<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR346787_1</dcterms:identifier><dcterms:title>De Verordening Beschermd Wonen, beleidssamenvatting en mandaatregelingen gemeente Molenwaard 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Molenwaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-04-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Molenwaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.officielebekendmakingen.nl">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>De Verordening Beschermd Wonen, beleidssamenvatting en mandaatregelingen gemeente Molenwaard 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 149 Gemeentewet en de artikelen 2.1.3., 2.1.4., 2.1.5. en 2.6.6. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-12-19</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2014-11-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-04-14</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Mozard179130</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      De Verordening Beschermd Wonen, beleidssamenvatting en mandaatregelingen
                gemeente Molenwaard 2014
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Molenwaard;</al>
          <al/>
          <al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18
                        november 2014;</al>
          <al/>
          <al>gelet op artikel 149 Gemeentewet en de artikelen 2.1.3., 2.1.4., 2.1.5. en
                        2.6.6. Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al>
          <al/>
          <al>besluit:</al>
          <al/>
          <al>vast te stellen de </al>
          <al/>
          <al>De Verordening Beschermd Wonen, beleidssamenvatting en mandaatregelingen
                        gemeente Molenwaard 2014</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>INLEIDING</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.1. Begripsomschrijvingen</titel>
            </kop>
            <al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <al/>
            <al>24-uursopvang: tijdelijke opvang, bestaande uit verblijf en
                            begeleiding.</al>
            <al>algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal
                            bedoeld is voor mensen met een beperking, die algemeen verkrijgbaar is
                            en die niet – aanzienlijk – duurder is dan vergelijkbare producten.</al>
            <al>algemene voorziening: maatschappelijke voorziening zoals bedoeld in
                            artikel 1.1.1 van de wet, die is gericht op beschermd wonen en
                            opvang.</al>
            <al>bijdrage: bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 2.1.4 van de
                            wet.</al>
            <al>budgetplan: een door of namens de cliënt opgesteld plan over het
                            persoonsgebonden budget, waarin onder andere is opgenomen welke
                            maatwerkvoorziening met welk te bereiken resultaat de cliënt wil inkopen
                            met een persoonsgebonden budget.</al>
            <al>college: het college van burgemeester en wethouders.</al>
            <al>crisisopvang: tijdelijke voltijd verblijfsopvang in een crisissituatie
                            door een opvanginstelling.</al>
            <al>maatwerkvoorziening: maatwerkvoorziening als omschreven in artikel 1.1.1
                            van de wet, die is gericht op beschermd wonen en opvang, en te
                            verstrekken als voorziening in natura of in de vorm van een
                            persoonsgebonden budget.</al>
            <al>mantelzorger: een persoon die mantelzorg in de zin van artikel 1.1.1 van
                            de wet biedt.</al>
            <al>melding: melding als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de
                            wet.</al>
            <al>persoonlijk plan: persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2 tweede
                            lid van de wet.</al>
            <al>vervolgopvang vrouwenopvang: vrouwenopvang, die volgt op crisisopvang en
                            die een tussenstap is tussen crisisopvang en zelfstandig wonen.</al>
            <al>voorliggende voorziening: voorziening op grond van een andere wettelijke
                            bepaling.</al>
            <al>voorziening in natura; maatwerkvoorziening die in eigendom, in bruikleen
                            of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt.</al>
            <al>wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.</al>
            <al>Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning.</al>
            <al/>
            <al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader
                            worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het
                            Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.2 Reikwijdte</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening regelt de algemene voorzieningen en
                            maatwerkvoorzieningen met betrekking tot beschermd wonen en opvang.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>HOOFSTUK 2 MAATWERKVOORZIENING</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>PARAGRAAF 1 PROCEDUREREGELS</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.3 Melding</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De melding wordt gedaan door of namens de cliënt bij het
                                        college.</al></li>
              </lijst>
              <al>De melding vindt plaats op de wijze zoals door het college is
                                voorgeschreven.</al>
              <al>Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk en
                                geeft de cliënt zeven dagen de tijd een persoonlijk plan in te
                                leveren.</al>
              <al>Het college wijst de cliënt op de mogelijkheid om een persoonlijk
                                plan in te dienen en wijst de cliënt erop dat hij zeven dagen de
                                tijd heeft om het persoonlijk plan in te leveren. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.4. Cliëntondersteuning</titel>
              </kop>
              <al>Het college wijst cliënten die een melding doen en hun mantelzorgers
                                op de mogelijkheid zich gedurende de procedure desgewenst te laten
                                bijstaan door een onafhankelijke cliëntondersteuner.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5. Onderzoek en gesprek</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het college verzamelt alle bekende en voor het onderzoek
                                        nodige gegevens over de cliënt en maakt vervolgens een
                                        afspraak voor een gesprek. </al></li>
              </lijst>
              <al>Het gesprek maakt deel uit van het onderzoek en wordt gevoerd met de
                                cliënt, en/of degene die namens de cliënt de melding heeft gedaan,
                                en/of de vertegenwoordiger van de cliënt, waar mogelijk de
                                mantelzorger(s), en/of desgewenst personen uit het sociale netwerk. </al>
              <al>Het college vraagt voor het gesprek aan de cliënt alle overige
                                gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover
                                hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, te verschaffen.
                                Hiertoe behoort in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld
                                in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, tenzij het
                                college daarover al beschikt.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.6. Het onderzoeksverslag</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het college verstrekt de cliënt of diens vertegenwoordiger
                                        een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het
                                        onderzoek.</al></li>
              </lijst>
              <al>Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het
                                verslag toegevoegd en het aangepaste verslag wordt aan de cliënt of
                                diens vertegenwoordiger verstrekt. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.7. De aanvraag</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door of
                                        namens de cliënt schriftelijk ingediend.</al></li>
              </lijst>
              <al>Een schriftelijke aanvraag wordt ingediend door middel van een door
                                het college vastgesteld aanvraagformulier of een ondertekend
                                onderzoeksverslag.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.8 Medewerking cliënt</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het college is, onverminderd artikel 2.3.8 van de wet, in
                                        ieder geval bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn
                                        voor de beoordeling van de aanspraak op een
                                        maatwerkvoorziening:</al><al>a.de cliënt op te roepen in persoon te verschijnen op een
                                        door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                        bevragen.</al><al>de cliënt op een door het college te bepalen plaats en
                                        tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te
                                        laten bevragen en/of onderzoeken.</al></li>
                <li nr=""><al>De cliënt is verplicht medewerking te verlenen aan de oproep
                                        als bedoeld in het eerste lid onder a en de bevraging en/of
                                        onderzoek als bedoeld in het eerste lid onder b.</al></li>
                <li nr="3."><al>Indien de cliënt geen gehoor kan geven aan de oproep op een
                                        door het Drechtstedenbestuur te bepalen plaats en tijdstip
                                        te verschijnen, dan kan een huisbezoek plaatsvinden, waaraan
                                        de cliënt verplicht zijn medewerking moet verlenen</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.9 Advisering</titel>
              </kop>
              <al>Het college is bevoegd om, indien dit van belang kan zijn voor de
                                beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening, zich te
                                laten adviseren door een daartoe geschikte instantie.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>PARAGRAAF 2 BEOORDELING AANSPRAAK OP MAATWERKVOORZIENING</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.10 Criteria voor een maatwerkvoorziening</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het college neemt het onderzoeksverslag als uitgangspunt bij
                                        de beoordeling van de aanspraak op een
                                        maatwerkvoorziening.</al></li>
              </lijst>
              <al>Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening:</al>
              <al>a.voor zover deze noodzakelijk is om de cliënt in staat te stellen
                                tot het zich handhaven in de samenleving;</al>
              <al>voor zover deze als de goedkoopst passende voorziening aan te merken
                                is.</al>
              <al>indien deze een passende bijdrage levert aan het voorzien in de
                                behoefte van de cliënt aan beschermd wonen en opvang en aan het
                                realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld
                                zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht, of indien dit niet
                                mogelijk is voor cliënt, met een toenemende mate van
                                zelfredzaamheid,te handhaven in de samenleving.</al>
              <al>Het college verstrekt een maatwerkvoorziening voor zover de cliënt
                                met psychische of psychosociale problemen de problemen bij het zich
                                handhaven in de samenleving niet kan verminderen of wegnemen:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>op eigen kracht; </al></li>
                <li nr="b."><al>met gebruikelijke hulp; </al></li>
                <li nr="c."><al>met mantelzorg; </al></li>
                <li nr="d."><al>met hulp van andere personen uit het sociale netwerk;</al></li>
                <li nr="e."><al>met gebruikmaking van algemene voorzieningen;</al></li>
                <li nr="f."><al>door het verrichten van maatschappelijk nuttige
                                        activiteiten.</al></li>
              </lijst>
              <al>Het college verstrekt een maatwerkvoorziening voor zover de cliënt
                                die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met
                                risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de
                                problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet kan
                                verminderen of wegnemen:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>op eigen kracht; </al></li>
                <li nr="b."><al>met gebruikelijke hulp; </al></li>
                <li nr="c."><al>met mantelzorg; </al></li>
                <li nr="d."><al>met hulp van andere personen uit het sociale netwerk;</al></li>
                <li nr="e."><al>met gebruikmaking van algemene voorzieningen;</al></li>
                <li nr="f."><al>door het verrichten van maatschappelijk nuttige
                                        activiteiten.</al></li>
              </lijst>
              <al>Het college kan nadere regels stellen inzake de toegang tot
                                maatwerkvoorzieningen en de aard, inhoud en omvang van de te
                                verstrekken maatwerkvoorzieningen.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.11 Algemene weigeringsgronden</titel>
              </kop>
              <al>Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>voor zover de voorziening voor de persoon van de cliënt
                                        algemeen gebruikelijk is;</al></li>
                <li nr="b."><al>voor zover de cliënt een beroep kan doen op een voorliggende
                                        voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor
                                        de cliënt toereikend en passend te zijn of die de kosten van
                                        de voorziening als niet noodzakelijk heeft aangemerkt;</al></li>
                <li nr="c."><al>indien de aanspraak niet is vast te stellen doordat de
                                        cliënt niet of onvoldoende voldoet aan de verplichtingen als
                                        bedoeld in artikel 2.3.8 lid 1 en 3 van de wet of van de
                                        verordening;</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>PARAGRAAF 3 PERSOONSGEBONDEN BUDGET</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.12 Hoogte persoonsgebonden budget</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De hoogte van een persoonsgebonden budget voor beschermd
                                        wonen en opvang wordt, indien sprake is van beschermd wonen
                                        en opvang door professionele hulpverleners conform de
                                        geldende kwaliteitsstandaarden, bepaald aan de hand van en
                                        op ten hoogste de prijs waarvoor het college deze beschermd
                                        wonen en opvangheeft gecontracteerd.</al></li>
                <li nr="2."><al>Het collegekan, onverminderd het eerste lid, nadere regels
                                        stellen over de hoogte van het persoonsgebonden budget.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.13` Tarief persoonsgebonden budget in sociaal
                                    netwerk</titel>
              </kop>
              <al>Het college kan nadere regels stellen over de voorwaarden
                                betreffende het tarief waaronder een cliënt de mogelijkheid heeft
                                een persoonsgebonden budget te besteden bij een persoon die behoort
                                tot zijn sociale netwerk.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.14 Criteria persoonsgebonden budget</titel>
              </kop>
              <al>Het college weigert de verlening van een persoonsgebonden budget
                                indien:</al>
              <al>a.de cliënt het door het college vastgestelde budgetplan niet of
                                niet volledig ingevuld heeft overgelegd;</al>
              <al>de cliënt weigert het budgetplan desgevraagd met het college te
                                bespreken of, na voor een gesprek daarover te zijn opgeroepen,
                                zonder geldige reden niet verschijnt;</al>
              <al>de cliënt, of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, één van diens
                                ouders of voogden, surseance van betaling heeft aangevraagd of
                                failliet is verklaard;</al>
              <al>ten aanzien van de cliënt of, indien de cliënt jonger is dan 18
                                jaar, ten aanzien van één van diens ouders of voogden, de
                                schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is
                                verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is
                                ingediend;</al>
              <al>de cliënt zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een
                                eerder persoonsgebonden budget opgelegde verplichtingen;</al>
              <al>het naar het oordeel van het college onvoldoende aannemelijk is dat
                                met het persoonsgebonden budget zal worden voorzien in toereikende
                                zorg van goede kwaliteit;</al>
              <al>het ernstige vermoeden bestaat dat de cliënt problemen zal hebben
                                met het omgaan met een persoonsgebonden budget;</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>PARAGRAAF 4 PERIODIEKE HEROVERWEGING</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.15 Periodieke heroverweging</titel>
              </kop>
              <al>Het college beoordeelt de bestaande aanspraak op een
                                maatwerkvoorziening periodiek opnieuw, met een eventueel ongunstiger
                                besluit tot gevolg, onder toepassing van een overgangstermijn.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>PARAGRAAF 5 BEEINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN
                                TERUGVORDERING</titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.16 Beëindiging</titel>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de wet, een
                                        toegekende aanspraak op een maatwerkvoorziening geheel of
                                        gedeeltelijk beëindigen of opschorten, indien: </al><lijst>
                    <li nr="a."><al>niet wordt voldaan aan hetgeen is gesteld bij of
                                                krachtens de wet of de verordening; </al></li>
                    <li nr="b."><al>de cliënt wordt opgenomen in een instelling in de
                                                zin van de Wet toelating zorginstellingen of in een
                                                ziekenhuis; </al></li>
                    <li nr="c."><al>de cliënt zich niet houdt aan de verplichtingen van
                                                het gebruik, verantwoording en administratie van de
                                                voorziening; </al></li>
                    <li nr="d."><al>de cliënt is overleden. </al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.17 Herziening en intrekking</titel>
              </kop>
              <al>Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de wet, een besluit
                                tot toekenning van een aanspraak op een maatwerkvoorziening geheel
                                of gedeeltelijk herzien of intrekken indien: </al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>niet is voldaan aan hetgeen is gesteld bij of krachtens de
                                        wet of deze verordening; </al></li>
                <li nr="b."><al>beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat
                                        die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste
                                        gegevens bekend geweest, een andere beslissing zou zijn
                                        genomen;</al></li>
                <li nr="c."><al>de cliënt de maatwerkvoorziening binnen zes maanden na
                                        toekenning niet heeft aangewend voor het resultaat waarvoor
                                        de maatwerkvoorziening is getroffen. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.18 Terugvordering</titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd artikel 2.4.1 van de wet kan het college, indien de
                                aanspraak op een voorziening is herzien of ingetrokken:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>het ten onrechte genoten betaalde persoonsgebonden budget
                                        terugvorderen;</al></li>
                <li nr="b."><al>de geldwaarde van de ten onrechte genoten
                                        maatwerkvoorziening in natura terugvorderen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>BIJDRAGE IN DE KOSTEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 3.19 Maatwerkvoorzieningen</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De cliënt is een bijdrage verschuldigd voor 24-uursopvang en
                                    vervolgopvang vrouwenopvang.</al></li>
            </lijst>
            <al>De cliënt is een bijdrage verschuldigd voor beschermd wonen.</al>
            <al>De bijdrage als bedoeld in lid 1 wordt vastgesteld en geïnd door de
                            instelling waar de cliënt verblijft.</al>
            <al>De bijdrage voor een maatwerkvoorziening wordt vastgesteld op het
                            toegestane maximumbedrag in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, met dien
                            verstande dat de bijdrage niet meer bedraagt dan de kostprijs.</al>
            <al>Het college kan nadere regels stellen inzake de verschuldigdheid, inhoud
                            en hoogte van de bijdrage.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 3.20 Algemene voorzieningen</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De cliënt is een bijdrage verschuldigd voor crisisopvang.</al></li>
            </lijst>
            <al>De bijdrage voor crisisopvang wordt vastgesteld op het toegestane
                            maximumbedrag in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, met dien verstande dat
                            de bijdrage niet meer bedraagt dan de kostprijs.</al>
            <al>Het college kan nadere regels stellen inzake de verschuldigdheid, inhoud
                            en hoogte van de bijdrage.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 3.21 Kostprijs</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De kostprijs van een voorziening in natura is gelijk aan de
                                    prijs waarvoor het college de voorziening in natura betrekt van
                                    een aanbieder.</al></li>
              <li nr="2."><al>De kostprijs van een persoonsgebonden budget is gelijk aan het
                                    bedrag van het persoonsgebonden budget.</al></li>
              <li nr="3."><al>Het college kan, onverminderd het eerste en tweede lid, nadere
                                    regels stellen over (het bepalen van) de kostprijs.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 4.22 Fraudepreventie</titel>
            </kop>
            <al>Het college voert een actief fraudepreventiebeleid. Onderdeel van dit
                            beleid is dat het college cliënten informeert over de rechten en
                            plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening zijn
                            verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik
                            daarvan. Ter controle van het beroep op algemene- en
                            maatwerkvoorzieningen wordt onder meer gebruik gemaakt van
                            bestandsvergelijkingen met actuele gegevens en van de samenloopsignalen
                            die daaruit voortkomen.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 4.23 Controle</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan onderzoek doen naar de rechtmatigheid van de
                                    maatwerkvoorziening en kan daarbij onder meer gebruikmaken van
                                    huisbezoeken, risicoprofielen en bestandsvergelijkingen en de
                                    samenloopsignalen die daaruit voortkomen. Het college kan
                                    daarnaast overige signalen en tips die relevant zijn voor de
                                    aanspraak op een maatwerkvoorziening onderzoeken.</al></li>
              <li nr="2."><al>Het college kan onderzoek doen naar de reden van de beëindiging
                                    van de aanspraak op een maatwerkvoorziening en op basis daarvan
                                    besluiten nemen met betrekking tot de rechtmatigheid van de
                                    maatwerkvoorziening en de wederzijds tussen het college en de
                                    cliënt resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 4.24 Nadere regels</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan ten aanzien van het bepaalde in dit hoofdstuk nadere
                            regels stellen.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>KWALITEIT</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 5.25 Kwaliteitseisen</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De aanbieder van een voorziening zorgt voor een goede kwaliteit
                                    van de voorziening, wat in ieder geval betekent dat:</al></li>
              <li nr="a."><al>de voorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is;</al></li>
            </lijst>
            <al>de voorziening is afgestemd op de persoonlijke situatie van de
                            cliënt;</al>
            <al>de voorziening is afgestemd op andere vormen van zorg of hulp die de
                            cliënt ontvangt;</al>
            <al>de beroepskracht die een voorziening levert, handelt in overeenstemming
                            met de professionele standaard;</al>
            <al>de voorziening voldoet aan de door de aanbieder en het college
                            overeengekomen kwaliteitseisen.</al>
            <al>Het college kan nadere regels stellen over welke verdere eisen worden
                            gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de
                            deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 5.26 Prijs-kwaliteitverhouding</titel>
            </kop>
            <al>Het college houdt bij de inkoop van beschermd wonen en opvang door
                            derden en het vaststellen van de tarieven daarvan in ieder geval
                            rekening met:</al>
            <al>a.de aard en omvang van de te verrichten taken en/of de te leveren
                            voorzieningen;</al>
            <al>de vereiste deskundigheid en vaardigheden van de beroepskrachten;</al>
            <al>de arbeidsvoorwaarden passend bij de vereiste deskundigheid en
                            vaardigheden van de beroepskrachten en de zwaarte van de functie;</al>
            <al>de kwaliteitseisen van de beschermd wonen en opvang;</al>
            <al>de reële marktprijs van de beschermd wonen en opvang.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>KLACHTENAFHANDELING EN MEDEZEGGENSCHAP</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 6.27 Regeling voor klachtenafhandeling</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Iedere aanbieder van een voorziening heeft een regeling voor
                                    afhandeling van klachten van cliënten.</al></li>
            </lijst>
            <al>Onverminderd andere handhavings bevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van de klachtregelingen van aanbieders.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 6.28 Regeling voor medezeggenschap</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college regelt indien nodig dat de aanbieder een regeling
                                    voor medezeggenschap van cliënten heeft.</al></li>
              <li nr="2."><al>Onverminderd andere handhavings bevoegdheden ziet het college
                                    toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van
                                    aanbieders.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>BURGERPARTICIPATIE</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 7.29 Betrekken van ingezetenen bij het beleid </titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in
                                    ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de
                                    voorbereiding van het beleid betreffende beschermd wonen en
                                    opvang, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de
                                    Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop
                                    inspraak wordt verleend.</al></li>
            </lijst>
            <al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen
                            voor het beleid betreffende beschermd wonen en opvang te doen, advies
                            uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en
                            beleidsvoorstellen betreffende beschermd wonen en opvang, en voorziet
                            hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.</al>
            <al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek
                            overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat
                            zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg
                            benodigde informatie en ondersteuning.</al>
            <al>Het college stelt nadere regels ter uitvoering van het tweede en derde
                            lid.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 7.30 Wmo adviesraad</titel>
            </kop>
            <al>De Wmo adviesraad adviseert het college over het beleid betreffende
                            beschermd wonen en opvang.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>SLOTBEPALINGEN</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 8.31 Hardheidsclausule</titel>
            </kop>
            <al>Het college kan in bijzondere gevallen bij de verstrekking van
                            maatwerkvoorzieningen op verzoek van de cliënt ten gunste van de cliënt
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 8.32 Evaluatie</titel>
            </kop>
            <al>Evaluatie van het door het college gevoerde beleid vindt plaats via de
                            reguliere bestuursrapportages van het college.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 8.33 Overgangsrecht</titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>De Verordening eigen bijdrage Maatschappelijke Opvang en
                                    Vrouwenopvang gemeente Dordrecht wordt ingetrokken met ingang
                                    van 1 januari 2015, met dien verstande dat deze blijft gelden
                                    ten aanzien van besluiten genomen op grond van de Wmo totdat het
                                    college, onder intrekking van het op grond van de Wmo genomen
                                    besluit, een nieuw besluit op grond van de wet en deze
                                    verordening heeft genomen, maar in ieder geval tot 1 januari
                                    2016. </al></li>
            </lijst>
            <al>Aanvragen die zijn ingediend vóór inwerkingtreding van deze verordening
                            en waarop nog geen besluit is genomen ten tijde van de inwerkingtreding
                            van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de wet en deze
                            verordening.</al>
            <al>Bezwaarschriften die zijn ingediend tegen op grond van de Wmo en de
                            daaronder vastgestelde verordening(en) genomen besluiten over opvang,
                            worden afgehandeld op grond van de Wmo en de daaronder vastgestelde
                            verordening(en).</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 8.34 Inwerkingtreding </titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking
                            en werkt terug tot 1 november 2014.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 8.35 Citeertitel</titel>
            </kop>
            <al>Deze verordening wordt aangehaald als “De Verordening Beschermd Wonen,
                            beleidssamenvatting en mandaatregelingen gemeente Molenwaard 2014”</al>
            <al/>
            <al>Mozard179130</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van 2 december 2014.</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>B.J. Nootenboom D.R. van der Borg</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <titel>Toelichting verordening BESCHERMD WONEN EN OPVANGgemeente
                        Molenwaard</titel>
        </kop>
        <al/>
        <al>
          <vet>Algemene toelichting</vet>
        </al>
        <al>Deze door de gemeenteraad vastgestelde verordening bevat de regels over
                    beschermd wonen en opvang. Formeel gezien kent de Wmo 2015 geen onderscheid
                    tussen centrumgemeenten en regiogemeenten en ziet de verplichting van de wet
                    t.a.v. beschermd wonen en opvang dus op alle gemeenten. Echter, voor opvang en
                    beschermd wonen is tussen het Rijk en de VNG afgesproken de huidige materiële
                    situatie, dus de constructie met de centrumgemeenten, voorlopig te handhaven
                    (zie Kamerstukken II, 2013 – 2014, 33 841, nr. 34). De middelen voor opvang en
                    beschermd wonen zullen dus voorlopig worden uitgekeerd aan de centrumgemeenten
                    (i.c. Dordrecht). Wel blijft het zo dat regiogemeenten een schriftelijk mandaat
                    moeten geven aan de centrumgemeente wanneer zij de bevoegdheid tot het bepalen
                    van de toegang, het afgeven van de beschikkingen en het daadwerkelijk
                    verstrekken van opvang en beschermd wonen mandateren aan de centrumgemeente. Als
                    – zoals de bedoeling is – na verloop van tijd de centrumgemeentenconstructie
                    wordt afgeschaft, kunnen gemeenten ook een ander samenwerkingsverband mandaat
                    geven.</al>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>INLEIDING</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1.1</nr>
            <titel>Begripsomschrijvingen</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel bevat de begripsomschrijvingen. Daarbij is ervoor gekozen om de
                        (meeste) wettelijke begripsbepalingen niet over te nemen. De begrippen
                        maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget zijn wel opgenomen in artikel
                        1.1 om te verduidelijken dat een maatwerkvoorziening twee leveringsvormen
                        kent (natura en pgb) en dat een persoonsgebonden budget dus een
                        leveringsvorm van een maatwerkvoorziening is.</al>
          <al>
            <cursief>Lid 1 onder a </cursief>
            <cursief> 24-uursopvang</cursief>
          </al>
          <al>Bij 24-uursopvang gaat het om het bieden van tijdelijke opvang, bestaande
                        uit verblijf en begeleiding. Het betreft een doorstroomvoorziening op weg
                        naar een meer passende en perspectief biedende woonvorm. </al>
          <al>
            <cursief>Lid 1 onder b</cursief>
            <cursief> Algemeen gebruikelijke
                            voorziening</cursief>Wat in een concrete situatie als algemeen
                        gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende maatschappelijke
                        normen van het moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen gebruikelijk” is
                        al geconcretiseerd in de Wmo 2007-jurisprudentie van de Centrale Raad van
                        Beroep. Om duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip
                        is de begripsomschrijving vanuit de jurisprudentie in de verordening
                        opgenomen. Het gaat daarbij om de volgende voorzieningen die: </al>
          <lijst>
            <li nr="-"><al>in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al></li>
            <li nr="-"><al>niet speciaal voor personen met een beperking bedoeld zijn;</al></li>
            <li nr="-"><al>die niet duurder is dan vergelijkbare producten.</al></li>
          </lijst>
          <al>Er moet altijd in het individuele geval worden bekeken of de voorziening ook
                        voor de cliënt algemeen gebruikelijk is. </al>
          <al>
            <cursief>Lid 1 onder c</cursief>
            <cursief> Algemene
                        voorziening</cursief>
          </al>
          <al>Voor de duidelijkheid is aangegeven dat de algemene voorziening, voor zover
                        in deze verordening is geregeld, alleen betrekking hebben op opvang en
                        beschermd wonen (zie ook0)</al>
          <al>
            <cursief>Lid 1 onder l</cursief>
            <cursief> Vervolgopvang
                            vrouwenopvang</cursief>
          </al>
          <al>Dit is vrouwenopvang waar naartoe vrouwen doorstromen na de crisisopvang. De
                        vervolgopvang is dan een tussenstap tussen de crisisopvang en zelfstandig
                        wonen. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1.2</nr>
            <titel>Reikwijdte</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel regelt de reikwijdte van deze verordening. Deze verordening
                        heeft alleen betrekking op de algemene voorzieningen en
                        maatwerkvoorzieningen met betrekking tot beschermd wonen en opvang.</al>
          <al>Voor de overige maatwerkvoorzieningen en voor de algemene voorzieningen zijn
                        of worden aparte verordeningen opgesteld. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>MAATWERKVOORZIENING</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Paragraaf</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Procedureregels</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.1</nr>
            <titel>Melding</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel beschrijft wie de melding kan doen en hoe de melding kan worden
                        gedaan. In principe kan iedereen een signaal afgeven dat iemand behoefte
                        heeft aan maatschappelijke ondersteuning. Echter de melding in de zin van
                        artikel 2.3.2 van de wet, waarop een onderzoek moet volgen, kan alleen
                        worden gedaan door of namens de cliënt. Dat hoeft dus niet de cliënt zelf te
                        zijn, maar kan bijvoorbeeld ook een mantelzorger of familielid zijn.</al>
          <al>De cliënt heeft na bevestiging van de melding zeven dagen de tijd een
                        persoonlijk plan in te leveren. Het gaat hier om zeven dagen, niet om zeven
                        werkdagen.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.2</nr>
            <titel>Cliëntondersteuning</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel bepaalt overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 3 van de wet dat het
                        college de cliënt na de melding inlicht over de mogelijkheid van
                        cliëntondersteuning. Voor deze cliëntondersteuning is geen bijdrage
                        verschuldigd.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.3</nr>
            <titel>Onderzoek en gesprek</titel>
          </kop>
          <al>Het onderzoek en de inhoud daarvan is al uitgebreid omschreven in de wet.
                        Daarom is bewust gekozen de wijze van toegang summier in de verordening op
                        te nemen. Wel bepaalt het tweede lid dat een gesprek altijd deel uitmaakt
                        van het onderzoek. Bij voorkeur vindt het gesprek mondeling bij de cliënt
                        thuis plaats (daarbij kan een familielid, hulpverlener of onafhankelijke
                        cliëntondersteuner aanwezig zijn). Is een gesprek thuis niet mogelijk, dan
                        wordt uitgeweken naar een spreekuur bij de gemeente of bij een
                        dienstverlener. Tot slot kan in sommige gevallen ook een telefoongesprek
                        volstaan (bv bij aanpassing van een reeds bestaande voorziening).
                        Afhankelijk van de melding en de situatie wordt daarmee bepaald hoe het
                        gesprek vorm wordt gegeven.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.4</nr>
            <titel>Het onderzoeksverslag</titel>
          </kop>
          <al>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming
                        en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 7 van de
                        wet opgenomen. Het eerste lid borgt dat altijd een schriftelijke weergave
                        van de uitkomsten van het onderzoek wordt verstrekt. Dit wordt het
                        onderzoeksverslag genoemd. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.5</nr>
            <titel>De aanvraag</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel beschrijft wie de aanvraag kan doen en hoe de aanvraag kan
                        worden gedaan. Een aanvraag kan alleen schriftelijk worden gedaan door of
                        namens de cliënt. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.6</nr>
            <titel>Medewerking cliënt en huisgenoten</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel is grotendeels een nadere uitwerking van de medewerkingsplicht
                        van artikel 2.3.8 van de wet. Het tweede lid bevat de verplichting voor de
                        cliënt om medewerking te verlenen. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.7</nr>
            <titel>Advisering</titel>
          </kop>
          <al>Het kan noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de gevraagde voorziening
                        een beroep te doen op een (medisch) adviseur. Als daar aanleiding voor is
                        biedt dit artikel daartoe de mogelijkheid. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>PARAGRAAF</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>BEOORDELING AANSPRAAK OP MAATWERKVOORZIENING</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.8</nr>
            <titel>Criteria voor een maatwerkvoorziening</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>Lid 2 </cursief>
          </al>
          <al>
            <cursief>Onder a</cursief>
          </al>
          <al>Lid 2 onder a bepaalt dat een voorziening langdurig noodzakelijk is. Wat
                        langdurig noodzakelijk is hangt geheel af van de situatie, maar ook een te
                        bereiken resultaat voor een cliënt die terminaal is, dient gerekend te
                        worden tot langdurig noodzakelijk. De voorziening zal immers iemands gehele
                        verdere leven noodzakelijk zijn. De gebruikelijke regel is dat een
                        voorziening, naar inschatting, langer dan 6 maanden</al>
          <al>noodzakelijk moet zijn. Dit sluit aan bij de maximale uitleentermijn van 6
                        maanden waarvan de kosten, zolang de huidige regels van toepassing zijn,
                        voor rekening van de AWBZ komen.</al>
          <al>
            <cursief>Onder b</cursief>
          </al>
          <al>De voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt,
                        dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel passend als de meest
                        goedkope te zijn. Datgene wat de cliënt als een meest passende oplossing
                        voor zijn beperkingen beschouwt wordt meegewogen in de beoordeling van het
                        verantwoord zijn van de voorziening. Ook het criterium inzake de kosten van
                        de voorziening, speelt een rol bij de uiteindelijke beoordeling van het al
                        dan niet verantwoord zijn van een voorziening. Voorzieningen die
                        kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening passender maken, komen
                        in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking. </al>
          <al>
            <cursief>Lid 3</cursief>
          </al>
          <al>Lid 3 benadrukt, voor wat betreft het beschermd wonen, dat het verstrekken
                        van een maatwerkvoorziening in het kader van de wet nadrukkelijk de
                        hekkensluiter is. Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn
                        omgeving, of met algemene voorzieningen of door het verrichten van
                        maatschappelijk nuttige activiteiten in staat is tot zelfredzaamheid of
                        participatie, moet er een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Het college
                        zal dus zorgvuldig onderzoeken wat de cliënt op eigen kracht of met hulp van
                        personen uit zijn sociale netwerk (gebruikelijke hulp, mantelzorg of
                        anderszins) kan doen om de problematiek te verkleinen of op te lossen en wat
                        gebruikmaken van algemene voorzieningen daaraan kan bijdragen. </al>
          <al>
            <cursief>Lid 4</cursief>
          </al>
          <al>Lid 4 benadrukt, voor wat betreft opvang, dat verstrekken van een
                        maatwerkvoorziening is in het kader van de wet nadrukkelijk de
                        hekkensluiter. Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn
                        omgeving, of met algemene voorzieningen of door het verrichten van
                        maatschappelijk nuttige activiteiten in staat is tot zelfredzaamheid of
                        participatie, moet er een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Dus het
                        college zal zorgvuldig onderzoeken wat de cliënt op eigen kracht of met hulp
                        van personen uit zijn sociale netwerk (gebruikelijke hulp, mantelzorg of
                        anderszins) kan doen om de problematiek te verkleinen of op te lossen en wat
                        gebruikmaken van algemene voorzieningen daaraan kan bijdragen. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.9</nr>
            <titel>Algemene weigeringsgronden</titel>
          </kop>
          <al>
            <cursief>Onder a</cursief>
          </al>
          <al>Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien de voorziening voor de
                        persoon van de cliënt algemeen gebruikelijk is. Voor het begrip algemeen
                        gebruikelijk wordt verwezen naar de toelichting op artikel 1.1.</al>
          <al>
            <cursief>Onder b</cursief>
          </al>
          <al>De wet bevat geen bepaling, zoals artikel 2 Wmo, die regelt dat een
                        aanspraak op grond van een andere wet voorgaat. Daarom is een dergelijke
                        bepaling in de verordening opgenomen. Ook regelt de verordenings bepaling,
                        vergelijkbaar aan artikel 15 van de Wet werk en bijstand, dat kosten die in
                        de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt, niet
                        voor vergoeding in aanmerking komen. </al>
          <al>
            <cursief>Onder c</cursief>
          </al>
          <al>In artikel 2.3.8 van de wet is de medewerkingplicht van de cliënt opgenomen.
                        En in artikel 2.6 van deze verordening is voor de cliënt een specifieke
                        medewerkingplicht neergelegd. Verleent de cliënt geen medewerking dan kan de
                        aanspraak op een maatwerkvoorziening niet worden vastgesteld en volgt een
                        afwijzende beschikking.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>PARAGRAAF</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>PERSOONSGEBONDEN BUDGET</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.10</nr>
            <titel>Hoogte persoonsgebonden budget</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel bevat de hoofdregel voor het bepalen van de hoogte van het
                        persoonsgebonden budget. Kern van de hoofdregel is dat het persoonsgebonden
                        budget nooit meer bedraagt dan de prijs die het college betaalt bij
                        verstrekking in natura. Het college kan, met inachtneming van de hoofdregel,
                        nadere regels stellen over de hoogte van het persoonsgebonden budget.
                        Daarbij zijn er diverse mogelijkheden, zoals tariefdifferentiatie en
                        rekening houden met de overheadkosten die zijn verdisconteerd in de prijzen
                        die met aanbieders worden overeengekomen.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.11</nr>
            <titel>Tarief persoonsgebonden budget in sociaal netwerk</titel>
          </kop>
          <al>Het college kan nadere regels stellen over de voorwaarden betreffende het
                        tarief waaronder een cliënt de mogelijkheid heeft een persoonsgebonden
                        budget te besteden bij een persoon die behoort tot het sociaal netwerk. Een
                        cliënt mag diensten betrekken van personen die behoren tot het sociale
                        netwerk. Die vrijheid mag de gemeente niet beperken. De gemeente mag alleen
                        voorwaarden stellen ten aanzien van het tarief. In dit artikel is daarvan
                        gebruik gemaakt in die zin dat het aan het college wordt overgelaten om
                        nadere regels te stellen.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.12</nr>
            <titel>Criteria persoonsgebonden budget</titel>
          </kop>
          <al>Artikel 2.3.6 lid 2 en 4 van de wet bevatten een aantal (deels facultatieve)
                        criteria om in aanmerking te komen voor een persoonsgebonden budget. In
                        aanvulling daarop bevat dit artikel een aantal weigeringsgronden voor een
                        persoonsgebonden budget. Deze sluiten deels aan bij de verplichting voor de
                        cliënt om een budgetplan te overleggen, indien hij in aanmerking wil komen
                        voor een persoonsgebonden budget. Voor het overige zijn de weigeringsgronden
                        afgeleid van de Regeling subsidies AWBZ. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>PARAGRAAF</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>BEEINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING</titel>
          </kop>
          <al>De wettelijke bepalingen over met name terugvordering zijn summier en
                        artikel 2.3. 10 van de wet maakt geen duidelijk onderscheid tussen enerzijds
                        beëindiging en anderzijds intrekking en herziening. Van beëindiging is
                        sprake indien de aanspraak op een maatwerkvoorziening wordt aangetast met
                        ingang van het heden of naar de toekomst toe. Het ongedaan maken van de
                        aanspraak op een Wmo-voorziening over een periode in het verleden, wordt
                        intrekken genoemd. Herzien is het over een periode in het verleden afwijkend
                        vaststellen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening.</al>
          <al>Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot intrekking en herziening, geen
                        terugwerkende kracht. Het college moet, voordat het collegebesluit tot
                        intrekking van een voorziening wordt genomen, een afweging maken tussen alle
                        bij het te nemen besluit betrokken belangen, waarbij het belang van
                        belanghebbende om te participeren zwaar dient te wegen.</al>
          <al>In de wet is slechts één terugvorderingsgrond opgenomen. Alleen indien de
                        cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking
                        van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben
                        geleid, kan het college op grond van de wet overgaan tot terugvordering. Er
                        is voor gekozen om de terugvorderingsgronden uit te breiden. Er moet wel
                        onderscheid worden gemaakt tussen de terugvorderingsbepaling in de wet en de
                        terugvorderingsgronden in de verordening voor wat betreft de invordering.
                        Bij de terugvorderingsgronden in de verordening moet de invordering langs
                        civielrechtelijke weg moet geschieden. Dit betekent onder meer dat in elk
                        afzonderlijk geval moet worden aangetoond dat er sprake is van
                        onverschuldigde betaling (artikel 6:203 e.v. BW). In de praktijk zal de
                        onverschuldigdheid van de betaling ontstaan door het nemen van een
                        herzienings- of intrekkingsbesluit. Bij de in de wet opgenomen
                        terugvorderingsgrond heeft het college de mogelijkheid het terug te vorderen
                        bedrag bij dwangbevel in te vorderen. Er is sprake van een executoriale
                        titel, waarmee direct beslag kan worden gelegd.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>BIJDRAGE IN DE KOSTEN</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3.1</nr>
            <titel>Maatwerkvoorziening</titel>
          </kop>
          <al>Het eerste lid van dit artikel regelt dat een cliënt een bijdrage is
                        verschuldigd voor twee opvangvoorzieningen: 24-uursopvang en vervolgopvang
                        vrouwenopvang. Deze bijdrage wordt vastgesteld en geïnd door de instelling
                        waar de cliënt verblijft. Ook is een bijdrage verschuldigd voor beschermd
                        wonen (lid 2), die wordt vastgesteld en geïnd door het CAK. </al>
          <al>Voor de hoogte wordt aansluiting gezocht bij maxima in de landelijke
                        regeling (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Overigens mag de bijdrage niet meer
                        bedragen dan de kostprijs. De cliënt betaalt dus niet meer dan de gemeente
                        kwijt is aan kosten voor het verstrekken van de voorziening.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3.2</nr>
            <titel>Algemene voorzieningen</titel>
          </kop>
          <al>Alleen voor de algemene voorziening ‘crisisopvang’ is een bijdrage
                        verschuldigd. Voor de hoogte wordt aansluiting gezocht bij maxima in de
                        landelijke regeling (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Overigens mag de bijdrage
                        niet meer bedragen dan de kostprijs. De cliënt betaalt dus niet meer dan de
                        gemeente kwijt is aan kosten voor het verstrekken van de voorziening.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3.3</nr>
            <titel>Kostprijs</titel>
          </kop>
          <al>In dit artikel is de wijze van berekening van de kostprijs weergegeven. De
                        kostprijs is bij een voorziening in natura de prijs die de gemeente aan de
                        leverancier/aanbieder betaalt, inclusief kosten als onderhoud, reparatie en
                        verzekering. Bij een persoonsgebonden budget is de kostprijs gelijk aan het
                        bedrag van het persoonsgebonden budget. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK</titel>
          </kop>
          <al>In dit hoofdstuk is aangegeven op welke wijze het ten onrechte ontvangen van
                        maatwerkvoorzieningen alsmede het misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet
                        wordt bestreden. Belangrijk is om de cliënt bij de verstrekking van een
                        maatwerkvoorziening nadrukkelijk te wijzen op zijn rechten en plichten en te
                        wijzen op de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. Het college
                        controleert de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening en bij het
                        vermoeden van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Het college kan
                        bij de controle onder meer gebruikmaken van huisbezoeken, risicoprofielen en
                        bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>KWALITEIT</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5.1</nr>
            <titel>Kwaliteitseisen</titel>
          </kop>
          <al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel
                        2.1.3 lid 2 onder c van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in
                        ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van
                        voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten
                        daaronder begrepen.</al>
          <al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen
                        bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om te bepalen welke
                        kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen
                        zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te
                        schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op
                        artikel 2.1.3 lid 2 onder c van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr.
                        3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 en verder van
                        de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt
                        zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt
                        veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en
                        aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In het
                        eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. </al>
          <al>Aandachtspunt is dat er geen tegenstrijdigheden mogen bestaan tussen de
                        kwaliteitseisen die bij het contracteren van aanbieders worden gesteld en de
                        kwaliteitseisen in de Verordening en het Besluit.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5.2</nr>
            <titel>Prijs-kwaliteitverhouding</titel>
          </kop>
          <al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de
                        vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten
                        verrichten (artikel 2.6.4 van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit
                        ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels
                        worden gesteld ter waarborging van een </al>
          <al>goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de
                        eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6 lid 1 van
                        de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de
                        deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om te
                        voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering
                        worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college
                        bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden.
                        Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor
                        de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt
                        is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die
                        passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig
                        van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit
                        biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de
                        daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>KLACHTENAFHANDELING EN MEDEZEGGENSCHAP</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6.1</nr>
            <titel>Regeling voor klachtenafhandeling</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3 lid 2 onder e van de wet. Dit
                        artikel legt aan iedere aanbieder de verplichting op om een klachtenregeling
                        te hebben. Het Drechtstedenbestuur zal toezien op de naleving daarvan.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6.2</nr>
            <titel>Regeling voor medezeggenschap</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3 lid 2 onder f van de wet. Het
                        collegemoet ervoor zorgen dat de aanbieder, indien het college dat
                        noodzakelijk vindt, over een regeling voor medezeggenschap beschikt. In dat
                        geval ziet het college ook toe op de naleving ervan.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>BURGERPARTICIPATIE</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7.1</nr>
            <titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel>
          </kop>
          <al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet, dat
                        bepaalt dat een aantal onderwerpen ten aanzien van de wijze waarop
                        ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid
                        worden betrokken, in de verordening moeten worden geregeld.</al>
          <al>In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de
                        Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt
                        gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo
                        2015-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle
                        ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat
                        iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Met het
                        vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van
                        de medezeggenschap vorm te geven.</al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>HOOFDSTUK</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>SLOTBEPALINGEN</titel>
          </kop>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8.1</nr>
            <titel>Hardheidsclausule</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel geeft aan dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van
                        de cliënt kan afwijken van de bepalingen van deze verordening indien
                        toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
                        Juist omdat het in de wet om maatwerk gaat zal het college er niet aan
                        ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk
                        toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van
                        overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale
                        omstandigheden te verwachten is, immers, bij de afwegingen gaat het al om
                        een individuele beoordeling. Als desondanks bij die zeer persoonlijke
                        afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de
                        hardheidsclausule een vangnet. </al>
        </divisie>
        <divisie>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8.3</nr>
            <titel>Overgangsrecht</titel>
          </kop>
          <al>Dit artikel bevat het overgangsrecht voor opvangvoorzieningen op basis van
                        de vervallen Wmo 2007. Een cliënt behoudt zijn aanspraak op een voorziening
                        die is verstrekt op grond van de Wmo 2007 totdat het </al>
          <al>college een nieuw besluit heeft genomen op grond van de Wmo 2015 (waarbij
                        het besluit op grond van de Wmo 2007 wordt ingetrokken). Het nieuwe besluit
                        treedt niet eerder in werking dan 1 januari 2016.</al>
          <al>Het tweede lid bepaalt dat aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze
                        nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog
                        niet is beslist, worden afgedaan op grond van de nieuwe verordening. In het
                        derde lid is voor lopende bezwaarschriften bepaald dat deze volgens de Wmo
                        2007 en de daaronder geldende verordening worden afgedaan.</al>
        </divisie>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>