<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR346874_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Leudal 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Leudal</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Leudal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2017, 50844</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Leudal 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2017-02-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Leudal 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Leudal 2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene uitgangspunten</titel></kop><artikel><kop><label>Inleiding</label></kop><lijst><li nr=""><al><cursief>Juridische status</cursief></al><al>Beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81, eerste
                                        lid van de Algemene wet bestuursrecht: "Een bestuursorgaan
                                        kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem
                                        toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende,
                                        dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid."</al><al/><al><cursief>Geen algemeen verbindend voorschrift</cursief></al><al>Bij beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde
                                        algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend
                                        voorschrift. Feitelijk gaat het dan om een geschreven
                                        geldende gedragslijn met betrekking tot een bepaald beleid.
                                        Het gaat over de vaststelling van feiten, wetsinterpreterend
                                        beleid of de toepassing van de bepalingen in de Verordening.
                                        Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle
                                        (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden
                                        afgehandeld volgens door het College vastgesteld beleid dat
                                        als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie.</al><al/><al><cursief>Goed samenhangend stelsel</cursief></al><al>De Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                        Leudal 2015 strekken ertoe tot een goed samenhangend stelsel
                                        over de beoordeling van maatwerkvoorzieningen te komen voor
                                        inwoners van de gemeente die niet of nog niet zelf of met
                                        hulp van anderen in staat zijn tot zelfredzaamheid en
                                        participatie. De beleidsregels volgen in principe zoveel
                                        mogelijk de opbouw van de Verordening. Er zijn dus
                                        hoofdstukken over de verschillende terreinen waarop
                                        maatwerkvoorzieningen kunnen worden verstrekt en hoe de
                                        aanspraak daarop wordt beoordeeld. Kernbegrippen zijn eigen
                                        verantwoordelijkheid, uitgaan van te bereiken resultaten en
                                        het leveren van maatwerk.</al><al/><al>In artikel 1 van de Verordening worden een aantal
                                        begripsbepalingen opgesomd. Het spreekt voor zich dat deze
                                        begrippen van toepassing zijn op deze beleidsregels. Ook de
                                        bijlagen maken integraal onderdeel uit van de beleidsregels.
                                        De volgende bijlagen zijn opgenomen:</al><lijst><li nr="*"><al>Onderzoek dreigende overbelasting.</al></li><li nr="*"><al>Uitgangspunten zorg ouder voor kinderen.</al></li><li nr="*"><al>Checklist betrekken mantelzorg bij het
                                                onderzoek.</al></li><li nr="*"><al>Doelgroep, terreinen en resultaten beperkingen
                                                zelfredzaamheid en participatie.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Opdracht Wmo 2015 aan de gemeente</label></kop><lijst><li nr=""><al>De Wmo 2015 draagt gemeenten onder meer op zorg te dragen
                                        voor maatschappelijke ondersteuning en de kwaliteit en
                                        continuïteit van voorzieningen. Onder maatschappelijke
                                        ondersteuning (artikel 1.1.1 lid 1 van de wet) wordt
                                        verstaan:</al><lijst><li nr="1."><al>bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg
                                                en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van
                                                voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met
                                                een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de
                                                gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van
                                                huiselijk geweld,</al></li><li nr="2."><al>ondersteunen van de zelfredzaamheid en de
                                                participatie van personen met een beperking of met
                                                chronische psychische of psychosociale problemen
                                                zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,</al></li><li nr="3."><al>bieden van beschermd wonen en opvang.</al></li></lijst><al>Onder voorzieningen worden algemene voorzieningen en
                                        maatwerkvoorzieningen verstaan (artikel 1.1.1 lid 1 van de
                                        wet). De regels over kwaliteit en continuïteit zijn
                                        neergelegd in hoofdstuk 3 van de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Kwaliteit</label></kop><lijst><li nr=""><al>De Wmo 2015 vormt het kader dat waarborgt dat de inhoud en
                                        de kwaliteit van ondersteuning is afgestemd op de eisen die
                                        daaraan in de individuele situatie mogen worden gesteld. De
                                        Wmo 2015 gaat uit van maatwerk; de aanname dat de kwaliteit
                                        van de ondersteuning aan een cliënt wordt bevorderd als die
                                        zo goed als mogelijk wordt afgestemd op de persoonlijke
                                        situatie van de cliënt. Daarbij biedt de Wmo 2015 een
                                        basisnorm voor kwaliteit als uitgangspunten voor
                                        gemeentelijk kwaliteitsbeleid en voor aanbieders van
                                        voorzieningen. Deze basisnorm vereist dat een voorziening in
                                        ieder geval:</al><al>∗ veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt
                                        verstrekt;</al><al>∗ is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en andere
                                        zorg of hulp die hij ontvangt;</al><al>∗ wordt verstrekt in overeenstemming met de op de
                                        beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende
                                        uit de professionele standaard; en</al><al>∗ wordt verstrekt met respect voor en inachtneming van de
                                        rechten van de cliënt.</al><al/><al>Op landelijk niveau zullen gemeenten in overleg met
                                        organisaties van cliënten, aanbieders en zorgverzekeraars
                                        bezien voor welke cliënttypen en voorzieningen landelijke
                                        kwaliteitsstandaarden een bijdrage kunnen leveren aan een
                                        goede uitvoering van de wet. Dit betekent dat de gemeente
                                        Leudal op dit moment nog geen beleidsregels vaststelt over
                                        de kwaliteit van maatwerkvoorzieningen. </al><al/><al><cursief>Het begrip ‘zeer kwetsbaar’</cursief></al><al>Ondersteuning op grond van de Wmo 2015 is bedoeld voor
                                        kwetsbare burgers die onvoldoende hulpbronnen hebben om op
                                        eigen kracht bepaalde moeilijkheden en tegenslagen te
                                        overwinnen en om hun leven op de door hen gewenste manier
                                        vorm te geven (uit het advies van de Raad voor
                                        Maatschappelijke ontwikkeling: Kwetsbaar in kwadraat).</al><al/><al>Burgers kunnen worden ingedeeld in de groep zeer kwetsbaar
                                        als er sprake is van samenhang in of risico’s op de volgende
                                        aspecten:</al><lijst><li nr="1."><al>Een beperkte sociale steunstructuur (weinig
                                                betekenisvolle sociale relaties).</al></li><li nr="2."><al>Weinig veerkracht (de draaglast is groter dan de
                                                draagkracht).</al></li><li nr="3."><al>Gering vermogen tot eigen regie voeren (in beperkte
                                                mate eigen wensen en behoeften duidelijk kunnen
                                                maken).</al></li></lijst><al/><al>Deze definitie betekent dat de mate van kwetsbaarheid sterk
                                        afhangt van de persoonlijke omstandigheden van een cliënt en
                                        zijn huishouden. Het legt daardoor de nadruk op een
                                        individuele beoordeling. Het bepalen of een cliënt in de
                                        categorie ‘zeer kwetsbaar’ valt, kan aan de orde komen bij
                                        de melding van de hulpvraag en het gesprek en/of bij de
                                        beoordeling van een aanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Wat wordt van burgers verwacht?</label></kop><lijst><li nr=""><al>Over de geboden ondersteuning onder de Wmo 2007 zijn mensen
                                        tevreden. Gemeenten laten in de praktijk samen met
                                        cliëntenorganisaties, aanbieders, welzijnsorganisaties en
                                        anderen met behulp van programma’s als De Kanteling en
                                        Welzijn Nieuwe Stijl zien hoe de eigen kracht en regie van
                                        mensen kan worden versterkt en de afhankelijkheid van
                                        voorzieningen kan worden verminderd. De gedachte om bij het
                                        bieden van ondersteuning eerst te kijken naar wat iemand nog
                                        wel kan of zelf kan organiseren binnen zijn sociale netwerk
                                        om daarmee zijn zelfredzaamheid en participatie te
                                        vergroten, wordt meer gemeengoed en kan rekenen op een
                                        breder draagvlak in de samenleving. De vanzelfsprekendheid
                                        dat mensen in de eerste plaats zelf verantwoordelijkheid
                                        dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en
                                        deelnemen aan de samenleving, is in de Wmo 2015 expliciet
                                        verankerd. Als uitgangspunt geldt dat zelfredzaamheid en
                                        meedoen in de samenleving een verantwoordelijkheid is van
                                        mensen zelf.</al><al/><al><cursief>Een beroep doen op de sociale
                                        omgeving</cursief></al><al>Tot die eigen verantwoordelijkheid van de burgers behoort
                                        ook dat hij een beroep doet op familie en vrienden - zijn
                                        eigen sociale netwerk - alvorens hij bij de gemeente
                                        aanklopt voor hulp. Het is immers heel normaal dat mensen
                                        iets doen voor hun partner, familielid of goede vriend als
                                        die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de
                                        samenleving. Met de Wmo 2015 wordt het automatisme
                                        doorbroken dat burgers zich bij elke hulpvraag tot de
                                        gemeente wenden. In de omslag die met de Wmo 2015 in gang
                                        wordt gezet, is het niet meer vanzelfsprekend dat de
                                        gemeente bij iedere hulpvraag bijspringt. Uitgangspunt is
                                        dat iedere burger eerst kijkt wat hij zelf kan doen, wat
                                        zijn sociale omgeving voor hem kan doen of wat hij zelf voor
                                        een ander kan doen.</al><al/><al><cursief>Niemand wordt uitgezonderd</cursief></al><al>Hiermee wordt niet uit het oog verloren dat iedereen een
                                        beroep mag doen op de gemeente. Geen enkele cliënt wordt op
                                        voorhand uitgezonderd van de toegang tot ondersteuning.
                                        Eenieder kan zich melden met een hulpvraag. In het onderzoek
                                        dat het College na de melding uitvoert, zullen eigen kracht,
                                        eigen verantwoordelijkheid en de mogelijkheden van de
                                        sociale omgeving worden betrokken en meegewogen om
                                        uiteindelijk tot een besluit te komen over het al dan niet
                                        bieden van ondersteuning vanuit de gemeente. Het College
                                        beoordeelt in dit soort gevallen welke maatschappelijke
                                        ondersteuning een passende bijdrage levert aan het
                                        realiseren van een situatie waarin een cliënt in staat wordt
                                        gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang
                                        mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Eigen kracht en regie</label></kop><lijst><li nr=""><al>Met de Wmo 2015 wordt aangesloten bij de wil van mensen om
                                        zolang mogelijk en zoveel mogelijk regie te nemen en te
                                        houden over hun eigen situatie door zich in te spannen om
                                        deel te nemen aan het maatschappelijk leven en elkaar, waar
                                        nodig en mogelijk, meer te helpen. Deze regierol van mensen
                                        is in de Wmo 2015 onder meer verankerd door de eigen kracht
                                        van mensen en hun sociale netwerk een centrale plek te geven
                                        in het onderzoek naar de persoonlijke situatie van de cliënt
                                        en zijn mantelzorger en door het recht om onder voorwaarden
                                        te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Verantwoordelijk tot indicatie Wet langdurige zorg</label></kop><lijst><li nr=""><al>Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de maatschappelijke
                                        ondersteuning van hun burgers tot aan het moment dat deze
                                        een indicatie heeft voor zorg op grond van de Wet langdurige
                                        zorg (Wlz). Op dat moment is immers langs de weg van
                                        zorginhoudelijke criteria vastgesteld dat iemand vanwege
                                        beperkingen als gevolg van bijvoorbeeld leeftijd of
                                        handicap, blijvend permanent toezicht of 24-uurszorg in de
                                        nabijheid nodig heeft. Die zorgplicht blijft belegd bij aan
                                        de zorgverzekeraars gelieerde zorgkantoren. Het Centrum
                                        indicatiestelling zorg (CIZ) indiceert voor deze zorg.
                                        Indien cliënten toegang hebben tot de Wlz, dan kunnen zij
                                        geen maatwerkvoorziening vanuit de Wmo 2015 ontvangen noch
                                        verpleging en verzorging vanuit de Zorgverzekeringswet
                                        (Zvw). Er is slechts één uitzondering: het sociaal vervoer.
                                        Dat blijft onder de Wmo vallen. De Wlz-uitvoerders worden
                                        voor het jaar 2015 echter nog vrijgesteld van de taak om aan
                                        thuiswonende Wlz-gerechtigden hulpmiddelen, roerende
                                        woonvoorzieningen en vergoedingen voor woningaanpassingen te
                                        verstrekken. Dat geldt ook voor personen die zonder
                                        behandeling in een instelling verblijven en een
                                        maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel ter
                                        verbetering van hun mobiliteit hebben aangevraagd. Dit
                                        geschiedt in 2015 nog op grond van de Wmo 2015.</al><al/><al><cursief>Weigeren maatwerkvoorziening</cursief></al><al>Artikel 2.3.5 lid 6 van de wet bepaalt dat het College een
                                        maatwerkvoorziening kan weigeren. Dit artikel heeft alleen
                                        betrekking op het weigeren van aanvragen om
                                        maatwerkvoorzieningen in relatie tot de aanspraak of het
                                        recht op een indicatie tot (langdurig) verblijf op grond van
                                        de Wlz. Alleen indien de zorgintensiteit zodanig is dat het
                                        wonen in de eigen leefomgeving niet meer veilig en
                                        verantwoord zou zijn, is de Wlz aan de orde.</al><al/><al><cursief>Thuis blijven wonen met
                                        Wlz-indicatie</cursief></al><al>Dit betekent niet dat iemand verplicht is om in een
                                        Wlz-instelling te gaan wonen. Onder de Wlz blijft het ook
                                        mogelijk om thuis te blijven wonen. De verzekerde kan
                                        namelijk onder de Wlz ook kiezen om delen (modules) van het
                                        pakket aan zorg in natura thuis geleverd te krijgen. Dit
                                        wordt het ‘modulair pakket thuis’ (mpt) genoemd. Op basis
                                        van de tot het geïndiceerde zorgprofiel behorende vormen van
                                        zorg spreekt de cliënt (of zijn vertegenwoordiger) met het
                                        zorgkantoor af welke zorg hij in welke omvang in natura
                                        thuis wil ontvangen. Het mpt kan, anders dan een ‘volledig
                                        pakket thuis’ (vpt), worden gecombineerd met een
                                        persoonsgebonden budget. Voorts kan de ene module (functie)
                                        ingekocht worden bij de ene zorgaanbieder, en de andere
                                        module bij een andere zorgaanbieder. Ook dit kan met het vpt
                                        niet. Daarnaast is het zo dat ook de Wlz een
                                        woningaanpassing kan verlenen zodat het thuis wonen ook
                                        daadwerkelijk mogelijk blijft.</al><al/><al><cursief>Zorgvuldige afweging</cursief></al><al>Het spreekt voor zich dat het College een zorgvuldige
                                        belangenafweging moet maken in geval de maatwerkvoorziening
                                        wordt geweigerd. Een heel belangrijk aspect is of het
                                        feitelijk onverantwoord is voor iemand om zonder 24-uurs
                                        zorg in de nabijheid in de eigen omgeving te blijven
                                        wonen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Mantelzorgwoningen</label></kop><lijst><li nr=""><al>Initiatieven als mantelzorgwoningen verdienen aandacht en
                                        waar mogelijk dienen belemmeringen tot plaatsing te worden
                                        verminderd.</al><al/><al><cursief>Wijziging Besluit omgevingsrecht (Bor, Stb. 2014,
                                            nr. 333)</cursief></al><al>Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie Pieper c.s.
                                        (TK 2009/10, 32 123 XI, nr. 34) waarin wordt opgeroepen om
                                        de mogelijkheden voor de plaatsing van mantelzorgwoningen te
                                        vereenvoudigen. In dat verband worden onder meer wijzigingen
                                        in de regeling voor omgevingsvergunningvrij bouwen in
                                        bijlage II bij het Bor doorgevoerd. Daarbij is ook
                                        uitvoering gegeven aan de motie Bisschop en Van Veldhoven
                                        (TK 2013/14, 32 127, nr. 196), waarin is verzocht de
                                        mogelijkheden voor het creëren van mantelzorgwoningen in het
                                        buitengebied te verruimen, ten opzichte van het in het kader
                                        van de voorhangprocedure gepubliceerde ontwerp van dit
                                        besluit. Daarnaast worden in de regeling voor
                                        omgevingsvergunningvrij bouwen vereenvoudigingen doorgevoerd
                                        om de regeling beter uitvoerbaar te maken. Deze wijzigingen
                                        hebben in het bijzonder betrekking op de mogelijkheid om
                                        bijbehorende bouwwerken te kunnen bouwen in
                                        achtererfgebied.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Beoordelingskader</label></kop><lijst><li nr=""><al>Om zoveel mogelijk maatwerk te kunnen bieden hanteert het
                                        College bij de beoordeling van de aanspraak op een
                                        maatwerkvoorziening vanzelfsprekend het verslag en indien
                                        aanwezig het persoonlijk plan als uitgangspunt. Daarbij
                                        worden ook de volgende vragen beantwoord.</al><al/><lijst><li nr="*"><al>Heeft de cliënt geobjectiveerde beperkingen in zijn
                                                behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als
                                                bedoeld in dit hoofdstuk?</al></li><li nr="*"><al>Wat zijn de resultaten die de cliënt wil bereiken om
                                                zijn zelfredzaamheid en participatie te versterken,
                                                verbeteren of te behouden?</al></li><li nr="*"><al>Welke mogelijkheden heeft de cliënt om de
                                                beperkingen in zijn zelfredzaamheid en participatie
                                                te versterken of te verbeteren?</al></li><li nr="*"><al>Welke mogelijkheden heeft de cliënt om de
                                                beperkingen in zijn zelfredzaamheid en participatie
                                                te behouden?</al><al/></li></lijst><al>Als bovenstaande bedoelde mogelijkheden niet leiden tot een
                                        passende bijdrage aan de zelfredzaamheid en participatie,
                                        dan komt de beoordeling van een maatwerkvoorziening aan de
                                        orde. Dat moet blijken uit het verslag en indien aanwezig
                                        het persoonlijk plan van de cliënt.</al><al/><lijst><li nr="*"><al>Welke weigeringsgronden of beperkende voorwaarden
                                                zijn van toepassing volgens de Verordening?</al></li><li nr="*"><al>Welke mogelijkheden kan het College bieden om de
                                                gewenste resultaten (passende bijdrage) te bereiken
                                                via een kortdurende maatwerkvoorziening, een
                                                collectieve- of individuele
                                                maatwerkvoorziening?</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Procedure</titel></kop><artikel><kop><label>Inleiding</label></kop><lijst><li nr=""><al>In hoofdstuk 2 van de Verordening staan de procedureregels
                                        beschreven. Het gaat om de manier waarop het College omgaat
                                        met de melding van een hulpvraag van cliënten en hoe het
                                        onderzoek (het gesprek) wordt gedaan en afgerond. De
                                        wettelijke termijn waarbinnen de procedure moet zijn
                                        afgerond is zes weken. De regels van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (Awb) zijn niet van toepassing op de
                                        procedure. Wel is het College overeenkomstig artikel 3:2 Awb
                                        gehouden het onderzoek zorgvuldig te doen. Dat volgt uit de
                                        schakelbepaling van artikel 3:1 Awb. Om voldoende
                                        rechtsbescherming te bieden kan de cliënt die een melding
                                        heeft gedaan in ieder geval na zes weken altijd een aanvraag
                                        indienen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Melding van de hulpvraag</label></kop><lijst><li nr=""><al>Een ieder kan zich bij het College melden. Om te spreken van
                                        een melding wordt wel onderscheid gemaakt tussen een verzoek
                                        om informatie en advies en een verzoek om maatschappelijke
                                        ondersteuning. Dit is van belang omdat een melding van een
                                        hulpvraag leidt tot een gesprek, zie artikel 2.3 van de
                                        Verordening.</al><al/><al><cursief>Persoonlijk plan en
                                        cliëntondersteuning</cursief></al><al>Nadat de cliënt zich heeft gemeld wijst het College op de
                                        mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen (zie
                                        begripsbepaling). De wet bepaalt dat een persoonlijk plan
                                        zeven dagen na de melding bij het College kan worden
                                        ingediend. Het College kan op verzoek van de cliënt afwijken
                                        van deze termijn. Met het indienen van een persoonlijk plan
                                        is overigens niet gezegd dat het College gehouden is, indien
                                        een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen
                                        aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven. Dat zal
                                        het College in voorkomende gevallen wel nader moeten
                                        motiveren bij de besluitvorming. </al><al/><al><cursief>Inhoud persoonlijk plan</cursief></al><al>In het persoonlijk plan moet in ieder geval blijken op welke
                                        manier de cliënt zelf denkt dat zijn behoefte aan
                                        maatschappelijke ondersteuning kan worden vormgegeven. De
                                        inhoud van die motivatie moet betrekking hebben op de
                                        volgende onderwerpen:</al><lijst><li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van
                                                de cliënt;</al></li><li nr="b."><al>de mogelijkheden om op eigen kracht of met
                                                gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn
                                                participatie te verbeteren;</al></li><li nr="c."><al>de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van
                                                andere personen uit zijn sociale netwerk te komen
                                                tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn
                                                participatie;</al></li><li nr="d."><al>de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de
                                                mantelzorger van de cliënt;</al></li><li nr="e."><al>de mogelijkheden om met gebruikmaking van een
                                                algemene voorziening of door het verrichten van
                                                maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot
                                                verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn
                                                participatie.</al></li></lijst><al/><al>Dit zijn de onderwerpen genoemd in artikel 2.3.2 lid 4 van
                                        de wet. Deze sluiten aan bij de inhoud van het amendement
                                        dat heeft geleidt tot de mogelijkheid van het indienen van
                                        een persoonlijk plan. Concreet betekent dit dat het College
                                        de inhoud van het persoonlijk plan beoordeelt op de wijze
                                        waarop het verslag door het College zelf wordt (of zou
                                        worden) opgesteld.</al><al/><al><cursief>Clientondersteuning</cursief></al><al>Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning van de
                                        cliënt met informatie, advies en algemene ondersteuning die
                                        bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en
                                        participatie en het verkrijgen van een zo integraal
                                        mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke
                                        ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs,
                                        welzijn, wonen, werk en inkomen (artikel 1.1.1 lid 1 van de
                                        wet).</al><al/><al><cursief>Ondersteuning bij keuzes maken</cursief></al><al>Een cliëntondersteuner kan de cliënt in het gesprek helpen
                                        zijn ondersteuningsvraag te verwoorden en keuzes te maken.
                                        Het College moet ervoor zorgen dat deze cliëntondersteuning
                                        beschikbaar is voor hen die maatschappelijke ondersteuning
                                        nodig hebben of problemen hebben op andere terreinen binnen
                                        het sociale domein. Bij de melding van de hulpvraag wijst
                                        het College erop dat gebruik kan worden gemaakt van
                                        cliëntondersteuning.</al><al/><al><cursief>Onafhankelijkheid gewaarborgd</cursief></al><al>Verder moet het College er zorg voor dragen dat
                                        cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in
                                        één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner moet immers
                                        onpartijdig zijn en alleen in het belang van de cliënt
                                        handelen. De cliëntondersteuner kan ook een professional in
                                        dienst van een welzijnsinstelling zijn, bijvoorbeeld een
                                        ouderenadviseur of een maatschappelijk werker.</al><al/><al><cursief>Signaleringsfunctie</cursief></al><al>Verder kan het College met aanbieders afspraken maken over
                                        het indienen van een melding namens cliënten. Het is
                                        aannemelijk dat zij als een van de eersten kunnen aangeven
                                        dat de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning van een
                                        cliënt toeneemt, of dat daar tenminste aanleiding voor is
                                        dat aan te nemen (signaleringsfunctie). Ook kan er
                                        natuurlijk sprake zijn van een afname aan de behoefte aan
                                        maatschappelijke ondersteuning. Het College doet in ieder
                                        geval onderzoek en er wordt zonodig een gesprek gepland met
                                        de cliënt. De bevoegdheid om onderzoek te doen nadat een
                                        maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget is
                                        toegekend is overigens ook neergelegd in artikel 2.3.9 van
                                        de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>De aanvraag</label></kop><lijst><li nr=""><al>Vanaf het moment dat de cliënt een aanvraag indient, is er
                                        sprake van enige vorm van juridisering. Dit heeft tot doel
                                        om de rechtszekerheid van de cliënt te waarborgen. Het
                                        College beslist in principe binnen twee weken op de
                                        aanvraag.</al><al/><al>Pas na verstrekking van een verslag of een plan van aanpak
                                        kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden gedaan,
                                        tenzij het onderzoek (het gesprek) niet binnen zes weken is
                                        uitgevoerd (artikel 2.3.2 negende lid van de wet). Om
                                        onnodige administratieve lasten voor zowel de burger als het
                                        College te voorkomen kan een verslag of plan van aanpak
                                        voorzien van de NAW-gegevens én een handtekening van de
                                        cliënt, als aanvraag worden aangemerkt.</al><al/><al><cursief>Inhoud beschikking</cursief></al><al>De cliënt moet op basis van de toekenningsbeschikking die
                                        hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn
                                        rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig
                                        dat de inhoud van de beschikking de cliënt goed en volledig
                                        informeert. Mede met het oog op het te leveren maatwerk zijn
                                        in artikel 16.7 van de Verordening de onderwerpen opgenomen
                                        die in ieder geval in de beschikking moeten worden
                                        opgenomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Advisering</label></kop><lijst><li nr=""><al>Voor de uitvoering van de wet kan het zijn dat het College
                                        advies moet vragen omdat het zelf niet ter zake deskundig
                                        is. De Verordening bepaalt wanneer van deze bevoegdheid
                                        gebruik wordt gemaakt. Vereist is dat de beperkingen van de
                                        cliënt (of zijn huisgenoot ingeval van gebruikelijke hulp)
                                        objectiveerbaar zijn. Dit wordt vastgesteld aan de hand van
                                        reguliere onderzoeksmethoden (vergelijk CRVB:2009:BK4567 en
                                        CRVB:2012:BY0324). Zie verder hoofdstuk deskundigenadvies
                                        van deze beleidsregels.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Beoordeling aanspraak</titel></kop><artikel><kop><label>Inleiding</label></kop><al>De gemeente is verantwoordelijk voor het ondersteunen van mensen die
                                er niet op eigen kracht of met hulp van hun sociale netwerk in
                                slagen zelfredzaam te zijn of te participeren in de samenleving. In
                                de Wmo 2015 staat de eigen verantwoordelijkheid van de burger en
                                zijn sociale netwerk veel nadrukkelijker voorop dan in de Wmo 2007
                                en is de gemeente alleen aan zet voor zover de burger niet zelf of
                                met de hulp van dat netwerk tot participatie kan komen. De begrippen
                                ‘zelfredzaamheid’ en ‘participatie’ beschrijven wanneer van iemand
                                gezegd kan worden dat hij of zij zelfredzaam is of participeert op
                                een zodanig niveau dat er voor de gemeente in beginsel geen reden
                                bestaat om daarin bij te springen. </al><al/><al>De omschrijving van zelfredzaamheid bevat twee elementen:</al><lijst><li nr="*"><al>het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse
                                        levensverrichtingen,</al></li><li nr="*"><al>het voeren van een gestructureerd huishouden.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Dagelijks in het gewone leven</cursief></al><al>Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zijn de handelingen
                                die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip
                                van zelfzorg. Het begrip wordt gebruikt om te bepalen in hoeverre
                                iemand zelfredzaam is. Iemand die als gevolg van lichamelijke en
                                geestelijke beperkingen ADL-verrichtingen niet zelf kan doen, zal
                                hulp nodig hebben. Indien hij of zij zoveel hulp nodig heeft dat het
                                niet verantwoord is dat hij zonder enige vorm van (vrijwel) continu
                                toezicht en hulp leeft, kan hij of zij misschien zelfs niet langer
                                thuis blijven wonen. Voor de zelfredzaamheid van mensen zijn de
                                volgende algemene dagelijkse levensverrichtingen van belang: in en
                                uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en
                                weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken,
                                medicijnen innemen, ontspanning, sociaal contact. Opgemerkt wordt
                                dat de cliënt aanspraak kan hebben op verpleging en verzorging op
                                grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw).</al><al/><al><cursief>Maatschappelijke verkeer</cursief></al><al>Bij participatie gaat het om het deelnemen aan het maatschappelijke
                                verkeer, dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of
                                geestelijke beperkingen, toch met anderen in redelijke mate mensen
                                kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en
                                aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook
                                een vereiste dat hij zich kan verplaatsen.</al><al/><al>Een van de doelstellingen van de Wmo 2015 is om mensen zo lang
                                mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen laten wonen. Het
                                College zal dit binnen de kaders van de wet en de verordening mee
                                moeten wegen bij het besluit. Het kan voorkomen dat het niet meer
                                mogelijk is om - al dan niet met hulp van anderen en verpleging en
                                verzorging - in de eigen leefomgeving te wonen. In die gevallen kan
                                het College de maatwerkvoorziening weigeren (artikel 2.3.6 zesde lid
                                van de wet).</al><al/><al>Verordening: artikel 4.1</al><al>Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente
                                Leudal komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband
                                met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid of
                                participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel
                                van het College niet:</al><lijst><li nr="a."><al>op eigen kracht;</al></li><li nr="b."><al>met gebruikmaking van voorzieningen die voor de cliënt
                                        algemeen gebruikelijk worden geacht;</al></li><li nr="c."><al>met gebruikelijke hulp;</al></li><li nr="d."><al>met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn
                                        sociale netwerk; dan wel</al></li><li nr="e."><al>met gebruikmaking van algemene voorzieningen,</al></li></lijst><al>kan verminderen of wegnemen.</al><al/><al><cursief>Vereiste hoofdverblijf</cursief></al><al>Hiermee wordt bepaald dat de cliënt die geen hoofdverblijf
                                (woonplaats) heeft in de gemeente geen aanspraak heeft op een
                                maatwerkvoorziening. De toevoeging ‘daadwerkelijk zal hebben’ is
                                opgenomen om cliënten niet de mogelijkheid te ontnemen naar de
                                gemeente te kunnen verhuizen. Wel zal de cliënt bij de keuze van een
                                woning nadrukkelijk rekening moeten houden met zijn beperkingen.
                                Verwezen wordt naar de begripsbepaling van hoofdverblijf in de
                                Verordening.</al><al/><al><cursief>Eigen kracht</cursief></al><al>Een belangrijk onderdeel is de eigen kracht. Daaronder wordt dat
                                verstaan wat binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot
                                verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. De
                                betrokkene zal zich moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen
                                zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van
                                maatschappelijke ondersteuning te voorzien; zo zou iemand
                                bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten
                                om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van
                                dergelijke activiteiten is onder de Wmo niet verplicht. Tijdens het
                                gesprek wordt dit onderwerp wel met de cliënt besproken. Het College
                                beoordeelt ook of de cliënt met gebruikmaking van een voor hem te
                                achten algemeen gebruikelijke voorziening zijn beperkingen kan
                                oplossen of verminderen, zie ook artikel 4.2 lid 2 van de
                                Verordening.</al><al/><al><cursief>Ondersteuning vragen</cursief></al><al>Sommige cliënten vinden het vaak moeilijk om een ander te vragen
                                iets voor hen te doen en mensen in het netwerk zijn vaak best bereid
                                iets voor een ander te betekenen, maar weten niet hoe ze dat moeten
                                aankaarten. Dit kan onderwerp zijn van het gesprek, waarbij het
                                College kan ondersteunen bij het betrekken van personen uit de
                                sociale omgeving. Van de cliënt kan worden verlangd dat hij het
                                College met deze personen in contact brengt. Deze personen kunnen
                                ook worden uitgenodigd bij het gesprek.</al></artikel><artikel><kop><label>Algemene uitgangspunten</label></kop><al>In de Verordening zijn een aantal uitgangspunten neergelegd die van
                                belang zijn bij de beoordeling van de aanvraag. Twee daarvan gaan
                                over:</al><lijst><li nr="1."><al>Het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="2."><al>De inzet van ontwikkelingsgerichte ondersteuning
                                        (kortdurend).</al></li></lijst><al/><al>Verordening: artikel 5.2</al><al><cursief>Primaat</cursief></al><al>De hoofdregel volgens de Verordening is dat het primaat van de
                                collectieve maatwerkvoorziening geldt, zoals collectief vervoer
                                (Regiotaxi) of dagbesteding. Bij de beoordeling of het primaat kan
                                worden toegepast wordt altijd gekeken naar de individuele
                                omstandigheden van het geval. Het primaat van het collectief vervoer
                                is al bekend onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en de
                                Wmo 2007. De Regiotaxi kan in de omstandigheden van het individuele
                                geval bijvoorbeeld als passende bijdrage worden aangemerkt om de
                                cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid en participatie. Het
                                primaat bij dagbesteding (begeleiding in groepsverband) in plaats
                                van individuele begeleiding werd onder de AWBZ ook toegepast.</al><al/><al>Verordening: artikel 5.2</al><al><cursief>Kortdurend en ontwikkelingsgericht</cursief></al><al>De maatwerkvoorziening kan ook voor een kortdurende periode worden
                                verleend. De maatschappelijke ondersteuning wordt dan
                                ontwikkelingsgericht ingezet hetgeen aansluit bij de bedoeling van
                                de wetgever. Met ontwikkelingsgerichte ondersteuning wordt beoogd de
                                zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te versterken of
                                verbeteren. Daaronder kan ook toeleiding naar algemene voorzieningen
                                of voorliggende voorzieningen worden verstaan. Verder kan
                                kortdurende maatschappelijke ondersteuning ook aan de orde zijn als
                                degene van wie gebruikelijke hulp wordt gevergd dat (nog) niet kan
                                maar dat wel kan leren.</al><al/><al><onderstreept>Overige uitgangspunten</onderstreept></al><al><cursief>Geheel van maatregelen</cursief></al><al>Onder omstandigheden kan een maatwerkvoorziening ook een op maat van
                                de persoon gesneden afgestemd geheel van maatregelen zijn. Daarbij
                                kan het gaan om vormen van hulp die beschikbaar zijn ter
                                ondersteuning van verschillende cliënten, maar ook om op maat voor
                                iemand bedachte oplossingen. Deze kunnen ook betrekking hebben op de
                                afstemming van de maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5
                                vijfde lid van de wet.</al><al/><al><cursief>Niveau van maatschappelijke ondersteuning</cursief></al><al>De verplichting van het College om een maatwerkvoorziening te
                                verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of
                                wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij
                                verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde
                                ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de
                                situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had.</al></artikel><artikel><kop><label>Mantelzorgondersteuning</label></kop><al>De maatwerkvoorziening beoogt de cliënt zelf adequaat te
                                ondersteunen, rekening houdend met wat hij verder al heeft of
                                mogelijk zou kunnen krijgen aan ondersteuning. Daar hoort bij wat de
                                cliënt moet krijgen op de momenten dat de mantelzorger even niet wil
                                of kan. Respijtzorg is de ondersteuning in de vorm van een
                                maatwerkvoorziening die aan de cliënt wordt toegewezen voor de
                                momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is hem te
                                ondersteunen. Denk bijvoorbeeld aan kortdurend verblijf. Dit moet
                                worden onderscheiden van:</al><lijst><li nr="a."><al>de maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger goed zijn
                                        werk te kunnen laten doen, en</al></li><li nr="b."><al>de maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van
                                        een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft
                                        voor zijn eigen zelfredzaamheid en participatie. In dit
                                        geval is de mantelzorger zelf cliënt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Beperkende voorwaarden</label></kop><al>In artikel 4.2 lid 2, 3 en 4 van de Verordening zijn situaties
                                opgenomen waaronder geen aanspraak op een maatwerkvoorziening
                                bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen ligt het
                                beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten.
                                Het College kan in voorkomende gevallen de aanvraag om een
                                maatwerkvoorziening weigeren. Een van de bepalingen wordt in deze
                                beleidsregels uitgewerkt.</al><al/><al>Verordening: artikel 4:2 lid 2 onder a</al><al><cursief>Algemeen gebruikelijk</cursief></al><al>In de lijn met de jurisprudentie die onder de Wet voorzieningen
                                gehandicapten (WVG) en Wmo 2007 tot stand is gekomen is het College
                                ook onder de Wmo 2015 niet gehouden voorzieningen te verlenen die
                                voor de cliënt als algemeen gebruikelijk zijn te beschouwen
                                (vergelijk CRVB:2009:BK5657 en RBSGR:2011:BQ5651). Verwezen wordt
                                ook naar de begripsbepaling in artikel 1.1 lid 1 van de
                                Verordening.</al><al/><al><cursief>Geen voorziening</cursief></al><al>Het College verstrekt geen voorziening als aannemelijk is dat de
                                cliënt daar over kan beschikken of zou kunnen beschikken. Hiermee
                                wordt feitelijk de vergelijking gemaakt met een persoon zonder
                                beperkingen. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze:</al><lijst><li nr="1."><al>normaal in de handel verkrijgbaar is; en</al></li><li nr="2."><al>niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen;
                                        en</al></li><li nr="3."><al>niet substantieel duurder is dan vergelijkbare
                                        producten.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Beoordelingskader</cursief></al><al>De drie vragen hebben betrekking op de vraag of de voorziening
                                algemeen gebruikelijk is. De vraag is echter of de voorziening ook
                                voor de persoon als de cliënt algemeen gebruikelijk is. Kort gezegd,
                                valt het volgens geldende maatschappelijke normen binnen het normale
                                bestedingspatroon van de cliënt. Het College beoordeelt de hier
                                bovengenoemde vragen in hun onderlinge samenhang. Het enkele feit
                                dat een voorziening normaal in de handel verkrijgbaar is wil nog
                                niet zeggen dat het naar geldende maatschappelijke normen voor de
                                persoon van de cliënt past binnen zijn normale bestedingspatroon.
                                Andersom kan echter ook.</al><al/><al><cursief>Niet al te strikt</cursief></al><al>De beoordeling moet namelijk niet al te strikt worden gelezen. Het
                                feit dat de cliënt niet zonder meer een fiets met hulpmotor zou
                                aanschaffen betekent niet dat het toch geen algemeen gebruikelijke
                                voorziening voor hem/haar kan zijn. Fietsen met hulpmotor zijn -in
                                principe- algemeen gebruikelijk voor personen die ouder zijn dan 16
                                jaar. Een fiets met hulpmotor is vergelijkbaar met een brommer, ook
                                qua kosten (CRVB:2010:BN1265).</al><al/><al><cursief>Moment van de aanvraag</cursief></al><al>Bij de toepassing van deze bepaling moet op het moment van de
                                aanvraag het primaire doel daarvan steeds in ogenschouw worden
                                genomen. Dat vraagt dus telkens om een oordeel hoe het verlenen van
                                de voorziening aan een cliënt zich verhoudt tot de aanschaf (lees
                                ook het kunnen beschikken) van een dergelijke voorziening door een
                                vergelijkbaar persoon zonder beperkingen.</al><al/><al><cursief>Vervanging</cursief></al><al>Het toepassen van het criterium “algemeen gebruikelijk” kan ook te
                                maken hebben met een reguliere vervanging van zaken. Immers,
                                algemene gebruikelijke voorzieningen worden door personen met en
                                zonder beperkingen vervangen als zij (technisch) zijn afgeschreven.
                                Daaruit kan worden afgeleid dat een onverwachtse noodzakelijke
                                aanschaf of vervanging niet als algemeen gebruikelijk voor de cliënt
                                kan worden beschouwd.</al><al/><al><cursief>Een onverwachts optredende noodzaak</cursief></al><al>Het zogenaamde calamiteitenprincipe kan een uitzondering vormen op
                                de hoofdregel. Wanneer er sprake is van een plotseling optredende
                                noodzaak tot aanschaf of vervanging van een voorziening en deze zijn
                                oorsprong vindt in de beperkingen van de cliënt, kan dat een
                                omstandigheid zijn waarom een algemeen gebruikelijke voorziening
                                voor de persoon als de cliënt toch niet algemeen gebruikelijk
                                is.</al><al/><al><cursief>Renovatie</cursief></al><al>Renovatie heeft betrekking op het verlenen van voorzieningen die
                                technisch of economisch zijn afgeschreven en onder normale
                                omstandigheden ook vervangen zouden moeten worden
                                (afschrijftermijn). Voorbeelden zijn keukens, sanitair, natte cel,
                                kranen, et cetera. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                Leudal Wmo 2015 worden de afschrijftermijnen van een aantal
                                voorzieningen genoemd. Het uitgangspunt in ogenschouw genomen dat
                                geen voorzieningen worden verleend die algemeen gebruikelijk zijn
                                voor de persoon als de cliënt, geldt dat, als sprake is van
                                renovatie, (woon)voorzieningen in beginsel worden geweigerd. Dat is
                                op zich ook logisch immers voor personen met en zonder beperkingen
                                geldt dat voorzieningen na verloop van tijd moeten worden vervangen
                                of aangepast aan de eisen van de tijd.</al><al/><al><cursief>Algemeen gebruikelijke huishoudelijke
                                apparatuur</cursief></al><al>De aanspraak op een maatwerkvoorziening voor de overname van
                                huishoudelijke werkzaamheden bestaat slechts aanvullend op eigen
                                mogelijkheden. Daaronder kunnen algemeen gebruikelijke voorzieningen
                                worden gerekend. De beperkingen kunnen afdoende worden opgelost met
                                bijvoorbeeld technische hulpmiddelen. Daaronder wordt algemeen
                                gebruikelijke huishoudelijke apparatuur verstaan zoals een
                                wasmachine, een droogtrommel, een afwasautomaat of stofzuiger. Als
                                dergelijke apparaten niet aanwezig zijn maar wel een oplossing
                                kunnen bieden voor het probleem, dan gaat de aanschaf van deze
                                hulpmiddelen in beginsel voor op het indiceren van
                                ondersteuning.</al><al/><al><cursief>De auto algemeen gebruikelijk</cursief></al><al>Het hanteren van inkomensgrenzen is ook onder de Wmo 2015 niet
                                toegestaan. Dit betekent echter niet dat het bezit van een auto niet
                                als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt voor de persoon als
                                de cliënt. Een auto is bijvoorbeeld algemeen gebruikelijk als de
                                cliënt:</al><lijst><li nr="*"><al>in bezit is van een auto; en</al></li><li nr="*"><al>die auto gebruikt; en</al></li><li nr="*"><al>daarbij geen problemen ondervindt; en</al></li><li nr="*"><al>de auto nog steeds voorziet in vervoersbehoefte in de
                                        leefomgeving van de cliënt.</al></li></lijst><al>In die gevallen is de auto voor de persoon van de cliënt algemeen
                                gebruikelijk omdat er geen sprake is van extra kosten.</al><al/><al>Andere voorbeelden van voorzieningen die algemeen gebruikelijk
                                kunnen zijn voor de cliënt:</al><al>* Automatische transmissie</al><al>* Cruisecontrol</al><al>* Elektrisch bedienbare autoramen</al><al>* Fiets met hulpmotor</al><al>* Bakfiets</al><al>* Tandem-met</al><al>* Keramische kookplaat/elektrische kookplaat</al><al>* Eenhendelmengkraan</al><al>* Zonwering/ Airco</al><al>* Verhoogde toiletpot</al><al>* Standaard beugels</al><al>Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar.
                                Bovendien is de beoordeling of iets algemeen gebruikelijk is ook
                                afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe algemeen
                                maatschappelijke normen.</al><al/><al><cursief>Privaatrechtelijke verbintenis</cursief></al><al>In het kader van de beoordeling of een aangevraagde voorziening
                                algemeen gebruikelijk is, kan onder omstandigheden ook een aanspraak
                                op een privaatrechtelijke verbintenis (waaronder een verbintenis uit
                                overeenkomst) worden verstaan. Het College kan in voorkomen gevallen
                                verlangen dat de cliënt deze aanspraak naar volle vermogen te gelde
                                probeert te maken. Dat is algemeen gebruikelijk om te doen
                                (vergelijk CRVB:2011:BQ4115).</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Gebruikelijke hulp</titel></kop><artikel><kop><label>Inleiding</label></kop><al>In Wmo 2015 staat voorop dat allereerst wordt bezien of en in
                                hoeverre iemand zelf dan wel met gebruikelijke hulp in staat is zijn
                                problemen op te vangen. Wat onder gebruikelijke hulp valt, wordt
                                bepaald door wat op dat moment naar algemene aanvaarde opvattingen
                                in redelijkheid mag worden verwacht. In onze samenleving wordt het
                                normaal geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of
                                andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het
                                huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een
                                beperkte zelfredzaamheid. Gebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks
                                voort uit de sociale relatie, waarin het voeren van een
                                gemeenschappelijk huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid
                                voor het functioneren van dat huishouden met zich brengt.
                                Gebruikelijke hulp is dan ook de normale, dagelijkse hulp die
                                partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar
                                onderling te bieden.</al><al/><al><cursief>Mantelzorg</cursief></al><al>Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen.
                                Bij mantelzorg, verleend door personen uit de directe omgeving van
                                de cliënt en rechtstreeks voortvloeiend uit de sociale relatie,
                                wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of
                                intensiteit aanmerkelijk overschreden. De ondersteuning door de
                                mantelzorger vertegenwoordigd daarmee een aanspraak. Die aanspraak
                                kan betrekking hebben op de Wmo 2015, verpleging en verzorging zoals
                                bedoeld in de Zorgverzekeringswet of ondersteuning aan een jeugdige
                                op grond van de Jeugdwet. In geval het College tot het oordeel komt
                                dat een maatwerkvoorziening is aangewezen kan verlangd worden dat
                                aanspraak wordt gemaakt op verpleging en/of verzorging. Dit gebeurt
                                alleen als daarmee verlenen van een maatwerkvoorziening kan worden
                                voorkomen. Verder kan mantelzorg worden verleend aan een
                                thuiswonende verzekerde met een indicatie tot de Wlz. In die
                                gevallen heeft het College in ieder geval geen ondersteuningsplicht.
                                Mogelijk kan aanspraak bestaan op kortdurend verblijf op grond van
                                de Wlz. </al><al/><al><cursief>Beleidsuitgangspunt mantelzorg</cursief></al><al>Er is sprake van mantelzorg als deze intensief en langdurig wordt
                                verleend. Daaronder wordt in principe meer dan 8 uur per week en
                                langer dan 3 maanden verstaan. Mantelzorgers gaan pas echt problemen
                                ondervinden als het verlenen van ondersteuning intensief gedurende
                                een langere periode gebeurt (vergelijk EK 2005/06, 30 131, C, p.
                                59).</al><al/><al><cursief>Verordening</cursief></al><al>Het is wenselijk om een objectief afwegingskader vast te stellen wat
                                betreft de afbakening en inzet van gebruikelijke hulp om te
                                voorkomen dat in voorkomende gevallen sprake is van toeval of van
                                willekeur. </al></artikel><artikel><kop><label>Begeleiding, dagbesteding en overnemen huishoudelijke werkzaamheden</label></kop><al>In artikel 4.2 van de Verordening staan een aantal uitgangspunten
                                die gelden bij de ondersteuning bij een schoon en leefbaar huis,
                                begeleiding en dagbesteding. Het betreft uitgangspunten
                                (omstandigheden) zoals die golden onder de Wmo 2007 en de AWBZ. Het
                                gaat over de omstandigheden waar het College in ieder geval rekening
                                mee moet houden bij de boordeling of van de huisgenoot gebruikelijke
                                hulp kan worden gevergd.</al><al/><al>Verordening: artikel 4.2</al><al>Bij de ondersteuning bij een schoon en leefbaar huis gaat het om de
                                volgende omstandigheden:</al><lijst><li nr="a."><al>de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt;</al></li><li nr="b."><al>de leeftijd en ontwikkelingsfase van inwonende
                                        kinderen;</al></li><li nr="c."><al>de leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie
                                        gebruikelijke hulp kan worden gevergd;</al></li><li nr="d."><al>de verhouding tussen de draaglast en de draagkracht van de
                                        personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd en de
                                        mate waarin zij zelf beperkingen ondervinden.</al></li></lijst><al/><al>Bij begeleiding en dagbesteding gaat het om de volgende
                                omstandigheden:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de
                                        cliënt;</al></li><li nr="b."><al>de aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid
                                        met de cliënt waaronder de leeftijd en ontwikkelingsfase van
                                        inwonende kinderen;</al></li><li nr="c."><al>of van de persoon, bedoeld onder b, ondersteuning bij of het
                                        overnemen van activiteiten of taken kan worden gevergd die
                                        naar algemene maatstaven als gebruikelijke hulp kan worden
                                        gekwalificeerd;</al></li><li nr="e."><al>of sprake is van langdurige beperkingen bij de cliënt. Met
                                        uitzondering van de situaties als bedoeld onder b, wordt
                                        daar in het algemeen langer dan drie maanden onder
                                        verstaan.</al></li><li nr="f."><al>de leeftijd van inwonende kinderen en de mate waarin zij
                                        zelf beperkingen ondervinden;</al></li><li nr="g."><al>de leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie
                                        gebruikelijke hulp kan worden gevergd;</al></li><li nr="h."><al>de verhouding tussen de draaglast en de draagkracht van de
                                        personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd en de
                                        mate waarin zij zelf beperkingen ondervinden.</al><al/><al>1. De aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de
                                        cliënt</al><al>Het College inventariseert als eerste de hier
                                        genoemdeomstandigheden.</al><al/><al><onderstreept>De aard</onderstreept></al><al>De aard van de ondersteuningsbehoefte kan zeer divers zijn.
                                        De cliënt kan aangewezen zijn op hulp bij zelfzorg, de
                                        thuisadministratie, het plannen of ondernemen van dagelijkse
                                        activiteiten in het kader van participatie of bij
                                        problematisch gedrag. De mate van zelfredzaamheid is
                                        enerzijds afhankelijk van de beperkingen die de cliënt
                                        daarbij ondervindt. Anderzijds wordt de mate van
                                        zelfredzaamheid bepaald door wat de cliënt wel zelf kan al
                                        dan niet met hulp van anderen of met gebruikmaking van
                                        bijvoorbeeld algemene voorzieningen (zie hoofdstuk 4 van de
                                        Verordening; Beoordeling van de aanspraak). Het College
                                        houdt in ieder geval rekening met hulp bij of het overnemen
                                        van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de
                                        persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden
                                        geboden. Zie verder onder het kopje ‘de aard van de relatie
                                        van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt’ van deze
                                        beleidsregels.</al><al/><al><onderstreept>De omvang</onderstreept></al><al>Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers van
                                        aard zijn. Zo kan de cliënt zijn aangewezen op permanent
                                        toezicht hetgeen zware eisen kan stellen aan de persoon van
                                        wie gebruikelijke hulp wordt gevergd. Daarnaast kan de
                                        totale omvang van de ondersteuningsbehoefte met zich
                                        meebrengen dat (deels) niet meer van gebruikelijke hulp kan
                                        worden gesproken. Dat deel zou als boven-gebruikelijk kunnen
                                        worden aangemerkt. Dat is ook afhankelijk van de vraag of
                                        het om uitstelbare ondersteuning gaat of bijvoorbeeld
                                        gebruik kan worden gemaakt van andere oplossingen. Het kan
                                        echter ook gaan om een meer incidentele vorm van hulp die
                                        wel een structureel karakter heeft. Denk bijvoorbeeld aan
                                        hulp bij zelfzorg of participatie. De omvang van de
                                        ondersteuning kan onder de normale routine van de
                                        leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en
                                        klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, et cetera. In
                                        die gevallen zal de hulp al snel als gebruikelijke hulp
                                        kunnen worden aangemerkt. Is dat allemaal niet aan de orde,
                                        dan kan het College een maatwerkvoorziening verlenen.</al><al/><al><onderstreept>Kortdurende of een langdurige
                                            ondersteuningsbehoefte</onderstreept></al><al>Afhankelijk van de aard van de beperking kan er een
                                        kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte bestaan
                                        bij de cliënt. Bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte is
                                        er uitzicht op herstel in de mate van de zelfredzaamheid van
                                        de cliënt. In het algemeen geldt hiervoor een periode van
                                        drie maanden. Bij langdurig gaat het om een situatie waarbij
                                        de ondersteuningsbehoefte naar verwachting langer dan drie
                                        maanden aanwezig zal zijn. Indien er sprake is van hulp bij
                                        of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene
                                        maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan
                                        elkaar geacht wordt geboden te worden, is het in principe
                                        niet van belang of sprake is van een kortdurende of een
                                        langdurige ondersteuningsbehoefte.</al><al/><al><onderstreept>Overnemen
                                            h</onderstreept><onderstreept>uishoudelijke
                                            werkzaamheden</onderstreept></al><al>Bij de beoordeling van de duur in het kader van het
                                        overnemen van huishoudelijke werkzaamheden wordt ook in
                                        principe geen rekening gehouden met een onderscheid tussen
                                        een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte.
                                        Dat is in lijn met de regels zoals die golden onder de Wmo
                                        2007. Wel kunnen individuele omstandigheden ertoe leiden dat
                                        geen gebruikelijke hulp wordt verlangd.</al><al/><al>2. De aard van de relatie van de persoon binnen de
                                        leefeenheid met de cliënt</al><al>Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar
                                        onderling gebruikelijke hulp moeten bieden. Immers
                                        huisgenoten binnen de leefeenheid hebben de keuze gemaakt om
                                        een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Dat maakt hen
                                        verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden.
                                        Het College moet wel rekening houden met de aard van de
                                        relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de
                                        cliënt. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen
                                        wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als
                                        gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, tussen kinderen
                                        ten opzichte van hun ouders en huisgenoten die bijvoorbeeld
                                        geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. Zie verder
                                        onder het kopje ‘huisgenoten’ van de beleidsregels.</al><al/><al><onderstreept>Overnemen
                                            h</onderstreept><onderstreept>uishoudelijke
                                            werkzaamheden</onderstreept></al><al>Bij de beoordeling van de duur in het kader van het
                                        overnemen van huishoudelijke werkzaamheden wordt in principe
                                        geen rekening gehouden met de aard van de relatie. Het gaat
                                        er om of sprake is van een huisgenoot binnen de leefeenheid.
                                        Dat is in de lijn met de regels zoals die golden onder de
                                        Wmo 2007. Wel kunnen individuele omstandigheden ertoe leiden
                                        dat geen gebruikelijke hulp wordt verlangd.</al><al/><al>3. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende
                                        kinderen</al><al>Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het
                                        College er in beginsel vanuit dat de kinderen, afhankelijk
                                        van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage
                                        kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke
                                        werkzaamheden. Ondersteuning bieden, zoals begeleiding, ligt
                                        minder voor de hand en dat beoordeelt het College in het
                                        individuele geval. De inzet van kinderen mag nooit ten koste
                                        gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder het
                                        omgaan met leeftijdgenoten, het doen aan vrijetijdsbesteding
                                        en de schoolprestaties.</al><al/><al><onderstreept>Kinderen binnen de
                                        leefeenheid</onderstreept></al><al>In geval de leefeenheid van de cliënt mede bestaat uit
                                        kinderen, dan gaat het College er vanuit dat de kinderen,
                                        afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren,
                                        een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Een
                                        volwassenen huisgenoot van 23 jaar en ouder dient het
                                        huishouden geheel over te nemen. Een 18- tot 23-jarige wordt
                                        verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren.
                                        Als uitgangspunt hanteert het College 2 uur per week voor
                                        uitstelbare taken en 3 uur per week voor niet-uitstelbare
                                        taken. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden
                                        verzorgen en begeleiden. Onder de omstandigheden van het
                                        individuele geval kan ook andere hulp of ondersteuning van
                                        het meerderjarige kind aan de ouder(s) onder de
                                        gebruikelijke hulp vallen. Verder geleden de volgende
                                        uitgangspunten.</al><al/><lijst><li nr="*"><al>Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de
                                                huishouding.</al></li><li nr="*"><al>Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen
                                                mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke
                                                werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen,
                                                afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de
                                                wasmand gooien.</al></li><li nr="*"><al>Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde
                                                taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel
                                                opruimen, stofzuigen, bed verschonen.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Algemene maatstaven in de persoonlijke
                                            levenssfeer</cursief></al><al>Het College houdt wel rekening met hulp bij of het overnemen
                                        van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de
                                        persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar geacht wordt
                                        geboden te worden. Voorbeelden zijn:</al><lijst><li nr="*"><al>hulp bij een bezoek aan de familie, vrienden,
                                                huisarts, et cetera.</al></li><li nr="*"><al>hulp bij of het overnemen van taken die tot een
                                                gezamenlijk huishouden behoren zoals de
                                                thuisadministratie.</al></li><li nr="*"><al>hulp aan derden, die behoren tot de omgeving van de
                                                cliënt, in het omgaan met de beperkingen van de
                                                cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, et
                                                cetera.</al></li><li nr="*"><al>hulp van ouders aan kinderen, waaronder ook
                                                toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere
                                                activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en
                                                waar zij door hun ouders bij begeleid worden.
                                                Verwezen wordt naar de bijlage ‘uitgangspunten zorg
                                                ouder voor kinderen’ bij deze beleidsregels.</al></li></lijst><al/><al>4. De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie
                                        gebruikelijke hulp kan worden gevergd</al><al>Het kan voorkomen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp
                                        kan worden verwacht. Een reden daarvoor kan zijn dat de
                                        huisgenoot niet weet op welke manier zij gebruikelijke hulp
                                        kan of moet verlenen, maar dat wel kan aanleren. Denk
                                        bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd
                                        met een ondersteuningsbehoefte van de cliënt door niet
                                        eerder aanwezige beperkingen zoals bij een niet aangeboren
                                        hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie. Of een
                                        huisgenoot die bijvoorbeeld nooit heeft geleerd
                                        huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren, maar wel
                                        leerbaar is. Het College kan dan tijdelijk een
                                        maatwerkvoorziening inzetten om de gebruikelijke hulp aan te
                                        leren. De ondersteuning is dan ook gericht op het in staat
                                        te stellen om te gaan met (de gevolgen van) de beperkingen
                                        van de cliënt. Het spreekt voor zich dat de leerbaarheid van
                                        de cliënt hierbij ook een belangrijke rol speelt. Die kan
                                        betrekking hebben op het (leren) accepteren van de
                                        gebruikelijke hulp. De aard van en de mate van beperkingen
                                        spelen hierbij een belangrijke rol.</al><al/><al><cursief>Geen gebruikelijke hulp verlangen</cursief></al><al>Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of elke
                                        andere volwassen huisgenoot geobjectiveerde beperkingen
                                        heeft en/of kennis dan wel vaardigheden mist om
                                        gebruikelijke hulp aan de cliënt te bieden en deze
                                        vaardigheden niet kunnen worden aangeleerd wordt van hen
                                        geen gebruikelijke hulp verwacht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Huisgenoten</label></kop><al>Onder een huisgenoot wordt iedere persoon verstaan die tot de
                                leefeenheid van de cliënt behoort. Onder een leefeenheid worden alle
                                bewoners verstaan die een gemeenschappelijke woning bewonen met als
                                doel een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Zie
                                begripsbepalingen in de Verordening. Van hen wordt in principe
                                verwacht gebruikelijke hulp aan elkaar te bieden. Het kan
                                achtereenvolgens gaan om:</al><lijst><li nr="*"><al>Echtgenoten/partners</al></li><li nr="*"><al>Kinderen en ouders</al></li><li nr="*"><al>Ouders en kinderen</al></li><li nr="*"><al>Andere huisgenoten</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Echtgenoten/partners</onderstreept></al><al>Als uitgangspunt geldt dat van echtgenoten/partners ten opzichte van
                                elkaar meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan
                                van kinderen ten opzichte van hun ouders. Dat heeft te maken met wat
                                gebruikelijk is volgens algemene maatstaven in de persoonlijke
                                levenssfeer. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander
                                aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg of hulp biedt bij de sociale
                                redzaamheid. Bij elk van de terreinen die in bijlage van deze
                                beleidsregels staan genoemd, zal het College zich een oordeel moeten
                                vormen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar mag
                                worden verwacht.</al><al/><al><onderstreept>Kinderen en ouders</onderstreept></al><al>Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de
                                leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van kinderen
                                naar hun ouders toe. Voor kinderen ten opzichte van hun ouders kan
                                dat bij begeleiding wel anders liggen. Het hoeft niet in alle
                                gevallen zo te zijn dat het volgens algemene maatstaven in de
                                persoonlijke levenssfeer gebruikelijk is dat kinderen hun ouder(s)
                                bijvoorbeeld aansporen tot zelfzorg. Daarbij kunnen de mate van
                                beperkingen en de noodzakelijke aansporing tot zelfzorg bepalend
                                zijn. Bij elk van de terreinen die in bijlage van deze beleidsregels
                                staan genoemd, zal het College zich een oordeel moeten vormen over
                                wat van kinderen ten opzichte van hun ouders mag worden
                                verwacht.</al><al/><al><onderstreept>Ouders en kinderen</onderstreept></al><al>De zorgplicht van ouders voor hun kinderen strekt zich uit over
                                opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of
                                verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke
                                ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind,
                                inclusief de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van
                                de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de
                                kinderen over. Gebruikelijke hulp voor kinderen omvat in ieder geval
                                de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon die
                                past bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Het overnemen van
                                de gebruikelijke hulp van de kinderen kan een tijdelijke
                                Wmo-aanspraak zijn, maar structurele opvang van kinderen in beginsel
                                niet. Zie ook de bijlage ‘Uitgangspunten zorg ouder voor kinderen’
                                in de beleidsregels. Bij elk van de terreinen die in de bijlage van
                                deze beleidsregels staan genoemd, zal het College zich een oordeel
                                moeten vormen wat van ouders ten opzichte van hun kinderen mag
                                worden verwacht.</al><al/><al><onderstreept>Huisgenoten ten opzichte van
                                elkaar</onderstreept></al><al>Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de
                                leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van huisgenoten
                                ten opzichte van elkaar. Gelet op de aard van de relatie
                                (bijvoorbeeld niet familierechtelijk) kan het zijn dat het volgens
                                algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer niet gebruikelijk
                                is dat de ene huisgenoot de ander aanspoort tot bijvoorbeeld
                                zelfzorg. Daarbij kunnen de mate van beperkingen en de noodzakelijke
                                aansporing tot zelfzorg bepalen zijn. Bij elk van de terreinen die
                                in de bijlage van deze beleidsregels staan genoemd, zal het College
                                zich een oordeel moeten vormen wat van huisgenoten ten opzichte van
                                elkaar mag worden verwacht.</al></artikel><artikel><kop><label>Boven-gebruikelijke hulp</label></kop><al>Verder kan het zijn dat de naar algemene maatstaven geldende
                                gebruikelijke hulp substantieel wordt overschreden. Denk aan de
                                situatie van een langdurige ondersteuningsbehoefte in combinatie met
                                het uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden en/of het bieden van
                                noodzakelijke begeleiding. Ook kan de omvang van de zorg van ouders
                                voor kinderen boven-gebruikelijk zijn. In vergelijking tot gezonde
                                kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel kan deze zorg
                                substantieel worden overschreden. Zie ook bijlage uitgangspunten
                                zorg ouders voor kinderen bij de beleidsregels. Het is echter niet
                                zo dat het College in beleidsregels kan vaststellen hoeveel hulp nu
                                precies algemeen gebruikelijk is. Onder de AWBZ heeft de Centrale
                                Raad van Beroep daar uitspraken over gedaan (CRVB:2013:BZ9358 AWBZ-T
                                en CRVB:2014:134 AWBZ). Aangenomen wordt dat deze van
                                overeenkomstige toepassing zijn voor de Wmo 2015. Het College moet
                                de omstandigheden van het individuele geval wegen. In voorkomende
                                gevallen kan een maatwerkvoorziening zijn aangewezen, tenzij (bij
                                kinderen) aanspraak bestaat op begeleiding of persoonlijke
                                verzorging op grond van de Jeugdwet.</al></artikel><artikel><kop><label>De verhouding tussen de draaglast en de draagkracht</label></kop><al>De vraag is of in individuele situaties van een uitzondering sprake
                                is op grond waarvan toch taken of activiteiten in het kader van
                                gebruikelijke hulp moeten worden overgenomen. Eén van de redenen
                                daarvoor kan zijn dat degenen van wie wordt verwacht dat zij
                                gebruikelijke hulp bieden, overbelast zijn (geraakt) en niet meer in
                                staat zijn dat te doen. Steeds moet duidelijk zijn hoe de
                                overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting
                                gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. In
                                voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de huisarts
                                over de ouder, partner of huisgenoot helpen om een oordeel te
                                vormen. Verwezen wordt naar de bijlage ‘onderzoek dreigende
                                overbelasting’ van deze beleidsregels.</al><al/><al><cursief>Omvang planbare en onplanbare hulp</cursief></al><al>Soms is het duidelijk dat de ouder, partner of huisgenoot overbelast
                                is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare hulp,
                                maar ook de mate van de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om
                                onplanbare hulp te bieden is van invloed op de belastbaarheid van de
                                degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere
                                woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken
                                momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde
                                taken waarbij continue aanwezigheid en alertheid wordt verwacht of
                                noodzakelijk is van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te
                                verlenen. Het College zal bij de beoordeling van (dreigende)
                                overbelasting ook rekening moeten houden met de gebruikelijke zorg
                                in het kader van verpleging en verzorging op grond van de
                                Zorgverzekeringswet (Zvw) of Jeugdwet. Het kan dus zijn dat deze
                                zorg of hulp wordt verleend zonder dat aanspraak wordt gedaan op de
                                betreffende wet. Zie verder onder het kopje ‘voorkomen of oplossen
                                overbelasting’ van deze beleidsregels.</al><al/><al><cursief>Dreigende overbelasting</cursief></al><al>Bij een beroep op (dreigende) overbelasting van de huisgenoot moet
                                dat door de cliënt aannemelijk worden gemaakt en dan rust op het
                                College de plicht daar onderzoek naar in te stellen. De betreffende
                                huisgenoot is dan overigens wel verplicht zijn medewerking te
                                verlenen aan een onderzoek. Weigert hij dit, dan kan het recht op
                                een maatwerkvoorziening niet worden vastgesteld.</al><al/><al><cursief>Voorkomen of oplossen overbelasting</cursief></al><al>Wanneer er bij de huisgenoot, die geacht wordt gebruikelijke hulp te
                                verlenen, eigen mogelijkheden zijn om de (dreigende) overbelasting
                                op te heffen dienen deze te worden aangewend. Als er sprake is van
                                (dreigende) overbelasting vanwege het zelf leveren van geïndiceerde
                                zorg (verpleging en/of verzorging), kan het College verlangen dat
                                men die overbelasting opheft door deze zorg door (andere)
                                zorgverleners uit te laten voeren, tenzij daar bezwaren tegen
                                bestaan. Bijvoorbeeld omdat iemand niet door anderen (derden)
                                verpleegd of verzorgd wil worden maar door de mantelzorger. Bij de
                                beoordeling weegt het College mee of de aanspraak op een
                                maatwerkvoorziening wordt voorkomen. Voor zover de (dreigende)
                                overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten
                                buiten de gebruikelijke hulp, wel of niet in combinatie met een
                                fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke
                                hulp in principe voor op die maatschappelijke activiteiten. Zie ook
                                bijlage ‘Onderzoek naar overbelasting’ van degene die de
                                gebruikelijke hulp dient te bieden, bij deze beleidsregels.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel><vet>Ondersteuning bij een schoon en leefbaar huis</vet></titel></kop><artikel><kop><label>Inleiding</label></kop><al><onderstreept>Verordening maatschappelijke ondersteuning: artikel
                                    7.1 en artikel 7.2</onderstreept></al><al>Indien een cliënt is aangewezen op ondersteuning bij een schoon en
                                leefbaar huis kan het College een maatwerkvoorziening toekennen in
                                de vorm van hulp bij het huishouden (HbH).</al><al/><al><cursief>Client maakt nadere afspraken met de aanbieder, die door
                                    gemeente worden bekrachtigd.</cursief></al><al>Tijdens het gesprek (als bedoeld in artikel 2.3 van de Verordening
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Leudal 2015) wordt op
                                hoofdlijnen het HbH-arrangement met de cliënt doorgenomen. Indien
                                blijkt dat de cliënt is aangewezen op huishoudelijke ondersteuning
                                wordt in de bijlage behorende bij het gespreksverslag (= het zgn.
                                opdrachtformulier voor de aanbieder HbH) de voor de aanbieder
                                relevante informatie vermeld om de taken en frequentie samen met de
                                cliënt nader te duiden, om zodoende een schoon en leefbaar huis te
                                kunnen bewerkstelligen. </al><al>Bij het bepalen van het HbH-arrangement wordt met name gelet
                                op:</al><lijst><li nr="1."><al>Bijzondere individuele omstandigheden. Deze omstandigheden
                                        kunnen van invloed zijn op de indicatie. Denk bijvoorbeeld
                                        aan jonge kinderen, aanwezige huisdieren, allergieën;</al></li><li nr="2."><al>Het gebruik van woonruimten. Dit om inzicht te krijgen in de
                                        ruimten die moeten worden schoongemaakt. Kamers die niet in
                                        gebruik (hoeven te) zijn vallen hier buiten. </al></li></lijst><al/><al>Kiest de cliënt tijdens het gesprek voor Zorg in Natura (ZIN), dan
                                dient hij tevens één van de gecontracteerde aanbieders te kiezen.
                                Een medewerker van de gekozen aanbieder gaat bij de cliënt op
                                huisbezoek. De gemeente stuurt het ingevulde opdrachtformulier naar
                                de gekozen aanbieder met het verzoek om het ondersteuningsplan op te
                                stellen. In dit ondersteuningsplan worden de nadere afspraken
                                neergelegd die door de aanbieder in samenspraak met de cliënt zijn
                                gemaakt over hoe de hulp bij het huishouden geboden zal gaan
                                worden.</al><al>Het ondersteuningsplan wordt zowel door de cliënt als de aanbieder
                                ondertekend en wordt binnen 10 werkdagen na dagtekening van het
                                opdrachtformulier naar de gemeente geretourneerd.</al><al/><al>Overigens geldt het opstellen van een ondersteuningsplan ook bij de
                                keuze voor een PGB. Ook hier dienen nadere afspraken gemaakt te
                                worden tussen cliënt en zorgverlener/hulp. Deze afspraken over welke
                                werkzaamheden, duur en frequenties worden neergelegd in het door
                                beide partijen te ondertekenen ondersteuningsplan.</al><al/><al><cursief>Ondersteuningsplan onlosmakelijk onderdeel van de
                                    beschikking</cursief></al><al>Het opdrachtformulier en het ondertekende ondersteuningsplan vormen
                                mede de basis voor en is onderdeel van de beschikking (zowel voor
                                ZIN als PGB) die het college verleend bij het toekennen van de
                                maatwerkvoorziening: schoon en leefbaar huis.</al><al/><al>Met deze werkwijze wordt bewerkstelligd dat het college de regie
                                behoudt over de aan de cliënt te leveren maatwerkvoorziening.</al><al/><al><onderstreept>Verordening mo: artikel 7.3</onderstreept></al><al/><al><cursief>Wat is een maatwerkvoorziening?</cursief></al><al>Een maatwerkvoorziening is pas aan de orde als na onderzoek vanwege
                                de gemeente blijkt dat de persoon als gevolg van zijn beperkingen,
                                chronische psychische of psychosociale problemen niet op eigen
                                kracht, met gebruikelijke hulp (Zie daarvoor hoofdstuk 4 van deze
                                beleidsregels.), met (niet-afdwingbare) mantelzorg, met hulp van
                                andere personen uit zijn sociale netwerk of met algemeen
                                gebruikelijke of algemene voorzieningen voldoende zelfredzaam is of
                                in staat is tot participatie. </al><al/><al>Een maatwerkvoorziening wordt in de wet als volgt gedefinieerd:</al><lijst><li nr="-"><al>Op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een
                                        persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen,
                                        woningaanpassingen en andere maatregelen: </al></li><li nr="-"><al>ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen
                                        kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de
                                        mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede
                                        hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen;
                                    </al></li><li nr="-"><al>ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het
                                        daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en
                                        andere maatregelen; </al></li><li nr="-"><al>ten behoeve van beschermd wonen en opvang.</al></li></lijst><al/><al/><al>Een maatwerkvoorziening is het sluitstuk in de ondersteuning van de
                                cliënt en wordt pas ingezet als alle andere mogelijkheden geen of
                                onvoldoende bijdrage leveren aan het verminderen van de
                                belemmeringen die de cliënt heeft in zijn zelfredzaamheid en
                                participatie. </al><al/><al><cursief>Wat is passende ondersteuning?</cursief></al><al>Voor hulp bij het huishouden in natura geldt dat, als tijdens het
                                gesprek is geconstateerd dat ondersteuning bij het realiseren van
                                een schoon en leefbaar huis passend is en de gemeente daartoe het
                                opdrachtformulier heeft opgesteld, de aanbieder en de cliënt in
                                samenspraak met elkaar kijken op welke wijze concrete invulling
                                wordt gegeven aan de HbH-ondersteuning. De gemaakte afspraken worden
                                door de aanbieder en de cliënt vastgelegd in het ondersteuningsplan.
                                Dat plan geeft ook aan welke de taken, werkzaamheden en frequentie
                                zijn die door de aanbieder worden uitgevoerd. Het ondersteuningsplan
                                vormt onderdeel van de gemeentelijke beschikking tot het verlenen
                                van de maatwerkvoorziening ‘schoon en leefbaar huis’.</al><al/><al><cursief>Niet tevreden met uitvoering van gemaakte
                                    afspraken</cursief></al><al>Indien de cliënt niet tevreden is met de wijze waarop de aanbieder
                                de gemaakte afspraken uitvoert, dient hij in eerste instantie in
                                overleg treden met de aanbieder. Daarna kan hij een eventueel
                                geschil aan het college voorleggen. Er zal dan samen met de cliënt
                                en de aanbieder in overleg worden getreden om te onderzoeken wat in
                                de individuele situatie passende ondersteuning is. Hieruit kan
                                voortvloeien dat er wijzigingen dienen plaats te vinden. Dit met het
                                oog op het verbeteren en/of versterken van de zelfredzaamheid.
                                Eventuele wijzigingen in de ondersteuning worden opgenomen in een
                                aangepast ondersteuningsplan. </al><al/><al>Indien beide partijen ondanks deze inspanningen niet tot
                                overeenstemming komen staan de volgende mogelijkheden open:</al><lijst><li nr="1."><al>de cliënt stapt over naar een andere gecontracteerde
                                        aanbieder;</al></li><li nr="2."><al>de cliënt kiest voor een persoonsgebonden budget.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Wijziging</cursief></al><al>Ook kan het zijn dat er een wijziging optreedt in bijvoorbeeld de
                                beschikbaarheid van personen uit het sociale netwerk. Daar zal de
                                aanbieder mogelijk meer hulp bij het huishouden kunnen inzetten of
                                de eerder ingezette hulp anders organiseren. De cliënt bespreekt dit
                                eerst met de aanbieder. <cursief>Als dit leidt tot een aangepast
                                    ondersteuningsplan, dan dient dit gewijzigde ondersteuningsplan
                                    wederom door beide partijen te worden ondertekend. Dat
                                    gewijzigde ondersteuningsplan vormt dan onderdeel van de
                                    bestaande beschikking. Er hoeft dus
                                        <onderstreept>geen</onderstreept> nieuwe beschikking tot het
                                    verstrekken van de maatwerkvoorziening ‘schoon en leefbaar huis’
                                    door het college te worden verstrekt. Dat is pas het geval als
                                    het gewijzigde ondersteuningsplan niet meer past binnen de
                                    afgesproken resultaatbekostiging tussen gemeente en aanbieder of
                                    wanneer cliënt besluit tot overstappen naar een andere
                                    gecontracteerde aanbieder. Dat kan het geval zijn als er
                                    substantieel meer uren ingezet dienen te worden. </cursief>Er
                                wordt daarbij wederom een mogelijkheid tot bezwaar geboden. </al><al/><al><onderstreept>Verordening mo: artikel 7.4 </onderstreept></al><al><cursief>Resultaat: een schoon en leefbaar huis</cursief></al><al>Ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden is aan de
                                orde als er beperkingen zijn bij het voeren van een huishouden. Dat
                                kan zich uiten door (dreigende) vervuiling van de woning of van
                                kleding doordat de cliënt het huishouden niet meer (voldoende) zelf
                                kan doen, maar ook doordat de cliënt niet in staat is voor zichzelf
                                maaltijden te bereiden of boodschappen te doen. In noodsituaties
                                (bijvoorbeeld plotselinge uitval van de moeder door
                                ziekenhuisopname) kan binnen dit resultaatgebied ondersteuning
                                worden geboden voor de verzorging van minderjarige kinderen. </al><al/><al>Hulp bij huishouden op onderstaande resultaten wordt alleen geboden
                                wanneer er geen andere oplossingen zijn die problemen die cliënt
                                hierbij ondervindt kunnen voorkomen of oplossen. In de dagelijkse
                                praktijk betekent dit dat, waar dat mogelijk is, cliënt, de
                                leefeenheid of het netwerk de huishoudelijke werkzaamheden (blijven)
                                uitvoeren. Aanvullend hierop wordt ondersteuning bij het huishouden
                                geboden. Van een cliënt wordt medewerking gevraagd om deze
                                ondersteuning zo efficiënt mogelijk te kunnen organiseren. Dit
                                betekent dat van de betrokkene mag worden verwacht dat hiermee
                                rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning en planning
                                van huishoudelijke werkzaamheden. Te denken valt bijvoorbeeld aan de
                                wijze waarop de woning is ingericht. Uiteraard mag de cliënt de
                                woning gezellig maken door het plaatsen van snuisterijen of
                                beeldjes. Als de woning hier vol mee staat, belemmert dit de
                                voortgang van de werkzaamheden. Dit kan betekenen dat de cliënt
                                gevraagd wordt voor de komst van de hulp de spulletjes alvast van
                                het dressoir of de tafel te halen en later weer terug te plaatsen.
                                Of dat er wat spullen worden opgeruimd. Cliënt kan ervoor kiezen dit
                                niet te doen, maar dat kan effect hebben op de wijze waarop
                                bijvoorbeeld wordt gestoft.</al></artikel><artikel><kop><label>Inhoud resultaatgebied ‘schoon en leefbaar huis’</label><nr/><label/></kop><al>Het gaat bij het resultaatgebied ondersteuning en regie bij het
                                voeren van een huishouden om de volgende resultaten:</al><lijst><li nr="-"><al>het huis is schoon en leefbaar;</al></li><li nr="-"><al>de cliënt beschikt over schone en draagbare kleding;</al></li><li nr="-"><al>de cliënt beschikt over primaire levensbehoeften en
                                        maaltijden.</al></li></lijst><al/><al>Bij het onderzoek naar de situatie van de cliënt wordt gekeken op
                                welke van de hierboven genoemde resultaten de cliënt ondersteuning
                                nodig heeft. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Uitwerking resultaatgebied ‘Schoon en leefbaar’</label></kop><al><cursief>1. Kern van het te bereiken resultaat</cursief></al><al>Een schoon en leefbaar huis wil allereerst zeggen dat een cliënt kan
                                beschikken over een schone woonkamer, als slaapvertrek in gebruik
                                zijnde ruimtes, de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap. De
                                genoemde ruimtes dienen met enige regelmaat schoongemaakt te worden.
                                Dat wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt
                                moeten worden. Het betekent dat deze vertrekken niet vervuilen en
                                met het oog daarop periodiek schoongemaakt worden om zo een naar
                                algemeen aanvaarde maatstaven verantwoord basisniveau van ‘schoon en
                                hygiënisch’ te realiseren. Leefbaar staat voor opgeruimd en
                                functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Hiermee wordt het
                                te behalen eindresultaat in afdoende mate kwalitatief genormeerd
                                geacht. Voor een bij de frequentie van de werkzaamheden in acht te
                                nemen kwantitatieve normering wordt verwezen naar het hierop
                                volgende onderdeel.</al><al/><al>Het gaat bij dit resultaatgebied overigens alleen om de binnenruimte
                                van de woning. Werkzaamheden in huis die niet noodzakelijk zijn om
                                de ruimtes waarin geleefd wordt schoon, hygiënisch en leefbaar te
                                houden, zoals het in de was zetten van vloeren en meubilair, het
                                schoonmaken van vliering of berging of het poetsen van zilver,
                                vallen niet onder de reikwijdte van dit resultaatgebied.</al><al/><al><onderstreept>Niet</onderstreept> onder de reikwijdte van dit
                                resultaatgebied behoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de buitenruimte, waaronder ook het zemen van de ramen aan de
                                        buitenzijde of het tuinonderhoud; </al></li><li nr="b."><al>werkzaamheden die zeer incidenteel hoeven te gebeuren, zoals
                                        het wassen van overgordijnen;</al></li><li nr="c."><al>de verzorging van huisdieren (niet zijnde
                                        hulphonden/dieren);</al></li><li nr="d."><al>het schoonhouden van ruimtes die hierboven niet zijn
                                        genoemd, zoals een vliering of garage.</al></li></lijst><al/><al><cursief>2. Frequentie van de werkzaamheden</cursief></al><al>De werkzaamheden kunnen worden onderscheiden in activiteiten die
                                wekelijks/twee-wekelijks of met een lagere frequentie (bijvoorbeeld
                                maandelijks, 1x per kwartaal of jaar) hoeven te worden gedaan.</al><al/><lijst><li nr="a."><al>Activiteiten die <onderstreept>wekelijks of
                                            twee-wekelijks</onderstreept><cursief>kunnen</cursief> worden gedaan:</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>het schoonmaken van de keuken (aanrecht, gootsteen,
                                        kookplaat, vloer), badkamer en toilet(ten);</al></li><li nr="-"><al>het stoffen, opruimen, stofzuigen en eventueel dweilen van
                                        de gang, eventuele trap naar de slaapetage, woonkamer en als
                                        slaapvertrek in gebruik zijnde ruimtes;</al></li><li nr="-"><al>het verschonen van de bedden.</al></li></lijst><al/><al/><lijst><li nr="b."><al> Activiteiten die met een <onderstreept>lagere
                                            frequentie</onderstreept><cursief>kunnen</cursief> worden gedaan:</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>het schoonmaken van de keukenkastjes (incl. bovenkant en
                                        binnenzijde), oven, afzuigkap en de koelkast/vriezer;</al></li><li nr="-"><al>het afnemen van lamellen;</al></li><li nr="-"><al>het afnemen van tegelwanden in badkamer en toilet;</al></li><li nr="-"><al>het zemen van de ramen aan de binnenzijde.</al></li></lijst><al/><al><cursief>3. Aspecten die bij dit resultaatgebied en de frequentie
                                    van werkzaamheden een rol spelen.</cursief></al><al>Samen met de cliënt wordt bekeken of deze nog in staat is om
                                onderdelen van het schoonmaken zelf uit te voeren, zoals het
                                uitvoeren van lichte werkzaamheden (bijvoorbeeld stoffen, afwassen,
                                met vochtige reinigingsdoekjes schoonmaken van het toilet of met
                                statische stofdoeken reinigen van harde vloerbedekking). Daarbij kan
                                ook een rol spelen of cliënt dat bijvoorbeeld alleen op
                                lichaamshoogte kan doen, of ook laag of hoog. </al><al/><al>Tevens wordt gekeken of door een aanpassing van de
                                inrichting/stoffering winst te behalen is, zodat de woning minder
                                vervuilt. Hierbij worden de (financiële) mogelijkheden en
                                individuele situatie van de cliënt meegewogen.</al><al/><al>Van de cliënt wordt binnen zijn mogelijkheden gevraagd om
                                werkzaamheden te (blijven) uitvoeren en in ieder geval de woning op
                                te ruimen, zodat het schoonmaken efficiënter gebeurt. Als cliënt
                                regie kan voeren over het huishouden, mag van hem/haar tevens worden
                                verwacht dat werkzaamheden worden geprioriteerd en er keuzes worden
                                gemaakt. </al><al/><al>Bij de frequentie van werkzaamheden kunnen, naast bovengenoemde
                                zaken, ook bijvoorbeeld een rol spelen:</al><al>De aanbieder die de (aanvullende) ondersteuning op dit
                                resultaatgebied levert, kan de uitvoering van de werkzaamheden laten
                                plaatsvinden door een professionele hulp en/of deze op andere wijze
                                organiseren.</al></artikel><artikel><kop><label>Uitwerking van het resultaatgebied ‘schone en draagbare kleding’</label></kop><al/><lijst><li nr="1."><al><cursief>Kern van het te bereiken resultaat:</cursief></al></li></lijst><al>Dit resultaatgebied omvat twee resultaten:</al><al>a. cliënt beschikt over gewassen kleding en beddengoed;</al><al>b. cliënt beschikt over gestreken bovenkleding.</al><al/><al>Onder a wordt verstaan: </al><lijst><li nr="-"><al>het wassen van de kleding;</al></li><li nr="-"><al>het drogen of ophangen en afhalen van de was;</al></li><li nr="-"><al>het opvouwen van de was;</al></li><li nr="-"><al>het in de kast opbergen van de was. </al></li></lijst><al>Ook het machinaal wassen, opvouwen en opbergen van beddengoed en
                                linnengoed valt hieronder. </al><al/><al>Onderdeel b omvat het strijken van de bovenkleding. Voor het
                                strijken van onderkleding of het bedden- en linnengoed is geen
                                ondersteuning mogelijk. </al><al/><al/><lijst><li nr="2."><al><cursief>Frequentie van de werkzaamheden:</cursief></al></li></lijst><al>De frequentie van de werkzaamheden is afhankelijk van diverse
                                factoren:</al><lijst><li nr="-"><al>de grootte van het huishouden;</al></li><li nr="-"><al>is er sprake van bedlegerigheid;</al></li><li nr="-"><al>is er sprake van extra vervuiling als gevolg van de
                                        beperkingen van de cliënt, zoals incontinentie</al></li></lijst><al>Leidend is de hoeveelheid was die de cliënt normaal gesproken heeft. </al><al/><al><cursief>3. Aspecten die bij dit resultaatgebied en frequentie van
                                    werkzaamheden een rol spelen</cursief></al><al>Een professionele ondersteuner kan ervoor kiezen de was bij de
                                cliënt thuis te doen of deze te laten doen bij een wasservice. De
                                kosten van de wasmiddelen en de aanschaf en het gebruik van de
                                apparatuur voor was en strijk komen voor rekening van de cliënt. </al><al>Niet altijd hoeft voor alle onderdelen (volledig) ondersteuning
                                geboden te worden. Zo kan het zijn dat cliënt wel in staat is om de
                                was in de machine te doen, maar niet om de was op te hangen of te
                                strijken. Ook is het soms mogelijk dat cliënt door de werkzaamheden
                                anders te organiseren deze (gedeeltelijk) zelf kan blijven doen.
                                Bijvoorbeeld door de wasmachine of droger op een verhoging te
                                plaatsen of de was zittend op te vouwen of te strijken. </al><al/><al>Van de cliënt wordt verwacht dat deze bij aanschaf van kleding
                                zoveel mogelijk erop let dat het strijken hiervan niet noodzakelijk
                                is. Ook wordt verwacht dat cliënt vermijdt dat kleding via speciale
                                wasprogramma’s of handwas moet worden gewassen. <cursief>Cliënt kan
                                    hiertoe echter niet worden verplicht</cursief>. Ook wordt
                                verwacht dat hij voldoende kleding en ondergoed heeft, zodat er
                                bijvoorbeeld één keer per twee weken in plaats van één keer per week
                                een volle trommel gewassen kan worden. </al></artikel><artikel><kop><label>Kern het te bereiken resultaat ‘primaire levensbehoeften en maaltijden’</label></kop><al>Het gaat hierbij om twee resultaten:</al><lijst><li nr="a."><al>het beschikken over de noodzakelijke producten voor
                                        levensonderhoud, het schoonhouden van de woning; </al></li><li nr="b."><al>het verzorgen van maaltijden</al></li></lijst><al/><al>Het verzorgen van maaltijden kan gericht zijn op:</al><lijst><li nr="-"><al>het verzorgen van een warme maaltijd;</al></li><li nr="-"><al>het opwarmen van een maaltijd;</al></li><li nr="-"><al>het verzorgen van een broodmaaltijd. </al></li></lijst><al/><al><cursief>Frequentie </cursief></al><al>Uitgangspunt is het wekelijks in huis halen van de boodschappen. </al><al/><al>Bij het verzorgen van de maaltijd wordt uitgegaan van 2
                                broodmaaltijden en 1 warme maaltijd per dag, waarbij 1 of 2 keer per
                                week ook in plaats van een warme maaltijd een broodmaaltijd aan de
                                orde kan zijn. </al><al>Er wordt alleen ondersteuning geboden voor het aantal dagen waarop
                                (aanvullend) ondersteuning nodig is bij het verzorgen of opwarmen
                                van de maaltijd. Het maximum is zeven dagen per week. </al><al/><al><cursief>Aspecten die bij dit resultaatgebied en frequentie van
                                    werkzaamheden een rol spelen</cursief></al><al>Als cliënt in staat wordt geacht om gebruik te maken van een
                                boodschappenservice die de boodschappen thuis bezorgt, is een
                                indicatie voor dit doel niet aan de orde.</al><al>Het opbergen van de boodschappen behoort ook binnen dit
                                resultaatgebied. </al><al>Voor de maaltijden is van belang of cliënt in staat is gebruik te
                                maken van een maaltijdservice of ‘open eettafels’ in de wijk. Als
                                dit het geval is, dan wordt hiermee rekening gehouden bij de
                                indicatie. Een dergelijke maaltijdservice geldt niet als
                                voorliggende voorziening als er sprake is van minderjarige kinderen
                                in het gezin. </al><al/><al>Als een cliënt ondersteuning krijgt bij de verzorging van de warme
                                maaltijd dan hoeft er niet iedere dag gekookt te worden. Koken voor
                                2 dagen is mogelijk. Ook kan een broodmaaltijd alvast klaargemaakt
                                en klaargezet worden gelijktijdig met het bereiden van een andere
                                maaltijd of het uitvoeren van andere ondersteuning.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Begeleiding, dagbesteding en kortdurend verblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Inleiding</label></kop><al>Artikel 8.1 van de Verordening bepaalt dat het College aan de cliënt
                                die aanspraak heeft op maatschappelijke ondersteuning een
                                maatwerkvoorziening kan verlenen in de vorm van:</al><lijst><li nr="a."><al>Begeleiding bij het in staat stellen tot algemeen dagelijkse
                                        levensverrichtingen, het voeren van een gestructureerd
                                        huishouden of dagbesteding waaronder zonodig het
                                        noodzakelijke vervoer;</al></li><li nr="b."><al>Kortdurend verblijf in een instelling.</al></li></lijst><al/><al>Verordening: 8.2</al><al><cursief>Algemene criteria</cursief></al><al>Het college kan de maatschappelijke ondersteuning combineren met
                                eigen kracht, ondersteuning vanuit het sociaal netwerk en informele
                                hulp uit de sociale omgeving. Dit kan worden verleend in de vorm van
                                een totaal aan afspraken zoals neergelegd in een ondersteuningsplan.
                                Dat plan wordt in samenspraak met de aanbieder opgesteld. </al><al>Verder geldt het principe van het primaat van de collectieve
                                maatwerkvoorziening. De achtergrond daarvan is onder meer dat een
                                collectief aanbod goedkoper is dan een individueel aanbod. Het
                                College is immers niet gehouden meer dan de goedkoopst passende
                                bijdrage te verlenen (zie artikel 4.3 lid 1 onder b van de
                                Verordening). Verder kan het natuurlijk ook zo zijn dat een
                                collectieve maatwerkvoorziening eenvoudigweg een beter passende
                                bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van de
                                cliënt.</al><al/><al>Verordening: 8.3</al><al><cursief>Specifieke criteria</cursief></al><al>Voor begeleiding en/of dagbesteding geldt dat de cliënt daarvoor
                                niet in aanmerking komt voor zover tot de leefeenheid van de cliënt
                                één of meer personen behoren die naar oordeel van het College
                                gebruikelijke hulp kunnen verlenen. Zie daarvoor hoofdstuk 4 van
                                deze beleidsregels.</al><al/><al>Verordening: 8.4</al><al><cursief>Begeleiding en/of dagbesteding</cursief></al><al>Dagbesteding (collectieve maatwerkvoorziening) houdt verband met het
                                zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen.
                                Begeleiding (individuele maatwerkvoorziening) houdt verband met het
                                zo lang mogelijk zelfstandig in de eigen leefomgeving kunnen blijven
                                wonen.</al><al/><al><cursief>Doelgroep cliënten</cursief></al><al>Het spreekt voor zich dat de doelgroep die in aanmerking kan komen
                                voor maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in dit hoofdstuk
                                zeer divers kan zijn. Ook kan de maatschappelijke ondersteuning
                                gericht zijn op het ontlasten van de mantelzorger, zoals kortdurend
                                verblijf. Er kan dan ook geen limitatieve opsomming worden gegeven
                                van de doelgroep. In het algemeen gaat het om cliënten die
                                beperkingen ondervinden in hun zelfredzaamheid en participatie. Zie
                                hoofdstuk 3 van de beleidsregels onder het kopje ‘specifieke
                                criteria’ voor een korte uitleg wat daar onder wordt verstaan.</al><al/><al>In de bijlage bij deze beleidsregels staan voorbeelden van de
                                doelgroep genoemd, verschillende terreinen waarop zij wel, niet of
                                niet voldoende zelfredzaam kunnen zijn en daardoor wel, niet of niet
                                voldoende kunnen participeren. Ook worden resultaten genoemd waar de
                                maatschappelijke ondersteuning op gericht kan zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Mate van de beperkingen</label></kop><al>In het algemeen geldt dat het College door de mate van de
                                beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie, het verslag en
                                eventueel het persoonlijk plan, zal moeten beoordelen op welke
                                maatwerkvoorziening de cliënt is aangewezen.</al><al/><lijst><li nr="1."><al>Stimuleren van het zelf uitvoeren van taken en activiteiten
                                        is nodig. Daaronder kan ook het (tijdelijk en/of deels)
                                        toezicht worden verstaan geboden door een professionele
                                        ondersteuner (aanbieder/beroepskracht). De cliënt is in het
                                        algemeen in staat om zelf om ondersteuning te vragen. De
                                        ondersteuning kan gericht zijn op het oefenen met
                                        vaardigheden of handelingen. Daaronder kan ook het gebruik
                                        van bijvoorbeeld hulpmiddelen worden verstaan.</al></li><li nr="2."><al>Helpen bij het (zelf) uitvoeren van taken en activiteiten is
                                        nodig. Daaronder kan ook het (tijdelijk en/of deels)
                                        toezicht worden verstaan. Het is noodzakelijk dat een
                                        professionele ondersteuner (aanbieder/beroepskracht) al dan
                                        niet met regelmaat ondersteuning biedt ter voorkoming van
                                        een achteruitgang (verslechteren) van de zelfredzaamheid. De
                                        cliënt is niet (altijd) in staat om zelf om ondersteuning te
                                        vragen.</al></li><li nr="3."><al>Het (deels en/of tijdelijk) overnemen van taken en/of
                                        continu bieden van ondersteuning en/of toezicht is nodig.
                                        Dit omdat de cliënt bijvoorbeeld geen of onvoldoende
                                        regievermogen heeft. Het is noodzakelijk dat een
                                        professionele ondersteuner (aanbieder/beroepskracht)
                                        ondersteuning biedt. Denk ook aan sturing op problematisch
                                        gedrag om dat in goede banen te leiden of een cliënt met
                                        oriëntatiestoornissen. Er kan sprake zijn van risico’s voor
                                        veiligheid van de cliënt of zijn omgeving. De cliënt is
                                        meestal niet in staat om zelf om ondersteuning te
                                        vragen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Doel van begeleiding en/of dagbesteding</label></kop><al><cursief>Doel begeleiding</cursief><cursief> en/of
                                    dagbesteding</cursief><cursief> (in volgorde van de zwaarte van
                                    de beperkingen</cursief><cursief> van de
                                    cliënt</cursief><cursief>)</cursief></al><lijst><li nr="*"><al>Het bieden van activiteiten gericht op bevordering, behoud
                                        of compensatie van de zelfredzaamheid en die strekken tot
                                        voorkoming van opname in een instelling of
                                        verwaarlozing.</al></li><li nr="*"><al>Het ondersteunen bij beperkingen op het vlak van zelfregie
                                        over het dagelijks leven, waaronder begeleiding bij
                                        tekortschietende vaardigheden in zelfregelend vermogen.</al></li><li nr="*"><al>Het bieden van begeleiding bij het toepassen en inslijpen
                                        van aangeleerde vaardigheden en gedrag in het dagelijks
                                        leven door herhaling en methodische interventie.</al></li><li nr="*"><al>De realisatie van “beschikbaarheid van begeleiding”,
                                        waardoor de cliënt erop kan rekenen dat de aanbieder naast
                                        planbare ondersteuning ook oproepbare ondersteuning levert
                                        binnen redelijke tijd.</al></li><li nr="*"><al>Het ondersteunen bij beperkingen op het vlak van zelfregie
                                        over het dagelijks leven (waaronder begeleiding bij
                                        tekortschietende vaardigheden in zelfregelend vermogen) in
                                        de vorm van begeleiding van zelfstandig wonende cliënten met
                                        niet-aangeboren hersenletsel.</al></li><li nr="*"><al>Het ondersteunen bij langdurig tekortschietende zelfregie
                                        over het dagelijkse leven, als gevolg van een psychische
                                        stoornis. Het accent ligt op handhavingsdoelen, maar er is
                                        tevens aandacht voor activerende elementen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Inhoud van begeleiding en/of dagbesteding</label></kop><al><cursief>Inhoud begeleiding</cursief><cursief> en/of
                                    dagbesteding</cursief><cursief> (in volgorde van de zwaarte van
                                    de beperkingen</cursief><cursief> van de
                                    cliënt</cursief><cursief>)</cursief></al><al>De activiteiten kunnen bestaan uit:</al><lijst><li nr="1."><al>Het ondersteunen bij of het oefenen met vaardigheden of
                                        handelingen.</al></li><li nr="2."><al>Het ondersteunen bij of het oefenen met het aanbrengen van
                                        (dag)structuur of het voeren van regie.</al></li><li nr="3."><al>Het overnemen van toezicht.</al></li><li nr="4."><al>Het aansturen van gedrag.</al></li></lijst><al>De activiteiten kunnen ook bestaan uit begeleiding via
                                beeldschermcommunicatie op afstand (ondersteuning op afstand).</al><al/><al>De activiteiten kunnen bestaan uit:</al><lijst><li nr="1."><al>Het begeleiden in verband met ernstig tekortschietende
                                        vaardigheden in het zelfregelend vermogen (dagelijkse
                                        bezigheden regelen, besluiten nemen, plannen en uitvoeren
                                        van taken, beheerszaken regelen, communicatie, sociale
                                        relaties, organisatie van de huishouding).</al></li><li nr="2."><al>Het begeleiden bij sociaal-emotionele problematiek die
                                        samenhangt met de stoornis;</al></li><li nr="3."><al>Het begeleiden bij de mogelijke integratie in de samenleving
                                        en de sociale participatie (bijvoorbeeld hulp bij de opbouw
                                        van een sociaal netwerk) met als doel zelfredzaamheid.</al></li></lijst><al/><al>De activiteiten kunnen bestaan uit:</al><lijst><li nr="1."><al>Het begeleiden in verband met tekortschietende vaardigheden
                                        in het zelfregelend vermogen (dagelijkse bezigheden regelen,
                                        besluiten nemen, plannen en uitvoeren van taken,
                                        beheerszaken regelen, communicatie, sociale relaties,
                                        organisatie van de huishouding, persoonlijke zorg).</al></li><li nr="2."><al>Het begeleiden bij de mogelijke integratie in de
                                        samenleving, met extra aandacht voor ontwikkeltrajecten op
                                        het vlak van wonen, werken, sociaal netwerk (doelgericht
                                        toepassen van methoden van casemanagement).</al></li></lijst><al>Deze activiteiten zullen voornamelijk worden geboden in de vorm van
                                begeleiding bij zelfstandig wonen. Er wordt in principe rekening
                                gehouden met de omvang van de begeleiding (extra inzet) indien wordt
                                voorkomen dat de cliënt aangewezen raakt op beschermd wonen.</al><al/><al><cursief>Mantelzorgondersteuning</cursief></al><al>De maatschappelijke ondersteuning kan ook bestaan uit
                                mantelzorgondersteuning of het ontlasten van de mantelzorger. Het
                                College kan bijvoorbeeld maatschappelijke ondersteuning bieden aan
                                de mantelzorger die er op is gericht te leren omgaan met de
                                beperkingen van de cliënt. Ook in geval er sprake is van inzet van
                                het sociale netwerk (of deze inzet is potentieel aanwezig) kan de
                                maatschappelijke ondersteuning zich richten op ondersteuning en/of
                                versterking/ontwikkeling van familieleden en andere - informele -
                                ondersteuners zoals vrijwilligers. Ingeval van mantelzorg behoort
                                het bieden van kortdurend verblijf ook tot de mogelijkheden. Zie
                                verder ook bijlage III ‘Checklist betrekken mantelzorger bij het
                                onderzoek’ van deze beleidsregels.</al></artikel><artikel><kop><label>Specialistische begeleiding voor personen met een zintuiglijke beperking</label></kop><al>Bij de ondersteuning aan mensen met een zintuiglijke beperking gaat
                                het om specifieke ondersteuning waarvoor geldt dat er een gering
                                aantal cliënten gebruik van maakt, dat er een beperkt aantal
                                aanbieders voor is, en waarbij de inhoud van het aanbod zeer
                                specialistisch is. Daarom heeft de VNG in afstemming met het
                                ministerie van VWS landelijke inkoopafspraken voor de
                                specialistische ondersteuning van mensen met een zintuiglijke
                                beperking gemaakt.</al><al/><al>Het resultaat van de landelijk inkoopafspraken kent de vorm van een
                                ‘raamovereenkomst’ tussen gemeenten en aanbieders van
                                specialistische begeleiding, voor mensen met een zintuiglijke
                                beperking. De raamovereenkomst gaat over de inhoud van de
                                ondersteuning en de afgesproken werkwijze tussen de gemeenten en
                                aanbieders. Binnen de kaders van deze raamovereenkomst kunnen
                                individuele regionale samenwerkingsverbanden of individuele
                                gemeenten de ondersteuning ‘afroepen’ overeenkomstig de in de
                                overeenkomst gestelde voorwaarden. De VNG zal voor dit doel een
                                landelijk ‘coördinatiebureau’ opzetten.</al><al/><al><cursief>Landelijke inkoopafspraken specialistische
                                    begeleiding</cursief></al><al>In augustus 2014 is de landelijke overeenkomst vastgesteld over het
                                bieden van specialistische begeleiding aan cliënten met een
                                zintuigelijke beperking. Dit betekent dat het College moet
                                beoordelen of de beperkingen van de betreffende cliënt onder deze
                                landelijke afspraken vallen. En zo ja, dan heeft het College geen
                                ‘aparte’ ondersteuningsplicht. Wel geeft het College een beschikking
                                af. Voor de doelgroep is een (landelijk) programma van eisen
                                vastgesteld (18 jaar of ouder). Het gaat om:</al><al/><lijst><li nr="*"><al>Specialistische begeleiding doofblinde volwassen</al></li><li nr="*"><al>Specialistische begeleiding visueel volwassenen</al></li><li nr="*"><al>Specialistische begeleiding vroegdove volwassen</al></li></lijst><al/><al><cursief>Doventolk</cursief></al><al>Opgemerkt wordt wel dat het College gehouden kan zijn om een
                                maatwerkvoorziening te verlenen aan de cliënt voor zover deze niet
                                zijn opgenomen in de landelijke inkoop én de cliënt vanwege de mate
                                van zelfredzaamheid is aangewezen op deze specialistische vorm van
                                maatschappelijke ondersteuning. Denk bijvoorbeeld aan een doventolk
                                bij het voeren van een gesprek in de normale leefsituatie zoals een
                                bezoek aan huisarts of specialist, een notaris, de kerk, een
                                conferentie of een ouderavond op school.</al></artikel><artikel><kop><label>Kortdurend verblijf</label></kop><al>Kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de
                                mantelzorger, is onderdeel van de wettelijke definitie van een
                                maatwerkvoorziening (artikel 1.1.1 eerste lid van de wet). Nadat is
                                vastgesteld dat de mantelzorger van de cliënt moet worden ontlast
                                geldt nog een ander specifiek criterium om in aanmerking te komen
                                voor deze maatwerkvoorziening. De cliënt is in voorkomende gevallen
                                door het (tijdelijk/deels) wegvallen van de mantelzorg aangewezen op
                                ondersteuning welke gepaard gaat met permanent toezicht.</al><al>Permanent toezicht kan verschillende doelen hebben en verschillen in
                                intensiteit. Afhankelijk daarvan kan de toezichtfunctie op
                                verschillende manieren vorm krijgen. Het toezicht kan gericht zijn
                                op:</al><lijst><li nr="1."><al>het bieden van ondersteuning of fysieke zorg, zodat tijdig
                                        in kan worden gegrepen bij bijvoorbeeld valgevaar, of
                                        complicaties bij een ziekte;</al></li><li nr="2."><al>het verlenen van ondersteuning of fysieke zorg op
                                        ongeregelde en/of frequente tijden, omdat de cliënt zelf
                                        niet (meer) in staat is om hulp in te roepen;</al></li><li nr="3."><al>het ingrijpen bij gedragsproblemen:</al></li><li nr="a."><al>therapeutisch: gericht op verbetering van de gedragsstoornis
                                        of aanleren van ander gedrag;</al></li><li nr="b."><al>of preventief: voorkomen van escalatie en gevaar.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Omvang</cursief></al><al>Het College kan kortdurend verblijf voor een dagdeel of etmaal per
                                week verlenen, waarbij geldt dat kan worden afgeweken van de
                                gestelde norm (artikel 8.5 van de Verordening). Is de cliënt
                                daarentegen niet aangewezen op permanent toezicht, dan zou
                                bijvoorbeeld deelname aan dagactiviteiten (dagbesteding) uitkomst
                                kunnen bieden om de mantelzorger te ontlasten. Het te bereiken
                                resultaat van kortdurend verblijf in een instelling wordt slechts
                                geboden indien deze gericht is op het ontlasten van de mantelzorger
                                met het oog op het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen
                                laten wonen van de cliënt. Het kortdurend verblijf wordt geboden in
                                een instelling of in een accommodatie van een door het College
                                goedgekeurde aanbieder.</al><al/><al><cursief>Vervoer</cursief></al><al>Onder deze maatwerkvoorziening is ook het vervoer begrepen naar de
                                locatie waar het kortdurend verblijf wordt geboden. Het is niet
                                aannemelijk dat de cliënt zelf in staat is de accommodatie te
                                bereiken. Dit vervoer wordt in ieder geval noodzakelijk geacht
                                indien de mantelzorger niet in staat is de cliënt te brengen (en te
                                halen) en er ook geen andere vervoersmogelijkheden zijn.</al><al/><al><cursief>Respijtzorg</cursief></al><al>Het is niet vereist dat het kortdurend verblijf slechts voor
                                wekelijks (of maandelijks) gebruik kan worden toegekend. Afhankelijk
                                van de omstandigheden in het individuele geval kunnen de periodieke
                                aanspraken ook voor aaneengesloten gebruik worden toegekend en
                                gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de mantelzorger
                                op vakantie wil. Bij de beoordeling van de aanspraak houdt het
                                College in het algemeen rekening met de vraag of de cliënt aanspraak
                                kan maken op kort verblijf op grond van de Zorgverzekeringswet.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Ondersteuning gericht op het wonen</titel></kop><artikel><kop><label>Inleiding</label></kop><al>In hoofdstuk 9 van de Verordening staan de vormen van
                                maatschappelijke ondersteuning genoemd die het College kan verlenen,
                                wat de reikwijdte daarvan is en wat de te bereiken resultaten zijn
                                die daarbij gelden. Het College kan ondersteuning bieden in de vorm
                                van woonvoorzieningen (zie begripsbepaling in de Verordening). Voor
                                wat betreft de reikwijdte kunnen beperkende voorwaarden en/of
                                weigeringsgronden aan de orde zijn. Het te bereiken resultaat
                                bestaat uit het normaal gebruik kunnen maken van de woning waar de
                                cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Het gaat om de
                                ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van
                                elementaire woonfuncties. Onder omstandigheden kan het te bereiken
                                resultaat tevens betrekking hebben op de berging, de toegang tot de
                                tuin of het balkon van de woning (zie verder hierna).</al><al/><al>Aan de cliënt die aanspraak heeft op maatschappelijke ondersteuning
                                kan het College maatwerkvoorzieningen verlenen in de vorm van:</al><lijst><li nr="a."><al>woonvoorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>zich in en om de woning verplaatsen. Denk aan een rolstoel
                                        of een traplift.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Bereikbaarheid, toegankelijkheid en
                                bruikbaarheid</cursief></al><al>Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een individuele
                                voorziening worden getroffen ten aanzien van de bereikbaarheid,
                                toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. Denk bijvoorbeeld
                                ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur. Het moet
                                gaan om elementaire woonfuncties en het opheffen of verminderen van
                                problemen bij het normale gebruik van de woning. Dit betekent dat
                                geen rekening wordt gehouden met voorzieningen met een therapeutisch
                                doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Ten behoeve
                                van het gebruik van hobbyruimtes en studeerkamers worden in beginsel
                                geen woonvoorzieningen getroffen, omdat dit in het algemeen geen
                                ruimtes zijn met een elementaire woonfunctie. Verwezen wordt naar de
                                begripsbepalingen van een woning en het normale gebruik van de
                                woning in artikel 1.1 lid 1 van de Verordening.</al><al/><al><cursief>Woningaanpassingen</cursief></al><al>Met het inwerking treden van de Wmo 2015 wordt artikel 16 Woningwet
                                geschrapt. De eigenaar moet een noodzakelijke woningaanpassing die
                                door het College of de cliënt wordt aangebracht op grond van de Wmo
                                2015 accepteren. Dit om te voorkomen dat de eigenaar door weigeren
                                van toestemming een noodzakelijke aanpassing zou kunnen blokkeren.
                                Daarom regelt artikel 2.3.7 van de wet dat het College of de cliënt,
                                zonder toestemming van de eigenaar van de woning als bedoeld in
                                artikel 7:215 BW, de noodzakelijke woningaanpassing kan (laten)
                                aanbrengen. Wel moet de eigenaar in de gelegenheid worden gesteld
                                daarover zijn mening te geven. Dit geeft de eigenaar de gelegenheid
                                om bij uitvoeringskwesties betrokken te zijn. In afwijking van
                                artikel 7:216 lid 1 BW hoeft de woningaanpassing bij het vertrek van
                                de cliënt niet te worden verwijderd. In de Wmo 2015 brengt het
                                College dan wel de cliënt de woningaanpassing aan. Het resultaat is
                                echter gelijk aan de regels die thans gelden: de cliënt hoeft bij
                                vertrek de woningaanpassing niet ongedaan te maken.</al><al><cursief>Derde-belanghebbende</cursief></al><al>Verder wordt opgemerkt dat de woningeigenaar derde-belanghebbende
                                kan zijn bij het toekennen van een woningaanpassing (vergelijk
                                CRVB:2013:2716). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin het
                                College of de cliënt zelf een woningaanpassing of woonvoorziening
                                aanbrengen die in strijd is met bijvoorbeeld het vigerende
                                Bouwbesluit.</al><al/><al><cursief>Wettelijke afbakening</cursief></al><al><cursief>Uitleen van hulpmiddelen</cursief></al><al>Vanaf 1 januari 2013 is de uitleen van hulpmiddelen onder de werking
                                van de Zorgverzekeringswet (Zvw) gebracht. Of een verzekerde in
                                aanmerking komt voor hulpmiddelen via de uitleen is afhankelijk van
                                de vraag voor welke termijn hij daarop is aangewezen. In de praktijk
                                wordt nog steeds de zes maanden termijn gehanteerd (2 x 3 maanden
                                uitleen).</al><al/><al><cursief>Eenvoudige
                                    mobi</cursief><cursief>liteitshulpmiddelen</cursief></al><al>De reden om de rollator en andere eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen
                                uit het basispakket van de zorgverzekering te halen is dat de
                                verzekerden ook zelf een verantwoordelijkheid hebben en dat zij zorg
                                waarvan de kosten te overzien zijn en die bij het dagelijks leven
                                behoren, zelf worden geacht te kunnen dragen. Voorbeelden van
                                eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen zijn krukken, loophulpen met drie
                                of vier poten, looprekken en rollators. Het College heeft daarvoor
                                dan ook geen ondersteunings-plicht. Analoog aan de uitleg van
                                artikel 15 Participatiewet zijn de eenvoudige
                                mobiliteitshulpmiddelen uit de AWBZ geschrapt omdat deze
                                voorzieningen gezien de lage kosten en de duurzaamheid voor eigen
                                rekening komen. Er kan weliswaar - voor de problematiek in
                                voorkomende gevallen - aanleiding zijn voor de noodzaak tot
                                ondersteuning, maar de eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen zijn
                                bewust door de wetgever uit de voorliggende wettelijke regeling
                                gehaald. Het ligt dan ook niet op de weg van de gemeente om op grond
                                van de Wmo 2015 die voorziening te verstrekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Specifieke criteria</label></kop><al>De Verordening bepaalt een aantal specifieke criteria bij het
                                verlenen van maatwerkvoorzieningen gericht op het wonen. Een daarvan
                                gaat over het toepassen van het primaat verhuizen.</al><al/><al>Verordening: artikel 9.3</al><al><cursief>Primaat van verhuizen</cursief></al><al>Wanneer er hoge kosten verbonden zijn aan het aanpassen van de
                                huidige woning of deze woning niet kan worden aangepast, zal de
                                mogelijkheid van verhuizen naar een geschikte woning of een
                                gemakkelijker geschikt te maken woning met de cliënt besproken
                                worden. Het primaat kan pas worden toegepast als de te verwachten
                                kosten van woningaanpassing van de woning in totaal meer zullen
                                bedragen dan het bedrag zoals bepaald in het Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Leudal 2015.</al><al/><al>Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle
                                mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke
                                situatie anders kan zijn. Wel wordt hieronder in grote lijnen een
                                overzicht gegeven van relevante factoren, die afhankelijk van de
                                situatie, een rol kunnen spelen bij de toepassing van het
                                primaat.</al><al/><al><cursief>Zwaarwegende redenen</cursief></al><al>Er kunnen zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet
                                worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor
                                        verhuizen. Bijvoorbeeld als niet verwacht wordt dat een
                                        (dementerende) cliënt binnen een redelijke termijn zal
                                        aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de woning of
                                        woonomgeving én er geen aanspraak bestaat op toegang tot de
                                        Wet langdurige zorg (langdurig verblijf).</al></li><li nr="2."><al>Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de
                                        cliënt zich verzet tegen een zoektijd/wachttijd naar een
                                        geschikte woning (artikel 9.3 lid 1 onder b van de
                                        Verordening). Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld
                                        blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen
                                        iemand over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken.
                                        Dat is afhankelijk van de individuele situatie.</al></li><li nr="3."><al>De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe
                                        omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de
                                        cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen
                                        mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een
                                        wezenlijke bijdrage levert aan het behoud van de
                                        zelfredzaamheid van de cliënt. Dat is bijvoorbeeld het geval
                                        als de mantelzorg professionele hulp overbodig maakt en
                                        duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en
                                        intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan
                                        worden verleend. Ook hier geldt de beoordeling of er
                                        aanspraak bestaat op toegang tot de Wet langdurige zorg
                                        (langdurig verblijf).</al></li><li nr="4."><al>De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat
                                        bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden
                                        uitgeoefend.</al></li><li nr="5."><al>Er is een substantiële stijging van woonlasten verbonden aan
                                        de woning waar naar moet worden verhuisd.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Woonlastenconsequenties woning</cursief></al><al>Een nieuwe huurwoning kan een aanzienlijke stijging van de huurprijs
                                met zich meebrengen. Deze huidige huurprijs wordt vergeleken met de
                                huurprijs van de beschikbare woning rekening houdend met het recht
                                op huurtoeslag en eventueel toename of afname van het wooncomfort.
                                Het College beoordeelt in ieder geval of een eventuele
                                huurlastenstijging de draagkracht van de aanvrager te boven gaat.
                                Bij toewijzing van een woning wordt door de woningbouwcorporaties
                                rekening gehouden met de verhouding tussen het inkomen en de toe te
                                wijzen woning qua huurprijs op grond van de Wet op de huurtoeslag.
                                Het kan ook gaan om een koopwoning. Daarvoor gelden een aantal
                                dezelfde uitgangspunten. Een stijging van de woonlasten die aan de
                                eigen woning verbonden zijn hoeven dan ook niet in de weg te staan
                                aan het toepassen van het primaat van verhuizen. Wel is het zo dat
                                het primaat van verhuizen niet is toegestaan als de cliënt en/of de
                                mede-eigenaar van de woning, bijvoorbeeld zijn partner, met een
                                aanzienlijke restschuld blijven zitten na de verkoop. Of daarvan
                                sprake is beoordeelt het College in het individuele geval.</al><al/><al><cursief>Woonlastenconsequenties bij verhuizing eigen
                                    woningbezit</cursief></al><al>Om de woonlastenconsequenties voor woningeigenaren te berekenen
                                worden de netto woonlasten van deze eigen woning als volgt
                                berekend:</al><lijst><li nr="*"><al>Rente die verband houdt met de woning (netto
                                        hypotheeklasten)</al></li><li nr="*"><al>Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom</al></li><li nr="*"><al>Opstalverzekering</al></li></lijst><al/><al><cursief>Vergelijking aanpassingskosten huidige woonruimte versus
                                    nieuwe woonruimte</cursief></al><al>Het College maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de
                                huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele
                                aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds. Daarbij
                                worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de
                                overwegingen:</al><lijst><li nr="a."><al>huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de
                                        reeds bewoonde woonruimte; en/of</al></li><li nr="b."><al>de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Uitraasruimte</label></kop><al>Bepaalde stoornissen van cliënten met een verstandelijke beperking,
                                bijvoorbeeld hyperactiviteit en moeilijkheden in het doseren van
                                omgevingsprikkels, kunnen aanleiding geven tot problemen bij het
                                verblijf in de woning. Deze problemen kunnen worden opgevangen door
                                in de woning over een uitraaskamer te beschikken. Onder een
                                uitraaskamer wordt verstaan een verblijfsruimte waarin een cliënt
                                die vanwege een gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont zich
                                kan afzonderen of tot rust kan komen.</al><al/><al>De voorwaarden (aangewezen zijn op) voor het toekennen van een
                                uitraaskamer zijn:</al><lijst><li nr="*"><al>De cliënt beschadigt zichzelf (zelfverwonding)</al></li><li nr="*"><al>De cliënt beschadigt de omgeving (vernielzucht)</al></li><li nr="*"><al>Er is sprake van niet corrigeerbaar gedrag door
                                        ongecontroleerde driftbuien of overmatige apathie</al></li></lijst><al/><al>De uitraaskamer is bedoeld om de cliënt, die bovenstaande problemen
                                ondervindt tegen zichzelf te beschermen. Ook worden de
                                ouders/verzorgers hierdoor in staat gesteld beter toezicht uit te
                                oefenen. Daarbij gaat het er om dat de uitraaskamer het belang van
                                de cliënt dient. Gaat het bij de gevolgen van de gedragsproblemen
                                niet om de belangen van de cliënt, maar om die van anderen,
                                bijvoorbeeld doordat zij bestaan uit hinder voor die anderen, dan is
                                er geen sprake van een uitraaskamer in de zin van de Wmo. Verder zal
                                het College moeten beoordelen of het de maatwerkvoorziening kan
                                weigeren omdat het niet verantwoord is om in de eigen leefomgeving
                                te blijven wonen en de cliënt toegang kan krijgen tot de Wlz
                                (langdurig verblijf).</al><al/><al>Hoe zo’n ruimte er precies uit moet zien hangt af van de individuele
                                situatie. Het is belangrijk dat de uitraasruimte prikkelarm is, dus
                                met zo min mogelijke losse voorwerpen en gebruikte materialen zonder
                                uitstekende delen. Inrichtingselementen en zaken voor zorg of oppas
                                (bijvoorbeeld en camerasysteem) vallen niet onder de
                                ondersteuningsplicht. Dit kan worden opgelost door een raam in de
                                deur van de ruimte te zetten. Ook geluidsisolatie om huisgenoten of
                                buren tegen lawaai te beschermen valt niet onder de
                                ondersteuningsplicht.</al><al/><al>Een arts en/of ergonomisch adviseur bepalen de noodzaak en de eisen
                                voor een uitraasruimte. In het algemeen zal sprake zijn van het
                                aanpassen van een bestaande slaapkamer.</al></artikel><artikel><kop><label>Hulpmiddelen</label></kop><al>Dit zijn roerende zaken die bedoeld zijn om beperkingen in de
                                zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen.
                                Het kan gaan om een vervoersvoorziening maar ook om roerende
                                woonvoorzieningen. Of de cliënt in aanmerking komt voor een roerende
                                woonvoorziening, hangt af van de bouwkundige situatie van de woning
                                en van de aanwezige beperkingen van de cliënt in het normale gebruik
                                van de woning. Waar mogelijk zal uit oogpunt van herbruikbaarheid
                                gekozen worden voor verstrekking van roerende woonvoorzieningen in
                                plaats van een woningaanpassing (aard en nagelvast). Ook zal bij
                                voorkeur met roerende woonvoorzieningen worden gewerkt in situaties
                                waarin mensen op de wachtlijst staan voor opname in een
                                Wlz-instelling, tenzij aanspraak bestaat op een hulpmiddel op grond
                                van de Zvw of Wlz. Ook geldt dit uitgangspunt in andere situaties
                                waarin de cliënt weliswaar voor een langere periode is aangewezen op
                                de woonvoorziening, maar waarin de verstrekking van een
                                woningaanpassing als risico met zich meebrengt dat deze op zichzelf
                                niet voor langere tijd zal worden gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan
                                terminale situaties.</al></artikel><artikel><kop><label>Rolstoel</label></kop><al>Met het oog op het verplaatsen in en om de woning kan een rolstoel
                                voor dagelijks zittend gebruik worden getroffen. Het gaat in
                                beginsel om het zich verplaatsen in en om de woning. Dit ook met het
                                oog op het kunnen bereiken van ruimtes in de woning die nodig zijn
                                voor het normale gebruik van de woning. Dat betekent ook dat het
                                allereerst om verplaatsingen gaat die direct vanuit de woning worden
                                gedaan. Het gaat om cliënten die een rolstoel nodig hebben omdat ze
                                geen of onvoldoende loopcapaciteit hebben. Denk bijvoorbeeld aan de
                                situatie dat iemand niet in staat is om korte afstanden zelfstandig
                                - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. Hoewel een
                                rolstoel strikt genomen geen vervoersvoorziening is, kan daar in het
                                kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wel rekening mee
                                worden gehouden. Immers kan de cliënt een (elektrische) rolstoel ook
                                gebruiken (of kunnen gebruiken) voor verplaatsingen in de directe
                                woon-en leefomgeving.</al><al/><al><cursief>Incidenteel gebruik</cursief></al><al>In principe zal een hulpmiddel voor verplaatsing in, om en nabij het
                                huis verstrekt worden als men een dergelijke voorziening voor
                                dagelijks (zittend) gebruik nodig heeft. Een rolstoel voor
                                incidenteel gebruik valt hier niet onder. Doorgaans wordt deze
                                gebruikt als men zich elders moet verplaatsen en dat zonder een
                                rolstoel niet kan, zoals tijdens een uitstapje. Voor dit soort
                                rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor
                                beschikbare uitleendepots, of van rolstoelen die op de plaats van
                                bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen en
                                dergelijke.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Ondersteuning bij het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer</titel></kop><artikel><kop><label>Inleiding</label></kop><al>Verordening: artikel 10.1</al><al>Deelname aan het maatschappelijk verkeer heeft betrekking op het
                                zich kunnen verplaatsen in de leefomgeving en medemensen te
                                ontmoeten en sociale verbanden met hen aan te gaan, gericht op
                                zelfredzaamheid en participatie.</al><al/><al>Verordening: artikel 10.2</al><al><cursief>Specifieke criteria</cursief></al><al/><al><cursief>Primaat van </cursief><cursief>het collectief
                                    vervoer</cursief></al><al>Blijkt uit de inventarisatie tijdens het gesprek dat het collectief
                                vervoer een passende bijdrage is, dan hanteert het College - in
                                beginsel - het primaat van bijvoorbeeld de Regiotaxi als goedkoopst
                                passende bijdrage.</al><al/><al><cursief>Tarief Openbaar Vervoer (OV) voor de
                                Regiotaxi</cursief></al><al>Voor het gebruik van het OV is iedereen - ongeacht het hebben van
                                beperkingen - een gebruikelijk OV-tarief verschuldigd. Dat zijn
                                algemeen gebruikelijke kosten. Gebruikers van het collectief vervoer
                                zijn de zogenaamde ritbijdrage verschuldigd dat afgeleid is van het
                                OV-tarief.</al><al/><al>Verordening: artikel 10.3</al><al><cursief>Resultaten</cursief></al><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich kunnen
                                verplaatsen kan bijvoorbeeld bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>het kunnen doen van boodschappen;</al></li><li nr="b."><al>het kunnen onderhouden van sociale contacten;</al></li><li nr="c."><al>het deelnemen aan activiteiten waaronder begrepen
                                        dagbesteding,</al></li></lijst><al>binnen de leefomgeving van de cliënt.</al><al/><al><cursief>Omvang</cursief></al><al>Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep blijkt dat
                                voor de omvang in kilometers in verband met de vervoersbehoefte in
                                beginsel mag worden uitgegaan van maximaal 1500 tot 2000 kilometer
                                per jaar (vergelijk CRVB:2012:BV7463). Dit uitgangspunt is ook
                                neergelegd in artikel 10.3 lid 3 van de Verordening. Het College is
                                hier strikt genomen niet aan gehouden, het gaat immers om maatwerk.
                                Artikel 10.3 lid 5 van de Verordening bepaalt dat het College kan
                                afwijken van deze norm. Dat kan zowel naar beneden als ook naar
                                boven zijn. Het aangewezen zijn op een te bereiken resultaat boven
                                deze algemene norm moet door de cliënt wel aannemelijk worden
                                gemaakt. Het College zal daar onderzoek naar moeten doen.</al><al/><al><cursief>Voorliggende voorziening</cursief></al><al>Het College is niet gehouden een maatwerkvoorziening te verlenen als
                                aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere
                                wettelijke aanspraak. Het moet gaan om een werkelijke aanspraak en
                                daarmee een afdwingbaar recht. Hieronder staan een aantal
                                voorbeelden genoemd.</al><al/><al><cursief>Ziekenvervoer Zvw</cursief></al><al>Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op zittend ziekenvervoer als
                                de cliënt onder de doelgroep valt (nierdialyses moet ondergaan,
                                oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moet
                                ondergaan, zich uitsluitend per rolstoel kan verplaatsen of het
                                gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat hij zich niet zonder
                                begeleiding kan verplaatsen) of met succes een beroep kan doen op de
                                hardheidsclausule. Ook ambulancevervoer valt onder de Zvw.</al><al/><al><cursief>Leefvervoer WIA</cursief></al><al>Op grond van de WIA kan aanspraak bestaan op een zogeheten
                                leefvervoersvoorziening (artikel 35 lid 3 WIA). Dat is een
                                voorliggende voorziening als bedoeld in de begripsbepalingen van de
                                Verordening omdat de vervoersvoorziening betrekking heeft op
                                dezelfde vervoersfunctie in de leefsfeer (CRVB:2012:BV9433).
                                Verzekerden met een te hoog inkomen hebben overigens geen aanspraak
                                op deze WIA-voorziening. Dit betekent niet dat het College om die
                                reden een aanvraag mag afwijzen. Het hanteren van inkomensgrenzen is
                                ook onder de Wmo 2015 niet toegestaan.</al><al/><al><cursief>Vervoer onderwijs</cursief></al><al>Er kan aanspraak bestaan op vervoer van en naar school op grond van
                                de Verordening Leerlingenvervoer. Het UWV kan vergoedingen en/of
                                hulpmiddelen verstrekken voor leerlingen en studenten met een ziekte
                                of handicap.</al></artikel><artikel><kop><label>Beleidsuitgangspunten</label></kop><al><cursief>Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen</cursief></al><al>Bij de beoordeling van de aanspraak op een vervoersvoorziening wordt
                                bezien of een algemeen gebruikelijke voorziening zoals bijvoorbeeld
                                een fiets met hulpmotor of brommer een adequaat vervoermiddel is
                                voor de cliënt. Het ligt op zijn weg om te stellen en te onderbouwen
                                dat de betreffende algemeen gebruikelijke voorzieningen in zijn
                                geval geen geschikte vervoermiddelen zijn in het zich kunnen
                                verplaatsen binnen de leefomgeving met het oog op zijn
                                zelfredzaamheid en participatie.</al><al/><al><cursief>Bereiken en gebruiken van het (niet vraagafhankelijk)
                                    openbaar vervoer</cursief></al><al>Ook wordt bij de beoordeling van de aanspraak onderzocht of het
                                (niet vraagafhankelijk) Openbaar Vervoer te voet, per fiets of in
                                voorkomende gevallen per bus kan worden bereikt en vervolgens kan
                                worden gebruikt. Voor de vraag of cliënt bijvoorbeeld de bus (of
                                ander Openbaar Vervoer) kan bereiken en gebruiken is het redelijk om
                                uit te gaan van de vraag of de cliënt een afstand van 800 meter in
                                20 minuten kan afleggen. Mogelijk kan dat met de gebruikelijke
                                loophulpmiddelen zoals een rollator. Het spreekt voor zich dit ook
                                afhankelijk kan zijn van de afstand waarbinnen zich een opstaphalte
                                bevind. In die gevallen beoordeelt het College of de cliënt die
                                afstand kan overbruggen met een voor hem algemeen gebruikelijk
                                vervoermiddel.</al><al/><al><cursief>Beoordeling aanspraak vervoersvoorziening</cursief></al><al>Bij de beoordeling van de aanvraag om een (collectieve)
                                vervoersvoorziening worden ook de volgende zaken meegenomen:</al><al/><al><cursief>Mobiliteit:</cursief></al><lijst><li nr="*"><al>maximale loopafstand op goede dag</al></li><li nr="*"><al>maximale loopafstand op slechte dag</al></li><li nr="*"><al>gebruik loophulpmiddel: (rollator, wandelstok, kruk,
                                        etc.)</al></li><li nr="*"><al>gebruik rolstoel/scootmobiel: (type, bijvoorbeeld
                                        elektrische rolstoel)</al></li><li nr="*"><al>in staat gebruik te maken van de scootmobielpool (indien
                                        aanwezig en geschikt)</al></li></lijst><al/><al><cursief>Uithoudingsvermogen:</cursief></al><lijst><li nr="*"><al>maximale reisduur </al></li><li nr="*"><al>kan gedurende de reis overstappen</al></li><li nr="*"><al>invloed weersomstandigheden op functioneren</al></li><li nr="*"><al>invloed tijdstip (overdag/avond) op functioneren</al></li></lijst><al/><al><cursief>Organisatie en begeleiding van de reis</cursief></al><lijst><li nr="*"><al>kan zonder begeleiding met het OV</al></li><li nr="*"><al>kan met begeleiding in het OV, zonder begeleiding met de
                                        taxi</al></li><li nr="*"><al>kan met begeleiding in het OV en met begeleiding met de
                                        taxi</al></li><li nr="*"><al>kan alleen met begeleiding met de taxi</al></li></lijst><al/><al><cursief>Combinatiemogelijkheden bij vervoer in de
                                taxi</cursief></al><lijst><li nr="*"><al>kan met iedereen gecombineerd worden</al></li><li nr="*"><al>kan alleen met eigen doelgroep gecombineerd worden</al></li><li nr="*"><al>kan met niemand gecombineerd worden</al></li></lijst><al/><al><cursief>Omvang is maatwerk</cursief></al><al>De omvang van de maatwerkvoorziening(en) wordt afgestemd op:</al><lijst><li nr="*"><al>De eigen mogelijkheden van de cliënt (volgens de beoordeling
                                        van de aanspraak in hoofdstuk 4 van de Verordening).</al></li><li nr="*"><al>Vervoersbehoefte, frequentie, afstand en tijdstip van de
                                        dag.</al></li><li nr="*"><al>De vervoersbehoefte gelet op de zelfredzaamheid en
                                        participatie van de cliënt. Het ligt op de weg van de cliënt
                                        om aannemelijk te maken dat het algemene uitgangspunt van
                                        1500-2000 kilometer per jaar niet voldoende is hem in staat
                                        te stellen tot participatie. Denk bijvoorbeeld ook aan
                                        situaties van noodzakelijk gebruik van de Regiotaxi alleen
                                        bij slecht weer of als het donker is.</al></li><li nr="*"><al>Het beschikken over (maatwerk)voorzieningen waarmee de
                                        cliënt zich kan verplaatsen in zijn leefomgeving.</al></li><li nr="*"><al>Bij vervoersvoorzieningen die geschikt zijn voor de korte
                                        en/of middellange afstand gaat het College er in het
                                        algemeen van uit dat daarmee voor 750 kilometer op jaarbasis
                                        kan worden voorzien in de vervoersbehoefte. Dit betekent dus
                                        ook dat bijvoorbeeld het aantal zones van de Regiotaxi
                                        hierop kan worden afgestemd.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Directe leefomgeving</cursief></al><al>Als leefomgeving in het kader van deelname aan het maatschappelijk
                                verkeer wordt een afstand van 15-20 kilometer rondom de woning als
                                redelijk aangemerkt, zie begripsbepaling in de Verordening. Deze
                                afstand komt overeen met vijf zones openbaar vervoer. Wel is het zo
                                dat de cliënt een minimaal aantal basisvoorzieningen moet kunnen
                                bereiken. Daaronder vallen bijvoorbeeld een NS-station met
                                dienstverlening, winkels voor het doen van boodschappen en het
                                ziekenhuis. De ondersteuningsplicht van het College is gericht op de
                                leefomgeving waarin bovengenoemde locaties te bereiken zijn. Wil de
                                cliënt sociale contacten onderhouden buiten de directe woon- en
                                leefomgeving, dan geldt daarvoor het landelijke vervoersysteem Valys
                                (standaard- en hoog persoonsgebonden kilometerbudget). Dit brengt
                                mee dat maatwerkvoorzieningen bestemd om zich buiten de eigen
                                leefomgeving te kunnen verplaatsen of mee te nemen, zoals aanhangers
                                en oprijplaten, niet onder de ondersteuningsplicht van het College
                                vallen.</al><al/><al><cursief>Vervoer in verband met vrijwilligerswerk</cursief></al><al>De (extra) vervoersbehoefte of kosten in verband met het verrichten
                                van vrijwilligerswerk vormt in beginsel geen aanleiding voor
                                verstrekking van vervoersvoorzieningen. Uit de WVG-jurisprudentie
                                blijkt dat het redelijk is dat de vervoerskosten worden betaald door
                                de organisatie waarvoor het vrijwilligerswerk verricht wordt.
                                Aangenomen wordt dat dit uitgangspunt ook geldt onder de Wmo 2015.
                                Dit betekent wel dat het College kan afwijken van het
                                beleidsuitgangspunt als daar in het individuele geval aanleiding
                                voor is.</al><al/><al><cursief>Vervoersbehoeften en vervoersmogelijkheden</cursief></al><al>Naast het vereiste dat er geobjectiveerde beperkingen moeten worden
                                ondervonden in het zich verplaatsen in de leefomgeving is een te
                                verstrekken vervoersvoorziening afhankelijk van de vervoersbehoefte
                                en de andere vervoersmogelijkheden van de cliënt met beperkingen.
                                Daaronder worden ook de mogelijkheden van de sociale omgeving van
                                iemand verstaan. Dit is een belangrijk onderdeel van het onderzoek
                                zoals dat tijdens het gesprek zal plaatsvinden. Uitgangspunt is dat
                                het collectief vraagafhankelijk vervoer (bijvoorbeeld Regiotaxi)
                                geschikt is voor de verplaatsingen op de middellange afstand en dat
                                het primaat van het collectief vervoer wordt gehanteerd.</al><al/><al><cursief>Regiotaxi passende bijdrage</cursief></al><al>Of gebruik van de Regiotaxi voor deelname aan het maatschappelijk
                                verkeer kan worden aangemerkt als passende bijdrage in het
                                individuele geval, is afhankelijk van de vervoersbehoefte en
                                frequentie van de verplaatsingen op de middellange afstand.
                                Daaronder vallen in ieder geval gerichte verplaatsingen. Daarbij
                                geldt ook dat het hebben van enige wachttijd bij gebruik van het
                                collectief vervoer niet zodanig bezwarend is dat daardoor niet meer
                                gesproken kan worden van een voorziening die voldoende ondersteuning
                                biedt.</al><al/><al><cursief>Verplaatsingsgedrag</cursief></al><al>Bij het onderzoek naar de goedkoopst passende bijdrage is het
                                noodzakelijk de vervoersbehoefte van de cliënt vast te stellen. Deze
                                behoefte wordt onderzocht aan de hand van de volgende
                                kenmerken:</al><lijst><li nr="·"><al>verplaatsingsgedrag;</al></li><li nr="·"><al>het verplaatsingsmotief (waarom); en</al></li><li nr="·"><al>de verplaatsingsbestemming (waarheen).</al></li></lijst><al/><al><cursief>Het verplaatsingsmotief en de
                                    verplaatsingsbestemming</cursief></al><al>De ondersteuningsplicht voor vervoer is in beginsel gericht op
                                ‘vervoer in het kader van het leven van alledag in de directe woon-
                                of leefomgeving’. Het gaat in beginsel om verplaatsingen die de
                                gemiddelde Nederlander in zijn/haar eigen woonomgeving maakt, zoals
                                vervoer om boodschappen te doen, vrienden en familie te bezoeken,
                                vervoer naar clubs en sociaal-culturele of religieuze instellingen.
                                Bestaat er geen aanspraak op medisch vervoer, dan valt het vervoer
                                in verband met therapie of het bezoeken van medische behandelaars
                                ook onder de compensatieplicht (CRVB:2010:BL4037). </al><al/><al><cursief>Recreatieve bestemmingen</cursief></al><al>Recreatieve verplaatsingen kunnen deel uitmaken van het dagelijkse
                                patroon van het leven van alledag. In dat geval wordt met het
                                treffen van een vervoersvoorziening ook met deze bestemmingen
                                rekening gehouden. Een vervoersvoorziening die uitsluitend wordt
                                aangevraagd met het oog op recreatie en ontspanning, wordt echter
                                niet in het kader van de Wmo verstrekt. Te denken valt hierbij aan
                                bewoners van een Wlz-instelling die de voorziening uitsluitend
                                aanvragen om het vervoer van het jaarlijkse uitje te kunnen
                                bekostigen/regelen.</al><al/><al><cursief>Medisch vervoer</cursief></al><al>Onderdeel van een vervoersbehoefte kan ziekenhuisbezoek of ander
                                'medisch vervoer' zijn. Het feit dat de cliënt met het collectief
                                vervoer - in geval van een medische spoedsituatie - niet of niet
                                tijdig in het ziekenhuis kan komen vormt geen reden om het primaat
                                niet toe te passen (vergelijk CRVB:2014:2101). De
                                ondersteuningsplicht is in beginsel gericht op verplaatsingen in de
                                directe leefomgeving. Verplaatsingen in verband met medische
                                spoedsituaties vallen daar niet onder en voor zover geen aanspraak
                                bestaat op een andere wettelijke aanspraak (in casu Zvw of AWBZ),
                                valt het 'medisch' vervoer binnen de leefomgeving onder de Wmo.</al><al><cursief>Ernstig beperkte mobiliteit en vervoersbehoefte
                                    voortvloeiend uit zorgtaken</cursief></al><al>Bij een cliënt met beperkingen die uiterst beperkt mobiel is, moet
                                in beginsel mede de vervoersbehoefte die voortvloeit uit zorgtaken
                                met betrekking tot minderjarige kinderen worden betrokken. Dit kan
                                betekenen dat het collectief vervoer zich niet als passende bijdrage
                                laat kwalificeren. Daarbij wordt overigens wel rekening gehouden met
                                de bijdrage die van de andere ouder en andere daarvoor in aanmerking
                                komende personen redelijkerwijs kan worden gevergd. Dergelijke
                                overwegingen spelen een rol bij een vervoersbehoefte op zowel de
                                korte als de middellange afstand waarvoor meerdere voorzieningen
                                zijn aangewezen.</al><al/><al><cursief>Niet gezamenlijk kunnen reizen</cursief></al><al>Bij de toekenning van collectief vervoer kan het voorkomen dat het
                                gezin niet gezamenlijk kan reizen. Op zichzelf genomen is het
                                voorstelbaar dat het voor een gezin prettiger en gemakkelijker is om
                                samen te reizen. Uit de jurisprudentie blijkt echter dat het niet
                                samen kunnen reizen niet betekent dat het collectief vervoer niet
                                als passende bijdrage kan gelden. Gebruik maken van het collectief
                                vervoer betekent namelijk niet dat het onmogelijk is om een
                                gezamenlijke bestemming te bereiken (vergelijk CRVB:2014:2101).</al><al/><al><cursief>Collectief vervoer goedkoopst passende
                                bijdrage?</cursief></al><al>Het spreekt voor zich dat bezien moet worden of de cliënt (medisch
                                gezien) gebruik kan maken van het collectief vervoer, al dan niet
                                met begeleiding. Heeft de cliënt (medische) begeleiding nodig bij
                                dat vervoer, dan moet hij daar - in beginsel - zelf zorg voor
                                dragen. Bij het bezit van een begeleiderspas, heeft de begeleider
                                gratis toegang voor het collectief vervoer. Heeft de cliënt een
                                vervoersbehoefte op de korte en middellange afstand, dan kunnen twee
                                vervoersvoorzieningen zijn aangewezen.</al><al/><al><cursief>Aard van de beperkingen en bezit van eigen (aangepaste)
                                    auto</cursief></al><al>Het hanteren van het primaat van de Regiotaxi kan ook zijn
                                toegestaan bij progressieve aandoeningen. Het kan in voorkomende
                                gevallen aannemelijk zijn dat een autoaanpassing (of verdere
                                aanpassingen) op zichzelf wel aangewezen zijn, maar dat het
                                duidelijk is dat de eigen (aangepaste) auto binnen afzienbare
                                termijn niet meer kan worden gebruikt. Deze overweging heeft ook
                                betrekking op het kostenaspect (goedkoopst passende bijdrage).</al><al/><al><cursief>Kostenaspect</cursief></al><al>Het College is niet gehouden om het kostenaspect ambtshalve te
                                beoordelen. Het is niet zo dat het enkele feit dat de kosten van de
                                door de cliënt gewenste vervoersvoorziening lager zouden kunnen zijn
                                dan de (tot de individuele deelnemer herleide) kosten van het
                                collectief vervoer meebrengt dat deelname aan het collectief vervoer
                                geen passende bijdrage is, dan wel er toe moet leiden dat de
                                hardheidsclausule moet worden toegepast (vergelijk CRVB:2013:2795 en
                                CRVB:2009:BH5467).</al><al/><al><cursief>Bewoners
                                    </cursief><cursief>Wlz</cursief><cursief>-instelling</cursief></al><al>Bewoners van een Wlz-instelling zullen in de regel een lagere
                                vervoersbehoefte hebben dan zelfstandig wonenden. Soms zijn er in
                                het complex voorzieningen, zoals een winkel, kapper en
                                recreatieruimte voor diverse sociale activiteiten ondergebracht of
                                in de dichte nabijheid gerealiseerd. Te denken valt aan
                                verzorgingshuizen eventueel met aanleunwoningen erbij,
                                verpleeghuizen en andere Wlz-instellingen. Bovendien kan het zijn
                                dat een aantal bestemmingen in de directe leefomgeving vervallen
                                omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Bewoners van
                                intramurale instellingen hoeven bijvoorbeeld minder vaak
                                boodschappen te doen, omdat de instellingen de maaltijden bereiden.
                                Ook sommige gezamenlijke sociale activiteiten waarvoor vervoer nodig
                                is, worden vanuit de Wlz-instelling georganiseerd, inclusief
                                vervoer. Met deze verminderde vervoersbehoefte wordt bij de
                                beoordeling van aanvragen voor vervoersvoorzieningen dan ook
                                rekening gehouden.</al><al/><al><cursief>Incidenteel rolstoelgebruik</cursief></al><al>Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan een rolstoel voor
                                incidenteel gebruik worden verleend indien een cliënt zich in en om
                                de woning (beperkt) lopend kan verplaatsen, maar zich niet lopend
                                kan verplaatsen over de korte vervoersafstanden. Het gaat dan om
                                cliënten die rolstoelafhankelijk zijn. Dat wil zeggen dat er sprake
                                is van een verminderde mobiliteit of uithoudingsvermogen waardoor de
                                loopafstand zeer beperkt is. Een rolstoel voor incidenteel gebruik
                                (ook wel transportrolstoel genoemd) is doorgaans niet voor dagelijks
                                zittend gebruik noodzakelijk. Afhankelijk van de aard van het
                                gebruik wordt eerst beoordeeld of gebruik gemaakt kan worden van een
                                rolstoelpool, een rolstoel van de uitleen (thuiszorgwinkel) of van
                                rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn. Dat
                                laatste is vaak het geval in bijvoorbeeld winkelcentrum,
                                ziekenhuizen, pretparken en dergelijke.</al><al/><al>Het kan echter ook gaan om een transportrolstoel waarop de cliënt is
                                aangewezen om van A naar B te komen. Denk bijvoorbeeld aan de
                                situatie dat iemand structureel niet in staat is om hele korte
                                afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te
                                leggen. In dat geval zijn de bovengenoemde mogelijkheden
                                (rolstoelpool, uitleen) niet van toepassing. Deze rolstoel kan
                                worden meegenomen in het collectief vervoer of in de eigen auto. In
                                de praktijk zal dit echter niet vaak voorkomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Soorten vervoersvoorzieningen</label></kop><al>Er zijn verschillende soorten individuele vervoersvoorzieningen die
                                het College kan verstrekken zoals:</al><lijst><li nr="*"><al>Scootmobiel</al></li><li nr="*"><al>Fietsvoorziening</al></li><li nr="*"><al>Gesloten buitenvervoer</al></li><li nr="*"><al>Autoaanpassing</al></li></lijst><al/><al><cursief>Scootmobiel</cursief></al><al>Een scootmobiel is een open elektrische buitenwagen bestemd voor
                                gebruikers met een matige tot slechte sta- loopfunctie. De
                                scootmobiel is bedoeld voor verplaatsingen in de directe omgeving
                                van de woning, het onderhouden van sociale contacten, het doen van
                                boodschappen, et cetera.</al><al/><al><cursief>Voorwaarden</cursief></al><al>Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als:</al><lijst><li nr="·"><al>er sprake is van een zekere sta- en loopfunctie, ook gelet
                                        op het kunnen maken van transfers</al></li><li nr="·"><al>de cliënt een beperkte loopafstand heeft en gelet op de
                                        beperkingen en de vervoersbehoefte op de korte afstand
                                        (directe omgeving) is aangewezen op een scootmobiel</al></li><li nr="·"><al>er niet op een andere wijze kan worden voorzien in deze
                                        vervoersbehoefte zoals met een hand- of duwstoel of een
                                        aangepaste (niet algemeen gebruikelijke) fiets</al></li><li nr="·"><al>het collectief vervoer alleen niet in de vervoersbehoefte
                                        kan voorzien</al></li><li nr="·"><al>de cliënt zelf het voertuig veilig kan bedienen en besturen
                                        (rijvaardigheidstest)</al></li><li nr="·"><al>er een mogelijkheid is om de scootmobiel te stallen en op te
                                        laden</al></li></lijst><al/><al><cursief>Stalling</cursief></al><al>Het stallen van de scootmobiel dient op een adequate wijze te
                                geschieden. Een aanwezige schuur, berging, garage, bijkeuken of
                                tuinhuisje kan in dit kader als adequaat worden beschouwd. Heeft de
                                cliënt geen mogelijkheden tot het stallen van de scootmobiel, dan
                                valt het realiseren daarvan onder de ondersteuningsplicht. Ook het
                                afdekken van de scootmobiel met een hoes, indien de cliënt, zijn
                                huisgenoten of de mantelzorger daartoe in staat zijn, kan een
                                adequate oplossing zijn mits er een oplaadmogelijkheid voor handen
                                is.</al><al/><al><onderstreept>Fietsvoorzieningen</onderstreept></al><al><cursief>Fiets met hulpmotor voor de aanvrager jonger dan 16
                                    jaar</cursief></al><al>Is de aanvrager jonger dan 16 jaar, dan is een fiets met hulpmotor
                                niet algemeen gebruikelijk (CRVB:2010:BN1265). Immers, de
                                vergelijking met een brommer of ander gemotoriseerd vervoer kan niet
                                worden gemaakt omdat iemand jonger dan 16 jaar daar - wettelijk
                                gezien - niet op mag rijden. Het College zal in voorkomende gevallen
                                moeten beoordelen of de cliënt voor de beperkingen in zijn
                                zelfredzaamheid en normale deelname aan het maatschappelijk verkeer
                                is aangewezen op een fiets met hulpmotor. Dit moet blijken uit de
                                noodzaak daarvoor, dat zal in de meeste gevallen een medische
                                noodzaak zijn. Kort gezegd: wat zijn de beperkingen in de (te
                                wensen) activiteiten en draagt de maatwerkvoorziening bij aan het
                                opheffen of verminderen daarvan? Heeft het verstrekken van een
                                dergelijke fiets een therapeutisch doel (in beweging blijven of
                                afvallen), dan valt dat in principe niet onder de
                                ondersteuningsplicht van het College.</al><al/><al><cursief>Driewielfietsen en andere bijzondere fietsen</cursief></al><al>Bijzondere fietsen kunnen voor verstrekking in aanmerking komen. Te
                                denken valt daarbij aan driewielfietsen of handbikes.
                                Driewielfietsen worden speciaal gebruikt door de cliënt met
                                beperkingen op evenwichtsgebied. Deze beperking maakt het gebruik
                                van een normale fiets - al dan niet hulpmotor - gevaarlijk. Ook
                                andere groepen cliënten met beperkingen kunnen gebaat zijn bij een
                                driewielfiets, bijvoorbeeld vanwege een gestoorde motoriek. Om
                                aanspraak te maken op een dergelijk maatwerkvoorziening gelden
                                dezelfde voorwaarden als voor een scootmobiel. Verder geldt dat een
                                normale kinderdriewieler voor kinderen tot 4 jaar als algemeen
                                gebruikelijk wordt beschouwd en daarom niet voor verstrekking in
                                aanmerking komt. Driewielfietsen voor kinderen die speciaal bedoeld
                                zijn voor kinderen met beperkingen kunnen in beginsel voor
                                verstrekking in aanmerking komen.</al><al/><al><onderstreept>Gesloten buitenvervoer</onderstreept></al><al><cursief>Een gehandicaptenvoertuig</cursief></al><al>Een gehandicaptenvoertuig is een voertuig dat is ingericht voor het
                                vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 meter, niet
                                langer dan 3,50 meter, niet hoger dan 2,00 meter en niet is
                                uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een motor waarvan
                                de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km
                                per uur bedraagt en geen bromfiets is (artikel 1 Reglement
                                Verkeersregels en Verkeerstekens). Deze voertuigen mogen op de
                                voetpaden (stapvoets), fietspaden en rijbanen gebruikt worden.</al><al/><al><cursief>Voorwaarden voor toekenning
                                gehandicaptenvoertuig</cursief></al><al>Voor de cliënt geldt dat hij op eigen gesloten buitenvervoer moet
                                zijn aangewezen en dat de Regiotaxi of ander collectief vervoer al
                                dan niet gecombineerd met een aanvullende vervoersvoorziening niet
                                de goedkoopst passende bijdrage is. Dergelijke situaties zullen zich
                                in de praktijk zelden voordoen.</al><al/><al><cursief>Brommobiel</cursief></al><al>Dit betreft een gesloten buitenwagen die breder is dan 1,10 meter en
                                geen gehandicaptenvoertuig is. De brommobiel lijkt op een kleine
                                auto en mag alleen van de rijbaan gebruik maken. De brommobiel wordt
                                in beginsel niet op grond van de Wmo verstrekt.</al><al/><al><cursief>Autoaanpassingen</cursief></al><al>Autoaanpassingen zijn erop gericht verplaatsingen mogelijk te maken
                                in de leefomgeving voor cliënten die daarvoor zijn aangewezen op een
                                eigen auto.</al><al/><al><cursief>Uitgangs</cursief><cursief>punten bij de beoordeling
                                    autoaanpassing</cursief></al><lijst><li nr="*"><al>Is het gebruik van de eigen auto nodig voor het zich
                                        verplaatsen binnen de leefomgeving per vervoermiddel én is
                                        het collectief (individueel) vervoer geen passende
                                        bijdrage?</al></li><li nr="*"><al>Is een autoaanpassing de goedkoopst passende bijdrage?</al></li><li nr="*"><al>Hoe staat het met de ouderdom en technische staat van de
                                        auto?</al></li><li nr="*"><al>Is de cliënt eigenaar en bestuurder van de auto? Onder de
                                        eigenaar van de auto kan ook de wettelijk vertegenwoordiger
                                        van het kind worden verstaan waar de autoaanpassing voor
                                        bestemd is.</al></li><li nr="*"><al>Is een auto zeven jaar of ouder en is er al 75.000 kilometer
                                        of meer mee gereden? Dan is een (flinke) aanpassing meestal
                                        niet meer verantwoord. Een technische keuring van de auto
                                        door een onafhankelijke instantie (bijvoorbeeld de ANWB) is
                                        nodig om te kunnen beoordelen of de aanpassing nog
                                        verantwoord is met het oog op de technische staat en de
                                        verwachte levensduur van de auto. Bij een (flinke)
                                        aanpassing moet de auto nog minimaal zeven jaar veilig
                                        kunnen rijden. Heeft een auto al meer dan 75.000 kilometer
                                        gereden gaat het College daar niet van uit. De
                                        geldigheidsduur van het rijbewijs wordt ook in ogenschouw
                                        genomen.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Algemeen gebruikelijk</cursief></al><al>Sommige autoaanpassingen kunnen algemeen gebruikelijk zijn. Denk
                                bijvoorbeeld aan stuur- en rembekrachtiging, de automatische
                                versnelling of een auto met hoge instap. Voor deze aanpassingen kan
                                geen beroep worden gedaan op de Wmo (vergelijk
                                CRVB:2011:BU7172).</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><artikel><kop><label>Inleiding</label></kop><al>Een persoonsgebonden budget (pgb) vertegenwoordigt (een afgeleide
                                van) de geldswaarde van de goedkoopst passende bijdrage van een
                                maatwerkvoorziening die het College in natura zou verlenen. Met een
                                pgb kunnen diensten, zoals begeleiding, hulp bij het huishouden of
                                kortdurend verblijf worden ingekocht, maar ook een woonvoorziening
                                of een hulpmiddel, zoals een scootmobiel.</al></artikel><artikel><kop><label>Beoordelingscriteria</label></kop><al>In artikel 6.1 van de Verordening zijn de wettelijke voorwaarden
                                neergelegd, ter beoordeling aan het College. Het College moet zich
                                bij het toekennen van een persoonsgebonden budget overtuigen van het
                                voldoen aan de voorwaarden. Het spreekt voor zich dat de cliënt het
                                College, desgevraagd, de daarvoor noodzakelijke inlichtingen of
                                gegevens verschaft en zijn medewerking verleent aan het onderzoek.
                                Deze voorwaarden zijn cumulatief. In het algemeen geldt dat een
                                persoonsgebonden budget niet mogelijk is als het College, na de
                                melding van de hulpvraag, een maatwerkvoorziening moet inzetten
                                vanwege een spoedeisende situatie. Verder zijn er nadere regels over
                                het persoonsgebonden budget neergelegd in het Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Leudal 2015.</al><al/><al><cursief>Beoordeling van de voorwaarden</cursief></al><al/><al><cursief>1.</cursief><cursief> De cliënt is op eigen kracht, al dan
                                    niet met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn
                                    vertegenwoordiger, voldoende in staat te achten tot een
                                    redelijke waardering van belangen aangaande de aan het pgb
                                    verbonden taken en </cursief><cursief>is </cursief><cursief>in
                                    staat deze op een verantwoorde manier uit te
                                voeren.</cursief></al><al/><al>Het College beoordeelt of de cliënt - al dan niet met hulp van
                                anderen - hiertoe in staat is. Daarvoor kan het College in ieder
                                geval de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking nemen:</al><lijst><li nr="*"><al>Het beheersen van de Nederlandse taal</al></li><li nr="*"><al>De mate van beperkingen (licht, matig, zwaar) op het terrein
                                        van in ieder geval:</al><lijst><li nr="o"><al>sociale redzaamheid</al></li><li nr="o"><al>probleemgedrag</al></li><li nr="o"><al>psychisch functioneren</al></li><li nr="o"><al>geheugen- en oriëntatiestoornissen</al></li></lijst></li><li nr="*"><al>Het vermogen om een overeenkomst op te stellen of aan te
                                        gaan met degene aan wie het pgb wordt besteed.</al></li><li nr="*"><al>Het vermogen om degene, aan wie het pgb wordt besteed, aan
                                        te sturen bij de te bieden maatschappelijke
                                        ondersteuning.</al></li><li nr="*"><al>In geval het risico bestaat dat er beslag wordt gelegd op
                                        het pgb, dan wordt niet voldaan aan de hier bedoelde
                                        voorwaarde.</al></li><li nr="*"><al>Indien van toepassing. Wie de cliënt officieel heeft
                                        gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te
                                        behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren.
                                        Het College stelt aan deze persoon dezelfde eisen als aan de
                                        cliënt.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Vertegenwoordiger</cursief></al><al>Artikel 1.1.1 tweede lid van de wet bepaalt wat onder een
                                vertegenwoordiger wordt verstaan. Dat kan dus een persoon zijn die
                                de cliënt kan ondersteunen bij de voorwaarden die gelden voor het
                                recht op een persoonsgebonden budget. Als een curator, mentor of
                                gevolmachtigde ontbreekt, kunnen ook als vertegenwoordiger
                                optreden:</al><lijst><li nr="*"><al>echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel van
                                        de cliënt; dan wel (als deze ontbreekt);</al></li><li nr="*"><al>zijn ouder, kind, broer of zus.</al></li></lijst><al>Deze personen kunnen echter niet als vertegenwoordiger optreden als
                                de cliënt dat niet wenst. Dat moet het College in voorkomende
                                gevallen onderzoeken.</al><al/><al><cursief>2.</cursief><cursief> De cliënt stelt zich voldoende
                                    gemotiveerd op het standpunt waarom hij de maatwerkvoorziening
                                    in de vorm van een pgb wenst te krijgen</cursief></al><al/><al>Het pgb wordt alleen verstrekt op verzoek van de cliënt. Bij dat
                                verzoek weet de cliënt voldoende te motiveren waarom hij de
                                maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wenst te krijgen. Het
                                College stelt geen bijzondere eisen aan de motivatie. Wel kan de
                                cliënt al een budgetplan opgesteld hebben waarin de wens voor het
                                pgb blijkt.</al><al/><al><cursief>3.</cursief><cursief> Er is gewaarborgd dat de diensten,
                                    hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen voldoen
                                    aan de kwaliteitseisen van de wet en in redelijkheid geschikt
                                    zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt
                                verstrekt.</cursief></al><al/><al>In artikel 3.1 lid 1 van de wet staat dat een maatwerkvoorziening in
                                elk geval:</al><lijst><li nr="*"><al>veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt
                                        verstrekt,</al></li><li nr="*"><al>afgestemd wordt op de reële behoefte van de cliënt en op
                                        andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt,</al></li><li nr="*"><al>verstrekt wordt in overeenstemming met de op de
                                        beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende
                                        uit de professionele standaard;</al></li><li nr="*"><al>verstrekt wordt met respect voor en inachtneming van de
                                        rechten van de cliënt.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Hulpmiddelen en woningaanpassingen</cursief></al><al>Ook voor deze maatwerkvoorzieningen geldt dat het College moet
                                oordelen over de vraag of met het pgb wel een kwalitatief
                                verantwoorde maatwerkvoorziening wordt ingekocht. In het Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Leudal 2015 zijn hierover
                                nadere regels gesteld.</al><al/><al><cursief>Budgetplan</cursief></al><al>Aan het recht op een persoonsgebonden budget is de verplichting
                                verbonden dat de cliënt een budgetplan opstelt. In dat budgetplan
                                wordt in ieder geval aangegeven:</al><lijst><li nr="*"><al>Aan wie het persoonsgebonden budget wordt besteed.</al></li><li nr="*"><al>Welke resultaten met de aan te schaffen of de in te kopen
                                        maatwerkvoorziening worden bereikt en hoe dat gebeurt. Deze
                                        moeten overeenkomen met het bereiken van een, door het
                                        College te bepalen, mate van zelfredzaamheid waarop de
                                        cliënt gelet op zijn beperkingen is aangewezen.</al></li><li nr="*"><al>Waaruit blijkt dat de aan te schaffen of de in te kopen
                                        maatwerkvoorziening voldoet aan de kwaliteitseisen die daar
                                        aan mogen worden gesteld. Hiermee worden de kwaliteitseisen
                                        bedoeld op grond van artikel 3.1 lid 1 van de wet. Uit het
                                        budgetplan moet blijken of degene die de ondersteuning zal
                                        gaan bieden in kwalitatieve zin in staat is om het te
                                        bereiken resultaat te behalen. Dat is vanzelfsprekend mede
                                        afhankelijk van de mate van zelfredzaamheid van de cliënt en
                                        of daarin lichte, matige of zware beperkingen worden
                                        ondervonden. Bij de aanschaf van een hulpmiddel of
                                        woonvoorziening uit het pgb hanteert het College de regels
                                        die zijn neergelegd in het Besluit maatschappelijke
                                        ondersteuning gemeente Leudal 2015.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Heroverweging</cursief></al><al>Op grond van artikel 2.3.9 van de wet is het College bevoegd om
                                besluiten te heroverwegen. Bij het toekennen van een
                                persoonsgebonden budget beoordeelt het College of de resultaten,
                                zoals opgenomen in het budgetplan, ook daadwerkelijk worden of
                                zullen worden behaald.</al><al/><al><cursief>Besteding persoonsgebonden budget sociaal
                                netwerk</cursief></al><al>Artikel 6.1 lid 2 onder d van de Verordening bepaalt dat uit het
                                persoonsgebonden budget geen personen uit het sociale netwerk mogen
                                worden betaald, tenzij dat leidt tot effectievere en meer doelmatige
                                ondersteuning. Daarmee is op voordracht van het College aan de raad
                                bedoeld nadere invulling te geven aan de kwaliteit van de
                                ondersteuning die door een persoon uit het sociale netwerk kan
                                worden verleend. </al><al>Zeker voor zeer kwetsbare burgers is het van groot belang dat zij de
                                ondersteuning krijgen die zij nodig hebben met uiteindelijk het oog
                                op het zo lang mogelijk in de eigen omgeving kunnen blijven wonen.
                                Afhankelijk van het individuele geval kan het dan ook zijn dat juist
                                personen uit het sociale netwerk kwalitatieve ondersteuning kunnen
                                bieden die effectiever en doelmatiger is. Maar dat kan ook anders
                                liggen. Dat vraagt om een beoordeling van het individuele
                                geval.</al><al/><al><cursief>Beleidsuitgangspunten</cursief></al><al>Bij de beoordeling van de mogelijkheid tot betaling aan iemand uit
                                het sociaal netwerk zal het volgende door het College worden
                                meegewogen:</al><lijst><li nr="*"><al>Als eerste motiveert de cliënt zijn keus om met het
                                        persoonsgebonden budget iemand uit het sociaal netwerk in te
                                        schakelen.</al></li><li nr="*"><al>De persoon uit het sociale netwerk mag daarbij op geen
                                        enkele wijze druk op de cliënt hebben uitgeoefend bij zijn
                                        besluitvorming.</al></li><li nr="*"><al>Is de persoon uit het sociale netwerk in staat om de
                                        gevraagde hulp te bieden?</al></li><li nr="*"><al>Is de kwaliteit van de geboden ondersteuning voldoende
                                        geborgd?</al></li></lijst><al/><al><cursief>Weigering persoonsgebonden budget</cursief></al><al>Indien de cliënt een persoonsgebonden budget wenst controleert het
                                College of een eerder besluit waarmee een persoonsgebonden budget is
                                toegekend is ingetrokken onder toepassing van artikel 2.3.10 lid 1
                                onder a, d of e van de wet. Het College is in voorkomende gevallen
                                bevoegd het persoonsgebonden budget te weigeren (artikel 2.3.6 lid 5
                                onder b van de wet). Bij toepassing van deze weigeringsrond hanteert
                                het College het uitgangspunt van een termijn die ieder geval drie
                                jaar gelegen voor het verzoek om een persoonsgebonden budget.</al><al/><al><cursief>Het meerdere weigeren</cursief><cursief> (zelf
                                    betalen)</cursief></al><al>Indien de cliënt het persoonsgebonden budget wenst te besteden aan
                                een duurdere maatwerkvoorziening dan waar het College het
                                persoonsgebonden budget op heeft gebaseerd, geldt dat de cliënt het
                                meerdere zelf moet betalen. Let wel ook in die gevallen gelden nog
                                steeds de algemene voorwaarden van bijvoorbeeld de kwaliteit. Het
                                meerdere dat aan de maatwerkvoorziening wordt besteed door de cliënt
                                wordt dan door het College geweigerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Hoogte persoonsgebonden budget</label></kop><al>De cliënt kan het persoonsgebonden budget besteden aan hulpmiddelen,
                                vervoersvoorzieningen, woningaanpassingen of diensten.</al><al/><al>Verordening: artikel 6.1</al><al><cursief>Hulpmiddelen, vervoersvoorzieningen en
                                    woningaanpassingen</cursief></al><al>De hoogte van het persoonsgebonden budget voor
                                vervoersvoorzieningen, hulpmiddelen en woningaanpassingen bedraagt
                                in ieder geval niet meer dan de huur- dan wel aanschafprijs van de
                                goedkoopst passende bijdrage, waaronder gerekend onderhoud,
                                reparatie en verzekering zoals die door het college aan de aanbieder
                                verschuldigd is. Indien dit niet mogelijk is stelt het College de
                                hoogte van het persoonsgebonden budget vast op basis van een
                                offerte. Dat kan een offerte zijn die het College zelf opvraagt of
                                een offerte die door de cliënt wordt overhandigd. Het kan in
                                voorkomende gevallen ook om meerdere offertes gaan zodat het College
                                de goedkoopst passende bijdrage kan vaststellen.</al><al/><al><cursief>Deskundigen</cursief><cursief>advies</cursief></al><al>Hierbij kan een (medisch) advies overigens ook een rol spelen. Denk
                                aan situaties waarin niet duidelijk is op welke maatwerkvoorziening
                                de cliënt wel of niet is aangewezen en het College niet ter zake
                                deskundig is. Of kan advies zijn aangewezen voor het antwoord op de
                                vraag of een woningaanpassing noodzakelijk is. En zo ja, wat de
                                omvang daarvan moet zijn. Woningaanpassingen kunnen namelijk vaak
                                inpandig worden opgelost in plaats van het realiseren van een
                                aanbouw. Een (medisch) advies kan uiteraard ook noodzakelijk zijn
                                bij diensten.</al><al/><al><cursief>Diensten</cursief></al><al>Onder diensten vallen begeleiding, dagbesteding, hulp bij het
                                huishouden en kortdurend verblijf. De hoogte van een
                                persoonsgebonden budget voor diensten is onder meer afhankelijk van
                                degene bij wie de maatschappelijke ondersteuning wordt ingekocht.
                                Het persoonsgebonden budget is afgeleid van het tarief waarvoor het
                                College deze dienst(en) heeft ingekocht. Zie hiervoor het Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Leudal 2015. De hoogte van
                                het pgb is afhankelijk van degene die de ondersteuning gaat
                                leveren.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>Tegemoetkoming meerkosten</titel></kop><artikel><kop><label>Inleiding</label></kop><al>Verordening: hoofdstuk 13</al><al>Uit artikel 2.1.7 van de wet blijkt dat het bij de tegemoetkoming
                                meerkosten niet hoeft te gaan om een cliënt. Gesproken wordt over de
                                persoon met een beperking of chronisch psychisch of psychosociaal
                                probleem die in verband daarmee aantoonbare of aannemelijke
                                meerkosten kan hebben. De tegemoetkoming dient ter ondersteuning van
                                de zelfredzaamheid en participatie. In hoofdstuk 13 van de
                                Verordening is een limitatief aantal kostensoorten bepaald die in
                                aanmerking kunnen komen voor een tegemoetkoming. Nadere regels
                                waaronder de hoogte van de tegemoetkoming zijn neergelegd in het
                                Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Leudal 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Op aanvraag</label></kop><al>Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in de meerkosten
                                gelden de regels van de melding van een hulpvraag en het gesprek
                                niet. Als hoofdregel geldt dat de tegemoetkoming slechts op aanvraag
                                wordt verleend, tenzij de Verordening anders bepaalt. Ook geldt dat
                                de aanvraag moet worden ingediend voordat de kosten worden gemaakt.
                                Het College sluit aan bij de uitgangspunten zoals die in de
                                Participatiewet gelden (artikelen. 41 en 44 Pw). Dat betekent dat
                                als de aanvrager zich meldt met het oog op het indienen van een
                                aanvraag, het College hem in de gelegenheid stelt zijn aanvraag in
                                te dienen. Dat kan door bijvoorbeeld een aanvraagformulier toe te
                                sturen. De aanvraag moet door de belanghebbende zo spoedig mogelijk
                                worden ingediend. Als uitgangspunt hanteert het College tien
                                werkdagen. Wordt de aanvraag tijdig ingediend, dan wordt de
                                tegemoetkoming in principe verleend vanaf de datum van de
                                melding.</al><al/><al><cursief>Geen aanvraag</cursief></al><al>In afwijking van de hoofdregel geldt één uitzondering bij de
                                verhuis- en herinrichtingskosten. Het College kan in het geval dat
                                het primaat van verhuizen wordt toegepast, zonder aanvraag, een
                                tegemoetkoming voor verhuis- en herinrichtingskosten toekennen. Zie
                                voor toepassen primaat hoofdstuk 7 van deze beleidsregels.</al></artikel><artikel><kop><label>Aanspraak voorliggende voorziening</label></kop><al>Het is vanzelfsprekend niet de bedoeling dat dubbele vergoedingen
                                voor (meer)kosten worden gedaan. Daarom bepaalt de Verordening dat
                                geen recht op een tegemoetkoming bestaat voor zover aanspraak
                                bestaat of kan bestaan op vergoeding op grond van een voorliggende
                                voorziening. Er kan geen limitatief aantal worden gegeven van
                                voorliggende voorzieningen. Twee voorbeelden. Een
                                verhuiskostenvergoeding van de woningstichting op grond van artikel
                                11g Besluit Beheer Sociale huursector, de leefvervoersvoorziening op
                                grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen zijn
                                voorliggende voorzieningen.</al><al/><al><cursief>Uitbetaling</cursief></al><al>Het is afhankelijk van de kostensoort op welke wijze en wanneer de
                                tegemoetkoming wordt uitbetaald. In het Besluit maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Leudal 2015 zijn daarvoor regels
                                neergelegd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering</titel></kop><artikel><kop><label>Inleiding</label></kop><al>In hoofdstuk 14 van de Verordening zijn bepalingen opgenomen over
                                het aantasten van rechten van cliënten. Daarvoor kan rechtvaardiging
                                worden gevonden indien sprake is van de situaties zoals genoemd.
                                Deze hebben betrekking op het - door de cliënt - verstrekken van
                                onjuiste inlichtingen. Het gaat in alle gevallen om een bevoegdheid
                                van het College (kan-bepaling). Bij de toepassing van de bepalingen
                                van dat hoofdstuk hoort een afweging tussen alle bij het te nemen
                                besluit betrokken belangen. Het algemeen belang (terugvordering van
                                gemeenschapsgeld) dient afgezet te worden tegen het individueel
                                belang (niet terugvorderen). Dat deze afweging daadwerkelijk is
                                gemaakt, moet ook blijken uit het terugvorderingsbesluit.</al><al/><al><cursief>Ten onrechte verleende of betaalde bedragen als gevolg van
                                    schending inlichtingenplicht</cursief></al><al>Als uitgangspunt geldt dat tot terugvordering van de ten onrechte
                                verleende of betaalde bedragen wordt overgegaan als er sprake is van
                                het schenden van de inlichtingenplicht. De hoogte van de
                                terugvordering wordt gebaseerd op het reeds door de Svb uitbetaalde
                                persoonsgebonden budget of de reeds uitbetaalde tegemoetkoming
                                meerkosten. Wanneer een toekenningsbesluit van een
                                maatwerkvoorziening in natura wordt ingetrokken dan wordt de hoogte
                                van de terugvordering gebaseerd op de geldswaarde daarvan. De hoogte
                                daarvan wordt gebaseerd op de datum/periode waarop het intrekkings-
                                of herzieningsbesluit betrekking heeft. In voorkomende gevallen kan
                                de cliënt de eventueel opgelegde en betaalde bijdrage in de kosten
                                terugvragen van het CAK.</al><al/><al><cursief>Zeer dringende redenen</cursief></al><al>Verder kunnen zeer dringende redenen in de persoonlijke of familiare
                                sfeer aanleiding zijn om niet tot terugvordering of verdere
                                invordering over te gaan.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Verordening: artikel 14.1 </label><label>Beëindigen</label></kop><al>Er wordt gesproken van een beëindiging als de inwerkingtreding van
                                het besluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe.
                                Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een
                                herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. In artikel 14.1
                                van de Verordening staan de situaties waarin het College kan
                                overgaan tot beëindiging van de maatwerkvoorziening of de
                                tegemoetkoming meerkosten. Het zich niet houden aan de
                                verplichtingen verbonden aan het gebruik van de maatwerkvoorziening
                                die in bruikleen is toegekend, kan leiden tot beëindiging van die
                                voorziening. Het College zal bij die beëindiging wel moeten
                                overwegen of het daarvoor een andere maatwerkvoorziening in de
                                plaats stelt. De verwijtbaarheid in aanmerking nemende brengt dan
                                mee dat het College mag volstaan met slechts het strikt
                                noodzakelijke ten behoeve van de zelfredzaamheid en participatie van
                                de cliënt. Dat zou ook kunnen betekenen dat de cliënt enige
                                ongemakken voor lief moet nemen. Denk bijvoorbeeld aan collectief
                                vervoer voor de korte afstand in plaats van de door het College
                                beëindigde toekenning van de scootmobiel. In geval van overlijden
                                van de cliënt is de termijn van de beëindiging van het
                                persoonsgebonden budget bepaald. In geval van het beëindiging van de
                                maatwerkvoorziening zorgt het College voor een algehele afwikkeling
                                van onder meer de rechten en verplichtingen tussen de cliënt (of de
                                erven) en de gemeente.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Verordening: artikel 14.2 lid 1 Plicht tot inlichtingen</label></kop><al>De cliënt die een maatwerkvoorziening of een tegemoetkoming
                                meerkosten heeft ontvangen is verplicht wijzigingen die relevant
                                kunnen zijn voor de beoordeling van het (voortduren van het) recht,
                                uit eigen beweging en zo spoedig mogelijk aan het College door te
                                geven. Het gaat hier om alle gegevens en feitelijkheden waarvan
                                redelijkerwijs verondersteld kan worden dat zij van belang zijn,
                                zoals de staat van een in bruikleen verstrekt voorwerp, gewijzigde
                                burgerlijke staat, verandering in gezinssamenstelling, verhuizing,
                                het feit dat geen gebruik meer wordt gemaakt van de
                                maatwerkvoorziening, etc. Het gaat daarbij ook om de
                                maatwerkvoorziening die in de vorm van een persoonsgebonden budget
                                is toegekend. Deze voorwaarden worden opgenomen in de
                                beschikking.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Verordening: artikel 14.2 lid 2 Herziening en intrekking</label></kop><al>Het (deels) ongedaan maken van een aanspraak over een periode in het
                                verleden, wordt herzien/intrekken genoemd. Herziening/intrekking van
                                het bedoelde besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw
                                beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden,
                                waarbij de aanspraak afwijkend wordt vastgesteld of er in het geheel
                                geen aanspraak heeft bestaan.</al><al>Een reden om tot herziening of intrekking over te gaan heeft te
                                maken van het verstrekken van onjuiste inlichtingen die tot een
                                ander besluit zouden hebben geleid indien de cliënt wel de juiste
                                inlichtingen had verstrekt. Ook kan het niet of niet volledig
                                voldoen aan de gestelde verplichtingen aan het persoonsgebonden
                                budget, uit hoofdstuk 6 van de Verordening of de daarop gebaseerd
                                nadere regels, leiden tot herziening of intrekking van het
                                toekenningsbesluit. Verder geldt overigens de wettelijke bevoegdheid
                                van het College om toekenningsbesluiten te heroverwegen en eventueel
                                over te gaan tot intrekken van dat besluit (zie artikel 2.3.10 van
                                de wet).</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Verordening: artikel 14.3 Terugvordering en verrekenen</label></kop><al>In de wet is slechts één terugvorderingsgrond opgenomen ten aanzien
                                van cliënten en/of degene die zijn medewerking heeft verleend aan
                                het ‘misbruik’ van de wet. Namelijk indien opzettelijk onjuiste of
                                onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of
                                volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. Er
                                is daarom gekozen de terugvorderingsgronden in de Verordening uit te
                                breiden. Uit de jurisprudentie die onder de Wmo 2007 tot stand is
                                gekomen blijkt dat een terugvorderingsbepaling in de Verordening
                                voldoende grondslag biedt om tot terugvordering over te gaan. Voor
                                zover sprake is van de wettelijke terugvorderingsbepaling kan het
                                College het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen. Dat
                                geeft een executoriale titel. Bij andere terugvorderingsgronden moet
                                de invordering langs civielrechtelijke weg plaatsvinden. Denk aan de
                                terugvordering van de tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in
                                hoofdstuk 13 van de Verordening. Of sprake is van onverschuldigde
                                betaling (artikel 6:203 e.v. BW) zal in de praktijk geen problemen
                                opleveren, mits het College een herzienings- of intrekkingsbesluit
                                neemt. De Verordening biedt ook de bevoegdheid om over te gaan tot
                                verrekening met een persoonsgebonden budget of een tegemoetkoming
                                meerkosten. Wel moet rekening worden gehouden met de individuele
                                situatie. Immers, kan het College - gelet op de ondersteuningsplicht
                                - niet zonder meer over gaan tot volledige verrekening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>12</nr><titel>Deskundigenadvies</titel></kop><artikel><kop><label>Inleiding</label></kop><al>In het algemeen geldt dat het College allereerst een standpunt moet
                                innemen of het zelf over de deskundigheid beschikt om de aanspraak
                                op een maatwerkvoorziening te kunnen beoordelen. Daarvoor moet het
                                College zelf in staat zijn:</al><lijst><li nr="*"><al>de beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid en
                                        participatie te kunnen vaststellen (wettelijk
                                        toetsingskader)</al></li><li nr="*"><al>te beoordelen of er in het individu gelegen omstandigheden
                                        zijn waaraan het recht op een persoonsgebonden budget in de
                                        weg staat (wettelijke voorwaarden)</al></li><li nr="*"><al>de goedkoopst passende bijdrage (maatwerkvoorziening) te
                                        indiceren en te selecteren aan de hand van de door een arts
                                        vastgestelde (medische) beperkingen</al></li><li nr="*"><al>zaken van technische aard te beoordelen, zoals die bij
                                        woningaanpassingen aan de orde kunnen zijn</al></li></lijst><al/><al>Als vuistregel kan gelden dat als dat oordeel betrekking heeft op
                                een medische kwalificatie van lichamelijke of geestelijke gebreken
                                en de beperkingen die daaruit kunnen voortvloeien, het college in
                                beginsel niet ter zake kundig kan zijn. Afhankelijk van de aard van
                                de problematiek moet het college, zoals gezegd, cliënt zelf laten
                                onderzoeken door een deskundige die (zonodig) op het niveau van een
                                arts functioneert.</al><al>Afhankelijk van de aard van de problematiek moet het College, zoals
                                gezegd, cliënt zelf laten onderzoeken door een deskundige die
                                (zonodig) op het niveau van een arts functioneert.</al><al/><al>Beoordeling advies</al><al>De inhoud van het (medische) advies wordt beoordeeld aan de hand van
                                de volgende indicatoren:</al><al/><al><cursief>Onderzoeksmethode en informatie</cursief></al><lijst><li nr="*"><al>Hieruit moet blijken op welke datum, manier en plaats door
                                        welke adviseur (naam en zijn deskundigheid) onderzoek is
                                        verricht. Dat kan door een huisbezoek, een telefoongesprek,
                                        maar ook zonder de cliënt te spreken. In dat laatste geval
                                        heeft mogelijk alleen dossieronderzoek plaatsgevonden of
                                        heeft de adviseur contact gehad met de behandelende sector,
                                        bijvoorbeeld de huisarts of een andere behandelaar. Dat moet
                                        blijken uit het advies! Ook moet het advies vermelden of de
                                        adviseur zelf (lichamelijk) onderzoek heeft gedaan, en zo
                                        niet, wat daarvan de reden is.</al></li><li nr="*"><al>Is het advies alleen gebaseerd op een anamnese, dan is het
                                        in veel gevallen niet volledig. Uit het advies moet blijken
                                        hoe de anamnese zich verhoudt tot resultaten van het (eigen)
                                        onderzoek en/of de conclusies die daaraan worden
                                        verbonden.</al></li><li nr="*"><al>Uit advies moet blijken wat de deskundigheid is van de
                                        adviseur. Dat kan blijken uit de ondertekening van het
                                        advies.</al></li><li nr="*"><al>Is de cliënt onder behandeling en is zijn behandelaar niet
                                        geraadpleegd, dan moet het advies vermelden waarom de
                                        adviseur dat niet noodzakelijk acht.</al></li><li nr="*"><al>Het advies moet gebaseerd zijn op actuele feiten en
                                        gegevens. De term 'actueel' laat zich niet als standaard
                                        kwantificeren, maar is afhankelijk van de individuele
                                        situatie.</al></li><li nr="*"><al>Uit het advies moet blijken volgens welke maatstaven het
                                        onderzoek is verricht. </al></li><li nr="*"><al>Heeft de adviseur intercollegiaal overleg gevoerd, dan moet
                                        het advies vermelden waar dat overleg betrekking op had en
                                        wat de invloed is geweest op de inhoud en de conclusie(s)
                                        van het advies.</al></li><li nr="*"><al>De bevindingen van de adviseur moeten zodanig zijn
                                        gepresenteerd dat controle ervan (ook) door een andere
                                        deskundige mogelijk is.</al></li><li nr="*"><al>Als de adviseur (namens het college) een expertiseonderzoek
                                        laat uitvoeren, dan mag aan die deskundige worden gevraagd
                                        beperkingen vast te stellen. In die gevallen worden zware
                                        eisen gesteld aan de deskundigheid van die adviseur.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Probleemanalyse in het advies</cursief></al><lijst><li nr="*"><al>Hieruit moet inzichtelijk blijken of de cliënt (langdurig)
                                        beperkingen ondervindt in zijn zelfredzaamheid en
                                        participatie. En zo ja, welke dat zijn en of die beperkingen
                                        moeten leiden tot het verlenen van een maatwerkvoorziening
                                        of juist niet omdat gebruik gemaakt kan worden van andere
                                        oplossingen.</al></li><li nr="*"><al>In het advies moeten allereerst alle relevante feiten worden
                                        vermeld die tijdens het onderzoek naar voren zijn gekomen en
                                        vervolgens moeten deze feiten zijn betrokken in de
                                        probleemanalyse en de conclusie(s). </al></li><li nr="*"><al>Het advies moet vermelden wat de stoornis (verlies van
                                        functies of anatomische eigenschappen) is en welke
                                        beperkingen (problemen bij uitvoeren van activiteiten) daar
                                        uit voorvloeien. </al></li><li nr="*"><al>Het advies zelf mag geen diagnose bevatten.</al></li><li nr="*"><al>Het is van belang dat het advies vermeldt wat de prognose
                                        van de beperkingen is, zo mogelijk met een tijdpad. Een
                                        prognose kan progressief of stationair zijn.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Inhoud, motivering en gegevens van het
                                advies</cursief></al><lijst><li nr="*"><al>Het advies moet inzichtelijk en logisch zijn.</al></li><li nr="*"><al>De bevindingen van de adviseur moeten zodanig zijn
                                        gepresenteerd dat controle ervan (ook) door een andere
                                        deskundige mogelijk is.</al></li><li nr="*"><al>Het advies moet zijn voorzien van een deugdelijke en voor
                                        derden kenbare schriftelijke motivering. </al></li><li nr="*"><al>Het College moet inzage hebben in de stukken die ten
                                        grondslag liggen aan het advies. Denk aan een verklaring van
                                        de specialist die door de adviseur is opgevraagd en
                                        ontvangen.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Conclusie(s) en ondertekening van het advies</cursief></al><lijst><li nr="*"><al>De conclusie(s) van de adviseur moeten aansluiten op zijn
                                        bevindingen en mogen daar zeker niet mee in tegenspraak
                                        zijn.</al></li><li nr="*"><al>Het advies wordt ondertekend door de adviseur zelf en
                                        eventueel (ook) door de adviseur (meestal een arts) onder
                                        wiens verantwoordelijkheid het advies tot stand is
                                        gekomen.</al></li><li nr="*"><al>Het advies moet vermelden dat de strekking ervan is verteld
                                        aan de cliënt en of deze zich daarin kan vinden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlagen</label></kop><divisie><kop><label>Bijlage I Onderzoek dreigende overbelasting</label></kop><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Het College onderzoekt altijd of er in de individuele situatie moet
                                worden afgeweken van de algemene regels. Reden om in de individuele
                                situatie af te wijken, kan zijn dat degene van wie wordt verwacht
                                dat hij of zij taken of activiteiten overneemt in het kader van
                                gebruikelijke hulp, overbelast dreigt te raken (hierna de
                                huisgenoot). Overbelasting is: meer belasten dan het
                                prestatievermogen toelaat. In medische kringen praten we over
                                het(on)evenwicht tussen draagkracht(belastbaarheid) en draaglast
                                (belasting). Overbelasting kan veroorzaakt worden door een
                                combinatie van symptomen van lichamelijke of psychische aard en
                                wordt bepaald door in- en uitwendige factoren.</al><al/><al><cursief>Factoren die van invloed zijn op de
                                draagkracht:</cursief></al><lijst><li nr="*"><al>lichamelijke conditie huisgenoot</al></li><li nr="*"><al>geestelijke conditie huisgenoot</al></li><li nr="*"><al>wijze van omgaan met problemen (coping)</al></li><li nr="*"><al>motivatie voor ondersteunings- en/of zorgtaak</al></li><li nr="*"><al>sociaal netwerk</al></li></lijst><al/><al><cursief>Factoren die van invloed zijn op de
                                draaglast:</cursief></al><lijst><li nr="*"><al>omvang en mate van (on)planbaarheid van ondersteuningstaken;
                                        ziektebeeld en prognose</al></li><li nr="*"><al>inzicht van persoon in ziektebeeld van de cliënt</al></li><li nr="*"><al>woonsituatie</al></li><li nr="*"><al>bijkomende sociale problemen</al></li><li nr="*"><al>bijkomende emotionele problemen</al></li><li nr="*"><al>bijkomende relationele problemen</al></li><li nr="*"><al>Onderzoek naar de draaglast en draagkracht</al></li></lijst><al/><al>Het kan soms heel duidelijk zijn dat de huisgenoot overbelast is. Is
                                dit minder duidelijk, dan zal dit in het gesprek maar zeker bij de
                                beoordeling van de aanspraak (indicatie) moeten worden uitgediept.
                                De beperkingen in de belastbaarheid vanwege de gezondheid van de
                                huisgenoot dienen te worden beoordeeld door een arts. In voorkomende
                                gevallen kan het opnemen van contact met de behandelende sector
                                volstaan om hierover een oordeel te vormen. In andere gevallen zal
                                om een extern (medisch) advies moeten worden gevraagd.</al><al/><al><cursief>Het onderzoeken van overbelasting</cursief></al><al>Onderzoeksvragen die de Wmo-consulent zouden kunnen helpen bij het
                                verkrijgen van een indruk over de eventuele overbelasting van de
                                huisgenoot:</al><lijst><li nr="*"><al>Wat zegt de huisgenoot er zelf over, hoe ervaart hij of zij
                                        het ondersteunen en/of bieden van zorg?</al></li><li nr="*"><al>Hoe is de (lichamelijke en geestelijke) gezondheid van de
                                        huisgenoot?</al></li><li nr="*"><al>Zijn er signalen van overbelasting: nervositeit,
                                        vermoeidheid?</al></li><li nr="*"><al>Heeft de huisgenoot een uitlaatklep? Heeft hij of zij de
                                        mogelijkheid om activiteiten buitenshuis te doen?</al></li><li nr="*"><al>Kan iemand zijn verhaal kwijt bij vrienden, familie of
                                        professionals? Wordt er respijtzorg geboden zodat de
                                        huisgenoot even op adem kan komen?</al></li><li nr="*"><al>Hoe is de relatie tussen de huisgenoot en de cliënt? Hoe
                                        stelt de cliënt zich op, veeleisend of juist dankbaar? Kan
                                        de huisgenoot grenzen aangeven en ‘nee’ zeggen? Is er
                                        irritatie tussen de huisgenoot en de cliënt?</al></li><li nr="*"><al>Heeft de huisgenoot inzicht in de beperkingen van de cliënt?
                                        (Als men weet dat bepaald gedrag uit bijvoorbeeld een ziekte
                                        of aandoening voortkomt, kan het gemakkelijker zijn dat
                                        gedrag te accepteren)</al></li><li nr="*"><al>Hoeveel tijd heeft de huisgenoot? Heeft iemand een baan, een
                                        eigen gezin, een ander familielid dat ondersteuning of zorg
                                        (verpleging en verzorging) behoeft? Voorbeeld. Een
                                        echtgenoot ondervindt beperkingen terwijl zijn vrouw ook al
                                        voor haar ouders zorgt.</al></li><li nr="*"><al>Is de ondersteuning of de zorg te plannen of is er continu
                                        controle en toezicht nodig?</al></li><li nr="*"><al>Hoe is de prognose? (Een terminale situatie is altijd zwaar,
                                        maar een situatie die langdurig en stabiel is, kan ook
                                        veeleisend zijn)</al></li><li nr="*"><al>Wat zijn de knelpunten in de ondersteuning en/of de
                                        zorg?</al></li><li nr="*"><al>Hoe is de woonsituatie? Woont men afgelegen, of in een flat
                                        zonder lift zodat de cliënt en de huisgenoot min of meer
                                        samen opgesloten zitten.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Symptomen die zouden kunnen wijzen op
                                    overbelasting</cursief></al><al>Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting.
                                De mate waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon
                                verschillen. Daarnaast dient men zich te bedenken dat het hierbij om
                                veelal aspecifieke symptomen gaat die ook bij andere stoornissen
                                kunnen passen. Dit is een van de redenen waarom de beoordeling
                                hiervan bij een (medisch) adviseur moet worden neergelegd. Het
                                bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden
                                opgevat.</al><al/><al>Mogelijke symptomen van overbelasting zijn:</al><lijst><li nr="*"><al>Gespannen spieren, vaak in schoudergordel en rug</al></li><li nr="*"><al>Hoge bloeddruk</al></li><li nr="*"><al>Gewrichtspijn</al></li><li nr="*"><al>Gevoelens van slapte</al></li><li nr="*"><al>Slapeloosheid</al></li><li nr="*"><al>Migraine, duizeligheid</al></li><li nr="*"><al>Spierkrampen</al></li><li nr="*"><al>Verminderde weerstand, ziektegevoeligheid</al></li><li nr="*"><al>Opvliegingen</al></li><li nr="*"><al>Ademnood en gevoelens van beklemming op de borst</al></li><li nr="*"><al>Plotseling hevig zweten</al></li><li nr="*"><al>Gevoelens van beklemming in de hals</al></li><li nr="*"><al>Spiertrekkingen in het gezicht</al></li><li nr="*"><al>Verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale)
                                        agressie, zwijgen.</al></li><li nr="*"><al>Ongeduld</al></li><li nr="*"><al>Vaak huilen</al></li><li nr="*"><al>Neerslachtigheid</al></li><li nr="*"><al>Isolering</al></li><li nr="*"><al>Verbittering</al></li><li nr="*"><al>Concentratieproblemen</al></li><li nr="*"><al>Dwangmatig denken, niet meer kunnen stoppen</al></li><li nr="*"><al>Rusteloosheid</al></li><li nr="*"><al>Perfectionisme</al></li><li nr="*"><al>Geen beslissingen kunnen nemen</al></li><li nr="*"><al>Denkblokkades</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Bijlage II Uitgangspunten zorg ouder voor kinderen</label></kop><al><onderstreept>Kinderen van 0 tot 3 jaar</onderstreept></al><lijst><li nr="*"><al>hebben bij alle activiteiten zorg van een ouder nodig;</al></li><li nr="*"><al>ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;</al></li><li nr="*"><al>zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en
                                        verplaatsen.</al></li><li nr="*"><al>hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun
                                        psychomotorische ontwikkeling;</al></li><li nr="*"><al>hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke
                                        en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend
                                        pedagogisch klimaat wordt geboden.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Kinderen van 3 tot 5 jaar</onderstreept></al><lijst><li nr="*"><al>kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht
                                        kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. ouder kan
                                        was ophangen in andere kamer);</al></li><li nr="*"><al>hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun
                                        psychomotorische ontwikkeling;</al></li><li nr="*"><al>kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan
                                        en lopen;</al></li><li nr="*"><al>ontvangen zindelijkheidstraining van ouders/verzorgers;</al></li><li nr="*"><al>hebben gedeeltelijk hulp en volledig stimulans en toezicht
                                        nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed
                                        komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;</al></li><li nr="*"><al>hebben begeleiding nodig bij hun spel en
                                        vrijetijdsbesteding;</al></li><li nr="*"><al>zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te
                                        begeven.</al></li><li nr="*"><al>hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke
                                        en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend
                                        pedagogisch klimaat wordt geboden.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Kinderen van 5 tot 12 jaar</onderstreept></al><lijst><li nr="*"><al>kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op
                                        school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;</al></li><li nr="*"><al>kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht
                                        kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe
                                        omgeving van de woning als ouder thuis is);</al></li><li nr="*"><al>hebben toezicht nodig en nog maar weinig hulp bij hun
                                        persoonlijke verzorging;</al></li><li nr="*"><al>hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun
                                        psychomotorische ontwikkeling;</al></li><li nr="*"><al>zijn overdag zindelijk, en 's nachts merendeels ook;
                                        ontvangen zonodig zindelijkheidstraining van de
                                        ouders/verzorgers;</al></li><li nr="*"><al>hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer
                                        wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging
                                        van school of vrije tijdsbesteding gaan.</al></li><li nr="*"><al>hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke
                                        en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend
                                        pedagogisch klimaat wordt geboden.</al></li></lijst><al/><al><onderstreept>Kinderen van 12 tot 18 jaar</onderstreept></al><lijst><li nr="*"><al>hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;</al></li><li nr="*"><al>kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;</al></li><li nr="*"><al>kunnen vanaf 16 jaar dag en nacht alleen gelaten
                                        worden;</al></li><li nr="*"><al>kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;</al></li><li nr="*"><al>hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar
                                        weinig toezicht nodig;</al></li><li nr="*"><al>hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op
                                        school/opleiding;</al></li><li nr="*"><al>hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en
                                        ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan
                                        wonen).</al></li><li nr="*"><al>hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig
                                        waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en
                                        een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Bijlage III Checklist betrekken mantelzorg bij het onderzoek</label></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="52*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="44*"/><tbody><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Mogelijke mantelzorg</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al>Kan de cliënt rekenen op hulp van partner,
                                                  gezinsleden of van andere mensen die tot het
                                                  huishouden behoren?</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee </al><al>Ja →</al><al>○ geen hulp of weinig hulp</al><al>○ wel hulp: één of meer keer per week</al><al>○ wel hulp: dagelijks</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>Kan de cliënt rekenen op hulp van familieleden
                                                  of vrienden die niet tot het huishouden
                                                  behoren?</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al><al>Ja →</al><al>○ geen hulp of weinig hulp</al><al>○ wel hulp: één of meer keer per week</al><al>○ wel hulp: dagelijks</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al>Welke extra taken heeft de mantelzorg in de loop
                                                  der tijd op zich genomen?</al></entry><entry colname="col3"><al>Hulp bij dagelijkse bezigheden</al><al>Persoonlijke verzorging</al><al>Huishoudelijke taken </al><al>Overige taken, namelijk …</al><al>(bijvoorbeeld vervoer naar ziekenhuis,
                                                  emotionele steun)</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Gevolgen voor andere verantwoordelijkheden en
                                                  activiteiten van de mantelzorg</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1</al></entry><entry colname="col2"><al>Met welke andere verantwoordelijkheden en
                                                  activiteiten worden de (extra) zorgtaken door de
                                                  verzorger gecombineerd</al></entry><entry colname="col3"><al>Werk buitenshuis, fulltime/ parttime (uren per
                                                  week:.…)</al><al>Opleiding, fulltime/ parttime (uren per week:
                                                  .…)</al><al>Zorg voor (andere) huisgenoten (jonge kinderen?
                                                  ….)</al><al>Huishoudelijke taken (worden de taken
                                                  gedeeld?)</al><al>Zorg voor (andere) familieleden</al><al>Vrije tijd, hobby’s</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>Gaan de zorgtaken van de verzorger ten koste van
                                                  de bij vraag 1 genoemde andere taken en
                                                  verantwoordelijkheden</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee </al><al>Ja, namelijk …</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al>Gaan de extra zorgtaken die de verzorger op zich
                                                  heeft genomen ten koste van belangrijke voornemens
                                                  (bijvoorbeeld het volgen van een opleiding,
                                                  promotie op het werk)?</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee</al><al>Ja, namelijk …</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.</al></entry><entry colname="col2"><al>Heeft de verzorger als werknemer zorgverlof
                                                  kunnen opnemen?</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee, waarom niet? </al><al>Ja, hoe lang en hoeveel uren per week?</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Belasting van mantelzorg</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al>Welke taken worden door de verzorger als
                                                  (emotioneel en/of fysiek) belastend ervaren?</al></entry><entry colname="col3"><al>Hulp bij dagelijkse bezigheden</al><al>Persoonlijke verzorging</al><al>Huishoudelijke taken</al><al>Overige taken, namelijk …</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>Om wat voor belasting gaat het?</al></entry><entry colname="col3"><al>Vooral fysiek belastend</al><al>Vooral emotioneel belastend</al><al>Zowel fysiek als emotioneel belastend</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al>Heeft de zorgende persoon last van aanhoudende
                                                  vermoeidheid door de gegeven hulp (in combinatie
                                                  met andere taken)?</al></entry><entry colname="col3"><al>Nee </al><al>Ja (zie ook checklist draaglast en
                                                  draagkracht)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Mogelijkheden en beperkingen van verzorgers</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al>Welke taken is de verzorger goed in staat te
                                                  verrichten?</al></entry><entry colname="col3"><al>Hulp bij dagelijkse bezigheden</al><al>Persoonlijke verzorging</al><al>Huishoudelijke taken</al><al>Overige taken, namelijk …</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>Bij welke taken is er behoefte aan
                                                  ondersteuning?</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Wensen van de verzorger en verwachtingen van de
                                                  zorgvrager</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al>Welke taken wil de verzorger blijven
                                                  uitvoeren?</al></entry><entry colname="col3"><al>Hulp bij dagelijkse bezigheden</al><al>Persoonlijke verzorging</al><al>Huishoudelijke taken</al><al>Overige taken, namelijk...</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>Aan welke zorgtaken hecht de aanvrager het
                                                  meeste belang?</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col2" namest="col1"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Ondersteuning</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al>Wat vindt de verzorger nodig om in staat te zijn
                                                  de (extra) zorgtaken op zich te kunnen (blijven)
                                                  nemen?</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al>Wat vindt de cliënt nodig om de verzorger in
                                                  staat te stellen de zorgtaken op zich te kunnen
                                                  (blijven)nemen?</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al>Is er behoefte aan respijtzorg?</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.</al></entry><entry colname="col2"><al>Is er behoefte aan training of informatie?</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></divisie><divisie><kop><label>Bijlage IV Doelgroep, terreinen en resultaten beperkingen zelfredzaamheid en participatie</label></kop><al><cursief>Voorbeelden doelgroep</cursief></al><lijst><li nr="*"><al>Ouderen met somatische of psychogeriatrische problematiek
                                    </al></li><li nr="*"><al>Ouderen die door dementie of cognitieve achteruitgang
                                        beperkt zijn in hun zelfredzaamheid</al></li><li nr="*"><al>Volwassenen met psychiatrische problematiek</al></li><li nr="*"><al>Volwassenen met een verstandelijke beperking</al></li><li nr="*"><al>Volwassenen met een auditieve en/of visuele beperking</al></li><li nr="*"><al>Volwassenen met een lichamelijke beperking of chronische
                                        ziekte</al></li></lijst><al/><al><cursief>Verschillende terreinen</cursief></al><al>Ook is het zo dat de cliënt op één of meerdere terreinen beperkingen
                                in zelfredzaamheid en participatie kan ondervinden. Voorbeelden
                                zijn:</al><lijst><li nr="*"><al>sociale redzaamheid</al></li><li nr="*"><al>bewegen en verplaatsen</al></li><li nr="*"><al>probleemgedrag</al></li><li nr="*"><al>psychisch functioneren</al></li><li nr="*"><al>geheugen- en oriëntatiestoornissen</al></li></lijst><al/><al><cursief>Sociale redzaamheid</cursief></al><al>Bij sociale redzaamheid gaat het om de volgende aspecten:</al><lijst><li nr="*"><al>begrijpen wat anderen zeggen</al></li><li nr="*"><al>een gesprek voeren</al></li><li nr="*"><al>zich begrijpelijk maken</al></li><li nr="*"><al>initiëren en uitvoeren eenvoudige taken</al></li><li nr="*"><al>kunnen lezen, schrijven en rekenen</al></li><li nr="*"><al>communicatiehulpmiddel gebruiken</al></li><li nr="*"><al>dagelijkse bezigheden</al></li><li nr="*"><al>problemen oplossen en besluiten nemen</al></li><li nr="*"><al>dagelijkse routine regelen</al></li><li nr="*"><al>zelf geld beheren</al></li><li nr="*"><al>initiëren en uitvoeren complexere taken</al></li><li nr="*"><al>zelf administratie zaken bijhouden</al></li></lijst><al/><al><cursief>Bewegen en verplaatsen</cursief></al><al>Bij zich bewegen en verplaatsen gaat het om de volgende
                                aspecten:</al><lijst><li nr="*"><al>lichaamspositie handhaven</al></li><li nr="*"><al>grove hand- en armbewegingen maken</al></li><li nr="*"><al>fijne handbewegingen maken</al></li><li nr="*"><al>lichtere voorwerpen tillen</al></li><li nr="*"><al>gecoördineerd bewegingen maken met benen en voeten</al></li><li nr="*"><al>lichaamspositie veranderen</al></li><li nr="*"><al>trap op en af gaan zonder hulp(middelen)</al></li><li nr="*"><al>zich verplaatsen met hulp(middelen)</al></li><li nr="*"><al>voortbewegen binnenshuis, zonder hulp(middelen)</al></li><li nr="*"><al>gebruik maken van openbaar vervoer</al></li><li nr="*"><al>eigen vervoermiddel gebruiken</al></li><li nr="*"><al>voortbewegen buitenshuis zonder hulp(middelen)</al></li><li nr="*"><al>korte afstanden lopen</al></li><li nr="*"><al>zwaardere voorwerpen tillen</al></li></lijst><al/><al><cursief>Gedragsproblemen</cursief></al><al>Bij gedragsproblemen gaat het om de volgende aspecten:</al><lijst><li nr="*"><al>destructief gedrag (gericht op zichzelf en/of de ander,
                                        zowel letterlijk als figuurlijk)</al></li><li nr="*"><al>dwangmatig gedrag</al></li><li nr="*"><al>lichamelijk agressief gedrag</al></li><li nr="*"><al>manipulatief gedrag</al></li><li nr="*"><al>verbaal agressief gedrag</al></li><li nr="*"><al>zelfverwondend of zelfbeschadigend gedrag</al></li><li nr="*"><al>grensoverschrijdend seksueel gedrag</al></li></lijst><al/><al><cursief>Psychisch functioneren</cursief></al><al>Bij psychisch functioneren gaat het om de volgende aspecten:</al><lijst><li nr="*"><al>concentratie</al></li><li nr="*"><al>geheugen en denken</al></li><li nr="*"><al>perceptie van omgeving</al></li></lijst><al/><al><cursief>Oriëntatiestoornissen</cursief></al><al>Bij oriëntatiestoornissen gaat het om de volgende aspecten:</al><lijst><li nr="*"><al>oriëntatie in persoon</al></li><li nr="*"><al>oriëntatie in ruimte</al></li><li nr="*"><al>oriëntatie in tijd</al></li><li nr="*"><al>oriëntatie naar plaats</al></li></lijst><al/><al><cursief>Resultaten opbouwen van sociaal netwerk
                                cliënt</cursief></al><lijst><li nr="*"><al>Cliënt heeft gezond sociaal netwerk en vervult daarbinnen
                                        een passende sociale rol</al></li><li nr="*"><al>Cliënt is in staat een beroep te doen op personen in
                                        zijn/haar sociaal netwerk</al></li><li nr="*"><al>Client kan eigen problematiek in relatie tot sociale netwerk
                                        hanteren</al></li><li nr="*"><al>Bij bemoeizorg: cliënt staat open voor opbouw sociaal
                                        netwerk</al></li></lijst><al/><al><cursief>Resultaten thuisadministratie</cursief></al><lijst><li nr="*"><al>Overzicht van de administratie / administratie op orde</al></li><li nr="*"><al>Tijdige betaling van rekeningen</al></li><li nr="*"><al>Inkomsten en uitgaven in balans</al></li><li nr="*"><al>Indien aanwezig beheersbaar maken van de schulden
                                        problematiek (en indien mogelijk in relatie tot de
                                        inkomsten: vermindering van de schuldenlast)</al></li></lijst><al/><al><cursief>Resultaten participatie (plannen van dagelijkse
                                    activiteiten)</cursief></al><lijst><li nr="*"><al>Cliënt heeft een zinvolle (verplichte) dagbesteding</al></li><li nr="*"><al>Cliënt heeft onbetaald werk met ondersteuning</al></li><li nr="*"><al>Cliënt heeft onbetaald werk zonder ondersteuning</al></li><li nr="*"><al>Cliënt heeft betaald werk met ondersteuning</al></li><li nr="*"><al>Cliënt heeft betaald werk zonder ondersteuning</al></li><li nr="*"><al>Mantelzorg is ontlast</al></li></lijst><al/><al><cursief>Resultaten zelfzorg</cursief></al><lijst><li nr="*"><al>Cliënt is in staat zich zelf te verzorgen. Denk aan zichzelf
                                        wassen, afdrogen, aan en uitkleden, scheren, tanden poetsen,
                                        haren kammen, etc.</al></li><li nr="*"><al>Cliënt ziet er in het algemeen verzorgd uit (draagt schone
                                        kleding)</al></li><li nr="*"><al>Cliënt komt afspraken met zorgprofessionals (zoals huisarts,
                                        tandarts, medisch specialist) na</al></li></lijst><al/><al><cursief>Resultaten organisatie van het huishouden of hulp bij een
                                    ontregeld huishouden</cursief></al><al>Onder begeleiding kan ook de organisatie van het huishouden of hulp
                                bij een ontregeld huishouden worden verstaan. Deze wordt slechts
                                verleend indien de te bereiken resultaten zijn gericht op (het
                                aanleren van) het zelfstandig uitvoeren van belangrijke
                                huishoudelijke taken zodat de cliënt in staat wordt gesteld een
                                gestructureerd huishouden te voeren.</al></divisie></bijlage></regeling></body></cvdr>