<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR346818_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Heumen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-79764.html?zoekcriteria=%3fzkt%3dUitgebreid%26pst%3dGemeenteblad%26vrt%3dheumen%2binkomenstoeslag%26zkd%3dInDeGeheleText%26dpr%3dAlle%26spd%3d20150120%26epd%3d20150120%26sdt%3dDatumPublicatie%26planId%3d%26pnr%3d1%26rpp%3d10&amp;resultIndex=0&amp;sorttype=1&amp;sortorder=4">Gemeenteblad. Jaargang 2014, Nr. 79764 </dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Heumen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 8, lid 1, aanhef en onderdeel b, van de Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">art. 8, lid 2 van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10 06 B2</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Heumen 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Onderwerp: Individuele inkomenstoeslag ParticipatiewetDatum: 18 december
            2014Besluitnr.: 10 06 B2</al><al/><al>De raad van de gemeente Heumen in openbare vergadering bijeen;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 18 november
                        2014</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid van de
                        Participatiewet</al><al>b e s l u i t:</al><al><vet>verordening individuele inkomenstoeslag gemeente Heumen 2015</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader
                            worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet,
                            de Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>College: het college van burgemeester en wethouders van
                                            de gemeente Heumen; </al></li><li nr="b."><al>De wet: Participatiewet</al></li><li nr="c."><al>Referteperiode: een periode van 36 maanden voorafgaand
                                            aan de peildatum. </al></li><li nr="d."><al>Peildatum: de datum waartegen langdurigheidstoeslag
                                            wordt aangevraagd, voor zover deze datum niet ligt vóór
                                            de dag, waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.
                                        </al></li><li nr="e."><al>Inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32
                                            van de Participatiewet, en de algemene bijstand;</al></li><li nr="f."><al>Vermogen: het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de
                                            wet op de aanvraagdatum. </al></li></lijst><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Langdurig, laag inkomen</titel></kop><al>Aan de in artikel 36, eerste lid, van de wet gestelde voorwaarde van het
                        hebben van een langdurig, laag inkomen is voldaan als gedurende
                        referteperiode het inkomen niet uitkomt boven 101 procent van de
                        toepasselijke bijstandsnorm en belanghebbende geen in aanmerking te nemen
                        vermogen heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar een percentage
                            van de norm als bedoeld in artikel 21 aanhef en onder a. van de wet,
                            zoals die geldt op 1 januari van dat kalenderjaar:</al><lijst><li nr="a."><al>42 % voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>54 % voor een alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>60 % voor gehuwden</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                            inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de wet,
                            komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele
                            inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of
                            alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de
                            peildatum bepalend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Beleidsregels</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast voor de uitvoering van deze
                            verordening, voor zover deze niet zijn opgenomen in de wet of in deze
                            verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beleidsregels hebben in ieder geval betrekking op de invulling van
                            het begrip “geen uitzicht op inkomensverbetering” zoals bedoeld in
                            artikel 36 lid 1 van de wet en het vaststellen van de referteperiode.
                        </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Inwerkingtreding, intrekking en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015, onder
                            gelijktijdige intrekking van de Verordening langdurigheidstoeslag
                            gemeente Heumen 2013.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele
                            inkomenstoeslag gemeente Heumen 2015.</al></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>MH</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Malden, 18 november 2014</ondertekening><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD;</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening>L.Bosland.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>P.Mengde.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag,
                        bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                        met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch
                        kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen
                        zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen
                        enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te
                        verhogen. Om die reden is bij de invoering van de Wet werk en bijstand
                        (hierna: WWB) in 2004 de langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds
                        1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de
                        langdurigheidstoeslag sinds die datum een bijzondere vorm van (categoriale)
                        bijzondere bijstand. Per 1 januari 2015 vervangt de individuele
                        inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. Sindsdien is het verlenen van de
                        toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar een discretionaire bevoegdheid.
                        Dit betekent dat het college een individuele inkomenstoeslag kan verlenen
                        als een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Het college kan in
                        beleidsregels aangeven welke groepen niet in aanmerking komen voor
                        individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen uitzicht hebben op
                        inkomensverbetering. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan personen
                        aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens een schending
                        van een arbeidsverplichting of een re-integratieverplichting of aan personen
                        die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgen.</al><al><vet>Vast te leggen regels in verordening</vet></al><al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het
                        is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig
                        een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die
                        persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste
                        lid, van de Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld
                        worden over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in
                        artikel 36 van de Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval
                        betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
                        begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Op grond van deze verordening is
                        geen sprake van een laag inkomen bij een inkomen hoger dan 101% van de
                        toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast moet bij verordening de hoogte van de
                        individuele inkomenstoeslag bepaald worden. Het college kan in
                        (wetsinterpreterende) beleidsregels aangeven wanneer sprake is van 'geen
                        uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel 8, tweede
                        lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd in
                        de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op
                        inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden
                        van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald
                        dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend:</al><lijst><li nr="·"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al></li><li nr="·"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot
                                inkomensverbetering te komen.</al></li></lijst><al><vet>Overgangsrecht</vet></al><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                        langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening
                        overgangsrecht op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte
                        langdurigheidstoeslagen, omdat artikel 78z van de Participatiewet voorziet
                        in algemeen overgangsrecht met betrekking tot de wijzigingen in de
                        Participatiewet als gevolg van de inwerkingtreding van de Invoeringswet
                        Participatiewet en de Wet maatregelen WWB op 1 januari 2015. De individuele
                        inkomenstoeslag en voorheen de langdurigheidstoeslag worden immers toegekend
                        tegen een peildatum. Zaken die na de peildatum gebeuren hebben geen
                        betekenis voor het recht op een dergelijke toeslag. Wie op een datum gelegen
                        vóór 1 januari 2015 op basis van de toepasselijke verordening recht had op
                        langdurigheidstoeslag, behoudt dat onverkort, ongeacht of hij voldoet aan de
                        voorwaarden die per 1 januari 2015 zijn gesteld in artikel 36 van de
                        Participatiewet en deze verordening. Toekenning van het recht op individuele
                        inkomenstoeslag tegen een datum gelegen op of ná 1 januari 2015 is
                        uitsluitend mogelijk als wordt voldaan aan de in artikel 36 van de
                        Participatiewet en deze verordening opgenomen voorwaarden.</al><al><vet>Wijziging leefvorm</vet></al><al>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon
                        kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien
                        gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte
                        van de referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen
                        moeten dan ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden
                        voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden
                        moeten immers zowel gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden
                        voldoen.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier
                        behandeld.</al><al><cursief>Artikel 1. Begrippen </cursief></al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                        bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                        gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing
                        op deze verordening.</al><al>Inkomen (e)</al><al>Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de
                        Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de
                        beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking
                        genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking
                        worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van
                        bijzondere bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een
                        eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden
                        gelaten bij de vaststelling van het inkomen. Het wordt niet wenselijk geacht
                        een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als
                        inkomen, omdat dit het ongewenst effect kan hebben dat een persoon geen
                        recht op een individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen
                        heeft gehad in de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Wat
                        voor een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag geldt, dat geldt ook
                        voor een eerder verstrekte langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals
                        die luidde vóór 1 januari 2015.</al><al>Referteperiode (c)</al><al>Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een
                        periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting
                        bij artikel 2 onder ‘Langdurig’.</al><al>Peildatum (d)</al><al>De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
                        aanvraagt. Het gaat om de datum waarop een persoon langdurig een laag
                        inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in
                        artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die
                        persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt
                        meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet
                        liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele
                        inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere
                        omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet
                        en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet.</al><al><cursief>Artikel 2. Langdurig laag inkomen</cursief></al><al>Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder
                        ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan.</al><al>Langdurig</al><al>De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de
                        peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is
                        vastgesteld in artikel 1 van deze verordening.</al><al>Laag inkomen</al><al>Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 101% van de toepasselijke
                        bijstandsnorm.</al><al>De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet
                        hoger is dan het langdurig lage inkomen van 101% van de toepasselijke
                        bijstandsnorm, zal niet al te rigide mogen worden beoordeeld. Een marginale
                        overschrijding van dit lage inkomen moet worden genegeerd. Gaat het inkomen
                        van een persoon gedurende (een deel van) de referteperiode de toepasselijke
                        bijstandsnorm maandelijks met ongeveer € 5 of meer te boven, dan is geen
                        sprake meer van een marginale overschrijding van de bijstandsnorm die niet
                        aan toekenning van een individuele inkomenstoeslag in de weg staat. Er is
                        immers geen sprake van een incidentele geringe overschrijding van de
                        bijstandsnorm of van te verwaarlozen bedragen van enkele eurocenten.</al><al><cursief>Artikel 3. Hoogte individuele inkomenstoeslag</cursief></al><al>De hoogte van de individuele inkomenstoeslag is gebaseerd op de norm voor
                        een alleenstaande zoals vastgesteld in artikel 21 aanhef onder a. (inclusief
                        vakantietoeslag). Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt
                        onderscheid gemaakt tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en
                        gehuwden.</al><al>Gehuwden</al><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele
                        inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de
                        peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de
                        voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één
                        van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op
                        individuele inkomenstoeslag.( CRvB 13-07-2010, nr. 08/2345 WWB,
                        ECLI:NL:CRVB:2010:BN2529)Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht
                        op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de
                        voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de
                        rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele
                        inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen
                        11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht
                        heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op individuele
                        inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een
                        individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of
                        alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het tweede lid.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>