<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR345995_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lochem</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lochem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2014, 61866</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035333">Participatiewet, art. 8a, lid 1 en art. 10b, lid 3</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-10-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014-004815</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Participatiewet</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Lochem</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 16 september
                        2014;</al><al>gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e, en
                        tweede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet en artikel 147
                        van de Gemeentewet;</al><al>gelet op het Beleidsplan Participatiewet; </al><al>gelet op het advies van de Cliëntenraad;</al><al>overwegende dat werk voorop staat en participatie de norm is, besluit
                        vast te stellen de navolgende verordening:</al><al><vet>Re-integratieverordening Participatiewet 2015</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>het bestuur: het bestuur van de gemeenschappelijke regeling Het
                                    Plein;</al></li><li nr="-"><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder
                                    a, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="-"><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt
                                    is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="-"><al>algemeen geaccepteerde arbeid: alle arbeid, zonder beperkende
                                    voorwaarden qua aard en omvang van het werk en aansluiting op
                                    opleiding en ervaring, met uitzondering van illegale arbeid en
                                    arbeid tegen een lager loon dan het wettelijk minimum en
                                    rekening houdend met gewetensbezwaren zodanig dat deze strikt
                                    persoonlijke omstandigheden zwaarwegend zijn en een
                                    onvermijdelijk conflict opleveren met het te verrichten
                                    werk;</al></li><li nr="-"><al>participatie: deelnemen aan maatschappelijke zinvolle
                                    activiteiten door middel van het leveren van een algemeen
                                    geaccepteerde bijdrage;</al></li><li nr="-"><al>wet: Participatiewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Kenmerken van de voorzieningen, evenwichtige verdeling van
                                voorzieningen, personen tot 27 jaar, doelmatigheid, zorgtaken en
                                verdringing</titel></kop><lijst><li nr="a."><al>De voorzieningen worden doelmatig ingezet en zijn evenwichtig
                                    verdeeld over personen uit de doelgroep.</al></li><li nr="b."><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het
                                    aanbieden van voorzieningen wordt door het bestuur een afweging
                                    gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning en de
                                    voorziening, gelet op de mogelijkheden, capaciteiten en leeftijd
                                    van een belanghebbende, het meest doelmatig zijn met het oog op,
                                    zijn inschakeling in de arbeid, zijn participatie of in het
                                    geval van personen tot 27 jaar, zijn deelname aan uit ’s Rijks
                                    kas bekostigd onderwijs.</al></li><li nr="c."><al>De voorziening is gericht op arbeidsinschakeling, en voor zover
                                    dat (nog) niet mogelijk is, op actieve deelname aan de
                                    samenleving middels participatie. Deze voorziening staat
                                    opgenomen in Hoofdstuk 3.</al></li><li nr="d."><al>De ondersteunende voorziening, zoals omschreven in Hoofdstuk 4
                                    draagt bij aan de persoonlijke ondersteuning, het wegnemen van
                                    financiële belemmeringen voor een werkgever, het wegnemen van
                                    belemmeringen die arbeidsinschakeling ,participatie of deelname
                                    aan ’s Rijks kas bekostigd onderwijs verhinderen, het middels
                                    scholing verwerven of het op peil houden van kennis en
                                    vaardigheden, het stimuleren reguliere arbeid te aanvaarden, het
                                    stimuleren van participatie, deelname aan scholing of, in
                                    bepaalde gevallen, het behalen van het inburgeringsexamen.</al></li><li nr="e."><al>Het bestuur kan de voorzieningen bedoeld in de artikelen 4, 5, 6
                                    en 7, onverlet nadere bepalingen in Hoofdstuk 3, aanbieden aan
                                    personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot
                                    de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="f."><al>Het bestuur kan de voorzieningen, bedoeld in Hoofdstuk 4,
                                    onverlet nadere bepalingen in Hoofdstuk 4 aanbieden aan personen
                                    die behoren tot de doelgroep met een korte en grote afstand tot
                                    de arbeidsmarkt.</al></li><li nr="g."><al>De ondersteuning en voorzieningen voor personen tot 27 jaar die
                                    niet in staat zijn om onderwijs uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te volgen staan deelname aan ’s Rijks kas
                            bekostigd onderwijs niet in de weg.</al></li><li nr="h."><al>Het bestuur houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                    opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden,
                                    capaciteiten en functionele beperkingen van een persoon. De
                                    omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van
                                    die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep
                                    loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut
                                    werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar,
                                            en</al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van
                                            mantelzorg.</al></li></lijst></li><li nr="i."><al>Bij het geven van ondersteuning en het aanbieden van een
                                    voorziening houdt het bestuur in ieder geval rekening met de Wet
                                    maatschappelijke ondersteuning, Jeugdwet, de Wet educatie en
                                    beroepsonderwijs en ondersteuning en overige voorzieningen die
                                    het bestuur kan bieden.</al></li><li nr="j."><al>Voorkomen verdringing: Het bestuur zorgt voor een schriftelijke
                                    verklaring van de ondernemingsraad of
                                    personeelsvertegenwoordiging van het betreffende bedrijf of
                                    instelling, dat er door de plaatsing geen verdringing
                                    plaatsvindt.</al></li><li nr="k."><al>Voor voorzieningen opgenomen in de artikelen vier tot en met
                                    zeven kan van de instelling of het bedrijf een
                                    (inleen)vergoeding worden gevraagd.</al></li><li nr="l."><al>Het bestuur stelt in verband met dit artikel beleidsregels vast.
                                    In deze beleidsregels staan in ieder geval bepalingen opgenomen
                                    in verband met de leden a en b.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Plan van aanpak en bepalingen over het beëindigen van
                                voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening kan slechts worden aangeboden, indien het bestuur
                                een plan van aanpak met het oog op de arbeidsinschakeling,
                                participatie of deelname aan uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs in
                                samenspraak met een belanghebbende heeft opgesteld en het door het
                                bestuur vast te stellen plan van aanpak is voorzien van de
                                belanghebbende zijn akkoord dat middels een handtekening tot
                                uitdrukking komt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuur kan een voorziening beëindigen als:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet,
                                        de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere
                                        en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de
                                        artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet
                                        nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        behoort tot de doelgroep;</al></li><li nr="c."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen
                                        geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt
                                        gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen,
                                        tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid, onderdeel a, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het bestuur de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het bestuur niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening;</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening of in bij
                                        deze verordening behorende beleidsregels worden gesteld om
                                        in aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke
                                of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek nodig heeft, dat van een reguliere
                                werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                                persoon in dienst neemt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuur maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                                en wint bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies
                                in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving
                                onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie hebben. Het bestuur selecteert voor deze
                                beoordeling uitsluitend personen met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken zet het bestuur bijvoorbeeld de
                                volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van
                                de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of
                                aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of
                                arbeidsduur.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bestuur bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt
                                vast hoeveel plekken voor beschut werk het beschikbaar stelt. In
                                verband hiermee overlegt het bestuur met het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen, aan de gemeenten Lochem en Zutphen
                                gelieerde bedrijven, organisaties en andere reguliere
                                werkgevers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Meedoenplek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur kan een persoon een Meedoenplek aanbieden als deze:</al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot de doelgroep; en</al></li><li nr="b."><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een grote
                                        afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige
                                        werkloosheid; en</al></li><li nr="c."><al>ontheven is van de verplichting op grond van artikel 9,
                                        eerste lid onder a van de wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een Meedoenplek heeft als doel het bieden van begeleid
                                vrijwilligerswerk waarbij het verrichten van maatschappelijk nuttige
                                activiteiten, het benutten en ontwikkelen van talenten en
                                mogelijkheden van de persoon aan wie deze voorziening wordt
                                aangeboden alsmede het opbouwen van (dag)structuur en sociale
                                netwerken op de voorgrond staan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De persoon die gebruik maakt van de voorziening Meedoenplek kan zich
                                zodanig ontwikkelen dat het bestuur het doel van de voorziening in
                                overeenstemming kan brengen met het opdoen van werkervaring of het
                                leren functioneren in een arbeidsrelatie en het opdoen van
                                werknemersvaardigheden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bestuur plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                vastgelegd:</al><al>a.het doel van de Meedoenplek en de wijze waarop de begeleiding
                                plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Werkervaringsplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur kan een persoon een Werkervaringsplaats gericht op
                                arbeidsinschakeling aanbieden als deze:</al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot de doelgroep; en</al></li><li nr="b."><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een grote
                                        afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige
                                        werkloosheid en waarbij het voor de persoon belangrijk is om
                                        arbeidsvaardigheden te verwerven of</al></li><li nr="c."><al>actief is geweest op de arbeidsmarkt, maar door persoonlijke
                                        of economische omstandigheden het werk is kwijtgeraakt en
                                        waarbij het voor de persoon belangrijk is om
                                        arbeidsvaardigheden in stand te houden</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een Werkervaringsplaats is het opdoen van werkervaring
                                of het leren functioneren in een arbeidsrelatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een Werkervaringsplaats wordt voor een beperkte duur als voorziening
                                aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bestuur plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval
                                vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de Werkervaringsplaats; en</al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde
                                additionele werkzaamheden laten verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuur zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                                die wordt ondertekend door het bestuur, de werkgever en de persoon
                                die de additionele werkzaamheden gaat verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt €
                                50, - per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is
                                meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het
                                arbeidsproces.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bestuur plaatst de persoon uitsluitend als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Ondersteunende voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het bestuur
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Ondersteuning bij leer-werktraject</titel></kop><al>Het bestuur kan ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep
                            ten aanzien van wie het bestuur van oordeel is dat een leer-werktraject
                            nodig is en voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van
                            een leer-werktraject en het personen betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                                    kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet
                                    is geëindigd; of</al></li><li nr="b."><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                                    behaald.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een werkgever komt in aanmerking voor een No-riskpolis als:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de werkgever voor ten minste de duur van zes maanden een
                                arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvang van de arbeid behoort tot
                                de doelgroep;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de werknemer een structurele functionele of andere beperking heeft
                                of de werkgever ten behoeve van de werknemer een loonkostensubsidie
                                als bedoeld in artikel 10d van de wet ontvangt;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is, en</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De No-riskpolis vergoedt:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het loon van de werknemer tot 120 procent van het minimumloon,
                                en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>15 procent boven de dekking voor extra werkgeverslasten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de werkgever een No-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit het
                                bestuur een verzekering af met een door het bestuur te bepalen
                                verzekeraar en treedt het op als verzekeringnemer. De begunstigde is
                                de werkgever.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bestuur verstrekt de No-riskpolis tot maximaal 24 maanden na
                                indiensttreding van de werknemer bij de werkgever.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een loonkostensubsidie wordt met de uitkering ingevolge de
                                No-riskpolis verminderd, indien en voor zover de loonkostensubsidie
                                en No-riskpolis op een zelfde periode betrekking hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Loonkostensubsidie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur kan een loonkostensubsidie verstrekken aan werkgevers
                                die met een persoon uit de doelgroep een arbeidsovereenkomst
                                sluiten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In beleidsregels zijn de omschrijving van de daarvoor in aanmerking
                                komende personen uit de doelgroep, alsmede de duur en de hoogte van
                                de loonkostensubsidie opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De subsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen
                                verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond
                                van een andere regeling, uitgezonderd de No-riskpolis bedoeld in
                                artikel 10, aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in
                                verband met de indiensttreding van de werknemer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur kan een persoon die behoort tot de doelgroep een
                                scholingstraject aanbieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde scholing kan aangeboden worden in de
                                vorm van een subsidie</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Activeringssubsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur kan aan een uitkeringsgerechtigde een activeringsubsidie
                                toekennen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze subsidie wordt verstrekt in de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid, niet
                                        zijnde gesubsidieerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het gebruik maken van voorzieningen als bedoeld in de
                                        artikelen 4, 5 en 6;</al></li><li nr="c."><al>het met goed gevolg afronden van scholing, als bedoeld in
                                        artikel 12;</al></li><li nr="d."><al>het binnen de periode van de inburgeringsvoorziening behalen
                                        van het inburgeringsexamen voor zover de inburgeringsplicht
                                        heeft aangevangen op uiterlijk 31 december 2012.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De persoon tot 27 jaar heeft geen recht op een subsidie op grond van
                                dit artikel.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bestuur stelt met betrekking tot dit artikel beleidsregels
                                vast</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Hierin staan in ieder geval de hoogte van de subsidies en de nadere
                                voorwaarden waaronder die verstrekt worden, opgenomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Inkomstenvrijlating</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur rekent de inkomsten uit arbeid overeenkomstig de
                                bepalingen in artikel 31, tweede lid onder n van de wet niet tot de
                                middelen, tenzij dit naar het oordeel van het bestuur de uitstroom
                                uit de uitkering belemmert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuur stelt aanzien van de inkomstenvrijlating in het eerste
                                lid evenals ten aanzien van de vrijlating in artikel 31, tweede lid
                                onder r van de wet beleidsregels vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bestuur kan een vergoeding verstrekken voor kosten die gemaakt
                                zijn in het kader van participatie of arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het gaat hierbij in ieder geval om:</al><lijst><li nr="a."><al>reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>kosten voor kinderopvang;</al></li><li nr="c."><al>scholingskosten;</al></li><li nr="d."><al>boeken- en examengelden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuur stelt in verband met het bepaalde in de voorgaande leden
                                beleidsregels vast.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Intrekken oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Re-integratieverordening Wet werk en bijstand wordt ingetrokken,
                                met ingang van inwerking treden van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                grond van de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand, die moet
                                worden beëindigd op grond van deze verordening, behoudt deze
                                voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                                Re-integratieverordening Wet werk en bijstand voor de duur:</al><lijst><li nr="a."><al>van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze
                                        verordening; of</al></li><li nr="b."><al>voor de periode dat deze is verstrekt, als dat korter is dan
                                        de periode als bedoeld in dit lid, onderdeel a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bestuur kan na afloop van de in het tweede lid bedoelde periode,
                                besluiten of een voorziening wordt voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De Re-integratieverordening Wet werk en bijstand blijft van
                                toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld
                                in het tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het bestuur kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Beleidsregels</titel></kop><al>Het bestuur kan ten aanzien van de bepalingen in deze verordening nadere
                            regels stellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                                    Participatiewet 2015. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 13 oktober
                        2014.</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, De griffier,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Er is gekozen voor een algemene, globale en daarmee kaderstellende verordening.
                    Dit heeft te maken met de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te
                    weten het bij verordening regels stellen waarin het gemeentelijk beleid ten
                    aanzien van de re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere
                    aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de
                    daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren
                    van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het bestuur de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten
                    eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat
                    personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling en op de door het bestuur noodzakelijk geachte voorziening
                    binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de
                    verordening de voorzieningen vast te leggen die het bestuur in ieder geval kan
                    aanbieden.</al><al>Hiermee wordt op de voorgaande verordening voortgeborduurd. Die verordening
                    heeft bijgedragen aan een uitvoeringspraktijk waarbinnen het maatwerk binnen een
                    duidelijk kader wortel kon schieten.</al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen
                            8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al></li></lijst><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder
                    behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.</al><al>Doelgroep</al><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                    onder a, van de Participatiewet. Het betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c, van de Wet
                            werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde
                            lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdelen
                            b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in
                            dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het
                            minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren
                            geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                            Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna:
                            IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna:
                            IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering;</al></li></lijst><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het bestuur
                    aangeboden voorziening.</al><al>Korte afstand tot de arbeidsmarkt</al><al>Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                    redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt.
                    Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze verordening.</al><al>Grote afstand tot de arbeidsmarkt</al><al>Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                    redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                    arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 2. Evenwichtige verdeling en financiering</tussenkop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de
                    gemeenteraad in de verordening</al><al>de verdeling van de voorzieningen over personen uit de doelgroep (artikel 7,
                    eerste lid, onderdeel a, evenals, indien van toepassing, de werkgevers van deze
                    personen) regelen. Waarbij rekening wordt gehouden met:</al><lijst><li nr="1)"><al>de omstandigheden en de functionele beperkingen van die personen. Hierin
                            ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de
                            omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap.
                            Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van
                            personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het
                            bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle
                            personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele
                            vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging
                            van hun inherente waardigheid. In artikel 2 is aan het voorgaande
                            uitvoering gegeven.</al></li><li nr="2)"><al>de verplichting om bij wijze van verordening tevens vast te stellen dat
                            de voorzieningen op evenwichtige wijze over de personen uit de doelgroep
                            worden verdeeld. Dit impliceert, dan wel heeft deze verplichting het
                            praktische gevolg dat voor het financiële kader hierin een belangrijke
                            rol is weggelegd.</al></li></lijst><al>Grote afstand tot arbeidsmarkt</al><al>Het bestuur biedt voorzieningen als bedoeld in de artikelen 4 tot en met
                    7(Beschut werk, Meedoenplek, Werkervaringsplaats en Participatieplaats) aan
                    personen aan die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Het gaat in de artikelen 5 tot en met 7( Meedoenplek,
                    Werkervaringsplaats en Participatieplaats) om onbeloonde activiteiten. De
                    doelgroep is gedefinieerd in artikel 1.</al><al>Korte afstand tot arbeidsmarkt</al><al>Het bestuur biedt de persoon met een korte afstand geen voorziening aan, anders
                    dan de ondersteunende voorziening. Deze persoon wordt geacht vooral op eigen
                    kracht, en als het moet, met behulp van ondersteuning door het bestuur en
                    eventueel een ondersteunende voorziening ingevolge Hoofdstuk 4 reguliere arbeid
                    te verkrijgen. De ondersteuning die de persoon met een korte afstand geboden
                    wordt, is vastgelegd in het zogenaamde primaire werkproces van de
                    uitvoeringsorganisatie. De doelgroep is gedefinieerd in artikel 1.</al><al>Overige (ondersteunende ) voorzieningen</al><al>Voor de overige voorzieningen, volgt al uit de doelgroepomschrijving aan wie het
                    bestuur deze voorzieningen kan aanbieden. Het gaat om:</al><al>Artikel 8. Persoonlijke ondersteuning Artikel 9. Ondersteuning bij
                    leer-werktraject Artikel 10. No-riskpolis</al><al>Artikel 11. Loonkostensubsidie (anders dan bedoeld in de “Verordening
                    Loonkostensubsidie Participatiewet 2015”)</al><al>Artikel 12. Scholing</al><al>Artikel 13. Activeringssubsidies</al><al>Artikel 14. Inkomstenvrijlating Artikel 15. Overige vergoedingen</al><al>Rekening houden met omstandigheden en beperkingen</al><al>Het bestuur moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                    omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2 onder h
                    is opgenomen waarmee het bestuur in ieder geval rekening moet houden.</al><tussenkop>Artikel 3. Algemene bepalingen over voorzieningen</tussenkop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het bestuur
                    aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op
                    de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van
                    reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot
                    de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld het voorkomen
                    van een isolement (zoals beoogd kan worden met een Meedoenplek; dit gebeurt met
                    behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van
                    werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). Ook is het mogelijk dat een
                    gemeente in individuele gevallen een persoonsgebonden re-integratiebudget ter
                    beschikking stelt.</al><al>Plan van aanpak</al><al>Een succesvol traject in verband met arbeidsinschakeling, of, als dat (nog) niet
                    mogelijk is, participatie, staat of valt bij de inzet en betrokkenheid van de
                    belanghebbende. Dat is proefondervindelijk gebleken, aangezien in de voorgaande
                    verordening en bijbehorende beleidsregels dit tevens een voornaam uitgangspunt
                    in de re- integratiepraktijk was. Om die reden wordt met deze verordening de
                    praktijk gecontinueerd waarin het plan van aanpak een voorname rol toekomt:
                    Immers: zonder een door de belanghebbende geaccordeerd plan van aanpak wordt
                    geen voorziening aangeboden.</al><al>Beëindigingsgronden</al><al>Het tweede lid geeft aan dat het bestuur een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen het dat kan doen.</al><al>Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan
                    een werkgever of het opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een
                    detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend
                    de toepasselijke bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige
                    rechtspositieregeling in acht te worden genomen.</al><al>Het bestuur kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in
                    artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld
                    beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de
                    Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de
                    persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde
                    lid, onderdelen b en c en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA. Voor
                    deze doelgroep geldt dat het bestuur ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    moet bieden gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon
                    bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen
                    loonkostensubsidie is verstrekt.</al><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                    re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde,
                    noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd.1
                    Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek.</al><tussenkop>Artikel 4. Participatievoorziening beschut werk</tussenkop><al>Het bestuur kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon uit de
                    doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                    zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat
                    niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij
                    deze in dienst neemt (eerste lid).</al><al>Stap 1: voorselectie</al><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert het bestuur een
                    voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het bestuur welke mensen in
                    aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment. In de verordening
                    moet vastgelegd worden hoe zij deze voorselectie uitvoeren.2 Daarom is in het
                    tweede lid bepaald dat het bestuur uitsluitend personen met een grote afstand
                    tot de arbeidsmarkt selecteert voor de beoordeling of zij uitsluitend in een
                    beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Voor dit
                    criterium is gekozen omdat personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt
                    veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een grote afstand tot de
                    arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe personen behoren die uitsluitend in
                    een beschutte omgeving kunnen werken.</al><al>Het bestuur kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                    beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de
                    Participatiewet).</al><al>Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig. Het bestuur maakt uit de
                    personen uit de doelgroep een voorselectie. Het bestuur moet bij het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies inwinnen voor de beoordeling
                    of de geselecteerde personen uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                    aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.</al><al>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</al><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het bestuur met
                    betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort.
                    Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke
                    criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de
                    Participatiewet).</al><al>Stap 3: besluit bestuur</al><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    beslist het bestuur of iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen
                    als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan het bestuur besluiten het
                    advies niet te volgen.3</al><al>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort, zorgt
                    het bestuur ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte
                    omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                    Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                    publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de
                    Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort tot de
                    beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld worden
                    georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook kunnen
                    personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere werkgevers
                    werken.4</al><al>1 Rechtbank Arnhem 14-09-2006, nr. AWB 06/999, ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540</al><al>2 Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 113, blz. 3.</al><al>3 Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 113.</al><al>4 Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 66.</al><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut zijn in deze
                    verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling ingezet
                    worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (derde lid). Tevens is in deze
                    verordening vastgelegd op welke wijze het bestuur de omvang van het aanbod van
                    beschut werk, het aantal beschikbare plekken, vaststelt. Gemeenten kunnen het
                    werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de gemeente gelieerd bedrijf
                    zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken maken met andere reguliere
                    werkgevers over de voorwaarden waarop zij deze mensen een dergelijke
                    dienstbetrekking aanbieden.5</al><al>Omvang beschut werk</al><al>Het bestuur bepaalt de omvang van het aanbod beschut werk en legt vast hoeveel
                    plekken voor beschut werk het bestuur beschikbaar stelt. Het aanbod is mede
                    afhankelijk van het aantal geschikte en beschikbare plaatsen bij werkgevers,
                    evenals van het financiële kader, dat bepaald wordt aan de hand van artikel 2,
                    lid l. Ook moet het bestuur overleg voeren met partners om de omvang van het
                    aanbod te kunnen bepalen (vierde lid).</al><tussenkop>Artikel 5. Meedoenplek</tussenkop><al>Een Meedoenplek zal voor veel personen uit de doelgroep met een (erg) grote
                    afstand tot de arbeidsmarkt een eerste of tweede stap zijn om (weer) deel te
                    nemen aan de samenleving. Dat doet de persoon in dit geval door maatschappelijke
                    nuttige activiteiten te verrichten, waarbij een goede afstemming met betrekking
                    tot omvang, duur en inhoud van de Meedoenplek essentieel zijn in verband met het
                    afbreukrisico voor de ze doelgroep. De herkenning, ontwikkeling en benutting van
                    zijn talenten, maar ook het verkrijgen van dagritme en het onderhouden van
                    sociale netwerken zijn belangrijke doelen die met de Meedoenplek nagestreefd
                    worden.</al><al>Arbeidsinschakeling is in veel gevallen ver weg en blijvend geen reële
                    optie.</al><al>In de situatie, waarin deze doelen (toch) behaald zijn, zal het (geformuleerde)
                    doel bijgesteld kunnen worden en in overeenstemming met het doel
                    arbeidsinschakeling gebracht kunnen worden ( artikel 5, derde lid). Aangezien
                    het hier om maatwerk gaat en het behoud van de bereikte doelen kan prevaleren,
                    is het bijstellen van het doel niet categoriaal te maken.</al><al>Plaatsing op een Meedoenplek mag geen verdringing tot gevolg hebben. (4e
                    lid).</al><al>Met de schriftelijke overeenkomst in het 5e lid wordt beoogd het doel van de
                    Meedoenplek, alsmede de begeleiding te borgen.</al><tussenkop>Artikel 6. Werkervaringsplaats</tussenkop><al>Een werkervaringsplaats onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst.
                    Bij een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst
                    toetst de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een
                    arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en
                    gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals de
                    bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen. De
                    rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de
                    overeenkomst.</al><al>Werkervaringsplaats is gericht op uitbreiden kennis en ervaring</al><al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij een werkervaringsplaats weliswaar sprake
                    is van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is
                    op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij
                    een werkervaringsplaats in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn
                    met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand.
                    Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake
                    is van een vergoeding van gemaakte kosten.</al><al>Doelgroep aanbieden werkervaringsplaats</al><al>Het bestuur kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkervaringsplaats
                    aanbieden voor zover hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Verder is
                    vereist dat een persoon nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een
                    afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid (artikel 6,
                    eerste lid, onderdeel b, van deze verordening). Van langdurige werkloosheid is
                    sprake als een persoon gedurende twaalf aaneengesloten maanden of langer is
                    aangewezen geweest op een uitkering. In een dergelijk geval kan sprake zijn van
                    een afstand tot de arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn.
                    Heeft een persoon gedurende vijf jaren geen inkomsten uit arbeid verworven, dan
                    kan worden aangenomen dat hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. In dat
                    geval is het bestuur bevoegd hem een werkervaringsplaats aan te bieden.</al><al>Doel en duur van de werkervaringsplaats</al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de
                    werkervaringsplaats, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te
                    geven. Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat
                    sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling
                    afdwingt.</al><al>De werkervaringsplaats kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan
                    om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de
                    zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te
                    bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats
                    kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de
                    werkervaringsplaats kan een persoon wennen aan</al><al>5 Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 115-116.</al><al>aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s.</al><al>Het vorengaande brengt met zich mee, dat een werkervaringsplaats voor slechts
                    een korte periode als voorziening wordt aangeboden (zie artikel 6, 3e lid): om
                    een indicatie te geven: maximaal 6 maanden. Mocht echter op voorhand, of tijdens
                    of na beëindiging van deze voorziening duidelijk zijn dat het leren werken in
                    een</al><al>arbeidsrelatie een langere tijd vraagt, dan is het inzetten van de voorziening
                    participatieplaats mogelijk relevant. Aan de bijkomende voorwaarde, namelijk,
                    dat de afstand tot de arbeidsmarkt nog altijd als “groot” moet worden
                    bestempeld, zal dan doorgaans voldaan worden.</al><al>Opstellen schriftelijke overeenkomst</al><al>In het vierde is bepaald dat voor de werkervaringsplaats een schriftelijke
                    overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage worden
                    opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke
                    overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een werkervaringsplaats
                    niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al><al>Geen verdringing</al><al>In het derde lid is bepaald dat de werkervaringsplaats uitsluitend wordt
                    verstrekt als er geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het bestuur
                    vraagt om die reden een verklaring van de Personeelsvertegenwoordiging of
                    Ondernemingsraad. Zie ook artikel 2 onder j.</al><tussenkop>Artikel 7. Participatieplaats</tussenkop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand tot de
                    arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning in de vorm van
                    een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste lid, van de
                    Participatiewet (en het eerste lid van artikel 8 van deze verordening). Het
                    bestuur kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of ouder met recht op
                    algemene bijstand een participatieplaats aanbieden.</al><al>Additionele werkzaamheden</al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden voor in beginsel een
                    langere periode verricht. In dat opzicht is er een belangrijk onderscheid met de
                    Werkervaringsplaats in het voorgaande artikel: het is, gezien de hierna volgende
                    omschrijving van een participatieplaats niet ondenkbeeldig dat een
                    participatieplaats kan volgen nadat eerder via een Werkervaringsplaats de eerste
                    stappen richting regulier werk zijn gezet.</al><al>Niet de te verrichten werkzaamheden binnen de participatieplaats staan centraal
                    maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan
                    met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal
                    zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee
                    worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de
                    uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het
                    betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam
                    perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is
                    wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de Participatiewet).
                    Na negen maanden wordt beoordeeld door het bestuur of de participatieplaats de
                    kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de
                    Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk
                    24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de
                    participatieplaats wordt voorgezet. Als het bestuur concludeert dat voortzetting
                    van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren
                    aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats
                    nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient een andere werkomgeving
                    geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de Participatiewet). Na 36
                    maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende
                    lid, van de Participatiewet).</al><al>Premie</al><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft recht op
                    een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere zes maanden na
                    aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a, zesde lid, van de
                    Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar het oordeel van het bestuur
                    voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt.
                    De hoogte van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a,
                    eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op
                    grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In
                    verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de
                    vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de
                    hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken.6 Er is
                    gekozen voor een premie van telkens €50, - per zes maanden: Dit bedrag komt
                    overeen met het bedrag dat tot 1 januari 2015 van toepassing was.</al><tussenkop>Artikel 8. Persoonlijke ondersteuning</tussenkop><al>In artikel 11 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid. Het
                    gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en gedurende
                    een langere periode de werknemer met beperkingen bij het verrichten van zijn
                    taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een systematische ondersteuning.
                    Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer
                    zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen
                    verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer</al><al>6 Kamerstukken II 2007/08 31 577, nr. 3, blz. 12.</al><al>wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een
                    dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn. Aangezien
                    het hier om een voor een voor het bestuur nieuwe verplichting gaat, zal hierop
                    nader beleid ontwikkeld worden. Hierbij kunnen (goede) ervaringen met deze
                    voorziening (jobcoach) door het Uwv als voorbeeld dienen.</al><tussenkop>Artikel 9. Ondersteuning bij leer-werktraject</tussenkop><al>Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening
                    ondersteuning bij leer- werktrajecten. Het bestuur moet dan wel van oordeel zijn
                    dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet zijn voor het
                    volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 10 en volgt uit
                    artikel 10f van de Participatiewet.</al><al>Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het bestuur uitsluitend
                    ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan personen:</al><lijst><li nr="-"><al>van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de
                            kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is
                            geëindigd, of</al></li><li nr="-"><al>van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                            behaald.</al></li></lijst><al>De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten is inzetbaar voor jongeren
                    van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar
                    middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te
                    voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra
                    ondersteuning te bieden. Deze voorziening kan ook worden ingezet ter voorkoming
                    van schooluitval bij jongeren van achttien tot 27 jaar die door een
                    leer-werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen.</al><al>Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd
                    onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel
                    7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere
                    uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's
                    Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt. In het kader
                    van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het
                    bestuur vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs
                    volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan
                    bieden.</al><al>In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het bestuur onder
                    omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en
                    aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben
                    behaald en voor wie een leer-werktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat
                    het mogelijk is een leer- werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan
                    het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van
                    artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet.]</al><tussenkop>Artikel 10. No-riskpolis</tussenkop><al>De No-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                    (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). De No-riskpolis
                    is een belangrijk instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om
                    mensen met arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De No-riskpolis zorgt ervoor
                    dat de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer
                    met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking voor
                    een No-riskpolis als artikel 29b van de Ziektewet van toepassing is (artikel 8a,
                    tweede lid, onderdeel b Participatiewet).</al><al>De No-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de
                    werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten
                    behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie in aanmerking komt voor de
                    No-riskpolis.</al><al>Ook binnen de huidige lokale regelgeving beschikt het bestuur over dit
                    instrument. Voorwaarden</al><al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt voor een
                    No-riskpolis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet van een
                    No-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal zes maanden
                    duren.</al><al>Voorts is voor inzet van de No-riskpolis vereist dat de werknemer behoort tot de
                    doelgroep en hij een structurele functionele of andere beperking heeft of ten
                    behoeve van hem de werkgever een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d
                    van de Participatiewet ontvangt. Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn
                    woonplaats moet hebben binnen de gemeente.</al><al>Hoogte vergoeding</al><al>De No-riskpolis vergoedt:</al><lijst><li nr="-"><al>het loon van de werknemer tot 120% van het minimumloon;</al></li><li nr="-"><al>15% boven de dekking voor extra werkgeverslasten.</al></li></lijst><al>Contract met verzekeraar</al><al>Het bestuur moet ten behoeve van het verstrekken van een No-riskpolis een
                    verzekering afsluiten met een</al><al>verzekeraar. Het bestuur treedt op als verzekeringsnemer. De werkgever is de
                    begunstigde (derde lid).</al><al>Duur No-riskpolis</al><al>Het bestuur vergoedt de No-riskpolis tot 24 maanden na indiensttreding van de
                    werknemer bij de werkgever.</al><al>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
                    verantwoordelijk</al><al>De No-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet. Nadat
                    betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend, dus zonder
                    loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de No- riskpolis over naar
                    Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en kan artikel 29b van de Ziektewet
                    van toepassing zijn.</al><al>Het 5e lid voorkomt dat de werkgever over een zelfde periode zowel de uitkering
                    No-riskpolis, alsmede de</al><al>loonkostensubsidie ontvangt.</al><tussenkop>Artikel 11. Loonkostensubsidie</tussenkop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de
                    arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat alle
                    voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier werk te
                    helpen.</al><al>Compensatie</al><al>Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor het feit
                    dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald,
                    terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het
                    bestuur een loonkostensubsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het
                    verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de
                    bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen. In het tweede lid is bepaald dat via
                    beleidsregels wordt vastgesteld welke personen uit de doelgroep in aanmerking
                    kunnen komen voor een loonkostensubsidie volgens dit artikel. Tevens worden in
                    de beleidsregels de duur en de hoogte met betrekking tot de loonkostensubsidie
                    opgenomen. Een nadere uitwerking van de loonkostensubsidie is opgenomen in het
                    derde en vierde lid.</al><al>De in artikel 11 van deze verordening geregelde loonkostensubsidie moet worden
                    onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d
                    van de Participatiewet. De laatstgenoemde loonkostensubsidie is geïntroduceerd
                    in de Participatiewet door de Invoeringswet Participatiewet en is specifiek
                    bedoeld voor personen met een arbeidsbeperking. De in artikel 11 opgenomen
                    loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op personen met een
                    arbeidsbeperking. Het gaat hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt
                    kan worden aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van
                    de Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in
                    staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel
                    mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel
                    e, van de Participatiewet).]</al><tussenkop>Artikel 12. Scholing</tussenkop><al>Scholing in combinatie met participatieplaats</al><al>Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats
                    niet over een startkwalificatie beschikt, dient het bestuur aan deze persoon
                    scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van
                    de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn
                    gericht zijn vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het bestuur hoeft aan
                    een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke
                    scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de
                    persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet
                    bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van de
                    persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet.</al><al>Zie artikel 7 van deze verordening over de voorziening
                    participatieplaatsen.</al><al>In het geval van het vergroten van taalbeheersing, de “Wet taaleis Wwb”, evenals
                    en sociale vaardigheden, mede met het oog op de zogenaamde geüniformeerde
                    arbeidsverplichtingen (zie artikel 18 van de wet) speelt scholing een
                    belangrijke rol. De Wet educatie en beroepsonderwijs verschaft hiertoe een
                    belangrijk instrumentarium en staat om die reden opgenomen in artikel 2.</al><tussenkop>Artikel 13. Activeringssubsidie</tussenkop><al>In beleidsregels wordt dit artikel nader uitgewerkt.</al><al>In de Participatiewet is geregeld dat jaarlijks een eenmalige premie kan worden
                    verstrekt (artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet). Voor
                    personen jonger dan 27 jaar is deze premie niet vrijgelaten (artikel 31, zevende
                    lid, van de Participatiewet). Vandaar de aanvullende bepaling in het derde
                    lid.</al><tussenkop>Artikel 14. Inkomstenvrijlating</tussenkop><al>Spreekt voor zich. De redactie maakt het mogelijk om het stimuleringsbeleid met
                    betrekking tot alleenstaande ouders (artikel 31, 2e lid onder r van de wet),
                    eventueel aangepast, voort te zetten.</al><tussenkop>Artikel 15. Overige vergoedingen</tussenkop><al>Kosten die samenhangen met een voorziening, alsmede met de bijbehorende
                    ondersteuning kunnen hoog oplopen, vooral als die verband houden met de aanschaf
                    van (studie of werk gerelateerd) materiaal of reizen.</al><al>Daarom is het nodig dat daarvoor regels worden gesteld, die hier recht aan doen,
                    alsmede dat ze de belanghebbende en de uitvoering moeten ondersteunen.</al><tussenkop>Artikel 16. Intrekken oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>In artikel 16 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan voorkomen
                    dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op grond van de oude
                    re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de voorwaarden uit deze
                    verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de oude re-
                    integratieverordening voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze
                    verordening niet meer worden verstrekt. Ook is het denkbaar dat een persoon op
                    grond van de oude re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een
                    voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer. De
                    toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 3, tweede lid, van deze
                    verordening moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in artikel 16,
                    tweede lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden behouden voor een
                    bepaalde duur. Een dergelijke voorziening wordt behouden voor ten hoogste de
                    duur van 12 maanden of - als dit eerder is - voor de duur dat deze is verstrekt.
                    Dit uiteraard voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de
                    Re-integratieverordening Wet werk en bijstand. Wordt niet meer aan die
                    voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd, bijvoorbeeld als
                    een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling. De periode van 12 maanden begint te lopen vanaf het moment
                    van inwerkingtreding van deze verordening.</al><al>Voortzetten toegekende voorzieningen</al><al>Toegekende voorzieningen op grond van de Re-integratieverordening Wet werk en
                    bijstand worden dus in beginsel behouden tot 12 maanden na inwerkingtreding van
                    deze verordening. Na afloop van die periode kan het bestuur besluiten of een
                    voorziening wordt voortgezet (artikel 16, derde lid). Hierbij kan het bestuur
                    rekening houden met al gesloten overeenkomsten. Voortzetting van een voorziening
                    ligt bijvoorbeeld voor de hand als het bestuur is gehouden de kosten van een
                    dergelijke voorziening te voldoen, ongeacht of een persoon nog gebruik maakt van
                    de voorziening. Lopende re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná
                    inwerkingtreding van deze verordening worden afgerond conform de
                    overeenkomst.</al><al>Voortzetting is niet mogelijk</al><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na 12 maanden is niet mogelijk als
                    de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het niet meer voldoen aan
                    de voorwaarden voor die voorziening op grond van de Re-integratieverordening Wet
                    werk en bijstand] of als de voorziening is toegekend voor een kortere duur dan
                    12 maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een voorziening dient immers
                    niet langer te worden voortgezet dan de duur van de oorspronkelijke
                    toekenning.</al><al>Ten aanzien van die voorziening blijft de Re-integratieverordening Wet werk en
                    bijstand van toepassing.</al><tussenkop>Artikel 17. Hardheidsclausule</tussenkop><al>Spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 18. Beleidsregels</tussenkop><al>Spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 19. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>