<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR346432_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Grootegast</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Grootegast</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Westerkwartier</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elektronisch gemeenteblad 17-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Grootegast</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-06-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Afstemmingsverordening PW, IOAW, IOAZ</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Participatiewet, art. 8, lid 1, aanhef en onderdeel a en e</al><al>Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35</al><al>Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen art. 35</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Grootegast</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Grootegast;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 30-10-2014</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a en e, van de
                        Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 35 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen;</al><al/><al>gezien het advies van de Wmo-adviesraad van 22-10-2014</al><al/><al>besluit vast te stellen de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en
                        IOAZ 2015 gemeente Grootegast </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de
                                    Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen ((IOAZ), de Algemene
                                    wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een
                                            besluit is betrokken;</al></li><li nr="b."><al>benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer
                                            of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan
                                            ten gevolge van tekortschietend besef van
                                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                            bestaan;</al></li><li nr="c."><al>college: college van de gemeente Grootegast; (of
                                            bestuur: het bestuur van de Intergemeentelijke Sociale
                                            Dienst Noordenkwartier (ISD); </al></li><li nr="d."><al>toepasselijke bijstandsnorm: de norm als bedoeld in
                                            artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of voor
                                            zover sprake is van een IOAW of IOAZ-uitkering de
                                            grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van
                                            de IOAW of respectievelijk artikel 5 van de IOAZ;</al></li><li nr="e."><al>uitkering: algemene bijstand op grond van de
                                            Participatiewet of een uitkering op grond van de IOAW of
                                            de IOAZ.</al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als
                            bedoeld in artikel 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de
                            Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAW en de
                            artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAZ worden in ieder geval
                            vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de duur van de verlaging;</al></li><li nr="c."><al>het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd,
                                    en</al></li><li nr="d."><al>indien van toepassing, de reden om af te wijken van de
                                    standaardverlaging.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Afstemming verlaging</titel></kop><al>Een verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                            waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                            omstandigheden waarin hij verkeert.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in
                                    de gelegenheid gesteld zijn zienswijze schriftelijk of mondeling
                                    naar voren te brengen.</al></li><li nr="2"><al>Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven
                                    als:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld
                                            zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien
                                            geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                            vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                            verwijtbaarheid, of</al></li><li nr="d."><al>belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen
                                            maken.</al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Afzien van verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het college ziet af van een verlaging als: </al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan 12 maanden voor constatering
                                            daarvan door het college heeft plaatsgevonden;</al></li><li nr="c."><al>het college daarvoor dringende redenen aanwezig
                                            acht.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Wanneer het college afziet van een verlaging op grond van
                                    dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk
                                    op de hoogte gesteld.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere
                                    bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de
                                    Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin
                                    het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een
                                    belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de
                                    op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende
                                    bijstandsnorm.</al></li><li nr="2"><al>Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op
                                    de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking
                                    heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft
                                    plaatsgevonden als een verlaging overeenkomstig het eerste lid
                                    niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of
                                    ingetrokken.</al></li><li nr="3"><al>Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden
                                    opgelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de
                                    uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat
                                    nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende
                                    binnen de termijn, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel
                                    b, opnieuw een uitkering ontvangt.</al></li><li nr="4"><al>Een verlaging wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een verlaging
                                    die voor een periode van meer dan 3 maanden wordt opgelegd,
                                    wordt uiterlijk na 2 maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd
                                    heroverwogen.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een verlaging wordt berekend op de toepasselijke
                                    bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden
                                    toegepast op de bijzondere bijstand als:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend
                                            met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet,
                                            of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie
                                            met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding
                                            geeft.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een verlaging wordt niet toegepast op de inkomenstoeslag.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking
                            tot de arbeidsinschakeling.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Gedragingen op grond van de Participatiewet .</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende
                            wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>Eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="b."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet;</al></li><li nr="2."><al>het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld
                                            in de artikelen 9, eerste lid, 9 a of 55 van de
                                            Participatiewet, en voor zover het gaat om een
                                            belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken
                                            na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en
                                            vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze
                                            verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde
                                            lid, van de Participatiewet;</al></li><li nr="3."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                            onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen
                                            nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                            ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande
                                            ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="4."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                                            Participatiewet;</al></li><li nr="5."><al>Derde categorie: het niet naar vermogen proberen
                                            algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de
                                            gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit
                                            uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid,
                                            van de Participatiewet.</al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Gedragingen IOAW en IOAZ</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond
                            van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de
                            IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de
                            volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>Eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als
                                    werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut
                                    werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van
                                    de registratie;</al></li><li nr="b."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening als bedoeld in de
                                            artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel
                                            e, van de IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en
                                            artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ , voor
                                            zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden
                                            of tot voortijdige beëindiging van die voorziening;</al></li><li nr="3."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken
                                            de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, wat
                                            heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                                            arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld
                                            in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of artikel 38,
                                            eerste lid, van de IOAZ;</al></li><li nr="4."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als
                                            bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de
                                            IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de
                                            IOAZ;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="1."><al>het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen;</al></li><li nr="2."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="3."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 20, eerste
                                            lid onder a of b van de Wet inkomensvoorziening oudere
                                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
                                            of artikel 20, tweede lid onder a of b van de Wet
                                            inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="4."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het
                                            college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36,
                                            eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW
                                            en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid,
                                            onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid
                                            tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige
                                            beëindiging van die voorziening.</al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><lijst><li nr="a."><al>De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 8 en
                                    9, wordt vastgesteld op: 5% van de bijstandsnorm gedurende een
                                    maand bij gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van
                                    de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen
                                    van de derde categorie.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot
                            de arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>De hoogte en duur van de verlaging bij schending geüniformeerde
                                arbeidsverplichting</titel></kop><al>Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18,
                            vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt
                            de verlaging 100% van de bijstandsnorm gedurende:</al><lijst><li nr="a."><al>één maand, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde
                                    lid, onderdeel b, f en g, van de Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>twee maanden, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde
                                    lid, onderdeel a, c, d, e en h, van de Participatiewet.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Verrekenen verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 11, wordt
                                    toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de
                                    volgende twee maanden als bijzondere omstandigheden dit
                                    rechtvaardigen.</al></li><li nr="2"><al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 11, onderdeel a, kan de
                                    verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel aan
                                    de maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft
                                    van de verlaging wordt toebedeeld.</al></li><li nr="3"><al>Bij een verlaging als bedoeld in artikel 11, onderdeel b, kan de
                                    verlaging worden toegepast over drie maanden waarbij zowel aan
                                    de maand van oplegging als aan de twee daaropvolgende maanden
                                    een derde van de verlaging wordt toebedeeld.</al></li><li nr="4"><al>Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde
                                    lid, onderdeel a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening
                                    als bedoeld in het eerste lid plaats.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Indien een belanghebbende tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                    betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de
                                    Participatiewet dan wordt de verlaging afgestemd op het
                                    benadelingsbedrag.</al></li><li nr="2"><al>De verlaging wordt vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                            benadelingsbedrag tot € 1000,--;</al></li><li nr="b."><al>b. 20% van de bijstandsnorm gedurende één maand] bij een
                                            benadelingsbedrag van € 1000,-- tot € 2000,--;</al></li><li nr="c."><al>c. 40% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                            benadelingsbedrag van € 2000,-- tot € 4000,--;</al></li><li nr="d."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een
                                            benadelingsbedrag van € 4000,-- of hoger.</al></li></lijst></li><li nr="3"><al>Onverminderd lid 2 wordt in geval geen gebruik is gemaakt van
                                    een voorliggende voorziening een verlaging op de volgende wijze
                                    vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>Wanneer het betreft algemene bijstand: 100 % van de
                                            berekeningsgrondslag gedurende een maand;</al></li><li nr="b."><al>Wanneer het betreft bijzondere bijstand: 100 % van het
                                            voor bijzondere bijstand in aanmerking komende bedrag
                                            ongeacht de periode waarover aanspraak gemaakt kan
                                            worden op bijzondere bijstand.</al></li></lijst></li><li nr="4"><al>Onverminderd lid 2 wordt, indien en voor zover het recht op
                                    bijstand een gevolg is van het niet kunnen beschikken over
                                    middelen waarover men, indien er geen sprake zou zijn geweest
                                    van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan, had kunnen beschikken of
                                    redelijkerwijs had kunnen beschikken, een verlaging opgelegd ter
                                    hoogte van het recht op bijstand (ongeacht de periode waarover
                                    aanspraak gemaakt kan worden op de bijstand), dan wel wordt het
                                    recht op bijstand verleend gedurende een bepaalde periode
                                    verleend in de vorm van een lening. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover
                                    personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de
                                    Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die
                                    wet, of tegenover personen en instanties, onder omstandigheden
                                    die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    werkloze werknemers of Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, wordt een
                                    verlaging opgelegd van:</al><lijst><li nr="a."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het
                                            uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het eerste lid
                                            genoemde personen;</al></li><li nr="b."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het
                                            uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en
                                            bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht
                                            tegen de in het eerste lid genoemde personen.</al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende een of meerdere door het college opgelegde
                            verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of
                            onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt
                            vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de
                                    aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;</al></li><li nr="c."><al>40% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    vermindering van de bijstand;</al></li><li nr="d."><al>100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of
                                    onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot
                                    beëindiging van de bijstand.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                    meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                    Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging
                                    opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de
                                    verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste
                                    verlaging is gesteld.</al></li><li nr="2"><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                    van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde
                                    lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor
                                    iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze
                                    verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de
                                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                                    omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.</al></li><li nr="3"><al>Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel
                                    een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de
                                    Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17,
                                    eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt
                                    geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een
                                    bestuurlijke boete wordt opgelegd.</al></li><li nr="4"><al>Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                    van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van
                                    de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17,
                                    eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting,
                                    waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor
                                    iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij
                                    dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van
                                    verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet
                                    verantwoord is.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Recidive</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                    bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast
                                    vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 8, tweede of
                                    derde lid, 9, tweede of derde lid, 12, eerste lid, of 15 opnieuw
                                    schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt
                                    telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging
                                    verdubbeld.</al></li><li nr="2"><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                    bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast
                                    vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 8, eerste lid,
                                    9, eerste lid of 14 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde
                                    verwijtbare gedraging, wordt telkens de hoogte van de
                                    oorspronkelijke verlaging verdubbeld.</al></li><li nr="3"><al>Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                    bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast
                                    vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van
                                    de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
                                    gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
                                    Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de
                                    bijstandsnorm gedurende.3 maanden.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ</titel></kop><al>Als het college de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de
                            IOAW of artikel 20, tweede lid, van de IOAZ blijvend of tijdelijk
                            weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op
                            grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft
                            een verlaging ter zake van die gedraging achterwege.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Blijvend of tijdelijk weigeren IOAW/IOAZ</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de uitkering tijdelijk weigeren naar de mate
                                    waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van
                                    artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven,
                                    als: </al><lijst><li nr="a."><al>aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een
                                            dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel
                                            678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en een persoon
                                            ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of </al></li><li nr="b."><al>de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van
                                            een persoon zonder dat aan de voortzetting ervan
                                            zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting
                                            redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.
                                        </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan de uitkering blijvend weigeren naar de mate
                                    waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van
                                    artikel 8 van de IOAW van de IOAZ zou hebben kunnen verwerven,
                                    als een persoon: </al><lijst><li nr="a."><al>nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of
                                        </al></li><li nr="b."><al>door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                                            verkrijgt.</al><al/></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ wordt ingetrokken en komt te
                            vervallen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1"><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2"><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening
                                    Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Grootegast</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van…..</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier,</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage/></regeling></body></cvdr>