<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR347097_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Goirle</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-02-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Goirle</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-81123.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26dpr%3dAnderePeriode%26spd%3d20141229%26epd%3d20141229%26sdt%3dDatumPublicatie%26org%3dGoirle%26pnr%3d2%26rpp%3d10%26_page%3d1%26sorttype%3d1%26sortorder%3d4&amp;resultIndex=8&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad, 2014, 81123</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomenstoeslag 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, artt. 108 en 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 8</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-09</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-02-16</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>inkomenstoeslag</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>
      Verordening individuele inkomenstoeslag 2015
    </intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="2."><al>wet: Participatiewet;</al></li><li nr="3."><al>inkomen: totaal van het inkomen, als bedoeld in artikel 32 van de
                                wet, en de algemene bijstand;</al></li><li nr="4."><al>peildatum: de datum waarop in enig jaar het recht de individuele
                                inkomenstoeslag ontstaat;</al></li><li nr="5."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder b,
                                van de wet;</al></li><li nr="6."><al>de van toepassing zijnde norm:</al><lijst><li nr="a."><al>echtparen: 100% van de gehuwdennorm;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouder: 90% van de gehuwdennorm;</al></li><li nr="c."><al>alleenstaande: 70% van de gehuwdennorm.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de
                                peildatum.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet,
                        wordt ingediend middels een aanvraagformulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:</nr><titel>Voorwaarden</titel></kop><al>Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36,
                        eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in
                        aanmerking te nemen inkomen gemiddeld niet hoger is dan 110% van de van
                        toepassing zijnde norm. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: </al><lijst><li nr="a."><al>voor gehuwden € 535,00;</al></li><li nr="b."><al>voor een alleenstaande ouder € 480,00; en</al></li><li nr="c."><al>voor een alleenstaande € 375,00.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                            inkomenstoeslag ingevolge artikel 11 of artikel 13, eerste lid, van de
                            wet komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele
                            inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of
                            alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid en tweede lid is de situatie op de
                            peildatum bepalend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het eerste lid genoemde bedragen worden elk jaar per 1 januari
                            aangepast met een percentage dat overeenkomt met het procentuele
                            verschil tussen de gehuwdennorm per 1 januari van dat jaar en de
                            gehuwdennorm per 1 januari van het daar aan voorafgaande jaar. De
                            aanpassing vindt voor het eerst plaats per 1 januari 2015.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:</nr><titel>Onvoorziene gevallen en hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college.
                        </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van
                            overwegende aard leidt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De 'Verordening langdurigheidstoeslag 2012' wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7:</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8:</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan aangehaald worden als : Verordening individuele
                        inkomenstoeslag 2015.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Goirle in zijn vergadering van 9
                        december 2014.</ondertekening><ondertekening> , de voorzitter</ondertekening><ondertekening> , de griffier</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel> Algemene toelichting</titel></kop><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld
                    ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip
                    van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële
                    positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder
                    druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te
                    zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de
                    invoering van de Wet werk en bijstand in 2004 de langdurigheidstoeslag in het
                    leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag
                    gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds die datum een
                    bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Per 1 januari 2015
                    vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. Sindsdien is
                    het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar een
                    discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college een individuele
                    inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden
                    daarvoor. Het college kan in beleidsregels aangeven welke groepen niet in
                    aanmerking komen voor individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen
                    uitzicht hebben op inkomensverbetering. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht
                    aan personen aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens een
                    schending van een arbeidsverplichting of een re-integratieverplichting of aan
                    personen die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgen.</al><tussenkop>Vast te leggen regels in verordening</tussenkop><al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is
                    een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een
                    laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen
                    uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de
                    Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over het
                    verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de
                    Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze
                    waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’.
                    Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een
                    inkomen hoger dan 110% van de toepasselijke norm. De invoering van de
                    kostendelersnorm per 2015 leidt tot lagere bijstandsnormen voor personen die de
                    kosten kunnen delen omdat ze in dezelfde woning wonen. Daarnaast bestaat de
                    'norm alleenstaande ouder' zoals we die nu kennen, niet meer in 2015. Om te
                    voorkomen dat kostendelers of alleenstaande ouders met een laag inkomen niet
                    meer in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag, worden de normen
                    gekoppeld aan de bijstandsnorm voor echtparen en niet meer zoals voorheen aan de
                    van toepassing zijnde bijstandsnorm voor de verschillende klantgroepen. In de
                    uitvoering moet de komende jaren aandacht zijn voor de verschillende normen die
                    tijdens de referteperiode van toepassing kunnen zijn: de normen van de oude en
                    de nieuwe verordening.</al><al>Daarnaast moet bij verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag
                    bepaald worden. Het college zal in de beleidsregels aangeven wanneer sprake is
                    van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel 8,
                    tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd
                    in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op
                    inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van
                    de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot
                    die omstandigheden in ieder geval worden gerekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon; en</al></li><li nr="-"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering
                            te komen.</al></li></lijst><tussenkop>Overgangsrecht</tussenkop><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                    langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening overgangsrecht
                    op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte langdurigheidstoeslagen, omdat
                    artikel 78z van de Participatiewet voorziet in algemeen overgangsrecht met
                    betrekking tot de wijzigingen in de Participatiewet als gevolg van de
                    inwerkingtreding van de Invoeringswet Participatiewet en de Wet maatregelen WWB
                    op 1 januari 2015. De individuele inkomenstoeslag en voorheen de
                    langdurigheidstoeslag worden immers toegekend tegen een peildatum. Zaken die na
                    de peildatum gebeuren hebben geen betekenis voor het recht op een dergelijke
                    toeslag. Wie op een datum gelegen vóór 1 januari 2015 op basis van de
                    toepasselijke verordening recht had op langdurigheidstoeslag, behoudt dat
                    onverkort, ongeacht of hij voldoet aan de voorwaarden die per 1 januari 2015
                    zijn gesteld in artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening.
                    Toekenning van het recht op individuele inkomenstoeslag tegen een datum gelegen
                    op of ná 1 januari 2015 is uitsluitend mogelijk als wordt voldaan aan de in
                    artikel 36 van de Participatiewet en de in deze verordening opgenomen
                    voorwaarden. </al><tussenkop>Wijziging leefvorm</tussenkop><al>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon kan
                    wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden
                    individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de
                    referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen moeten dan
                    ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor
                    individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel
                    gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.</al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1: Begrippen</tussenkop><tussenkop><cursief>3. inkomen: Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld
                        in artikel 32 van de Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene
                        bijstand voor de beoordeli</cursief><cursief>ng van het recht
                        </cursief><cursief>op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking genomen
                        als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking worden
                        genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van bijzondere
                        bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een eerder
                        verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden
                        gelaten bij de vaststelling van het inkomen. Het wordt niet wenselijk geacht
                        een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als
                        inkomen, omdat dit het ongewenst effect kan hebben dat een persoon geen
                        recht op een individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen
                        heeft gehad in de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Wat
                        voor een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag geldt, dat geldt ook
                        voor een eerder verstrekte langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals
                        die luidde vóór 1 januari 2015.</cursief></tussenkop><al><onderstreept>4. Peildatum:</onderstreept> De peildatum is de datum waartegen
                    een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt. Het gaat om de datum waarop
                    een persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen
                    vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de
                    omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De
                    peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in
                    beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om
                    individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere
                    omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en
                    de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet.</al><al>De overige begrippen behoeven geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 2: Indienen verzoek</tussenkop><al>Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden
                    ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden
                    gedaan middels een aanvraagformulier. Een verzoek wordt dan gezien als een
                    aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb). Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die
                    wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de
                    aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt
                    gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de
                    gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en
                    waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid,
                    van de Awb). Tevens is het mogelijk om een digitale aanvraag in te dienen via de
                    website www.berekenuwrechtplus.nl . Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet
                    worden aangemerkt als een verzoek om individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld
                    in artikel 36 van de Participatiewet. De gemeente Goirle blijft in die gevallen
                    waarin dat mogelijk is de individuele inkomenstoeslag ambtshalve verstrekken. </al><tussenkop>Artikel 3: Voorwaarden</tussenkop><al>Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder
                    ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan. De vraag of het inkomen van een
                    persoon gedurende de referteperiode niet hoger is dan het langdurig lage inkomen
                    van 110% van de toepasselijke norm, zal niet al te rigide mogen worden
                    beoordeeld. Een marginale overschrijding van dit lage inkomen van maximaal €5,00
                    per maand moet worden genegeerd.<sup/></al><tussenkop>Artikel 4: Hoogte individuele inkomenstoeslag</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid
                            gemaakt tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en
                            gehuwden.</al></li><li nr="2."><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op
                            individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden
                            personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide
                            gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de
                            Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan
                            bestaat voor beiden geen recht op individuele
                            inkomenstoeslag.<sup/></al></li></lijst><al>Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele
                    inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van
                    artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende
                    partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om
                    een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                    Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één
                    partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende
                    partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die
                    voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in
                    het tweede lid.</al><al> 4. Om te voorkomen dat de verordening jaarlijks opnieuw moet worden vastgesteld
                    enkel voor de indexatie van de bedragen, is in dit lid bepaalt hoe jaarlijks de
                    nieuwe bedragen tot stand komen. Na vaststelling van de nieuwe bedragen worden
                    deze gecommuniceerd. </al><tussenkop>Artikel 5: Onvoorziene gevallen en hardheidsclausule</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere uitleg.</al><tussenkop>Artikel 6: Intrekking oude regeling</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere uitleg.</al><tussenkop>Artikel 7: Inwerkingtreding </tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere uitleg.</al><tussenkop>Artikel 8: Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere uitleg.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>