<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR346258_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet gemeente Werkendam 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Werkendam</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Altena</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Altena Nieuws, 24-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet gemeente Werkendam 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 8, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>59874</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>archief</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vervangt de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive WWB 2013, gemeente Werkendam, vastgesteld door de gemeenteraad op 14-05-2013.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Participatiewet gemeente Werkendam 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De raad van de gemeente Werkendam,</vet></al><al/><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 oktober 2014;</al><al/><al>gezien het advies van de cliëntenraad sociale zekerheid van 29 oktober
                        2914;</al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onder d, van de Participatiewet;; </al><al/><al>overwegende dat met ingang van 1 januari 2015 in de Participatiewet de
                        verplichting is opgenomen dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt
                        over de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan artikel 60b
                        Participatiewet;</al><al/><al/><al><vet>besluit:</vet></al><al/><al/><al>vast te stellen de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive
                        Participatiewet gemeente Werkendam 2015.</al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>wet:: De Participatiewet;</al></li><li nr="b."><al>het college: Het college van burgemeester en wethouders van
                        Werkendam</al></li><li nr="c."><al>beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c tot
                        en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; </al></li><li nr="d."><al>recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a van de Participatiewet; </al><lijst><li nr="1."><al>bezit<cursief>: </cursief>waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of diens gezin beschikt 
                                of redelijkerwijs kan beschikken, met
                        uitzondering van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen,
                        bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Participatiewet; </al></li><li nr="1."><al>verrekenen<cursief>: </cursief>verrekening als bedoeld in artikel
                                60, vierde lid, van de Participatiewet. </al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens
                            recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de
                        toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de recidiveboete
                        zonder inachtneming van de beslagvrije voet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een
                        tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop de
                        bestuurlijke boete is opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Na afloop van de periode genoemd in het tweede lid, vindt eventuele
                        resterende verrekening plaats met inachtneming van de beslagvrije voet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal de
                        toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de recidiveboete
                        gedurende één maand zonder inachtneming van de beslagvrije voet. De
                        verrekening geschiedt vanaf het moment van de dagtekening waarop de
                        bestuurlijke boete is opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid, verrekent het
                        college de recidiveboete in de daarop volgende twee maanden op een dusdanige
                        wijze dat belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van
                        80% van de toepasselijke bijstandsnorm. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen gerekend
                        als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n, r en z, van de
                        Participatiewet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 2 en 3 kan het college de recidiveboete met
                        inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de artikelen 2 of
                        3, zou leiden tot huisuitzetting van belanghebbende en diens gezin; of </al></li><li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>De artikelen 2, 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de verrekening
                        van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste lid, van de wet,
                        indien en voor zover deze boete nog niet is betaald op het moment van
                        verrekening van de recidiveboete. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>De Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive WWB 2013,
                        gemeente Werkendam, zoals vastgesteld op 14 mei 2013, wordt ingetrokken met
                        ingang van 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.</al><al>Met ingang van deze datum komt de verordening ‘Verordening bestuurlijke
                        boete bij recidive WWB 2013, gemeente Werkendam’, vastgesteld 14 mei 2013,
                        te vervallen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald: ‘Verordening verrekening bestuurlijke
                        boete bij recidive Participatiewet gemeente Werkendam 2015’.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering </ondertekening><ondertekening>van de raad van de gemeente Werkendam van 16 december 2014 </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>de raadsgriffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>mr. I. Bakker mw. S. Haasjes - van den Berg</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><al><vet>Toelichting</vet></al><al/><al><vet>Algemeen deel </vet></al><al>Op 1 januari 2013 trad de "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving" in werking. Voor de Wet werk en bijstand (WWB) introduceerde deze
                    wet de bestuurlijke boete bij een schending van de inlichtingenplicht.</al><al>Het college van burgemeester en wethouders (verder college) is verplicht de
                    bestuurlijke boete met de lopende uitkering te verrekenen. In beginsel moet bij
                    deze verrekening de bescherming van de beslagvrije voet in acht genomen worden.
                    Is echter sprake van een bestuurlijke boete wegens recidive, dan kan het college
                    besluiten gedurende maximaal drie maanden de uitkering met de beslagvrije voet
                    te verrekenen. </al><al/><al>Op 1 januari 2015 treedt de Participatiewet in werking.</al><al>De Participatiewet verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te
                    stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te
                    stellen bij verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de
                    ruimte een afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten
                    werking stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. De
                    nieuwe bevoegdheid kan op veel verschillende manieren worden ingevuld. </al><al>Om gemeenten enige aanknopingspunten te bieden, hebben het RCF Kenniscentrum
                    Handhaving - Landelijk Kenniscentrum Handhaving, Divosa, de VNG en Schulinck
                    gezamenlijk een modelverordening ontwikkeld. Ondanks dat het aan de gemeente
                    zelf is naar eigen inzicht keuzen te maken, is bij de ontwikkeling van deze
                    nieuwe gemeentelijke verordening zoveel mogelijk aangesloten bij de
                    modelverordening. Navraag bij andere gemeenten leert dat de meeste gemeenten de
                    modelverordening gebruiken.</al><al/><al>De bevoegdheid van de gemeenteraad strekt zich slechts uit over het al dan niet
                    in acht nemen van de beslagvrije voet bij verrekening van de recidiveboete. Daar
                    waar terugvordering en invordering niet door de wetgever is verplicht, blijft
                    sprake van een bevoegdheid van het college. Het is derhalve aan het college op
                    deze onderdelen nadere (beleids)regels vast te stellen. </al><al/><al>In het kader van pseudoverrekening kunnen gemeenten te maken krijgen met
                    verzoeken van andere gemeenten om een door hen opgelegde recidiveboete te
                    verrekenen. Het college dat de boete heeft opgelegd zal in dat geval aangeven in
                    hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen (volgens de regels van zijn
                    gemeentelijke verordening). De gemeente die de uitkering verstrekt, moet in
                    beginsel gehoor geven aan dit verzoek. </al><al>Mocht de beslagvrije voet niet gerespecteerd worden, dan kan de belanghebbende
                    het college waarvan hij uitkering ontvangt, verzoeken de beslagvrije voet toch
                    in acht te nemen. In artikel 60b, tweede lid, van de Participatiewet is geregeld
                    dat het college die de uitkering verstrekt, de bevoegdheid heeft aan dit verzoek
                    van belanghebbende tegemoet te komen. Het ligt voor de hand dat het college bij
                    de beslissing op dat verzoek handelt analoog aan de regels die in de eigen
                    gemeentelijke verordening zijn vastgelegd. </al><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al/><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet of de Awb worden niet
                    afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Dit voorkomt dat in geval van
                    wijziging van betreffende definities in deze wetten de verordening moet worden
                    gewijzigd. De begrippen die niet nader zijn omschreven in de Participatiewet of
                    de Awb, of die verduidelijkt moeten worden, zijn in het tweede lid omschreven.
                    De meeste behoeven geen nadere toelichting. </al><al/><al><cursief>Bezit </cursief></al><al>De verordening kent een definitie van het begrip bezit. Het gaat daarbij om (de
                    waarde van) alle bezittingen waarover een belanghebbende of diens gezinsleden
                    beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken. Bezittingen kunnen zowel bestaan
                    uit geld als op geld waardeerbare goederen. </al><al>Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat het
                    nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet.
                    Eventueel aanwezige schulden spelen immers geen rol en worden dus ook niet op
                    het bezit in mindering gebracht. Ook de vrijlatingen van artikel 34, tweede lid,
                    van de Participatiewet zijn hier niet van toepassing. Een belanghebbende die
                    vanwege de volledige verrekening met de beslagvrije voet zonder inkomsten komt
                    te zitten, zal de bezittingen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan
                    beschikken, volledig moeten aanwenden om in de noodzakelijke kosten van het
                    bestaan te kunnen voorzien. Een uitzondering is gemaakt voor de door
                    belanghebbende en zijn gezin bewoonde (eigen) woning. </al><al/><al><cursief>Verrekenen </cursief></al><al>De Participatiewet kent een ruimer begrip van verrekenen dan het Wetboek van
                    Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de duidelijkheid is daarom een aparte
                    begripsbepaling opgenomen in de verordening. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 2 Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit </vet></al><al/><al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                    beslagvrije voet plaatsvindt voor de maximale termijn van drie maanden als een
                    belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te kunnen vangen.
                    Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 2 van deze verordening. Van voldoende
                    bezit is sprake als de waarde van de bezittingen waarover belanghebbende
                    beschikt (of redelijkerwijs kan beschikken), ten minste driemaal de
                    toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending of tegeldemaking
                    van deze bezittingen, zou een periode van drie maanden overbrugd moeten kunnen
                    worden.</al><al/><al>In het derde lid wordt nog expliciet bepaald dat na de periode van drie maanden
                    de beslagvrije voet weer van toepassing is.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 3 Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit </vet></al><al/><al>Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie maanden
                    volledige verrekening met de beslagvrije voet te kunnen overbruggen, dan
                    verrekent het college slechts één maand zonder inachtneming van de beslagvrije
                    voet. Voor de overige twee maanden vindt weliswaar verrekening met de
                    beslagvrije voet plaats, maar niet volledig. Belanghebbende blijft beschikken
                    over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm. </al><al>Voor het percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de
                    invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire wanbetalers.
                    Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel 19, eerste lid, van de
                    Invorderingswet 1990. </al><al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat fraude
                    niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die herhaaldelijk hun
                    inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een duidelijk signaal tegenover
                    staan. Anderzijds wordt rekening gehouden met de zorgplicht van gemeenten. Het
                    volledig buiten werking stellen van de beslagvrije voet gedurende drie maanden
                    kan kwalijke maatschappelijke consequenties hebben. Dat moet voorkomen worden.
                    De regeling zou daarmee zijn doel voorbij schieten. </al><al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van artikel 31,
                    tweede lid, onderdelen n of r, van de Participatiewet worden vrijgelaten voor de
                    algemene bijstand. Bij verrekening van een recidiveboete tot 80% van de
                    bijstandsnorm, tellen deze inkomsten echter gewoon mee. Het college laat deze
                    inkomsten dus niet buiten beschouwing bij de beoordeling van de vraag of een
                    belanghebbende nog over voldoende inkomen beschikt. Dat is geregeld in lid 3. </al><al/><al>In het vierde lid wordt nog expliciet bepaald dat na de periode van drie maanden
                    de beslagvrije voet weer van toepassing is.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 4 Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet </vet></al><al/><al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de inlichtingenplicht,
                    zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening met de beslagvrije voet
                    niet aanvaardbaar wordt geacht. Die situaties komen aan de orde in artikel 4.
                    Het gaat daarbij altijd om individuele omstandigheden waaraan het college zal
                    moeten toetsen. </al><al>In onderdeel a is geregeld dat het college kan besluiten, in afwijking van de
                    artikelen 2 en 3, toch de beslagvrije voet te respecteren wanneer volledige
                    verrekening waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van belanghebbende en diens
                    gezin. Voorkomen moet worden dat een belanghebbende door de volledige
                    verrekening op straat komt te staan, nu dit de problematiek alleen maar
                    verergert, met alle maatschappelijke kosten van dien. </al><al>Een dreigende huisuitzetting wordt in deze verordening gezien als een </al><al>dringende reden om van verrekening met de beslagvrije voet af te zien. Dat volgt
                    uit het woord 'anderszins' in onderdeel b. Ook bij aanwezigheid van andere
                    dringende redenen dan een dreigende huisuitzetting, kan het college rekening
                    houden met de bescherming van de beslagvrije voet. Van dringende redenen is niet
                    snel sprake. Het gaat slechts om incidentele gevallen, waarbij de behoeftige
                    omstandigheden waarin de belanghebbende en diens gezinsleden verkeren op geen
                    enkele andere wijze te verhelpen zijn. Het enkele feit dat het belanghebbende
                    door de verrekening aan middelen ontbreekt om in het bestaan te voorzien, is op
                    zich geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 5 Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</vet></al><al/><al>In artikel 60b, derde lid, van de Participatiewet is bepaald dat de bevoegdheid
                    om te verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder
                    opgelegde bestuurlijke boetes, voor zover op het moment van verrekening van de
                    recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht het college die
                    eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan regelt artikel 5 dat de
                    bepalingen in deze verordening van overeenkomstige toepassing zijn. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 6 Intrekking </vet></al><al/><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al><al/><al/><al><vet>Artikel 7 Inwerkingtreding</vet></al><al/><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al/><al><vet>Artikel 8 Citeertitel </vet></al><al/><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>