<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR346956_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Zorg voor Jeugd gemeente Apeldoorn 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-12-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Officiele bekendmakingen, d.d. 5 december 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Zorg voor Jeugd gemeente Apeldoorn 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12, 8.1.1 vierde lid, en 12.4 lid 2 van de Jeugdwet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>113-2014</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Zorg voor Jeugd gemeente Apeldoorn 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Apeldoorn;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                            <vet>16 september 2014 </vet><vet>en nummer</vet><vet>
                        2014-512351</vet>;</al><al/><al>gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12, 8.1.1 vierde lid<cursief>,</cursief>
                        en 12.4 lid 2 van de Jeugdwet;</al><al/><al><cursief>overwegende dat </cursief></al><lijst><li nr="-"><al>de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede
                                en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het
                                uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en
                                veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de
                                jeugdige zelf ligt;</al></li><li nr="-"><al>het noodzakelijk is om regels vast te stellen:</al></li></lijst><al>* over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige
                        voorzieningen in het kader van de Jeugdwet, met betrekking tot de
                        voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de
                        afwegingsfactoren bij een individuele voorziening, </al><al>* over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele
                        voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen, </al><al>* voor de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt
                        bepaald,;</al><al>* voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele
                        voorziening of een persoonsgebonden budget alsmede misbruik en oneigenlijk
                        gebruik van de wet, </al><al>* ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering
                        van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of
                        jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit
                        daarvan;</al><lijst><li nr="-"><al>De stichting Centrum voor Jeugd en Gezin een centrale rol zal
                                vervullen binnen het nieuwe stelsel zorg voor jeugd;</al></li><li nr="-"><al>gezien het advies van de WMO-adviesraad d.d. 13 augustus 2014;</al></li></lijst><al/><al><vet>besluit</vet> vast te stellen de Verordening Zorg voor Jeugd gemeente
                        Apeldoorn 2015</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                        onder:</al><lijst><li nr="-"><al>andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de
                                Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
                                ondersteuning of werk en inkomen;</al></li><li nr="-"><al>beschikbaarheidsvoorzieningen: individuele voorzieningen die direct
                                en in voldoende mate voor handen moeten zijn;</al></li><li nr="-"><al>gesprek: gesprek als bedoeld in artikel 6;</al></li><li nr="-"><al>hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in
                                verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en
                                stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de
                                wet;</al></li><li nr="-"><al>individuele voorziening: de via een beschikking toegankelijke op de
                                jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening die door
                                het college in natura of pgb wordt getroffen, als bedoeld in artikel
                                2, tweede lid van deze verordening;</al></li><li nr="-"><al>overige voorziening: voorzieningen voor jeugdhulp die vrij
                                toegankelijk zijn, als bedoeld in artikel 2, eerste lid;</al></li><li nr="-"><al>pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de
                                Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een
                                jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot
                                de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;</al></li><li nr="-"><al>wet: Jeugdwet.</al></li></lijst><al><vet>Vormen van jeugdhulp</vet></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2a:</nr></kop><al>de volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar: </al><lijst><li nr="a."><al>toegang: wijze waarop wordt beoordeeld of recht bestaat op een
                                individuele voorziening</al></li><li nr="b."><al>basisdiagnostiek: expertise waarop het college een beroep doet om
                                tot een goede beoordeling van de hulpvraag te komen en daarom
                                onderdeel van de toegang</al></li><li nr="c."><al>meldpunt spoedeisende zorg: 24 uur per dag 7 dagen per week
                                beschikbaarheid van een professional die interventiehulp biedt in
                                het gezin</al></li><li nr="d."><al>Advies en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (AMHK):
                                organisatie met een brede kennis op het gebied van huiselijk geweld
                                en kindermishandeling. Het meldpunt geeft advies, is er voor
                                consultatie, kan onderzoek doen naar een melding en zonodig
                                jeugdhulp inzetten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2b</nr></kop><al>.</al><al>De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar: </al><lijst><li nr="1."><al>Care</al><lijst><li nr="a."><al>Care licht: zorg van tijdelijke duur, ondersteuning en
                                        begeleiding geboden in de thuissituatie of kortdurend
                                        verblijf, waarbij perspectief bestaat op volledige terugkeer
                                        naar huis.</al></li><li nr="b."><al>Care middel: zorg, ondersteuning en begeleiding van langere
                                        duur. Langerdurend verblijf met een beperkt perspectief van
                                        terugkeer naar huis of het volstaan van lichtere vormen van
                                        zorg, ondersteuning en begeleiding.</al></li><li nr="c."><al>Care zwaar: zorg, ondersteuning en begeleiding van zeer
                                        lange duur. Zeer langdurig verblijf zonder perspectief van
                                        terugkeer naar huis of het volstaan van andere vormen van
                                        zorg, ondersteuning en begeleiding.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Cure</al><lijst><li nr="d."><al>Cure licht: er is sprake van enkelvoudige problematiek en
                                        een kortdurende, lichte interventie van beperkte omvang is
                                        voldoende.</al></li><li nr="e."><al>Cure middel: er is sprake van enkelvoudige, complexe
                                        problematiek waarbij (combinaties van) meerdere interventies
                                        voor een langere periode nodig zijn.</al></li><li nr="f."><al>Cure zwaar: er is sprake van meervoudige, complexe
                                        problematiek waarbij zware en intensieve (combinaties van)
                                        interventies voor een langere periode nodig zijn</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Beschikbaarheidsvoorzieningen</al><lijst><li nr="g."><al>voortgezette diagnostiek: diagnostiek die wordt ingezet bij
                                        complexe multi-problem vraagstukken waar de vraag op
                                        voorhand niet duidelijk is. Er is dan sprake van verblijf in
                                        daghulp, deeltijdverblijf, of 24-uurs hulp in een opvang of
                                        pleeggezin. Tijdens dit verblijf wordt de jeugdige
                                        geobserveerd en wordt waar nodig psychodiagnostisch
                                        onderzoek gedaan. Te onderscheiden van basisdiagnostiek die
                                        wordt ingezet om de precieze vraag van de jeugdige of het
                                        gezin te bepalen</al></li><li nr="h."><al>jeugdbescherming: een gedwongen maatregel die de rechter kan
                                        opleggen als vrijwillige hulp niet werkt. Een jeugdige wordt
                                        dan onder toezicht gesteld. Gezinsvoogden begeleiden het
                                        gezin in de opvoeding, totdat de ouders dit weer zelfstandig
                                        kunnen. Soms woont de jeugdige daarbij – tijdelijk – niet
                                        meer thuis en</al></li><li nr="i."><al>jeugdreclassering: een rechterlijke maatregel voor jeugdigen
                                        tussen de 12 en 18 jaar die met politie in aanraking zijn
                                        geweest en een proces-verbaal hebben gekregen. De jeugdige
                                        krijgt een op maat gesneden begeleidingsplan dat moet
                                        voorkomen dat de jongere opnieuw de fout ingaat.</al></li><li nr="j."><al>crisishulp: bedden die beschikbaar zijn om jeugdigen in
                                        crisissituaties een veilige plek te kunnen bieden .</al></li><li nr="k."><al>jeugdzorg-plus: zorg en behandeling voor jongeren met
                                        ernstige gedragsproblemen in een gesloten accommodatie op
                                        basis van een machtiging, spoedmachtiging of voorwaardelijke
                                        machtiging van de rechter. Een bijzondere vorm van
                                        jeugdzorg-plus is zorg en behandeling voor jongeren met
                                        ernstige gedragsproblemen veroorzaakt door psychiatrische
                                        problematiek waarbij gevaar bestaat voor de gezondheid en
                                        veiligheid van de jeugdige en/of zijn omgeving.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Specialistisch zorg</al><lijst><li nr="l."><al>basis en specialistische Geestelijke Gezondheidszorg</al></li><li nr="m."><al>zeer specialistische zorgvormen</al></li><li nr="n."><al>open verblijf residentieel, terreinvoorziening</al></li><li nr="o."><al>wonen met zeer intensieve behandeling en begeleiding en
                                        besloten wonen met zeer intensieve behandeling en
                                        begeleiding voor jongeren met een licht verstandelijke
                                        beperking.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toegang tot jeugdhulp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders met een hulpvraag kunnen het college verzoeken om
                            toeleiding naar een overige voorziening of toekenning van een namens het
                            college bij beschikking, zoals bedoeld in artikel 10, te verlenen
                            individuele voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De huisarts, medisch specialist en jeugdarts kunnen verwijzen naar alle
                            vormen van jeugdhulp. Het college treft de voorziening waarnaar is
                            verwezen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De rechter of gecertificeerde instelling kunnen verwijzen naar alle
                            vormen van jeugdhulp indien zij dit nodig achten bij de uitvoering van
                            een kinderbeschermingsmaatregel. Verder kunnen de rechter, het openbaar
                            ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur
                            van de justitiële instelling verwijzen naar jeugdhulp die zij nodig
                            achten bij de uitvoering van jeugdreclassering. Het college treft de
                            voorziening jeugdhulp waarnaar is verwezen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Spoedeisende hulp kan zowel door het college als de gecertificeerde
                            instelling worden ingezet. In spoedeisende situaties kan door het
                            college of de gecertificeerde instelling ook een spoedmachtiging tot
                            opname in een gesloten instelling worden aangevraagd conform artikel
                            6.1.3 van de Jeugdwet..</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Jeugdigen en ouders die menen een beroep te kunnen doen op een overige
                            voorziening, kunnen zich rechtstreeks hiertoe wenden. Ook de huisarts,
                            medisch specialist, jeugdarts of andere betrokken instanties kunnen hen
                            rechtstreeks verwijzen naar een overige voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Cliëntondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen
                            doen op kostenloze cliëntondersteuning bij de procedure voor de aanvraag
                            om een individuele voorziening als bedoeld in artikel 5 tot en met 8,
                            waarbij het belang van de jeugdige en zijn ouders uitgangspunt is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst de jeugdige en zijn ouders voor het onderzoek, bedoeld
                            in artikel 5, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis
                            cliëntondersteuning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Registratie en vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert de melding van een hulpvraag schriftelijk.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verzamelt, in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders alle
                            voor het gesprek over de hulpvraag, bedoeld in artikel 6, van belang
                            zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie.
                            Hiertoe behoort in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in
                            artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Zo spoedig mogelijk nadat de gegevens zijn verzameld, maakt het college
                            een afspraak voor een gesprek.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouders afzien van
                            een vooronderzoek als de gegevens van de jeugdige en zijn situatie
                            voldoende bekend zijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien het vooronderzoek een afgerond beeld oplevert over de hulpvraag,
                            kan het college in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van een
                            gesprek en volstaan met een onderzoeksverslag dat voor akkoord aan de
                            jeugdige en/of zijn ouders wordt voorgelegd en overeenkomstig artikel 8,
                            vierde lid, wordt behandeld. Bij een niet voor akkoord getekend
                            onderzoeksverslag is artikel 8, lid 5, van overeenkomstige
                            toepassing</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Gesprek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundige(n) en de
                                jeugdige en/of zijn ouders, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid,
                                ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de
                                hulpvraag;</al></li><li nr="b."><al>het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;</al></li><li nr="c."><al>het vermogen van de jeugdige en/of zijn ouders om zelf of
                                        met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor
                                        de hulpvraag te vinden;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere
                                        voorziening;</al></li><li nr="e."><al>de mogelijkheden om jeugdhulp te verlenen met gebruikmaking
                                        van een overige voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om een individuele voorziening te
                                        verstrekken;</al></li><li nr="g."><al>de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele
                                        voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het
                                        gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning,
                                        of werk en inkomen;</al></li><li nr="h."><al>hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige
                                        gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond
                                        van de jeugdige en zijn ouders, en</al></li><li nr="i."><al>de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een
                                        pgb, waarbij de jeugdige of zijn ouders in begrijpelijke
                                        bewoordingen worden ingelicht over de gevolgen van de keuze
                                        voor zorg in natura of een pgb.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In de gevallen bedoeld in artikel 8.2.1 van de wet informeert het
                                college de ouders dat een ouderbijdrage is verschuldigd en hoe deze
                                bijdrage wordt geïnd.</al></li><li nr="3."><al>Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouders over de gang
                                van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de
                                vervolgprocedure en vraagt hen toestemming om hun persoonsgegevens
                                te verwerken.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouders afzien van
                                een gesprek.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het gesprek,
                            bedoeld in artikel 6.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen 10 werkdagen na het gesprek verstrekt het college aan de jeugdige
                            en/of zijn ouders een verslag van de uitkomsten, tenzij zij hebben
                            meegedeeld dit niet te wensen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De jeugdige en/of zijn ouders tekenen het verslag voor gezien of akkoord
                            en zorgen ervoor dat een getekend exemplaar binnen 10 werkdagen wordt
                            geretourneerd aan de contactpersoon, waarmee hij het gesprek heeft
                            gevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de jeugdige en/of zijn ouders tekenen voor gezien, kunnen zij
                            daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom zij niet akkoord
                            zijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als de jeugdige en/of zijn ouders van mening zijn dat zij in aanmerking
                            komen voor een individuele voorziening, kunnen zij dit aangeven op het
                            door hen voor akkoord ondertekende verslag<cursief>.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Jeugdigen en/of ouders kunnen een aanvraag om een individuele
                            voorziening mondeling, schriftelijk of digitaal indienen bij het
                            college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een aanvraag mondeling wordt gedaan, wordt deze schriftelijke
                            bevestigd</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een schriftelijke aanvraag kan worden ingediend door middel van een door
                            het college vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college beschouwt een voor akkoord ondertekend verslag van het
                            gesprek als aanvraag voor een individuele voorziening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een niet voor akkoord ondertekend verslag van het gesprek wordt door het
                            college als een aanvraag voor een individuele voorziening beschouwd,
                            tenzij de jeugdige of zijn ouders hebben aangegeven geen aanvraag te
                            wensen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De termijn van aanvraag tot beschikking bedraagt conform de Algemene wet
                            bestuursrecht maximaal 8 weken met de mogelijkheid tot verlenging.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9:</nr><titel>Criteria voor een individuele voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kent een individuele voorziening toe voorzover in het
                            verslag zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, wordt vastgesteld dat de
                            jeugdige:</al><lijst><li nr="a."><al>op eigen kracht of met zijn ouders of andere personen uit zijn
                                    naaste omgeving geen oplossing voor zijn hulpvraag kan
                                    vinden;</al></li><li nr="b."><al>geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet
                                    gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige voorziening,
                                    zoals bedoeld in artikel 1, of</al></li><li nr="c."><al>geen oplossing kan vinden voor zijn hulpvraag door, al dan niet
                                    gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere voorziening, zoals
                                    bedoeld in artikel 1;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kent eveneens een individuele voorziening toe voorzover met
                            betrekking tot de jeugdige een verwijzing zoals bedoeld in artikel 3,
                            tweede lid, is afgegeven;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt
                            in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb
                            wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de
                            beschikking kan worden gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een door de jeugdarts en/of gedragswetenschapper van het CJG ondertekend
                            voorblad bij het verslag kan worden aangemerkt als beschikking. In dit
                            voorblad of het verslag worden in deze situaties minimaal opgenomen de
                            gegevens zoals vermeld in lid 1 en, indien van toepassing 3 of 4 en
                            5.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de
                            beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde
                                    resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing,
                                    en</al></li><li nr="d."><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in
                            de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld,
                                    en</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als sprake is van een te betalen ouderbijdrage worden de jeugdige en/of
                            zijn ouders daarover in de beschikking
                            geïnformeerd<cursief>.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Regels voor pgb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1 van
                            de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 8.1.1, lid 3 en 4, van de wet verstrekt het college
                            geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                            jeugdige en/of zijn ouders voorafgaand aan de indiening van de aanvraag
                            heeft gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van een pgb wordt bepaald aan de hand van de tussen de
                            deskundige(n) en de budgethouder gemaakte afspraken over ondersteuning
                            (inclusief resultaat en kwaliteit) van een door de jeugdige en/of zijn
                            ouders opgesteld plan tot het maximum van de kostprijs van de in de
                            betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nadere regeling op welke wijze de hoogte van een
                            pgb wordt vastgesteld.5. Het college bepaalt bij nadere
                            regeling onder welke voorwaarden betreffende het tarief, een jeugdige
                            en/of zijn ouders aan wie een pgb wordt verstrekt de mogelijkheid heeft
                            om een individuele voorzienig te betrekken van een persoon die behoort
                            tot het sociale netwerk<cursief>.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                            terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 8.1.2 van de wet doen een jeugdige of zijn ouders
                            op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling
                            van alle feiten en omstandigheden, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk
                            moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een
                            beslissing aangaande een individuele voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 8.1.4 van de wet kan het college een beslissing
                            aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het
                            college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens
                                    hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige
                                    gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele
                                    voorziening of op het pgb zijn aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                                    achten;</al></li><li nr="d."><al>de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van
                                    de individuele voorziening of het pgb, of</al></li><li nr="e."><al>de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het pgb
                                    niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is
                                    bestemd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                            heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige
                            gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van degene
                            die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel
                            of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten
                            individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een pgb of zorg in natura kan worden
                            ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na uitbetaling niet
                            is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de
                            verlening heeft plaatsgevonden of geen gebruik wordt gemaakt van de
                            individuele voorziening die is verleend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde
                            zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders
                            kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</titel></kop><al>Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij
                        de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren
                        jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of
                        jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten
                        taken; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de
                        zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. een
                        voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als
                        gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor
                        bijscholing van het personeel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Vertrouwenspersoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep
                            kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst
                            kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><al>Het college behandelt klachten die betrekking hebben op de </al><al>wijze van afhandeling van hulpvragen en aanvragen als bedoeld in deze
                        verordening, overeenkomstig de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Inspraak en medezeggenschap</titel></kop><al>1.Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding
                        van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150
                        van de Gemeentewet gestelde regels. De verordening cliëntenparticipatie, de
                        inspraakverordening en de regeling cliëntenraden worden van overeenkomstige
                        toepassing verklaard op jeugd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn
                        ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, als toepassing van
                        deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Voorzover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan het
                        college nadere regels stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Zorg voor jeugd
                                Apeldoorn 2015.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Vastgesteld door de gemeenteraad van Apeldoorn op 16 oktober 2014 </al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Deze wet maakt onderdeel uit
                    van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de
                    jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de
                    begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Daarnaast wordt met deze
                    wet een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg
                    (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten
                    (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning (Wmo). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken
                    op jeugdzorg worden hierbij vervangen door een voorzieningenplicht waarvan de
                    aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel
                    van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en
                    ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd
                    doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en
                    probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.</al><al>De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad
                    per verordening in ieder geval regels opstelt:</al><lijst><li nr="·"><al>over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en
                            overige (jeugdhulp)voorzieningen; </al></li><li nr="·"><al>met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van
                            beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele
                            voorziening;</al></li><li nr="·"><al>over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele
                            voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op gebied van zorg,
                            onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;</al></li><li nr="·"><al>over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt
                            vastgesteld;</al></li><li nr="·"><al>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele
                            voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of
                            oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet; </al></li><li nr="·"><al>over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van
                            de Jeugdwet, en</al></li><li nr="·"><al>ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                            levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp,
                            kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten
                            aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat
                            verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de
                            deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke
                            arbeidsvoorwaarden. </al></li></lijst><al>Artikel 2.9 van de Jeugdwet biedt verder ruimte om met inachtneming van het
                    bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet andere regels te stellen. Deze verordening
                    maakt hier spaarzaam gebruik van; om een meer compleet beeld te geven van de
                    rechten en plichten van burgers en de gemeente. Daarnaast kan op grond van
                    artikel 8.1.1, vierde lid, bij verordening bepaald worden onder welke
                    voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstekt, de
                    jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoord tot zijn sociale netwerk.
                    Het persoonsgebonden budget wordt nader uitgewerkt in een regeling art. 11 lid 4
                    en 5.</al><al>Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op
                    grond van artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens dient vast te stellen. In dit
                    beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met
                    betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van
                    kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. </al><tussenkop>Toeleiding naar de jeugdhulp</tussenkop><al>De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden.</al><tussenkop>Vrij toegankelijk</tussenkop><al>In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en
                    individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp
                    (zie artikel 2, eerste, respectievelijk tweede lid). Voor een deel van de
                    hulpvragen kan worden volstaan met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier
                    kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een
                    verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn
                    ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de
                    jeugdhulpaanbieder wenden.</al><tussenkop>Toegang jeugdhulp</tussenkop><al>Er zijn 4 verschillende manieren te onderscheiden waarop jeugdigen en gezinnen
                    toegang kunnen krijgen tot jeugdhulp.</al><tussenkop>1. Via de gemeente</tussenkop><al>Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouders kan binnenkomen bij de gemeente.
                    De gemeenteraad heeft bij besluit van 17 juli 2014 de Stichting Centrum voor
                    Jeugd en Gezin Apeldoorn (hierna: CJG) het alleenrecht verleend om namens de
                    gemeente te beslissen over de toegang tot jeugdhulp en de toeleiding naar de
                    jeugdbescherming en jeugdreclassering (toeleiding naar het justitiële
                    kader)</al><al>De stichting voert haar werkzaamheden uitsluitend uit ten behoeve van de
                    Gemeente Apeldoorn en ten behoeve van jeugd/personen tot 23 jaar die in de
                    Gemeente Apeldoorn hun vaste woon- en verblijfplaats hebben of waarvan de
                    gezagdragende ouder in Apeldoorn woont (zie het woonplaatsbeginsel).</al><al>De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder precies
                    nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met die jeugdige en zijn
                    ouders. In een gesprek tussen een deskundige van het CJG en de jeugdige en zijn
                    ouders zal gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met
                    behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een
                    voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden
                    of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke
                    voorziening. Is het laatste het geval dan neemt deze deskundige, namens het
                    college, een besluit en bepaalt hij in overleg met de jeugdige welke
                    jeugdhulpaanbieder de aangewezene is om de betreffende problematiek aan te
                    pakken. </al><al>De toegang tot JeugdzorgPlus verloopt niet via het CJG. JeugdzorgPlus of
                    gesloten jeugdzorg is een vorm van zorg en behandeling voor jongeren met
                    ernstige en gecompliceerde gedragsproblemen die tegen zichzelf beschermd moeten
                    worden of zich aan de noodzakelijke zorg dreigen te onttrekken. Jongeren worden
                    ongeacht of ze dit willen, opgenomen en krijgen in hun eigen belang hulp in een
                    gesloten omgeving. Dit gebeurt meestal op besluit van de kinderrechter en na
                    toetsing door een onafhankelijke gedragswetenschapper.</al><al>In veel situaties zal de gecertificeerde instelling, vanaf 1 januari 2015
                    rechtsopvolger van Bureau Jeugdzorg en uitvoerder van de maatregelen
                    jeugdbescherming en jeugdreclassering, al betrokken zijn bij gezinnen waarin
                    complexe problematiek speelt. Zodra sprake is van een maatregel, heet dit
                    gedwongen kader. Is in het gedwongen kader een machtiging JeugdzorgPlus nodig
                    dan kan de gecertificeerde instelling deze zelf aanvragen.</al><al>In een aantal situaties is sprake van een machtiging JeugdzorgPlus in het
                    vrijwillige kader. De gecertificeerde instelling is niet bij het gezin
                    betrokken. In deze situaties regelt de Jeugdwet dat het college een machtiging
                    kan aanvragen. Zoals gezegd wordt deze taak niet bij het CJG belegd. Gezien het
                    geringe aantal jeugdigen en de ervaring en kennis die nodig is om deze taak goed
                    uit te voeren, is het voorstel deze taak bij de gecertificeerde instelling te
                    beleggen. </al><al>De gecertificeerde instelling krijgt dus een extra taak binnen het vrijwillig
                    kader, waarin dus geen sprake is van een maatregel jeugdbescherming. </al><tussenkop>2. Via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist</tussenkop><al>De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing
                    door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Over het verwijzen
                    maakt het CJG afspraken met de artsen. Na een dergelijke verwijzing staat echter
                    nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld
                    welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan
                    op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft
                    ingekocht. In de praktijk zal de jeugdhulpaanbieder het CJG informeren over de
                    verwijzing. De jeugdhulpaanbieder zal na de verwijzing in overleg met de
                    jeugdige en/of zijn ouders bepalen welke voorziening precies nodig is (de
                    behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur).
                    Binnen de marges van de toegekende individuele voorziening. Bij het vaststellen
                    van de passende hulp dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken
                    die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of
                    subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan
                    waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook
                    ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte
                    zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale
                    benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met
                    name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’
                    zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij
                    het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten
                    houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze
                    verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een
                    besluit van de gemeente toegankelijk is (zie artikel 2). Wettelijk is geregeld
                    dat toegang tot jeugdhulp via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist
                    mogelijk is. Deze verordening regelt slechts een enkel aspect met betrekking tot
                    het proces (zie artikel 3). Artikel 10 en verder zijn wel van overeenkomstige
                    toepassing.</al><tussenkop>3. Via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar
                    ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële
                    jeugdinrichting</tussenkop><al>Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de
                    kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot
                    jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de
                    selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde
                    instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het
                    kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of
                    jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg
                    een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens
                    gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering
                    van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht
                    van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen
                    tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen
                    garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel
                    gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de
                    kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst
                    hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de
                    maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de
                    kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke
                    gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de
                    kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op
                    die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het
                    geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is
                    verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de
                    Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.</al><tussenkop>4. Via het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling
                    (AMHK)</tussenkop><al>Ten slotte vormt ook het AMHK een toegang tot onder andere jeugdhulp. Het AMHK
                    geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en
                    kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er
                    sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van
                    jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al
                    in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze
                    verordening.</al><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>Onder het begrip ‘<onderstreept>andere voorziening</onderstreept>’ wordt in deze
                    verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt
                    getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk
                    en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de wet. De
                        <onderstreept>individuele voorzieningen</onderstreept> en
                        <onderstreept>overige voorzieningen</onderstreept> zijn opgenomen in artikel
                    2. Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in
                    artikel 3 <cursief>e.v</cursief><cursief>.</cursief></al><al>De definities van ‘gesprek’ en ‘melding’ zijn nodig omdat deze begrippen niet
                    zijn gedefinieerd in de wet en het gebruik hier afwijkt van het normale
                    spraakgebruik. </al><al>De <onderstreept>melding</onderstreept> is het eerste contact van jeugdigen en
                    ouders met het college om aan te geven dat zij behoefte hebben aan jeugdhulp. De
                    melding (artikel 5) is iets anders dan de aanvraag om een individuele
                    voorziening; dit laatste is geregeld in artikel 8. </al><al>Het <onderstreept>gesprek</onderstreept> is het mondeling contact bij het
                    onderzoek naar de hulpvraag waarin het college - in de praktijk het CJG - met
                    degene die jeugdhulp vraagt zijn gehele situatie bespreekt ten aanzien van de
                    ondervonden problemen en de gevolgen daarvan en de gewenste resultaten van de te
                    kiezen oplossingen.</al><al>De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting
                        <onderstreept>pgb</onderstreept> in het spraakgebruik inmiddels meer is
                    ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’.</al><al>Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink
                    aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze
                    wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening.
                    Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’,
                    ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In de verordening gebruiken we de begrippen jeugdige en
                    ouder overeenkomstig de Jeugdwet. Indien mogelijk aangeduid algemeen als
                    ‘jeugdigen en ouders’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouders’.
                    Gebruik van ‘of’ impliceert ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de
                    jeugdige of zijn ouders’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar
                    of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van
                    artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een
                    ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet
                    zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de
                    ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar). </al><al>In artikel 1.1 van de wet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd:</al><tussenkop>1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan
                    jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en
                    opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen,
                    psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de
                    jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde
                    problemen;</tussenkop><tussenkop>2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van
                    het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke,
                    lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een
                    psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben
                    bereikt, en</tussenkop><tussenkop>3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied
                    van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan
                    zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of
                    zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of
                    beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien
                    verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in
                    het kader van jeugdstrafrecht.</tussenkop><al>Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal
                    definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’
                    (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb). </al><tussenkop>Artikel 2. Vormen van jeugdhulp </tussenkop><al>Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van
                    artikel 2.9, onder a, van de wet, waarin is bepaald dat de gemeente bij
                    verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele
                    voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de memorie van
                    toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren
                    dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van
                    voorzieningen binnen de gemeente. </al><al>Het begrip 'voorziening' is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt zich
                    dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de memorie van toelichting aan
                    dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij
                    toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele voorziening. Een
                    individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde
                    zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet.
                    Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal door de gemeente
                    (artikel 5 [<cursief>tot en met11</cursief>]) of door de huisarts, medisch
                    specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder (artikel 4) eerst beoordeeld
                    moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk
                    nodig hebben. </al><al>Voorzieningen in de zin van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de drieledige
                    wettelijke definitie van jeugdhulp (zie de toelichting op artikel 1). Een
                    voorziening kan derhalve een breed spectrum van verschillende soorten
                    ondersteuning, hulp en zorg omvatten. Een beschrijving is gewenst omdat de
                    wetgever gemeenten opdraagt ervoor te zorgen dat de burger zich een beeld kan
                    vormen van de voorzieningen in het kader van jeugdhulp.</al><al>In lid 1 zijn de overige voorzieningen beschreven. </al><al>Zoals eerder genoemd heeft de gemeenteraad het CJG Apeldoorn het alleenrecht
                    verleend om namens de gemeente te beslissen over de toegang tot jeugdhulp en de
                    toeleiding naar de jeugdbescherming en jeugdreclassering (toeleiding naar het
                    justitiële kader). Bij het CJG zijn gedragwetenschappers en jeugdartsen werkzaam
                    die over een brede kennis en kundige beschikken om te kunnen besluiten over
                    passende hulp. In een aantal situaties is meer deskundigheid nodig dan waarover
                    het CJG beschikt. In die situaties kan het CJG een beroep doen op de zogenaamde
                    basisdiagnostiek, expertise die van buiten het CJG wordt ingezet om tot een
                    goede beoordeling van de hulpvraag en de daarbij passende ondersteuning en zorg
                    te komen. </al><al>In situaties waarin vermoedens bestaan of sprake is van huiselijk geweld of
                    kindermishandeling kan een beroep worden gedaan op de deskundigheid van het
                    advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK). Ook kan een
                    melding worden gedaan bij het AMHK. Een melding kan leiden tot een advies over
                    hoe om te gaan met de situatie door bijvoorbeeld een inzet van een (vrij
                    toegankelijke) overige voorziening zoals het maatschappelijk werk of een
                    toeleiding naar de lokale toegang wanneer er toch een individuele voorziening
                    nodig blijkt. Ook kan het AMHK een melding doen bij de Raad voor de
                    Kinderbescherming. Deze melding kan uiteindelijk leiden tot een rechterlijke
                    maatregel; jeugdbescherming of jeugdreclassering.</al><al>Een crisissituatie kan leiden tot een beroep op spoedeisende zorg en crisishulp.
                    Spoedeisende zorg is dan ook bedoeld om snel te kunnen ingrijpen bij een
                    crisissituatie. Het gaat om de 24/7 beschikbaarheid van een professional die
                    interventiehulp biedt in het gezin. Het streven is uithuisplaatsing zoveel
                    mogelijk te voorkomen. Als het nodig is in het belang van de veiligheid van het
                    kind, dan kan het kind (tijdelijk) elders worden opgevangen. Er kan dus sprake
                    zijn van spoedeisende zorg (interventiehulp) en/of van crisishulp (bedden). De
                    crisishulp (bedden) moet altijd beschikbaar zijn en behoort dus tot de
                    beschikbaarheidsvoorzieningen (zie lid 3). In feite vormt de spoedeisende zorg
                    de toegang tot de crisishulp. Het is belangrijk dat het CJG en relevante lokale
                    voorzieningen optimaal worden benut wanneer spoedeisende zorg geboden is. Opvang
                    van een cliënt in crisishulp is voor maximaal vijf werkdagen, daarna stroomt een
                    cliënt door naar een individuele voorziening, waarvoor een verleningsbeschikking
                    is vereist.</al><al>Lid 2 geeft een overzicht van de individuele voorzieningen. De zorgvormen uit de
                    beleidsnota inkoop:</al><lijst><li nr="-"><al>voortgezette diagnostiek;</al></li><li nr="-"><al>begeleiding/ambulante hulp</al></li><li nr="-"><al>crisishulp/crisisopvang</al></li><li nr="-"><al>dag- en deeltijdbehandeling (zonder verblijf)</al></li><li nr="-"><al>pleegzorg</al></li><li nr="-"><al>verblijf 24-uur zorg</al></li><li nr="-"><al>verblijf deeltijd</al></li><li nr="-"><al>JeugdzorgPlus</al></li><li nr="-"><al>coördinatie (omvangrijk coördinatietaak met verschillende vormen van
                            hulp en ondersteuning)</al></li><li nr="-"><al>jeugdbescherming</al></li><li nr="-"><al>jeugdreclassering</al></li></lijst><al>zijn omgevormd tot de bouwstenen cure (gericht op behandeling) en care (gericht
                    op begeleiding en ondersteuning). In de huidige situatie is de
                    financieringssystematiek van deze zorgvormen onderling sterk verschillend. Zo
                    vindt de bekostiging plaats op grond van de Awbz, de Zvw of vanuit de provincie.
                    Er is sprake van DBC’s (diagnose behandel combinaties), ZZP’s
                    (zorgzwaartepakketten) en BKE’s (bekostigingseenheden). Ook de hoogte van de
                    tarieven is onderling verschillend.</al><al>Gemeenten willen toegroeien naar een sturingssystematiek die eenduidig is voor
                    de verschillende sectoren om op die manier zowel inhoudelijke winst als
                    efficiencyvoordelen te behalen. De sturingssystematiek met de bouwstenen cure en
                    care is de stip op de horizon. In 2016 wordt dit systeem volledig ingevoerd. In
                    2015 wordt een eerste stap gezet naar deze nieuwe sturingssystematiek. Daarvoor
                    worden de huidige zorgvormen, producten en prijzen in de Awbz, de Zvw en de
                    provinciale jeugdzorg zoveel als mogelijk omgezet in het kader van de
                    bouwstenen. </al><al>Binnen de bouwstenen care en cure wordt een onderscheid gemaakt naar licht,
                    middel en zwaar. Het onderscheidend vermogen daarin is de mate van complexiteit
                    van de hulpvraag en/of de duur van de behandeling. Binnen de bouwsteen bepaalt
                    de jeugdhulpaanbieder samen met de jeugdige en zijn ouders welke jeugdhulp
                    precies nodig is.</al><al>Lid 3. Naast de bouwstenen care en cure zijn er ook zogenoemde
                    beschikbaarheidsvoorzieningen. Dit zijn individuele voorzieningen die direct en
                    in voldoende mate voorhanden moeten zijn. Ten eerste vanwege het voorwaardelijke
                    karakter om jeugdhulp in te zetten die valt onder de bouwstenen care en cure. In
                    dat geval moet eerst nog voortgezette diagnostiek worden ingezet om precies de
                    vraag van het kind en/of gezin te onderzoeken en vast te stellen. Het AMHK kan
                    het CJG bij de diagnostiek ondersteunen bij vermoedens van
                    kindermishandeling.</al><al>Ten tweede moet er altijd in voldoende mate jeugdbescherming en
                    jeugdreclassering voorhanden zijn, in de vorm van voldoende voogden en
                    reclasseerders die jeugdigen kunnen begeleiden na een rechterlijke maatregel.
                    Dit geldt eveneens voor plaatsen in een gesloten accommodatie (Jeugdzorg-plus)
                    en crisishulp: bedden voor jeugdigen die voor hun veiligheid tijdelijk elders
                    opgevangen moeten worden. De beschikbaarheidsvoorzieningen zijn dan ook:</al><lijst><li nr="1)"><al>Voortgezette diagnostiek</al></li><li nr="2)"><al>Jeugdbescherming</al></li><li nr="3)"><al>Jeugdreclassering</al></li><li nr="4)"><al>JeugdzorgPlus.</al></li></lijst><al>Lid 4. Voor de GGZ-sector is afgesproken dat landelijk nog voor maximaal 3 jaar
                    de oude bekostigingssystematiek wordt gehanteerd. Door deze afspraak zijn de
                    basis en specialistische GGZ (nog) niet in te passen in de bouwstenen care en
                    cure en worden ze in de verordening dus apart benoemd. Evenals een deel van de
                    hulp die bovenlokaal en landelijk wordt ingekocht. Dit betreft zeer
                    specialistische vormen van zorg.</al><al>Verder zijn er zorgvormen waarop slechts een klein aantal cliënten een beroep
                    doet, die zeer specialistisch van aard zijn en/of landelijke georganiseerd zijn
                    en waarvoor op landelijk niveau afspraken worden gemaakt. Ook deze
                    specialistische functies vallen (nog) niet onder de bouwstenen cure en care en
                    zijn daarom apart benoemd. </al><tussenkop>Artikel 3 Toegang jeugdhulp </tussenkop><al>In artikel 3 is opgenomen dat de gemeenteraad bij verordening in ieder geval
                    regels stelt voor de door het college te verlenen individuele voorzieningen en
                    overige voorzieningen m.b.t. de voorwaarden voor toekenning van, de wijze van
                    beoordeling van, en de afwegingsfactoren voor toekenning van een individuele
                    voorziening. Het college is het bevoegde orgaan om jeugdhulp te verlenen op
                    grond van de wet. In Apeldoorn wordt deze bevoegdheid aan het CJG
                    gemandateerd.</al><al>Lid 1 geeft aan dat via de gemeente, het college van Burgemeester en wethouders,
                    een verwijzing naar jeugdhulp kan plaatsvinden. Verder regelt dit artikel de
                    start van een toegangstraject voor jeugdigen en ouders met een hulpvraag. </al><al>Lid 2 geeft aan dat verwijzing naar jeugdhulp ook via de huisarts, medisch
                    specialist en jeugdarts kan verlopen. De directe verwijzingsmogelijkheid door de
                    huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp geldt zowel voor de
                    vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke
                    (individuele) voorzieningen. </al><al>Lid 3 geeft de mogelijkheid aan van een verwijzing door rechter, gecertificeerde
                    instelling, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts
                    of de directeur van de justitiële inrichting. Het vervolg van dit lid is een
                    letterlijke weergave van artikel 2.4, tweede lid onderdeel b, van de wet en
                    regelt de uitvoering van de verplichting van het college om een voorziening
                    jeugdhulp te treffen die nodig is in situaties waarbij de uitvoering van
                    jeugdbescherming en jeugdreclassering aan de orde is. In die situaties zal in
                    eerste instantie een beroep worden gedaan op de voorzieningen waarin de gemeente
                    via subsidies dan wel contracten voorziet. Mocht hierin een leemte bestaan dan
                    zal het college anderszins in de op haar rustende verplichting moeten
                    voldoen.</al><al>Lid 4 gaat over crisissituaties. Beschreven wordt welke mogelijkheden het
                    college heeft om adequaat te reageren. Volgens art. 6.1.8 van de wet kan het
                    college, wanneer ze dit nodig acht, hiervoor bij de kinderrechter een verzoek
                    indienen voor een machtiging, een spoedmachtiging of een voorwaardelijke
                    machtiging.</al><al>Lid 5 regelt tenslotte dat onder andere de jeugdige of ouders die een beroep
                    doen op een overige voorziening zich hier direct toe kunnen wenden zonder de
                    procedure van artikel 3 te hoeven doorlopen. In dit opzicht is er dus geen
                    verschil met de situatie van vóór inwerkingtreding van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 4 Cliëntondersteuning</tussenkop><al>Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college
                    in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de wet. De wet
                    benadrukt dat de cliëntondersteuning voor de cliënt kosteloos is. In de memorie
                    van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841,
                    nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een
                    algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers
                    informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en
                    hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide
                    vraagverheldering alsmede kortdurende en kort cyclische ondersteuning bij het
                    maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit.</al><al>In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de wet bepaald
                    dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de
                    mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning.</al><tussenkop>Procedure via het CJG</tussenkop><tussenkop>Artikel 5. Registratie en vooronderzoek </tussenkop><al>Voor het verkrijgen van een individuele, niet overige voorziening, geldt de in
                    artikel 5 tot en met 8 beschreven procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling
                    van een aangemelde hulpvraag zal, zoals beschreven in artikel 6, in een gesprek
                    met de jeugdige en zijn ouders de gehele situatie worden bekeken en kan
                    bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een overige jeugdhulpvoorziening in
                    plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening. </al><al>Zoals in de algemene toelichting al is aangehaald hebben jeugdigen en ouders
                    onder de Jeugdwet geen wettelijk recht op jeugdzorg en geen individuele
                    aanspraken op jeugdzorg. Wel is er een voorzieningenplicht voor de gemeente en
                    het daaruit voortvloeiende recht van jeugdigen en ouders op een zorgvuldige
                    procedure. Deze verordening bevat een aantal bepalingen die dit moeten
                    waarborgen. Hiermee kan ten onrechte de schijn worden gewekt dat het telkens om
                    een uitvoerig, onnodig bureaucratische proces gaat. Dit is echter geenszins de
                    bedoeling. Zo kan het vooronderzoek (artikel 5), afhankelijk van de inhoud van
                    de melding, meer of minder uitgebreid zijn. Er kan bovendien hiervan – en in
                    bepaalde gevallen ook van het gesprek (artikel 6) – in overleg met de jeugdige
                    of zijn ouders afgezien worden. Daartegenover staat dat, als dat nodig is, er
                    ook sprake kan zijn van meerdere (opeenvolgende gesprekken). Als de jeugdige al
                    bij de gemeente bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen niet meer
                    uitgediept hoeven te worden. Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst
                    bij de gemeente, dan zal een gesprek nodig zijn om een totaalbeeld van de
                    jeugdige en zijn situatie te krijgen. Een vooronderzoek en gesprek zullen
                    uiteindelijk vaak wel in enige vorm nodig zijn, omdat voor een zorgvuldig te
                    nemen besluit het van belang is dat alle feiten en omstandigheden van de
                    specifieke hulpvraag worden onderzocht. Ook andere bepalingen (schriftelijke
                    verslaglegging (artikel 7) en schriftelijke indiening aanvraag (artikel 8)) zijn
                    opgenomen met het oog op een zorgvuldige procedure en in het belang van een
                    zorgvuldige dossiervorming.</al><al>Lid 1 regelt dat iedere hulpvraag of verwijzing schriftelijke wordt
                    geregistreerd, als inschakeling van de jeugdarts of gedragswetenschapper van het
                    CJG de volgende stap is. Deze registratie is de basis voor het vervolg van de
                    procedure, maar is ook nodig voor het geval een cliënt op een later tijdstip met
                    een hulpvraag bij het CJG terugkeert en de voorgaande situatie bij de nieuwe
                    beoordeling moet worden meegewogen. De wet geeft in artikel 7.4.2 hiervoor een
                    juridische grondslag. In het kader van privacywetgeving is het essentieel dat
                    jeugdigen en ouders over deze verwerking van gegevens goed worden geïnformeerd,
                    zodat zij weten hoe en bij wie zij de desgewenst hun privacyrechten kunnen
                    uitoefenen. Hierover zal meteen bij het eerste contact over de hulpvraag
                    duidelijkheid aan de cliënt worden geboden (zie artikel 6 lid 3).</al><al>Het tweede lid dient ter voorbereiding van het gesprek waarbij voor het
                    onderzoek naar aanleiding van de melding relevante bekende gegevens in kaart
                    worden gebracht, zodat cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij
                    de gemeente al bekend zijn en een goede afstemming mogelijk is met eventuele
                    andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
                    ondersteuning of werk en inkomen. De regels met betrekking tot de privacy van
                    betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de
                    Wet bescherming persoonsgegevens zijn hierop van overeenkomstige toepassing.
                    Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met
                    de privacyregels, kan het college de jeugdige of zijn ouders vragen om
                    toestemming om deze op te vragen of in te zien. Het vooronderzoek kan
                    afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat
                    ook de uitnodiging voor het gesprek. In het kader van de rechtmatigheid wordt in
                    ieder geval de identiteit van de jeugdige of ouders vastgesteld aan de hand van
                    een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.</al><al>Derde lid: bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie voor het
                    gesprek kunnen dan ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de jeugdige
                    of zijn ouders worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen. Tevens
                    kan worden beoordeeld of sprake is van een voorliggende voorziening en of het
                    college op grond van artikel 1.2 van de wet al dan niet is gehouden om een
                    voorziening op basis van deze wet te treffen.</al><al>In het vierde lid is een bepaling opgenomen ter voorkoming van onnodige
                    bureaucratie. Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of zijn
                    ouders, en de jeugdige of zijn ouders geven toestemming om dit dossier te
                    gebruiken, dan kan een vooronderzoek achterwege blijven. Een gesprek over de
                    acute hulpvraag is dan in de regel nog wel nodig. Indien de hulpvraag ook al
                    bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan kan in overleg
                    met de jeugdige of zijn ouders ook van het gesprek worden afgezien. Dit laatste
                    is bepaald in het vijfde lid.</al><tussenkop>Artikel 6. Gesprek</tussenkop><al>Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle feiten en
                    omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Het ligt daarom
                    ook voor de hand dat tijdens een gesprek met de jeugdige en zijn ouders het een
                    en ander wordt besproken. Indien nodig voor het onderzoek, kan ook sprake zijn
                    van meerdere (opeenvolgende) gesprekken. In het kader van deze verordening
                    worden deze gesprekken beschouwd als onderdelen van een samenhangend geheel,
                    leidend tot één gespreksverslag. Wat, zoals ook aangegeven in de toelichting op
                    artikel 7, aan de jeugdige of zijn ouders voor ondertekening wordt
                    aangeboden.</al><al>In het eerste lid is opgenomen dat het gesprek zo spoedig mogelijk moet
                    plaatsvinden. Het hangt af van de situatie hoe snel dat kan of moet
                    plaatsvinden.</al><al>In de onderdelen a tot en met i zijn de onderwerpen van het gesprek weergegeven.
                    Het betreft uiteraard altijd maatwerk. Indien de jeugdige al bij de gemeente
                    bekend is, zullen een aantal gespreksonderwerpen niet meer uitgediept hoeven te
                    worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe
                    ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige of zijn ouders voor het eerst bij de
                    gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige en zijn
                    situatie te krijgen. In onderdeel c wordt de eigen kracht van jeugdigen en
                    ouders voorop gesteld overeenkomstig het uitgangspunt dat de
                    verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen
                    allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. Een te verstrekken
                    voorziening kan ook juist nodig zijn om de mate van probleemoplossend vermogen
                    van de jeugdige en zijn ouders en die van de naaste omgeving te versterken.</al><al>Ten aanzien van de afstemmingsplicht in onderdeel g valt tedenken aan
                    een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wmo, AWBZ of de Zvw en
                    een voorziening op het gebied van passend onderwijs. </al><al>Het tweede lid dient ertoe ouders te informeren over een eventuele
                    ouderbijdrage. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in
                    de beschikking op. Dat loopt via een daartoe aangewezen bestuursorgaan, evenals
                    de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. In artikel 8.2.3 van de wet is
                    bepaald dat de ouderbijdrage door ‘het bestuursorgaan dat (door Onze Ministers)
                    met (de vaststelling en) de inning is belast’ wordt vastgesteld en ten behoeve
                    van degemeente wordt geïnd. Hier kan de gemeente niet van afwijken. De
                    ouderbijdrage geldt op grond van art. 8.2.1 van de wet alleen in situaties van
                    jeugdhulp buiten de thuissituatie. Zie ook artikel 9, vierde lid. </al><tussenkop>Artikel 7. Verslag</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en
                    een zorgvuldige procedure. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij.
                    Hierbij is een voorbeeld genomen aan de praktijk van de Wmo. In de memorie van
                    toelichting op het wetsvoorstel Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14 33 841, nr.3)
                    staat hieroverdat het college een weergave van de uitkomsten van het
                    onderzoek verstrekt om de cliënt in staat te stellen een aanvraag te doen voor
                    een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave
                    maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te
                    nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de
                    cliënt. Uiteraard zal de weergave van het onderzoek variëren met de uitkomsten
                    van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel
                    beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de
                    uitkomst is dat geen aanvraag van een individuele voorziening noodzakelijk is.
                    Er volgt dan dus geen officiële aanvraag en ook geen beschikking.</al><al>Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave
                    noodzakelijk zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de
                    uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen
                    plan (arrangement) waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit
                    voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de
                    cliënt dit plan ondertekenen. </al><al>Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog
                    moeten worden uitgewerkt en gaat daar een paar dagen overheen. Daarom begint het
                    tweede lid met de zinsnede “Binnen 10 werkdagen na het gesprek”. Het kan
                    overigens ook zijn dat na een gesprek de cliënt bijvoorbeeld nog onderzoekt wat
                    er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of de buurvrouw een uurtje op de
                    kinderen kan passen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Ook dan is
                    een paar dagen tijd na het gesprek nuttig. Artikel 3 geeft de jeugdige en zijn
                    ouders ruimte om het verslag zorgvuldig te lezen en al dan niet voor akkoord of
                    gezien te tekenen.</al><al>Als de jeugdige of zijn ouders niet akkoord zijn met het verslag tekenen ze dit
                    voor gezien, lid 4, en geven aan waarom ze deze mening zijn toegedaan. Veelal
                    zal een nieuw gesprek volgen om samen tot een oplossing te komen. Blijven de
                    meningen verschillen, dan kunnen ouders een aanvraagformulier invullen (artikel
                    8 lid 3) en het gesprekverslag met hun opmerkingen als bijlage bijvoegen. Op
                    deze aanvraag volgt dan een beschikking waartegen bezwaar mogelijk is.</al><al>Lid 5 en artikel 8 lid 4 dragen bij aan het voorkomen van onnodige bureaucratie
                    door het voor akkoord ondertekende gespreksverslag als aanvraag aan te
                    merken.</al><tussenkop>Artikel 8. Aanvraag</tussenkop><al>Deze bepaling is een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel
                    2.9, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in
                    ieder geval regels stelt met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de
                    wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele
                    voorziening. Een aanvraag is nodig om een beschikking voor een individuele
                    voorziening te verkrijgen.</al><al>In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt
                    daarvan niet af. </al><al>Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een
                    beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan dat bevoegd is op de
                    aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij wettelijk voorschrift
                    anders is bepaald. Voor een schriftelijke aanvraag is een formulier verkrijgbaar
                    via internet (lid 3)</al><al>Lid 2 bepaalt dat een aanvraag ook mondeling kan worden gedaan en dan
                    schriftelijke wordt bevestigd. In de praktijk zal dit meestal betekenen dat de
                    jeugdige en zijn ouders die een mondelinge aanvraag doen, uitgenodigd worden
                    voor een gesprek. Het verslag van dit gesprek kan vervolgens als aanvraag worden
                    gezien conform lid 4 van dit artikel als de jeugdige en zijn ouders dit verslag
                    voor akkoord hebben ondertekend. </al><al>Lid 4 regelt dat ter voorkoming van onnodige administratieve lasten de
                    mogelijkheid om een door de jeugdige of zijn ouders ondertekend verslag als
                    aanvraag aan te merken als complete aanvraag voor een individuele voorziening.
                    Zo wordt voorkomen dat alsnog een aanvraagformulier moet worden ingevuld.</al><al>Het bepaalde in lid 5 borgt de rechtsgang van betrokkene indien de jeugdige of
                    zijn ouders er niet mee instemmen dat zij worden verwezen naar een overige
                    voorziening, omdat zij recht menen te hebben op een individuele voorziening of
                    in het geval zij het niet eens zijn met een aangeboden individuele voorziening.
                    In die gevallen kunnen zij ervoor kiezen het gespreksverslag voor niet-akkoord
                    te ondertekenen. Lid 5 regelt dan dat dit door de gemeente wordt verwerkt als
                    een aanvraag, waarop dan een beschikking/weigering zal volgen waartegen bezwaar
                    en beroep mogelijk is. Slechts indien de cliënt expliciet heeft aangegeven de
                    aanvraag stop te willen zetten, is deze aanmerking als aanvraag niet van
                    toepassing en volgt geen beschikking. </al><al>Lid 6 geeft voor de duidelijkheid de termijn aan waarbinnen op een aanvraag moet
                    worden beslist. De regeling in de Awb geldt onverkort. In artikel 4:13 van de
                    Awb is bepaald dat een beschikking dient te worden gegeven binnen een redelijke
                    termijn van acht weken na ontvangst van de aanvraag. Indien een beschikking niet
                    acht weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn
                    aan de aanvrager mede te delen en daarbij een redelijk termijn te noemen
                    waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde
                    lid, van de Awb). </al><al>Deze termijnen zijn maximiumtermijnen. Indien nodig kan na een melding binnen
                    enkele dagen een individuele voorziening worden verstrekt, in complexe situaties
                    zal in de regel in het belang van een zorgvuldig onderzoek een langere termijn
                    nodig zijn. Bijvoorbeeld, indien een langer durend diagnosetraject benodigd is,
                    kan dit ook tot een wat langere afhandelingsduur van de aanvraag leiden.</al><tussenkop>Artikel 9 Criteria voor een individuele beschikking</tussenkop><al>In dit artikel wordt duidelijk gemaakt welke afwegingsfactoren het college
                    hanteert bij toekenning van individuele voorzieningen. Hierbij is het voor het
                    college van belang de mate van ‘eigen kracht’ en het al of niet gedeeltelijk
                    gebruik kunnen maken van een overige of andere voorziening, goed te beoordelen.
                    Dit is vastgelegd in lid 1. </al><al>Lid 2 heeft betrekking op de situatie dat een verwijzing op grond van artikel 3,
                    tweede lid die door het college moet worden uitgevoerd, aan de orde is. Er dient
                    dan een schriftelijke toekenning van een individuele voorziening plaats te
                    vinden. </al><tussenkop>Artikel 10. Inhoud beschikking</tussenkop><al>Indien de jeugdige of zijn ouders een formele aanvraag bij het college indienen
                    (artikel 8) of er overeenkomstig artikel 3, tweede lid, een beschikking
                    afgegeven wordt, dient het college een schriftelijke beschikking op te stellen,
                    waartegen zij bezwaar en beroep op grond van de Awb kunnen indienen.
                    Uitgangspunt van de wet is dat de jeugdige of zijn ouders een voorziening in
                    ‘natura’ krijgen. Indien gewenst door de jeugdige of zijn ouders bestaat echter
                    de mogelijkheid van het toekennen van een pgb. </al><al>Het eerste lid is opgenomen om een zo compleet mogelijk beeld te geven van de
                    rechten en plichten van de jeugdige en zijn ouders. De mogelijkheid om bezwaar
                    in te dienen tegen de beschikking en ook de daarop volgende mogelijkheid van
                    beroep bij de rechter is geregeld in de Awb en geldt in beginsel voor alle
                    beschikkingen. Indien een jeugdige of zijn ouders in bezwaar en beroep willen
                    gaan, hebben zij op grond van de Awb het recht op het indienen van een aanvraag,
                    waarmee een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit kan worden uitgelokt. Ook de
                    weigering, of het te lang uitblijven van een beschikking, geeft de burger op
                    grond van de Awb de ingang van bezwaar en beroep.</al><al>Lid 2 is opgenomen om de administratieve lasten te beperken. Als de jeugdige en
                    zijn ouders het met de jeugdarts of gedragwetenschapper eens zijn over de in te
                    zetten individuele voorziening en andere en overige voorzieningen, kan het CJG
                    direct een beschikking afgeven door aan het verslag een oplegger toe te voegen
                    die door de gedragswetenschapper of jeugdarts is ondertekend. In de oplegger of
                    het verslag dat als bijlage bij de oplegger is gevoegd dienen minimaal de
                    gegevens te staan zoals in lid 3 en indien van toepassing in lid 4 en 5 zijn
                    genoemd</al><al>Lid 3 geeft aan welke elementen de beschikking voor een voorziening in natura
                    dient te bevatten, onderdeel d geeft daarbij aan dat de beschikking zich niet
                    alleen beperkt tot de individuele voorziening maar ook de overige afspraken
                    bevat over inzet van de eigen mogelijkheden, die van het netwerk en de andere en
                    overige voorzieningen.</al><al>De eisen die gelden voor een beschikking bij het verlenen van een pgb staan
                    vermeld in lid 4.</al><al>Tenslotte geeft lid 5 aan dat in de beschikking, alleen ter informatie, wordt
                    opgenomen dat een ouderbijdrage is verschuldigd. De vaststelling en inning
                    geschieden door het bestuursorgaan dat namens de gemeente met de inning is
                    belast. </al><tussenkop>Artikel 11. Regels voor pgb</tussenkop><al>In het eerste lid is een verwijzing opgenomen naar het centrale pgb-artikel
                    (8.1.1) van de wet. Dit lid is opgenomen teneinde in de verordening een compleet
                    beeld van rechten en plichten van de cliёnt te geven. In het eerste lid is
                    verankerd dat het college op grond van artikel 8.1.1 van de wet een pgb kan
                    verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs
                    van een verplichting van het college worden gesproken (zie ook de tekst van
                    artikel 8.1.1, eerste lid van de wet: “Indien de jeugdige of zijn ouders dit
                    wensen …”). Voor gemeenten is ondermeer van belang dat een pgb slechts wordt
                    verstrekt indien de jeugdige of zijn ouders gemotiveerd kunnen aantonen dat de
                    individuele voorziening die door een aanbieder wordt geleverd, niet passend is
                    (zie artikel 8.1.1, derde lid, onder b van de wet). </al><al>Het tweede tot en met vijfde lid berusten op artikel 2.9, onder c, van de wet.
                    In deze wetsbepaling staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op
                    welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld.</al><al>Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten
                    te declareren. </al><al>Het derde regelt dat de jeugdige en zijn ouders een plan opstellen voor de
                    besteding van het pgb. Op basis van dit plan wordt de hoogte van het pgb
                    vastgesteld. Daarbij geldt als maximum de kostprijs van de goedkoopste adequate
                    voorziening in natura. </al><al>Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in
                    de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor
                    verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen
                    hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in de
                    verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt
                    geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de
                    kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten,
                    zzp’ers zonder diploma’s e.d.). </al><al>Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb
                    hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid,
                    onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod
                    duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het
                    pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen
                    wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door
                    het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor
                    dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit
                    kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen
                    individuele voorzieningen al snel goedkoper kan leveren dan wanneer iemand zelf
                    ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld
                    opvangvoorzieningen. </al><al>Een pgb kan gemiddeld genomen echter goedkoper zijn dan zorg in natura omdat er
                    minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend.. </al><al>Er worden nadere regels gesteld rondom het pgb, zie lid 4 en 5. Lid 5 geeft aan
                    dat regels worden opgesteld voor het betrekken van een individuele voorziening
                    van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Onder dit sociale netwerk
                    kunnen ook mantelzorgers vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning
                    van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen
                    waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en
                    effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.</al><tussenkop>Artikel 12. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering</tussenkop><al>Deze bepaling is een uitwerking van de bij nota van wijziging ( Kamerstukken II
                    2013/14 33 684, nr. 11, artikel D) ingevoegde verplichte delegatiebepaling van
                    artikel 2.9, onder d, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij
                    verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van
                    een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de
                    wet. Ook deze bepaling beoogt het standaardiseren met de regelgeving met
                    betrekking tot de aan elkaar verwante beleidsterreinen van jeugdhulp en
                    maatschappelijke ondersteuning. </al><al>In de toelichting op de nota van wijziging is voorts vermeld dat het tot de
                    gemeentelijke verantwoordelijkheid behoort misbruik van de geboden voorzieningen
                    te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik van
                    individuele voorzieningen of persoonsgebonden budgetten. Een zorgvuldig gebruik
                    van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan. </al><al>Het eerste, tweede en lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de tekst van
                    de wet is opgenomen (artikel 8.1.2, 8.1.4 en 2.4.1). Met opname van deze
                    wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de
                    regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet.</al><al>Het vierde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling
                    dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing
                    tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het
                    college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken.
                    Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het tweede
                    lid, onder e (dat tevens op individuele voorzieningen (in natura) ziet).</al><al>Lid 3 en 4 hebben betrekking op respectievelijk de terugvordering van de
                    geldswaarde van een ten onrechte genoten individuele voorziening en de
                    mogelijkheid van intrekking van een besluit tot verlening van een pgb .</al><al>Lid 5 geeft het college de mogelijkheid om steekproefsgewijs de besteding van
                    het pgb te onderzoeken gericht op de kwaliteit van de geleverde zorg</al><tussenkop>Artikel 13. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en
                    uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</tussenkop><al>Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de
                    vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door
                    aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het
                    oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp,
                    kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij
                    verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding
                    tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een
                    kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld
                    aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 va de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder
                    rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                    toepasselijke arbeidsvoorwaarden<cursief>.</cursief></al><al>Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                    uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het
                    college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te
                    houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële
                    kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
                    Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is
                    tenminste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden
                    die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden
                    aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><tussenkop>Artikel 14. Vertrouwenspersoon</tussenkop><al><vet>Artikel 14. Vertrouwenspersoon</vet>In artikel 2.6, eerste lid,
                    onder f, van de wet is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat
                    jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een
                    vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld
                    zoals deze nu al werkzaam is binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid,
                    beschikbaarheid en toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke
                    vereisten) voor een goede invulling van deze functie. </al><al>De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij
                    verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de
                    verordening opgenomen vanwege het in het belang om in de verordening een
                    compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. Bij
                    algemene maatregel van bestuur (het Uitvoeringsbesluit Jeugdwet) wordt een
                    nadere uitwerking worden gegeven van de taken en bevoegdheden van de
                    vertrouwenspersoon. </al><tussenkop>Artikel 15. Klachtregeling</tussenkop><al>Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. De gemeente is al op grond van
                    de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge
                    en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die
                    onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. </al><al>Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige
                    regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om
                    na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek
                    in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan. </al><al>In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de
                    wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld
                    in artikel 4.2.1 e.v. van de wet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend
                    is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan
                    komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht<cursief>.</cursief></al><tussenkop>Artikel 16. Inspraak en medezeggenschap</tussenkop><al>In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de
                    gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder
                    is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v. van de wet. </al><al>Regeling van de inspraak en medezeggenschap is verplicht op grond van artikel
                    2.10 van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In
                    artikel 2.10 (in de redactie van de Nota van wijziging op het wetsvoorstel Wmo
                    2015 van 12 maart 2014, kamerstukken II 22841, nr. 35) worden de artikelen
                    2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015
                    van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid,
                    van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze
                    ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet.</al><al>In dit artikel wordt verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
                    vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat eenzelfde
                    inspraakprocedure geldt voor het jeugdhulpbeleid als op andere terreinen. De
                    inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de
                    wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.
                    Ook voor cliëntenparticipatie en de regeling adviesraden wordt aangesloten bij
                    de bestaande verordening en regelgeving, zodat eenduidigheid ontstaat voor de
                    burgers over de wijze waarop zij bij de voorbereiding van het beleid worden
                    betrokken.</al><tussenkop>Artikel 17 Hardheidsclausule</tussenkop><al>Ook al worden er binnen de jeugdwet zorgvuldige afwegingen gemaakt, het college
                    zal er niet aan ontkomen om, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging
                    niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.</al><al>Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te
                    verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke
                    beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is
                    van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan
                    de belanghebbende ook een beroep doen op deze clausule.</al><tussenkop>Artikel 18 Nadere regels</tussenkop><al>Het kan noodzakelijk zijn nadere regels te stellen op het gebied van onderwerpen
                    die niet expliciet als onderwerp van nadere regelgeving zijn aangemerkt. In
                    nadere regels kunnen onderwerpen uit de verordening verder worden uitgewerkt.
                    Dit artikel biedt daartoe de grond.</al><tussenkop>Artikel 19 Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Op grond van artikel 12.4 , tweede lid, van de wet dient de verordening voor 1
                    november 2014 te worden vastgesteld om op 1 januari 2015 in werking te kunnen
                    treden (lid 1).</al><al>Lid 2 geeft aan onder welke benaming deze verordening kan worden aangehaald. Het
                    vermelde jaartal geeft het jaar van inwerkingtreding aan, niet de
                    geldigheidsduur. De geldigheidsduur is in beginsel onbeperkt vanaf de datum van
                    inwerkingtreding.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>