<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR346008_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomenstoeslag Lochem</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lochem</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lochem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">digitaal gemeenteblad en Berkelbode, 15 oktober 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele inkomenstoeslag Lochem</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416">Gemeentewet, artikel 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035333">Participatiewet, artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, artikel 36</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-10-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014-004815</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Participatiewet</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING INDIVIDUELE INKOMENSTOESLAG LOCHEM</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Lochem;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van;</al><al>gelet op de artikelen 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede
                        lid, en 36 van de Participatiewet;</al><al>overwegende dat de financiële positie van mensen die langdurig op een
                        minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komt te staan als er na
                        verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen
                        uit arbeid het inkomen te verhogen;</al><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de</al><al> “Verordening individuele inkomenstoeslag Lochem”</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de
                                    Participatiewet, en de algemene bijstand.</al></li><li nr="b."><al>Peildatum: datum waartegen een persoon individuele
                                    inkomenstoeslag aanvraagt.</al></li><li nr="c."><al>Referteperiode: periode van 36 maanden voorafgaand aan de
                                    peildatum.</al></li><li nr="d."><al>College: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Lochem.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de
                            Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college
                            vastgesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel
                                36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de
                                referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan
                                105 % van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Marginale overschrijdingen van het inkomen dienen genegeerd te
                                worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Uitzicht op inkomensverbetering</titel></kop><al>Het college kan in beleidsregels nader omschrijven onder welke
                            omstandigheden er geen sprake is van uitzicht op inkomensverbetering,
                            zoals bedoeld in artikel 36, tweede lid van de Participatiewet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Hoogte individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 375,00 voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>€ 475,00 voor een alleenstaande ouder;</al></li><li nr="c."><al>€ 525,00 voor gehuwden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                                inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                                Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor
                                een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                                alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de
                                peildatum bepalend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd
                                overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex
                                volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden
                                naar boven afgerond op hele euro’s. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De Verordening langdurigheidstoeslag 2012 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele
                                    inkomenstoeslag Lochem.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 13 oktober
                        2014.</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld
                    ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip
                    van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële
                    positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder
                    druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te
                    zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de
                    invoering van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004 de
                    langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de
                    langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds
                    die datum een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Per 1
                    januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag.
                    Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar
                    een discretionaire bevoegdheid.</al><al>Dit betekent dat het bestuur een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als
                    een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Het bestuur kan in
                    beleidsregels nader omschrijven in welke gevallen personen (geen) uitzicht
                    hebben op inkomensverbetering (zij kan daarbij ook bepaalde groepen nadrukkelijk
                    benoemen of uitsluiten).</al><tussenkop>Activerend armoedebeleid</tussenkop><al>Meer dan de (huidige) langdurigheidstoeslag dwingt de individuele
                    inkomenstoeslag tot een individualiserende benadering. Het is de bedoeling dat
                    de toeslag alleen is voor degenen die, gelet op hun persoonlijke omstandigheden,
                    geen perspectief op inkomensverbetering hebben. Het hanteren van een louter
                    formeel/materieel criterium in de vorm van een langdurig laag inkomen, zoals in
                    de huidige langdurigheidstoeslag geldt, is onvoldoende. Dat maakt dat de
                    individuele inkomenstoeslag bij uitstek een (potentieel) activerend element in
                    zich draagt. Het armoedebeleid kan op deze ondersteunend zijn aan het activerend
                    karakter van de Participatiewet. Het is zaak om dit activerend karakter optimaal
                    tot uitdrukking te brengen in de nader te formuleren beleidsregels, waarbij met
                    name de uitdaging is om een koppeling te maken met het plan van aanpak, de
                    fasering op de participatieladder en het ingezette
                    ‘re-integratie-instrumentarium’.</al><tussenkop>Vast te leggen regels in verordening</tussenkop><al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is
                    een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een
                    laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen
                    uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de
                    Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over het
                    verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de
                    Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze
                    waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’.
                    Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een
                    inkomen hoger dan 105% van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast moet bij
                    verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden. Het
                    college kan in (wetsinterpreterende) beleidsregels aangeven wanneer sprake is
                    van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel 8,
                    tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd
                    in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op
                    inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van
                    de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot
                    die omstandigheden in ieder geval worden gerekend:</al><lijst><li nr="-"><al>de krachten en bekwaamheden van de persoon, en</al></li><li nr="-"><al>de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering
                            te komen.</al></li></lijst><tussenkop>Sluitstuk minimaregelingen</tussenkop><al>Aansluitend bij de Langdurigheidstoeslag 2012 wordt de individuele
                    inkomenstoeslag gezien als een</al><al>sluitstuk van het gemeentelijke stelsel van minimaregelingen. Daarom is er (ook
                    nu) gekozen voor een betrekkelijk enge uitleg van het begrip langdurig, laag
                    inkomen. De inkomensgrens van de 105% bijstandsnorm blijft dus gehandhaafd.</al><tussenkop>Overgangsrecht</tussenkop><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                    langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening overgangsrecht
                    op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte langdurigheidstoeslagen, omdat
                    artikel 78z van de Participatiewet voorziet in algemeen overgangsrecht met
                    betrekking tot de wijzigingen in de Participatiewet als gevolg van de
                    inwerkingtreding van de Invoeringswet Participatiewet en de Wet maatregelen WWB
                    op 1 januari 2015. De individuele inkomenstoeslag en voorheen de
                    langdurigheidstoeslag worden immers toegekend tegen een peildatum. Zaken die na
                    de peildatum gebeuren hebben geen betekenis voor het recht op een dergelijke
                    toeslag. Wie op een datum gelegen vóór 1 januari 2015 op basis van de
                    toepasselijke verordening recht had op langdurigheidstoeslag, behoudt dat
                    onverkort, ongeacht of hij voldoet aan de voorwaarden die per 1 januari 2015
                    zijn gesteld in artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening.
                    Toekenning van het recht op individuele inkomenstoeslag tegen een datum gelegen
                    op of ná 1 januari 2015 is uitsluitend mogelijk als wordt voldaan aan de in
                    artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening opgenomen
                    voorwaarden.</al><tussenkop>Wijziging leefvorm</tussenkop><al>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon kan
                    wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden
                    individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de
                    referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen moeten dan
                    ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor
                    individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel
                    gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                    gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op
                    deze verordening.</al><tussenkop>Inkomen</tussenkop><al>Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de
                    Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de
                    beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking
                    genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking
                    worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van bijzondere
                    bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een eerder verstrekte
                    individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden gelaten bij de
                    vaststelling van het inkomen. Het wordt niet wenselijk geacht een eerder
                    verstrekte individuele inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als inkomen, omdat
                    dit het ongewenst effect kan hebben dat een persoon geen recht op een
                    individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in
                    de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Wat voor een eerder
                    verstrekte individuele inkomenstoeslag geldt, dat geldt ook voor een eerder
                    verstrekte langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals die luidde vóór 1
                    januari 2015.</al><tussenkop>Peildatum</tussenkop><al>De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
                    aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een
                    persoon langdurig een laag inkomen</al><al>heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van
                    de Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht
                    op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen met de
                    aanvraagdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór deze aanvraagdatum,
                    tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste
                    lid, van de Participatiewet en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de
                    Participatiewet.</al><tussenkop>Referteperiode</tussenkop><al>Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode
                    van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting bij artikel
                    3 onder ‘Langdurig’.</al><tussenkop>Artikel 2. Indienen verzoek</tussenkop><al>De Wet maatregelen WWB heeft artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet
                    dusdanig gewijzigd dat een persoon een verzoek tot verlening van individuele
                    inkomenstoeslag kan indienen. Voorheen was de langdurigheidstoeslag alleen op
                    aanvraag verkrijgbaar. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een
                    persoon, een besluit te nemen (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag
                    dient in beginsel schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 Awb).</al><al>Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden
                    ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden
                    gedaan middels een door het bestuur vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan
                    gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan
                    om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend
                    door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de
                    dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel
                    4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en
                    bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij
                    redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb).
                    Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om
                    individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de
                    Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 3. Langdurig laag inkomen</tussenkop><al>Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder
                    ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan.</al><tussenkop>Langdurig</tussenkop><al>De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de
                    peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld
                    in artikel 1 van deze verordening.</al><tussenkop>Laag inkomen</tussenkop><al>Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 105% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm.</al><al>De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet hoger
                    is dan het langdurig lage inkomen van 105% van de toepasselijke bijstandsnorm,
                    zal niet al te rigide mogen worden beoordeeld. Een marginale overschrijding van
                    dit lage inkomen moet worden genegeerd.1 Gaat het inkomen van een persoon
                    gedurende (een deel van) de referteperiode de toepasselijke bijstandsnorm
                    maandelijks met ongeveer € 5 of meer te boven, dan is geen sprake meer van een
                    marginale overschrijding van de bijstandsnorm die niet aan toekenning van een
                    individuele inkomenstoeslag in de weg staat. Er is immers geen sprake van een
                    incidentele geringe overschrijding van de bijstandsnorm of van te verwaarlozen
                    bedragen van enkele eurocenten.2</al><al>1 CRvB 19-08-2008, nrs. 06/1163 WWB e.a., ECLI:NL:CRVB:2008:BE8918 en CRvB
                    15-02-2011, nr. 08/5141 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5532.</al><al>2 (CRvB 27-03-2012, nr. 10/2488 WWB, ECLI:NL:CRVB:2012:BW0068 en CRvB
                    31-07-2012, nr. 12/1825 WWB,</al><al>ECLI:NL:CRVB:2012:BX7178.</al><al>Of oud: Uit oogpunt van redelijkheid en rechtvaardigheid kan hierbij als
                    vuistregel worden gehanteerd dat de overschrijding de hoogte van de individuele
                    toeslag niet te boven gaat.</al><tussenkop>Artikel 4. Uitzicht op inkomensverbetering</tussenkop><al>De langdurigheidstoeslag ging vooral uit van een beoordeling van de kansen de
                    aanvrager had op een verbetering van zijn inkomen, en of de aanvrager in
                    voldoende mate had meegewerkt aan zijn re- integratie.</al><al>In de inkomenstoeslag ligt de nadruk op de inspanningen die hij heeft verricht,
                    binnen zijn krachten en bekwaamheden.</al><al>Het college geeft in beleidsregels aan, welke inspanningen van de aanvrager
                    minimaal worden verwacht. De beslissing om een inkomenstoeslag toe te kennen zal
                    dan zijn gebaseerd op een toets van de door de aanvrager verrichte inspanningen
                    aan de beleidsregels.</al><tussenkop>Artikel 5. Hoogte individuele inkomenstoeslag</tussenkop><al>Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt
                    tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden.</al><tussenkop>Gehuwden</tussenkop><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele
                    inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum
                    als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden
                    van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan
                    deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele
                    inkomenstoeslag.3</al><al>Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele
                    inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van
                    artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende
                    partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om
                    een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                    Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één
                    partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende
                    partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die
                    voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in
                    het tweede lid.</al><tussenkop>Indexering</tussenkop><al>In het vierde lid is een indexeringsbepaling opgenomen. Deze bepaling voorkomt
                    dat de verordening telkens opnieuw moet worden vastgesteld, enkel voor indexatie
                    van de bedragen. Het is van belang de nieuwe bedragen (na indexatie) duidelijk
                    te communiceren.</al><al>3 CRvB 13-07-2010, nr. 08/2345 WWB, ECLI:NL:CRVB:2010:BN2529.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>