<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR346434_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Participatiewet</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Veldhoven</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-04</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Veldhoven</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 07-04-2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Participatiewet</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 10, art. 10c, art. 10d, art. 10da</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-03-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-04-08</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-10-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging, art. 2, art. 12, art. 13, art. 14, art. 16, art. 22a, art. 38a</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>16bs00033</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Participatiewet</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 1. Algemeen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Begripsbepalingen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in
                                    de Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>Bbz 2004</cursief>: Besluit bijstandverlening
                                            zelfstandigen 2004;</al></li><li nr="b."><al><cursief>de raad</cursief>: de gemeenteraad van de
                                            gemeente Veldhoven;</al></li><li nr="c."><al><cursief>het college</cursief>: het college van
                                            burgemeester en wethouders van de gemeente
                                            Veldhoven;</al></li><li nr="d."><al><cursief>IOAW</cursief>: Wet inkomensvoorziening ouderen
                                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werklozen
                                            werknemers;</al></li><li nr="e."><al><cursief>IOAZ</cursief>: Wet inkomensvoorziening ouderen
                                            en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen
                                            zelfstandigen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 2. Participatievoorzieningen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2 Begripsbepalingen </label></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>de wet</cursief>: de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al><cursief>Anw-gerechtigden</cursief>: personen met een uitkering
                                    volgens de Algemene nabestaandenwet die geregistreerd zijn bij
                                    het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen </al></li><li nr="c."><al><cursief>belanghebbende</cursief>: de persoon als bedoeld in
                                    artikel 10 van de wet en artikel 36 IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="d."><al><cursief>GRWRE</cursief>: Gemeenschappelijke Regeling
                                    Werkvoorzieningschap Regio Eindhoven ‘Ergon’;</al></li><li nr="e."><al><cursief>mantelzorg</cursief>: langdurige zorg die niet in het
                                    kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een
                                    hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij
                                    zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en
                                    de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.
                                </al></li><li nr="f."><al><cursief>ondersteuning</cursief>: het aanbieden van een
                                    voorziening of het bieden van praktische hulp, advies of
                                    doorverwijzing naar derden;</al></li><li nr="g."><al><cursief>plan</cursief><cursief>van aanpak</cursief>: plan als
                                    bedoeld in artikel 44a van de wet;</al></li><li nr="h."><al><cursief>re-integratietraject</cursief>: een door het college
                                    aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling van
                                    belanghebbende;</al></li><li nr="i."><al><cursief>uitkeringsgerechtigden</cursief>: personen die een
                                    uitkering ontvangen ingevolge de wet, de IOAW of de IOAZ;</al></li><li nr="j."><al><cursief>UWV</cursief>: Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen;</al></li><li nr="k."><al><cursief>voorziening</cursief>(en): het geheel van
                                    re-integratie-instrumenten die het college kan aanbieden ter
                                    bevordering van arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 7
                                    lid 1 sub a van de wet of artikel 34 lid 1 sub a IOAW/IOAZ;</al></li><li nr="l."><al><cursief>werkgever</cursief>: iedere natuurlijke persoon of
                                    rechtspersoon die een onderneming in stand houdt in de zin van
                                    de Handelsregisterwet. Hieronder wordt ook verstaan de
                                    uitzendorganisatie die een detacheringsovereenkomst met
                                    loondoorbetalingsverplichting aanbiedt.</al></li><li nr="m."><al><cursief>werkplekaanpassing</cursief>: instrumenten die personen
                                    met structureel functionele beperkingen in staat stellen om te
                                    werken in een reguliere werkomgeving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 Opdracht college</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan een belanghebbende een of meer voorzieningen
                                    aanbieden.</al></li><li nr="2."><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het
                                    aanbieden van een voorziening aan een belanghebbende, beoordeelt
                                    het college de mogelijkheden, omstandigheden en capaciteiten van
                                    belanghebbende in relatie tot de verwachte doeltreffendheid van
                                    de voorziening. De omstandigheden hebben in ieder geval
                                    betrekking op zorgtaken van belanghebbende en de mogelijkheid
                                    dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik
                                    maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in
                                    ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                            en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van
                                            mantelzorg.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het college kan bij het bepalen van het aanbod aan voorzieningen
                                    prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden
                                    en met maatschappelijke, economische en conjuncturele
                                    ontwikkelingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 Budget- en/of subsidieplafonds </label></kop><al>Het college kan jaarlijks een of meer budget- en/of subsidieplafonds
                            vaststellen voor de voorzieningen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, voordat besloten wordt tot re-integratie en/of
                                    de inzet van een voorziening, onderzoek (laten) doen naar de
                                    mogelijkheden van de persoon tot arbeidsinschakeling, dan wel
                                    naar de geschiktheid om gebruik te maken van een
                                    re-integratietraject en/of een voorziening.</al></li><li nr="2."><al>Onder een onderzoek als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                    verstaan het deelnemen aan een scholingstraject of
                                    werkleertraject als bedoeld in artikel 7.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 Algemene bepalingen over voorzieningen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de inzet van voorzieningen kiest het college voor
                                    voorzieningen die adequaat en toereikend zijn met als doel het
                                    bevorderen van arbeidsinschakeling door het opdoen van
                                    werkervaring en arbeidsritme, het aanleren van vaardigheden en
                                    kennis, dan wel het op een andere wijze vergroten van
                                    zelfredzaamheid.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan een voorziening beëindigen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende niet meer behoort tot de doelgroep van
                                            de wet of dit hoofdstuk of niet meer voldoet aan de
                                            voorwaarden verbonden aan de voorziening;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende algemeen geaccepteerde arbeid
                                            aanvaardt, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van deze
                                            voorziening;</al></li><li nr="c."><al>de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een
                                            doeltreffende en doelmatige arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Er kunnen geen voorzieningen worden ingezet als de
                                    concurrentieverhoudingen onverantwoord worden beïnvloed of dit
                                    kan leiden tot verdringing van reguliere werknemers.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 Scholingstraject/werkleertraject </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan uitkeringsgerechtigden of aan personen die
                                    een uitkering op grond van de wet aanvragen, een
                                    scholingstraject/werkleertraject aanbieden.</al></li><li nr="2."><al>Een werkleertraject duurt drie maanden en kan indien
                                    noodzakelijk worden verlengd met nogmaals de periode van drie
                                    maanden.</al></li><li nr="3."><al>Het scholingstraject en/of werkleertraject vindt plaats met
                                    behoud van uitkering.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Werkstage</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Een werkstage is onderdeel van een re-integratietraject, gericht
                                    op arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="2."><al>De werkstage heeft als doel de belanghebbende, indien van
                                    toepassing met behoud van uitkering, vaardigheden en kennis te
                                    laten opdoen dan wel te onderhouden met betrekking tot aspecten
                                    die samenhangen met het verrichten van betaalde arbeid in een
                                    bepaalde baan.</al></li><li nr="3."><al>De werkstage duurt maximaal drie maanden. Indien dit
                                    noodzakelijk is en hierdoor de kans op arbeidsinschakeling
                                    aanmerkelijk wordt verbeterd, kan de periode verlengd worden met
                                    maximaal drie maanden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 Persoonsgebonden re-integratiebudget</label></kop><al>Het college kan aan een belanghebbende een persoonsgebonden
                            re-integratiebudget, gericht op arbeidsinschakeling, aanbieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10 Sociale activering</label></kop><al>Het college kan aan een belanghebbende voorzieningen aanbieden die zijn
                            gericht op maatschappelijk functioneren/participeren, en, daar waar
                            nodig, ondersteuning bieden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11 Participatieplaats</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan op basis van artikel 10a van de wet of artikel
                                    38a IOAW/IOAZ een participatieplaats en scholing aanbieden aan
                                    uitkeringsgerechtigden van 27 jaar of ouder, met als doel de
                                    afstand tot de arbeidsmarkt te verkleinen.</al></li><li nr="2."><al>Het college verstrekt aan een uitkeringsgerechtigde die
                                    onbeloonde additionele werkzaamheden verricht conform artikel
                                    10a, zesde lid, van de wet een premie van telkens maximaal €
                                    350,- per 6 maanden.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van de premie is afhankelijk van het gemiddeld aantal
                                    uren per week dat door de uitkeringsgerechtigde is gewerkt in de
                                    afgelopen 6 maanden. De maximale premie wordt verstrekt voor het
                                    werken van minimaal 24 uren per week. De premie wordt naar rato
                                    gekort bij een lager aantal gewerkte uren en verzuim. </al></li><li nr="4."><al>De premie, als bedoeld in het tweede lid, wordt geweigerd,
                                    indien de uitkeringsgerechtigde naar het oordeel van het college
                                    in de periode waarop de premie betrekking heeft, onvoldoende
                                    heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op
                                    arbeidsinschakeling in het arbeidsproces of de aan de
                                    participatieplaats verbonden verplichtingen heeft
                                    geschonden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 Participatievoorziening beschut werk</label></kop><al>Vervallen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 Loonkostensubsidie</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college verstrekt loonkostensubsidie ten behoeve van
                                    personen van wie objectief is vastgesteld dat zij, al dan niet
                                    met ondersteuning, met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot
                                    het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar die wel een
                                    gemeten loonwaarde hebben van 50 tot 80% van het wettelijk
                                    minimumloon.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan loonkostensubsidie verstrekken ten behoeve van
                                    personen met een bijstandsuitkering die niet onder de doelgroep
                                    als bedoeld in het eerste lid van dit artikel vallen, doch wel
                                    een gemeten loonwaarde hebben van 50 tot 80% van het wettelijk
                                    minimumloon hebben.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt nadere regels vast over de wijze waarop de
                                    loonwaarde wordt vastgesteld, welke voorwaarden gelden om in
                                    aanmerking te komen voor een loonkostensubsidie op grond van het
                                    eerste en het tweede lid van dit artikel en over de wijze waarop
                                    loonkostensubsidie wordt verleend en vastgesteld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 No-riskpolis</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Een werkgever kan in aanmerking komen voor een
                                    no-riskpolis.</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Een no-riskpolis vergoedt ten hoogste 100% van het wettelijk
                                    minimumloon.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt nadere regels vast over de voorwaarden waaraan
                                    voldaan moet zijn om in aanmerking te komen voor een
                                    no-riskpolis. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15 Studietoeslag </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een individuele studietoeslag, als bedoeld in
                                    artikel 36b van de wet, van maximaal € 1.800,- per zes maanden
                                    verlenen. </al></li><li nr="2."><al>Het college legt in beleidsregels vast:</al><lijst><li nr="a)"><al>de hoogte van de studietoeslag en </al></li><li nr="b)"><al>de frequentie van betaling van de studietoeslag. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van zes
                                    maanden in aanmerking komen voor een individuele
                                    studietoeslag.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan besluiten het bedrag, genoemd in het eerste lid,
                                    voor een of meerdere kalenderjaren te wijzigen danwel geen
                                    indexering toe te passen voor een of meerdere
                                    kalenderjaren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 16 Overige voorzieningen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college stelt nadere regels vast waarin wordt bepaald onder
                                    welke voorwaarden en op welke wijze een vergoeding verstrekt kan
                                    worden voor noodzakelijke kosten voor de ontwikkeling in het
                                    kader van arbeidsinschakeling. </al></li><li nr="2."><al>Indien een beroep kan worden gedaan op een voorliggende
                                    voorziening die gezien de aard en het doel wordt geacht voor de
                                    belanghebbende passend en toereikend te zijn bestaat geen recht
                                    op een vergoeding als bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt nadere regels vast waarin wordt bepaald onder
                                    welke voorwaarden en op welke wijze een vergoeding voor de
                                    kosten van begeleiding op een maatschappelijk arrangement
                                    verstrekt kan worden. </al></li><li nr="4."><al>Het college stelt nadere regels vast waarin wordt bepaald onder
                                    welke voorwaarden en op welke wijze een bijdrage in de kosten
                                    van een noodzakelijke werkplekaanpassing verstrekt kan worden.
                                </al></li><li nr="5."><al>Het college stelt nadere regels vast waarin wordt bepaald onder
                                    welke voorwaarden en op welke wijze een vergoeding voor de
                                    kosten van een voorziening die noodzakelijk is voor een
                                    bijstandsgerechtigde bij de inzet van een maatschappelijk
                                    arrangement verstrekt kan worden.</al></li><li nr="6."><al>Het college stelt nadere regels vast waarin wordt bepaald onder
                                    welke voorwaarden en op welke wijze een werkgeverspremie
                                    verstrekt kan worden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17 Tegenprestatie</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                    werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, opdragen als
                                    tegenprestatie voor zover die werkzaamheden: </al><lijst><li nr="a."><al>naar hun aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                            arbeidsmarkt; </al></li><li nr="b."><al>niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument; </al></li><li nr="c."><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere
                                            arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en
                                        </al></li><li nr="d."><al>niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college stelt bij nadere regeling vast onder welke
                                    omstandigheden een tegenprestatie wordt opgelegd en de
                                    voorwaarden die daarbij gelden. </al></li><li nr="3."><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college
                                    rekening met de volgende factoren: </al><lijst><li nr="a."><al>de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden
                                            verricht door een belanghebbende; </al></li><li nr="b."><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                                            van een belanghebbende moeten in aanmerking worden
                                            genomen; </al></li><li nr="c."><al>de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een
                                            belanghebbende moeten in overweging worden genomen;
                                        </al></li><li nr="d."><al>als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten
                                            of vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening
                                            worden gehouden. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien een
                                    belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten van
                                    mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs
                                    noodzakelijk is. </al></li><li nr="5."><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal tien uren per
                                    week en voor de maximale duur van zes maanden. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 3. Inkomenstoeslag</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 18 Begripsbepalingen</label></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>inkomen</cursief>: totaal van het inkomen al bedoeld in
                                    artikel 32 van de wet en de algemene bijstand. </al></li><li nr="b."><al><cursief>peildatum</cursief>: datum waarop een persoon
                                    individuele inkomenstoeslag aanvraagt.</al></li><li nr="c."><al><cursief>referteperiode</cursief>: periode van 36 maanden
                                    voorafgaand aan de peildatum. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19 Langdurig laag inkomen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als gedurende de
                                    referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is
                                    dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>Voor de berekening van de toepasselijke bijstandsnorm wordt geen
                                    kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de wet
                                    toegepast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 20 Hoogte inkomenstoeslag</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 375,- voor een alleenstaande</al></li><li nr="b."><al>€ 500,- voor een alleenstaande ouder</al></li><li nr="c."><al>€ 550,- voor gehuwden</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor toepassing van het eerste lid is de situatie op de
                                    peildatum bepalend.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan besluiten het bedrag, genoemd in het eerste lid,
                                    voor een of meerdere kalenderjaren te wijzigen danwel geen
                                    indexering toe te passen voor een of meerdere
                                    kalenderjaren.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 4. Handhaving</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 21 Begripsbepalingen</label></kop><al>In deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>belanghebbende</cursief>: persoon met een uitkering
                                    ingevolge de wet, Bbz 2004, IOAW of IOAZ;</al></li><li nr="b."><al><cursief>maatregel</cursief>: verlaging van de bijstand op grond
                                    van artikel 18, tweede lid van de wet, het verlagen van de
                                    IOAW-/IOAZ-uitkering op grond van artikel 20, tweede lid IOAW en
                                    artikel 20, eerste lid IOAZ, het blijvend of tijdelijk
                                    (gedeeltelijk) weigeren van een uitkering op grond van artikel
                                    20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid IOAZ;</al></li><li nr="c."><al><cursief>jongere</cursief>: een meerderjarig persoon jonger dan
                                    27 jaar;</al></li><li nr="d."><al><cursief>zelfstandige</cursief>: een zelfstandige als bedoeld in
                                    artikel 1 Bbz 2004.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 22 Afzien van het opleggen van een maatregel</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt of </al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die
                                            gedraging door het college heeft plaatsgevonden; of</al></li><li nr="c."><al>belanghebbende inmiddels geen bijstand of uitkering meer
                                            ontvangt, tenzij de belanghebbende binnen een periode
                                            van zes maanden na de datum van de
                                            beëindigingsbeschikking opnieuw bijstand of uitkering
                                            gaat ontvangen. In dat geval wordt een besluit genomen
                                            over het alsnog toepassen dan wel afzien van een
                                            maatregel op dat moment; of </al></li><li nr="d."><al>het college dringende redenen aanwezig acht.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                    grond van het bepaalde in het eerste lid onder d, wordt daarvan
                                    aan de belanghebbende schriftelijk mededeling gedaan. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22a</nr><titel>Taaltoets</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende een toets als bedoeld in artikel 18b
                                    lid 2 van de wet moet afleggen en zonder toestemming van het
                                    college niet verschijnt bij het afleggen van de toets, wordt de
                                    medewerkingsverplichting als vastgelegd in artikel 17 lid 2 van
                                    de wet geschonden en wordt een maatregel opgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt nadere regels vast over de hoogte van de
                                    maatregel en de wijze waarop deze wordt opgelegd. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 23 Hoogte van de maatregel</label></kop><al>De maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                            waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                            omstandigheden waarin hij verkeert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 24 Berekeningsgrondslag</label></kop><al>De maatregel wordt toegepast op: </al><lijst><li nr="a."><al>de voor de belanghebbende van toepassing zijnde norm , als
                                    bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet of de grondslag
                                    van de uitkering als bedoeld in artikel 5 IOAW/IOAZ en/of</al></li><li nr="b."><al>de bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 12 van de wet
                                    en/of</al></li><li nr="c."><al>de bijzondere bijstand als bedoeld in artikel 5 onderdeel d van
                                    de wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 25 Ingangsdatum en tijdvak</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor zover de bijstand of uitkering nog niet is uitbetaald,
                                    wordt de maatregel toegepast op de betaling van de betreffende
                                    bijstand of uitkering over die maand.</al></li><li nr="2."><al>Indien toepassing van het eerste lid niet mogelijk is, wordt de
                                    maatregel opgelegd met ingang van de eerst volgende
                                    kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                    opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is
                                    bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                    geldende norm. </al></li><li nr="3."><al>Een maatregel wordt over één maand uitgevoerd. Het college kan
                                    het noodzakelijk achten om uitvoering van de maatregel te
                                    spreiden over meerdere maanden. </al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het tweede lid wordt, voor zover het een
                                    zelfstandige betreft, die een uitkering voor het levensonderhoud
                                    in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz 2004 heeft
                                    ontvangen, de maatregel met terugwerkende kracht betrokken bij
                                    de definitieve vaststelling van die bijstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 26 Samenloop van gedragingen en recidive</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                    meerdere in de wet genoemde verplichtingen, wordt één maatregel
                                    opgelegd. Indien voor schendingen van de verplichtingen
                                    maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste
                                    maatregel opgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending
                                    opleveren van één of meerdere in de wet genoemde verplichtingen,
                                    wordt voor iedere gedraging gelijktijdig een afzonderlijke
                                    maatregel opgelegd.</al></li><li nr="3."><al>De hoogte van de maatregel wordt verdubbeld indien
                                    belanghebbende zich binnen twaalf maanden, na de datum van de
                                    beschikking waarin de vorig verwijtbaar aangemerkte gedraging is
                                    vastgesteld, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                    gedraging als bedoeld in artikel 28 tot en met 37 van deze
                                    verordening.</al></li><li nr="4."><al>Indien de verdubbeling van de hoogte van de maatregel en/of het
                                    bepaalde in het tweede lid van dit artikel niet
                                    uitvoerbaar/mogelijk is, wordt de duur van de maatregel
                                    verdubbeld.</al></li><li nr="5."><al>Wanneer dezelfde gedraging als bedoeld in artikel 28 tot en met
                                    37 van deze verordening binnen de gestelde periode zich meer dan
                                    twee keer voordoet, vindt geen verdubbeling van de hoogte of
                                    duur meer plaats, maar wordt de maatregel afgestemd op basis van
                                    individualisering.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 27 Niet verschijnen op uitnodiging gesprek </label></kop><al>Indien belanghebbende, zonder tegenbericht, niet verschijnt op een
                            schriftelijke uitnodiging, in verband met re-integratie om op gesprek te
                            komen wordt een maatregel opgelegd van 10%.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 28 Jongeren </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een jongere in de vier weken na melding geen of
                                    onvoldoende inspanningen heeft gedaan om geaccepteerde arbeid
                                    en/of mogelijkheden in regulier bekostigd onderwijs te
                                    verkrijgen, wordt een maatregel opgelegd van 40%.</al></li><li nr="2."><al>Indien een jongere onvoldoende meewerkt aan het opstellen of
                                    uitvoeren of evalueren van een plan van aanpak, wordt een
                                    maatregel opgelegd van 40%. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 29 Algemeen geaccepteerde arbeid trachten te verkrijgen</label></kop><al>Indien belanghebbende niet naar vermogen tracht algemeen geaccepteerde
                            arbeid te verkrijgen, wordt een maatregel opgelegd van 40%. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 30 Gedragingen alleenstaand ouder</label></kop><al>Indien op grond van artikel 9a lid 5 van de wet een ontheffing van de
                            arbeidsverplichting wordt ingetrokken doordat belanghebbende
                            ondubbelzinnig in houding en gedrag laat blijken de daaraan verbonden
                            verplichtingen niet na te willen komen, wordt een maatregel opgelegd van
                            40%.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 31 Gedragingen IOAW/IOAZ</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien belanghebbende niet of in onvoldoende mate gebruik maakt
                                    van, of door houding en gedrag zijn arbeidsinschakeling
                                    frustreert dan wel niet of onvoldoende meewerkt aan een door het
                                    college aangeboden voorziening wordt een maatregel opgelegd van
                                    40% van de norm.</al></li><li nr="2."><al>Indien een belanghebbende de algemeen geaccepteerde arbeid niet
                                    aanvaardt of door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid
                                    niet heeft behouden, wordt een maatregel opgelegd van 100% van
                                    de norm.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 32 Zelfstandige</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een zelfstandige niet of onvoldoende meewerkt aan
                                    begeleiding door een door het college aangewezen derde, wordt
                                    een maatregel opgelegd van 40%.</al></li><li nr="2."><al>Indien een zelfstandige de administratie, als bedoeld in artikel
                                    38 lid 2 Bbz 2004 niet naar behoren heeft gevoerd, wordt een
                                    maatregel opgelegd van 20%.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 33 Tegenprestatie</label></kop><al>Indien belanghebbende niet of onvoldoende uitvoering geeft aan een door
                            het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in
                            artikel 9 eerste lid onderdeel c van de wet, wordt een maatregel
                            opgelegd van 40%. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 34 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien belanghebbende een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, als
                                    bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, heeft betoond,
                                    wordt een maatregel van 20% opgelegd gedurende een periode
                                    overeenkomstig onderstaande tabel: </al></li></lijst><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colwidth="51*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Onverantwoord besteed/periode eerder of langer
                                                  in de uitkering</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Duur maatregel</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tot € 1.500/ 0 - 2 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>1 maand</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Van € 1.500 tot € 5.000/ 2- 4 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>3 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Van € 5.000 tot € 10.000/ 4-8 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>6 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Van € 10.000 tot € 20.000/ 8-16 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>9 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Van € 20.000 tot € 40.000/ 16-32 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>12 maanden</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vanaf € 40.000/ vanaf 32 maanden</al></entry><entry colname="col2"><al>18 maanden</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="2."><al>Onder tekortschietend besef wordt in ieder geval begrepen het op
                                    onverantwoorde wijze besteden van vermogen, waarbij inbegrepen
                                    het doen van een schenking of het geen aanspraak maken op of het
                                    niet te gelde maken van voorliggende voorzieningen voorafgaand
                                    aan of tijdens de bijstandsverlening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 35 Zeer ernstige misdragingen</label></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen
                            en instanties die zijn belast met de uitvoering van de wet, de IOAW,
                            IOAZ en Bbz 2004, wordt een maatregel opgelegd van 100% gedurende een
                            periode van één maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 36 Nadere verplichtingen</label></kop><al>Indien aan belanghebbende één of meerdere verplichtingen zoals bedoeld
                            in de artikelen 55 van de wet en 38, eerste lid Bbz 2004 zijn opgelegd
                            en deze niet in voldoende mate worden nagekomen, wordt een maatregel
                            opgelegd van 20%.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 37 Geüniformeerde verplichtingen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een belanghebbende een verplichting als bedoeld in
                                    artikel 18, vierde lid, onderdeel a tot en met h van de wet niet
                                    of onvoldoende nakomt wordt een maatregel opgelegd van 100%
                                    gedurende een periode van een maand.</al></li><li nr="2."><al>Het bedrag van de verlaging zoals bedoeld in het eerste lid kan
                                    worden toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en
                                    de volgende twee maanden indien bijzondere omstandigheden dit
                                    rechtvaardigen.</al></li><li nr="3."><al>Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, wordt aan de
                                    eerste maand in ieder geval 1/3 van de verlaging
                                    toebedeeld.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 38 Verrekenen bestuurlijke boete bij recidive</label></kop><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van artikel 60b, eerste en tweede lid van de wet
                                    kan het college de recidiveboete, met inachtneming van de
                                    beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c tot en met
                                    475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, verrekenen
                                    indien er sprake is van dringende redenen. </al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de
                                    verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a,
                                    eerste lid, van de wet, indien en voor zover deze boete nog niet
                                    is betaald op het moment van verrekening van de
                                    recidiveboete.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38a</nr><titel>Handhaving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college draagt in het kader van de bestrijding van het ten
                                    onrechte ontvangen van bijstand, alsmede van misbruik en
                                    oneigenlijk gebruik van de wet, zorg voor handhaving.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt nadere regels waarin wordt vastgelegd op welke
                                    wijze wordt ingezet op het signaleren van het ten onrechte
                                    ontvangen van bijstand, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik
                                    van de wet en welke handhavingsmaatregelen worde ingezet bij het
                                    signaleren hiervan.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 5. Cliëntenparticipatie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 39 Doelstelling</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Cliënten en maatschappelijke organisaties, vanuit een
                                    onafhankelijke positie, door middel van advisering aan het
                                    college te betrekken bij de gemeentelijke beleidsontwikkeling op
                                    het terrein van sociale zaken.</al></li><li nr="2."><al>Cliënten en maatschappelijke organisaties, vanuit een
                                    onafhankelijke positie, door middel van advisering aan het
                                    college te betrekken bij verbetering van de dienstverlening aan,
                                    en de communicatie met, de cliënten op het in het eerste lid
                                    genoemde terrein.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 40 Opdracht college</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college regelt de wijze waarop gevraagd en ongevraagd
                                    advisering aan het college kan plaatsvinden.</al></li><li nr="2."><al>Het college regelt daartoe de samenstelling, de taak, werkwijze,
                                    benoeming en zittingsduur van de leden van het
                                    participatieorgaan, waaronder ten minste:</al><lijst><li nr="a."><al>de vertegenwoordiging van cliëntgroepen van wie de
                                            belangen bij de gemeentelijke beleidsontwikkeling op de
                                            in artikel 39 genoemde terreinen behoren te worden
                                            betrokken;</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de adviezen van de cliëntenraad bij de
                                            besluitvorming worden betrokken;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop ambtelijke en secretariële ondersteuning
                                            plaatsvindt.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 41 Verantwoording</label></kop><al>Over de uitvoering van deze verordening legt het college jaarlijks door
                            middel van verslag verantwoording af aan de raad.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 6. Slotbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 42 Beleidsregels </label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in deze verordening kan het college ten
                            behoeve van de uitvoering van deze verordening beleidsregels
                            vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 43 Hardheidsclausule</label></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, met uitzondering van hoofdstuk 4, indien toepassing
                            ervan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 44 Onvoorziene omstandigheden</label></kop><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                            college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 45 Inwerkingtreding </label></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015, onder
                            intrekking van:</al><lijst><li nr="a."><al>Re-integratieverordening 2013 </al></li><li nr="b."><al>Maatregelenverordening WWB, Bbz 2004, Ioaw, Ioaz </al></li><li nr="c."><al>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive </al></li><li nr="d."><al>Verordening Langdurigheidstoeslag </al></li><li nr="e."><al>Verordening Cliëntenparticipatie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 46 Citeertitel</label></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening
                            Participatiewet’.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>