<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR346003_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lochem</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lochem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Digitaal gemeenteblad en Berkelbode, 15 oktober 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416">Gemeentewet, artikel 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035333">Participatiewet, artikel 8, eerste lid, onder d</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014-004815</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Participatiewet</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Lochem;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 16 september
                        2014;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet en
                        artikel 147 Gemeentewet; gezien het advies van de cliëntenraad Het
                        Plein;</al><al>overwegende dat uitkeringsfraude niet mag lonen, maar verrekening van
                        een recidiveboete met de beslagvrije voet gedurende een maximale termijn
                        van drie maanden in bepaalde omstandigheden en situaties niet
                        proportioneel is en tot onwenselijke maatschappelijke effecten kan
                        leiden;</al><al>besluit vast te stellen:</al><al>de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2015.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="·"><al>beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen
                                    475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke
                                    Rechtsvordering;</al></li><li nr="·"><al>recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a,
                                    vijfde lid, van de Participatiewet;</al></li><li nr="·"><al>bezit<cursief>:</cursief>waarde van de bezittingen
                                    waarover belanghebbende of diens gezin beschikt of
                                    redelijkerwijs kan beschikken, met uitzondering van het in de
                                    woning met bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld in artikel
                                    50, eerste lid, van de Participatiewet;</al></li><li nr="·"><al>verrekenen<cursief>:</cursief>verrekening als bedoeld
                                    in artikel 60, vierde lid, van de Participatiewet;</al></li><li nr="·"><al>bijstandsnorm: de norm als bedoeld in artikel 20, 21, 22 en 22a
                                    van de Participatiewet;</al></li><li nr="·"><al>bestuur: het dagelijks bestuur van de Gemeenschappelijke
                                    regeling Het Plein.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het bestuur de
                                recidiveboete zonder inachtneming van de beslagvrije voet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een
                                tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop
                                de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het bestuur de
                                recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming van de
                                beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf het moment van de
                                dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid, verrekent
                                het bestuur de recidiveboete in de daarop volgende twee maanden op
                                een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft beschikken over een
                                inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen
                                gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r,
                                van de Participatiewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 2 en 3 verrekent het bestuur de
                            recidiveboete met inachtneming van de beslagvrije voet indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de
                                    artikelen 2 of 3, zou leiden tot huisuitzetting van
                                    belanghebbende en diens gezin; of</al></li><li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>De artikelen 2, 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste
                            lid, van de Participatiewet, indien en voor zover deze boete nog niet is
                            betaald op het moment van verrekening van de recidiveboete.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive 2013 Lochem
                            wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening verrekening
                            bestuurlijke boete bij recidive 2015. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 13 oktober
                        2014.</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd.</ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Algemeen deel</titel></kop><al>Op 1 januari 2013 is de "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving" in werking getreden. Voor de Wet werk en bijstand (WWB)
                    introduceerde deze wet de bestuurlijke boete bij een schending van de
                    inlichtingenplicht. Dit wordt in de Participatiewet voortgezet. Het bestuur van
                    de Gemeenschappelijke regeling Het Plein (verder bestuur) is verplicht de
                    bestuurlijke boete met de lopende uitkering te verrekenen. In beginsel moet bij
                    deze verrekening de bescherming van de beslagvrije voet in acht genomen worden.
                    Is echter sprake van een bestuurlijke boete wegens recidive, dan kan het bestuur
                    besluiten gedurende maximaal drie maanden met de beslagvrije voet te verrekenen
                    (art. 60 b, lid 1, Participatiewet).</al><al>De Participatiewet verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te
                    stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te
                    stellen bij verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de
                    ruimte een afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten
                    werking stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht</al><al>De bevoegdheid van de gemeenteraad strekt zich slechts uit over het al dan niet
                    in acht nemen van de beslagvrije voet bij verrekening van de recidiveboete. Daar
                    waar terugvordering en invordering niet door de wetgever is verplicht, blijft
                    sprake van een bevoegdheid van het bestuur. Het is derhalve aan het bestuur op
                    deze onderdelen nadere (beleids)regels vast te stellen.</al><al>In het kader van pseudoverrekening kunnen gemeenten te maken krijgen met
                    verzoeken van andere gemeenten om een door hen opgelegde recidiveboete te
                    verrekenen. Het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd zal in dat geval
                    aangeven in hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen (volgens de
                    regels van zijn gemeentelijke verordening). De gemeente die de uitkering
                    verstrekt, moet in beginsel gehoor geven aan dit verzoek. Mocht de beslagvrije
                    voet niet gerespecteerd worden, dan kan de belanghebbende het bestuursorgaan
                    waarvan hij uitkering ontvangt, verzoeken de beslagvrije voet toch in acht te
                    nemen. In artikel 60b, tweede lid, van de Participatiewet is geregeld dat het
                    bestuursorgaan dat de uitkering verstrekt, de bevoegdheid heeft aan dit verzoek
                    van belanghebbende tegemoet te komen. Het ligt voor de hand dat het bestuur bij
                    de beslissing op dat verzoek handelt analoog aan de regels die in de eigen
                    gemeentelijke verordening zijn vastgelegd.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>In deze bepaling zijn een aantal begrippen nader omschreven. De meeste behoeven
                    geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Bezit</tussenkop><al>De verordening kent een definitie van het begrip bezit. Het gaat daarbij om (de
                    waarde van) alle bezittingen waarover een belanghebbende of diens gezinsleden
                    beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken. Bezittingen kunnen zowel bestaan
                    uit geld als op geld waardeerbare goederen.</al><al>Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat het
                    nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet.
                    Eventueel aanwezige schulden spelen immers geen rol en worden dus ook niet op
                    het bezit in mindering gebracht. Ook de vrijlatingen van artikel 34, tweede lid,
                    van de Participatiewet zijn hier niet van toepassing. Een belanghebbende die
                    vanwege de volledige verrekening met de beslagvrije voet zonder inkomsten komt
                    te zitten, zal de bezittingen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan
                    beschikken, volledig moeten aanwenden om in de noodzakelijke kosten van het
                    bestaan te kunnen voorzien. Een uitzondering is gemaakt voor de door
                    belanghebbende en zijn gezin bewoonde (eigen) woning.</al><tussenkop>Verrekenen</tussenkop><al>De Participatiewet kent een ruimer begrip van verrekenen dan het Wetboek van
                    Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de duidelijkheid is daarom een aparte
                    begripsbepaling opgenomen in de verordening.</al><tussenkop>Bijstandsnorm</tussenkop><al>De Participatiewet introduceert het begrip kostendelersnorm (art. 22 a), waarbij
                    de hoogte van de bijstand per (kalender) maand wordt bepaald door het aantal
                    meerderjarige personen dat in dezelfde woning als belanghebbende het
                    hoofdverblijf heeft. Bij de verrekening van deze bestuurlijke boete, zoals
                    aangegeven artikelen 2 en 3 van deze verordening, wordt deze kostendelersnorm
                    toegepast. Dit spreekt eigenlijk vanzelf. De expliciete vermelding hiervan
                    geschiedt hier met name in relatie tot artikel 2, dat maximale verrekening
                    mogelijk maakt als de waarde van het bezit minstens drie keer de toepasselijke
                    bijstandsnorm bedraagt.</al><tussenkop>Artikel 2. Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende
                    bezit</tussenkop><al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening zonder
                    inachtneming van de beslagvrije voet plaats vindt voor de maximale termijn van
                    drie maanden als een belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit
                    op te kunnen vangen. Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 2 van deze
                    verordening. </al><al>Van voldoende bezit is sprake als de waarde van de bezittingen waarover
                    belanghebbende beschikt (of redelijkerwijs kan beschikken), ten minste driemaal
                    de toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending of tegeldemaking
                    van deze bezittingen, zou een periode van drie maanden overbrugd moeten kunnen
                    worden.</al><tussenkop>Artikel 3. Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</tussenkop><al>Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie maanden
                    volledige verrekening met de beslagvrije voet te kunnen overbruggen, dan
                    verrekent het bestuur slechts één maand zonder inachtneming van de beslagvrije
                    voet. Voor de overige twee maanden vindt weliswaar verrekening zonder
                    inachtneming van de beslagvrije voet plaats, maar niet volledig. Belanghebbende
                    blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm.</al><al>Voor het percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de
                    invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire wanbetalers.
                    Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel 19, eerste lid, van de
                    Invorderingswet 1990.</al><al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat fraude
                    niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbende(n) die herhaaldelijk hun
                    inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een duidelijk signaal tegenover
                    staan. Anderzijds wordt rekening gehouden met de vangnetfunctie van de
                    Participatiewet en de zorgplicht van gemeenten. Het volledig buiten werking
                    stellen van de beslagvrije voet gedurende drie maanden kan kwalijke
                    maatschappelijke consequenties hebben. Dat moet voorkomen worden, nu de regeling
                    daarmee zijn doel voorbij zou schieten.</al><al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van artikel 31,
                    tweede lid, onderdelen n of r, van de Participatiewet worden vrijgelaten voor de
                    algemene bijstand. Bij verrekening van een recidiveboete tot 80% van de
                    bijstandsnorm, tellen deze inkomsten echter gewoon mee. Het bestuur laat deze
                    inkomsten dus niet buiten beschouwing bij de beoordeling van de vraag of een
                    belanghebbende nog over voldoende inkomen beschikt. Dat is geregeld in lid
                    3.</al><tussenkop>Artikel 4. Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</tussenkop><al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de inlichtingenplicht,
                    zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening met de beslagvrije voet
                    niet aanvaardbaar wordt geacht. Die situaties komen aan de orde in artikel 4.
                    Het gaat daarbij altijd om individuele omstandigheden waaraan het bestuur zal
                    moeten toetsen.</al><al>In onderdeel a is geregeld dat het bestuur, in afwijking van de artikelen 2 en
                    3, besluit toch de beslagvrije voet te respecteren wanneer volledige verrekening
                    waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van belanghebbende en diens gezin.
                    Voorkomen moet worden dat een belanghebbende door de volledige verrekening op
                    straat komt te staan, nu dit de problematiek alleen maar verergert, met alle
                    maatschappelijke kosten van dien.</al><al>Een dreigende huisuitzetting wordt in deze verordening gezien als een dringende
                    reden om van verrekening met de beslagvrije voet af te zien. Dat volgt uit het
                    woord 'anderszins' in onderdeel b. Ook bij aanwezigheid van andere dringende
                    redenen dan een dreigende huisuitzetting, houdt het bestuur rekening met de
                    bescherming van de beslagvrije voet. Van dringende redenen is niet snel sprake.
                    Het gaat slechts om incidentele gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden
                    waarin de belanghebbende en diens gezinsleden verkeren op geen enkele andere
                    wijze te verhelpen zijn. Het enkele feit dat het belanghebbende door de
                    verrekening aan middelen ontbreekt om in het bestaan te voorzien, is op zich
                    geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen.</al><tussenkop>Artikel 5. Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</tussenkop><al>In artikel 60b, derde lid, van de Participatiewet is bepaald dat de bevoegdheid
                    om te verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder
                    opgelegde bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening van de
                    recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht het bestuur die
                    eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan regelt artikel 5 dat de
                    bepalingen in deze verordening van overeenkomstige toepassing zijn.</al><tussenkop>Artikel 6. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 7. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 8. Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>