<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR346854_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rioolheffing 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elektronisch Gemeenteblad, 17-11-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rioolheffing 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=216">Gemeentewet, art. 216</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=228a">Gemeentenwet, art. 228a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015/06/001712; Z2015-003532</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vervangen door de '<extref doc="1.1:CVDR381289_1">Verordening rioolheffing 2016</extref>'.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rioolheffing 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zandvoort:</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4
                        september 2014;</al><al>gelet op de overwegingen van de commissie Bestuur en Middelen van 7 oktober
                        2014 gelet op artikel 216 en 228a van de Gemeentewet;</al><al>besluit de volgende verordening, inclusief toelichting, vast te
                        stellen:</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1. DE VERORDENING</titel></kop><paragraaf><kop><nr>1.1</nr><titel>BEGRIPSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>het college: </vet>het college van burgemeester en
                                        wethouders van de gemeente Zandvoort;</al></li><li nr="b."><al><vet>de raad: </vet>de gemeenteraad van Zandvoort.</al></li><li nr="c."><al><vet>ambtenaar belast met de heffing: </vet>de
                                        gemeenteambtenaar die door het college is aangewezen als de
                                        in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet
                                        bedoelde ambtenaar belast met de heffing van de
                                        gemeentelijke belastingen.</al></li><li nr="d."><al><vet>perceel: </vet>een roerende of onroerende zaak of een
                                        zelfstandig gedeelte daarvan;</al></li><li nr="e."><al><vet>gemeentelijke riolering: </vet>een voorziening of
                                        combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking,
                                        zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of
                                        grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de
                                        gemeente;</al></li><li nr="f."><al><vet>verbruiksperiode: </vet>de periode waarop de afrekening
                                        van het waterbedrijf betrekking heeft;</al></li><li nr="g."><al><vet>water: </vet>huishoudelijk afvalwater,
                                        bedrijfsafvalwater, hemelwater of grondwater.</al><al/></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>1.2 NORMSTELLING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Aard van de belasting</titel></kop><al>Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter
                                bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn
                                aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater
                                        en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van
                                        huishoudelijk afvalwater; en</al></li><li nr="b."><al>de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van
                                        het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van
                                        maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de
                                        grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming
                                        zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastbaar feit en belastingplicht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel
                                        van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke
                                        riolering wordt afgevoerd;</al></li><li nr="2."><al>Met betrekking tot de belasting, wordt als gebruiker
                                        aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>degene die naar de omstandigheden beoordeeld het
                                                perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit,
                                                beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;</al><al>b.ingeval een gedeelte van een perceel — niet een
                                                gedeelte als bedoeld in artikel 4 — voor gebruik is
                                                afgestaan: degene die dat gedeelte voor gebruik
                                                heeft afgestaan.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Zelfstandige gedeelten</titel></kop><al>Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun
                                indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt,
                                wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd
                                gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die
                                gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één
                                perceel worden aangemerkt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De belasting wordt geheven naar het aantal kubieke meters
                                        water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd.</al></li><li nr="2."><al>Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op 90% van het
                                        aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat in de
                                        laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande
                                        verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of
                                        opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan
                                        een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water
                                        door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding
                                        wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle
                                        maand gerekend.</al></li><li nr="3."><al>Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet
                                        die pompinstallatie zijn voorzien van een:</al><lijst><li nr="a."><al>watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water
                                                kan worden afgelezen, of</al></li><li nr="b."><al>bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een
                                                pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is
                                                geweest kan worden afgelezen.</al><al>De eerste volzin is niet van toepassing indien
                                                vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water
                                                geschiedt op grond van enige andere wettelijke
                                                bepaling.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid
                                        toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de
                                        hoeveelheid water die niet is afgevoerd.</al></li><li nr="5."><al>Indien de in het tweede lid vermelde berekeningswijze niet
                                        mogelijk is of de verbruikgegevens niet bekend zijn, wordt
                                        het waterverbruik van gemeentewege geschat, met dien
                                        verstande dat voor de berekening een minimum wordt
                                        aangehouden van 500 m<sup>3</sup>.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De belasting bedraagt:</al></li><li nr="1."><al>behoudens het bepaalde in lid 2 van</al></li></lijst><al>dit artikel per eigendom € 198,40</al><al>2.in afwijking van het bepaalde in lid 1. van dit artikel per
                                eigendom van waaruit meer dan 200m<sup>3</sup> afvalwater per jaar
                                wordt afgevoerd:</al><al>bij een waterverbruik van</al><al/><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="15*"/><colspec colname="col2" colwidth="61*"/><colspec colname="col3" colwidth="15*"/><colspec colname="col4" colwidth="9*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.van 201 tot en met 500 m3 </al></entry><entry colname="col2"><al>€ 198,40</al></entry><entry colname="col3"><al>vermeerderd met een bedrag van </al></entry><entry colname="col4"><al>€1,55</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>voor elke m3 boven het aantal van</al></entry><entry colname="col2"><al>200 m3</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b. van 501 tot en met 1.000 m3</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 663,40</al></entry><entry colname="col3"><al>vermeerderd met een bedrag van </al></entry><entry colname="col4"><al>€1,25</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>voor elke m3 boven het aantal van</al></entry><entry colname="col2"><al>500 m3</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c. van 1001 tot en met 5.000 m3</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 1288,40</al></entry><entry colname="col3"><al>vermeerderd met een bedrag van </al></entry><entry colname="col4"><al>€1,05</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>voor elke m3 boven het aantal van</al></entry><entry colname="col2"><al>1000 m3</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.van 5001 tot en met 10.000 m3</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 5488,40</al></entry><entry colname="col3"><al>vermeerderd met een bedrag van </al></entry><entry colname="col4"><al>€0,85</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>voor elke m3 boven het aantal van</al></entry><entry colname="col2"><al>5.000 m3</al></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e.van 10.001 tot en met 20.000 m3</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 9738,40</al></entry><entry colname="col3"><al>vermeerderd met een bedrag van </al></entry><entry colname="col4"><al>€0,55</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>voor elke m3 boven het aantal van 10.000 m3</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f.boven 20.000 </al></entry><entry colname="col2"><al>€15238,40</al></entry><entry colname="col3"><al>vermeerderd met een bedrag van </al></entry><entry colname="col4"><al>€0,35</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>voor elke m3 boven het aantal van 20.000 m3</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2.Als het bedrag van de belasting beneden € 10,- blijft, wordt geen
                                belasting geheven. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het
                                totaal van op een aanslagbiljetverenigde verschuldigde bedragen aan
                                belastingen of andere heffingen aangemerkt als één
                                belastingbedrag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Belastingjaar</titel></kop><al>Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar
                                    tijdsgelang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar
                                    of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de
                                    loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting
                                    verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat
                                    jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de
                                    aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden
                                    overblijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de
                                    loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op
                                    ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar
                                    verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde
                                    van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden
                                    overblijven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de
                                    belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een
                                    ander perceel in gebruik neemt</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet
                                    1990 moet de aanslag worden betaald uiterlijk op de laatste dag
                                    van de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening
                                    van het aanslagbiljet is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag
                                    van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen meer is dan €
                                    70,-, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van
                                    automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de
                                    aanslagen moeten worden betaald in 7 gelijke termijnen. De
                                    eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op
                                    die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en
                                    elk van de volgende termijnen telkens op de laatste dag van de
                                    daarop volgende maand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid,
                                    onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een
                                    belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een
                                    bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige
                                    toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de
                                    vaststelling van de aanslag.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de
                                    voorgaande leden gestelde termijnen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Nadere regels door het college</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven
                                met betrekking tot de heffing en de invordering van de
                                rioolheffing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Bij de invordering van rioolheffing van gebruikers van eigendommen,
                                niet zijnde eigendommen die bestemd zijn om als particuliere
                                huishouding te worden gebruikt en ook als zodanig worden gebruikt,
                                wordt geen kwijtschelding verleend.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>1.3 Overgangs en slotbepalingen </label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Bevoegdheden</titel></kop><al/><al>De 'ambtenaar belast met de heffing' is belast met de uitvoering van
                                deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De 'Verordening rioolheffing 2014", vastgesteld bij
                                        raadsbesluit van 6 november 2013, wordt ingetrokken met
                                        ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van
                                        de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft
                                        op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                                        voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste
                                        dag na die van de bekendmaking.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening wordt aangehaald als "Verordening
                                        rioolheffing 2015".</al></li></lijst><al/></artikel></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 10 november 2014</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>2 Toelichting op de verordening</label></kop><al/><al>2.1 <vet>ALGEMEEN</vet></al><al/><al><vet>Wettelijke basis</vet></al><al>De verordening rioolheffing is gebaseerd op de tekst van artikel 228a van de
                    Gemeentewet. Gekozen is voor een zogenaamd 'aangekleed model, dat wil zeggen dat
                    de tekst van hogere wettelijke regelingen, waar nodig voor de duidelijkheid, is
                    overgenomen. De rioolheffing is in de plaats gekomen van de rioolrechten. Vanaf
                    1 januari 2010 is de mogelijkheid tot het heffen van rioolrechten vervallen
                    (behalve het eenmalig rioolaansluitrecht) en kan de gemeente enkel de
                    rioolheffing in rekening brengen.</al><al/><al>De Wet verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken (Stb. 2007, 276
                    en 277) introduceert in artikel 228a van de Gemeentewet een nieuwe rioolheffing.
                    Deze rioolheffing treedt in de plaats van het rioolrecht dat is gebaseerd op
                    artikel 229 van de Gemeentewet. De nieuwe rioolheffing heeft het karakter van
                    een bestemmingsheffing waarmee kosten kunnen worden verhaald om maatregelen te
                    treffen die de gemeente noodzakelijk acht voor een doelmatig werkende riolering
                    en overige maatregelen ten aanzien van hemelwater en grondwater. Dit betekent
                    dat het individuele profijt van de heffing door de gemeente niet meer hoeft te
                    worden aangetoond. De gemeente kan de kosten verhalen die ze maakt voor het
                    nakomen van de zorgplichten uit de Wet verankering en bekostiging van
                    gemeentelijke watertaken.</al><al/><al>De voorzieningen waarvan de kosten kunnen worden verhaald sluiten aan bij de
                    maatregelen die de gemeente in het kader van het gemeentelijke rioleringsplan
                    (GRP) onderneemt. Dit kunnen maatregelen met een collectief of individueel
                    karakter zijn. Van belang is dat de gemeente aannemelijk kan maken dat de
                    maatregelen van belang zijn voor het nakomen van de zorgplichten. Het
                    wetsvoorstel kent naast de introductie van de rioolheffing ook een verbreding
                    van het GRP.</al><al/><al>De meer taakgerichte insteek leidt er bijvoorbeeld toe dat er geen onzekerheid
                    meer bestaat over de mogelijkheid om bijvoorbeeld de kosten van een voorziening
                    voor de individuele behandeling van afvalwater (IBA) te verhalen. Indien de IBA
                    wordt geplaatst ter nakoming van de zorgplicht van de gemeente kunnen de kosten
                    worden meegenomen in de rioolheffing.</al><al/><al>Naast de rioolheffing van artikel 228a van de Gemeentewet kan een gemeente op
                    basis van artikel 229, derde lid, van de Gemeentewet alleen nog een eenmalig
                    rioolaansluitrecht heffen of een eenmalig recht heffen voor de kosten van een
                    IBA die de gemeente voor een eigenaar aanlegt. Ook de baatbelasting voor aanleg
                    van nieuwe riolering blijft gehandhaafd.</al><al/><al><vet>Zorgplichten</vet></al><al>In artikel 228a van de Gemeentewet worden de verschillende zorgplichten van de
                    gemeente op het terrein van water opgesomd. Het betreft de zorgplicht voor
                    afvalwater en de zorgplicht voor hemel- en grondwater. Het resultaat en de
                    doelmatigheid van de maatregelen staat voorop, niet meer de wijze waarop de
                    gemeente haar zorgplicht nakomt.</al><al/><al>De opbrengsten van de rioolheffing dienen te worden aangewend voor de nakoming
                    van deze zorgplichten. De reikwijdte van de verschillende zorgplichten is in de
                    Wet verankering en bekostiging gemeentelijke watertaken vastgelegd. Dat de
                    gemeente de zorgplichten heeft, betekent niet dat de gemeente steeds aan zet is
                    om alle problemen op te lossen. De afvalwaterzorgplicht kent een mogelijkheid
                    tot het vragen van ontheffing bij de provincie als maatregelen niet doelmatig
                    zijn. De zorgplicht voor hemel- en grondwater kent eenvoorkeursvolgorde. In
                    eerste instantie is de particulier verantwoordelijk op eigen terrein. Pas indien
                    het redelijkerwijs niet van de particulier kan worden verwacht dat hij zelf
                    maatregelen neemt kan het water ter nadere verwerking worden aangeboden bij de
                    gemeente.</al><al/><al>Ook het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) wijzigt. Nieuw vast te stellen GRP's
                    dienen naast de reeds bestaande planverplichting voor de riolering ook expliciet
                    aandacht te besteden aan de nieuwe zorgplichten voor hemel- en grondwater. Het
                    GRP zal ook ten minste een overzicht bevatten van de in de gemeente aanwezige
                    voorzieningen voor de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater en de
                    voorgenomen maatregelen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen van de
                    grondwaterstand. Dat laatste uiteraard alleen als er zich in de gemeente
                    daadwerkelijk grondwaterproblemen voordoen.</al><al/><al>Centraal staat bij de uitvoering van de zorgplichten dat een doelmatige
                    oplossing dient te worden gekozen. Gemeenten zijn dus vrij in de keuze welke
                    maatregelen worden getroffen als het beoogde doel maar wordt bereikt. Als een
                    IBA het beoogde milieurendement oplevert, is het een goede oplossing. Normen
                    waarbinnen verplicht riolering dient te worden opgelegd zijn niet meer van
                    toepassing. Voor de bestrijding van water dat in de huizen stroomt bij hevige
                    regenval kan vanzelfsprekend een regenwaterriool worden aangelegd. De gemeente
                    mag er echter ook voor kiezen om de stoepranden langs de straat te verhogen.
                    Zodoende blijft het water op straat staan en loopt het niet meer de huizen
                    in.</al><al/><al><vet>Kostenverhaal</vet></al><al>Hoofdregel bij het kostenverhaal is dat de kosten via de heffing mogen worden
                    verhaald die worden gemaakt ter nakoming van de zorgplichten. Omdat de aard van
                    de voorzieningen niet meer doorslaggevend is dient de gemeente enkel aannemelijk
                    te maken dat de kosten gemaakt zijn in het kader van de zorgplicht. De
                    onderstaande driedeling kan worden gemaakt:</al><lijst><li nr="1."><al>De voorziening is volledig dienstbaar aan het nakomen van de
                            zorgplichten. De integrale kosten van de voorziening kunnen worden
                            verhaald via de heffing. Voor de bepaling van de integrale kosten zijn
                            de uitgangspunten van de begroting leidend.</al></li><li nr="2."><al>De voorziening is niet dienstbaar aan het nakomen van de zorgplichten.
                            De kosten van de voorziening kunnen niet worden verhaald via de
                            heffing.</al></li><li nr="3."><al>De voorziening is dienstbaar aan het nakomen van de zorgplichten maar
                            dient tevens andere doelen. Het gedeelte van de kosten dat
                            redelijkerwijs kan worden toegerekend aan het nakomen van de
                            zorgplichten kan via de heffing worden verhaald. Is de voorziening
                            slechts zijdelings (&lt; 10%) dienstbaar aan het nakomen van de
                            zorgplichten dan kunnen de kosten niet worden verhaald via de
                            heffing.</al><al/></li></lijst><al>Als voorbeeld de kosten voor baggeren. Als het baggeren samenhangt met het
                    onderhoud van gemeentelijk oppervlaktewateren en vaarwegen, dan kunnen de kosten
                    niet uit de Rioolheffing worden bekostigd. Vindt het baggeren plaats vanwege de
                    ruiming van slib voor een van de zorgplichten, dan mogen de kosten wel uit de
                    heffing worden bekostigd. Onder de oude rioolrechten heeft Hof Arnhem deze
                    insteek goedgekeurd. Deze uitspraak was de uitwerking van de verwijzing van de
                    Hoge Raad waarin moest worden onderzocht of het baggeren niet of slechts
                    zijdelings de rioleringsfunctie diende. Slechts zijdelings moet daarbij worden
                    uitgelegd als voor minder dan 10% (Hof Arnhem 10 december 2007, UN: BCO240). De
                    toelichting bij de Wet verankering en bekostiging van gemeentelijke watertaken
                    wekt de indruk dat de kosten van baggeren niet kunnen worden meegenomen. Wij
                    denken dat bij de wetgever destijds de indruk leefde dat baggeren geen relatie
                    met de zorgplichten kon hebben. Dat beeld moet dus worden genuanceerd.</al><al/><al>Indien het baggeren deels plaatsvindt vanwege een van de zorgplichten, maar
                    tegelijkertijd ook andere doelen dient, moet de gemeente een kostenverdeling
                    opstellen. De meest praktische wijze hiervoor is de totale kosten te nemen en —
                    op basis van deskundigheid ofervaringsgegevens — een redelijke verdeling vast te
                    stellen voor de verschillende doeleinden van het baggeren. Het verdient
                    aanbeveling om de beargumenteerde toedeling vooraf controleerbaar vast te
                    leggen.</al><al/><al><vet>Begrip aansluiting</vet></al><al>Net als in de oude verordening rioolrechten is het belastbare feit het hebben
                    van een directe of indirecte aansluiting op de riolering. Met het begrip
                    aansluiting wordt echter niet hetzelfde bedoeld.</al><al>Nu de zorgplichten zijn verruimd naar het hemel- en grondwater zal de aard van
                    de gemeentelijke voorzieningen ook wijzigen. De voorzieningen zullen meer op het
                    publieke domein komen te liggen. Als de gemeente de grondwaterstand wil
                    reguleren kan het drainageriool worden aangelegd op openbaar terrein. Alle
                    omliggende percelen profiteren van drainageriool, omdat het grondwater van hun
                    perceel afvloeit richting het drainageriool. In de zin van de verordening hebben
                    deze percelen een aansluiting op de gemeentelijke riolering omdat ze hun
                    grondwater ter nadere verwerking aanbieden bij de gemeente en de gemeente een
                    voorziening heeft waar dat water daadwerkelijk wordt verwerkt. Een aansluiting
                    in de zin van een buis is dus geen voorwaarde. Dat er vanaf het perceel water
                    ter nadere verwerking wordt aangeboden en dat de gemeente daar ook wat mee doet
                    is voldoende voor het hebben van een aansluiting.</al><al>De verbreding van het begrip aansluiting heeft voor het overgrote deel van de
                    percelen geen consequenties. Deze percelen hebben sowieso al een aansluiting op
                    het rioleringsstelsel. Wij verwachten dat een kleine minderheid van de percelen
                    geen aansluiting op het buizenstelsel heeft maar wel water ter nadere verwerking
                    aanbiedt bij de gemeente. Te denken valt aan garageboxen, loodsen en dergelijke.
                    De grote groep belastingplichtigen zal echter niet wijzigen.</al><al/><al><vet>Keuze voor model A of model B</vet></al><al>De gemeente heeft de mogelijkheid om de rioolheffing voor alle taken in zijn
                    geheel te heffen (model A) maar ook om de heffing te splitsen (model B). De
                    keuze tussen de modellen is primair een politieke. Uiteindelijk beslist de raad
                    op welke wijze de rioolheffing wordt vormgegeven. Gekozen is voor bestendiging
                    van de tot heden gevoerde heffing via model A.</al><al/><al><vet>Jurisprudentie</vet></al><al>Vanzelfsprekend is er op het moment van schrijven van deze toelichting nog
                    weinig jurisprudentie gewezen op basis van de nieuwe rioolheffing. Toch wordt in
                    deze toelichting verwezen naar jurisprudentie. Daarbij moet wel worden bedacht
                    dat de jurisprudentie is gewezen voor de oude rioolrechten of andere (lokale)
                    belastingen. Daar waar in de toelichting bij de artikelen verwijzingen naar
                    jurisprudentie staan, zijn wij van mening dat deze jurisprudentie haar betekenis
                    in het licht van de nieuwe rioolheffing niet heeft verloren. Voor de exacte
                    interpretatie van de individuele uitspraken moeten echter steeds de verschillen
                    tussen de betreffende heffing en de rioolheffing worden meegewogen. Het
                    belangrijkste verschil tussen de rioolrechten en de rioolheffing is dat er geen
                    sprake meer is van een retributie maar van een bestemmingsbelasting. De link
                    tussen het individuele profijt en de heffing is hierdoor belangrijk minder
                    stringent geworden. Dit element zal met name spelen bij de gewijzigde
                    interpretatie van het begrip aansluiting, dat hierboven is toegelicht.</al><al/><al><vet>Kwijtschelding van belastingen</vet></al><al>Van de rioolheffing kan gehele of gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend,
                    indien de belasting niet anders dan met buitengewoon bezwaar kan worden betaald.
                    De mogelijkheid van kwijtschelding is beperkt tot de particuliere
                    huishoudens.</al><al/></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>2.2 Artikelsgewijze toelichting</label></kop><al><vet>Aanhef</vet></al><al>De aanhef van de verordening rioolheffing geeft aan dat de rioolheffing is
                    gebaseerd op artikel 228a van de Gemeentewet, zowel voor de heffing wegens het
                    hebben van een aansluiting op de gemeentelijke riolering als voor de heffing
                    wegens het afvoeren van water.</al><al/><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In de opzet van de verordening is gekozen voor het opnemen van een artikel
                        dat begripsomschrijvingen bevat.</al><al><cursief>Ad. c</cursief></al><al>Artikel 231 lid 2 sub b van de Gemeentewet regelt dat de bevoegdheden en
                        verplichtingen die op rijksniveau gelden voor de inspecteur overeenkomstig
                        gelden voor de ambtenaar die belast is met de heffing van de gemeentelijke
                        belastingen. Deze ambtenaar wordt op grond van artikel 232 lid 2 sub a van
                        de Gemeentewet aangewezen door het college.</al><al><cursief>Ad. d</cursief></al><al>In onderdeel d is aangegeven dat onder perceel wordt verstaan een roerende
                        of een onroerende zaak. In de verordening rioolrechten wordt hiervoor de
                        term eigendom gebruikt. Met de wijziging naar de term perceel is geen
                        inhoudelijke wijziging beoogd. De reden voor de keuze van de term perceel is
                        gelegen in het feit dat deze term ook wordt gebruikt in de Wet verankering
                        en bekostiging van gemeentelijke watertaken.</al><al>In de meerderheid van de gevallen zal onder het begrip perceel een
                        onroerende zaak vallen. De verordening beoogt echter ook roerende percelen
                        die op de gemeentelijke riolering zijn aangesloten in de heffing te
                        betrekken. Bij roerende percelen die op de gemeentelijke riolering zijn
                        aangesloten kan bijvoorbeeld worden gedacht aan caravans, woonboten en
                        niet-onroerende zomerhuisjes.</al><al>Dat ook een zelfstandig gedeelte van een onroerende of roerende zaak een
                        perceel is hangt samen met het bepaalde in artikel 4. Door een zelfstandig
                        gedeelte ook te omschrijven als een zelfstandig perceel vindt het belastbaar
                        feit plaats per zelfstandig gedeelte.</al><al>Ad. e</al><al>In onderdeel e is aangegeven dat onder gemeentelijke riolering in feite alle
                        voorzieningen vallen die worden getroffen ter nakoming van de zorgplichten.
                        De mogelijke voorzieningen zijn legio en bevatten een veel ruimer scala dan
                        het klassieke rioleringsbegrip. Dat toch voor de term gemeentelijke
                        riolering is gekozen hangt samen met de naamgeving die de formele wetgever
                        heeft gekozen voor de heffing: Rioolheffing.</al><al>Ad. f</al><al>Onderdeel f behelst een definitie van het begrip verbruiksperiode. De uit de
                        afrekening blijkende hoeveelheid van het waterleidingbedrijf afgenomen water
                        is van belang voor de vaststelling van de afgevoerde hoeveelheid afvalwater,
                        waarvoor in artikel 5 regels zijn gegeven.</al><al>Ad. g</al><al>Onderdeel g van dit artikel bepaalt dat onder het begrip water alle
                        verschillende soorten water vallen. In de zorgplichten van artikel 228a
                        worden meerdere waterbegrippen gebruikt die gebaseerd zijn op de herkomst
                        van het water. De definities van de specifieke waterbegrippen zijn opgenomen
                        in de Wet milieubeheer en behoeven in de verordening rioolheffing geen
                        nadere toelichting.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Aard van de belasting</titel></kop><al>Dit artikel is opgenomen om er geen misverstand over te laten bestaan dat de
                        heffing bedoeld is om de kosten van de zorgplichten te verhalen die zijn
                        opgesomd in artikel 228a van de Gemeentewet. Tevens blijkt uit dit artikel
                        dat het gaat om de totale kosten van de beide zorg plichten (model A).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastbaar feit en belastingplicht</titel></kop><al>De rioolheffing kan worden geheven van zowel de eigenaren als de gebruikers
                        van percelen. In de toelichting bij de Wet verankering en bekostiging
                        gemeentelijke watertaken staat dat de wetgever de bestaande praktijk dat de
                        belasting zowel van de eigenaar als de gebruiker kan worden geheven wil
                        voortzetten.</al><al>Voor de oude rioolrechten heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 5 maart
                        1980, nr. 19441, <vet>BNB </vet>1980/103 (Rotterdam) beslist dat onder
                        gebruik van de riolering mede het genot van de aansluiting voor de eigenaar
                        kan worden begrepen, nu de aansluiting de gebruikswaarde van het eigendom
                        voor de eigenaar verhoogt. Ook in latere arresten heeft de Hoge Raad in
                        gelijke zin beslist (HR 24 oktober 1984, nr. 22 429, <vet>BNB </vet>1985/58,
                        Belastingblad 1985, blz. 6 (Havelte), HR 15 juli 1986, nr. 23 881, BNB
                        1986/263, Belastingblad 1986, blz. 583 (Zutphen) en HR 12 januari 1994, nr.
                        29 597, BNB 1994/84, Belastingblad 1994, blz. 270 (Bussum).</al><al>Hof Arnhem heeft uitgebreid gemotiveerd beslist dat alleen van eigenaren kan
                        worden geheven. De andersluidende beslissing van rechtbank Arnhem is door
                        het hof van tafel geveegd (Hof Arnhem 9 oktober 2007, UN: BB5160
                        (Nijmegen)). Tegen deze uitspraak is overigens wel beroep in cassatie
                        ingesteld.</al><al>De Hoge Raad heeft in een aantal zaken geoordeeld dat de heffing van een
                        afvoerrecht van enkel de grote lozers is toegestaan. Daarbij moet het
                        aandeel van de te verhalen kosten bij de grote lozers evenredig zijn met hun
                        aandeel in de totale hoeveelheid geloosd afvalwater. Zie hiervoor de
                        uitspraken van de Hoge Raad van 10 december 2004, nr. 36804, UN: AF7508
                        (Delft) en UN: AF7510 (Delft); AF7505 (Zoetermeer); AF7514, AF7516, Af7517
                        (Eindhoven); AF7523 en AF7524 (Leiden); AF7336 (Rotterdam). Bij deze
                        uitspraken moet wel bedacht worden dat het oude rioolrecht gericht was op
                        het verhalen van de kosten van het transport van afvalwater. Indien de
                        gemeente in meer dan bijkomende mate kosten verhaalt die gepaard gaan met
                        hemel- en grondwater kan het minder gewenst zijn deze kosten enkel te
                        verhalen op de grote lozers van (bedrijfs)afvalwater. De gemeente wil
                        uitsluitend een heffing van de gebruiker van een perceel.</al><al/><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Het gaat om de belasting die wordt geheven van de gebruiker van een perceel
                        wegens het afvoeren van water vanuit dat perceel op de gemeentelijke
                        riolering. Ook hier zijn de woorden 'direct of indirect' voor de
                        duidelijkheid opgenomen. Het direct of indirect afvoeren van water hangt
                        samen met het direct of indirect aangesloten zijn van het perceel op de
                        gemeentelijke riolering.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>De belasting bedoeld in het eerste lid, wordt geheven van de gebruiker van
                        het perceel. In dit lid zijn regels opgenomen om aan te geven wie als
                        gebruiker van het perceel moet worden aangemerkt.</al><al>Er doen zich hier twee mogelijkheden voor die zich van elkaar laten
                        onderscheiden door het gebruik van een al dan niet zelfstandig gedeelte van
                        een perceel.</al><al/><al><cursief>Tweede lid, onderdeel a</cursief></al><al>In onderdeel a gaat het om het gebruik van een zelfstandig perceel, een
                        zelfstandig gedeelte van een perceel of verschillende zelfstandige gedeelten
                        van een perceel, die tezamen, met toepassing van artikel 4, als één perceel
                        moeten worden aangemerkt. De gebruiker is dan degene die - naar de
                        omstandigheden beoordeeld - het perceel al dan niet krachtens eigendom,
                        bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt. Niet van belang is</al><al>dus op welke rechtsgrond van het perceel gebruik wordt gemaakt. Ook bij
                        wederrechtelijk gebruik (krakers) is sprake van gebruik. Degene die het
                        perceel voor zich zelf bezigt, moet als gebruiker worden aangemerkt (HR 5
                        september 1979, nr. 19420, BNB 1979/268 (Uitgeest) waarin werd beslist dat
                        het doen bouwen op een ongebouwd eigendom moet worden aangemerkt als gebruik
                        van het perceel door de opdrachtgever).</al><al>De belasting wegens het afvoeren van water op de gemeentelijke riolering kan
                        alleen worden geheven van degenen die de op die riolering aangesloten
                        percelen feitelijk gebruiken. Niet als feitelijk gebruiker wordt aangemerkt
                        diegene die verantwoordelijk is voor het gebruik (bijvoorbeeld de
                        verhuurder), zonder het perceel zelf te gebruiken (HR 23 mei 1990, nr.
                        26328, BNB 1990/239, Belastingblad 1990, blz. 470 (Tegelen). Na de
                        inwerkingtreding van de Wet materiële belastingbepalingen Gemeentewet (1
                        januari 1995) is bij de onroerende-zaakbelastingen in bepaalde gevallen een
                        ander dan de feitelijke gebruiker als belastingplichtige van de
                        gebruikersbelasting aangewezen. Het is evenwel verdedigbaar ook bij de
                        rioolheffing bij verhuur voor korte perioden de verhuurder als feitelijk
                        gebruiker aan te merken. Voor de reinigingsrechten en de afvalstoffenheffing
                        heeft de Hoge Raad dat beslist in zijn arresten van 26 februari 1992, nr.
                        27935, Belastingblad 1992, blz. 389 en van 1 december 1999, nr. 34301,
                        Belastingblad 2000, blz. 57. Hof Arnhem heeft in de uitspraak van 7 mei
                        2002, nr. 99/00504, UN: AE4937 (Gramsbergen) voor het rioolrecht in gelijke
                        zin beslist. Bij het volgtijdig ter beschikking stellen aan een
                        huurbemiddelingsbureau dat recreatiebungalows voor rekening en risico van de
                        eigenaar verhuurt aan derden, wordt de eigenaar als gebruiker aangemerkt.
                        Daaraan doet niet af dat de eigenaar zelf geen verblijf kan houden (zie ook
                        Hoge Raad 22 november 2002, nr. 37361, UN: AF0960, BNB 2003/36, m.n.
                        Snoijink (Oostburg) voor de onroerende-zaakbelastingen). De Hoge Raad heeft
                        omtrent een overeenkomst waarbij vakantiewoningen voor rekening en risico
                        van een huurbemiddelingsbureau werden verhuurd geoordeeld dat de eigenaar in
                        dat geval niet als gebruiker voor het rioolrecht kan worden aangemerkt (Hoge
                        Raad 7 februari 2001, nr. 35865, UN: AA9843, BNB 2001/113, m.n. Snoijink
                        (Wierden)).</al><al>Wie de belastingplichtige gebruiker van een woning is, zal veelal kunnen
                        worden bepaald aan de hand van de gemeentelijke basisadministratie
                        persoonsgegevens (GBA). Bij bedrijfsgebouwen en andere niet-woningen is dit
                        uiteraard niet mogelijk. Daar - maar ook bij woningen - kan bijvoorbeeld de
                        administratie van nutsbedrijven een hulpmiddel zijn. Ook het handelsregister
                        kan uitkomst bieden.</al><al/><al><cursief>Tweede lid, onderdeel b</cursief></al><al>In onderdeel b gaat het om het gebruik van een niet-zelfstandig gedeelte van
                        een perceel, waarop het bepaalde in artikel 4 van de verordening geen
                        toepassing vindt. In artikel 4 gaat het om de kleinste zelfstandig bruikbare
                        eenheid, terwijl hier sprake is van een niet-zelfstandig gedeelte van een
                        perceel. De uitsluiting van het bepaalde in artikel 4 is alleen voor de
                        duidelijkheid in de onderhavige bepaling opgenomen. Onderdeel b ziet op de
                        situatie dat de degene die één of meer gedeelten van het perceel voor
                        gebruik afstaat, maar, naar de omstandigheden beoordeeld, zelf wel van het
                        perceel gebruik blijft maken. Te denken valt aan de situatie waarin de
                        kamers van een studentenhuis in gebruik worden afgestaan. Iedere kamer heeft
                        een aansluiting op de riolering zodat vanuit iedere kamer afvoer van
                        afvalwater mogelijk is en die afvoer ook feitelijk geschiedt. Omdat geen
                        kamer als zelfstandig gedeelte kan worden aangewezen (artikel 4) wordt het
                        gebruik nu toegerekend aan de gebruiker van een gedeelte van het
                        studentenhuis die de andere kamers in gebruik heeft afgestaan. Indien de
                        verhuurder van de kamers zelf geen gebruik maakt van een gedeelte van het
                        studentenhuis, kan hij niet worden aangemerkt als gebruiker van het
                        studentenhuis, maar moet één van de studenten worden aangewezen op grond van
                        vastgestelde beleidsregels.</al><al>De gemeente heeft hiertoe de beleidsregels voor het aanwijzen van een
                        belastingplichtige in een keuzesituatie vastgesteld.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Zelfstandige gedeelten</titel></kop><al>In dit artikel is bepaald dat, indien gedeelten van een perceel zelfstandig
                        kunnen worden gebruikt, de rechten ter zake van ieder afzonderlijk gedeelte
                        worden geheven. Bedoeld worden dan gedeelten die ieder als zelfstandige en
                        onafhankelijke eenheid kunnen worden gebruikt (bijvoorbeeld de woning in een
                        flatgebouw). De Hoge Raad oordeelde dat zelfstandige gedeelten die geen
                        directe of indirecte aansluiting op de riolering hebben omdat de sanitaire
                        voorzieningen zich bijvoorbeeld in een gemeenschappelijk deel bevinden niet
                        in de heffing kunnen worden betrokken (Hoge Raad 29 juni 2007, nr. 40932,
                        UN: BA8046, (Alblasserdam)).</al><al>Wanneer dergelijke gedeelten, die naar indeling zijn bestemd om ieder als
                        afzonderlijk geheel te worden gebruikt, toch gezamenlijk als een geheel
                        worden gebruikt, dan wordt de belasting ter zake van de gezamenlijke
                        gedeelten geheven, waarbij die gezamenlijke gedeelten dan als één perceel
                        worden aangemerkt. Een dergelijk geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij
                        woonhuizen die vroeger in twee of meer zelfstandige gedeelten werden
                        gebruikt, maar nu, zonder dat de indeling is gewijzigd, als één geheel
                        worden gebruikt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><al>De belasting van de gebruiker wordt geheven naar het aantal kubieke meters
                        water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. Hoe deze hoeveelheid wordt
                        berekend is bepaald in het tweede lid van artikel 5. Indien niet alle
                        percelen in de gemeente individueel van een watermeter zijn voorzien zal ten
                        aanzien van deze percelen met aannames moeten worden gewerkt. Daarbij valt
                        te denken aan een forfaitaire benadering. Er kan rekening worden gehouden
                        met de aanwezigheid van een één- of meerpersoonshuishouden of andere
                        differentiaties die een relatie met het verbruik hebben. Hof
                        `s-Hertogenbosch vond een forfait waarbij de niet bemeterde percelen een
                        verbruiksklasse hoger ingedeeld werden dan ze gemiddeld verbruikten, leiden
                        tot een willekeurige en onredelijke heffing (Hof 'sHertogenbosch 3 februari
                        2004, nr. 96/01941, UN: AQ4652). Hieruit kan de conclusie worden getrokken
                        dat de gemeente het forfait wel in enige mate cijfermatig moet kunnen
                        onderbouwen, bijvoorbeeld met het gemiddelde waterverbruik.</al><al>Deze afgevoerde hoeveelheid water wordt gesteld op 90 procent van het aantal
                        kubieke meters leidingwater en grondwater dat in de laatste aan het begin
                        van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is
                        toegevoerd of opgepompt. De gemeente is vrij in de keuze in de vaststelling
                        van deze periode.</al><al>Op grond van het 'Besluit gegevensverstrekking gemeentelijke
                        belastingheffing' (Stb. 1995, 346) kunnen gemeenten de waterbedrijven
                        verplichten de waterverbruikgegevens ter beschikking te stellen. De VNG
                        heeft hierover met de Vereniging van waterbedrijven in Nederland (VEWIN) een
                        convenant gesloten</al><al>Behalve door toevoer van water kan het perceel ook van water worden voorzien
                        door het oppompen van water. De hoeveelheid opgepompt water kan worden
                        berekend aan de hand van de gegevens van de pompinstallatie, waarover in het
                        derde lid nog een bepaling is opgenomen.</al><al>Als periode waarover de hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water bepalend
                        is voor de afgevoerde hoeveelheid afvalwater geldt de laatste
                        verbruiksperiode, beoordeeld aan het begin van het belastingjaar.</al><al>Er is tevens een herleidbepaling opgenomen. Deze bepaling dient er toe om
                        vast te kunnen stellen hoeveel water naar een perceel is toegevoerd of is
                        opgepompt in een periode van twaalf maanden indien de verbruiksperiode van
                        het waterbedrijf niet gelijk is aan twaalf maanden. Bij die herleiding wordt
                        een gedeelte van een maand voor een volle maand gerekend. Een dergelijke
                        bepaling werkt in het voordeel van de belastingplichtige. De noemer in de
                        breuk is altijd één groter dan wanneer een gedeelte van een maand niet
                        meegerekend zou worden. De teller in de breuk wordt bij de herleiding naar
                        tijdsgelang gesteld op 12 (maanden). Voorbeeld: de verbruiksperiode van het
                        waterleidingbedrijf is 14,5 maand. Deze periode wordt afgerond op 15 maanden
                        omdat een gedeelte van een maand</al><al>voor een volle maand wordt gerekend. De herleidingsformule luidt: (12:15) x
                        afgenomen hoeveelheid water in de verbruiksperiode van 14,5 maand. De
                        formule ziet er dan zo uit: afgenomen hoeveelheid water x 12 = herleide
                        hoeveelheid x 15.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Op grond van artikel 11, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de
                        Grondwaterwet (Stb. 1981, 392), is degene die grondwater onttrekt verplicht
                        de hoeveelheid onttrokken grondwater te meten en daarvan aantekening te
                        houden. Daarmee is een deel van de hoeveelheid opgepompt water bekend en
                        kunnen deze gegevens mede worden gebruikt voor de berekening van de
                        hoeveelheid afgevoerd water. Tevens kan water worden opgepompt waarop of wel
                        het bepaalde in artikel 11 van de Grondwaterwet niet van toepassing is
                        (bijvoorbeeld bij het oppompen van oppervlaktewater), of wel de in dat
                        artikel verplicht gestelde meting niet wordt uitgevoerd.</al><al>Voor die gevallen is artikel 5, derde lid, eerste volzin van de verordening
                        geschreven. In een dergelijke situatie kan de hoeveelheid opgepompt water
                        worden berekend aan de hand van een watermeter of een
                        bedrijfsurenteller.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>Indien de belastingplichtige niet al het toegevoerde of opgepompte water als
                        afvalwater afvoert op de gemeentelijke riolering, dient de op andere wijze
                        afgevoerde hoeveelheid in mindering gebracht te worden op de in het derde
                        lid berekende hoeveelheid. Het gaat in dit artikellid om berekenbare
                        hoeveelheden die op andere wijze worden afgevoerd. Hierbij kan het met name
                        gaan om waterverwerkende industrieën (bierbrouwerij, limonadefabriek) of
                        afvoer van water op niet openbaar gemeentewater. Tevens kan zich de situatie
                        voordoen dat water wordt geïnfiltreerd. In dat geval geldt ook de
                        verplichting dat deze hoeveelheid dient te worden gemeten en dat daarvan
                        aantekening wordt gehouden (artikel 11, tweede lid, van de
                        Grondwaterwet).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><al>De belasting van de gebruiker is afhankelijk van de hoeveelheid afgevoerd
                        water. De belasting wordt berekend per volle eenheid kubieke meters water,
                        omwille van een eenvoudiger uitvoerbaarheid van de verordening. Het bedrag
                        waarop de aanslag wordt vastgesteld wordt daarmee in feite door afronding
                        bepaald. De hoeveelheid afgevoerd water is op grond van artikel 5
                        bepaald.</al><al>In artikel 6 is het tarief afhankelijk van de geloosde hoeveelheid water. In
                        de verordening is hiertoe een aantal schijven opgenomen. Per schijf wordt
                        een ander tarief toegepast voor elke volle eenheid van een bepaald aantal
                        kubieke meters afgevoerd water. Naar de mening van de Werkgroep
                        gemeentelijke belastingen zal de tariefopbouw hierbij in veel gevallen
                        degressief van structuur zijn, zodat voor de afvoer van grote hoeveelheden
                        water een lager tarief per eenheid zal worden berekend. Door de schijven
                        ruim te stellen wordt bereikt dat alleen voor de afvoer van grote of zeer
                        grote hoeveelheden water een reductie op het tarief wordt verleend.</al><al>De hier bedoelde reductie laat zich rechtvaardigen als een zogenaamde
                        'kwantumkorting'. De belastingplichtige geniet derhalve een reductie omdat
                        hij veel water afvoert. Een lineair opgebouwd tariefstelsel is echter
                        uitdrukkelijk toegestaan in Hoge Raad 24 september 2004, nr. 36874, UN:
                        AF7511 (Vught).</al><al>Overigens kan in dit verband worden gewezen op een beslissing van het Hof
                        'sHertogenbosch over de verordening Rioolrechten van de gemeente
                        Woensdrecht. Het tarief in de onderhavige verordening was degressief. De
                        hoeveelheid werd vastgesteld aan de hand van een opgave van het waterbedrijf
                        over het voorgaande abonnementsjaar. Het Hof besliste hier dat de huidige
                        gebruiker in de heffing kon worden betrokken met als maatstaf het gebruik
                        van de vorige bewoner (Hof 's-Hertogenbosch 2 november 1974, nr. 298/1974,
                        BNB 1975/219).</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Belastingjaar</titel></kop><al>Het belastingjaar loopt gelijk met het kalenderjaar. Er kan uiteraard
                        gekozen worden voor een belastingjaar dat niet gelijk loopt met het
                        kalenderjaar. Voor de belasting dat van de gebruiker wordt geheven zal het
                        weinig verschil maken of het belastingjaar en het kalenderjaar samenvallen.
                        In deze toelichting is steeds uitgegaan van een belastingjaar dat samenvalt
                        met het kalenderjaar.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>Ingevolge artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen
                        worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of
                        op andere wijze. In de verordening is gekozen voor de heffing bij wege van
                        aanslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Op grond van het eerste lid is de belasting verschuldigd bij het begin van
                        het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, zo dit later is, bij het begin
                        van de belastingplicht. Aangezien de materiële belastingschuld in beginsel
                        ontstaat bij het begin van het belastingjaar, zijn tariefverhogingen in de
                        loop van het belastingjaar niet mogelijk.</al><al>Het gebruikersdeel van de rioolheffing staat in beginsel ook aan het begin
                        van het kalenderjaar (belastingjaar) vast. Omdat voor het gebruikersdeel
                        niet de toestand op 1 januari beslissend is, is daarvoor de regeling naar
                        tijdsgelang opgenomen. Bij ingebruikneming van het perceel in de loop van
                        het belastingjaar, ontstaat de belastingschuld op het moment van
                        ingebruikneming.</al><al/><al><cursief>Tweede en derde lid</cursief></al><al>In de leden twee en drie zijn regels gegeven met betrekking tot de
                        gebruikersheffing. Indien de belastingplicht in de loop van het
                        belastingjaar aanvangt of eindigt dient een tijdsevenredige herleiding
                        plaats te vinden, waarbij gedeelten van een maand niet worden meegerekend.
                        Op deze wijze wordt bereikt dat iedere gebruiker voor de door hem afgevoerde
                        hoeveelheid afvalwater in de heffing wordt betrokken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Er bestaat een wettelijke regeling omtrent de betaaltermijnen. Deze is
                        opgenomen in artikel 9 van de Invorderingswet 1990. Op grond van artikel 250
                        van de Gemeentewet kan hiervan in de belastingverordening worden afgeweken.
                        In het eerste lid van artikel 10 is aangegeven dat er is afgeweken van de
                        wettelijke betalingstermijn.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In dit lid wordt de mogelijkheid geboden om de belasting door middel van
                        automatische incasso te voldoen. Indien van deze mogelijkheid gebruik wordt
                        gemaakt gelden andere betaaltermijnen.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Met betrekking tot de bij het vaststellen van een belastingaanslag op te
                        leggen boete zijn de betaaltermijnen gelijk aan die voor de
                        belastingaanslag, ook indien in de belastingverordening van artikel 9 van de
                        Invorderingswet 1990 afwijkende betaaltermijnen zijn opgenomen. Dit volgt
                        uit artikel 9, derde lid, van de Invorderingswet 1990. Het is dus niet nodig
                        om in de belastingverordening betaaltermijnen voor bestuurlijke boeten op te
                        nemen.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>De Algemene termijnenwet (ATW) is van toepassing op in een wet gestelde
                        termijnen (artikel 1). Hiermee wordt een wet in formele zin bedoeld. Artikel
                        9, tiende lid, van de Invorderingswet 1990 bepaalt echter dat de ATW niet
                        van toepassing is op de in de leden 1 tot en met 9 gestelde termijnen.
                        Indien gemeenten afwijkende termijnen in de belastingverordening hebben
                        opgenomen en dus artikel 9, tiende lid, van de Invorderingswet 1990 niet
                        geldt, is voor de betaling van de definitieve aanslag de ATW wel van
                        toepassing.Dit volgt ook uit artikel 145 van de Gemeentewet, waarin is
                        bepaald dat de ATW van toepassing is op in een verordening gestelde
                        termijnen, tenzij in de verordening anders is bepaald.</al><al>Indien voor de betaling van aanslagen een regeling is getroffen in de
                        belastingverordening en voor voorlopige aanslagen, navorderingsaanslagen of
                        naheffingsaanslagen niet, betekent dit dat voor de laatste drie genoemde
                        aanslagen artikel 9 van de Invorderingswet 1990 geldt. In dat geval is de
                        ATW wel van toepassing op de betaaltermijnen voor aanslagen en niet van
                        toepassing op de betaaltermijnen voor voorlopige aanslagen,
                        navorderingsaanslagen en naheffingsaanslagen. Teneinde te voorkomen dat voor
                        de verschillende belastingaanslagen een verschillend juridisch regime geldt,
                        is in artikel 10 vierde lid, overeenkomstig artikel 9, tiende lid, van de
                        Invorderingswet — de ATW buiten toepassing verklaard.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Nadere regels door het college</titel></kop><al>Op grond van artikel 231 van de Gemeentewet zijn bij de heffing en de
                        invordering van gemeentelijke belastingen onder meer de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen (AWR) en de Invorderingswet 1990 van toepassing. De
                        heffingsbevoegdheden komen toe aan de daartoe aangewezen heffingsambtenaar
                        en de invorderingsbevoegdheden aan de daartoe aangewezen
                        invorderingsambtenaar. De AWR en de Invorderingswet 1990 kennen ook
                        bepalingen op grond waarvan de minister van Financiën de bevoegdheid wordt
                        toegekend nadere regels te geven over bepaalde heffings- en
                        invorderingsaangelegenheden. Voor de gemeentelijke belastingen komt die
                        bevoegdheid op grond van artikel 231 toe aan het college. Verder is het
                        college als bestuursverantwoordelijke voor de heffings- en
                        invorderingsambtenaar bevoegd om beleidsregels vast te stellen (artikel 4:81
                        Algemene wet bestuursrecht, hierna Awb). Op grond van artikel 160, eerste
                        lid, onderdeel b, van de Gemeentewet is het college eveneens bevoegd
                        beslissingen van de raad (lees: belastingverordeningen) uit te voeren. Met
                        het oog hierop kan het college over uitvoeringsaangelegenheden regels
                        stellen. Te denken valt hierbij aan het vaststellen van de modellen voor het
                        formulier van de onderscheiden aangiftebiljetten.</al><al>Met de inwerkingtreding van de derde tranche Awb op 1 januari 1998 is een
                        aantal bevoegdheden van de raad op belastinggebied overgegaan op het
                        college. In verband hiermee is in elke belastingverordening een bepaling
                        opgenomen dat het college nadere regels kan geven met betrekking tot de
                        heffing en invordering van de betreffende belasting. Op deze wijze is het
                        voor de belastingplichtigen duidelijk dat er nog nadere regels kunnen
                        gelden. In de (uitvoerings)regeling gemeentelijke belastingen is een en
                        ander uitgewerkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Op grond van artikel 255 van de Gemeentewet volgen gemeenten het
                        kwijtscheldingsbeleid van de rijksoverheid zoals dat is geregeld in de
                        Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Indien gemeenten niets regelen
                        geldt deze ministeriële regeling automatisch voor alle gemeentelijke
                        belastingen.</al><al>Artikel 255 van de Gemeentewet biedt echter de mogelijkheid om van de
                        ministeriële regeling af te wijken. Omdat geen kwijtschelding bij de
                        invordering van Rioolrecht van gebruikers van eigendommen, niet zijnde
                        eigendommen die bestemd zijn om als particuliere huishouding te worden
                        gebruikt en ook als zodanig worden gebruikt is dit expliciet opgenomen in
                        artikel 12.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel
                            Overgangsrecht</titel></kop><al>Als een verordening wordt gewijzigd of een vervangende verordening wordt
                        vastgesteld, verdient het aanbeveling eerbiedigende werking aan de oude
                        verordening te geven. Dit houdt in dat de verordening die wordt ingetrokken,
                        van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich vóór de datum van
                        ingang van de heffing van de nieuwe verordening hebben voorgedaan. Voor die
                        belastbare feiten blijft heffing dus mogelijk op basis van de oude
                        verordening, ook al is die verordening ingetrokken. Een eventuele opgenomen
                        zinsnede 'laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van &lt;datum&gt;' is
                        opgenomen als het vaststellen van een 'basis' belastingverordening is
                        gevolgd door wijzigingsverordeningen. In dat geval moet worden verwezen naar
                        de laatst vastgestelde wijziging.</al><al/><al>Opgemerkt wordt dat er geen sprake is van het overdragen aan het college van
                        burgemeester en wethouders van de bevoegdheid tot het vaststellen van de
                        belastingverordening of de wijziging daarvan op grond van artikel 156,
                        tweede lid, aanhef en onderdeel h, van de Gemeentewet.</al><al/><al><vet>Inwerkingtreding</vet></al><al/><al>Op grond van artikel 139 van de Gemeentewet moeten gemeenten de besluiten
                        tot het vaststellen, wijzigen of intrekken van belastingverordeningen bekend
                        maken. Het niet voldoen aan de bekendmakingsplicht leidt tot
                        onverbindendheid van de belastingverordening (HR 31 maart 1993, nr. 28.034,
                        BNB 1993/182, Belastingblad 1993, blz. 274; Hoge Raad 10 augustus 1998, nr.
                        33.632, UN: AA2624). Een belastingverordening treedt dus pas in werking na
                        haar bekendmaking (afgezien van terugwerkende kracht in bijzondere
                        gevallen). In de verordening is de inwerkingtreding bepaald op de eerste dag
                        na die van de bekendmaking. Er is afgezien van het noemen van een concrete
                        datum. Voor de gevallen dat de verordening onverhoopt niet zelf in haar
                        inwerkingtreding voorziet, biedt artikel 142 Gemeentewet een vangnet: de
                        inwerkingtreding is dan de achtste dag na die van de bekendmaking.</al><al>Zeker als een belasting wordt ingevoerd is een reële termijn tussen
                        bekendmaking en inwerkingtreding van de belastingverordening noodzakelijk om
                        een goede uitvoering daarvan mogelijk te maken. De datum van
                        inwerkingtreding moet zodanig worden vastgesteld, dat niet alleen de
                        heffings- en invorderingsambtenaar de nodige voorbereidingshandelingen
                        kunnen treffen, maar ook de toekomstige belastingplichtigen de gelegenheid
                        hebben om tijdig kennis te nemen van de nieuwe verordening.</al><al/><al><vet>Bekendmaking</vet></al><al/><al>Bekendmaking geschiedt door plaatsing van de integrale tekst van het besluit
                        tot vaststelling of wijziging van de belastingverordening in het
                        gemeenteblad of als een gemeenteblad ontbreekt (sinds 1 januari 2010) door
                        terinzagelegging gedurende twaalf weken op de gemeentesecretarie of een
                        andere door het college bepaalde plaats. Van die terinzagelegging moet
                        mededeling worden gedaan in een plaatselijk verschijnend dag-, nieuws- of
                        huis-aan-huisblad (artikel 139, tweede lid, Gemeentewet ). Met deze bepaling
                        heeft de wetgever de jurisprudentie van de Hoge Raad over de bekendmaking
                        van belastingverordeningen gecodificeerd. Zie:</al><al/><al>• Hoge Raad 24 december 1997, nrs. 31643 (Albrandswaard), 32325 (Velsen) en
                        32569, Belastingblad 1998, blz. 146, 148 en 320: de gemeente moet aan de
                        burger, in bijvoorbeeldeen huis-aan-huisblad, meedelen dat de tekst van een
                        bepaald besluit tot vaststelling of wijziging van de belastingverordening
                        verkrijgbaar is en (kosteloos) ter inzage ligt bij de gemeente;</al><al/><al>• Hoge Raad 28 maart 2001, nr. 35954, LJN:AB0763, Belastingblad 2001, blz.
                        467, en nr. 35949, LJN:AR5974 (Alkmaar): deze wijze van
                        mededeling/publicatie in bijv. een huis-aan-huisblad geldt niet als de tekst
                        van de belastingverordening in het gemeenteblad is opgenomen. Naar de
                        bedoeling van de wetgever is met opneming van de integrale tekst van
                        verordeningen en besluiten in het gemeenteblad voldaan aan het vereiste van
                        bekendmaking in een externe, met het Staatsblad of Provincieblad
                        vergelijkbare publicatie, hoewel daarnaast bekendmaking via andere media
                        onder omstandigheden door de wetgever wenselijk werd geacht.</al><al/><al>De enige eisen die voor een gemeenteblad gelden, zijn een register en een
                        nummering voor de overzichtelijkheid. Gemeentebesturen zijn voor het overige
                        volledig vrij in de wijze waarop zij het gemeenteblad vormgeven en uitvoeren
                        en in de frequentie van de verschijning ervan. De editie van het
                        gemeenteblad waarin de verordening is geplaatst, moet algemeen verkrijgbaar
                        zijn, dat wil zeggen in het algemeen voor het nemen van inzage en het
                        verkrijgen van een exemplaar of een afschrift voor de burgers beschikbaar
                        zijn. Dit behoeft niet kosteloos te geschieden. Legesheffing is mogelijk ter
                        bestrijding van de kosten voor het maken van een afschrift.</al><al/><al>Het gemeenteblad kan ook elektronisch worden uitgegeven (artikel 139, derde
                        lid, Gemeentewet ). Vanaf een nog nader te bepalen moment moet bekendmaking
                        plaatsvinden in het gemeenteblad en moet dat gemeenteblad elektronisch op
                        een algemeen toegankelijke wijze worden uitgegeven (Wet elektronische
                        bekendmaking, Stb. 2008, 551). De Wet elektronische bekendmaking geeft niet
                        alleen de mogelijkheid om regelgeving elektronisch bekend te maken, maar zij
                        legt ook de verplichting op om doorlopende ('geconsolideerde') teksten van
                        verordeningen en keuren op het internet beschikbaar te stellen (nieuw
                        artikel 140 Gemeentewet ). Door de beschikbaarstelling van doorlopende
                        teksten van regelgeving krijgt de burger niet alleen toegang tot de
                        bekendmaking van nieuwe regels, maar ook tot een volledig overzicht van alle
                        op enig moment geldende voorschriften. Er is wat dat betreft een belangrijk
                        onderscheid tussen bekendmaking (als voorwaarde voor inwerkingtreding) en
                        andere vormen van kennisgeving, waaronder het beschikbaar houden van
                        geconsolideerde teksten, die niet van belang zijn voor de inwerkingtreding,
                        maar wel voor de verspreiding en de toegankelijkheid van de betrokken
                        teksten. De Regeling elektronische bekendmaking en beschikbaarstelling
                        regelgeving decentrale overheden verplicht provincies, gemeenten en
                        waterschappen de geconsolideerde teksten op internet beschikbaar te stellen
                        overeenkomstig het Internetpublicatiemodel Decentrale Regelgeving. Dit
                        betekent onder meer dat geconsolideerde regelingen ter beschikking worden
                        gesteld aan de door het ministerie van BZK in het leven geroepen Centrale
                        Voorziening voor Decentrale Regelgeving (CVDR).</al><al/><al>Het verdient aanbeveling ook een mededeling in een huis-aan-huisblad op te
                        nemen. Een dergelijke mededeling zou als volgt kunnen luiden:</al><al/><al>Burgemeester en wethouders delen mee dat de raad van de gemeente
                        &lt;gemeentenaam&gt; op &lt;datum&gt; heeft vastgesteld &lt;naam
                        (wijzigings)verordening&gt;. De &lt;naam (wijzigings)verordening&gt; treedt
                        in werking op de &lt;achtste&gt; dag na de datum zoals vermeld op dit blad.
                        [Het besluit is opgenomen in het gemeenteblad op &lt;datum&gt;, onder nummer
                        &lt;getal&gt;.] De &lt;naam (wijzigings)verordening&gt; ligt kosteloos ter
                        inzage op &lt;de gemeentesecretarie of een andere door het college te
                        bepalen plaats&gt;. Een ieder kan op verzoek &lt;tegen betaling van een
                        bedrag aan leges of gratis&gt; een afschrift verkrijgen van het genoemde
                        besluit.</al><al/><al>Als er geen gemeenteblad is en dus bekendmaking in een dag-, nieuws- of
                        huis-aan-huisblad moet plaatsvinden en de publicatie op verschillende data
                        en/of in meerdere huis-aan-huisbladen geschiedt, moet de tekst hierop
                        aangepast te worden om te vermijden dat er verschillende
                        inwerkingtredingsdata ontstaan. Geadviseerd wordt om in dat geval de
                        hierboven vermelde tekstsuggestie te hanteren voor de eerste publicatie en
                        in latere publicaties de tweede volzin als volgt te herschrijven:</al><al/><al>'De &lt;naam van de (wijzigings)verordening&gt; treedt in werking (is in
                        werking getreden) op &lt;datum&gt;.' De datum van inwerkingtreding kan
                        hierbij afgeleid worden uit de eerste publicatie. Voorbeeld: de bekendmaking
                        is voor de eerste keer gepubliceerd in een huis-aan-huisblad d.d. 18 januari
                        2011 en treedt dus in werking op (bijvoorbeeld) de achtste dag daarna, 26
                        januari 2011. In latere publicatie kan 26 januari 2011 als datum van
                        inwerkingtreding worden vermeld.</al><al/><al>Op grond van artikel 142 van de Gemeentewet treedt het bekend gemaakte
                        besluit in werking met ingang van de achtste dag na de dag van de
                        bekendmaking, tenzij in de verordening een ander tijdstip is aangegeven
                        (vroeger of later). De datum van inwerkingtreding van een
                        belastingverordening mag echter niet liggen voor de vaststelling én
                        bekendmaking ervan.</al><al/><al>Het feit dat de belastingverordening pas in werking treedt na bekendmaking,
                        houdt slechts in dat de gemeente vóór dat tijdstip geen belastingaanslagen
                        kan opleggen. De aanslagen kunnen echter wel betrekking hebben op de periode
                        vanaf de datum van ingang van de heffing. Een voorbeeld kan dit
                        toelichten.</al><al/><al>Op 4 november 2010 stelt de gemeenteraad de verordening vast met als datum
                        van inwerkingtreding de achtste dag na de bekendmaking en als tijdstip van
                        ingang van de heffing 1 januari 2011. De verordening wordt door de gemeente
                        bekendgemaakt op 18 januari 2011.</al><al>De verordening treedt in werking op 26 januari 2011 (achtste dag na de dag
                        van bekendmaking). Vanaf dat moment kan de gemeente aanslagen opleggen. Deze
                        aanslagen kunnen echter betrekking hebben op de periode vanaf het tijdstip
                        van ingang van de heffing (in dit geval 1 januari 2011).</al><al/><al><vet>Datum ingang heffing</vet></al><al/><al>Artikel 217 van de Gemeentewet bepaalt dat een belastingverordening een
                        datum van ingang van de heffing moet vermelden. De datum van ingang van de
                        heffing geeft aan vanaf welke datum de in de belastingverordening genoemde
                        (belastbare) feiten in de heffing worden betrokken. Ook bij het wijzigen van
                        een verordening is het nodig om voor de wijzigingsverordening te bepalen
                        vanaf welk moment de (gewijzigde) heffing wordt toegepast.</al><al/><al><vet>Citeertitel</vet></al><al/><al>Een citeertitel vereenvoudigt de verwijzing naar een bepaalde verordening.
                        Wij hebben in de modelbepaling in de citeertitel een jaartal genoemd. Het
                        lijkt verstandig om als jaartal op te nemen het eerste jaar waarin de
                        gemeente de &lt;naam heffing&gt; op basis van deze verordening heft.</al><al/><al><vet>Ondertekening</vet></al><al>Alle stukken die van de raad uitgaan, worden ondertekend door de
                        burgemeester (in zijn hoedanigheid van voorzitter) en medeondertekend door
                        de griffier (artikel 32a Gemeentewet ). Bij verhindering of ontstentenis van
                        de burgemeester worden de stukken ondertekend door degene die de
                        burgemeester als voorzitter van de raad vervangt (het langst zittende
                        raadslid; artikel 32a jo. 77 Gemeentewet ). Aan het slot van het besluit tot
                        vaststelling van de belastingverordening hebben wij daarom als
                        ondertekenaars `de voorzitter' en `de griffier' genoemd.</al><al/><al>Ten overvloede merken wij nog op dat de stukken die van het college uitgaan
                        worden ondertekend door de burgemeester en medeondertekend door de
                        secretaris (artikel 59a, eerste lid, Gemeentewet ).</al><al>Gemeente Zandvoort</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>