<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR346023_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Participatiewet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lochem</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lochem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Digitaal gemeenteblad en Berkelbode, 15 oktober 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie Participatiewet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416">Gemeentewet, artikel 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035333">Participatiewet, artikel 8a, eerste lid, onder b</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-10-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014-004815</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Participatiewet</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegenprestatie Participatiewet 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Verordening</vet><vet>tegenprestatie</vet><vet>Participatiewet</vet><vet>2015</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Lochem;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 16 september
                        2014;</al><al/><al>gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet en
                        artikel 147 Gemeentewet; </al><al/><al>gelet op het Beleidsplan Participatiewet;</al><al/><al>gelet op het advies van de Cliëntenraad;</al><al/><al>overwegende individuele en maatschappelijke belangen die met de
                        verplichting tot tegenprestatie gemoeid zijn; </al><al/><al>besluit vast te stellen de navolgende verordening:</al><al/><al><vet>Verordening</vet><vet>tegenprestatie</vet><vet>Participatiewet</vet><vet>2015.</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>1.In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Het Plein: de gemeenschappelijke regeling Het Plein;</al></li><li nr="b."><al>het bestuur: het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke
                                    regeling Het Plein;</al></li><li nr="c."><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="d."><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="e."><al>mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                                    hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                                    personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                                    rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de
                                    gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verslag over beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur zendt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de
                                doeltreffendheid van het beleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag, zoals bedoeld in het eerste lid, bevat het oordeel van
                                de cliëntenraad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>De tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden,
                                die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor
                                zover die werkzaamheden:</al><lijst><li nr="a."><al>naar hun aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                        arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b."><al>niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument;</al></li><li nr="c."><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                                        in de organisatie waarin ze worden verricht;</al></li><li nr="d."><al>niet leiden tot verdringing;</al></li><li nr="e."><al>zijn opgenomen in het plan van aanpak, zoals bedoeld in
                                        artikel 3, 1e lid van de Re- integratieverordening
                                        Participatiewet 2015; en</al></li><li nr="f."><al>niet strijdig zijn met de doelstelling(en) van het plan van
                                        aanpak en de toeleiding naar de arbeidsmarkt ondersteunen
                                        dan wel in ieder geval niet in de weg staan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuur kan ter nadere uitvoering van deze verordening
                                beleidsregels vaststellen waarin wordt vastgelegd welke aanvullende
                                werkzaamheden het bestuur in ieder geval kan aanbieden en de
                                voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze
                                verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie, het op verzoek verrichten
                                van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur kan een belanghebbende met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuur kan een belanghebbende met een korte afstand tot de
                                arbeidsmarkt uitsluitend een tegenprestatie opdragen indien
                                bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het bestuur rekening
                                met de volgende factoren:</al><lijst><li nr="·"><al>werkzaamheden die de belanghebbende uitvoert in het kader
                                        van zijn plan van aanpak, zoals bedoeld in de
                                        Re-integratieverordening Participatiewet 2015. Deze worden
                                        aangemerkt als tegenprestatie voor zover wettelijke
                                        bepalingen en bepalingen in deze verordening zich daar niet
                                        tegen verzetten;</al></li><li nr="·"><al>de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht
                                        door een belanghebbende;</al></li><li nr="·"><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van
                                        een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen,
                                        waarbij toetsing aan de bepalingen in de leden 2, 4, 5 en 7
                                        van artikel 9 van de Participatiewet te allen tijde
                                        plaatsvindt;</al></li><li nr="·"><al>de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende
                                        moeten in overweging worden genomen;</al></li><li nr="·"><al>als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of
                                        vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden
                                        gehouden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bestuur biedt de belanghebbende op zijn verzoek de mogelijkheid
                                om onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten
                                indien deze werkzaamheden voorhanden zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur en omvang van de tegenprestatie worden bepaald in het plan
                                van aanpak;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 8 uren per week
                                gedurende maximaal zes maanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De tegenprestatie kan binnen een periode van 12 maanden slechts
                                eenmaal worden opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Het bestuur draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende
                            mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het
                            oordeel van het bestuur redelijkerwijs noodzakelijk is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden
                                voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het bestuur geen tegenprestatie opdraagt omdat geen
                                werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het bestuur binnen twaalf
                                maanden of op dat moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die
                                kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie
                            Participatiewet 2015. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 13 oktober
                        2014.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Algemene</vet><vet>toelichting</vet><vet>Verordening</vet><vet>tegenprestatie</vet><vet>Participatiewet</vet><vet>Het</vet><vet>Plein</vet><vet>2015</vet></al><al>Het bestuur is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen
                            een tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct
                            samenhangt met arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar
                            of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag
                            van melding gehouden naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit
                            is vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet. De tegenprestatie bestaat uit de plicht om naar
                            vermogen door het bestuur opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                            en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.</al><al>Het bestuur draagt zorg voor een adequate monitoring van de uitvoering
                            van de tegenprestatie.</al><al>Uitgangspunt in deze verordening is, dat de belanghebbende aan wie op
                            grond van de wettelijke en in deze verordening opgenomen voorwaarden de
                            verplichting tot tegenprestatie kan worden opgelegd, automatisch aan die
                            verplichting voldoet als hij medewerking geeft aan het, met hem
                            overeengekomen, plan van aanpak: In dit plan van aanpak wordt de
                            tegenprestatie beschreven. Hiermee voldoet de raad aan haar
                            verordeningsverplichting en wordt tevens optimaal rekening gehouden met
                            de belanghebbende zijn individuele omstandigheden, alsmede zijn kansen
                            op de arbeidsmarkt of deelname aan regulier bekostigd onderwijs. De
                            maximale omvang van de tegenprestatie is in de verordening tot een
                            redelijk minimum beperkt: maximaal 8 uur per week gedurende maximaal 6
                            maanden. Het opleggen is beperkt tot één keer per twaalf maanden. Zie
                            tevens op blz. 7:
                                <cursief>Factoren</cursief><cursief>opdragen</cursief><cursief>tegenprestatie.</cursief></al><al><cursief>Individuele</cursief><cursief>omstandigheden</cursief></al><al>Het bestuur bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het bestuur de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen. Als het bestuur een tegenprestatie
                            vraagt van belanghebbende, moet het een duidelijke omschrijving geven
                            van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor een belanghebbende
                            immers duidelijk zijn welke tegenpresatie van hem verwacht wordt (zie
                            Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                            ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al><cursief>Geen</cursief><cursief>tegenprestatie</cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan
                            het bestuur in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de
                            plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid,
                            van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van
                            toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam
                            arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen
                            naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet). De
                            plicht tot tegenprestatie is voorts niet van toepassing op een
                            alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld
                            in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                            lid, van de Participatiewet).</al><al><cursief>Afstemmen</cursief></al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en
                            re-integratieverplichting geldt voor het niet nakomen van de
                            tegenprestatie dat de bijstand kan worden afgestemd in overeenstemming
                            met de gemeentelijke Maatregelenverordening Participatiewet, IOAW en
                            IOAZ 2015.</al><al><cursief>Bevoegdheid</cursief><cursief>opdragen</cursief><cursief>tegenprestatie</cursief></al><al>De bevoegdheid van het bestuur om een belanghebbende te verplichten naar
                            vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012.
                            Daarvan is door het bestuur -tot nu toe- geen gebruik gemaakt. De
                            regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een
                            gelegenheid is om te blijven participeren in de samenleving en om een
                            sociaal netwerk, arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens
                            de regering ook noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de
                            arbeidsmarkt te vergroten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).</al><al><cursief>Tegenprestatie</cursief><cursief>is</cursief><cursief>geen</cursief><cursief>re-integratie-instrument</cursief></al><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het
                            ontvangen van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft
                            niet primair tot doel de re-integratie van een belanghebbende te
                            bevorderen, maar moet worden gezien als een nuttige bijdrage aan de
                            samenleving (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49-50). De tegenprestatie
                            is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt
                            en is niet bedoeld als re-integratie-instromend. Voorts mag een
                            tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van
                            re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt
                            geldt werk boven uitkering.</al><al><cursief>Verordeningsplicht</cursief></al><al>De Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij
                            verordening regels vast te stellen over het opdragen van een
                            tegenprestatie aan mensen met een bijstandsuitkering in de leeftijd van
                            18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd. Deze verordeningsopdracht
                            is neergelegd in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b Participatiewet.
                            Het is aan de gemeente om de duur, omvang en inhoud van de
                            tegenprestatie te regelen (zie TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6).</al><al><cursief>Ontwikkelen</cursief><cursief>beleid</cursief><cursief>door</cursief><cursief>bestuur</cursief></al><al>Het bestuur heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het
                            verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan in
                            overeenstemming met de verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel
                            7, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting Verordening tegenprestatie
                                Participatiewet</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                            bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                            deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                            verordening.</al><al><cursief>Korte</cursief><cursief>afstand</cursief><cursief>tot</cursief><cursief>de</cursief><cursief>arbeidsmarkt</cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het
                            begrip 'korte afstand tot de arbeidsmarkt'. Onder een korte afstand tot
                            de arbeidsmarkt wordt verstaan dat deelname aan de arbeidsmarkt
                            redelijkerwijs mogelijk is binnen één jaar. Dit begrip is van belang in
                            verband met de mogelijkheid tot het opdragen van een tegenprestatie. Zie
                            hierover artikel 4 van deze verordening.</al><al><cursief>Grote</cursief><cursief>afstand</cursief><cursief>tot</cursief><cursief>de</cursief><cursief>arbeidsmarkt</cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het
                            begrip 'grote afstand tot de arbeidsmarkt'. Onder een grote afstand tot
                            de arbeidsmarkt wordt verstaan dat deelname aan de arbeidsmarkt
                            redelijkerwijs niet mogelijk is binnen één jaar. Dit begrip is van
                            belang in verband met de mogelijkheid tot het opdragen van een
                            tegenprestatie. Zie hierover artikel 4 van deze verordening.</al><al><cursief>Mantelzorg</cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van
                            mantelzorg. Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat
                            wordt gehanteerd in de Wet maatschappelijke ondersteuning (zie artikel
                            1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning).
                            Onder mantelzorg wordt verstaan: langdurige zorg die niet in het kader
                            van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                            personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks
                            voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van
                            huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het begrip 'mantelzorg' is van
                            belang omdat artikel 6 van deze verordening bepaalt dat het bestuur geen
                            tegenprestatie opdraagt indien een belanghebbende mantelzorg verricht
                            voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het
                            bestuur redelijkerwijs noodzakelijk is.</al><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals
                            neergelegd in de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier
                            belangrijkste kenmerken van mantelzorg zijn:</al><lijst><li nr="·"><al>er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                                    zorgverlener;</al></li><li nr="·"><al>mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd
                                    verband;</al></li><li nr="·"><al>het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze;</al></li><li nr="·"><al>het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar.</al></li></lijst><al>Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK
                            2004-2005, 30 169, nr. 1 (Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK
                            2005-2006, 30 131, nr. C. Voor mantelzorg is vereist dat de verleende
                            zorg de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor
                            de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning hanteren
                            gemeenten veelal het protocol Gebruikelijke Zorg van het Centrum
                            Indicatiestelling Zorg om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke
                            zorg. Voor de uitleg van wat onder gebruikelijke zorg kan worden
                            aangesloten bij de definitie van gebruikelijke zorg in het protocol
                            Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke zorg wordt in dat Protocol als volgt
                            omschreven: de normale zorg die partners of ouders en inwonende kinderen
                            geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een
                            gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke
                            verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat
                            huishouden.</al><al>Mantelzorg (zelf) kan niet als tegenprestatie worden aangemerkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verslag over beleid</titel></kop><al>Het bestuur zendt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de
                            doeltreffendheid van het beleid betreffende het opdragen van een
                            tegenprestatie.</al><al><cursief>Cliëntenraad</cursief><cursief>betrekken</cursief><cursief>bij</cursief><cursief>beleid</cursief></al><al>Uit artikel 2, tweede lid, van deze verordening volgt nadrukkelijk dat
                            de cliëntenraad moet worden betrokken bij de verantwoording over het
                            beleid. Hier kan een relatie worden gelegd met de verordening
                            cliëntenparticipatie, die de gemeenteraad moet vaststellen op grond van
                            artikel 47 Participatiewet. Het verslag over het beleid betreffende het
                            opdragen van een tegenprestatie moet het oordeel van de cliëntenraad
                            bevatten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het bestuur bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het bestuur de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen. Het plan van aanpak speelt hierin
                            een centrale rol. Artikel 3 van deze verordening stelt voorwaarden ten
                            aanzien van de inhoud van de tegenprestatie. Het bestuur dient maatwerk
                            toe te passen bij het opdragen van een tegenprestatie.</al><al>Rekening moet worden gehouden met de individuele omstandigheden van
                            belanghebbende, waaronder leeftijd,</al><al>opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden.
                            De werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus
                            van belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te
                            verrichten (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                            ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al>Als het bestuur een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het
                            een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden.
                            Het moet voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke
                            tegenprestatie van hem wordt verwacht (zie Rechtbank
                            Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                            ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al><cursief>Additionele</cursief><cursief>onbeloonde</cursief><cursief>maatschappelijk</cursief><cursief>nuttige</cursief><cursief>werkzaamheden</cursief></al><al>In artikel 3, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat de
                            tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                            betreffen die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie dienen zich te
                            onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt
                            verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde
                            werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en van
                            keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de
                            overheid worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).</al><al>Het bestuur kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                            additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                            werkzaamheden voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, van deze
                            verordening genoemde voorwaarden. Dit betekent dat de als tegenprestatie
                            in te zetten werkzaamheid:</al><lijst><li nr="a)"><al>naar zijn aard niet is gericht op toeleiding tot de
                                    arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b)"><al>niet is bedoeld als re-integratie-instrument;</al></li><li nr="c)"><al>wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                                    organisatie waarin deze worden verricht; en</al></li><li nr="d)"><al>niet leidt tot verdringing.</al></li><li nr="e)"><al>niet strijdig is met de doelstelling(en) van het plan van aanpak
                                    en de toeleiding naar de arbeidsmarkt ondersteunt dan wel in
                                    ieder geval niet in de weg staat; en</al></li><li nr="f)"><al>is opgenomen in het plan van aanpak, zoals bedoeld in artikel 3,
                                    1e lid van de Re-integratieverordening Participatiewet
                                    2015.</al></li></lijst><al>De voorwaarden a tot en met d zijn gebaseerd op de belangrijkste
                            kenmerken van de tegenprestatie die volgen uit de parlementaire
                            geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14).</al><al>De voorwaarde onder lid e is opgenomen om aan te geven dat de
                            tegenprestatie niet mag conflicteren met de doelstellingen die het
                            bestuur en de belanghebbende in het plan van aanpak vastleggen. Als deze
                            doelstellingen primair gericht zijn op arbeidsinschakeling moet worden
                            voorkomen dat de (op te leggen) tegenprestatie daarmee conflicteert. Met
                            andere woorden: als op grond van het plan van aanpak activiteiten worden
                            verricht, op basis van een voorziening genoemd in Hoofdstuk 3 van de
                            Re-integratieverordening Participatiewet 2015, en het gaat dan om
                            activiteiten die primair in het teken staan van participatie (artikel 1,
                            één na laatste opsommingsteken van de Re-integratieverordening
                            Participatiewet 2015) en deze activiteiten conflicteren niet de met (de
                            kansen op) arbeidsinschakeling, dan kunnen deze activiteiten, mits
                            voldaan aan de overige wettelijke voorwaarden en voorwaarden in deze
                            verordening, worden aangemerkt als de tegenprestatie, bedoeld in deze
                            verordening. Dit is een uitvloeisel van het Beleidsplan
                            Participatiewet.</al><al>Het plan van aanpak is de plaats om de werkzaamheid die in het kader van
                            de tegenprestatie wordt opgelegd in op te nemen: dit zegt lid f.</al><al>In een beleidsplan kan het bestuur vastleggen welke werkzaamheden in
                            ieder geval als tegenprestatie kunnen worden ingezet (artikel 3, tweede
                            lid, van deze verordening). Deze werkzaamheden voldoen aan de in artikel
                            3, eerste lid, van deze verordening gestelde voorwaarden.</al><al><cursief>Samenwerking</cursief><cursief>met</cursief><cursief>maatschappelijke</cursief><cursief>organisaties:</cursief></al><al>De gemeente kan voor het werven van maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals:
                            welzijnsinstellingen, vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of
                            sportvoorzieningen. Om ervoor te zorgen dat voldoende maatschappelijk
                            nuttige werkzaamheden voorhanden zijn, is het van belang dat contacten
                            worden onderhouden met maatschappelijke organisaties. Een
                            vrijwilligersvacaturebank bij een vrijwilligerscentrale kan een
                            belangrijk hulpmiddel zijn om het aanbod van maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden te bepalen. De gemeente kan ervoor kiezen uitsluitend
                            werkzaamheden binnen de gemeentegrenzen als tegenprestatie in te zetten
                            of werkzaamheden zowel binnen als buiten de gemeentegrenzen in te
                            zetten. Zie hierover de toelichting bij artikel 7 van deze
                            verordening.</al><al><cursief>Tegenprestatie</cursief><cursief>mag</cursief><cursief>niet</cursief><cursief>leiden</cursief><cursief>tot</cursief><cursief>verdringing</cursief></al><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de
                            re-integratie. De tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn
                            op toeleiding naar de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als
                            re-integratieinstrument. Het betreffen werkzaamheden die worden verricht
                            naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet mogen leiden tot
                            verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom
                            niet als tegenprestatie worden ingezet. De tegenprestatie mag het
                            accepteren van passende arbeid of van re-integratie-inspanningen niet
                            belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat voorop. Dit
                            volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet en
                            de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p.
                            14).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het bestuur heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen.
                            Het bestuur bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt
                            opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie
                            kan bezwaar en beroep worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7,
                            p. 49).</al><al>In artikel 4, eerste en tweede lid, van deze verordening is neergelegd
                            dat het bestuur in beginsel uitsluitend aan personen met een grote
                            afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie opdraagt. Aan personen
                            met een korte afstand tot de arbeidsmarkt kan uitsluitend een
                            tegenprestatie worden opgedragen indien bijzondere omstandigheden dit
                            rechtvaardigen.</al><al>Personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt, en daarmee Het
                            Plein, dienen zich immers volledig te richten op arbeidsinschakeling. In
                            deze verordening is daar invulling aan gegeven door invoeging van het 4e
                            lid: Uit een consultatie onder burgers en belangenorganisaties in de
                            voorbereiding op de kaderstelling met betrekking</al><al>tot de Participatiewet is uitdrukkelijk naar voren gekomen, dat er (meer
                            dan) voldoende mensen (kunnen) zijn die</al><al>-graag- iets willen terugdoen voor hun uitkering (wederkerigheid). Omdat
                            het hier bijvoorbeeld kan gaan om personen met een korte afstand tot de
                            arbeidsmarkt, die vrijwel uitgesloten zijn van het opgelegd krijgen van
                            de verplichting tot het leveren van een tegenprestatie is het vierde lid
                            van artikel 4 ingevoegd.</al><al><cursief>Tegenprestatie</cursief><cursief>opdragen</cursief><cursief>aan</cursief><cursief>personen</cursief><cursief>met</cursief><cursief>een</cursief><cursief>grote</cursief><cursief>afstand</cursief><cursief>tot</cursief><cursief>arbeidsmarkt</cursief></al><al>De gemeenteraad kiest er in deze verordening voor te bepalen dat het
                            bestuur een tegenprestatie in beginsel uitsluitend kan opdragen aan een
                            belanghebbende die een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Dit
                            impliceert dat aan belanghebbenden die een korte afstand tot de
                            arbeidsmarkt hebben geen tegenprestatie wordt opgedragen, tenzij sprake
                            is van bijzondere omstandigheden (zie hierna: de toelichting bij artikel
                            4, tweede lid, onder de kop “Belanghebbende met een korte afstand tot de
                            arbeidsmarkt”). Zie ook artikel 1 van deze verordening voor de begrippen
                            korte en grote afstand tot de arbeidsmarkt.</al><al>De gemeenteraad heeft hiervoor gekozen opdat personen met een korte
                            afstand zich volledig kunnen richten op de arbeidsplicht en de
                            re-integratieplicht, zoals het naar vermogen algemeen geaccepteerde
                            arbeid verkrijgen. Bij personen met een korte afstand tot de
                            arbeidsmarkt kan redelijkerwijs worden verwacht dat hun inspanningen
                            eerder zullen leiden tot uitstroom. Daarom wordt in beginsel aan
                            personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt geen tegenprestatie
                            opgedragen. De tegenprestatie mag immers het accepteren van passende
                            arbeid of van re-integratieinspanningen niet belemmeren aangezien werk
                            boven uitkering als uitgangspunt geldt. Uitgangspunt in deze verordening
                            is daarom: Aan personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt kan
                            het bestuur wel een tegenprestatie opdragen.</al><al><cursief>Belanghebbende</cursief><cursief>met</cursief><cursief>een</cursief><cursief>korte</cursief><cursief>afstand</cursief><cursief>tot</cursief><cursief>de</cursief><cursief>arbeidsmarkt</cursief></al><al>Artikel 4, tweede lid, van deze verordening bepaalt dat het bestuur een
                            belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt een
                            tegenprestatie kan opdragen als bijzondere omstandigheden dat
                            rechtvaardigen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie
                            waarin geen re-integratieactiviteiten worden verricht door
                            belanghebbende en het verrichten van re-integratieactiviteiten op korte
                            termijn redelijkerwijs niet kan worden verwacht. In dat geval bestaat er
                            ruimte een tegenprestatie op te leggen. Die situatie dient echter zo
                            spoedig mogelijk te eindigen, dan wel bij voorkeur niet te ontstaan. Het
                            is immers in niemand zijn belang als de re- integratie- activiteiten
                            niet (zo snel mogelijk) ten uitvoer worden gebracht. Het Plein speelt
                            hierin een vooraanstaande rol.</al><al><cursief>Geen</cursief><cursief>tegenprestatie:</cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan
                            het bestuur in individuele gevallen (tijdelijk) ontheffing verlenen van
                            de plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede
                            lid, van de Participatiewet).</al><al>De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van
                            toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam
                            arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en
                            inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de
                            Participatiewet).</al><al>De verplichting tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                            alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld
                            in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                            lid, van de Participatiewet).</al><al>Om te bewerkstelligen dat niet aan de toetsing van deze situaties
                            voorbij wordt gegaan is een extra bepaling ingebouwd: “…..waarbij
                            toetsing aan de bepalingen in de leden 2, 4, 5 en 7 van artikel 9 van de
                            Participatiewet te allen tijde plaatsvindt;”</al><al><cursief>Weigering</cursief><cursief>tegenprestatie</cursief></al><al>Het bestuur dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie
                            te verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur
                            van de op te leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr.
                            3,</al><al>p.29). Dit gebeurt via toepassing van de Maatregelenverordening
                            Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015.</al><al><cursief>Factoren</cursief><cursief>opdragen</cursief><cursief>tegenprestatie</cursief></al><al>Het beleidsplan Participatiewet drukt uit dat het bestuur niet geacht
                            wordt de tegenprestatie als doel (op zich) te hanteren, maar vooral als
                            middel dat (volledig) integreerbaar is, dan wel geïntegreerd is in de
                            werkwijze van Het Plein, waarbinnen het plan van aanpak de dominante
                            factor is: hierbij staan het (re-integratie)-belang van de
                            belanghebbende, evenals de gemeenschappelijkheid in de (invulling van
                            het plan van) aanpak tussen</al><al>belanghebbende en Het Plein voorop, en niet het maatschappelijk belang.
                            De uitkomst van het vorengaande kán en zal doorgaans echter wel degelijk
                            het maatschappelijk belang dienen. De tegenprestatie dient volgens de
                            Participatiewet echter door het bestuur wél te worden uitgevoerd, cq. te
                            worden opgelegd. Deze verordening, en in het bijzonder de hierna
                            toegelichte factoren brengen het vorengaande tot uitdrukking:</al><al>In artikel 4, derde lid, van deze verordening is neergelegd met welke
                            factoren het bestuur rekening moet houden bij het opdragen van een
                            tegenprestatie. Deze factoren worden hierna toegelicht.</al><al>·<cursief>Factor:
                                </cursief><cursief>werkzaamheden</cursief><cursief>die</cursief><cursief>de</cursief><cursief>belanghebbende</cursief><cursief>uitvoert</cursief><cursief>in</cursief><cursief>het</cursief><cursief>kader</cursief><cursief>van</cursief><cursief>zijn</cursief><cursief>plan</cursief><cursief>van</cursief><cursief>aanpak,</cursief><cursief>zoals</cursief><cursief>bedoeld</cursief><cursief>in</cursief><cursief>de</cursief><cursief>Re-integratieverordening</cursief><cursief>Participatiewet:</cursief></al><al>Zie het derde tekstblok onder de kop: Additionele onbeloonde
                            maatschappelijk nuttige werkzaamheden op bladzijde 7 van deze
                            verordening.</al><al>·<cursief>Factor:</cursief><cursief>tegenprestatie</cursief><cursief>'naar</cursief><cursief>vermogen':</cursief></al><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar
                            vermogen door een belanghebbende verricht ku<cursief>n</cursief>nen
                            worden. De term 'naar vermogen' heeft betrekking op de mogelijkheden
                            waarover een belanghebbende beschikt om deze werkzaamheden te
                            verrichten. Immers, niet alle onbeloonde maatschappelijk nuttige
                            werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde
                            (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).</al><al>·<cursief>Factor:</cursief><cursief>persoonlijke</cursief><cursief>situatie</cursief><cursief>en</cursief><cursief>individuele</cursief><cursief>omstandigheden</cursief><cursief>belanghebbende:</cursief></al><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het bestuur rekening met de
                            persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een
                            belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank
                            Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:
                            BZ5171). Hierbij wordt rekening gehouden met het fysieke en psychische
                            vermogen van een belanghebbende. Bij het opdragen van de tegenprestatie
                            dient het bestuur maatwerk te leveren. Voorts wordt bij opdragen van een
                            tegenprestatie rekening gehouden met praktische omstandigheden zoals
                            reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang en/of belanghebbende al
                            maatschappelijke activiteiten verricht.</al><al>·<cursief>Factor:</cursief><cursief>persoonlijke</cursief><cursief>wensen</cursief><cursief>en</cursief><cursief>kwaliteiten</cursief><cursief>belanghebbende:</cursief></al><al>Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het
                            bestuur rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van
                            belanghebbende. De regering vindt het immers belangrijk dat een
                            belanghebbende invloed heeft op de keuze van de activiteiten (TK
                            2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47).</al><al>Belanghebbende kan zelf ideeën aandragen voor de als tegenprestatie te
                            verrichten werkzaamheden. Het bestuur kan in beleidsregels bepalen
                            wanneer een belanghebbende zijn keuze voor het verrichten van
                            maatschappelijk nuttige activiteit kenbaar maakt aan het bestuur. Het
                            bestuur beoordeelt de door belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan
                            besluiten om het voorstel van belanghebbende over te nemen en die
                            werkzaamheden in te zetten als tegenprestatie. Uiteraard moet die
                            werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of krachtens artikel 3 van
                            deze verordening en moet die werkzaamheid beschikbaar zijn. Het bestuur
                            is niet gehouden te voldoen aan de wensen van een belanghebbende, maar
                            moet deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt belanghebbende geen
                            ideeën aan, dan legt het bestuur belanghebbende bijvoorbeeld een lijst
                            met keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                            die voorhanden zijn. Als belanghebbende geen voorkeur kenbaar maakt of
                            er geen keuzemogelijkheid is, legt het bestuur een werkzaamheid op. Het
                            is immers aan het bestuur, en niet aan een belanghebbende, een
                            tegenprestatie op te dragen.</al><al>·<cursief>Factor:</cursief><cursief>maatschappelijke</cursief><cursief>activiteiten</cursief><cursief>en</cursief><cursief>vrijwilligerswerk</cursief><cursief>door</cursief><cursief>belanghebbende:</cursief></al><al>Het bestuur houdt er bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie
                            rekening met het eventuele gegeven dat een belanghebbende al
                            maatschappelijk actief is (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Indien
                            een belanghebbende al een maatschappelijke activiteit verricht, kan het
                            bestuur in bepaalde gevallen besluiten deze maatschappelijke activiteit
                            aan te merken als tegenprestatie. Ook kan de omstandigheid dat een
                            belanghebbende een maatschappelijke activiteit verricht, ertoe leiden
                            dat hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de
                            tegenprestatie, vooral de duur en de omvang van de tegenprestatie. Een
                            voorbeeld van maatschappelijke activiteiten zijn: de zorg voor een ouder
                            of een gehandicapt kind. Het bestuur beoordeelt de maatschappelijke
                            activiteiten en houdt daarbij rekening met de duur en omvang.</al><al>Dit geldt ook voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Het bestuur kan
                            ook besluiten vrijwilligerswerk van bijvoorbeeld zes uren per week aan
                            te merken als tegenprestatie.</al><al>Onder vrijwilligerswerk wordt in het algemeen verstaan: werk dat in enig
                            verband onverplicht en onbetaald wordt verricht, voor anderen of de
                            samenleving (vergelijk TK 2005-2006, 30 334, nr. 1, p. 2).</al><al>De VNG verwijst bij de begripsomschrijving vrijwilligerswerk naar de
                            zogenaamde draaischijf van Movisie. Movisie heeft een draaischijf
                            ontwikkeld waaraan een gemeente aan de hand van acht onderdelen de
                            definitie kan bepalen. Zie hiervoor: www.movisie.nl/draaischijf.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het bestuur bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                            voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de
                            aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                            tegenprestatie. Hierbij moet het bestuur de in deze verordening
                            neergelegde criteria in acht nemen. Artikel 5 van deze verordening stelt
                            voorwaarden ten aanzien van de duur en omvang van de
                            tegenprestatie.</al><al><cursief>Individuele</cursief><cursief>omstandigheden</cursief></al><al>Het bestuur beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van
                            een belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang
                            van de werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te
                            zijn. Dat betekent dat het bestuur steeds een afweging maakt op basis
                            van de situatie in welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden (TK
                            2013-2014, 33 801, nr. 30).</al><al>Door juristen wordt het advies gegeven de tegenprestatie relatief gering
                            in omvang en duur in te zetten om aan de veilige kant van de
                            internationale bepalingen met betrekking tot het verbod op dwangarbeid
                            en verplichte arbeid te blijven (artikel 4 EVRM). Daarmee is in deze
                            verordening terdege rekening gehouden.</al><al><cursief>Duur</cursief><cursief>en</cursief><cursief>omvang</cursief><cursief>tegenprestatie</cursief></al><al>Artikel 5, eerste lid, regelt dat de omvang van de tegenprestatie wordt
                            bepaald in het plan van aanpak.</al><al>Het is van belang dat de duur beperkt is. Het opdragen van de
                            tegenprestatie tot aan het einde van de uitkering is in ieder geval niet
                            beperkt in duur en in omvang.</al><al>Artikel 5, tweede en derde lid maximeren (daarom) de duur dat de
                            tegenprestatie wordt ingezet. Voor het maximaal aantal uren is gekozen
                            om de tegenprestatie van relatief geringe omvang te laten zijn.</al><al>Artikel 5, derde lid, regelt dat het opdragen van een tegenprestatie
                            binnen een periode van twaalf maanden slechts eenmaal kan worden
                            opgedragen. Deze bepaling waarborgt dat de tegenprestatie relatief
                            gering wordt ingezet. De tegenprestatie dient immers niet in de weg te
                            staan aan de re-integratie van een belanghebbende. Bovendien is het
                            verstandig de tegenprestatie relatief gering in omvang en duur in te
                            zetten om aan de veilige kant van de internationale bepalingen met
                            betrekking tot het verbod op dwangarbeid en verplichte arbeid te blijven
                            (artikel 4 EVRM). Het is volgens de gemeenteraad onwenselijk om een
                            belanghebbende vaker dan eenmaal per periode van twaalf maanden in te
                            zetten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Artikel 6 van de verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt
                            opgedragen indien een belanghebbende mantelzorg verricht en het bestuur
                            het verrichten hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt. De regering
                            heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging
                            met betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24,
                            p. 6). Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van
                            het begrip mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze
                            verordening. Verricht een belanghebbende mantelzorg in de zin van deze
                            verordening en is het verrichten van mantelzorg volgens het bestuur
                            redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het bestuur een belanghebbende
                            geen tegenprestatie op (artikel 6 van deze verordening).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><al>Artikel 7 van deze verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt
                            opgedragen indien geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                            voorhanden zijn. In deze verordening kiest de gemeenteraad er niet voor
                            dat indien geen maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn
                            binnen de eigen gemeentegrenzen, buiten de gemeentegrenzen gezocht moet
                            worden naar maatschappelijk nuttige werkzaamheden. :. Indien het bestuur
                            besluit geen tegenprestatie op te leggen omdat geen onbeloonde
                            maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn, wordt binnen 12
                            maanden een heronderzoek uitgevoerd om te beoordelen of op dat moment
                            wel maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn. Dit is
                            geregeld in artikel 7, tweede lid, van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf
                            die datum is in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet de verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd
                            om regels in de verordening vast te stellen over het opdragen van een
                            tegenprestatie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In dit artikel is de citeertitel van deze verordening neergelegd.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>