeugdige en
                    zijn ouders. Het college is alleen gehouden een voorziening te treffen als de
                    jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. Vervolgens beslist de
                    gemeente of en welke voorziening een jeugdige nodig heeft.</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1. Begripsbepalingen</tussenkop><al><vet>I</vet>n artikel 1 worden de begrippen gedefinieerd die cruciaal zijn voor
                    het begrip van</al><al>deze verordening. In de Jeugdwet worden drie typen voorzieningen
                    onderscheiden:</al><al>• overige voorzieningen</al><al>• individuele voorzieningen,</al><al>• andere voorzieningen.</al><al>Individuele voorzieningen en overige voorzieningen als genoemd in artikel 2.9,
                    onder</al><al>a, van de wet zijn centrale begrippen in de wet en hier gedefinieerd omdat de
                    wet</al><al>hiervoor geen definities geeft. De definitie van ‘andere voorziening’ betreft de
                    voorziening als bedoeld in artikel 2.9,onder b, van de wet. Het gaat om
                    voorzieningen op grond van andere wetten dan de Jeugdwet. Bijvoorbeeld de
                    jeugdgezondheidszorg die door jeugdartsen en verpleegkundigen wordt geboden in
                    scholen en consultatiebureaus in het kader van de Wet publieke gezondheid. De
                    definities van gesprek en hulpvraag zijn nodig omdat deze begrippen niet zijn
                    gedefinieerd in de wet en het gebruik hier afwijkt van het normaal
                    spraakgebruik. Inde Goirlese situatie is het gesprek het mondelinge contact
                    waarin een</al><al>medewerker van 't Loket met degene die jeugdhulp vraagt, zijn hulpvraag /
                    situatie bespreekt. In de verordening wordt gesproken over het gesprek, maar dat
                    kan ook meerdere gesprekken betreffen. De hulpvraag is in termen van deze
                    verordening, ongeacht of er feitelijk al eerder contact met het gezin is
                    geweest, het contact van jeugdigen en ouders met het college (lees: degene die
                    namens het college optreedt) op basis waarvan zij toegang tot jeugdhulp vragen
                    .De definitie van pgb is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik
                    inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget. </al><al>T Loket is de spil voor de behandeling van hulpvragen van jeugdigen en ouders en
                    wordt daarom hier ook benoemd. Het aantal definities van artikel 1 is beperkt,
                    aangezien de wet al een flink aantal</al><al>definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke
                    definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze Verordening. Dit zou
                    overbodig zijnen bovendien voor verwarring kunnen zorgen als er bijvoorbeeld
                    door een latere wetswijziging een verschil zou ontstaan tussen de omschrijving
                    in de verordening ende wettelijke omschrijving. Het betreft onder meer
                    definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. De
                    Algemene wet bestuursrecht (Awb) kent diverse begripsbepalingen die voor deze
                    verordening van belang zijn. Zo is een ‘aanvraag’ een verzoek van een
                    belanghebbende om een besluit te nemen.</al><al>Onder ‘besluit’ wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een
                    bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. En een
                    ‘beschikking’ is een besluit dat niet van algemene strekking is (en dus op een
                    individueel persoon gericht),met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag
                    daarvan. Een beslissing op een aanvraag om een individuele voorziening kan dus
                    zowel met het begrip ‘besluit’ als ‘beschikking’ worden aangeduid. Verder regelt
                    artikel 7:1 van de Awb dat een belanghebbende eerst bezwaar moet maken (bij het
                    college) alvorens beroep in te stellen (bij de bestuursrechter). Artikel8:1
                    vermeldt vervolgens dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan
                    instellen bij de bestuursrechter. Tenslotte is ook vermeldenswaard dat artikel
                    9.1 van de Awb regelt dat een ieder het recht heeft om over de wijze waarop een
                    bestuursorgaan zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft
                    gedragen, een klacht in te dienen bij dat bestuursorgaan. Hierbij wordt een
                    gedraging van een persoon, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een
                    bestuursorgaan, aangemerkt als een gedraging van dat bestuursorgaan.</al><tussenkop>Artikel 2.1. Toegang jeugdhulp via huisarts, medisch specialist of
                    jeugdarts</tussenkop><al>Voor de toeleiding naar een overige voorziening of het verkrijgen van een
                    individuele voorziening geldt de vanaf artikel 2 beschreven procedure. Artikel 2
                    is de eerste bepaling ter invulling van de verplichting van artikel 2.9, onder
                    a, van de wet. Hierin is opgenomen dat de gemeenteraad bij verordening in ieder
                    geval regels stelt over de door het college te verlenen individuele
                    voorzieningen en overige voorzieningen met betrekking tot de voorwaarden voor
                    toekenning van, de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren voor
                    toekenning van een individuele voorziening. Het college is het bevoegde orgaan
                    om jeugdhulp te verlenen op grond van de wet.</al><al>In de Goirlese situatie zal het college deze bevoegdheid mandateren aan het 't
                    Loket. </al><al>Lid 2 regelt de wijze waarop het college omgaat met de toegang via de huisarts,
                    medisch specialist en jeugdarts tot de jeugdhulp zoals geregeld in artikel 2.6,
                    eerste lid, onder g, van de wet. De huisarts, medisch specialist of jeugdarts
                    kan een jeugdige of zijn ouders verwijzen naar een individuele voorziening.
                    Omdat de gemeente verantwoordelijk is voor de levering van de voorziening, moet
                    een dergelijke verwijzing door de gemeente worden bekrachtigd. Met andere
                    woorden, een huisarts, medisch specialist of jeugdarts kan aangeven dat een
                    individuele voorziening nodig is, maar het is de gemeente die het formele
                    besluit(een verleningsbeschikking als bedoeld in artikel 3.4.) dient te nemen
                    zodat de voorziening ook daadwerkelijke beschikbaar is voor de jeugdige of zijn
                    ouders. De gemeente zal in beginsel niet treden in het oordeel van de verwijzer.
                    In geval zich een structureel meningsverschil voordoet tussen de gemeente en een
                    verwijzer, kan de gemeente een beroep doen op de expertise van een
                    deskundige.</al><tussenkop>Artikel 2.2. Toegang jeugdhulp via gemeente, melding
                    hulpvraag</tussenkop><al>Melding hulpvraag regelt de start van het toegangstraject voor jeugdigen en
                    oudersmet een hulpvraag. De toeleiding naar individuele voorzieningen verloopt
                    in de regel via 't Loket. </al><tussenkop>Artikel 2.3. Vooronderzoek </tussenkop><al>Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en te
                    zorgen dat jeugdigen en ouders goed worden geïnformeerd. Het eerste lid dient
                    ter voorbereiding van het gesprek waarbij voor het onderzoek naar aanleiding van
                    de melding relevante bekende gegevens in kaar worden gebracht, zodat cliënten
                    niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. De
                    regels met betrekking tot de privacy en gegevensuitwisseling die gelden op grond
                    van de jeugdwet en de Wet bescherming persoonsgegevens zijn hierop van
                    toepassing. </al><tussenkop>Artikel 2.4. Gesprek</tussenkop><al>Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en
                    omstandigheden van de specifieke hulpvraag duidelijk zijn. Het ligt daarom voor
                    de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en ouders hierover wordt
                    gesproken. Hierbij kan ook sprake zijn van meerdere, elkaar opvolgende
                    gesprekken. In het kader van deze verordening worden deze gesprekken beschouwd
                    als onderdelen van een samenhangend geheel, leidend tot één gespreksverslag en /
                    of ondersteuningsplan. Dit verslag wordt aangeboden ter ondertekening. In de
                    aanhef van lid 1 is opgenomen dat het gesprek zo spoedig mogelijk na de
                    voorbereiding van het gesprek dient plaats te vinden. Het hangt af van de
                    situatie hoe snel het gesprek kan of moet plaatsvinden. In de onderdelen a tot
                    en met h zijn de onderwerpen van het gesprek weergegeven. Het betreft uiteraard
                    altijd maatwerk. Indien de jeugdige al bij de gemeente bekend is,</al><al>zal een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te worden en zal
                    bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn.
                    Komt een jeugdige of een ouder voor het eerst bij de gemeente, dan zal het
                    gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn situatie te krijgen.
                    In onderdeel c wordt de eigen kracht van jeugdigen en ouders voorop gesteld
                    overeenkomstig het uitgangspunt van de wet dat de verantwoordelijkheid voor het
                    gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige
                    zelf ligt. Een te verstrekken voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate
                    van probleemoplossend</al><al>vermogen van de jeugdige en zijn ouders en die van de naaste omgeving te
                    versterken.</al><al>Ten slotte dient het tweede lid van dit artikel ertoe om ouders te informeren
                    over een eventuele ouderbijdrage. In artikel 8.2.3 van de wet is namelijk
                    bepaald dat de ouderbijdrage door ‘het bestuursorgaan dat met de inning is
                    belast’ wordt vastgesteld en ten behoeve van de gemeente wordt geïnd. Hier kan
                    de gemeente niet van</al><al>afwijken.</al><al>Het derde lid bevestigt de regeling van het familiegroepsplan in de Jeugdwet
                    (artikel 2.1. onder g, in samenhang met artikel 1.1.) De Wet vraagt niet om
                    hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling is toch in de
                    verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet
                    overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. Als de
                    jeugdige en zijn ouders wel een familiegroepsplan hebben opgesteld, dan wordt
                    dit als eerste bij dat onderzoek betrokken. Uiteindelijk zal altijd het college
                    moeten oordelen welke jeugdhulp zij nodig acht en in welke mate de jeugdige en
                    zijn ouders, zo nodig met hulp uit de naaste omgeving, op eigen kracht bepaalde
                    problemen deels kunnen oplossen. Een deugdelijk familiegroepsplan al dan niet
                    opgesteld met ondersteuning van de gemeente, kan deze stap in het proces
                    vergemakkelijken. Het college dient een familiegroepsplan als eerste te
                    betrekken bij het onderzoek; het kan een deugdelijk familiegroepsplan niet
                    zomaar naast zich neerleggen. </al><tussenkop>Artikel 2.5. Het gespreksverslag of ondersteuningsplan</tussenkop><al>Lid 1 van dit artikel regelt dat bij een door het college in het gesprek
                    geconstateerde wenselijkheid van een overige voorziening, dit duidelijk in het
                    verslag wordt vermeld. Hierbij moet eveneens duidelijk worden aangegeven dat
                    toeleiding naar alleen een overige voorziening tot gevolg heeft dat de procedure
                    met het 't Loket stopt, omdat geen afgeronde aanvraag voor een individuele
                    voorziening tot stand is gekomen.</al><al>Derhalve zal ook geen gemeentelijke beschikking volgen. Dit zal naar verwachting
                    niet tot problemen leiden, omdat een cliënt het in deze situatie eens is met de
                    toeleiding en daarom geen behoefte zal hebben aan een
                    bezwaarmogelijkheid(vanzelfsprekend onverminderd zijn klachtrecht). Indien de
                    medewerker van t Loket en de jeugdige en zijn ouders een individuele voorziening
                    wenselijk achten, is lid 2 van toepassing. Er wordt dan, tenzij</al><al>dit vanwege de aard van de te verlenen hulp niet noodzakelijk is, een
                    ondersteuningsplan opgesteld dat bij de feitelijke hulpverlening kan worden
                    gebruikt. Zowel het gespreksverslag als het ondersteuningsplan dient conform lid
                    3 zo spoedig mogelijk na het gesprek te worden verstrekt. Het streven is
                    hiervoor een termijn van</al><al>vier weken tussen gesprek en verslag te hanteren. Zodoende ontstaat snel
                    duidelijkheid over de rest van het traject. Het later toevoegen van opmerkingen
                    of het aanbrengen van wijzigingen of het herstellen van feitelijke onjuistheden
                    wordt geregeld in lid 6 van dit artikel. </al><tussenkop>Artikel 2.6. De aanvraag</tussenkop><al>Deze bepaling is uitwerking van de verplichting in artikel 2.9, onder a, van de
                    wet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening in ieder geval regels
                    stelt ‘met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van
                    beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening.
                    Toekenning van een individuele voorziening kan alleen op basis van een aanvraag,
                    die in de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt
                    daarvan niet af. </al><tussenkop>Hoofdstuk 3 Beoordeling aanvraag</tussenkop><tussenkop>Artikel 3.1. Criteria voor een individuele voorziening</tussenkop><al>In dit artikel wordt duidelijk gemaakt welke afwegingsfactoren het college
                    hanteert bij toekenning van individuele voorzieningen, inclusief het pgb.
                    Hierbij is het voor het college van belang de mate van ‘eigen kracht’ en het al
                    of niet gedeeltelijk gebruik kunnen maken van een overige of andere voorziening,
                    goed te beoordelen. </al><al>De formulering in artikel 8.1.1 maakt nog wel mogelijk dat jeugdigen of hun
                    ouders</al><al>zelf kunnen bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder
                    duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb
                    dan slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college
                    voorgesteld aanbod. In lid 4 wordt vervolgens gebruik gemaakt van de
                    mogelijkheid van , vierde lid, van de wet om bij verordening te bepalen onder
                    welke voorwaarden de</al><al>persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan
                    betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Deze voorwaarden
                    strekken er onder andere toe om te verhinderen dat een pgb wordt verstrekt aan
                    een jeugdige die hier onder druk van mensen in zijn omgeving om heeft verzocht
                    en bij wie een werkelijke hulpbehoefte niet aantoonbaar is of bij wie de
                    hulpvraag ondergeschikt is aan financieel gewin.</al><tussenkop>Artikel 3.2. Voorwaarden en weigeringsgronden voor een individuele
                    voorziening </tussenkop><al>Dit artikel geeft de kaders aan op grond waarvan het college in ieder geval een
                    individuele / maatwerkvoorziening en een PGB kan weigeren. Het weigeren van een
                    PGB aan een persoon uit het sociaal netwerk wordt niet wenselijk geacht. Iedere
                    situatie moet apart beoordeeld worden. </al><al>Dit artikel geeft de kaders aan op grond waarvan het college in ieder geval een
                    maatwerkvoorziening kan weigeren. In het eerste lid onder a, d, en e worden
                    algemene weigeringsgronden genoemd, die voortvloeien uit de eigen
                    verantwoordelijkheid van de cliënt, en het begrip algemeen gebruikelijk voor de
                    persoon als cliënt. De genoemde gronden onder b en c hebben betrekking op de
                    reikwijdte van maatwerkvoorzieningen. Onder langdurig noodzakelijk wordt in het
                    algemeen verstaan tenminste 6 maanden, maar kan in bepaalde situaties ook korter
                    zijn. Bijvoorbeeld crisisopvang of kortdurende begeleiding bij zelfredzaamheid
                    in dagelijkse verrichtingen of het voeren van een gestructureerd huishouden.
                    Woonvoorzieningen en vervoersvoorzieningen worden in beginsel niet voor kortere
                    tijd verstrekt. </al><al>De eigen risicosfeer van de cliënt bevat alles waar de cliënt redelijkerwijs
                    zelf voor verantwoordelijk is. Zo is het aangaan van een financiële
                    verplichting, zonder dat vooraf zekerheid is verkregen of de kosten vergoed
                    zullen worden, voor eigen rekening en risico. Het niet op de hoogte zijn van
                    rechten en regels is daarbij geen geldig argument.</al><al>In het tweede lid van dit artikel worden weigeringsgronden genoemd voor het
                    verstrekken van een pgb aan een persoon uit het sociaal netwerk. Het betalen van
                    hulp die anders zonder betaling geleverd zou worden door het sociale netwerk van
                    de cliënt wordt niet wenselijk geacht. Er is dan immers sprake van gebruikelijke
                    hulp. Als de hulp meer gaat omvatten dan wat gebruikelijk geacht wordt, is er
                    sprake van mantelzorg. Als mantelzorg te belastend is of dreigt te worden kan
                    ondersteuning aangewezen zijn. Iedere situatie moet hiervoor apart beoordeeld
                    worden. Het college kan onder meer de volgende vragen onderzoeken:</al><lijst><li nr="-"><al>het type hulp dat wordt geleverd (boodschappen doen versus het huis
                            schoonhouden)</al></li><li nr="-"><al>de frequentie van de hulp (1 keer per maand versus 4 keer per week)</al></li><li nr="-"><al>is er sprake van tijdelijke hulp of hulp over een langere periode</al></li><li nr="-"><al>de mate van verplichting (kan degene die de hulp levert een keer
                            overslaan als hij/zij ziek is of op vakantie wil, of is dit niet
                            mogelijk?) Met name dit laatste geldt als zwaarwegend punt.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3.3. Advisering</tussenkop><al>Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een
                    aanvraag nodig is. Als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek
                    naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. </al><tussenkop>Artikel 3.4. Inhoud beschikking </tussenkop><al>Indien de jeugdige of zijn ouders een formele aanvraag bij het college indient
                    of een beschikking afgegeven wordt, dient het college een schriftelijke
                    beschikking op te stellen waartegen zij bezwaar en beroep op grond van de Awb
                    kunnen indienen. Uitgangspunt van de wet is dat de jeugdige of zijn ouder een
                    voorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de jeugdige of zijn ouder
                    bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb. De bepaling in lid
                    1 is opgenomen om een zo compleet mogelijk beeld te geven van rechten en
                    plichten van burgers. Om deze reden is aan het slot ook een zinsnede opgenomen
                    met de informatieplicht van het college over de mogelijkheid om bezwaar in te
                    dienen tegen de beschikking. Deze mogelijkheid en ook de daarop volgende
                    mogelijkheid van beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt voor alle
                    besluiten. Indien een jeugdige of ouder in bezwaar en beroep wil, heeft hij op
                    grond van de Awb het recht op het indienen van een aanvraag, waarmee een voor
                    bezwaar en beroep vatbaar besluit kan worden uitgelokt. Ook de weigering, of het
                    te lang uitblijven van een beschikking, geeft de burger op grond van de Awb de
                    ingang van bezwaar en beroep. Lid 3 geeft aan welke elementen de beschikking
                    voor een voorziening in natura dient te bevatten. Het bepaalde onder c. strekt
                    ertoe om de relatie met het door de gemeente gesubsidieerde of gecontracteerde
                    hulpaanbod te leggen. Deze moet duidelijk kenbaar zijn voor de jeugdige en zijn
                    ouders. Lid 4 vermeldt de inhoudseisen voor de pgb-beschikkingen. In lid 5 is
                    bepaald dat in de beschikking informatie wordt opgenomen over de wettelijk
                    geldende regels ter zake van de eventuele verschuldigdheid van een
                    ouderbijdrage. Deze dient reeds in de gespreksfase onder de aandacht te worden
                    gebracht. De vaststelling en inning van deze bijdrage geschiedt in ieder geval
                    door het bestuursorgaan dat met de inning is belast namens de gemeente.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4 Individuele voorzieningen </tussenkop><tussenkop>Artikel 4.1. Vormen van jeugdhulp</tussenkop><al>Dit artikel geeft een nadere uitwerking van artikel 2.9, onder a, van de wet,
                    waarin is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de door
                    het college te verlenen individuele voorzieningen en overige
                    (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de onderstaande passage uit de Memorie van
                    Toelichting (MvT) bij artikel 2.9 komt naar voren dat de burger recht heeft op
                    een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente:</al><al>Dit artikel geeft de gemeente de opdracht om een aantal zaken te regelen bij
                    verordening. Allereerst dient de gemeente regels te stellen over de door het
                    college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen. Het gaat
                    dan om regels omtrent het aanbod, de voorwaarden voor toekenning van een
                    individuele</al><al>voorziening, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij de
                    verlening van een individuele voorziening. Op deze manier wordt het voor de
                    burger niet alleen inzichtelijk welke vormen van jeugdhulp door de gemeente
                    worden geboden aan eenieder en welke vormen alleen na een besluit van de
                    gemeente toegankelijk zijn ,maar ook hoe hij deze vormen van ondersteuning, hulp
                    en zorg kan verkrijgen. Het verdient natuurlijkaanbeveling als gemeenten de door
                    hen geboden vormen van jeugdhulp in onderlinge afstemming zoveel mogelijk
                    uniform zouden regelen. Op die manier kunnen alle jeugdigen ervan uit gaan dat
                    ze kunnen rekenen op dezelfde vormen van jeugdhulp, bij gelijkluidende opgroei-
                    en opvoedproblemen, binnen de verschillende gemeenten. De burger kan hier
                    rechtszekerheid aan ontlenen en willekeur wordt hierdoor vermeden. Dit wil
                    overigens niet zeggen dat elke gemeente hetzelfde aanbod in stand hoeft te
                    houden, de behoefte aan bepaalde vormen van jeugdhulp zal immers per gemeente
                    verschillen en zelfs binnen een gemeente in de tijd kunnen variëren. Het gaat
                    dus niet om het standaard ‘in huis hebben’ van een bepaald aanbod, maar het
                    kunnen bieden van bepaalde vormen van jeugdhulp bij gelijkluidende problemen.
                    Hierdoor wordt rechtsongelijkheid voorkomen.</al><al>Het begrip ‘voorziening’ is op zich een lastig te vatten begrip. De wetgever
                    geeft in de</al><al>MvT de volgende handvatten: De door de gemeente te treffen voorziening kan zowel
                    een algemene, vrij toegankelijke voorziening zijn als een individuele
                    voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer
                    gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is
                    en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal
                    eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning
                    daadwerkelijk nodig hebben. Deze niet vrij toegankelijke voorzieningen
                    veronderstellen altijd een verleningbeslissing op basis van een beoordeling door
                    de gemeente van de persoonlijke situatie en behoeften van de aanvrager. De
                    gemeente geeft daartoe een beschikking af met de mogelijkheid van bezwaar en
                    beroep. Daarmee is tevens de rechtsbescherming van de burger gewaarborgd.</al><al>Artikel 4.1. van deze verordening biedt een zo compleet mogelijk overzicht van
                    het palet aan overige en individuele voorzieningen dat het college ter
                    beschikking staat. Het aanbod van overige en individuele voorzieningen zal zich
                    in de praktijk zal moeten ontwikkelen. In artikel 4.1 eerste lid, staat algemene
                    vrij toegankelijke voorzieningen en deze kunnen daarom beschikkingsvrij worden
                    aangeboden. Aan de in het tweede en derde lid van artikel 4.1. verbonden hulp
                    met een meer specialistisch karakter is een beschikking verbonden. Zoals eerder
                    vermeld valt het basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg niet onder de werking van
                    het Jeugdwet. Dat wat voorheen als het maatwerkdeel van de jeugdgezondheidszorg
                    werd aangemerkt valt echter wel onder de omschrijving van jeugdhulp (als overige
                    voorziening). Het gaat hierbij om producten die nauw aansluiten bij de
                    specifieke behoeften van individuele jeugdigen of van groepenjeugdigen. Hierbij
                    kan worden gedacht aan opvoedcursussen, trainingen tegen bedplassen of
                    overgewicht.</al><tussenkop>Artikel 4.2. Regels voor PGB</tussenkop><al>Bij nota van wijziging (Kamerstukken II 2013/1433684, nr. 11, artikel MM) is de
                    regeling in artikel 8.1.1. van de wet voor het PGB aangepast aan de verwante
                    regelgeving met betrekking tot de maatschappelijke ondersteuning (WMO 2015). In
                    deze regeling stond dat een pgb slechts wordt verstrekt indien aan de in het
                    derde lid gestelde voorwaarden is voldaan. Bij amendement Bergkamp/Voortman
                    (kamerstukken II 2013/1433684 nr. 109) is het woord slechts geschrapt omdat dit
                    een onnodige en overbodige inperking van het recht op een pgb leek te
                    suggereren. Bij amendement Bisschop en Voortman (kamerstukken11 2013/1433684, nr
                    100) is er een aanpassing gedaan dat jeugdigen en hun ouders zelf kunnen
                    bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan
                    de in de betreffende situatie goedkoopste adequate door het college te bieden
                    individuele voorziening in natura. Het college kan het PGB slechts weigeren voor
                    dat gedeelte dat duurder is dan deze door het college te bieden individuele
                    voorziening in natura. Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een
                    pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan
                    zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat
                    een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt Met
                    behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing
                    van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen </al><al>In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39)
                    is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag
                    zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan
                    het verlenen van adequate ondersteuning in natura. De gemeente heeft daarmee ook
                    de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. De
                    gemeente kan verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van
                    ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. De gemeente kan bij het
                    vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen
                    ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners
                    die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen
                    (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.). </al><al>Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb
                    hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening. De situatie waarin het door
                    de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus
                    niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten
                    kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder
                    duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb
                    slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college
                    voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente
                    vanwege inkoopvoordelen individuele voorzieningen al snel goedkoper zal kunnen
                    leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan
                    gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen.</al><al>Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder
                    overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is
                    in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie
                    goedkoopst adequate door het college ingekochte individuele voorziening in
                    natura. De genoemde percentages zijn afgeleid van de van toepassing zijnde
                    tarieven voor zorg in natura per periode van 4 weken. De hoogte van het pgb zegt
                    dus niets over de hoogte van het uurtarief dat de cliënt met de zorgaanbieder
                    afspreekt. Aangezien de gemeente een pgb niet meer in een aantal uren toekent,
                    maar als periodebedrag voor een te bereiken resultaat, moet de hoogte van het
                    pgb daarvoor toereikend zijn om voldoende en kwalitatief goede ondersteuning te
                    kunnen inkopen. Om het juiste percentage te kunnen bepalen moet de gemeente
                    eerst beschikken over de zorg- of arbeidsovereenkomst die de cliënt met zijn
                    zorgaanbieder heeft afgesloten. Uitgangspunt is dat gewerkt wordt met de
                    standaard zorg- en arbeidsovereenkomsten van de SVB. De raad heeft voor
                    professionele dienstverlening door een zorgaanbieder 100% van het vergelijkbare
                    tarief in natura vastgesteld als uitgangspunt voor een pgb; voor dienstverlening
                    door een ZZP-er 75% van het vergelijkbare tarief in natura; voor dienstverlening
                    door een persoon uit het sociaal netwerk van de cliënt 50% van het vergelijkbare
                    tarief in natura. Het college zal met nadere regelgeving komen als hiertoe
                    aanleiding is.</al><tussenkop>Hoofstuk 5 Overige bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 5.1. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering</tussenkop><al>Deze bepaling is een uitwerking van de bij Nota van Wijziging (NvW) ingevoegde
                    verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder d, van de wet. Hierbij is
                    bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt voor de bestrijding van
                    het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik
                    of</al><al>oneigenlijk gebruik van de wet. De bepaling beoogt het standaardiseren van de
                    regelgeving met betrekking tot de aan elkaar verwante beleidsterreinen van
                    jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. In de toelichting op de NvW is
                    voorts vermeld dat het immers tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid behoort
                    misbruik</al><al>van de geboden voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen
                    onterecht gebruik van individuele voorzieningen of pgb’s. Een zorgvuldig gebruik
                    van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan. </al><tussenkop>Artikel 5.2. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en
                    uitvoerders</tussenkop><tussenkop>Kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</tussenkop><al>Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de
                    vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door
                    aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het
                    oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp,
                    kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij
                    verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding
                    tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een
                    kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld
                    aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder
                    rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                    toepasselijke arbeidsvoorwaarden.</al><al>Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                    uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het
                    college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te
                    houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële
                    kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
                    Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten
                    minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die
                    daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden
                    aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><tussenkop>Artikel 5.3. Vertrouwenspersoon</tussenkop><al>In artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de wet is bepaald dat het college
                    ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep
                    kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een
                    functionaris bedoeld zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg.
                    Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren
                    (wettelijke vereisten) voor een goede invulling van deze functie. De wet
                    adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening
                    een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening
                    opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van
                    rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. </al><tussenkop>Artikel 5.4. Klachtregeling</tussenkop><al>De gemeente is reeds op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een
                    behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over
                    gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid
                    werkzaam zijn. In hoofdstuk 9 van de Awb wordt verder een uitvoerige regeling
                    omtrent</al><al>klachtbehandeling gegeven. De bestaande gemeentebrede verordening waarnaar in
                    dit artikel wordt verwezen, vormt een uitwerking van genoemde bepalingen in de
                    Awb.</al><tussenkop>Artikel 5.5. Inspraak en medezeggenschap </tussenkop><al>In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de medezeggenschap bij de
                    gemeente. De mogelijkheid tot medezeggenschap tegenover de aanbieder is al
                    geregeld in artikel 4.2.4 e.v. van de wet. </al><al>Regeling van de medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10 van de
                    wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10
                    worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks
                    cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing
                    verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij
                    verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de
                    uitvoering van deze wet. Met het derde lid wordt het aan het college overgelaten
                    om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. Binnen de gemeente
                    Goirle is hiervoor een participatieraad ingesteld. </al><tussenkop>Artikel 5.6. Hardheidsclausule</tussenkop><al>Deze bepaling regelt de toepassing van een hardheidsclausule als instrument voor
                    het college om onvoorziene omstandigheden het hoofd te bieden.</al><tussenkop>Artikel 5.7. Inwerkingtreding en citeertitel </tussenkop><al>Op grond van artikel 12.4, tweede lid, van de wet dient de verordening voor 1
                    november 2014 te worden vastgesteld om op 1 januari 2015 in werking te kunnen
                    treden. De vaststelling door de gemeenteraad dient dus voor 1 november 2014
                    plaats te vinden. Gezien de grote tijdsdruk wordt dit niet gehaald en wordt de
                    verordening in de raad van december vastgesteld. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>