<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd" xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance"><meta><owmskern><dcterms:identifier>345741_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Maassluis houdende regels voor openbare orde Algemene plaatselijke verordening Maassluis 2014</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Maassluis</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-10-20</dcterms:modified></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://www.officielebekendmakingen.nl/gmb-2016-146306.html">Gemeenteblad 2016, 146306</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening Maassluis 2014</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-09-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-11-02</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-12-29</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artikel 2:57, 2:58</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp></overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al></al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule></intitule><regeling><officiele-inhoudsopgave><kop><label>Inhoudsopgave </label></kop><al><vet>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 1:1 Begripsbepalingen 8 </vet></al><al><vet>Artikel 1:2 Beslistermijn 9</vet></al><al><vet>Artikel 1:3 Te late indiening aanvraag 9 Artikel 1:4 Voorschriften en
                        beperkingen 9</vet></al><al><vet>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 9</vet></al><al><vet>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
                    9</vet></al><al><vet>Artikel 1:7 Vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd 9</vet></al><al><vet>Artikel 1:8 Weigeringsgronden 10</vet></al><al><vet>Artikel 1:9 Toepassing paragraaf 4.1.3.3. Awb 10</vet></al><al><vet>Artikel 1:10 Geen toepassing paragraaf 4.1.3.3. Awb 10 </vet></al><al></al><al><vet>HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 1. Bestrijding van
                        ongeregeldheden</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 12</vet></al><al><vet>Artikel 2:1a Aanwijzing overlastgebied 12</vet></al><al><vet>Artikel 2.1b Wijkverbod 12</vet></al><al><vet>Artikel 2.1c Veiligheidsrisicogebieden (preventief fouilleren)
                    13</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 2. Betogingen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 2:2 Optochten (vervallen) 13</vet></al><al><vet>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 13</vet></al><al><vet>Artikel 2:4 Afwijking termijn (vervallen; opgenomen in artikel 2:3)
                        13</vet></al><al><vet>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens (vervallen;opgenomen in artikel 2:3)
                        13</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 3. Verspreiding van gedrukte
                        stukken</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 2:6 Beperkingen aanbieden e.d. geschreven stukken/afbeeldingen
                        13</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 4. Vertoningen en dergelijke op een openbare
                            plaats</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd en dergelijke (vervallen)
                    14</vet></al><al><vet>Artikel 2:8 Dienstverlening (vervallen) 14</vet></al><al><vet>Artikel 2:9 Straatartiest e.d. 14</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van een openbare
                            plaats</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 2:10 Voorwerpen of stoffen aan, in op of boven een openbare plaats
                        14</vet></al><al><vet>Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 15</vet></al><al><vet>Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg 15</vet></al><al><vet>Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid (vervallen) 16</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 6. Veiligheid van/op een openbare
                            plaats</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 2:14 Winkelwagentjes 16</vet></al><al><vet>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp 16</vet></al><al><vet>Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. 16 </vet></al><al><vet>Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke 17</vet></al><al><vet>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurgebieden (vervallen)
                    17</vet></al><al><vet>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp openbare plaats
                    17</vet></al><al><vet>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen 17</vet></al><al><vet>Artikel 2:20a Dragen gevaarlijke voorwerpen 17</vet></al><al><vet>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 17</vet></al><al><vet>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn (vervallen) 17</vet></al><al><vet>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 18</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 7. Evenementen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 2:24 Begripsbepalingen 18</vet></al><al><vet>Artikel 2:25 Evenementenvergunning 19 </vet></al><al><vet>Artikel 2:26 Ordeverstoring 19</vet></al><al><vet>Artikel 2:26a+b 0-evenementen / Openbare Orde en veiligheid 20</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 8. Toezicht op openbare
                        inrichtingen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 2:27 Begripsbepalingen 21 </vet></al><al><vet>Artikel 2:28 (Tijdelijke) Exploitatievergunning horecabedrijf 22</vet></al><al><vet>Artikel 2:28a Vrijstelling vergunningplicht 22</vet></al><al><vet>Artikel 2:28b Eisen exploitant en leidinggevende 23</vet></al><al><vet>Artikel 2:28c Beslistermijn 24</vet></al><al><vet>Artikel 2:28d+e Weigerings- en intrekkingsgronden/Opheffing
                        vergunningplicht 24-25</vet></al><al><vet>Artikel 2:29 Sluitingstijden 25</vet></al><al><vet>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting 26</vet></al><al><vet>Artikel 2:30a Gesloten verklaren van horecabedrijven 26</vet></al><al><vet>Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf 26</vet></al><al><vet>Artikel 2:31a Glazen drinkgerei 26</vet></al><al><vet>Artikel 2:32 Handel in horecabedrijf 27</vet></al><al><vet>Artikel 2:33 Ordeverstoring 27</vet></al><al><vet>Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan 27</vet></al><al><vet>Artikel 2:34a Geldigheidsduur vergunning 27</vet></al><al><vet>Artikel 2:34b Beëindiging exploitatie 27</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                            nachtverblijf</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 2:35 Begripsbepalingen 28</vet></al><al><vet>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie 28</vet></al><al><vet>Artikel 2:37 Nachtregister 28</vet></al><al><vet>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister 28</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden</onderstreept>
                        (Niet van toepassing) 28</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
                        </onderstreept>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 28</vet></al><al><vet>Artikel 2:42 Plakken en kladden 28</vet></al><al><vet>Artikel 2:42a Graffiti 29</vet></al><al><vet>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. 29</vet></al><al><vet>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 29</vet></al><al><vet>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke (vervallen)
                    29</vet></al><al><vet>Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke 29</vet></al><al><vet>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op of aan een openbare plaats 30</vet></al><al><vet>Artikel 2:47a Hinderlijk voetballen en dergelijke 30</vet></al><al><vet>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 30</vet></al><al><vet>Artikel 2:48a Hinderlijk drankgebruik op schoolpleinen en dergelijke 31
                        Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 31</vet></al><al><vet>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
                        31</vet></al><al><vet>Artikel 2:51 Hinderlijk neerzetten van fietsen en dergelijke 31</vet></al><al><vet>Artikel 2:52 Overlast van fiets, bromfiets of voertuig op markt- en en
                        dergelijke 31ermisterrein </vet></al><al><vet> 31</vet></al><al><vet>Artikel 2:53 Bespieden en heimelijk fotograferen/filmen van personen
                        31</vet></al><al><vet>Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur 32</vet></al><al><vet>Artikel 2:55 Nodeloos alarm (vervallen) 32</vet></al><al><vet>Artikel 2:56 Alarminstallaties (vervallen) 32</vet></al><al><vet>Artikel 2:57 Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie
                        (vervallen) 32</vet></al><al><vet>Artikel 2:58 Overlast/verontreiniging door honden 32</vet></al><al><vet>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 33</vet></al><al><vet>Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 33</vet></al><al><vet>Artikel 2:61 Voeren van vogels 33</vet></al><al><vet>Artikel 2:62 Loslopende vee (vervallen) 33</vet></al><al><vet>Artikel 2:63 Schade duiven (vervallen) 33</vet></al><al><vet>Artikel 2:64 Bijen (vervallen) 33</vet></al><al><vet>Artikel 2:65 Bedelarij (vervallen) 33</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van
                            goederen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 2:66 Begripsbepalingen 34</vet></al><al><vet>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
                    34</vet></al><al><vet>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in art. 437 ter, eersteWetboek van
                        Strafrecht 34d, van het </vet></al><al><vet> 34</vet></al><al><vet>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen 34</vet></al><al><vet>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijf (vervallen; verplaatst naar afdeling
                        8) 35</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 13. Vuurwerk</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 2:71 Begripsbepaling 35</vet></al><al><vet>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuude verkoopdagen
                        35erk tijdens </vet></al><al><vet> 35</vet></al><al><vet>Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
                        35</vet></al><al><vet>Artikel 2:73a Carbidschieten 35</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 14. Drugsoverlast</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 2:74 Drugshandel op een openbare plaats 35</vet></al><al><vet>Artikel 2:74a Verzamelingen van personen in verband met drugs 36</vet></al><al><vet>Artikel 2:74b Openlijk drugsgebruik 36</vet></al><al><vet>Artikel 2:74c Weggooien van spuiten en dergelijke 36</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding,
                            veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare
                            plaatsen</onderstreept></vet></al><al></al><al><vet>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding (vervallen) 36</vet></al><al><vet>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden (vervallen opgenomen in artikel
                        2:1c) 36</vet></al><al><vet>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen 36</vet></al><al></al><al><vet>HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE EN
                        DERGELIJKE</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 1. Begripsbepalingen en andere
                        regels</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 3:1 Begripsbepalingen 36</vet></al><al><vet>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan 37</vet></al><al><vet>Artikel 3:3 Nadere regels 37</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 2. Seksinrichtingen en
                            escortbedrijven</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 3:4 Seksinrichtingen 37</vet></al><al><vet>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en leidinggevende 38</vet></al><al><vet>Artikel 3:6 Sluitingstijden 38</vet></al><al><vet>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden, (tijdelijke) sluiting
                        39</vet></al><al><vet>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en leidinggevende
                        39</vet></al><al><vet>Artikel 3:9 Beslistermijn 40</vet></al><al><vet>Artikel 3:10 Weigeringsgronden 40</vet></al><al><vet>Artikel 3:10a Intrekkingsgronden 40</vet></al><al><vet>Artikel 3:10b Geldigheidsduur vergunning 41</vet></al><al><vet>Artikel 3:11 Beëindiging exploitatie 41</vet></al><al><vet>Artikel 3:12 Wijziging beheer 41</vet></al><al><vet>Artikel 3:13 Overgangsbepaling 41</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 3. Straatprostitutie en
                        Sekswinkels</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 3:14 Straatprostitutie 42</vet></al><al><vet>Artikel 3:15 Sekswinkels 42</vet></al><al><vet>Artikel 3:16 Tentoonstellingen, aanbieden en aanbrengen van
                        erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 42</vet></al><al></al><al><vet>HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET
                        UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 1. Geluidhinder en
                    verlichting</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 4:1 Begripsbepalingen 43</vet></al><al><vet>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 43</vet></al><al><vet>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten 43</vet></al><al><vet>Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten 44</vet></al><al><vet>Artikel 4:4a Geluidsplafond 44</vet></al><al><vet>Artikel 4:5 Onversterkte muziek 44</vet></al><al><vet>Artikel 4:6 Overige geluidhinder 45 </vet></al><al><vet>Artikel 4:6a Geluidhinder door handelingen t.b.v. bouwwerkzaamheden
                        45</vet></al><al><vet>Artikel 4:6b Geluidhinder door bromfietsen en dergelijke 45</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 2. Bodem-, weg- en
                            milieuverontreiniging</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 4:7 Straatvegen (vervallen) 45</vet></al><al><vet>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen 45</vet></al><al><vet>Artikel 4:9 Toestand van niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen
                        46</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 3. Het bewaren van
                        houtopstanden</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 4:10 Begripsbepalingen 46 Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het
                        vellen van houtopstanden 46</vet></al><al><vet>Artikel 4.11a Aanvraag kapvergunning(vervallen) 47 Artikel 4.11b
                        Weigeringsgronden voor het vellen van houtopstanden 47</vet></al><al><vet>Artikel 4.11c Bijzondere vergunningsvoorschriften 47</vet></al><al><vet>Artikel 4.11d Herplant-/instandhoudingsplicht 47</vet></al><al><vet> Artikel 4.11e Schadevergoeding 48 Artikel 4:11f+g Bestrijding ziekte
                        houtopstanden/ 48 Artikel 4:12 Vergunning van rechtswege 48 Artikel 4:12a
                        Vervaltermijn vergunning (vervallen) 48 </vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en
                            stankoverlast</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstof</vet></al><al><vet>fen enz. 48</vet></al><al><vet> Artikel 4:13a Verontreiniging bij werkzaamheden op een openbare plaats
                        48</vet></al><al><vet>Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen 49 Artikel 4:15
                        Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclames 49 Artikel 4:16 Vergunningplicht
                        lichtreclame (vervallen) 49 </vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 5. Kamperen buiten
                        kampeerterrein</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 4:17 Begripsbepaling 49 Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf
                        buiten kampeerterreinen 49</vet></al><al><vet>Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen 50</vet></al><al></al><al><vet>HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE
                    </vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 1. Parkeerexcessen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 5:1 Begripsbepalingen 50 </vet></al><al><vet> Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke
                    </vet></al><al><vet> Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen 50 Artikel 5:4 Defecte
                        voertuigen 50 Artikel 5:5 Voertuigwrakken 51 Artikel 5:6 Kampeermiddelen en
                        andere 51 </vet></al><al><vet>Artikel 5:6a Parkeren van caravans, aanhangwagens in een parkeerzone 51
                    </vet></al><al><vet>Artikel 5:7 Parkeren van reclame voertuigen 51</vet></al><al><vet>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen 51 </vet></al><al><vet>Artikel 5:9 Parkeren van uitzicht belemmerende voetuigen 51</vet></al><al><vet>Artikel 5:9a Parkeren op aanbiedplaats huishoudelijk afval 52 </vet></al><al><vet>Artikel 5:10 Parkeren voertuigen met stankverspreidende stoffen (vervallen)
                        52</vet></al><al><vet>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen (ve</vet></al><al><vet>rvallen) 52</vet></al><al><vet>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets 52</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 2. Collecteren</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 5:13 Inzameling vaoederen 52geld of g</vet></al><al><vet> 52 </vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 3. Venten</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 5:14 Begri52psbepaling </vet></al><al><vet> Artikel 5:15 Venten en dergelijke 53</vet></al><al><vet>Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting 53</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 4. Standplaatsen</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 5:17 Begripsbepaling </vet></al><al><vet>Artikel 5:18 Standplaatsen en weigeringsgronden 53</vet></al><al><vet>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende 54</vet></al><al><vet>Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 54</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 5. Snuffelmarkten </onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 5:22 Begripsbepaling (verplaatst naar afdeling 7) 54</vet></al><al><vet>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt (verplaatst naar afdeling 7)
                        54</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 6. Openbaar water</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 54</vet></al><al><vet>Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen 54</vet></al><al><vet>Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats 55</vet></al><al><vet>Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats 55</vet></al><al><vet>Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken en oevers 55</vet></al><al><vet>Artikel 5:29 Reddingsmiddelen 55</vet></al><al><vet>Artikel 5:30 Veiligheid op het water 55</vet></al><al><vet>Artikel 5:30a Zwemmen in openbaar water 56</vet></al><al><vet>Artikel 5:31 Overlast van vaartuigen 56</vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer
                            in natuurgebieden</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 5:32 Crossterreinen 56</vet></al><al><vet> 56Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden 56<cursief></cursief></vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 8. Verbod vuur te stoken</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inri ngen of 57
                        anderszins vuur te stoken<cursief></cursief></vet></al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 9. Verstrooiing van as</onderstreept></vet></al><al><vet>Artikel 5:35 Begripsbepaling 57</vet></al><al><vet>Artikel 5:36 Verboden plaatsen 57</vet></al><al><vet> Artikel 5:37 Hinder- of overlast 58 57Artikel 5:36 Verboden plaatsen
                        57Artikel 5:37 Hinder of overlast 58 </vet></al><al></al><al><vet>HOOFDSTUK 6 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN </vet></al><al></al><al><vet>Artikel 6:1 Strafbepaling 59</vet></al><al><vet>Artikel 6:2 Toezichthouders 62</vet></al><al><vet>Artikel 6:3 Binnentreden woningen 62</vet></al><al><vet> Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening
                        62</vet></al><al><vet>Artikel 6:5 Overgangsbepaling 62</vet></al><al><vet>Artikel 6:6 Citeertitel</vet></al></officiele-inhoudsopgave><aanhef><preambule><al></al><al>De raad van de gemeente Maassluis;</al><al></al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van de gemeente
                        Maassluis d.d. 11 november 2014</al><al>besluit</al><al></al><al>De gemeenteraad besluit tot het intrekken van de Algemene Plaatselijke
                        Verordening Maassluis 2012 alsmede tot intrekking van het Integraal
                        Handhavingsbeleid Vergunningplichtige Openbare Inrichtingen Gemeenten
                        Vlaardingen en Maassluis, en tot het vaststellen van de Algemene
                        Plaatselijke Verordening Maassluis 2014 alsmede het Handhavingsarrangement
                        APV 2014 Gemeente Maassluis.</al><al></al><al>Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Maassluis van 2 December 2014<vet>.</vet></al><al>de griffier, de voorzitter,</al><al>mr. R. van der Hoek drs. J.A. Karssen</al><al></al><al></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><enig-artikel><al><vet>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</vet></al><al></al><al><vet>Artikel 1:1 Begripsbepalingen</vet></al><al></al><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                        onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>bebouwde kom</cursief>: de bebouwde kom of kommen waarvan
                                gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig
                                artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet</al></li><li nr="b."><al><cursief>beheerder</cursief>: </al><lijst><li nr="-"><al>voor zover het betreft een openbare inrichting: natuurlijke
                                        persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in
                                        de inrichting; </al></li><li nr="-"><al>voor zover het betreft een seksinrichting of escortbedrijf:
                                        natuurlijke persoon die de onmiddellijke leiding uitoefent
                                        in de inrichting of het bedrijf. </al></li></lijst></li><li nr="c."><al><cursief>bevoegd bestuursorgaan</cursief>: krachtens deze
                                verordening bevoegd bestuursorgaan;</al></li><li nr="d."><al><cursief>bevoegd gezag</cursief>: bestuursorgaan als bedoeld in
                                artikel 1.1., eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
                                omgevingsrecht ; </al></li><li nr="e."><al><cursief>bouwwerk</cursief>: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van
                                de Bouwverordening;</al></li><li nr="f."><al><cursief>college</cursief>: college van burgemeester en wethouders
                                van Maassluis;</al></li><li nr="g."><al><cursief>gebouw</cursief>: bouwwerk dat voor een personen
                                toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijke met wanden omsloten
                                ruimte vormt, zoals bedoeld in artikel 1, onder c van de Woningwet.
                            </al></li><li nr="h."><al><cursief>handelaar</cursief>: handelaar, als bedoeld in artikel 1
                                van het besluit van 6 januari 1992 ter uitvoering van artikel 437,
                                eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 1992, 36);</al></li><li nr="i."><al><cursief>openbare inrichting</cursief>: </al><lijst><li nr="-"><al>inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de
                                        Drank- en Horecawet waarin het horecabedrijf wordt
                                        uitgeoefend, zomede de daarbij behorende terrassen; </al></li><li nr="-"><al>voor publiek openstaande lokaliteiten, open plaatsen, tuinen
                                        of gedeelten daarvan, zomede de daarbij behorende terrassen
                                        en de daarmee gemeenschap hebbende vertrekken die niet
                                        uitsluitend als woning of winkel worden gebruikt, alsmede de
                                        niet voor publiek toegankelijke lokaliteiten welke voor het
                                        publiek op de weg bereikbaar zijn, uitgezonderd
                                        standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17, voor zover daar
                                        regelmatig of op gezette tijden: </al><lijst><li nr="o"><al>gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet
                                                enigerlei eet- of drinkwaar te verkrijgen, af te
                                                halen of te verbruiken; </al></li><li nr="o"><al>amusement of ontspanning wordt aangeboden, met
                                                uitzondering van</al></li><li nr="o"><al>voorstellingen of vertoningen van porno-erotische
                                                aard worden gegeven dan wel door middel van
                                                automaten dergelijke voorstellingen of vertoningen
                                                kunnen worden gegeven; </al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="j."><al><cursief>openbare plaats</cursief>: hetgeen in artikel 1van de Wet
                                openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; </al></li><li nr="k."><al><cursief>openbaar water</cursief>: wateren die voor het publiek
                                bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;</al></li><li nr="l."><al><cursief>rechthebbende</cursief>: natuurlijke of rechtspersoon die
                                over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of
                                persoonlijk recht; </al></li></lijst><al>m<cursief>. weg</cursief>: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b
                        van de Wegenverkeerswet 1994;</al><lijst><li nr="n."><al>vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende
                                werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten;</al></li><li nr="o."><al>woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning
                                gebezigd of tot woning bestemd.</al><al></al></li></lijst><al><vet>Artikel 1:2 Beslistermijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken
                                verdagen.</al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor zover in
                                deze verordening andere beslistermijnen zijn gesteld.</al></li><li nr="4."><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, artikel
                                2:11, artikel 2:12, of artikel 4:11.</al><al></al></li></lijst><al><vet>Artikel 1:3 Te late indiening aanvraag</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan acht weken voor het tijdstip waarop de
                                aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegd
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></li><li nr="2."><al>Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen
                                vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde
                                termijn worden verlengd tot ten hoogste twaalf weken.</al><al></al></li></lijst><al><vet>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of
                                ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.
                                Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot
                                bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de
                                vergunning of ontheffing is vereist.</al></li><li nr="2."><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen na te komen.</al><al></al></li></lijst><al><vet>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of
                        ontheffing</vet></al><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                        deze verordening anders is bepaald.</al><al></al><al><vet>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                        ontheffing</vet></al><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens
                                zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of
                                ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het
                                belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of
                                ontheffing is vereist; </al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                                beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt
                                binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van
                                een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al><al></al></li></lijst><al><vet>Artikel 1:7 Vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd</vet></al><al>Een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing geldt voor
                        onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of
                        de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.</al><al></al><al><vet>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het
                                bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: </al></li><li nr="a."><al>de openbare orde/overlast;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of –veiligheid;</al></li><li nr="d."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="e."><al>de bescherming van het milieu;</al></li><li nr="f."><al>de zedelijkheid.</al></li><li nr="2."><al>In aanvulling op de in het eerste lid genoemde algemene
                                weigeringsgronden kunnen per artikel bijzondere weigeringsgronden
                                worden genoemd.</al><al></al></li></lijst><al><vet>Artikel 1:9 Toepassing paragraaf 4.1.3.3. Algemene wet
                            bestuursrecht</vet></al><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene Wet Bestuursrecht (positieve fictieve
                        beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op de volgende
                        artikelen in deze Verordening: </al><lijst><li nr="-"><al>Artikel 2:6 lid 4 Ontheffing verbod gedrukte of geschreven
                                stukken;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:9 lid 3 Ontheffing verbod optreden als straatartiest;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:10 lid 2 Voorwerpen of stoffen openbare plaats;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:11 Vergunning aanleggen, beschadigen veranderen van een
                                weg;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:12 Vergunning maken veranderen van een weg;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:67 lid 2 Vrijstelling verplichtingen met betrekking tot
                                het verkoopregister;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:73a lid 3 Ontheffing Carbidschieten;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van
                                houtopstanden;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:13 lid 1 Inzameling van geld of goederen
                                (collectevergunning);</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:15 Venten en dergelijke;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:16 lid 3 Ontheffing verbod venten met gedrukte
                                stukken;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:30a Vergunning zwemmen openbaar water;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:36 lid 3 Ontheffing verbod incidentele
                                asverstrooiing.</al><al></al></li></lijst><al><vet>Artikel 1:10 Geen toepassing paragraaf 4.1.3.3. Algemene wet
                            bestuursrecht </vet></al><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene Wet Bestuursrecht (positieve fictieve
                        beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de volgende
                        artikelen in deze Verordening: </al><lijst><li nr="-"><al>Artikel 2:1 lid 4 Ontheffing verbod te begeven op openbare plaatsen
                                die zijn afgezet;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:10 lid 1 Vergunning voorwerpen openbare plaats</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:25 Vergunning evenementen;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:26a Melding 0-evenement;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:28 (Tijdelijke) exploitatievergunning horeca;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:31a lid 3 Ontheffing verbod drank in glas;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:46 lid 3 Ontheffing rijden over bermen en dergelijke;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 2:72 Vergunning ter beschikking stellen van
                                consumentenvuurwerk;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 3:4 Vergunning seksinrichting;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 4:6 lid 2 Ontheffing overige geluidhinder</al></li><li nr="-"><al>Artikel 4:18 lid 3 Ontheffing van het verbod tot recreatief
                                nachtverblijf buiten kampeerterreinen; </al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:2 lid 4 Ontheffing parkeerverbod autobedrijf;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:3 lid 2 Ontheffing verbod te koop aanbieden van
                                voertuigen;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:6 lid 3 Ontheffing parkeren kampeervoertuig;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:7 lid 2 Ontheffing parkeren reclamevoertuigen; </al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:8 lid 4 Ontheffing parkeren grote voertuigen;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:18 Standplaatsvergunning;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:33 lid 6 Ontheffing verkeer in natuurgebieden;</al></li><li nr="-"><al>Artikel 5:34 lid 3 Ontheffing verbod afvalstoffen verbranden;</al><al></al></li></lijst><al><vet>HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE</vet></al><al><onderstreept>Afdeling 1. Bestrijding van
                        ongeregeldheden</onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                samenscholing, onnodig op te dringen te vechten of door uitdagend
                                gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.</al></li><li nr="2."><al>Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor
                                ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot
                                toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor
                                ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich
                                bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op
                                bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in
                                de door hem aangewezen richting te verwijderen.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare
                                plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het
                                belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van
                                wanordelijkheden zijn afgezet.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                gestelde verbod.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen ,
                                vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten
                                als bedoeld in de in de Wet openbare manifestaties. </al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:1a Aanwijzing overlastgebied</vet></al><lijst><li nr=""><al>1.<onderstreept>De burgemeester is bevoegd om een gebied aan te
                                    wijzen waar naar zijn oordeel sprake is van een ernstige
                                    verstoring of bedreiging van de openbare
                                orde.</onderstreept></al></li><li nr=""><al>2.<onderstreept>Het is verboden zich in een aangewezen gebied op te
                                    houden in een groep van meer dan vier personen, indien dit leidt
                                    tot een verstoring van de openbare orde.</onderstreept></al></li></lijst><al>3.<onderstreept>De burgemeester trekt de aanwijzing in, zodra naar zijn
                            oordeel sprake is van een voldoende herstel van de openbare orde in het
                            aangewezen gebied.</onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 2:1b Wijkverbod</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het
                                voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van
                                aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van
                                personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan degene
                                die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen
                                verricht een verbod opleggen om zich gedurende 24 uur te bevinden op
                                in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan
                                de gedragingen hebben plaatsgehad. </al></li><li nr="2."><al>Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de
                                burgemeester aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het
                                eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd
                                dat hij opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende
                                handelingen verricht, een verbod opleggen om zich gedurende een in
                                dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste acht weken te bevinden op
                                in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan
                                de gedragingen hebben plaatsgehad.</al></li><li nr="3."><al>Een verbod als genoemd in het tweede lid kan slechts worden opgelegd
                                indien de strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen
                                binnen zes maanden na het opleggen van een eerder verbod, opgelegd
                                op grond van het eerste of tweede lid, zijn geconstateerd.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede genoemde
                                verboden, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden
                                van betrokkene noodzakelijk is.</al></li><li nr="5."><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                burgemeester opgelegd verbod.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:1c Veiligheidsrisicogebieden (preventief
                        fouilleren)</vet></al><al>De burgemeester kan, overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet, bij
                        verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij
                        ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de
                        daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende
                        erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.</al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 2. Betogingen</onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 2:2 Optochten</vet></al><al>(vervallen)</al><al></al><al><vet>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te
                                houden, geeft daarvan daarvan voor de openbare aankondiging en
                                tenminste 72 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk
                                kennis aan de burgemeester. </al></li><li nr="2."><al>Onder openbare plaats wordt verstaan: een plaats als bedoeld in
                                artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare
                                manifestaties.</al></li><li nr="3."><al>De kennisgeving bevat:</al></li><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van
                                aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van
                                beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een
                                regelmatig verloop te bevorderen.</al></li><li nr="4."><al>Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het
                                tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></li><li nr="5."><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een
                                vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen
                                erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur
                                op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.</al></li><li nr="6."><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste
                                lid genoemde termijn van 72 uur verkorten en een mondelinge
                                kennisgeving in behandeling nemen. </al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:4 Afwijking termijn</vet></al><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al><al></al><al><vet>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens</vet></al><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 3. Verspreiding van gedrukte
                        stukken</onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 2:6 Beperking aanbieden en dergelijke van geschreven of
                            gedrukte stukken of afbeeldingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen
                                onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door
                                het college aangewezen openbare plaatsen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                dagen en uren.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden
                                of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en
                                afbeeldingen.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                                lid.</al></li></lijst><al></al><al><onderstreept>Afdeling 4. Vertoningen en dergelijke op een openbare
                            plaats</onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd en dergelijke</vet></al><al>(Vervallen)</al><al><vet>Artikel 2:8 Dienstverlening</vet></al><al>(Vervallen)</al><al></al><al><vet>Artikel 2:9 Straatartiest e.d.</vet></al><al>1.Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                        straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur ofgids op te treden op door de
                        burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare</al><al>veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare
                        plaatsen.</al><lijst><li nr="2."><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                dagen en uren.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></li></lijst><al></al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van een openbare
                            plaats</onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 2:10 Voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven een openbare
                            plaats</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college voorwerpen of
                                stoffen aan, op, in, of boven de openbare plaats te plaatsen, aan te
                                brengen, te hebben of te storten.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in
                                het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit
                                betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k.
                                van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op:</al></li><li nr="a."><al>vlaggen, wimpels en vlaggenstokken indien ze geen gevaar of hinder
                                kunnen opleveren voor personen of goederen;</al></li><li nr="b."><al>zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers
                                bestemde gedeelte van de openbare plaats en mits:</al></li><li nr="-"><al>geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt;
                                en</al></li><li nr="-"><al>geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op
                                minder dan 1 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van
                                de openbare plaats bevindt;</al></li><li nr="-"><al>geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel
                                reikt;</al></li><li nr="c."><al>de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de
                                openbare plaats gebracht worden in verband met laden of lossen ervan
                                en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten
                                ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk
                                geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de openbare
                                plaats verwijderd zijn en de openbare plaats daarvan gereinigd
                                is;</al></li><li nr="d."><al>voertuigen;</al></li><li nr="e."><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens als bedoeld in
                                artikel 7 van de Grondwet worden geopenbaard;</al></li><li nr="f."><al>het innemen van een standplaats als bedoeld in artikel 5:17 of een
                                standplaats als bedoeld in de Marktverordening gemeente
                                Maassluis.</al></li><li nr="4."><al>Het is verboden aan, op, in of boven de openbare plaats voorwerpen
                                of stoffen waarop gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7
                                van de Grondwet worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te
                                hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of
                                plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar
                                opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en
                                veilig gebruik daarvan, danwel een belemmering vormen voor het
                                doelmatig beheer en onderhoud van de weg.</al></li><li nr="5."><al>Een vergunning bedoeld in het eerste en tweede lid kan worden
                                geweigerd:</al></li><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar
                                oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en
                                veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het
                                doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met
                                de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor
                                gebruikers en in de nabijheid gelegen onroerende zaak;</al></li><li nr="d."><al>in het belang van de brandveiligheid, of;</al></li><li nr="e."><al>indien door plaatsing of aanwezigheid van het voorwerp er sprake is
                                van het gebruik van de weg of een weggedeelte anders dan
                                overeenkomstig de publieke functie of bestemming daarvan.</al></li><li nr="6."><al>a. het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerpwordt voorzien door de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de
                                Wegenverordening Zuid-Holland;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de weigeringsgrond van het vierde lid, onder b, geldt niet voor
                                bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>de weigeringsgrond van het vierde lid, onder c, geldt niet voor
                                zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                milieubeheer. </al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                            veranderen van een weg</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg
                                aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te
                                graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te
                                veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van
                                aanleg van een weg.</al></li><li nr="2."><al>De vergunning wordt verleend</al></li><li nr="a."><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de
                                activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;</al></li><li nr="b."><al>door het college in de overige gevallen.</al></li><li nr="3."><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan
                                hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat,
                                alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod geldt niet voor het Rijk, de provincie, de gemeente of
                                het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke
                                taak.</al></li><li nr="5."><al>Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde
                                onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet
                                beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal
                                wegenreglement Zuid Holland en de telecommunicatiewet en de daarop
                                gebaseerde telecommunicatieverordening. </al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:12 (Omgevings)vergunning voor het maken of veranderen van een
                            uitweg</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een uitweg
                                te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande
                                uitweg naar de weg.</al></li><li nr="2."><al>Bij de vergunningsaanvraag wordt een situatieschets van de gewenste
                                uitweg en eventueel een foto van de bestaande situatie
                                overgelegd.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag stelt voorschriften aan de gewenste uitweg indien
                                door het realiseren ervan:</al><lijst><li nr="a."><al>de bruikbaarheid van de weg en/of het veilig en doelmatig
                                        gebruik van de weg wordt geschaad; </al></li><li nr="b."><al>het gebruik van een bestaande openbare parkeerplaats
                                        onmogelijk wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>de groenvoorziening in de gemeente wordt geschaad of dreigt
                                        te worden geschaad.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag weigert de vergunning voor de aanleg van de uitweg
                                als door de aanleg een ongewenste situatie ontstaat, die niet door
                                het stellen van voorschriften kan worden voorkomen.</al></li><li nr="5."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal
                                wegenreglement. </al></li></lijst><al></al><al><onderstreept>Afdeling 6. Veiligheid van/op de openbare
                            plaats</onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid</vet></al><al>(Vervallen)</al><al></al><al><vet>Artikel 2:14 Winkelwagentjes</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking
                                stelt , mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de
                                weg, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een
                                ander herkenningsteken, en de in de omgeving van dat bedrijf door
                                het publiek op de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te
                                verwijderen of te doen verwijderen.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg,
                                onbeheerd daarop achter te laten anders dan op een daartoe
                                aangewezen plaats.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden
                                buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het
                                eerste lid, of indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum,
                                buiten de onmiddellijke omgeving van het winkelcentrum. Als
                                onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt
                                aangemerkt de weg of het gedeelte, grenzend aan het bedrijf of
                                winkelcentrum en tevens een aan die weg of dat weggedeelte
                                aansluitende parkeerplaats.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer.</al></li></lijst><al>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</al><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op
                        zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of
                        dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat .</al><al><vet>Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke</vet></al><al></al><al>Het is degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput,
                        brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare
                        nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:17 Kelderingangen, en dergelijke</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Kelderingangen, indiepingen en andere lager dan de aangrenzende weg
                                gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de
                                veiligheid van de weggebruikers opleveren.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3 van het Wetboek
                                van Strafrecht.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurgebieden</vet></al><al>(Vervallen)</al><al></al><al><vet>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp openbare plaats
                        </vet></al><al>1.Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers
                        bestemde deel van een openbare plaats op enigerlei wijze prikkeldraad,
                        schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te
                        hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.</al><al>2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor prikkeldraad,
                        schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand
                        dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen
                        van een afscheiding zijn aangebracht.</al><al>3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 5 van de
                        Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen</vet></al><al>Het is verboden aan een openbare plaats of aan enig deel van een bouwwerk
                        een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op
                        de openbare plaats.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:20a Dragen gevaarlijke voorwerpen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats, met inbegrip van daaraan
                                gelegen voor publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, een mes,
                                slagwapen, knuppel, katapult, pijl en boog of een ander voorwerp dat
                                als wapen kan worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen. </al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens
                                behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en munitie
                                en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de
                                openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of
                                aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het
                                college, voorwerpen borden of voorzieningen ten behoeve van het
                                openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht,
                                onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al></li><li nr="2."><al>Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in
                                het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen
                                aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als
                                bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de
                                Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn</vet></al><al>(Vervallen)</al><al></al><al><vet>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al></li><li nr="a."><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te
                                verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere
                                wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;</al></li><li nr="b."><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst
                                op de onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te
                                beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te
                                verijdelen of te belemmeren.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht
                                of de Provinciale Vaarwegenverordening Zuid Holland.</al></li></lijst><al></al><al><onderstreept>Afdeling 7. Evenementen</onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 2:24 Begripsbepalingen</vet></al><al>1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek
                        toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:</al><al>a.bioscoopvoorstellingen;</al><al>b.markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de
                        Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening;</al><al>c.kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al><al>d.verrichtingen van vermaak die plaatsvinden in een openbare inrichting,
                        waarvoor een vergunning krachtens artikel 2:28 van deze verordening geldt,
                        mits de vergunning mede betrekking heeft op deze verrichting van vermaak; </al><al>e.betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare
                        manifestaties;</al><al>f.activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 van deze verordening.</al><al>2.Onder evenement wordt mede verstaan:</al><al>a.een herdenkingsplechtigheid;</al><al>b.een braderie;</al><al>c.een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze
                        verordening, op de weg;</al><al>d.een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;</al><lijst><li nr="e."><al>een snuffelmarkt.</al></li><li nr="3."><al>Evenementen zijn onderverdeeld in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="a."><al>0-evenement: evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor
                                        geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het
                                        bezoekersaantal bedraagt maximaal 100 mensen;</al></li><li nr="b."><al>A-evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van
                                        een beperkte impact op de omgeving en het verkeer;</al></li><li nr="c."><al>B-evenement: gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is
                                        van een grote impact op de directe omgeving en/of gevolgen
                                        voor het verkeer;</al></li><li nr="d."><al>C-evenement: hoog risico-evenement, waarbij sprake is van
                                        een grote impact op de stad en/of regionale gevolgen voor
                                        het verkeer.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Onder organisator wordt verstaan: degene voor wiens rekening en
                                risico een evenement plaatsvindt. </al></li><li nr="4."><al>Onder evenementenoverzicht wordt verstaan: de door het college
                                jaarlijks vastgestelde kalender met B- en C- evenementen voor het
                                volgende – aankomende – evenementenjaar. </al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:25 Evenementenvergunning </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de
                                burgemeester een A-, B- of C-evenement te organiseren, toe te laten
                                of feitelijk te leiden.</al></li><li nr="2."><al>De vergunning geldt voor één evenement.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester weigert de vergunning voor een B- en C evenement
                                indien de organisator:</al></li><li nr="a."><al>onder curatele staat;</al></li><li nr="b."><al>in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of</al></li><li nr="c."><al>de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester de
                                evenementenvergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of
                                voor onbepaalde tijd intrekken of wijzigen indien naar zijn
                                oordeel:</al></li><li nr="a."><al>dit noodzakelijk is voor de openbare orde en veiligheid en/of de
                                bescherming van hetwoon- en leefklimaat in de omgeving van het
                                evenement;</al></li></lijst><al>b.de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen niet kan
                        wordengewaarborgd;</al><lijst><li nr="c."><al>de zedelijkheid of gezondheid van bezoekers niet kan worden
                                gewaarborgd;</al></li><li nr="d."><al>het gelet op een gebeurtenis van nationale omvang op de dag van het
                                evenement ofdaags voor het evenement met een dusdanig effect op het
                                gemeenschapsleven nietwenselijk is dat de activiteiten worden
                                voortgezet;</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>de bescherming van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt
                                nodig is;</al></li><li nr="f."><al>de vergunningvoorschriften niet worden nageleefd;</al></li><li nr="g."><al>de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke
                                politie- enhulpverleningscapaciteit een onevenredig beroep op de
                                beschikbare bezetting doet;</al></li></lijst><lijst><li nr="h."><al>tegen de organisator in de afgelopen drie jaar een bestuurlijke
                                maatregel is genomen;</al></li><li nr="i."><al>de vooraankondiging van een B- of C-evenement niet voor 1 november
                                van het jaarvoorafgaand aan het jaar waarin het evenementenoverzicht
                                wordt vastgesteld, isingediend;</al></li></lijst><al>j.een A-evenement niet ten minste acht weken voor aanvang van het evenement
                        isaangevraagd;</al><lijst><li nr="k."><al>het B- en C-evenement waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, niet
                                is opgenomen op het evenementenoverzicht dat is vastgesteld voor het
                                jaar waarin het evenement waarvoor de vergunning wordt aangevraagd,
                                plaats zal vinden;</al></li><li nr="l."><al>de inhoud of uitstraling van het evenement niet past in het
                                evenementenbeleid, het imago of de belangen van de stad
                                Maassluis;</al></li><li nr="m."><al>ten behoeve van de vergunningverlening onvolledige of onjuiste
                                gegevens zijn verstrekt.</al></li><li nr="5."><al>De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden ter
                                regulering van het</al></li></lijst><al>evenement, die onder meer betrekking kunnen hebben op:</al><lijst><li nr="a."><al>de plaats en het tijdstip van het evenement;</al></li><li nr="b."><al>de benodigde technische voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>de inrichting van het evenemententerrein;</al></li><li nr="d."><al>het activiteitenprogramma;</al></li><li nr="e."><al>een veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers;</al></li><li nr="f."><al>het verkeersplan.</al></li><li nr="6."><al>De aanvraag om een evenementenvergunning bevat ten minste:</al></li><li nr="a."><al>de plaats waar het evenement wordt gehouden;</al></li><li nr="b."><al>de datum en het tijdstip waarop het evenement wordt gehouden;</al></li><li nr="c."><al>een opgave van het verwachte aantal deelnemers en toeschouwers;</al></li><li nr="d."><al>de inrichting van het evenemententerrein;</al></li><li nr="e."><al>het activiteitenprogramma;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijke risico’s voor verstoring van de openbare orde en
                                veiligheid;</al></li><li nr="g."><al>het veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers;</al></li><li nr="h."><al>de maatregelen die de organisator zelf zal nemen om wanordelijkheden
                                zoveel mogelijk te voorkomen.</al></li><li nr="7."><al>Risicoverhogende feiten of omstandigheden waarvan eerst na de
                                aanvraag is gebleken,worden door de organisator onverwijld aan de
                                burgemeester gemeld.</al></li></lijst><al>8.Dit artikel is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, voor
                        zover in hetonderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 van
                        de Wegenverkeerswet 1994.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:26 Ordeverstoring </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door
                                uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of
                                wanordelijkheden te veroorzaken of anderszins de orde te
                                verstoren.</al></li><li nr="2."><al>Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van
                                ambtenaren van politie en brandweer in het belang van openbare orde
                                of veiligheid terstond en stipt op te volgen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2.26a 0-evenementen</vet></al><al>1.Behoudens in door de burgemeester aangewezen gebieden, is het verboden
                        zonder meldingaan de burgemeester een 0-evenement te organiseren, toe te
                        laten of feitelijk te leiden.</al><lijst><li nr="2."><al>Van een 0-evenement is sprake indien:</al></li><li nr="a."><al>het een feest op eigen terrein of straatfeest in de openlucht
                                betreft;</al></li><li nr="b."><al>het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 100 personen;</al></li><li nr="c."><al>het een evenement is dat plaatsvindt op maandag tot en met zaterdag
                                tussen 9.00 en 23.00 uur of op een zon- of feestdag tussen 13.00 en
                                23.00 uur;</al></li><li nr="d."><al>het geluidsniveau op een afstand van 10 meter van enige geluidsbron
                                niet meer bedraagtdan 80 dB(A);</al></li></lijst><al>e.het niet plaatsvindt op de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 of
                        anderszinseen belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;</al><lijst><li nr="f."><al>het geen extra politiecapaciteit vergt;</al></li><li nr="g."><al>slechts kleine objecten worden geplaatst met een totale oppervlakte
                                van maximaal 10 m².</al></li></lijst><al>Onder kleine objecten worden geen springkussens begrepen;</al><lijst><li nr="h."><al>er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt;</al></li><li nr="i."><al>er een organisator is.</al></li><li nr="3."><al>De organisator meldt het 0-evenement ten minste vijf werkdagen
                                voordat het 0-evenementplaatsvindt, aan de burgemeester door middel
                                van het door de burgemeester vastgesteldeaanvraagformulier
                                evenementen.</al></li></lijst><al>4.Het evenement mag worden gehouden als de burgemeester schriftelijk
                        toestemming heeftverleend en de organisator deze toestemming kan tonen.</al><al>5.Indien naar het oordeel van de burgemeester uit nieuwe feiten of
                        omstandigheden na demelding vrees bestaat voor verstoring van de openbare
                        orde kan de burgemeester alsnog</al><al>bepalen dat het verbod ingevolge artikel 2.25, eerste lid, onverkort
                        geldt.</al><al></al><al><vet>Artikel 2.26b Openbare orde en veiligheid</vet></al><al>1.De burgemeester kan in de aanloop naar, tijdens, en na een evenement alle
                        aanwijzingengeven die hij noodzakelijk acht ter handhaving van de openbare
                        orde. De burgemeester</al><al>bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie, brandweer en
                        hulpverlening.</al><al>2.De organisator van een evenement is verplicht in de aanloop naar, tijdens,
                        en na hetevenement:</al><lijst><li nr="a."><al>alle maatregelen te treffen ter voorkoming van de verstoring van de
                                openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het evenement onverwijld te beëindigen bij verstoring van de
                                openbare orde of de vreesdaarvoor;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>een aanwijzing van de burgemeester onverwijld op te volgen;</al></li><li nr="d."><al>ervoor te zorgen dat bij een verstoring van de openbare orde na een
                                aanwijzing van deburgemeester, dan wel een ambtenaar van politie, of
                                brandweer geen publiek meer tothet evenement wordt toegelaten.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Het is voor bezoekers van een evenement tijdens en na het
                                evenement:</al></li><li nr="a."><al>verboden zich op het evenemententerrein te gedragen met het
                                kennelijke doel om deopenbare orde of veiligheid te verstoren of te
                                bedreigen;</al></li></lijst><al>b.verboden al dan niet op het evenemententerrein – op of aan de weg of op
                        voor hetpubliek toegankelijke plaatsen - voorwerpen of stoffen bij zich te
                        hebben, te dragen of tevervoeren die kennelijk bestemd zijn om de openbare
                        orde of veiligheid te verstoren;</al><al>c.verboden zich op een evenemententerrein te begeven indien overeenkomstig
                        het eerste,dan wel het tweede lid onder d opdracht is gegeven het
                        evenemententerrein te verlaten;</al><al>d.verplicht ter ordelijk verloop van een evenement of bij enig voorval
                        waardoorwanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, op een daartoe
                        strekkende aanwijzingvan een ambtenaar van de politie of brandweer, zijn weg
                        te vervolgen of aanwijzingen</al><al>van andere aard in het belang van de openbare orde of veiligheid van
                        personen engoederen, dan wel ter beperking van gemeen gevaar, onverwijld en
                        stipt op te volgen.</al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 8. Toezicht op openbare
                        inrichtingen</onderstreept></al><al><vet>Artikel 2:27 Begripsbepalingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onder horecabedrijf wordt in deze afdeling verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een inrichting waaronder in ieder geval wordt verstaan: een
                                        hotel, motel, restaurant, pension, café, eetcafé, cafetaria,
                                        snackbar, bar, automatiek, croissanterie, crêperie,
                                        broodjeswinkel, afhaalzaak, shoarmazaak, koffiehuis,
                                        ijssalon, discotheek, buurthuis, sportkantine, clubhuis. of
                                        daaraan verwante inrichting waar tegen vergoeding logies
                                        wordt verstrekt, dranken worden geschonken of rookwaren of
                                        spijzen voor directe consumptie worden bereid en/of
                                        verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>een bedrijf dat in hoofdzaak bestemd is voor de uitoefening
                                        van detailhandel en waarin als ondergeschikte
                                        nevenactiviteit consumpties (o.a. alcoholvrije drank) worden
                                        verstrekt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid, wordt mede
                                verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere
                                aanhorigheden.</al></li><li nr="3."><al>Een terras in de zin van deze afdeling is een buiten de besloten
                                ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar
                                sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding
                                dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie
                                kunnen worden bereid of verstrekt.</al></li><li nr="4."><al>Onder inrichting wordt in deze afdeling verstaan: de besloten
                                ruimte(n) waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij
                                behorende terrassen.</al></li><li nr="5."><al>Onder exploitant wordt in deze afdeling verstaan: degene die een
                                horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2:28
                                of 2:28e.</al></li><li nr="6."><al>Onder leidinggevende wordt in deze paragraaf verstaan: de
                                natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke
                                leiding uitoefent of uitoefenen in een inrichting.</al></li><li nr="7."><al>Deze afdeling verstaat niet onder bezoekers:</al><lijst><li nr="a."><al>de gezinsleden van de exploitant en leidinggevende, alsmede
                                        zijn elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte
                                        lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde
                                        graad;</al></li><li nr="b."><al>de personen die voorkomen in het register als bedoeld in
                                        artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen
                                        bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van
                                        Strafrecht;</al></li><li nr="c."><al>de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                                        dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:28 (Tijdelijke) Exploitatievergunning horecabedrijf
                        </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder of in
                                afwijking van een vergunning van de burgemeester.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of
                                exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend
                                bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                voorbereidingsbesluit.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning
                                slechts geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel
                                moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving
                                van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze
                                nadelig wordt beïnvloed.</al></li><li nr="4."><al>Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond
                                houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de
                                wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de
                                aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu
                                ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de
                                exploitatie.</al></li><li nr="5."><al>Indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat
                                dat de weigeringsgronden genoemd in artikel 2:28 lid 3 zich
                                voordoen, kan de burgemeester een vergunning afgeven voor een
                                proefperiode van ten hoogste één jaar (tijdelijke vergunning).</al></li><li nr="6."><al>Indien gedurende de proefperiode als bedoeld in het vijfde lid
                                blijkt dat de weigeringsgronden genoemd in artikel 2.28d, lid 2 zich
                                voordoen, kan de burgemeester nadere voorschriften aan de vergunning
                                verbinden of de tijdelijke vergunning intrekken.</al></li><li nr="7."><al>Indien tijdens de proefperiode niet van bezwaren is gebleken, deelt
                                de burgemeester de exploitant van de openbare inrichting
                                schriftelijk mee dat de tijdelijke vergunning met ingang van een
                                nader door hem te bepalen datum dient te worden beschouwd als een
                                vergunning als bedoeld in het eerste lid. </al></li><li nr="8."><al>De burgemeester stelt nadere regels vast omtrent de gegevens en
                                bescheiden die bij de vergunningaanvraag moeten worden overgelegd.
                            </al></li><li nr="9."><al>De exploitant van een horecabedrijf laat niet toe dat een handelaar
                                of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp
                                verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:28a Vrijstelling vergunningplicht</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Geen vergunning is vereist voor de exploitatie van een horecabedrijf
                                in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet
                                voorzover de horeca een nevenactiviteit is van de
                                winkelactiviteit;</al></li><li nr="2."><al>Voorts is geen vergunning vereist voor de exploitatie van een
                                horecabedrijf, die zich bevindt in een:</al></li><li nr="a."><al>schoolkantine;</al></li><li nr="b."><al>bedrijfskantine of -restaurant, voor zover deze uitsluitend als
                                zodanig in gebruik is;</al></li><li nr="c."><al>horecabedrijven als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, onder b,
                                mits ze voldoen aan alle hieronder genoemde voorwaarden:</al></li><li nr="-"><al>het horecagedeelte bevat maximaal 9 zitplaatsen;</al></li><li nr="-"><al>het horecagedeelte is beperkt in omvang in verhouding tot de
                                oppervlakte van de totale winkel;</al></li><li nr="-"><al>in het horecagedeelte worden geen alcoholhoudende dranken
                                verstrekt;</al></li><li nr="-"><al>er zijn geen speelautomaten aanwezig;</al></li><li nr="-"><al>er worden hooguit op beperkte schaal eet- en drinkwaren verstrekt
                                die in relatie staan tot het assortiment van de winkel (uitgezonderd
                                grootwinkelbedrijven).</al></li><li nr="d."><al>horecabedrijven in musea, crematoria en rouwcentra, voor zover deze
                                worden gebruikt als ondersteuning van de bedrijfsvoering, mits ze
                                voldoen aan alle hieronder genoemde voorwaarden:</al></li><li nr="-"><al>het horecagedeelte bevat maximaal 9 zitplaatsen;</al></li><li nr="-"><al>het horecagedeelte is beperkt in omvang in verhouding tot de
                                oppervlakte van de totale inrichting;</al></li><li nr="-"><al>in het horecagedeelte worden geen alcoholhoudende dranken
                                verstrekt;</al></li><li nr="-"><al>er worden hooguit op beperkte schaal eet- en drinkwaren
                                verstrekt.</al><lijst><li nr="e."><al>horecabedrijven in bejaardentehuizen, ziekenhuizen en
                                        verpleegtehuizen, voor zover deze uitsluitend zijn gericht
                                        op de bewoners c.q. verzorgingsbehoeftigen/patiënten en hun
                                        bezoekers, mits wordt voldaan aan de volgende
                                        voorwaarden;</al><lijst><li nr="-"><al>het horecagedeelte bevat maximaal 12
                                                zitplaatsen;</al></li><li nr="-"><al>het horecagedeelte is beperkt in omvang in
                                                verhouding tot de oppervlakte van de totale
                                                inrichting;</al></li><li nr="-"><al>in het horecagedeelte worden geen alcoholhoudende
                                                dranken verstrekt;</al></li><li nr="-"><al>er worden hooguit op beperkte schaal eet- en
                                                drinkwaren verstrekt;</al></li><li nr="-"><al>er vinden geen paracommerciële activiteiten
                                                plaats.</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>horecabedrijven waar kleinschalige niet commerciële
                                        activiteiten plaatsvinden, zoals verenigingen of
                                        stichtingen, mits ze voldoen aan alle hieronder genoemde
                                        voorwaarden;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>de horeca-exploitatie is ondergeschikt aan de hoofddoelstelling en
                                activiteiten;</al></li><li nr="-"><al>er wordt geen levende muziek ten gehore gebracht;</al></li><li nr="-"><al>er worden geen alcoholhoudende dranken verkocht en geschonken;</al></li><li nr="-"><al>de ruimten worden niet gebruikt om feesten en partijen te
                                geven;</al></li><li nr="-"><al>er vindt geen zalenverhuur plaats;</al></li><li nr="-"><al>er zijn geen speelautomaten aanwezig;</al></li></lijst><al>Terrassen bij de in het eerste lid bedoelde horecabedrijven zijn niet van
                        vergunningplicht vrijgesteld.</al><al>2.Voor deze horecabedrijven kan worden volstaan met een schriftelijke
                        melding aan de burgemeester vóór aanvang van de exploitatie. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:28b Eisen exploitant en leidinggevende</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De exploitant en de leidinggevende van een horecabedrijf voldoen aan
                                de bij of krachtens artikel 8, eerste en tweede lid van de Drank- en
                                Horecawet aan leidinggevenden gestelde eisen.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren indien door de
                                exploitant niet of niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens
                                artikel 8, eerste en tweede lid van de Drank- en Horecawet aan
                                leidinggevenden gestelde eisen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:28c Beslistermijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester beslist binnen acht weken na de datum waarop hij de
                                aanvraag met bijbehorende gegevens en bescheiden heeft
                                ontvangen.</al></li><li nr="2."><al>De beslissing kan gemotiveerd en met redenen omkleed eenmaal voor
                                ten hoogste acht weken worden verdaagd.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:28d Weigerings- en intrekkingsgronden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid
                                van artikel 2:28 indien:</al></li><li nr="a."><al>de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is
                                met een geldend bestemmingsplan, exploitatieplan,
                                beheersverordening, voorbereidingsbesluit, de Wet Milieubeheer of
                                een horecagebiedsplan;</al></li><li nr="b."><al>niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2:28b, eerste lid
                                gestelde eisen.</al><lijst><li nr="2."><al>De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste
                                        lid van artikel 2:28 geheel of gedeeltelijk weigeren indien
                                        naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en
                                        leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de
                                        openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed
                                        door de aanwezigheid van het horecabedrijf.</al></li><li nr="3."><al>Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde
                                        weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>het karakter van de straat en van de wijk waarin de
                                                inrichting is gelegen of zal komen te liggen;</al></li><li nr="b."><al>de aard van de inrichting;</al></li><li nr="c."><al>de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds
                                                blootstaat of bloot zal komen te staan door de
                                                exploitatie van de inrichting;</al></li><li nr="d."><al>de wijze van bedrijfsvoering van de houder van de
                                                inrichting in deze of in andere inrichtingen.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor
                                        onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of
                                        wijzigen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien blijkt, dat de vergunning tengevolge van
                                                onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden is
                                                verleend;</al></li><li nr="b."><al>indien de exploitant of leidinggevende van het
                                                horecabedrijf de bepalingen in deze paragraaf, dan
                                                wel de voorschriften, behorende bij de vergunning,
                                                overtreedt;</al></li><li nr="c."><al>indien aannemelijk is, dat de exploitant of
                                                leidinggevende van het horecabedrijf betrokken is,
                                                of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij
                                                activiteiten in of vanuit de inrichting, die een
                                                gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een
                                                bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in
                                                de omgeving van de inrichting;</al></li><li nr="d."><al>indien de exploitant of leidinggevende strafbare
                                                feiten pleegt in het horecabedrijf, dan wel toestaat
                                                of gedoogt dat in zijn horecabedrijf strafbare
                                                feiten worden gepleegd;</al></li><li nr="e."><al>indien de exploitant of leidinggevende van de
                                                inrichting zich schuldig maakt aan discriminatie
                                                naar ras, geslacht of seksuele geaardheid;</al></li><li nr="f."><al>indien zich in of vanuit het horecabedrijf
                                                anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees
                                                wettigen, dat het geopend blijven van het
                                                horecabedrijf gevaar oplevert voor de openbare orde
                                                en/of een bedreiging vormt voor het woon- of
                                                leefklimaat in de omgeving van het
                                                horecabedrijf;</al></li><li nr="g."><al>indien de exploitatie van het horecabedrijf voor een
                                                periode van langer dan zes maanden is of wordt
                                                onderbroken, alsmede indien er sprake is van een
                                                gewijzigde exploitatie, of een wijziging in de
                                                exploitant waarvoor geen nieuwe vergunning is
                                                aangevraagd; </al></li><li nr="h."><al>indien op grond van verandering van de
                                                omstandigheden of inzichten, opgetreden na het
                                                verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen,
                                                dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter
                                                bescherming waarvan de vergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>indien de exploitant of leidinggevende niet langer
                                                voldoet aan de in artikel 2.28b, eerste lid gestelde
                                                eisen;</al></li><li nr="j."><al>indien het bij de exploitatie van het horecabedrijf
                                                behorende terras wordt gebruikt voor andere
                                                doeleinden;</al></li><li nr="k."><al>er aanwijzingen zijn dat in het horecabedrijf
                                                personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met
                                                het bij of krachtens de Wet arbeid Vreemdelingen of
                                                Vreemdelingenwet 2000 bepaalde. </al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="5."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 beslist de
                                burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die betrekking
                                heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voor
                                zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die
                                weg ten behoeve van het terras.</al></li><li nr="6."><al>Onverminderd het gestelde in het tweede en derde lid kan de
                                burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die
                                weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf horende
                                terrassen weigeren:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan
                                        wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor
                                        het doelmatig en veilig gebruik daarvan;</al></li><li nr="b."><al>indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het
                                        doelmatig beheer en onderhoud van de weg;</al></li><li nr="c."><al>indien dat gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies
                                        van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het
                                        uiterlijk aanzien.</al></li></lijst></li><li nr="7."><al>Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voor zover in het
                                daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                rijkswaterstaatwerken of het Provinciaal wegenreglement
                                Zuid-Holland.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:28e Opheffing vergunningplicht</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan bepalen dat het gestelde in artikel 2:28 niet
                                geldt voor een of meer in dat besluit aangeduide soorten
                                horecabedrijven in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin
                                aangewezen gedeelten van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De exploitatie van een horecabedrijf waarop een besluit als bedoeld
                                in het eerste lid van toepassing is, moet zodanig geschieden dat
                                daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het
                                horecabedrijf of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze
                                nadelig worden beïnvloed.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:29 Sluitingstijden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de exploitant of leidinggevende van een horecabedrijf als
                                bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, onder a, verboden dit voor
                                bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te
                                laten verblijven op zondag tot en met donderdag tussen 01.00 uur en
                                07.00 uur, en op vrijdag en zaterdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur.
                            </al></li><li nr="2."><al>Voor een bij een horecabedrijf behorend terras geldt een
                                sluitingstijd van 24.00 uur.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere
                                sluitingstijden als bedoeld in het eerste of tweede lid vaststellen
                                voor een afzonderlijk horecabedrijf tot uiterlijk 04.00 uur.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste en
                                derde lid genoemde sluitingstijden tot uiterlijk 04.00 en ten
                                behoeve van oudejaarsnacht (nacht van 31 december op 1 januari
                                volgend daarop) tot 05.00 uur ten behoeve van een incidentele
                                festiviteit als bedoeld in artikel 4:1, met een maximum van vijf
                                ontheffingen per jaar. De burgemeester kan de ontheffing weigeren
                                indien naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van
                                het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze door de
                                afwijking van de sluitingstijden nadelig wordt beïnvloed.</al></li><li nr="5."><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in
                                het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet
                                milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid,
                                zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere
                                omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer
                                horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29
                                geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting
                                bevelen.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de
                                Opiumwet.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:30a Gesloten verklaren van een horecabedrijf</vet></al><al>1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2:29 kan de burgemeester een
                        horecabedrijf – al dan niet voor een bepaalde duur – gesloten
                        verklaren:</al><lijst><li nr="a."><al>indien dit horecabedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige
                                vergunning;</al></li><li nr="b."><al>indien dit horecabedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de
                                vergunning verbonden voorschriften;</al></li><li nr="c."><al>indien de burgemeester oordeelt, dat een van de genoemde situaties
                                in artikel 2:28d, vierde lid zich voordoet waarin intrekking van de
                                vergunning mogelijk is.</al><lijst><li nr="2."><al>De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn
                                        gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de
                                        toegang of toegangen van het horecabedrijf is
                                        aangebracht.</al></li><li nr="3."><al>Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van
                                        belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven,
                                        wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden
                                        hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende
                                        garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden
                                        die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.</al></li></lijst></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</vet></al><al>1.Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de tijd dat dit
                        bedrijf krachtensartikel 2:29 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 of
                        2:30a genomen besluit geslotendient te zijn, zich daarin of aldaar te
                        bevinden.</al><al>2.Het is de exploitant of de leidinggevende van een horecabedrijf verboden
                        na het van kracht worden van de sluiting bedoeld in het eerste lid,
                        bezoekers tot het horecabedrijf toe te laten of daarin te laten verblijven. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:31a Glazen drinkgerei</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De exploitant en leidinggevende van een horecabedrijf als bedoeld in
                                artikel 2:27, zijn verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de
                                bezoekers van hun inrichting geen drinkgerei van glas of flessen van
                                glas buiten de inrichting brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het is de exploitant en leidinggevende van een horecabedrijf dat is
                                gelegen aan een door de burgemeester bij openbare kennisgeving
                                aangewezen openbare plaats, verboden drank in glas te verstrekken
                                gedurende een door de burgemeester in die openbare kennisgeving
                                aangegeven periode.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid
                                genoemde verbod.</al></li><li nr="4."><al>Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
                                ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Een ontheffing kan
                                al dan niet tijdelijk worden ingetrokken of gewijzigd.</al></li><li nr="5."><al>Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor restaurants.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:32 Handel in horecabedrijf</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De exploitant van een horecabedrijf laat niet toe dat een handelaar
                                of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp
                                verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor openbare
                                verkopingen en veilingen.</al></li><li nr="3."><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>horecabedrijf: het bedrijf als bedoeld in artikel 2:27, eerste en
                                tweede lid;</al></li></lijst><al>b. handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene
                        maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek
                        van Strafrecht. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:33 Ordeverstoring</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.</al></li><li nr="2."><al>Degene die naar het oordeel van een ambtenaar van politie of de
                                exploitant van de openbare inrichting handelt in strijd met het
                                bepaalde in het eerste lid is verplicht die openbare inrichting op
                                bevel van die ambtenaar c.q. op aanzegging van die exploitant
                                terstond te verlaten.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>Indien een horecabedr<vet>i</vet>jf als bedoeld in artikel 2:27 geen
                        inrichting is in de zin van artikel 174van de Gemeentewet, treedt niet de
                        burgemeester, maar het college op als bevoegdbestuursorgaan ten behoeve van
                        de artikelen 2:28 tot en met 2:30a.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:34a Geldigheidsduur vergunning</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een door de burgemeester verleende vergunning als bedoeld in artikel
                                2:28, eerste lid, heeft een geldigheidsduur van onbepaalde
                                tijd.</al></li><li nr="2."><al>Bij het van kracht worden van een nieuwe exploitatievergunning
                                vervalt de oude vergunning van rechtswege.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het woon-
                                en leefklimaat voor bepaalde categorieën van horecabedrijven een
                                andere geldigheidsduur vaststellen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:34b Beëindiging van de exploitatie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De exploitatievergunning vervalt</al><lijst><li nr="a."><al>Zodra de exploitant(en) de exploitatie van de openbare
                                        inrichting heeft/hebben beëindigd;</al></li><li nr="b."><al>Indien de openbare inrichting om andere redenen dan een
                                        bestuurlijke sanctie als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid,
                                        onder a van de Algemene wet bestuursrecht gedurende zes
                                        aaneengesloten maanden niet wordt geëxploiteerd;</al></li><li nr="c."><al>Bij beëindiging van de onderneming.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Uiterlijk binnen één week na beëindiging van de exploitatie door de
                                exploitant(en) geeft/geven deze daarvan schriftelijk kennis aan de
                                burgemeester. </al></li></lijst><al></al><al><onderstreept>Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                            nachtverblijf</onderstreept></al><al><vet>Artikel 2:35 Begripsbepalingen</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder;</al><lijst><li nr="1."><al><cursief>inrichting</cursief>: elke al of niet besloten ruimte dan
                                wel stand of ligplaats waar, in de uitoefening van beroep of
                                bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of
                                gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.</al></li><li nr="2."><al><cursief>houder</cursief>: degene die een inrichting exploiteert,
                                dan wel daarin de feitelijke leiding heeft.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie</vet></al><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van
                        een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan
                        schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:37 Nachtregister</vet></al><al>De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in
                        artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister</vet></al><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is
                        verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar
                        waarheid zijn of haar naam, adres, woonplaats, geboortedatum,
                        geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te
                        verstrekken.</al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden</onderstreept></al><al>(Niet van toepassing)</al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en
                            baldadigheid</onderstreept></al><al><vet>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten
                                woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die
                                woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten woning,
                                een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of
                                dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij
                                dat lokaal behorend erf te betreden.</al></li><li nr="3."><al>Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de
                                woning of het lokaal wegens dringende redenen noodzakelijk is.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester is bevoegd van het in het eerste lid en tweede lid
                                bedoelde verboden ontheffing te verlenen.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:42 Plakken en kladden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden de openbare plaats of dat gedeelte van een
                                onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te
                                bekladden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                rechthebbende op de openbare plaats of op dat gedeelte van een
                                onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:</al></li><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan
                                te plakken of op andere wijze aan te brengen of te doen
                                aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding,
                                letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien
                                gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en bekendmakingen.</al></li><li nr="5."><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben
                                op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.</al></li><li nr="7."><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens
                                eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:42a Graffiti</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:42, tweede lid, is de
                                rechthebbende op (een gedeelte van) een onroerende zaak dat vanaf de
                                weg zichtbaar is, verplicht om binnen zeven werkbare werkdagen na
                                het aanbrengen van graffiti, de graffiti te (laten) verwijderen of
                                anderszins aan het oog te onttrekken.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op een openbare plaats of
                                openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig
                                aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of
                                verfgereedschap.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing, indien
                                de in dat lid bedoelde materialen of gereedschappen niet zijn
                                gebezigd of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in
                                artikel 2:42.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                vervoeren of bij zich te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde gereedschappen,
                                voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                de in het eerste lid bedoelde handelingen.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke</vet></al><al>(Vervallen)</al><al></al><al><vet>Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door,
                                dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of
                                een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing:</al></li><li nr="a."><al>op wegen, zoals bedoeld in artikel 1.1 onder m;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van
                                werkzaamheden door of vanwege de overheid;</al></li><li nr="c."><al>op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op
                                terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
                                verlenen. </al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op of aan een openbare plaats</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al></li><li nr="a."><al>op of aan een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een
                                beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
                                toiletgelegenheid, voertuig, hekheining, of andere afsluiting,
                                verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>op of aan een openbare plaats, openbaar water of andere voor publiek
                                toegankelijke plaatsen, door hinderlijk of baldadig gedrag onnodig
                                overlast of hinder voor omstanders, andere weggebruikers of bewoners
                                van nabij de openbare plaats gelegen woningen te veroorzaken of zich
                                zodanig op te houden dat onnodig overlast of hinder veroorzaakt
                                wordt;</al></li><li nr="c."><al>zich zonder redelijk doel op een schoolplein of speelplek op te
                                houden, zich onnodig hinderlijk te gedragen of goederen te
                                beschadigen.</al></li><li nr="2."><al>Het in eerste lid verbod geldt niet voor zover artikel 424, 426bis
                                of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de
                                Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:47a Hinderlijk voetballen en dergelijke</vet></al><al>Het is verboden ’s avonds na 22.00 uur deel te nemen aan een sport- of
                        balspel, dat gehouden wordt op een door het college aangewezen locatie. </al><al></al><al><vet>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op of aan een openbare plaats alcoholhoudende drank
                                te gebruiken indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare
                                orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins
                                overlast veroorzaken.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van de
                                navolgende gebieden, alcoholhoudende drank te nuttigen of
                                aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank
                                bij zich te hebben:</al><lijst><li nr="a."><al>elk gebied binnen een straal van 100 meter rond een station,
                                        bushalte of een taxistandplaats; </al></li><li nr="b."><al>winkelcentra, parkeergarages en overkappingen, alsmede het
                                        gebied dat om een dergelijk object is gelegen, te weten het
                                        gebied binnen een afstand van 100 meter van de buitenste
                                        grenzen van dat object;</al></li><li nr="c."><al>onder bruggen, viaducten en in tunnels, alsmede het gebied
                                        binnen een straal van 100 meter van de buitenste grenzen van
                                        dat object;</al></li><li nr="d."><al>andere door het college aangewezen gebieden. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het is verboden alcoholhoudende drank te nuttigen of al dan niet
                                aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank
                                bij zich te hebben op schoolpleinen, kinderspeelplaatsen,
                                speelvelden, delen van een openbare plaats waarop
                                kinderstraatmeubilair is geplaatst, zandbakken, trapvelden en
                                hangplekken, alsmede het gebied binnen een afstand van 100 meter van
                                de buitenste grenzen van deze plaatsen en objecten. </al></li><li nr="4."><al>Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor:</al></li><li nr="a."><al>een terras dat deel uit maakt van een inrichting, als bedoeld in
                                artikel 1 van de Drank- en Horecawet; </al></li><li nr="b."><al>de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a, waarvoor
                                een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en
                                Horecawet.</al></li><li nr="5."><al>De burgemeester kan in een vergunning als bedoeld in artikel 2:25,
                                lid 1, onder door hem te stellen voorwaarden ontheffing verlenen van
                                het in het eerste of in het tweede lid gestelde verbod. </al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:48a Hinderlijk drankgebruik op schoolpleinen en dergelijke
                        </vet></al><al>Vervallen (opgenomen in artikel 2:48)</al><al></al><al><vet>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al></li><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;</al></li><li nr="b."><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel
                                van een gebouw te zitten of te liggen;</al></li><li nr="c."><al>een gebouw te beklimmen en zich op het dak te begeven.</al></li><li nr="2."><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder
                                redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik
                                bestemde ruimte van een zodanig gebouw.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                            ruimten</vet></al><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke
                        wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan
                        wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor
                        deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen:
                        portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer,
                        parkeergarages en rijwielstallingen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:51 Hinderlijk neerzetten van fietsen en dergelijke</vet></al><al>1.Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te
                        plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de
                        gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                gebruiker van dat gebouw of dat portiek;</al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden op of aan een openbare plaats een fiets of een
                                bromfiets, dan wel een winkelwagentje of een ander voorwerp te
                                plaatsen, indien de openbare plaats een galerij, portiek, hal,
                                trappenhuis of keldergang van een woongebouw is. </al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein
                            en dergelijke</vet></al><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en
                        plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college
                        of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering,
                        bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit
                        verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:53 Bespieden en heimelijk fotograferen /filmen van
                            personen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw,
                                woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze
                                persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit
                                woonschip bevindt , te bespieden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander
                                optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of
                                woonschip bevindt te bespieden.</al></li><li nr="3."><al>Het is verboden op of aan de openbare weg dan wel in een voor
                                publiek toegankelijke ruimte een persoon heimelijk te filmen of
                                heimelijk te fotograferen door middel van een technisch hulpmiddel
                                wanneer dit een aantasting van de eerbaarheid of een inbreuk op de
                                persoonlijke levenssfeer oplevert. </al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur</vet></al><al>Het is verboden om zonder toestemming bewakingsapparatuur te gebruiken
                        indien daarmee personen kunnen worden gadegeslagen in een aan een ander
                        toebehorend gebouw, vaartuig of besloten erf.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:55 Nodeloos alarm</vet></al><al>(Vervallen)</al><al></al><al><vet>Artikel 2:56 Alarminstallaties</vet></al><al>(Vervallen)</al><al></al><al><vet>Artikel 2:57 <vet>Loslopende honden</vet></vet></al><lijst><li nr="1."><al>In de navolgende artikelen 2:57, 2:58 en 2:59 wordt onder eigenaar
                                van een hond begrepen: de eigenaar, de houder, de verzorger van een
                                hond of degene die de hond feitelijk onder zijn hoede heeft. </al></li><li nr="2."><al> Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                laten verblijven of te laten</al><al>lopen:</al><lijst><li nr="a."><al> binnen de bebouwde kom op of aan de weg zonder dat die hond
                                        aangelijnd is;</al></li><li nr="b."><al> op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                        zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide
                                        of op een andere door het college aangewezen plaats;</al></li><li nr="c."><al> op of aan de weg zonder voorzien te zijn van een halsband
                                        of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder
                                        duidelijk doet kennen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al> Het verbod in het tweede lid, onder a en onder b, is niet van
                                toepassing op door het college aangewezen plaatsen. </al></li><li nr="4."><al> De verboden genoemd in het tweede lid onder a en b gelden niet voor
                                zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap
                                door een hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van
                                een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                geleidehond.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:58 Overlast/verontreiniging door honden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat
                                binnen de bebouwde kom die hond zich niet van uitwerpselen
                                ontdoet:</al><lijst><li nr="a."><al> op een openbare plaats;</al></li><li nr="b."><al> op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                        zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of
                                        speelweide;</al></li><li nr="c."><al> op een andere door het college aangewezen plaats.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al> Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                college aangewezen plaatsen. </al></li><li nr="3."><al> De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid,
                                onder a en onder c, gestelde gebod wordt opgeheven indien de
                                eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de
                                uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.</al></li><li nr="4."><al> Onverminderd het bepaalde in lid 1 en lid 3 is een ieder die zich
                                met een hond op de onder lid 1 a en c genoemde gebieden bevindt,
                                verplicht een schepje of ander doeltreffend hulpmiddel ter
                                onmiddellijke verwijdering van eventuele hondenuitwerpselen bij zich
                                te hebben. De eigenaar of houder van een hond is verplicht dit
                                hulpmiddel op de eerste vordering te tonen aan de met toezicht
                                belaste ambtenaar.</al></li><li nr="5."><al> Onder een doeltreffend hulpmiddel ter bestrijding verontreiniging
                                door honden wordt verstaan: Een ‘doeltreffend hulpmiddel’ wordt als
                                doeltreffend beoordeeld als daarmee alle uitwerpselen van een hond
                                onmiddellijk kunnen worden verwijderd.</al></li><li nr="6."><al> De eigenaar van een hond dient ervoor te waken dat dit dier door
                                aanhoudend geblaf of gejank hinderlijk is voor de omgeving of de
                                nachtrust verstoord.</al><al></al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien het college een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of
                                hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een
                                aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover
                                die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein
                                van een ander.</al></li><li nr="2."><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de
                                hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van
                                hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. </al></li><li nr="3."><al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de
                                hond voorzien te houden van een muilkorf die:</al></li><li nr="a."><al>vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide
                                stoffen;</al></li><li nr="b."><al>door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is
                                aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet
                                mogelijk is, en </al></li><li nr="c."><al>zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten
                                ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat
                                geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:58 lid 10, dient een hond als
                                bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde
                                minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel
                                van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. </al></li><li nr="5."><al>De eigenaar of houder van een hond zorgt ervoor dat de hond niet
                                hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust verstoort door
                                aanhoudend geblaf of gejank. </al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Degene die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor
                                een omwonende of overigens voor de omgeving hinder veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>Het in het lid 1 bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:61 Voeren van vogels</vet></al><al>Het is verboden kauwen, (stads)duiven of andere overlastveroorzakende vogels
                        te voeren of gelegenheid te bieden deze te voeren op een openbare
                        plaats.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:62 Loslopend vee</vet></al><al>(Vervallen)</al><al></al><al><vet>Artikel 2:63 Schade duiven</vet></al><al>(Vervallen)</al><al></al><al><vet>Artikel 2:64 Bijen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al></al><al><vet>Artikel 2:65 Bedelarij</vet></al><al>(Vervallen)</al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van
                            goederen</onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 2:66 Begripsbepalingen</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>Handelaar:</cursief> de handelaar als bedoeld in artikel 1
                                van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437,
                                eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="b."><al><cursief>Verkoopregister:</cursief> het aantekening houden van het
                                verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en
                                ongeregelde goederen door de handelaar.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het
                            verkoopregister</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte
                                of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze
                                overdraagt, in een doorlopend en een door de burgemeester
                                gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:</al></li><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;</al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat
                                mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;</al></li><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het
                                goed;</al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze
                                verplichting.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, eerste lid,
                            van het Wetboek van Strafrecht</vet></al><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 ter, tweede
                                lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze
                                aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van
                                het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens
                                schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig
                                adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming
                                in gebruik genomen;</al></li><li nr="b."><al>de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn
                                register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen,
                                schriftelijk in kennis te stellen van een verandering van zijn
                                woonadres, zomede van het adres of de adressen van een bij hem ten
                                behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is
                                gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de
                                onderneming duidelijk zichtbaar voorkomt;</al></li><li nr="d."><al>indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan
                                redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is
                                of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld
                                kennis te geven aan de onder a. bedoelde functionaris;</al></li><li nr="e."><al>zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de
                                burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen
                                ambtenaar;</al></li><li nr="f."><al>wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of gewoonte
                                te maken, onderscheidenlijk het beroep van handelaar niet langer
                                uitoefent, de onder a bedoelde functionaris hiervan onverwijld doch
                                in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                                stellen.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</vet></al><al>Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door
                        opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn
                        berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij
                        deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijf</vet></al><al>Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (artikel 2:32)</al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 13. Vuurwerk</onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 2:71 Begripsbepaling</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                        Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe
                        regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk
                        (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                            verkoopdagen</vet></al><al>Het is verboden in de uitoefening van een (te vestigen) bedrijf of
                        nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het
                        ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het
                        college.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                            jaarwisseling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het
                                college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of
                                overlast aangewezen plaats.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan een openbare plaats of
                                op een voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks
                                gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.</al></li><li nr="3."><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor
                                zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel
                                429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:73a Carbidschieten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden carbid te schieten in de open lucht.</al></li><li nr="2."><al>Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een
                                (melk)bus/container/opslagvat/gasfles op explosieve wijze verbranden
                                van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide
                                (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare
                                eigenschappen.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid
                                gestelde verbod in de periode van 31 december 10.00 uur en 1 januari
                                02.00 uur. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
                            </al></li></lijst><al></al><al><onderstreept>Afdeling 14. Drugsoverlast</onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 2:74 Drugshandel op een openbare plaats </vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op een openbare
                        plaats binnen of buiten de bebouwde kom post te vatten of zich daar heen en
                        weer te bewegen, alsmede zich op of aan openbare wegen binnen en buiten de
                        bebouwde kom in een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te
                        rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 of
                        3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af
                        te leveren, aan te bieden of aan te nemen of daarbij behulpzaam te zijn of
                        daarin te bemiddelen.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:74a Verzamelingen van personen in verband met
                        drugs</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op of aan een openbare plaats, die door de
                                burgemeester zijn aangewezen indien de openbare orde dat in verband
                                met het openlijk gebruik van en/of de handel in middelen als bedoeld
                                in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, naar zijn oordeel
                                noodzakelijk maakt, aan een verzameling van meer dan vier personen
                                deel te nemen.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet als de verzameling
                                personen geen verband houdt met het openlijk gebruik van en/of de
                                handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de
                                Opiumwet.</al></li><li nr="3."><al>Een ieder, die zich bevindt in een verzameling van personen als in
                                het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend bevel
                                van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de
                                door deze aangewezen richting te verwijderen.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 2:74b Openlijk druggebruik</vet></al><al>Het is verboden, op of aan een openbare plaats of in een voor publiek
                        toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de
                        Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te
                        verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen
                        voorhanden te hebben.</al><al></al><al><vet>Artikel 2:74c Weggooien van spuiten en dergelijke</vet></al><al>Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden,
                        reservoirs, zuigers en dergelijke of daarop gelijkende voorwerpen op een
                        openbare plaats dan wel in afvalbakken achter te laten met het kennelijke
                        doel om afstand van het voorwerp te doen.</al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden
                            en cameratoezicht op openbare plaatsen</onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</vet></al><al>(vervallen)</al><al></al><al><vet>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</vet></al><al>(Vervallen opgenomen in artikel 2:1c)</al><al></al><al><vet>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet
                                besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur
                                ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid
                                eveneens ten aanzien van andere voor eenieder toegankelijke
                                plaatsen, te weten parkeerterreinen, winkelcentra.</al></li></lijst><al></al><al>HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE e.d.</al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 1. Begripsbepalingen en andere
                        regels</onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 3:1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al><cursief>prostitutie: </cursief>het zich beschikbaar stellen
                                        tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander
                                        tegen vergoeding;</al></li><li nr="b."><al><cursief>prostituee: </cursief>degene die zich beschikbaar
                                        stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een
                                        ander tegen vergoeding;</al></li><li nr="c."><al><cursief>seksinrichting: </cursief>de voor het publiek
                                        toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in
                                        een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen
                                        worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische
                                        aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk
                                        geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal,
                                        sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf
                                        waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan
                                        niet in combinatie met elkaar;</al></li><li nr="d."><al><cursief>escortbedrijf: </cursief>de natuurlijke persoon,
                                        groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in
                                        een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt
                                        die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt
                                        uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al><cursief>sekswinkel: </cursief>de voor het publiek
                                        toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen
                                        van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
                                        worden verkocht of verhuurd;</al></li><li nr="f."><al><cursief>exploitant: </cursief>de natuurlijke persoon of
                                        personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een
                                        seksinrichting of escortbedrijf exploiteert dan wel
                                        exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die
                                        rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon
                                        of personen;</al></li><li nr="g."><al><cursief>leidinggevende: </cursief>de natuurlijke persoon of
                                        personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent
                                        dan wel uitoefenen in een seksinrichting of
                                        escortbedrijf;</al></li><li nr="h."><al><cursief>bezoeker</cursief>: degene die aanwezig is in een ,
                                        seksinrichting met uitzondering van: </al></li></lijst></li><li nr="-"><al>de exploitant; </al></li><li nr="-"><al>de leidinggevende; </al></li><li nr="-"><al>de prostituee;</al></li><li nr="-"><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al></li><li nr="-"><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6:2 van
                                deze verordening;</al></li><li nr="-"><al>andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens
                                dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder <cursief>bevoegd bestuursorgaan:
                        </cursief>het college of, voor zover het</al><al>betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als
                        bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:3 Nadere regels</vet></al><al>Met het oog op de in artikel 3.13 genoemde belangen, kan het college over de
                        uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. </al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 2. Seksinrichtingen en
                        escortbedrijven</onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 3:4 Seksinrichtingen </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren
                                of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder
                                geval vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de leidinggevende; en</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De vergunning dient in de seksinrichting of het escortbedrijf
                                aanwezig te zijn. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en leidinggevende</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De exploitant en de leidinggevende:</al><lijst><li nr="a."><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                        ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al></li><li nr="c."><al>hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de
                                leidinggevende niet:</al><lijst><li nr="a."><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
                                        Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met
                                        toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht
                                        ter beschikking gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot
                                        een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer
                                        door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of
                                        Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf
                                        waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige
                                        hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek
                                        van Strafvordering is toegelaten; </al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                        uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een
                                        onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een
                                        andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                        onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede
                                        wegens overtreding van: </al><lijst><li nr="1."><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en
                                                Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de
                                                Wet arbeid vreemdelingen;</al></li><li nr="2."><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242
                                                tot en met 249, 250a (oud), 252, 273a, 300 tot en
                                                met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van
                                                het Wetboek van Strafrecht; </al></li><li nr="3."><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6
                                                juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de
                                                Wegenverkeerswet 1994; </al></li><li nr="4."><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b
                                                van de Wet op de kansspelen; </al></li><li nr="5."><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;
                                            </al></li><li nr="6."><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en
                                                munitie.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="3."><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                gesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel
                                        74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of
                                        artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake
                                        rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375
                                        bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                        straf.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                        datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                        datum van de intrekking van deze vergunning.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>De exploitant of de leidinggevende is binnen de laatste vijf jaar
                                geen exploitant of leidinggevende geweest van een seksinrichting of
                                escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat
                                hem ter zake geen verwijt treft.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 3:6 Sluitingstijden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben
                                en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven:</al><lijst><li nr="a."><al>op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 en 07.00
                                        uur;</al></li><li nr="b."><al>op zaterdag en zondag tussen 02.00 en 07.00 uur.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld
                                in artikel 1:4 en artikel 3:3 voor een afzonderlijke seksinrichting
                                andere sluitingstijden vaststellen.</al></li><li nr="3."><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te
                                bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het
                                eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid,
                                gesloten dient te zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voor
                                zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op
                                de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                            sluiting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen of
                                in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het
                                bevoegd bestuursorgaan:</al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of
                                        tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk
                                        de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet
                                bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste
                                lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42
                                Algemene wet bestuursrecht.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegde bestuursorgaan kan een seksinrichting of escortbedrijf
                                tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de seksinrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige
                                        vergunning; </al></li><li nr="b."><al>de seksinrichting wordt geëxploiteerd in strijd met aan de
                                        vergunning verbonden voorschriften; </al></li><li nr="c."><al>een van de in artikel 3:13 en 3:13 a genoemde situaties zich
                                        voordoet.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Het bevoegde bestuursorgaan maakt de sluiting bekend door het
                                aanbrengen van een afschrift van het bevel op of nabij de toegang of
                                toegangen van de seksinrichting of escortbedrijf. De sluiting treedt
                                in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht. </al></li><li nr="5."><al>Een ieder is verplicht toe te laten dat in het vierde lid bedoelde
                                afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de
                                sluiting van kracht is. </al></li><li nr="6."><al>Het is de exploitant of beheerder van een seksinrichting of
                                escortbedrijf verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten
                                verblijven zolang de sluiting van kracht is. </al></li><li nr="7."><al>Het is een ieder verboden een overeenkomstig het derde lid gesloten
                                seksinrichting of escortbedrijf te bezoeken of als bezoeker daarin
                                te verblijven. </al></li><li nr="8."><al>Een sluiting voor onbepaalde tijd kan op aanvraag van
                                belanghebbende(n) door het bevoegde bestuursorgaan worden opgeheven,
                                wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe
                                aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig
                                zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot sluiting hebben
                                geleid, zal plaatsvinden. </al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                            leidinggevende</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben,
                                zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde
                                exploitant of leidinggevende in de seksinrichting aanwezig is.</al></li><li nr="2."><al>De exploitant en de leidinggevende zien er voortdurend op toe dat in
                                de seksinrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval
                                        de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de
                                        zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid),
                                        XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het
                                        Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet
                                        en in de Wet wapens en munitie; en</al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd
                                        met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                        Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 3:9 Beslistermijn</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, binnen acht weken na
                                de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste acht
                                weken verdagen.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 3:10 Weigeringsgronden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de exploitant of de leidinggevende niet voldoet aan de in
                                        artikel 3:5 gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                        escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                        stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;</al></li><li nr="c."><al>de exploitant of beheerder is ontzet uit de ouderlijke macht
                                        of de voogdij; </al></li><li nr="d."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                        escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in
                                        strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of
                                        met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                        Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in artikel
                                3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in
                                artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en
                                        leefklimaat;</al></li><li nr="d."><al>de veiligheid van personen of goederen;</al></li><li nr="e."><al>de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></li><li nr="f."><al>de gezondheid of zedelijkheid;</al></li><li nr="g."><al>de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></li></lijst></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 3:10a Intrekkingsgronden</vet></al><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde
                        tijd, gedeeltelijkof geheel intrekken, indien:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning op grond van onjuiste of
                                        onvolledige gegevens en bescheiden is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de ingevolge artikel 3:4, tweede lid onder a. in de
                                        vergunning vermelde exploitant niet feitelijk de exploitatie
                                        voert;</al></li><li nr="c."><al>de exploitant of leidinggevende de bepalingen in afdeling 2,
                                        de nadere regels als bedoeld in artikel 3:3, dan wel de
                                        voorschriften, behorende bij de vergunning, overtreedt;</al></li><li nr="d."><al>de exploitant of beheerder is ontzet uit de ouderlijke macht
                                        of de voogdij; </al></li><li nr="e."><al>in de seksinrichting een minderjarige prostitué(e) wordt
                                        aangetroffen;</al></li><li nr="f."><al>in de seksinrichting een prostitué(e) zonder een voor het
                                        verrichten van arbeid geldige verblijfstitel wordt
                                        aangetroffen;</al></li><li nr="g."><al>een seksinrichting of escortbedrijf werkzaamheden laat
                                        verrichten door een minderjarige prostitué(e) of een
                                        prostitué(e) zonder een voor het verrichten van arbeid
                                        geldige verblijfstitel;</al></li><li nr="h."><al>er door de exploitant of leidinggevende onvoldoende
                                        maatregelen zijn getroffen in het belang van de veiligheid,
                                        de hygiëne en de bescherming van de gezondheid van de in de
                                        seksinrichting werkzame personen, alsmede ter bescherming
                                        van de volksgezondheid;</al></li><li nr="i."><al>aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende betrokken
                                        is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij
                                        activiteiten in of vanuit de seksinrichting, die een gevaar
                                        opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen
                                        voor het woon- of leefklimaat;</al></li><li nr="j."><al>de exploitant of leidinggevende strafbare feiten pleegt in
                                        de inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in de
                                        inrichting strafbare feiten worden gepleegd;</al></li><li nr="k."><al>naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het
                                        woon-of leefklimaat in de omgeving van de seksinrichting of
                                        escortbedrijf nadelig wordt beïnvloed;</al></li><li nr="l."><al>op grond van verandering van omstandigheden of inzichten,
                                        opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden
                                        aangenomen, dat intrekking wordt gevorderd door de belangen
                                        ter bescherming waarvan de vergunning is vereist; </al></li><li nr="m."><al>de exploitant of leidinggevende niet voldoet aan de in
                                        artikel 3:5 gestelde eisen.</al></li><li nr="n."><al>Dit in het belang is van: </al></li></lijst></li><li nr="-"><al>de veiligheid van personen of goederen;</al></li><li nr="-"><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="-"><al>de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></li><li nr="-"><al>de gezondheid of zedelijkheid;</al></li><li nr="-"><al>de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 3:10b Geldigheidsduur vergunning</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een door het bevoegd bestuursorgaan verleende vergunning als bedoeld
                                in artikel 3:4, eerste lid, heeft een geldigheidsduur van vijf
                                jaren.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde en
                                het woon- en leefklimaat voor bepaalde categorieën van
                                seksinrichtingen een andere geldigheidsduur vaststellen.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 3:11 Beëindiging exploitatie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de
                                vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting
                                of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie,
                                geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 3:12 Wijziging beheer</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een leidinggevende het beheer in de seksinrichting of het
                                escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan
                                binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer
                                schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe leidinggevende,
                                indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant
                                heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging
                                in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:10, eerste lid,
                                aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="3."><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                beheer worden uitgeoefend door een nieuwe leidinggevende vanaf het
                                moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede
                                lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 3:13 Overgangsbepaling</vet></al><al>Bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel
                        3:4, eerste lid van een bestaande seksinrichting, is het bepaalde in artikel
                        3;10 eerste lid onder b niet van toepassing. </al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 3. Straatprostitutie en
                        Sekswinkels</onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 3:14 Straatprostitutie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op
                                andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen
                                dan wel aan te lokken:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan andere door het college aangewezen wegen of
                                        gebieden;</al></li><li nr="b."><al>gedurende andere dan door het college vastgestelde
                                        tijden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde
                                verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich
                                onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.</al></li><li nr="3."><al>Met het oog op de in artikel 3:10, tweede lid, genoemde belangen kan
                                door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en
                                gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden
                                gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te
                                verwijderen.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:10, tweede lid,
                                genoemde belangen personen aan wie tenminste eenmaal een bevel is
                                gegeven als bedoeld in het derde lid, bij besluit verbieden zich
                                gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel
                                van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld
                                in het eerste lid.</al></li><li nr="5."><al>De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien
                                dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene
                                noodzakelijk is. </al></li><li nr="6."><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 3:15 Sekswinkels</vet></al><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                        sekswinkel te exploiterenin door het college in het belang van de openbare
                        orde of de woon- en leefomgevingaangewezen gebieden of delen van de
                        gemeente.</al><al></al><al><vet>Artikel 3:16 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                            erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of
                                daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven
                                stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard
                                openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                        bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                        aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en
                                        leefomgeving in gevaar brengt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan
                                        in het belang van de openbare orde of de woon- en
                                        leefomgeving gestelde regels.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het
                                tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften,
                                aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen,
                                die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld
                                in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al><al></al></li></lijst><al><vet>HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR
                            HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</vet></al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting</onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 4:1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>Besluit</cursief>: het Besluit algemene regels voor
                                inrichtingen milieubeheer; </al></li><li nr="b."><al><cursief>inrichting</cursief>: type A of type B als bedoeld in het
                                Besluit ;</al></li><li nr="c."><al><cursief>houder van een inrichting:</cursief> degene die als
                                eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                drijft;</al></li><li nr="d."><al><cursief>collectieve festiviteit:</cursief> festiviteit die niet
                                specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden
                                ;</al></li><li nr="e."><al><cursief>incidentele festiviteit:</cursief> festiviteit of
                                activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal
                                inrichtingen;</al></li><li nr="f."><al>geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van
                                artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende
                                bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="g."><al>geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van
                                de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen
                                met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende
                                inrichting;</al></li><li nr="h."><al>onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor
                                door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
                            </al></li><li nr="2."><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van
                                sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113,
                                eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per
                                kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de
                                daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. </al></li><li nr="3."><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan
                                het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer
                                delen van de gemeente.</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin
                                van een nieuw kalenderjaar bekend. </al></li><li nr="5."><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs
                                niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve
                                festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.</al></li><li nr="6."><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren
                                gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of
                                goederen.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal vijf incidentele
                                festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen
                                als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en
                                artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn mits de
                                houder van de inrichting tenminste 10 werkdagen voor de aanvang van
                                de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal vijf
                                incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan
                                te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113
                                eerste lid van het Besluit niet van toepassing is mits de houder van
                                de inrichting tenminste 10 werkdagen voor de aanvang van de
                                festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van de
                                kennisgeving.</al></li><li nr="4."><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier,
                                volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de
                                plaats op dat formulier vermeld. </al></li><li nr="5."><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het
                                college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele
                                festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond
                                toestaat.</al></li><li nr="6."><al>Indien binnen 4 werkdagen na ontvangst van de kennisgeving door het
                                college geen tegenbericht is verzonden kan de festiviteit zoals
                                gemeld plaatsvinden.</al></li><li nr="7."><al>Tijdens festiviteiten als bedoeld in het eerste lid wordt het ten
                                gehore brengen van muziek: - uiterlijk om 24:00 uur beëindigd,
                                indien de festiviteit zondag, maandag, dinsdag, woensdag of
                                donderdag plaatsvindt; </al></li><li nr="-"><al>uiterlijk om 02:00 uur beëindigd, indien de festiviteit op vrijdag
                                of zaterdag plaatsvindt.</al></li><li nr="8."><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren
                                gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of
                                goederen.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten</vet></al><al>Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten,
                        feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het
                        organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft wanneer naar zijn
                        oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de
                        openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed.</al><al><vet>Artikel 4:4a Geluidsplafond</vet></al><al></al><al>Het college kan nadere regels stellen ter voorkoming of beperking van
                        geluidhinder bij collectieve of incidentele festiviteiten. </al><al></al><al><vet>Artikel 4:5 Onversterkte muziek</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in
                                artikel 2.18, eerste lid onder f en 5<sup>e</sup> van het Besluit
                                binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing
                                met dien verstande dat:</al></li><li nr="a."><al>de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige
                                gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen
                                geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen
                                uitvoeren van geluidsmetingen;</al></li><li nr="b."><al>de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij
                                gevoelige terreinen op de grens van het terrein;</al></li><li nr="c."><al>de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het
                                woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en
                                verblijfsruimten;</al></li><li nr="d."><al>bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen
                                bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast;</al></li><li nr="e."><al>Tabel</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="35*"></colspec><colspec colname="col2" colwidth="21*"></colspec><colspec colname="col3" colwidth="23*"></colspec><colspec colname="col4" colwidth="21*"></colspec><tbody><row><entry colname="col1"><al></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>7.00 – 19.00 uur</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>19.00 – 23.00 uur</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>23.00 – 7.00 uur</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>45 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>35 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>30 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>25 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>70 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>65 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>55 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>45 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table></li><li nr="2."><al>Voor de duur van 8 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege
                                het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en
                                fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en
                                avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het
                                eerste lid. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met
                                onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als
                                versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.</al></li><li nr="3."><al>Het eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3 van deze
                                verordening van toepassing is.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 4:6 Overige geluidhinder</vet></al><al>1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of
                        van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in
                        werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of
                        voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.</al><al>2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al><al>3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door
                        de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het
                        Vuurwerkbesluit of de Provinciale Milieuverordening.</al><al>Artikel 4:6a Geluidhinder door handelingen t.b.v. bouwwerkzaamheden.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden handelingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden c.q.
                                bouwactiviteiten te verrichten of te laten verrichten op het
                                bouwterrein na 19.00 uur en vóór 07.00 uur.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing
                                verlenen.</al></li></lijst><al>3.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                        voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet of de Provinciale
                        Milieuverordening. </al><al></al><al><vet>Artikel 4:6b Geluidhinder door bromfietsen en dergelijke</vet></al><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer zich
                        met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor
                        voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.</al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 2. Bodem-, weg- en
                            milieuverontreiniging</onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 4:7 Straatvegen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al></al><al><vet>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen</vet></al><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                        natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare
                            riolen en putten buiten gebouwen </vet></al><al>Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen
                        mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de
                        veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de
                        gebouwen of voor anderen. </al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden</onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 4:10 Begripsbepalingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>boom: een houtachtig, overblijvend gewas, dat:</al></li><li nr="-"><al>één of meerstammig kan zijn, waarbij ingeval van meerstammigheid de
                                stammen zich bovengronds vertakken;</al></li><li nr="-"><al>een dwarsdoorsnede van de stam, of bij meerstammigheid de
                                dwarsdoorsnede van de dikste stam, van minimaal 10 centimeter,
                                gemeten op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld.</al></li><li nr="b."><al>houtopstand: één of meer bomen en/of knotbomen, hakhout of een
                                houtwal;</al></li><li nr="c."><al>hakhout: een of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld,
                                opnieuw op de stronk uitlopen;</al></li><li nr="d."><al>dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de
                                houtopstand;</al></li><li nr="e."><al>knotboom: periodiek tot op de stam teruggezette boom;</al></li><li nr="f."><al>bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge
                                artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;</al></li><li nr="g."><al>boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens
                                de meest recente richtlijnen van Nederlandse vereniging van
                                taxateurs van bomen (NVTB).</al></li><li nr="h."><al>vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 30
                                procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van
                                kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als
                                ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige
                                ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al></li><li nr="i."><al>Bomen Effect Analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van
                                voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstand, op basis van landelijke
                                richtlijnen van de Bomenstichting.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van
                            houtopstanden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand
                                te vellen of te doen vellen. </al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: </al></li><li nr="a."><al>houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld;</al></li><li nr="b."><al>het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke
                                beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter
                                uitvoering van het reguliere onderhoud;</al></li><li nr="c."><al>houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of
                                krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag, zulks
                                onverminderd het bepaalde in artikel 4.11d;</al></li><li nr="d."><al>achtertuinen niet groter dan 120 m2;</al></li><li nr="e."><al>voortuinen niet groter dan 20m<sup>2</sup>. </al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te
                                stellen voorschriften. </al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 4:11a Aanvraag omgevingsvergunning voor het vellen van
                            houtopstanden</vet></al><al>De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming
                        van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens
                        publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te
                        beschikken.</al><al></al><al><vet>Artikel 4.11b Weigeringsgronden omgevingsvergunning voor het vellen van
                            houtopstanden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag kan de in artikel 4:11, eerste lid, bedoelde
                                vergunning in ieder geval weigeren, dan wel onder voorwaarden
                                verlenen, in het belang van:</al></li><li nr="a."><al>natuur- en milieuwaarden;</al></li><li nr="b."><al>landschappelijke waarden;</al></li><li nr="c."><al>cultuurhistorische waarden;</al></li><li nr="d."><al>waarden van stads- en dorpsschoon;</al></li><li nr="e."><al>waarden voor recreatie en leefbaarheid.</al></li></lijst><al>Het bevoegd gezag kan hierbij de boomwaarde als criterium hanteren.</al><al>2.Het bevoegd gezag kan de in artikel 4.11, eerste lid, bedoelde vergunning
                        in ieder geval niet weigeren ingeval voldaan moet worden aan de verplichting
                        ingevolge het bepaalde in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek.</al><al><vet>Artikel 4.11c Bijzondere vergunningsvoorschriften</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Tot aan de vergunning als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, te
                                verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een
                                bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te
                                geven aanwijzingen moet worden herplant. Indien herplant niet
                                mogelijk is, kan er door het bevoegd gezag een financiële
                                compensatie worden opgelegd. </al></li><li nr="2."><al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan
                                daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet
                                worden vervangen.</al></li><li nr="3."><al>Tot aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan het
                                voorschrift behoren dat pas tot vellen van houtopstand op en bij
                                bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of
                                reconstructie mag worden overgegaan indien de noodzaak voor de kap
                                is aangetoond en/of andere vergunningen, ontheffingen, toestemmingen
                                of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en
                                de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende
                                gewaarborgd is. </al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 4.11d Herplant-/instandhoudingsplicht</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze
                                afdeling van toepassing is, zonder vergunning als bedoeld in artikel
                                4.11, eerste lid, is geveld, dan wel op andere wijze teniet is
                                gegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond
                                waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen
                                hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting
                                opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven
                                aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn, dan wel een
                                schadevergoeding opleggen, waarbij de boomwaarde als criterium wordt
                                gehanteerd.</al></li><li nr="2."><al>Wordt een verplichting tot herbeplanting als bedoeld in het eerste
                                lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke
                                termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde
                                beplanting moet worden vervangen. </al></li><li nr="3."><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze
                                afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt
                                bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de
                                grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit
                                anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de
                                verplichting opleggen om:</al></li><li nr="a."><al>overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen
                                te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging
                                wordt weggenomen of;</al></li><li nr="b."><al>een Bomen Effect Analyse op te stellen en aan te bieden aan het
                                bevoegd gezag;</al></li><li nr="4."><al>Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of
                                derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht
                                daaraan te voldoen.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 4.11e Schadevergoeding</vet></al><al>Het college besluit op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel
                        17 van de Boswet.</al><al>Artikel 4:11f Bestrijding ziekte houtopstanden</al><al>Indien zich op een terrein een houtopstand bevindt die naar het oordeel van
                        het college gevaar oplevert voor de verspreiding van een nader door het
                        college aan te wijzen ziekte is de rechthebbende verplicht de in de
                        aanschrijving van het college maatregelen te treffen binnen de daarbij
                        aangegeven termijn.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:11g Bestrijding watermerkziekte</vet></al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4:12 Vergunning van rechtswege</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 4:12a Vervaltermijn vergunning</al><al>(Vervallen)</al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en
                            stankoverlast</onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.
                        </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk
                                aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast
                                dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen
                                plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer ,
                                in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen
                                op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:</al></li><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer-
                                of vaartuigen of onderdelen daarvan;</al></li><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al></li><li nr="c."><al>kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan,
                                indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor
                                verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of</al></li><li nr="d."><al>mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een
                                verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
                                landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste lid
                                nadere regels stellen.</al></li><li nr="3."><al>Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens
                                de Provinciale Verordening.</al></li></lijst><al></al><al><vet> Artikel 4:13a Verontreiniging bij werkzaamheden op een openbare
                            plaats</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien bij het laden of lossen of vervoeren van stoffen of
                                voorwerpen dan wel bij andere werkzaamheden een openbare plaats
                                wordt verontreinigd, is degene die genoemde werkzaamheden verricht,
                                alsmede, indien deze in opdracht handelt, zijn opdrachtgever
                                verplicht:</al></li><li nr="a."><al>indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer
                                of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de openbare plaats
                                onmiddellijk na het ontstaan van de verontreiniging te reinigen of
                                te doen reinigen;</al></li><li nr="b."><al>indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het
                                verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de openbare
                                plaats onmiddellijk na de beëindiging van de werkzaamheden of,
                                indien deze langer dan een dag duren, elke dag onmiddellijk na
                                beëindiging van de werkzaamheden op die dag, te reinigen of te doen
                                reinigen.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet voor zover artikel
                                9, tweede lid, van het Rijkswegenreglement of een Provinciaal
                                wegenreglement van toepassing is.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen</vet></al><al>(vervallen)</al><al></al><al><vet>Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclames</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te
                                maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of
                                afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige
                                hinder ontstaat voor de omgeving.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                voorzien door het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                milieubeheer.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame</vet></al><al>(Vervallen)</al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterrein
                        </onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 4:17 Begripsbepaling </vet></al><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of
                        voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van
                        artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt
                        wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.</al><al></al><al><vet>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen
                        </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de
                                beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is
                                bestemd of mede bestemd.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in
                                het eerste lid.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden
                                geweigerd in het belang van: a. de bescherming van natuur en
                                landschap; of</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van een stadsgezicht.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen</vet></al><al>1.Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het
                        college aangewezen plaatsen.</al><al>2.Het college kan daarbij de duur bepalen van de periode waarin het verbod
                        niet geldt.</al><al>3.Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de
                        belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.</al><al></al><al><vet>HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER
                            GEMEENTE</vet></al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 1. Parkeerexcessen</onderstreept></al><al></al><al><vet>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="1."><al>Weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de
                                Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="2."><al>voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het
                                Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met
                                uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en
                                rolstoelen;</al></li><li nr="3."><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het
                                Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).</al></li><li nr="4."><al>Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te
                                dienen.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:</al></li><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen
                                betaling.</al></li><li nr="2."><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                gerekend:</al></li><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden
                                verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit
                                gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze
                                werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde
                                persoon.</al></li><li nr="3."><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte
                                van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te
                                verhuren of te verhandelen, verboden:</al></li><li nr="a."><al>3 of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de
                                weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met
                                als middelpunt een van deze voertuigen;</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op door het college aangewezen weg een voertuig te
                                parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te
                                verhandelen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing van dit verbod verlenen.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5.4 Defecte voertuigen</vet></al><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te
                        verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie
                        achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat
                                van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand
                                verkeert op de weg te parkeren. </al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5.6 Kampeermiddelen e.a.</vet></al><al>1.Het is verboden een voertuig dat voor de recreatie of anderszins voor
                        andere dan</al><al>verkeersdoeleinden wordt gebruikt:</al><lijst><li nr="a."><al>langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of
                                te hebben;</al></li><li nr="b."><al>op de weg te parkeren bij, voor, naast of achter een bewoond perceel
                                op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht vanuit dat perceel voor
                                de bewoners op hinderlijke wijze wordt belemmerd;</al></li><li nr="c."><al>op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar
                                zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de
                                gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid onder a, gestelde verbod geldt niet van 1 juli
                                tot 1 september;</al></li><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid onder
                                a,gestelde verbod voor de overige maanden dan die genoemd in het
                                tweede lid;</al></li></lijst><al>4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin
                        geregelde onderwerp</al><al>wordt voorzien door de Provinciale caravan- en tentenverordening, het
                        Provinciaalwegenreglement Zuid-Holland of de Provinciale
                        landschapsverordening.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:6a Parkeren van caravans, aanhangwagens in een
                            parkeerschijfzone</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 5:6 is het de eigenaar of houder van
                        een geheel of ten dele voor recreatie bestemd voertuig of een aanhangwagen
                        verboden deze te parkeren in een parkeerschijfzone, als bedoeld in het
                        Reglement verkeersregels en verkeerstekens, gedurende het (de) daarop
                        aangegeven tijdvak(ken).</al><al></al><al><vet>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van
                                handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijke doel om
                                daarmee handelsreclame te maken.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                meter te parkeren op een andere dan door het college aangewezen
                                plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                aanzien van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een andere dan door
                                het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                parkeerruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van
                                maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden
                                ontheffing verlenen.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</vet></al><al></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2
                                meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het
                                uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke
                                wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt
                                aangedaan.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Artikel 5:9a Parkeren op aanbiedplaats huishoudelijk afval</al><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de inzameldienst
                        aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                        laten staan op een daarbij aangeduide tijdsperiode en/of dag.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende
                            stoffen</vet></al><al>(Vervallen) </al><al></al><al><vet>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</vet></al><al>(Vervallen)</al><al><vet>Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets</vet></al><al>Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien
                        van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, of ter voorkoming
                        van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of
                        bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te
                        laten staan.</al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 2. Collecteren</onderstreept></al><al><vet>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                intekenlijst aan te bieden.</al></li><li nr="2."><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het
                                bij het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven of gedrukte
                                stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten
                                aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt
                                gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten
                                dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling
                                die in besloten kring gehouden wordt.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet in de door het
                                college te bepalen gevallen. </al></li></lijst><al></al><al><onderstreept>Afdeling 3. Venten</onderstreept></al><al><vet>Artikel 5:14 Begripsbepaling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening
                                van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van
                                goederen dan wel diensten op een openbare en in de open lucht
                                gelegen plaats of aan huis.</al></li><li nr="2."><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al></li><li nr="a."><al>het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit
                                doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                                Winkeltijdenwet;</al></li><li nr="b."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel
                                het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in
                                artikel 160, eerste lid onder h, van de Gemeentewet;</al></li><li nr="c."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel
                                het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel
                                5:17.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5:15 Venten en dergelijke</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college in de uitoefening
                                van handel op of aan de weg of aan een openbaar water, aan een huis
                                dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - openbare
                                plaats goederen te koop aan te bieden, te verkopen of af te geven
                                dan wel diensten aan te bieden.</al></li><li nr="2."><al>Voorts is het verboden te venten op zondagen en op maandag tot en
                                met zaterdag voor 9.00 uur en na 22.00 uur.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het verbod bedoeld in artikel 5:15, eerste lid is niet van
                                toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin
                                gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7,
                                eerste lid, van de Grondwet .</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten van
                                gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden
                                geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet
                                verboden:</al></li><li nr="a."><al>op door het college aangewezen openbare plaatsen; of</al></li><li nr="b."><al>op door het college aangewezen dagen en uren.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede
                                lid.</al></li></lijst><al></al><al><onderstreept>Afdeling 4. Standplaatsen</onderstreept></al><al><vet>Artikel 5:17 Begripsbepaling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te
                                koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten
                                , gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of
                                een tafel. </al></li><li nr="2."><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al></li><li nr="a."><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel
                                160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5:18 Standplaatsen en weigeringsgronden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in
                                te nemen of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
                                bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of
                                voorbereidingsbesluit.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden
                                geweigerd:</al></li><li nr="a."><al>Indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de
                                omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;</al></li><li nr="b."><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in
                                een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door
                                het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het
                                verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de
                                consument ter plaatse in gevaar komt.</al></li><li nr="4."><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid, heeft een
                                geldigheidsduur van één jaar. </al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende</vet></al><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop
                        zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op
                                situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer , de Wet
                                beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
                                wegenreglement.</al></li><li nr="2."><al>De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van
                                toepassing op bouwwerken.</al></li></lijst><al></al><al><onderstreept>Afdeling 5. Snuffelmarkten </onderstreept></al><al><vet>Artikel 5:22 Begripsbepaling</vet></al><al>Vervallen (verplaatst naar afdeling 7 Toezicht op evenementen)</al><al></al><al><vet>Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt</vet></al><al>Vervallen (verplaatst naar afdeling 7 Toezicht op evenementen)</al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 6. Openbaar water</onderstreept></al><al><vet>Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden
                                een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar
                                water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn
                                omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar
                                oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het
                                doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt
                                voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.</al></li><li nr="2."><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander
                                voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water
                                te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding
                                aan het college.</al></li><li nr="3."><al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van
                                de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het
                                voorwerp.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in de daarin
                                geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van
                                Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                Binnenvaartpolitiereglement, de keur van het Hoogheemraadschap van
                                Delfland, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Havenverordening
                                gemeente Maassluis, de Provinciale vaarwegenverordening, de
                                Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                Telecommunicatieverordening.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</vet></al><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het college met een vaartuig een
                        ligplaats in te nemen of </al><al> te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op
                        door het college </al><al> aangewezen gedeelten van openbaar water. </al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van
                                een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op krachtens het tweede
                                lid aangewezen gebieden:</al></li><li nr="a."><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare orde,
                                volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de
                                gemeente;</al></li><li nr="b."><al>beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in
                                het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de keur van het
                                Hoogheemraadschap van Delfland, de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken,
                                de Havenverordening Maassluis, de Provinciale vaarwegenverordening
                                Zuid Holland of de Provinciale landschapsverordening Zuid
                                Holland.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd het krachtens het derde lid van artikel 5:25 bepaalde
                                kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen
                                geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een
                                ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid,
                                veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege
                                het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen,
                                veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in de
                                daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het
                                Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
                                de keur van het Hoogheemraadschap van Delfland, de Havenverordening
                                gemeente Maassluis, de Provinciale Vaarwegenverordening Zuid Holland
                                of de Provinciale landschapsverordening Zuid Holland.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats</vet></al><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te
                        stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26 tweede lid bepaalde.</al><al>Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken en oevers</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te
                                brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbaar
                                water, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen,
                                oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen,
                                gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                                Binnenvaartpolitiereglement, de keur van het Hoogheemraadschap van
                                Delfland, de Havenverordening gemeente Maassluis, de Wet beheer
                                rijkswaterstaatswerken of de Provinciale Vaarwegenverordening. </al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5:29 Reddingsmiddelen</vet></al><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij
                        het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel
                        voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al><al></al><al><vet>Artikel 5:30 Veiligheid op het water</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar
                                water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het
                                scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp
                                wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
                                Binnenvaartpolitiereglement of de Provinciale Vaarwegenverordening
                                Zuid Holland. </al><al></al><al><vet>Artikel 5.30a Zwemmen in openbaar water</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college in
                                        openbaar water te zwemmen.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor de plaatsen
                                        en onder de voorwaarden door het college bij openbare
                                        kennisgeving aangegeven.</al></li></lijst></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een
                                vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of
                                daarin te begeven of te bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig,
                                liggend in of aan een openbaar water, los te maken.</al></li></lijst><al></al><al><onderstreept>Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                            natuurgebieden</onderstreept></al><al><vet>Artikel 5:32 Crossterreinen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter
                                voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te
                                houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een
                                motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe
                                aanwezig te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere regels
                                stellen voor het gebruik van deze terreinen:</al></li><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het
                                eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit
                                geluidproduktie sportmotoren.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden,
                                parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen
                                te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in
                                artikel 1, onder z, Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990,
                                een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement
                                Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 of met fiets of een
                                paard.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid
                                gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels
                                stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:</al></li><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen van overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van natuur- en milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van het publiek.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders
                                van motorvoertuigen en bromfietsen en fietsers of voor berijders van
                                paarden:</al></li><li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en
                                van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement
                                Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 door de minister van verkeer
                                en waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie
                                van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;</al></li><li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk
                                voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die
                                zijn gelegen binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;</al></li><li nr="e."><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de
                                onder d bedoelde personen.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:</al></li><li nr="a."><al>op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bij of krachtens de provinciale verordening
                                `Stilte-gebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van
                                motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen
                                als `toestel'.</al></li><li nr="5."><al>Bij het gestelde onder het vierde lid onder a. geldt voor ruiters
                                dat de paarden voorzien moeten zijn van een uitwerpselen-opvangzak.
                                De uitzonderingen zoals gesteld in het derde lid zijn hierbij van
                                toepassing. </al></li><li nr="6."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                gestelde verbod.</al></li></lijst><al></al><al><onderstreept>Afdeling 8. Verbod vuur te stoken</onderstreept></al><al><vet>Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                            anderszins vuur te stoken</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten
                                inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur
                                aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de
                                omgeving, is het verbod niet van toepassing op:</al></li><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen
                                afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden
                                geweigerd ter bescherming van de flora en fauna en ter bescherming
                                van de woon- en leefomgeving.</al></li><li nr="5."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien
                                door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van
                                Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</al></li></lijst><al></al><al><onderstreept>Afdeling 9. Verstrooiing van as</onderstreept></al><al><vet>Artikel 5:35 Begripsbepaling</vet></al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het
                        verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op een door de
                        overledenen of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe
                        bestemd terrein. </al><al></al><al><vet>Artikel 5:36 Verboden plaatsen </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al></li><li nr="a."><al>verharde delen van de weg;</al></li><li nr="b."><al>gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere
                                plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing
                                plaatsvindt.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor
                                de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen
                                van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke
                                begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 5:37 Hinder of overlast </vet></al><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast
                        wordt veroorzaakt voor derden.</al><al></al><al><vet>HOOFDSTUK 6 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</vet></al><al><vet>Artikel 6:1 Strafbepaling</vet></al><al>1.Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de
                        op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt
                        gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
                        tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de
                        rechterlijke uitspraak: </al><al>artikel 2:1 - samenscholing en ongeregeldheden</al><al>artikel 2:1a - aanwijzing overlastgebied</al><al>artikel 2:1b - Wijkverbod</al><al>artikel 2:3 - kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</al><al> artikel 2:9 - straatartiest</al><al> artikel 2:10 - m.u.v. lid 2 voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven een
                        openbare plaats</al><al> artikel 2:14 - winkelwagentjes</al><al>artikel 2:15 - hinderlijke beplanting of voorwerp</al><al>artikel 2:16 - openen straatkolken e.d.</al><al>artikel 2:17 - kelderingangen en dergelijke</al><al>artikel 2:19 - gevaarlijk of hinderlijk voorwerp openbare plaats</al><al>artikel 2:20 - vallende voorwerpen</al><al>artikel 2:20a - dragen gevaarlijke voorwerpen</al><al>artikel 2:21 - voorzieningen voor verkeer en verlichting</al><al>artikel 2:23 - veiligheid op het ijs</al><al>artikel 2:25 - evenement</al><al>artikel 2:26 - ordeverstoring</al><al>artikel 2:26a - 0-evenementen</al><al>artikel 2:26b - openbare orde en veiligheid</al><al>artikel 2:28 - (tijdelijke) exploitatievergunning horecabedrijf</al><al>artikel 2:28a - Vrijstelling vergunningplicht</al><al>artikel 2:28b - eisen exploitant en leidinggevende</al><al>artikel 2:29 - sluitingstijden</al><al>artikel 2:30a - gesloten verklaren van een horecabedrijf</al><al>artikel 2:31 - aanwezigheid in gesloten horecabedrijf</al><al>artikel 2:31a - glazen drinkgerei</al><al>artikel 2.32 - handel in horecabedrijven</al><al>artikel 2:33 - ordeverstoring</al><al>artikel 2:36 - kennisgeving exploitatie</al><al>artikel 2:37 - nachtregister</al><al>artikel 2:38 - verschaffen gegevens nachtregister</al><al>artikel 2:41 - betreden gesloten woning of lokaal</al><al>artikel 2:42 - plakken en kladden</al><al>artikel 2:42a - graffiti</al><al>artikel 2:43 - vervoer plakgereedschap en dergelijke</al><al>artikel 2:44 - vervoer inbrekerswerktuigen</al><al>artikel 2:46 - rijden over bermen en dergelijke </al><al>artikel 2:47 - hinderlijke gedrag op of aan een openbare plaats</al><al>artikel 2:47a - hinderlijk voetballen en dergelijke</al><al>artikel 2:48 - verboden drankgebruik</al><al>artikel 2:48a - hinderlijke drankgebruik op schoolpleinen en dergelijke</al><al>artikel 2:49 - verboden gedrag bij of in gebouwen</al><al>artikel 2:50 - hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten</al><al>artikel 2:51 - hinderlijk neerzetten van fietsen en dergelijke</al><al>artikel 2:52 - overlast van fiets, bromfiets of voertuig op markt- en
                        kermisterrein e.d</al><al>artikel 2:53 - bespieden en heimelijk fotograferen /filmen van personen</al><al>artikel 2:54 - bewakingsapparatuur</al><al>artikel 2:58 - overlast/verontreiniging door honden</al><al>artikel 2:59 - gevaarlijke honden</al><al>artikel 2:60 - houden van hinderlijke of schadelijke dieren</al><al>artikel 2:67 - verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</al><al>artikel 2:68 - voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, 1<sup>e</sup>
                        lid Wb. van Strafrecht</al><al>artikel 2:69 - vervreemding van door opkoop verkregen goederen</al><al> artikel 2:72 - ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens
                        verkoopdagen</al><al>artikel 2:73 - bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling</al><al>artikel 2:73a - carbidschieten</al><al>artikel 2:74 - drugshandel op een openbare plaats</al><al>artikel 2:74a - verzameling van personen in verband met drugs</al><al>artikel 2:74b - openlijk druggebruik</al><al>artikel 2:74c - weggooien van spuiten en dergelijke</al><al>artikel 2:77 - cameratoezicht op openbare plaatsen</al><al>artikel 3:4 - seksinrichtingen, escortbedrijven</al><al>artikel 3:6 - sluitingstijden</al><al>artikel 3:7 - tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                        sluiting</al><al>artikel 3:8 - aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                        leidinggevende</al><al>artikel 3:11 - beëindiging exploitatie</al><al>artikel 3:12 - wijziging beheer</al><al>artikel 3:14 - straatprostitutie</al><al>artikel 3:15 - sekswinkels</al><al>artikel 3:16 - tentoonstellingen, aanbieden/aanbrengen van
                        erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</al><al>artikel 4:4 - verboden incidentele festiviteiten</al><al>artikel 4:6 - overige geluidhinder</al><al>artikel 4:6a - geluidhinder door handelingen t.b.v. bouwwerkzaamheden</al><al>artikel 4:6b - geluidhinder door bromfietsen en dergelijke</al><al>artikel 4:8 - natuurlijke behoefte doen</al><al>artikel 4:11d - herplant-/instandhoudingsplicht</al><al>artikel 4:11f - bestrijding ziekte houtopstanden</al><al>artikel 4:13 - opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen, enz.</al><al>artikel 4:13a - verontreiniging bij werkzaamheden op een openbare
                        plaats</al><al>artikel 4:15 - verbod hinderlijke of gevaarlijke reclames</al><al>artikel 4:18 - recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</al><al>artikel 5:2 - parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke</al><al>artikel 5:3 - te koop aanbieden van voertuigen</al><al>artikel 5:4 - defecte voertuigen</al><al>artikel 5:5 - voertuigwrakken</al><al>artikel 5:6 - kampeermiddelen en andere</al><al>artikel 5:6a - parkeren van caravans, aanhangwagens in een
                        parkeerschijfzone</al><al>artikel 5:7 - parkeren van reclamevoertuigen</al><al>artikel 5:8 - parkeren van grote voertuigen</al><al>artikel 5:9 - parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen</al><al>artikel 5:9a - parkeren op aanbiedplaats huishoudelijk afval</al><al>artikel 5:12 - overlast van fiets of bromfiets</al><al>artikel 5:13 - inzameling van geld of goederen</al><al>artikel 5:15 - venten en dergelijke</al><al>artikel 5:18 - standplaatsen en weigeringsgronden </al><al>artikel 5:24 - voorwerpen op, in of boven openbaar water</al><al>artikel 5:25 - ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</al><al>artikel 5:26 - aanwijzingen ligplaats</al><al>artikel 5:27 - verbod innemen ligplaats</al><al>artikel 5:28 - beschadigen van waterstaatswerken </al><al>artikel 5:29 - reddingsmiddelen</al><al>artikel 5.30 - veiligheid op het water</al><al>artikel 5:30a - zwemmen in openbaar water</al><al>artikel 5:31 - overlast aan vaartuigen</al><al>artikel 5:32 - crossterreinen</al><al>artikel 5:33 - beperking verkeer in natuurgebieden</al><al>artikel 5:34 - verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                        anderszins vuur te stoken</al><al>artikel 5:36 - Verboden plaatsen </al><al>artikel 5:37 - hinder of overlast bij incidentele asverstrooiing</al><al>2.Overtreding van het bepaalde in de artikelen 2:67, 2:68 en 2:69 (heling)
                        wordt gestraft overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 437 en 437ter van
                        het Wetboek van Strafrecht.</al><al></al><al><vet>Artikel 6:2 Toezichthouders</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast de medewerkers van de afdeling Openbare
                                Orde en wijkbeheer.</al></li><li nr="2."><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</vet></al><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een
                        overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften
                        die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of
                        bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot
                        het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.</al><al></al><al><vet>Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude
                            verordening</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na de dag van
                                publicatie ervan in het Gemeenteblad.</al></li><li nr="2."><al>Op dat moment worden de Algemene plaatselijke verordening Maassluis
                                2011 en de wijzigingsverordening Algemene Plaatselijke Verordening
                                Maassluis 2012 ingetrokken.</al></li></lijst><al></al><al><vet>Artikel 6:5 Overgangsbepaling</vet></al><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4 tweede
                        lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening
                        en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als
                        besluiten genomen krachtens deze verordening.</al><al></al><al><vet>Artikel 6:6 Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                        Maassluis 2014.</al><al></al></enig-artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Vastgesteld in de vergadering van de raad d.d. 2 december 2014</al><al>de griffier, de voorzitter,</al><al>mr. R. van der Hoek drs J.A. Karssen</al><al></al></slotformulering></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis
                        2014</titel></kop><al><vet>Toelichting op de Algemene Plaatselijke Verordening </vet></al><al><vet>Maassluis 2014</vet></al><al><vet> Inleiding </vet> De modelverordening 2012 van de VNG heeft de basis
                    gevormd voor deze nieuwe geactualiseerde verordening. De nieuwe verordening is
                    niet ingrijpend gewijzigd ten opzichte van de laatst gewijzigde APV 2012. De
                    wijzigingen omvatten veelal actualisatie van artikelen op grond van nieuwe
                    regelgeving of (vergunning)procedures. Aangezien de toelichting op de model-APV
                    uitstekend is te gebruiken als toelichting op deze (Maassluise) verordening
                    wordt verwezen naar de uitgebreide toelichting behorend bij dat model. Voorts
                    omvat deze toelichting een artikelsgewijze omschrijving van de belangrijkste
                    wijzigingen in de nieuwe verordening. Tenslotte worden ook de artikelen
                    toegelicht waar van de modelverordening is afgeweken of waar Paragraaf 4.1.3.3
                    (Lex Silencio Positivo) wel of niet van toepassing is verklaard. </al><al></al><al>Hoofdstuk 1 – Algemene Bepalingen </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 1:1 Begripsbepalingen</onderstreept></al><al>In dit artikel is met de term “bevoegd gezag” aangehaakt bij de Wet algemene
                    bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd
                    gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent
                    ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste
                    gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het
                    project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust
                    de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester
                    en wethouders, maar bij het College van gedeputeerde staten en in enkele
                    gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor
                    het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. </al><al></al><al>Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd
                    bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van
                    burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen
                    verandering. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 1:2 Beslistermijn</onderstreept></al><al>De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel
                    3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd. Het vierde lid
                    is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt dat de
                    beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden
                        verlengd.<onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</onderstreept></al><al>Zie hieromtrent hetgeen is opgenomen onder artikel 1.1.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Lex Silencio Positivo (LSP)</cursief></al><al>Een belangrijke consequentie van de invoering van de Dienstenrichtlijn is de
                    verplichte invoering van de lex silencio positivo (positieve fictieve
                    beschikking bij niet tijdig beslissen) voor vergunningstelsels die onder de
                    reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen. De Lex Silencio Positivo houdt in
                    dat wanneer op een vergunning- of ontheffingsaanvraag, danwel een melding niet
                    tijdig een beslissing wordt genomen, deze van rechtswege alszijnde een positieve
                    beschikking wordt beschouwd. Dit is geregeld in de Algemene Wet Bestuursrecht.
                    Het gemeentebestuur kan hierbij aangeven welke vergunningen wel- en niet onder
                    de LSP vallen. Alleen vanwege dringende redenen van algemeen belang kan van de
                    lex silencio positivo worden afgezien.<cursief></cursief>Op die keuzevrijheid
                    is één belangrijke uitzondering. Een klein aantal bepalingen in de APV betreft
                    omgevingsvergunningen. Voor deze vergunningen geldt altijd een LSP.
                    Uitzonderingen daarop zijn niet mogelijk. De wijzigingen die verplicht nodig
                    waren in verband met de invoering van de Europese Dienstenrichtlijn en de
                    Dienstenwet zoals vervat in de modelapv VNG 2009 zijn bij wijziging van de APV
                    Maassluis 2010 al doorgevoerd. De wijzigingen die de VNG in haar modelapv 2012
                    ten aanzien van de LSP voorstelt waren optioneel van aard. De aanpassing betrof
                    het opnemen van informatie over de LSP bij ieder artikel afzonderlijk in plaats
                    van twee artikelen in hoofdstuk 1. Wij hebben er om praktische redenen voor
                    gekozen om de artikelen waarbij de LSP wel of niet van toepassing is in stand te
                    laten onder twee artikelen (1:9 en 1:10) zoals in de APV Maassluis 2010, en de
                    gewijzigde verordening 2012. Voorts is er in deze toelichting bij alle artikelen
                    waarbij paragraaf 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht wel of niet van toepassing
                    wordt verklaard een motivering opgenomen.</al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 1:9 Toepassing artikel 4.1.3.3. Algemene wet
                        bestuursrecht</onderstreept></al><al>Voor vergunningstelsels die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen
                    is thans in de APV aangegeven dat de lex silencio positivo van toepassing is.
                    Het betreft de artikelen 2:6 lid 4, 2:9, 2:11, 2:12, 2:67 lid 2, 4:11, 5:13 lid
                    1, 5:15, 5:16 lid 3, en 5:36 lid 3. Zie verder de toelichting bij de betreffende
                    artikelen.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 1:10 Geen toepassing artikel 4.1.3.3. Algemene wet
                        bestuursrecht </onderstreept></al><al>Voor die vergunningstelsels waar een lex silencio positivo vanwege dwingende
                    redenen van algemeen belang niet wenselijk is, is thans in de APV aangegeven dat
                    de lex silencio positivo niet van toepassing is. Het betreft de artikelen 2:1
                    lid 4, 2:25, 2:28, 2:72, 3:4, 4:6 lid 2, 4:18 lid 3, 5:2 lid 4, 5:3 lid 2, 5:6
                    lid 3, 5:7 lid 2, 5:8 lid 4, 5:18, 5:25 en 5:33 lid 6. Zie verder de toelichting
                    bij de betreffende artikelen.</al><al></al><al><vet>Hoofdstuk 2 Openbare orde</vet></al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</onderstreept></al><al><cursief>Lex Silencio Positivo</cursief></al><al>Op de ontheffing zoals opgenomen in lid 4 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                    wet bestuursrecht om dwingende redenen ten aanzien van de openbare orde, niet
                    van toepassing. </al><al></al><al>Zie voorts hetgeen hieromtrent is opgenomen onder artikel 1.1.</al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 2:1a Aanwijzing overlastgebied</onderstreept></al><al>De toevoeging van de letter a aan het artikelnummer verklaart dat het een
                    artikel is wat in de model-APV niet is opgenomen.</al><al> In het eerste lid van dit artikel wordt de burgemeester de bevoegdheid gegeven
                    om gebieden aan te wijzen waar naar zijn oordeel de openbare orde ernstig wordt
                    bedreigd of verstoord. Die verstoring of bedreiging kan samenhangen met het
                    gebruik van of de handel in harddrugs, maar er zijn ook andere omstandigheden
                    denkbaar op grond waarvan kan worden geconstateerd dat de openbare orde in een
                    gebied in gevaar is. Te denken valt bijvoorbeeld aan de aanwezigheid van een
                    groep jongeren die overlast veroorzaken, en waardoor omwonenden zich onveilig of
                    zelfs bedreigd voelen. Het aanwijzen van een gebied als overlastgebied gebeurt
                    indien sprake is van structurele overlast die de openbare orde in dat gebied
                    aantast of bedreigt. Er kan dus geen gebied aangewezen worden als overlastgebied
                    wanneer er slechts sprake is van incidentele overlast.</al><al><cursief></cursief></al><al>In het verlengde van de aanwijzing van een gebied als overlastgebied regelt het
                    tweede artikellid ook dat in een overlastgebied een samenscholingsverbod geldt,
                    voor zover samenscholing leidt tot een verstoring van de openbare orde.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:1b Wijkverbod</onderstreept></al><al>De titel bij dit artikel is in verband met harmonisering met de regiogemeenten
                    gewijzigd van Gebiedsontzeggingen in Wijkverbod. Inhoudelijk komt dit artikel
                    overeen met de gewijzigde APV 2012. </al><al>Het artikel biedt de basis om personen die zich in strijd gedragen met de
                    openbare orde een verbod op te leggen zich gedurende een bepaalde tijd in een
                    aangewezen gebied te bevinden of zich daarin te begeven. De burgemeester kan dit
                    doen in het belang van:</al><lijst><li nr="1."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="2."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="3."><al>het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en
                            leefklimaat;</al></li><li nr="4."><al>de veiligheid van personen en goederen;</al></li><li nr="5."><al>de gezondheid;</al></li><li nr="6."><al>de zedelijkheid.</al></li></lijst><al> Het bij herhaling door een persoon verstoren van de openbare orde door het
                    plegen van diverse strafbare feiten heeft twee belangrijke elementen:</al><al>1. de herhaling;</al><al>2. de inbreuk (de mate van geschoktheid van de rechtsorde);</al><al> Het bij herhaling verstoren van de openbare orde vormt door het herhalend
                    karakter, een grotere inbreuk in de openbare orde. Het vergroot in feite de
                    onveiligheid en tevens de gevoelens van onveiligheid. Op basis van het herhalend
                    karakter is daarbij de dreiging extra groot dat de persoon in de (nabije)
                    toekomst opnieuw de orde zal verstoren.</al><al> In een beleidslijn is aangegeven hoe de burgemeester van Maassluis omgaat met
                    de mogelijkheden die artikel 2:1b hem biedt bij het beperken van de
                    bewegingsvrijheid van personen om daardoor herhaling van strafbaar gedrag te
                    voorkomen.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:1c Veiligheidsrisicogebieden</onderstreept></al><al>In het kader van de regionale aanpak van Overvallen en andere situaties waarbij
                    preventief fouilleren een aanvulling kan zijn op bestaande bestuurlijke
                    mogelijkheden is besloten om dit nieuwe artikel op te nemen. </al><al>Op grond van artikel 151b van de Gemeentewet kan de raad de burgemeester bij
                    verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de
                    officier van justitie de controlebevoegdheden genoemd in de artikelen 50, 51 en
                    52 van de Wet wapens en munitie kan uitoefenen. Het gaat om de
                    controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied: -vervoermiddelen te
                    onderzoeken; -een ieder aan de kleding te onderzoeken en -te vorderen dat
                    verpakkingen die men bij zich draagt worden geopend. </al><al></al><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt
                    dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                    wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Over deze feiten
                    en omstandigheden wordt de burgemeester geïnformeerd door de korpschef. </al><al></al><al>De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur
                    die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dat strikt noodzakelijk
                    voor de handhaving van de openbare orde. </al><al></al><al>Alvorens de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale
                    gezagsdriehoek met de officier van justitie en de korpschef. Daarbij komen de
                    volgende onderwerpen aan de orde: </al><al>-feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring van de
                    openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor
                    het ontstaan daarvan; </al><al>-zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang en het
                    individuele belang van de burgers(privacy); </al><al>-subsidiariteit en proportionaliteit; </al><al>-breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter verhoging van leefbaarheid en
                    veiligheid. </al><al></al><al>In artikel 151b van de Gemeentewet en de bijbehorende toelichting worden de
                    voorwaarden voor het aanwijzen van veiligheidsrisicogebieden beschreven.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:3 Kennisgevingbetogingen op openbare
                        plaatsen</onderstreept></al><al>In haar model heeft de VNG in dit artikel artikelleden opgenomen over een
                    afwijkende termijn en te verstrekken gegevens. Daardoor zijn in dat model de
                    artikelen 2:4 en 2:5 komen te vervallen. Bij deze nieuwe verordening is gekozen
                    om deze bundeling van informatie in artikel 2:3 te volgen. Dientengevolge komen
                    de artikelen 2:4 en 2:5 te vervallen. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:6 Beperking aanbieden en dergelijke van geschreven of
                        gedrukte stukken of afbeeldingen</onderstreept></al><al>Besloten is dit artikel wederom op te nemen in de verordening om mogelijke
                    situaties te kunnen reguleren. </al><al>Folderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen
                    wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod
                    voor die wegen verder te beperken tot nader aan te geven dagen en uren, waarbij
                    het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende
                    verbod een ontheffing te verlenen. Er zijn geen dringende redenen van algemeen
                    belang ten aanzien van deze ontheffing voorts is de LSP van toepassing op de
                    ontheffing. Van de in het eerste lid toegekende bevoegdheid mag het college niet
                    zodanig gebruik maken dat er “geen gebruik van enige betekenis” overblijft. Zie
                    ook de toelichting op artikel 2:42. Het college ontleent zijn bevoegdheid aan
                    artikel 160, onder a, van de Gemeentewet.</al><al>Artikel 2:6 heeft betrekking op het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever
                    het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van meningsuiting. Dit
                    grondrecht is geformuleerd in artikel 19 IV, artikel 10 EVRM en artikel 7 van de
                    Grondwet. Artikel 7 Grondwet luidt als volgt:</al><al>1. Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of
                    gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de
                    wet.</al><al>2. De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand
                    toezicht op de inhoud van een radio of televisie uitzending.</al><al>3. Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de
                    voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig
                    wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
                    De wet kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor personen jonger dan
                    zestien jaar, regelen ter bescherming van de goede zeden.</al><al> 4. De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van
                    handelsreclame.</al><al>De drukpersvrijheid is in het eerste lid van artikel 7 van de Grondwet als een
                    zelfstandige bepaling opgenomen en vormt een lex specialis ten opzichte van het
                    derde lid. De tekst van het eerste lid is letterlijk gelijk aan die van artikel
                    7 van de oude Grondwet, waarmee beoogd is de bestaande jurisprudentie op dat
                    punt intact te laten. De constante jurisprudentie op artikel 7 van de oude
                    Grondwet kan als volgt worden samengevat.</al><al>Het in artikel 7, lid 1 van de Grondwet beschermde recht om zonder voorafgaand
                    verlof gedachten en gevoelens door de drukpers te openbaren impliceert het recht
                    om de inhoud van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, waarin
                    gedachten en gevoelens zijn geopenbaard, zonder voorafgaand verlof door
                    verspreiding of door enig ander middel in het openbaar aan het publiek bekend te
                    maken. </al><al>Elk middel tot bekendmaking dat naast andere middelen zelfstandige betekenis
                    heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien,
                    valt onder de bescherming van artikel 7. Dit betekent dat de bekendmaking van
                    gedachten en gevoelens met behulp van middelen, die in het maatschappelijk
                    verkeer dezelfde functie vervullen als geschriften in eigenlijke zin, is
                    begrepen in de in artikel 7 erkende vrijheid van drukpers. De gemeentelijke
                    wetgever mag niet beperkend optreden jegens de inhoud van gedrukte stukken e.d.,
                    maar is krachtens artikel 149 Gemeentewet wel bevoegd het in het openbaar bekend
                    maken (“verspreiden”) van gedrukte stukken e.d. aan beperkingen te onderwerpen
                    in het belang van de openbare orde, zedelijkheid en gezondheid en van andere
                    zaken betreffende de huishouding der gemeente.</al><al><cursief>Daklozenkrant</cursief></al><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van
                    artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een
                    vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6. Als verkoop
                    plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan kan de
                    eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. Het verdient aanbeveling om te
                    overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen vertegenwoordigen. Immers,
                    niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De verkopers moeten in het bezit
                    zijn van een identiteitsbewijs van de koepelorganisatie waarmee ze kunnen
                    aantonen dat ze officiële straatkantverkopers zijn.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:9 Straatartiest</onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Het opleggen van een beperking tot bepaalde dagen en uren door de burgemeester
                    met betrekking tot de werking van het verbod, zal doorgaans op initiatief van
                    het gemeentebestuur zelf gebeuren en niet op aanvraag. Een ontheffing van het
                    verbod zal daarentegen bijna alleen op aanvraag gebeuren, maar ook een
                    ambtshalve ontheffing zal voorkomen, bijvoorbeeld bij bepaalde festiviteiten.
                    Ook bij een ontheffing op aanvraag is geen reden om van het lex silencio af te
                    zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb is op het gehele artikel van toepassing verklaard. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:10 Voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven een
                        openbare plaats</onderstreept></al><al>Het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie, als
                    bedoeld in dit artikel, kan onder de Wabo vallen, namelijk wanneer dit gebruik
                    bestaat uit de opslag van roerende zaken. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn
                    als op of aan de weg een container wordt geplaatst voor de tijdelijke opslag van
                    puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing. In andere gevallen zal het niet
                    altijd op het eerste gezicht duidelijk zijn of het gaat om opslag van roerende
                    zaken als bedoeld in de Wabo. Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen
                    van zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft; het is de bedoeling
                    dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet definitieve
                    bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen. Als dat aan de orde is
                    valt die activiteit onder artikel 2.2, eerste lid onder j of onder k van de
                    Wabo. Een ontheffing wordt op grond van artikel 2.2, eerste lid, laatste
                    zinsdeel, van de Wabo aangemerkt als een omgevingsvergunning. Daarom is een
                    nieuw tweede lid ingevoegd, waarin staat dat het bevoegd gezag (ingevolge de
                    definitie in artikel 1 is dat dus het bestuursorgaan als bedoeld in de Wabo) in
                    een dergelijk geval een omgevingsvergunning verleent.</al><al></al><al>Op basis van dit artikel worden sinds jaar en dag vergunningen verleend voor het
                    plaatsen van de meest uiteenlopende voorwerpen op de openbare weg: containers
                    (voor puin, tijdelijke opslag etc), winkeluitstallingen, uitstallingen van
                    handelswaar, warenautomaten, spandoeken, een tent (t.b.v. evenement bijv.),
                    circustent, bloembakken, muziekpodia, meubilair t.b.v. evenementen, zoals
                    luchtkussen, ballenbak etc, maar ook voor vele soorten borden. Met de uitvoering
                    van deze bepaling zijn diverse medewerkers belast. Aan hen is nadrukkelijk de
                    vraag voorgelegd of over kan worden gegaan op een ander systeem
                    (kennisgevingstelsel). Ten aanzien van deze bepaling was ieders standpunt
                    helder: vergunningsstelsel handhaven. Het risico bestaat dat de belangen van
                    derden niet worden meegenomen bij de toepassing van een kennisgevingstelsel. Een
                    vergunningsstelsel geeft de gemeente meer controle en is beter handhaafbaar. Dit
                    heeft zwaarder gewogen dan te kiezen voor het kennisgevingstelsel of het stellen
                    van algemene regels. Een stelsel dat op zich minder rompslomp geeft, waar
                    tegenover staat dat de mogelijkheid van handhaving zal toenemen. Naderhand
                    corrigeren en zelfs bestraffing is altijd minder prettig. </al><al></al><al>Op de vergunning zoals opgenomen in lid 1 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                    wet bestuursrecht om dwingende redenen ten aanzien van de openbare orde, en de
                    verkeersveiligheid niet van toepassing. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen
                        en veranderen van een weg</onderstreept></al><al>Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d.
                    van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan,
                    beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat
                    de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze
                    vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let
                    wel: indien er meerder activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel
                    3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing
                    (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken).
                    Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan,
                    beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van
                    toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van
                    de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig; het college hoeft
                    zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting aldaar. </al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 2:12 (Omgevings)vergunning voor het maken of veranderen
                        van een uitweg</onderstreept></al><al>De vergunning voor het maken van een uitweg is aangewezen in artikel 2.2, eerste
                    lid onder e. van de Wabo. Hier is de term “het college” vervangen door “bevoegd
                    gezag”. Zie hieromtrent hetgeen is opgenomen onder artikel 1.1. Ook hier is
                    gekozen voor het vergunningsstelsel. Hiervoor geldt dezelfde argumentatie als
                    genoemd onder 2:10. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:14 Winkelwagentjes</onderstreept></al><al>Dit artikel tracht het ‘zwerfkarrenprobleem’ enigszins te verkleinen. Dit
                    artikel is conform de modelverordening APV 2012 gewijzigd. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk
                        voorwerp</onderstreept></al><al>In de model APV is het artikel waarin een vergunningsplicht is opgenomen voor
                    het plaatsen van voorwerpen op de weg in strijd met de bestemming ervan (artikel
                    2:10.) vervangen door een algemene regel waarin dit wordt verboden wanneer het
                    gevaar of hinder oplevert, of het normale gebruik van de weg hindert. Daarmee
                    verviel de noodzaak van het artikel over hinderlijke beplanting. Dit artikel was
                    daarom geschrapt in de modelverordening. In de verordening van Maassluis is dit
                    artikel wel gehandhaafd. Doordat meerdere gemeenten bij de VNG hebben aangegeven
                    om praktische redenen dit artikel te willen handhaven, is de tekst
                    teruggeplaatst in de modelverordening.</al><al>Het komt namelijk regelmatig voor dat burgers hun beplantingen zover laten
                    doorgroeien, dat deze hinder veroorzaken voor de voetgangers of het uitzicht
                    belemmeren voor het rijverkeer. Indien door bomen of planten het uitzicht
                    zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het
                    college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel
                    125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of
                    te snoeien.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en
                    natuurgebieden</onderstreept></al><al>Het artikel beoogt bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen
                    te gaan. Bij besluit zou dan gedurende een bepaalde periode een gebied (bossen,
                    heide of veengronden) moeten worden aangewezen waar roken niet is toegestaan.
                    Het Wetboek van Strafrecht biedt in dit geval ook nog bescherming. Met het oog
                    op de vereenvoudiging van de regelgeving is dit artikel niet overgenomen van het
                    VNG-model. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp openbare
                        plaats</onderstreept></al><al>Er is overwogen (net als in het model) dit artikel te schrappen. De politie
                    heeft echter aangegeven hiervan geen voorstander te zijn omdat hierop in de
                    praktijk wordt gehandhaafd.</al><al>Dit artikel moet ook in samenhang met (aanvulling op) artikel 2:10 worden gezien
                    en gaat niet verder dan het stellen van een afstandsvereiste voor het aanbrengen
                    van schrikdraad, puntdraad en dergelijke. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen</onderstreept></al><al>De VNG heeft dit artikel “gereserveerd”. In deze verordening is de oude bepaling
                    gehandhaafd omdat het in de praktijk geen slapend artikel is gebleken. U moet
                    hierbij denken aan het niet deugdelijk bevestigen van dekzeilen aan panden die
                    verbouwd worden.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:20a Dragen gevaarlijke voorwerpen</onderstreept></al><al>De politie hecht aan het hebben van een dergelijke bepaling omdat erop
                    gehandhaafd wordt. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn</onderstreept></al><al>Dit artikel is niet overgenomen van de modelverordening omdat er in Maassluis
                    geen bovengrondse hoogspanningslijnen zijn.</al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Afdeling 7 Evenementen</onderstreept></al><al>De artikelen behorend bij deze afdeling wijken enigszins af van de
                    modelverordening. Onderstaand worden de belangrijkste afwijkingen en wijzigingen
                    per artikel toegelicht. </al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 2:24 Begripsbepalingen</onderstreept></al><al>Bij deze wijziging van de APV is gekozen om een snuffelmarkt als evenement aan
                    te merken. Gevolg hiervan is dat afdeling 5 Snuffelmarkten waarin de artikelen
                    5:22 en 5:23 waren opgenomen zijn komen te vervallen. Een snuffelmarkt is nu in
                    de plaats gekomen van een klein evenement in artikel 2:24 lid 2e, Afdeling 7
                    Evenementen. Op openbare vermakelijkheden komen vaak veel bezoekers af. Deze
                    evenementen kunnen in beperkte of juist grote mate van invloed zijn op de
                    openbare orde. In verband met de toenemende openbare orde problematiek is dit
                    vergunningenstelsel aangepast en ingedeeld op basis van een risicomodel A-, B, C
                    en 0-evenementen. A-evenementen zijn evenementen met een laag risicoprofiel,
                    B-evenementen gemiddeld risicoprofiel, C-evenementen hoogrisicoprofiel en
                    0-evenementen laag risicoprofiel. Voor de A,B en C-evenementen geldt een
                    vergunningenstelsel. Controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar
                    voor de openbare orde, verlastsituaties, verkeersveiligheid, volksgezondheid,
                    zedelijkheid e.d. Ook de organisator is bij een vergunningstelstel gebaat, omdat
                    hij met de gemeente kan onderhandelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt hij
                    op het evenement toegesneden voorwaarden. Voor de 0-evenementen (laag
                    risicoprofiel) is een meldingsplicht van kracht. </al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 2:25 Evenement </onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Ten aanzien van de melding 0-evenementen en de evenementvergunning (A-, B- of C-
                    evenementen) is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien de impact die
                    dergelijke evenementen kunnen hebben, met name op de openbare orde. Ook vragen
                    vele aspecten zoals brandveiligheid, geluid, aanvoer, afvoer en parkeren van
                    bezoekers, om maatwerk dat alleen een inhoudelijke vergunningsbeschikking kan
                    bieden. Er zijn derhalve verschillende dwingende redenen van algemeen belang,
                    met name de openbare orde, openbare veiligheid en milieu om van een Lex silencio
                    positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard. </al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen</onderstreept></al><al>Een goede horeca, zowel qua kwantiteit als kwaliteit, levert een enorme bijdrage
                    aan de uitstraling van de gemeente. Reden waarom de gemeente Maassluis hecht aan
                    een strikte vergunningverlening en handhaving. Samen met de gemeente
                    Vlaardingen, politie en justitie is het zogenaamde Handhavingarrangement horeca
                    vastgesteld. De exploitatievergunning maakt hiervan deel uit. Vooral door de
                    hierin opgenomen aanpak kan de horecaoverlast binnen de gemeente effectief
                    worden aangepakt. Het persoonsgebonden karakter is hierbij juist enorm
                    belangrijk. Daarom zijn ook de eisen die de drank- en Horecawet stelt aan een
                    leidinggevende in de APV gelijkgesteld met die van de horeca exploitant. De
                    gedragseisen van de Drank- en Horecawet zijn expliciet in een AMvB geformuleerd. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:28 (Tijdelijke) Exploitatievergunning
                        horecabedrijf</onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Deze vergunning richt zich met name op de openbare orde. Een lex silencio
                    positivo is dan ook niet wenselijk om deze dwingende reden van algemeen belang.
                    Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard. </al><al></al><al>Aan dit artikel is de mogelijkheid toegevoegd voor het afgeven van tijdelijke
                    vergunningen voor ten hoogste één jaar (proefperiode). Dit is een goed
                    aanvullend instrument om in praktijkgevallen waarbij de weigeringsgronden
                    genoemd in artikel 2:28 lid 3 onvoldoende vaststaan, een tijdelijke vergunning
                    af te kunnen geven. </al><al></al><al>Voorts zijn ter verduidelijking de regels omtrent niet vergunningsplichtige
                    horecabedrijven uit artikel 2:28 gehaald en ondergebracht in een nieuw artikel
                    2:28a Vrijstelling vergunningplicht. De daarop volgende artikelen zijn daarom
                    ook vernummerd tot 2:28b Eisen exploitant en leidinggevende, 2:28c
                    Beslistermijn, en 2:28d Weigerings- en intrekkingsgronden. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:28a Vrijstelling vergunningplicht</onderstreept></al><al>Dit is een nieuw artikel voortgekomen uit de splitsing van artikel 2:28
                    Exploitatievergunning horecabedrijf en aanvraag(oud). In dit artikel zijn ter
                    verduidelijking apart de horecabedrijven opgenomen die vrijgesteld zijn van
                    vergunningplicht.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:28b Eisen exploitant en
                    leidinggevende</onderstreept></al><al>In verband met de wijziging in indeling van afdeling 8 is dit artikel qua
                    nummering gewijzigd van 2:28a naar 2:28 b. Voorts zijn de verwijzingen naar de
                    Drank- en Horecawet in de leden 1 en 2 in verband met de inwerkingtreding van de
                    nieuwe Drank- en horecawet per 1 januari 2013 gewijzigd. In lid 1 is de
                    verwijzing naar artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a en b, en derde lid van
                    de Drank- en Horecawet gewijzigd in artikel 8, eerste en tweede lid van de
                    Drank- en Horecawet. Voorts is in lid 2 de verwijzing naar artikel 8 , tweede
                    lid, aanhef en onder a en b, en derde lid van de Drank- en Horecawet gewijzigd
                    in artikel 8, eerste en tweede lid van de Drank- en Horecawet. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:28c Beslistermijn</onderstreept></al><al>In verband met een andere indeling van afdeling 8 (zie voorgaande toelichting op
                    afdeling 8) is dit artikel gewijzigd van 2:28b naar 2:28c. Voorts is ook de
                    beslistermijn gewijzigd van 12 weken naar 8 weken. Dit in verband met
                    gelijkschakeling met de nieuwe behandeltermijn van 8 weken voor een drank- en
                    horecavergunning vanuit de nieuwe Drank- en Horecawet per 1 januari 2013. Voor
                    gelijkschakeling is gekozen omdat Drank- en horecavergunningen veelal
                    tegelijkertijd met exploitatievergunningen worden aangevraagd. Ook de
                    verdagingstermijn in lid 2 is gewijzigd van 12 naar 8 weken. </al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 2:28d Weigerings- en
                    intrekkingsgronden</onderstreept></al><al>In verband met wijziging in indeling van afdeling 8 zijn de verwijzingen in dit
                    artikel naar andere artikelen in de afdeling passend gemaakt. In lid 1 sub b is
                    artikel 2:28a eerste lid gestelde eisen gewijzigd in artikel 2:28b eerste lid
                    gestelde eisen. Naast de algemene weigerings- en intrekkingsgronden vermeld in
                    artikelen 1:6 en 1:8 zijn in artikel 2:28d de meer specifieke weigerings-, en
                    intrekkingsgronden voor exploitatievergunningen opgenomen. In het eerste lid
                    staan de imperatieve weigeringsgronden genoemd. Teneinde een betere afstemming
                    te verwezenlijken tussen planologische en openbare orde-eisen die in afdeling 8
                    aan horecabedrijven worden gesteld, zijn aan lid 1 onderdeel a "strijd met een
                    geldend bestemmingsplan”, een aantal imperatieve weigeringsgronden toegevoegd. </al><al>Dit zijn de exploitatieplan, beheersverordening, een voorbereidingsbesluit, de
                    Wet milieubeheer of een horecagebiedsplan”. Zo wordt voorkomen, dat de
                    burgemeester gehouden is een exploitatievergunning te verlenen voor de
                    exploitatie van een inrichting, die volgens het bestemmingsplan of een andere
                    planologische regeling verboden is. Deze koppeling van planologie en openbare
                    orde is in overeenstemming met de geldende jurisprudentie. Ditzelfde geldt voor
                    het feit dat de exploitant nog niet beschikt over een akoestisch rapport
                    (geluidsrapportage). In dat geval is het niet wenselijk dat de burgemeester
                    vooruitlopende op de gestelde en benodigde aanpassingen van een inrichting
                    alvast een vergunning verleent.</al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 2:28e Opheffing vergunningplicht</onderstreept></al><al>In verband met wijziging in indeling van afdeling 8 is dit artikel qua nummering
                    gewijzigd van artikel 2:28d naar 2:28e. Inhoudelijk zijn er geen wijzigingen
                    doorgevoerd.</al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 2:31a Glazen drinkgerei</onderstreept></al><al>Wanneer zich op een weg relletjes of andere ongeregeldheden voordoen of zich
                    hebben voorgedaan, kan deze weg door de burgemeester worden aangewezen. Door
                    deze aanwijzing treedt voor exploitanten en leidinggevenden van de
                    horecabedrijven die aan de aangewezen weg zijn gelegen, het verbod in werking om
                    drank in een glas te verstrekken. Zo kan worden voorkomen dat er (nog meer) glas
                    op straat komt, waardoor de veiligheid van personen beter kan worden
                    gewaarborgd. In het aanwijzingsbesluit bepaalt de burgemeester de duur van de
                    periode waarin het verbod van kracht is. De burgemeester zal van zijn
                    aanwijzingsbevoegdheid gebruik maken om verstoring van de openbare orde te
                    voorkomen of te beëindigen. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:34a Geldigheidsduur vergunning</onderstreept></al><al>In de modelverordening is geen geldigheidsduur opgenomen. De geldigheidsduur
                    voor onbepaalde tijd is overeenkomstig de vorige APV.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:34b Beëindiging van de exploitatie</onderstreept></al><al>Dit artikel is nieuw toegevoegd. Het is van groot belang om een actueel
                    overzicht te</al><al>hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet</al><al>op grond van dit artikel worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of
                    overgedragen.</al><al>Ook wanneer slechts een van de exploitanten stopt, dient dit op grond van</al><al>het tweede lid te worden gemeld. De exploitatievergunning vervalt dan</al><al>echter niet. Om een actueel overzicht te behouden, is in het eerste lid, onder
                    b</al><al>opgenomen dat de exploitatievergunning van rechtswege vervalt, indien de</al><al>inrichting langer dan zes maanden niet wordt geëxploiteerd. Tenslotte is in het
                    eerste lid onder c opgenomen dat de exploitatievergunning ook vervalt bij
                    beëindiging van de onderneming. Hiermee wordt zowel de feitelijke beëindiging
                    (uitschrijving Kamer van Koophandel) bedoelt alsmede het veranderen van
                    bedrijfsvorm van de onderneming vermeld op de exploitatievergunning. </al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 2:37 Nachtregister</onderstreept></al><al>De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de houder van de
                    inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht. Tezamen
                    hebben artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht en de bepalingen van afdeling
                    9 (toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf) primair als
                    doel om, met de geregistreerde gegevens, de opsporing of aanhouding van door de
                    politie of justitie gezochte personen te vergemakkelijken. </al><al>In de modelverordening is het nachtregister “gereserveerd”. In Maassluis wordt
                    het om de aangegeven reden van belang geacht de verplichting van een
                    nachtregister te handhaven. De verplichting een door de burgemeester vastgesteld
                    model te gebruiken is vervallen. Door het vormvrij maken van het register is een
                    verlichting van administratieve lasten beoogd.</al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden</onderstreept></al><al>Deze afdeling is voor Maassluis niet van toepassing en dus niet van de model-APV
                    overgenomen. Daarbij komt dat de Wet op de Kansspelen een uitputtende regeling
                    bevat ten aanzien van kansspelen, zoals speelcasino’s en speelautomaten.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:42 Plakken en kladden</onderstreept></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt
                    reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in
                    artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt
                    als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere
                    middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een
                    bepaalde behoefte kan voorzien.</al><al>Op de in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde Vrijheid van meningsuiting zou
                    inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden
                    of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel
                    2:42 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde
                    verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van
                    dit middel van bekendmaking meebrengt, voor door dat gebruik een anders recht
                    wordt geschonden. De eis dat “plakken” slechts is toegestaan indien dit
                    geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de
                    gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat
                    aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7
                    van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak
                    toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke
                    hoedanigheid.</al><al>Artikel 2:42 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR,
                    aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting
                    dat uit de toepassing van artikel 2:42 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt
                    als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare
                    orde.</al><al>Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende
                    plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en
                    daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet, dan is er volgens
                    jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7, van de Grondwet en artikel
                    10 EVRM. Men volgt in het algemeen de norm van 1 plakbord of –zuil op de 10.000
                    inwoners. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:42a Graffiti</onderstreept></al><al>Artikel 2:42 is sprake van een absoluut verbod van bekladden. In de term
                    ‘bekladden’ ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als
                    bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR. Met
                    deze bepaling kan worden opgetreden tegen degenen die graffiti op onroerende
                    zaken aanbrengen.</al><al>Met de toevoeging van artikel 2:42a wordt beoogd dat de rechthebbende op de
                    onroerende zaak op korte termijn (zeven werkbare dagen) de graffiti
                    verwijdert.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en
                    dergelijke</onderstreept></al><al>In de praktijk doet zich dat niet voor. Met het oog op vereenvoudiging van de
                    regelgeving is deze bepaling niet overgenomen.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:47a Hinderlijk voetballen en
                    dergelijke</onderstreept></al><al>De praktijk heeft het nut aangetoond te beschikken over een bepaling die
                    verbiedt na 22.00 uur met een balspel bezig te zijn.</al><al></al><al><onderstreept> Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</onderstreept></al><al>Dit titel en tekst van dit artikel is gewijzigd conform de modelverordening APV
                    (oude titel: Openlijk drankgebruik). </al><al>Tevens is artikel 2:48a Hinderlijk drankgebruik op schoolpleinen en dergelijke
                    komen te vervallen en opgenomen als lid 3 bij dit artikel. </al><al>In het eerste lid van dit artikel is een algemeen verbod opgenomen om
                    alcoholhoudende drank te nuttigen indien dit gepaard gaat met gedragingen die de
                    openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins
                    overlast veroorzaken. Dit verbod geldt dus voor het hele gemeentelijk
                    grondgebied.</al><al> In het tweede lid is een verbod opgenomen om alcoholhoudende drank te nuttigen
                    of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich
                    te hebben in de onder a, b en c op voorhand aangewezen gebieden. Daarnaast kan
                    het college, indien dit nodig blijkt, nog andere gebieden aanwijzen waar dit
                    verbod van toepassing is (onder d). </al><al>In verband met de verstoring van de openbare orde bestaat er dus behoefte aan
                    een rechtsgrond zoals genoemd in het tweede lid, waardoor optreden in wat men
                    zou kunnen noemen de ‘voorfase’ – dus het bier drinken op bepaalde plaatsen –
                    mogelijk wordt. Het gaat daarbij om het verbieden van het bij zich hebben van
                    geopende flesjes alcoholhoudende drank. Het gaat de autonome verordenende
                    bevoegdheid van de gemeenteraad te boven om te bepalen dat het verboden is
                    ongeopende flesjes alcoholhoudende drank bij zich te dragen. </al><al> Lid 3 ziet op verboden drankgebruik op schoolpleinen en dergelijke. Binnen de
                    gemeente komt het voor dat overlast veroorzaakt wordt door personen als gevolg
                    van alcoholgebruik. Op grond van artikel 2:48 kan de politie optreden tegen
                    personen die op schoolpleinen, speelterreinen e.d. alcohol drinken of
                    aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich
                    hebben. De politie kan echter alleen handhavend optreden wanneer ze ziet dat er
                    daadwerkelijk wordt gedronken of dat er daadwerkelijk sprake is van aangebroken
                    verpakkingen e.d. van alcoholhoudende drank. De politie heeft aangegeven dat
                    handhavend optreden bemoeilijkt wordt doordat zij weliswaar alcohol bij personen
                    aantreft, maar nog in gesloten verpakking (trays met blikjes bier, kratten
                    bier). Optreden hiertegen is niet mogelijk op grond van artikel 2:48 lid 1 en 2.
                    Lid 3 biedt de politie een extra handvat om in de genoemde situatie op te treden
                    tegen jongeren op schoolpleinen, kinderspeelplaatsen e.d. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:53 Bespieden en heimelijk fotograferen/filmen van
                        personen</onderstreept></al><al>Dit artikel beschermt op verschillende manieren de privésfeer van burgers. Met
                    dit artikel wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren
                    verstoring van de privacy en persoonlijke levenssfeer te</al><al>verbieden. Het eerste en tweede lid kan als aanvulling worden gezien op artikel
                    285b Wetboek van strafrecht (stalking), dat het inbreuk maken op de levenssfeer
                    van een ander (om die ander te dwingen iets te doen, te dulden of vrees aan te
                    jagen) strafbaar stelt. Anders dan bij het delict uit artikel 285b WvS is hier
                    geen oogmerk vereist om iemand ergens toe brengen of van af te houden, dan wel
                    vrees aan te jagen. Met dit lid kan bijvoorbeeld worden opgetreden tegen het
                    ongewenst via een kijkgaatje begluren van</al><al>personen in kleedhokjes. Het derde lid is aanvullend op de artikelen 139f, 239,
                    246 en 441b Wetboek</al><al>van Strafrecht en ziet op het heimelijk fotograferen en filmen van (delen van)
                    personen waarbij de gefotografeerde of gefilmde personen er mogelijk geen weet
                    van hebben dat zij worden gefilmd of gefotografeerd en waarbij het heimelijk
                    fotograferen of filmen een aantasting van de eerbaarheid</al><al>oplevert of een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt. Onder 'heimelijk'
                    filmen of fotograferen wordt verstaan dat dit zonder instemming van de
                    betrokkene heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad heeft bepaald dat</al><al>het heimelijk filmen of fotograferen niet als 'ontuchtige handeling' in de zin
                    van artikel 246 Wetboek van Strafrecht kan worden gekwalificeerd (LJN:BW500, HR
                    10/04529, HR 10/05527). Dit leidde tot vrijspraak van een persoon die tijdens
                    een evenement met een daarvoor geprepareerde tas met daarin een camera onder de
                    rokken van dames foto's maakte. Het voyeuristische gedrag brengt volgens de HR
                    wel een grove schending van</al><al>de privacy met zich mee door binnen te dringen in de persoonlijke levenssfeer
                    met visuele middelen, maar is dus in principe geen ontuchtige handeling. Dit kan
                    onwenselijke situaties opleveren, waartegen met dit APV</al><al>artikel alsnog kan worden opgetreden. Toepassing zal plaatsvinden in excessieve
                    situaties of bij klachten van burgers over voyeurs. Een bepaling over heimelijk
                    afluisteren is in verband met artikelen 139a en verder, 374bis en 441a van het
                    Wetboek van Strafrecht niet nodig.</al><al><vet></vet></al><al><onderstreept>Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur</onderstreept></al><al>Met ingang van 1 januari 2004 is de wijziging van artikel 139f en 441b van het
                    Wetboek van Strafrecht in werking getreden. Bepalingen die gaan over de
                    uitbreiding van de strafbaarstelling heimelijk cameratoezicht. Daarnaast gelden
                    de regels van de Wet bescherming persoonsgegevens. Desondanks is aangegeven deze
                    bepaling te willen invullen en niet te reserveren zoals in het model van de
                    VNG.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:57 Loslopende honden, verboden plaatsen,
                        identificatie</onderstreept></al><al>Artikel 2:57 (loslopende honden) en artikel 2:58 (verontreiniging door honden)
                    maken deel uit van de modelverordening. In de nieuwe verordening zijn deze als
                    het ware samengevoegd in artikel 2:58 (overlast/verontreiniging door honden). De
                    tekst uit de vorige APV – waarin het hondenbeleid van een paar jaar geleden is
                    vastgelegd – is herhaald. In artikel 2:59 komt het aspect gevaarlijke honden aan
                    de orde. In tegenstelling tot de vorige APV is nu alles wat honden betreft,
                    logischer bij elkaar geplaatst. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:59 Gevaarlijk honden</onderstreept></al><al>Dit artikel is aanpast conform de modelverordening. De oude tekst verwees nog
                    naar de Regeling Agressieve Dieren die inmiddels is komen te vervallen. Dit
                    artikel schept voor het college de mogelijkheid om na een (bijt)incident met een
                    hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk op te
                    treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen en een
                    gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan worden of
                    helaas moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven en/of
                    kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling agressieve dieren is er
                    in landelijke</al><al>wetgeving geen definitie van muilkorf meer gegeven, vandaar dat er hier een
                    definitie is opgenomen. Op grond van het vijfde lid dient de eigenaar of houder
                    van een hond te voorkomen dat zijn hond door aanhoudend geblaf of gejank
                    hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust van omwonenden verstoort.</al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke
                        dieren</onderstreept></al><al>Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn als iemand dieren houdt. In het
                    APV-model van de VNG is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd
                    wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden
                    van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. In
                    de Maassluise bepaling is het kort en krachtig gehouden. Iemand die de zorg over
                    een dier heeft moet voorkomen dat een ander daar hinder van heeft. Dat kan dus
                    gaan over blaffende honden maar ook over situaties waar letsel bij personen of
                    dieren is veroorzaakt. Situaties die direct tot maatregelen dienen te leiden.
                    Bij hinder moet niet aan een eenmalige gebeurtenis worden gedacht maar in die
                    gevallen waar sprake is van extreme overlast. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:61 Voeren van vogels</onderstreept></al><al>Nieuw artikel in de APV bij wijziging van mei 2010. De aanleiding hiervan is
                    overlast van vogels in bepaalde woonwijken. In het kader van openbare orde en
                    veiligheid en de volksgezondheid is dit artikel opgenomen. In combinatie met een
                    communicatiecampagne is hier aandacht aan gegeven, zodat handhavend kan worden
                    opgetreden wanneer daartoe aanleiding bestaat. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:62 Loslopend vee</onderstreept></al><al>Geschrapt in het kader van deregulering. Het aantal veehouders (Weverskade,
                    Korte Buurt en Zuidbuurt) is minimaal en de kans op loslopend vee dermate
                    gering, dat dit artikel weinig nut heeft. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:63 Duiven </onderstreept></al><al>Geschrapt met het oog op vereenvoudiging van de regelgeving. Dit artikel heeft
                    (volgens de toelichting) ten doel de jagers de gelegenheid te geven om gedurende
                    een bepaalde periode tussen 1 maart en 1 juni het wilde duiven bestand door
                    middel van de jacht uit te dunnen. Dit speelt met name in akkerbouwgebieden waar
                    verwilderde duiven veel schade aanrichten en is dus in Maassluis van weinig
                    betekenis. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:64 Bijen</onderstreept></al><al>Evenzo geschrapt in verband met de deregulering. Er zijn in Maassluis geen
                    bijenhouders bekend. Indien zich toch problemen met het houden van bijen zouden
                    voordoen, kan gebruik worden gemaakt van artikel 2:60. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:65 Bedelarij</onderstreept></al><al>Geschrapt tegen de achtergrond van de deregulering. Dit artikel is door de VNG
                    facultatief opgenomen. In Maassluis speelt deze problematiek niet.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het
                        verkoopregister</onderstreept></al><al>De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het
                    verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Artikel 437, eerste lid, onder a, WvSr verplicht de
                    handelaar tot het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen
                    hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen. In de Memorie van Toelichting
                    wordt gezegd dat de administratieplicht alleen zinvol is als het om dit soort
                    goederen gaat, omdat dan de kans bestaat dat zij van misdrijf afkomstig
                    zijn.</al><al></al><al>In artikel 2 van eerdergenoemde AMvB worden regels gegeven betreffende de wijze
                    van aantekening houden. Zo is bepaald dat de registerplichtige handelaar een
                    doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en
                    daarin onverwijld de vereiste gegevens vermeldt: het zogenaamde verkoopregister.
                    Bij het opstellen van regels met betrekking tot het verkoopregister is
                    aansluiting gezocht bij de terminologie van de formulering van het
                    inkoopregister, welke overigens is geregeld bij wet en AMvB. Net als bij het
                    inkoopregister verdient het aanbeveling om de handelingen die leiden tot het
                    opstellen van een verkoopregister algemeen te omschrijven. Net als het
                    inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een doorlopend register
                    is een register waarin de aantekeningen waarvoor het is bestemd achtereenvolgens
                    naar tijdsorden worden ingeschreven, met uitsluiting van de mogelijkheid van
                    latere inschrijvingen. Een register waarin een aantal bladzijden ontbreekt, is
                    geen doorlopend register. Het register mag geen onregelmatigheden en hiaten
                    vertonen en moet chronologisch zijn.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Hier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden
                    (“alle” goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als
                    fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling
                    toegevoegd. De lex silencio positivo is van toepassing op de vrijstelling van
                    het tweede lid. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van één tot alle
                    verplichtingen in dit artikel. Doorgaans zal daarvoor een praktische reden zijn.
                    Bovendien lijdt de ondernemer doorgaans geen grote schade wanneer er per abuis
                    een vrijstelling van rechtswege ontstaat en die wordt teruggedraaid.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen
                        goederen</onderstreept></al><al>In het VNG-model is dit artikel “gereserveerd”. Besloten is de tekst uit de
                    vorige APV over te nemen c.q. te handhaven. De reden hiervan is dat bij een
                    regeling tot effectieve helingbestrijding een bepaling betreffende de
                    vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet mag ontbreken. Er is
                    gekozen voor een termijn van drie dagen, zodat de handel van de handelaren niet
                    al te zeer wordt belemmerd. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijf</onderstreept></al><al>Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen
                    (artikel 2:32)</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk
                        tijdens de verkoopdagen </onderstreept></al><al><cursief>Lex Silencio Positivo</cursief></al><al>Ten aanzien van een dergelijke vergunning is een lex silencio positivo niet
                    wenselijk, gezien de invloed op de openbare orde. In verband met de
                    veiligheidsaspecten, de grote toeloop die een vuurwerkhandel doorgaans met zich
                    meebrengt en de scherpe concurrentie in deze branche is er van afgezien om hier
                    een lex silencio positivo in te voeren. Er zijn derhalve verschillende dwingende
                    redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid en
                    milieu om van een Lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt
                    niet van toepassing verklaard. </al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 2:74a Verzameling van personen in verband met
                        drugs</onderstreept></al><al>Een (aanvullende) bepaling die ook was opgenomen in de vorige APV. Met behulp
                    van dit artikel kan de burgemeester gericht optreden om bepaalde straten of
                    delen van straten in de stad vrij te maken van het zogenaamde drugstoerisme.
                    Drugstoerisme geschiedt veelal groepsgewijs. Desondanks kan niet echt worden
                    gesproken van een ‘samenscholing’ als bedoeld in artikel 2:1 van de verordening.
                    Daarom is voor deze vorm van overlast een speciale bepaling opgesteld. Het
                    tweede lid verklaart het in het eerste lid opgenomen verbod niet van toepassing,
                    indien de verzameling van personen geen verband houdt met drugs. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:74b Openlijk druggebruik</onderstreept></al><al>Ook hier een aanvullende bepaling die in de vorige APV voorkwam. Veel
                    druggebruikers gebruiken hun drugs – of treffen daartoe voorbereidingen – in het
                    openbaar. Dit veroorzaakt veel gevoelens van onbehagen en onveiligheid bij het
                    publiek. Op basis van deze bepaling kan de politie overgaan tot aanhouding van
                    de betrokken gebruikers of deze van bepaalde plekken wegsturen. Ook kan de
                    politie de voorwerpen waarmee de overtreding wordt gepleegd (hulpmiddelen,
                    drugs) strafrechterlijk in beslag nemen. Het verbod is gerelateerd aan het
                    (openlijk) gebruik van drugs en richt zich dus tot de druggebruikers.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:74c Weggooien van spullen en
                    dergelijke</onderstreept></al><al>Dit aanvullende artikel verbiedt het zich ontdoen van attributen die bij gebruik
                    van drugs worden gebruikt. Omdat deze attributen veelal gevaarlijke objecten
                    zijn (m.n. injectienaalden) is een algemeen verbod gesteld om deze op of aan de
                    openbare weg achter te laten. Ook het weggooien van deze attributen in
                    afvalbakken is niet toegestaan vanwege de risico’s voor mensen die in
                    afvalbakken graaien of deze ambtshalve moeten legen. Spuiten e.d. dienen aan het
                    eigen ‘zorgkader’ te worden toevertrouwd (medische diensten en dergelijke).</al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</onderstreept></al><al>Deze bepaling met als basis artikel 154a Gemeentewet, is gericht op
                    grootschalige ordeverstoringen door groepen ordeverstoorders. Omdat de praktijk
                    leert dat de kans dat een dergelijke situatie zich in Maassluis voordoet zeer
                    nihil is, is dit artikel niet overgenomen. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</onderstreept></al><al>Dit artikel is ter verduidelijking verplaatst naar Hoofdstuk 2 Openbare orde,
                    afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden en daar opgenomen in een nieuw
                    artikel 2:1c. Zie ook de toelichting bij artikel 2:1c.</al><al><vet></vet></al><al><onderstreept>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare
                    plaatsen</onderstreept></al><al>Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet heeft de gemeenteraad aan de
                    burgemeester bij verordening de bevoegdheid verleend om, indien de handhaving
                    van de openbare orde dit noodzakelijk maakt, te besluiten tot plaatsing van
                    vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een
                    openbare plaats. </al><al>De invulling van het begrip ‘openbare plaats’ uit artikel 151c Gemeentewet is
                    ontleend aan de wetsgeschiedenis van de Wet Openbare Manifestaties (WOM). Op
                    grond van die wet omvat het begrip ‘openbare plaats’ in de meest algemene zin
                    van het woord alle plaatsen waar men komt en gaat. Vereist is in ieder geval dat
                    de plaats ‘openstaat voor publiek’. Dat wil zeggen dat iedereen vrij is om er te
                    komen, te vertoeven en te gaan, en dat er geen beletselen zijn in de vorm van
                    een meldingsplicht, een eis van voorafgaand verlof of de heffing van een
                    toegangsprijs (zoals bijvoorbeeld het geval is bij stadions, postkantoren,
                    gemeentehuizen, parkeerterreinen, musea, warenhuizen en ziekenhuizen.) Voorts
                    geldt dat het open staan van de plaats dient te zijn gebaseerd op bestemming of
                    op vast gebruik. Aangezien het ongewenst is dat bij parkeerterreinen, als
                    plaatsen die wel voor een ieder toegankelijk zijn, geen cameratoezicht in het
                    kader van de openbare orde mogelijk zou zijn, heeft de raad gebruik gemaakt van
                    zijn bevoegdheid deze plaatsen aan te wijzen als openbare plaatsen (artikel 2:
                    77 lid 2). De burgemeester kan besluiten cameratoezicht in te stellen op
                    openbare plaatsen als dit noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare
                    orde. Het moet gaan om plaatsing van vaste camera’s (nagelvast bevestigd). Er
                    moet sprake zijn van een gebied waarin zich onveilige situaties of met enige
                    regelmaat wanordelijkheden voordoen. Dit zal moeten blijken uit een grondige
                    analyse van de veiligheidssituatie die wordt aangeleverd door de korpschef.
                    Vastgesteld moet worden dat er een evenwichtige verhouding bestaat tussen het
                    doel en het middel (proportionaliteit) en dat het doel van de handhaving van de
                    openbare orde niet op een minder ingrijpende wijze kan worden bereikt
                    (subsidiariteit). Het gebruik van camera’s moet kenbaar zijn voor het publiek.
                    De aanwijzing van een gebied waar cameratoezicht zal worden ingesteld geschiedt
                    voor een bepaalde duur, die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is
                    dan strikt noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare orde. Doorgaans
                    zal worden gekozen voor het instellen van cameratoezicht voor een periode van
                    twee jaar, waarbij jaarlijks een rapportage wordt opgemaakt. De gemeenteraad
                    wordt over het instellen van cameratoezicht geïnformeerd, evenals over de
                    jaarrapportage en tussentijdse wijzigingen in een cameraproject. Over het
                    voornemen tot een besluit tot het vaststellen van de periode waarin de
                    geplaatste camera’s daadwerkelijk zullen worden gebruikt en de beelden in elk
                    geval rechtstreeks zullen worden bekeken, voert de burgemeester in het lokale
                    driehoeksoverleg overleg met de Officier van Justitie. De beelden kunnen
                    namelijk onder voorwaarden gebruikt worden ten behoeve van de opsporing en
                    vervolging van een gepleegd strafbaar feit. Het besluit van de burgemeester tot
                    plaatsing van camera’s op een openbare plaats is een besluit in de zin van de
                    Algemene Wet Bestuursrecht waartegen bezwaar en beroep openstaat. </al><al>In artikel 151c van de Gemeentewet en de bijbehorende toelichting worden de
                    voorwaarden voor het instellen van cameratoezicht en de uitvoering daarvan
                    beschreven. Nadere bepalingen betreffende de uitvoering van het cameratoezicht
                    (de eisen die worden gesteld aan het camerasysteem, de camera observanten en de
                    cameratoezichtcentrale) staan in het Ontwerpbesluit cameratoezicht openbare
                    plaatsen.</al><al></al><al><vet>Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie en
                        dergelijke</vet></al><al></al><al><onderstreept>Artikel 3:4 Seksinrichtingen</onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Deze vergunning beschermt wezenlijke belangen, met name de openbare orde en
                    volksgezondheid. Het is hoogst onwenselijk als deze vergunning van rechtswege
                    wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft
                    plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio positivo is hier dan ook niet
                    wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde en
                    volksgezondheid. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 3:9 Beslistermijn</onderstreept></al><al>Per 1 januari 2013 is de nieuwe Drank- en Horecawet inwerking getreden. In deze
                    nieuwe wet is de behandeltermijn voor een drank- en horecavergunning verkort van
                    12 weken naar 8 weken. In verband met deze nieuwe beslistermijn is ook de
                    beslistermijn van de exploitatievergunning horecabedrijf in artikel 2:28b van 12
                    weken naar 8 weken verkort. Voor gelijkschakeling is gekozen omdat Drank- en
                    horecavergunningen veelal tegelijkertijd met exploitatievergunningen worden
                    aangevraagd. Dientengevolge is ook de beslistermijn voor een
                    exploitatievergunning voor een seksinrichting verkort van 12 weken naar 8 weken. </al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 3:10a Intrekkingsgronden</onderstreept></al><al>Dit aanvullende artikel geeft het bestuursorgaan de mogelijkheid de vergunning
                    tijdelijk of voor onbepaalde tijd, geheel of gedeeltelijk in te trekken. De
                    onder a genoemde intrekkingsgrond noemt de situatie dat het bestuursorgaan de
                    exploitatievergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens heeft
                    verleend. De intrekkingsgronden genoemd onder d, e en f vloeien rechtstreeks
                    voort uit de doelstellingen die de wetgever heeft gehanteerd bij de opheffing
                    van het bordeelverbod per 1 oktober 2000. </al><al>Met betrekking tot de onder k genoemde intrekkingsgrond wordt opgemerkt dat bij
                    gebruikmaking daarvan de motivering aan zware eisen dient te voldoen. Het
                    betreft immers omstandigheden waarop de betrokken vergunninghouder doorgaans
                    geen invloed kan uitoefenen. Voorts mag hij erop vertrouwen dat een aan hem
                    verleende vergunning normaal gesproken in stand blijft temeer gelet op de
                    financiële consequenties. </al><al>Voor de overige intrekkingsgronden is aansluiting gezocht bij de
                    intrekkingsgronden die worden genoemd bij horeca-inrichtingen. Deze betreffen de
                    persoon van de exploitant of leidinggevende. Achtergrond van deze gronden is de
                    behoefte om deze personen meer rechtstreeks en effectief te kunnen aanspreken op
                    hun doen en laten. Aan deze personen dienen hoge eisen te worden gesteld voor
                    wat betreft hun levenswandel. </al><al></al><al><onderstreept>Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg
                        voor het uiterlijk aanzien van de gemeente</onderstreept></al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 4:1 Begripsbepalingen</onderstreept></al><al><onderstreept></onderstreept></al><al>Conform de modelverordening zijn ter verduidelijking van artikelen in de APV
                    nieuwe bepalingen opgenomen tot wat geluidsgevoelige gebouwen, geluidsgevoelige
                    terreinen en onversterkte muziek. </al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele
                    activiteiten</onderstreept></al><al>Aan dit artikel is een nieuw lid toegevoegd onder 7 om het ten gehore brengen
                    van muziek tijdens incidentele festiviteiten waarbij de geluidsnormen zoals
                    opgenomen in artikel 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit algemene regels voor
                    inrichtingen milieubeheer, alsmede de geluidsnormen in artikel 4:5 van deze
                    verordening niet van toepassing zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>op zondag, maandag , dinsdag, woensdag of donderdag uiterlijk om 24:00
                            uur te laten beëindigen;</al></li><li nr="2."><al>op vrijdag en zaterdag uiterlijk om 02:00 uur te laten beëindigen. </al></li></lijst><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten</onderstreept></al><al>Gereserveerd in de model-APV. De tekst vanuit de vorige APV gehandhaafd.</al><al>Indien blijkt dat festiviteit het woon- en leefsituatie in de omgeving van de
                    inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed, kan de
                    burgemeester de festiviteit verbieden. Het hoeft geen uitleg dat de burgemeester
                    niet ongeclausuleerd gebruik kan maken van deze bevoegdheid. Er moet steeds
                    concreet worden gemotiveerd waarom de festiviteit tot een zo grote verstoring
                    van de openbare orde of het woon en leefklimaat leidt dat een verbod geboden
                    is.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 4:4a Geluidsplafond</onderstreept></al><al>Dit is een nieuw artikel waarbij het college de mogelijkheid krijgt om nadere
                    regels te stellen om zo geluidhinder bij collectieve (artikel 4:2) of
                    incidentele festiviteiten (artikel 4:3) te kunnen voorkomen of te beperken. Het
                    niet behoeven te voldoen aan de geluidvoorschriften uit het Besluit algemene
                    regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) betekent
                    voor de exploitanten van inrichtingen overigens geen vrijbrief om 'onbeperkt
                    (geluid) hinder' te veroorzaken bij collectieve of incidentele festiviteiten. Op
                    grond van artikel 2.21, tweede lid, van het Activiteitenbesluit kunnen bij of
                    krachtens gemeentelijke verordening nadere regels worden gesteld ter voorkoming
                    of beperking van geluidhinder bij festiviteiten. Hierbij valt te denken aan het
                    invoeren van een geluidsnorm of de verplichting om bepaalde maatregelen te
                    treffen. Artikel 4:4a maakt het mogelijk dat het college deze nadere regels kan
                    stellen.</al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 4:6 Overige geluidhinder</onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo </cursief></al><al>Het tweede lid maakt een ontheffing van het verbod in het eerste lid mogelijk.
                    Vanwege de overlast en ergernis die geluidsoverlast oplevert is er van afgezien
                    om hier een lex silencio positivo toe te passen.</al><al>Bedacht moet worden dat klachten over vormen van geluidhinder nogal eens een
                    minder goede verstandhouding tussen buren of omwonenden als achtergrond hebben.
                    Normale handelingen worden dan eerder als (geluid)hinderlijk ervaren, terwijl
                    men minder geneigd is aan een afdoende oplossing mee te werken.</al><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht wordt niet van toepassing
                    verklaard.</al><al></al><al>Door in het eerste lid de zinsnede “een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer of het Besluit” op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd.
                    Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een
                    milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel zijn
                    algemene regels op grond van het Besluit van toepassing. In deze algemene regels
                    zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.</al><al>In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wet openbare
                    manifestaties, het Vuurwerkbesluit een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is
                    gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in lid 3. De provinciale
                    milieuverordening is toegevoegd in dit lid. In een provinciale milieuverordening
                    kunnen namelijk zogenaamde milieubeschermingsgebieden worden aangewezen,
                    waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij provinciale
                    milieuverordening regels over het voorkomen en beperken van geluidhinder worden
                    gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De provinciale milieuverordening gaat in
                    dit geval voor de gemeentelijke verordening. Voor wat betreft de afbakening met
                    hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de
                    bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een
                    wet, AMvB of een provinciale verordening wordt voorzien. De term “onderwerp” in
                    artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde
                    motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De
                    formulering van de afbakeningsbepaling in het derde lid sluit daarom aan bij de
                    Gemeentewet. Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin
                    de andere regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:</al><lijst><li nr=""><al>- een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een
                            kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.;</al></li><li nr=""><al>- het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame
                            of muziek maken of mededelingen doen;</al></li><li nr=""><al>- het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;</al></li><li nr=""><al>- het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen;</al></li><li nr=""><al>- het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen,
                            trilhamers en heistellingen;</al></li><li nr=""><al>- het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz.,
                            enz.</al></li><li nr=""><al>- overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al></al></li></lijst><lijst><li nr=""><al></al></li></lijst><al>Voorts kunnen onder artikel 4:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door
                    het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van
                    muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten
                    draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van
                    geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook
                    niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde,
                    aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging
                    betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke
                    situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke
                    maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een
                    zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden
                    aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met
                    voorschriften.</al><al></al><al></al><al><onderstreept>Artikel 4:6a Geluidhinder door handelingen t.b.v.
                        bouwwerkzaamheden</onderstreept></al><al>Dit nieuwe, aanvullende artikel beoogt geluidhinder voor omwonenden van een
                    bouwterrein te voorkomen. Onder de werking van deze bepaling vallen handelingen
                    die ten behoeve van bouwwerkzaamheden worden verricht. Te denken valt hierbij
                    aan de aan- en afvoer van materieel, het laden en lossen van vrachtauto’s met
                    bouwmaterialen enz. In dit artikel is een verbod opgenomen om vóór 7.00 uur en
                    na 19.00 uur dergelijke handelingen te verrichten of te laten verrichten wanneer
                    daardoor geluidhinder voor een omwonende of overigens voor de omgeving wordt
                    veroorzaakt. </al><al>Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel
                    122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als
                    in het onderwerp door een wet of een provinciale verordening wordt voorzien
                    (derde lid). </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 4:6b (Geluid)hinder door bromfietsen en
                        dergelijke</onderstreept></al><al>Dit artikel is vanuit de modelverordening APV opnieuw toegevoegd. Het regelt het
                    verbod om buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer zich met een
                    motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een
                    omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder ontstaat. Artikel 4:6b
                    verbiedt het zich “(geluid)hinderlijk” gedragen met een motorvoertuig of een
                    bromfiets. “Gedragen” betreft niet alleen het rondrijden, maar ook het stilstaan
                    met (luidruchtig) draaiende motor. Het artikel komt niet in strijd met het
                    bepaalde in de Wegenverkeerswet; de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat deze wet geen
                    betrekking heeft op het misbruiken van de weg door personen die daarbij geen
                    eigen verkeersbelang kunnen doen gelden.</al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 4:7 Straatvegen</onderstreept></al><al>Het artikel is in de model-APV facultatief opgenomen. Omdat dit artikel in de
                    praktijk (volgens de vorige APV) een slapend artikel is gebleken, is het met het
                    oog op de vereenvoudiging geschrapt. </al><al></al><al><vet><onderstreept>Afdeling 3. Het bewaren van
                        houtopstanden</onderstreept></vet></al><al><vet></vet></al><al>Artikel 4:10 Begripsbepalingen</al><al>Ten aanzien van artikel 4:10 lid 1 zijn de volgende wijzigen doorgevoerd.</al><al></al><al>Artikel 4:10 lid 1g. boomwaarde is aangepast. De richtlijnen van de Nederlandse
                    Vereniging van Taxateurs van Bomen en houtige gewassen (NVTB) voor de monetaire
                    boomwaarde worden jaarlijks vastgesteld aan de hand van de prijsindexcijfers van
                    het CBS, marktprijsgemiddelden en andere kengetallen. De richtlijnen gelden als
                    de meest deskundige methodiek voor de wijze van vaststellen van de geldwaarde
                    van bomen en worden in de rechtspraak erkend. </al><al></al><al>Artikel 4:10 lid 1h, vellen, is aangepast. Kandelaberen of het snoeien van meer
                    dan 30 procent van het kroonvolume, vallen nu onder vellen. Dit om het ernstig
                    beschadigen of ontsieren van een boom(kroon) tegen te kunnen gaan.</al><al><cursief></cursief></al><al>Artikel 4:10 lid 1i <vet>, </vet>Bomen Effect Analyse<vet></vet>is toegevoegd.
                    Om bomen goed in te passen en schade te voorkomen bij de bouw en aanleg van
                    huizen, wegen, rioleringen of kabels en leidingen dient er in sommige gevallen
                    een Bomen effectanalyse te worden uitgevoerd. De Bomen Effect Analyse (BEA) is
                    de landelijke richtlijn van de Bomenstichting voor een nauwgezette en
                    onafhankelijke beoordeling, voorafgaand aan de voorgenomen bouw of aanleg. Deze
                    standaardisering waarborgt de boomtechnische kwaliteit en garandeert een goede
                    beoordeling van alle effecten en mogelijke alternatieven. Een BEA dient
                    uitgevoerd te worden door een deskundig boomverzorger of boomtechnisch adviseur.
                    De resultaten van deze beoordeling kunnen vervolgens worden meegenomen in de
                    besluitvorming rond bouw of aanleg.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van
                        houtopstanden</onderstreept></al><al><cursief>Lex Silencio Positivo</cursief></al><al>Voor omgevingsvergunningen geldt altijd een LSP. Paragraaf 4.1.3.3. van de
                    Algemene wet bestuursrecht wordt dan ook van toepassing verklaard. Voorts zijn
                    er een aantal wijzigingen doorgevoerd in dit artikel. De leden 4:11 lid 2 a, b,
                    c en d zijn komen te vervallen. Onderstaand wordt artikelgewijs de motivering
                    hiervoor gegeven. </al><al>2a. wegbeplantingen en eenrijige beplanting langs landbouwgronden komen in
                    Maasluis niet voor;</al><al>b. vruchtbomen en windschermen vallen onder het regulier boombeleid en hoeven
                    niet te worden uitgezonderd;</al><al>c. fijnsparren en coniferen vallen onder het regulier boombeleid en hoeven niet
                    te worden uitgezonderd;</al><al>d. kweekgoed valt onder het regulier boombeleid en hoeft niet te worden
                    uitgezonderd.</al><al></al><al>Vervolgens zijn aan artikel 4:11 toegevoegd:</al><al>2b. voor knotten en kandelaberen als beheermaatregel geldt een
                    vrijstelling;</al><al>d. in het kader van deregulering geldt er voor kleine voortuinen ≤ 20 m² een
                    vrijstelling.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 4:11c Bijzondere vergunningsvoorschriften
                    </onderstreept></al><al>Aan dit artikel is een extra lid 3 toegevoegd. In projecten waar geen herplant
                    kan plaatsvinden, kan er een financiële compensatie worden opgelegd zodat er
                    elders in de stad nieuwe bomen kunnen worden geplant. Om voortijdige of onnodige
                    kap te voorkomen dient de noodzaak van de kap te worden aangetoond.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 4:11d Herplant-/instandhoudingsplicht</onderstreept></al><al>Aan dit artikel zijn toevoegingen opgenomen in lid 3 (onder punt a en b) dat om
                    instandhouding van een houtopstand te kunnen borgen het bevoegd gezag
                    verplichtingen kan voorschrijven in de vorm van aanwijzingen of het laten
                    opstellen van een Bomen Effect Analyse (BEA).</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 4:12 Vergunning van rechtswege/Artikel 4:12a Vervaltermijn
                        vergunning</onderstreept></al><al>Om een te snelle of onnodige kap te voorkomen is er geen vervaltermijn
                    opgenomen.</al><al>Houtopstanden mogen pas worden gekapt indien de noodzaak van de kap is
                    aangetoond. Voortijdige kap is conform artikel 4.11c lid 3 niet toegestaan.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 4:13a Verontreiniging bij werkzaamheden op een openbare
                        plaats</onderstreept></al><al>Artikel 4:13 verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit
                    oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare
                    opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten. De weg niet
                    reinigen na verontreiniging bij laden, lossen, vervoer of andere werkzaamheden
                    terstond bij gevaar voor de verkeersveiligheid of voor beschadiging van het
                    wegdek, komt in Maassluis (regelmatig) voor (zie artikel 2:10; voorwerpen of
                    stoffen aan, op, in of boven een openbare plaats). Het onderhavige, aanvullende
                    artikel stelt verplicht de weg, indien er gevaar dreigt voor de
                    verkeersveiligheid of beschadiging van het wegdek, na verontreiniging ervan bij
                    laden, lossen, vervoer of andere werkzaamheden, terstond te reinigen.</al><al><onderstreept></onderstreept></al><al></al><al><onderstreept>Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterrein</onderstreept></al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 4:17 Begripsbepaling</onderstreept></al><al>Dit artikel is gewijzigd conform de tekst van de modelverordening APV. De oude
                    tekst verwees nog naar artikel 40 woningwet voor een bouwvergunning. Met de
                    inwerkingtreding van de WABO is dit gewijzigd in artikel 2.1, eerste lid onder a
                    van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. </al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten
                        kampeerterreinen</onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Dit artikel dient met name de bescherming van natuur en milieu. Het zou hoogst
                    onwaarschijnlijk zijn als er een vergunning van rechtswege zou ontstaan die
                    toestaat dat in een kwetsbaar natuurgebied gekampeerd wordt. Paragraaf 4.1.3.3.
                    Awb wordt niet van toepassing verklaard. Voorts is dit artikel in
                    overeenstemming gebracht met de modelverordening APV. Op grond van dit artikel
                    is het verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te
                    plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat zodanig in het
                    bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is
                    bestemd of mede bestemd.</al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen</onderstreept></al><al>Het verbod opgenomen in artikel 4:18 eerste lid wordt niet van toepassing
                    verklaard op door het college aangewezen plaatsen. Voorts kan het college op
                    grond van lid 2 en 3 nadere regels stellen ten aanzien van de duur en periode
                    waarbij dit verbod niet geldt alsmede regels stellen ter bescherming van de
                    natuur en/of landschap en/of het stadsgezicht. </al><al><vet></vet></al><al><onderstreept>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en
                        dergelijke</onderstreept></al><al><cursief>Lex Silencio positivo</cursief></al><al>In lid 4 van dit artikel is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen op het verbod
                    om voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te
                    verhandelen. Het is voor de verkeersveiligheid een ongewenste situatie dat bij
                    het niet tijdig beslissen een vergunning van rechtswege zou ontstaan. Gezien de
                    overlast die daarmee gepaard kan gaan is het niet wenselijk om hier een lex
                    silencio positivo toe te passen. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                    bestuursrecht wordt niet van toepassing verklaard. </al><al><onderstreept></onderstreept></al><al></al><al><onderstreept>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</onderstreept></al><al><cursief>Lex Silencio positivo</cursief></al><al>Dit artikel dient om te kunnen optreden tegen geïmproviseerde kleine automarkten
                    op de openbare weg. Gezien de overlast die daarmee gepaard kan gaan is het niet
                    wenselijk om hier een lex silencio positivo toe te passen. Paragraaf 4.1.3.3 van
                    de Algemene wet bestuursrecht wordt niet van toepassing verklaard. </al><al><vet></vet></al><al><vet>Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de
                        gemeente</vet></al><al></al><al><onderstreept>Artikel 5:6 Kampeermiddelen en dergelijke</onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>In verband met situaties waarbij de openbare orde/verkeersveiligheid in het
                    geding kan raken of dat de beperkte parkeerruimte door caravans e.d. overbelast
                    zou raken zou het onwenselijk zijn dat een ontheffing zoals opgenomen in lid 3
                    zou ontstaan als er een beslistermijn wordt overschreden. Om die reden is van
                    een lex silencio positivo afgezien. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                    bestuursrecht is niet van toepassing. </al><al><cursief>Eerste lid, onder a</cursief></al><al>Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van
                    voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder
                    geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens,
                    keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden “parkeren” gewijzigd
                    in “te plaatsen of te hebben” om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te
                    maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan,
                    aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt handhaving van deze bepaling niet
                    langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan
                    verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten
                    (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als
                    vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen.</al><al>Gezien de veelal toenemende parkeerdruk op de openbare weg - vaak juist ook in
                    woonwijken - zou ervoor gekozen kunnen worden om de redactie van de bepaling in
                    het eerste lid onder a stringenter te redigeren en direct voor de gehele
                    gemeente (of een gedeelte daarvan) van toepassing te verklaren:</al><al>“a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen (binnen de bebouwde kom)
                    op de weg te plaatsen of te hebben;”</al><al><cursief>Eerste lid, onder b</cursief></al><al>Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van
                    de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d. elders dan op de weg
                    in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een
                    “eigenlijk” parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt
                    op een weg (in de zin van de WVW 1994).</al><al>Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip
                    “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op
                    de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het
                    voertuig. In lid 2 is opgenomen dat de zogenoemde “driedagenregeling” niet geldt
                    in de periode 1 juli tot 1 september.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 5:6a Parkeren van caravans, aanhangwagens in een
                        parkeerschijfzône</onderstreept></al><al>Op diverse plaatsen is een zogenaamde parkeerschijfzone ingesteld. Dit houdt in
                    dat alleen in de aangelegde parkeervakken geparkeerd mag worden (aangelegd met
                    een blauwe streep). Bij deze parkeervakken is het gebruik van de parkeerschijf
                    verplicht. De bedoeling van een parkeerzône is het langdurig parkeren
                    verhinderen. Het gebruik van de parkeerschijf is alleen verplicht gedurende de
                    tijd die op het onderbord staat aangegeven. </al><al>Dit artikel als aanvulling op artikel 5:6, wil voor alle duidelijkheid aangeven
                    dat onverminderd de caravanregeling, het nimmer is toegestaan caravans, campers
                    en aanhangwagens te mogen plaatsen in een parkeerschijfzône.</al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>In verband met situaties waarbij de openbare orde/verkeersveiligheid in het
                    geding kan raken of dat de beperkte parkeerruimte overbelast zou raken zou het
                    onwenselijk zijn dat een ontheffing zoals opgenomen in lid 4 zou ontstaan als er
                    een beslistermijn wordt overschreden. Om die reden is van een lex silencio
                    positivo afgezien. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet
                    van toepassing. </al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 5:9a Parkeren op aanbiedplaats huishoudelijk
                        afval</onderstreept></al><al>Deze aanvullende bepaling spreekt eigenlijk voor zich. Er zijn (parkeer)plaatsen
                    aangewezen waarop de burgers hun afval moeten aanbieden. Het verbod houdt in dat
                    op het aangegeven moment (dag) daar dan niet geparkeerd mag worden.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 5:11 Aantasting groenvoorziening door
                        voertuigen</onderstreept></al><al>Is feitelijk al geregeld in artikel 2:46. Mede met het oog op de deregulering is
                    onderhavig artikel vervallen. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen</onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Gezien het ideële belang van collectes, die doorgaans voor een bepaald moment
                    zijn gepland en waarbij voor dat moment vrijwilligers e.d. zijn aangezocht, is
                    het van belang dat er tijdig op een aanvraag wordt beslist. Wij hebben ervoor
                    gekozen daarom wel een lex silencio positivo op te nemen. Paragraaf 4.1.3.3.
                    Algemene wet bestuursrecht wordt van toepassing verklaard. </al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Van oudsher wordt in Nederland op ruime schaal een beroep gedaan op de
                    liefdadigheidszin van het publiek door middel van collecten, inschrijvingen,
                    verkoop van steunbonnetjes enz. Doorgaans gaan inzamelingsacties uit van
                    volkomen betrouwbare instellingen. Incidenteel komt het voor dat bij de
                    inzamelaar niet de charitatieve doelstelling voorop staat maar een ander
                    (commercieel) belang. Hierbij wordt bij de burger de indruk gewekt dat de
                    opbrengst naar het goede doel gaat terwijl dit voor maar een klein deel het
                    geval is.</al><al>Buiten de sfeer van het strafrecht ligt het bestrijden van ongewenste praktijken
                    primair op de weg van de gemeenten die het vergunningenbeleid voor inzamelingen
                    in handen hebben. Dit is destijds verwoord in de Memorie van Toelichting (MvT)
                    bij het wetsontwerp tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met een
                    bepaling omtrent telefonische colportage voor een goed doel (Kamerstuk 15678,
                    Stb. 1982,12). In de MvT wordt het volgende opgemerkt: “Ook de overheid heeft
                    een taak om het misbruik dat in sommige gevallen van de betere gevoelens van de
                    mensen en van hun goedgeefsheid wordt gemaakt te bestrijden. Niet alleen is dit
                    nodig ter bescherming van het publiek, maar ook ter bescherming van de bonafide
                    charitatieve instellingen, die voor de financiering van hun activiteiten in
                    meerdere of mindere mate zijn aangewezen op de offerzin van het publiek”.</al><al><cursief>De rol van het Centraal Bureau Fondsenwerving</cursief></al><al>Het CBF is een onafhankelijke stichting die al sinds 1925 toezicht houdt op de
                    inzameling van geld voor goede doelen. Een van de belangrijkste taken van het
                    CBF is het beoordelen van fondsenwervende instellingen. Vrijwel alle Nederlandse
                    gemeenten zijn aangesloten bij het CBF. Ze worden regelmatig door het CBF
                    geïnformeerd, of nemen zelf contact op voor nadere informatie. Het CBF is zo het
                    eerste aanspreekpunt voor gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen op het gebied van
                    fondsenwerving en goede doelen. De beoordelingen van het CBF vormen een leidraad
                    bij het verstrekken van de incidentele inzamelingsvergunningen door de gemeenten
                    aan instellingen die niet voorkomen op het collecterooster. Via afspraken met
                    alle gemeenten en een aantal grote nationale fondsen is in 1949 een
                    “collectenplan” gerealiseerd. Dit plan houdt onder meer in dat het CBF
                    jaarlijks, op voorstel van de Stichting Collectenplan, een rooster vaststelt
                    waarin aan grote landelijk collecterende fondsen voor hun inzamelingsactie een
                    week wordt toegewezen. De “vrije” perioden zijn beschikbaar voor andere
                    instellingen. Een essentieel element van het rooster is de exclusiviteit. De
                    fondsen krijgen desgevraagd als enige een inzamelingsvergunning van alle
                    gemeenten voor de betreffende week. Slechts in goed overleg tussen betrokken
                    instelling en de gemeente in kwestie zijn hierop uitzonderingen mogelijk.</al><al><cursief>Huidige ontwikkelingen</cursief></al><al>De vraag is of in de huidige maatschappij nog steeds behoefte is aan een
                    beschermende overheid zowel in het kader van het toezicht op bonafide
                    instellingen als van de beperking van het aantal inzamelingen met het oog op het
                    voorkomen van overlast voor burgers. Er zijn verschillende redenen om deze rol
                    van de overheid voort te zetten.</al><al>- De manieren waarop wordt ingezameld zijn steeds indringender geworden: via de
                    post (direct mail), de telefoon, het aanspreken op straat (direct dialogue),
                    door shows op tv (het Glazen Huis) en concerten </al><al>(Live Aid, ) direct of indirect aangesproken.</al><al>- De goede doelen-branche is steeds verder geprofessionaliseerd; denk aan de
                    professionele (commerciële) en wervingsbedrijven. Deze sales- en
                    marketingbedrijven zijn gericht op het werven van klanten (leden of donateurs)
                    voor hun opdrachtgevers.</al><al>Er zijn daarnaast nog steeds kwetsbare groepen in de samenleving die enige
                    bescherming nodig hebben. Niet voor niets wordt regelmatig aangegeven dat het
                    bij bezoek aan de deur, voor wat voor reden dan ook, verstandig is een
                    legitimatie te vragen. Dit alles doet vermoeden dat de gevolgen van het
                    afschaffen van een inzamelingsvergunning ongewenst zijn. Dit is voor de gemeente
                    dan ook de reden om de inzamelingsvergunning niet te schrappen uit de
                    verordening.</al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 5:15 Venten en dergelijke</onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Aan de verlening of weigering van een ventvergunning ligt een relatief
                    eenvoudige afweging ten grondslag en zullen de gevolgen van een ventvergunning
                    doorgaans beperkt zijn. Er zijn geen dwingende redenen van algemeen belang
                    aanwezig om van een lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3 Awb
                    wordt op het artikel van toepassing verklaard.</al><al></al><al>Mede met het oog op de ontwikkelingen van de laatste tijd is gekozen voor een
                    algeheel verbod op het venten, behoudens indien met een door het college
                    verstrekte vergunning wordt gehandeld. Het verbod te venten zonder vergunning
                    was overigens ook opgenomen in de vorige APV. De VNG gaat in haar model ook uit
                    van een verbod maar zonder vergunningenvereiste. In deze verordening is gekozen
                    voor een vergunningenstelsel om reden als vermeld in de toelichting bij artikel
                    2:10.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting</onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Er is voor gekozen hier wel een lex silencio positivo op te nemen. De vrijheid
                    van meningsuiting is een zaak van belang, en het zou niet wenselijk zijn als de
                    overheid hier door niet te beslissen de zaak in het onzekere zou laten.
                    Paragraaf 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht wordt van toepassing
                    verklaard.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Algemeen</cursief></al><al>Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de
                    gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking. In de jurisprudentie
                    is het aanbieden van of venten met gedrukte stukken als een zelfstandig middel
                    van bekendmaking aangemerkt. Een afzonderlijk probleem is het beoordelen of er
                    in een concrete situatie sprake is van de uitoefening van “een zelfstandig
                    middel van bekendmaking” in de zin van artikel 7 van de Grondwet of dat er
                    sprake is van het te koop aanbieden van drukwerk, waarbij geen gedachten of
                    gevoelens worden geopenbaard. Het verspreiden van handelsreclame wordt niet tot
                    de vrijheid van drukpers gerekend, zie artikel 7, vierde lid van de Grondwet.
                    Ook het trekken van een grens tussen het aanbieden van gedrukte stukken in het
                    kader van de vrijheid van drukpers en het verkopen van gedrukte stukken is in de
                    praktijk dikwijls moeilijk vast te stellen. Zo is in de jaren tachtig in een
                    groot aantal gemeenten het verzoek gedaan tot het venten met prentbriefkaarten.
                    De firma die in deze gemeenten haar prentbriefkaarten in het kader van een
                    commerciële protestactie wilde verkopen was van mening dat het gedrukte stukken
                    betrof die, gelet op artikel 7 Grondwet, zonder ventvergunning verkocht mogen
                    worden. Hoewel bij de verkoop van deze kaarten gesuggereerd werd dat de
                    opbrengst voor een goed doel bestemd was, bleek de opbrengst geheel ten goede te
                    komen aan de verkoper van de prentbriefkaarten. Optreden tegen de verkoper op
                    grond van overtreding van een APV-bepaling waarin een ventverbod wordt
                    vastgelegd, is in een dergelijk geval echter niet mogelijk. In een geval van
                    verkoop van posters met reproducties van aquarellen en afbeeldingen van foto’s
                    al dan niet voorzien van teksten, is bepaald dat deze voor geen andere uitleg
                    vatbaar zijn dan dat zij een bepaalde uiting van kunst bevatten of ludiek van
                    aard zijn. Bezwaarlijk kan van zulke gedrukte stukken gezegd worden dat zij geen
                    gedachten of gevoelens openbaren als bedoeld in art. 7, eerste lid, van de
                    Grondwet. Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is
                    onder de volgende criteria toegestaan: de beperking mag geen betrekking hebben
                    op de inhoud van de gedrukte stukken en er dient gebruik van enige betekenis te
                    resteren; de beperking mag niet resulteren in een algeheel verbod. Een
                    constructie, waarbij aan een (beperkt) verbod de mogelijkheid tot het verlenen
                    van een ontheffing is verbonden, is volgens de jurisprudentie wel toelaatbaar.
                    De beperking van de verkoop van drukwerk waarop een mededeling staat is, gelet
                    op artikel 7 van de Grondwet, niet mogelijk voor zover het betreft de inhoud van
                    het drukwerk. Artikel 7 van de Grondwet beschermt immers “iedere openbaarmaking
                    van een - meer of minder weloverwogen - gedachte of een gevoelen, ongeacht de
                    intenties of motieven van degene die zich uit” (Kb 5 juni 1986, Stb. 339). Wel
                    kan de verkoop van drukwerk in het belang van de openbare orde en veiligheid
                    naar tijd en plaats worden ingeperkt.</al><al><cursief></cursief></al><al><cursief>Daklozenkrant</cursief></al><al>De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van
                    artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een
                    vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6. Als verkoop
                    plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan kan de
                    eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. Het verdient aanbeveling om te
                    overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen vertegenwoordigt. Immers
                    niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De verkopers moeten in het bezit
                    zijn van een identiteitsbewijs van de koelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen
                    dat ze officiële straatkantverkopers zijn.</al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 5:18 Standplaatsen en
                    weigeringsgronden</onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Een vergunning voor het hebben van een standplaats zoals opgenomen in lid 1
                    achten wij noodzakelijk en evenredig. De vergunning dient om te voorkomen dat de
                    openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden
                    aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast
                    door zwerfafval. Er zijn dwingende redenen van algemeen belang aanwezig om van
                    een lex silencio positivo af te zien. Indien niet tijdig wordt besloten is het
                    onwenselijk ten aanzien van de openbare orde en de veiligheid dat een
                    standplaats zonder enige regulering word ingenomen. Paragraaf 4.1.3.3 Awb wordt
                    niet van toepassing verklaard.</al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 5:23 Organiseren snuffelmarkt</onderstreept></al><al>Het organiseren van een snuffelmarkt is als evenement aangemerkt en derhalve
                    verplaatst naar afdeling 7 Toezicht op evenementen. De artikelen 5:22 en 5:23
                    zijn hierdoor komen te vervallen.</al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige
                        vaartuigen</onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Er zijn dwingende redenen van algemeen belang aanwezig om van een lex silencio
                    positivo af te zien. Indien niet tijdig wordt besloten is het onwenselijk ten
                    aanzien van de openbare orde en de veiligheid dat in en rondom het water zonder
                    enige regulering worden ingenomen. Paragraaf 4.1.3.3 Awb wordt niet van
                    toepassing verklaard.</al><al></al><al>Conform het Reglement Ligplaatsen Pleziervaartuigen Maassluis is in artikel 1
                    van dit artikel een vergunningsvereiste toegevoegd. De vergunningvereiste achten
                    wij een goed instrument om het innemen van ligplaatsen te kunnen reguleren. </al><al><cursief></cursief></al><al><onderstreept>Artikel 5:30a Zwemmen in openbaar water</onderstreept></al><al>Er is behoefte gebleken deze bepaling uit de vorige APV te handhaven. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 5:32 Crossterreinen</onderstreept></al><al>Het gaat in het VNG-model en in de vorige APV om het crossen op enig terrein,
                    niet zijnde een weg. Gelet op de praktijk is er een afweging gemaakt over het
                    aanhouden van deze bepaling. Besloten is deze bepaling te handhaven.</al><al></al><al><onderstreept>Artikel 5:33 Beperking verkeer in
                    natuurgebieden</onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Gezien de belangen die met dit artikel worden beschermd: de rust en recreatie in
                    natuurgebieden, lijkt het niet bijzonder wenselijk om hier een
                    ontheffingsmogelijkheid zoals opgenomen in lid 6 van rechtswege in het leven te
                    roepen. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht wordt niet van
                    toepassing verklaard.</al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><onderstreept>Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen
                        of anderszins vuur te stoken</onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>Op de ontheffing zoals opgenomen in lid 3 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene
                    wet bestuursrecht om dwingende redenen ten aanzien van de openbare orde en
                    veiligheid, niet van toepassing. </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 5:36 Verboden plaatsen</onderstreept></al><al><cursief>Lex silencio positivo</cursief></al><al>De ontheffingsmogelijkheid genoemd in lid 3 is zeldzaam en er zijn doorgaans
                    emoties van nabestaanden in het geding. Het is daarom mogelijk en wenselijk dat
                    er snel en tijdig wordt beslist. Om die reden is ervoor gekozen hier wel een lex
                    silencio positivo op te nemen. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet
                    bestuursrecht wordt van toepassing verklaard.</al><al><onderstreept></onderstreept></al><al><vet>Hoofdstuk 6 Straf-, Overgangs- en Slotbepalingen</vet></al><al><vet></vet></al><al><vet>Artikel 6.4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening
                    </vet></al><al><cursief>Eerste lid </cursief></al><al>Op de inwerkingtreding van verordeningen is de regeling van artikel 142 van de
                    Gemeentewet van toepassing. Deze luidt dat alle verordeningen in werking treden
                    op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor is
                    aangewezen. In artikel 6.4, eerste lid is als tijdstip voor inwerkingtreding de
                    dag na publicatie van de APV in het Gemeenteblad aangewezen. De APV is een
                    besluit van het gemeentebestuur op overtreding waarvan straf is gesteld. Een
                    dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt als alle overige
                    besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften
                    inhouden (artikel 139 Gemeentewet). Van belang is dat de gemeente gehouden is
                    dit besluit mee te delen aan het parket van het arrondissement waarin de
                    gemeente is gelegen (artikel 143 Gemeentewet). </al><al>In verband met artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht is het uiteraard niet
                    mogelijk aan de bepalingen van een strafverordening terugwerkende kracht te
                    verlenen. </al><al><cursief>Tweede lid </cursief></al><al>In het eerste lid van artikel 6.4 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude
                    verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de nieuwe
                    verordening in werking treedt, is de datum waarop de oude verordening vervalt. </al><al><vet></vet></al><al><onderstreept>Artikel 6.5 Overgangsbepaling </onderstreept></al><al>Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen,
                    ontheffingen, enz. al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de
                    inwerkingtreding van deze verordening. Het betreft in dit artikel besluiten,
                    genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, dus de oude
                    verordening. De besluiten waar het om gaat zijn vergunningen, ontheffingen (het
                    oude eerste lid), voorschriften en beperkingen (het oude tweede lid) als bedoeld
                    in artikel 1:4 (het oude tweede lid), nadere regels, beleidsregels en
                    aanwijzingsbesluiten (het oude zevende lid). </al><al>Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens
                    de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening
                    (toetsing ex nunc). </al><al>Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht,
                    wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de
                    bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht
                    zou hebben gehad. (verbod van reformatio in peius). </al><al></al><al><onderstreept>Artikel 6.6 Citeertitel </onderstreept></al><al>Deze bepaling is geformuleerd overeenkomstig aanbeveling 75 van de “100 ideeën
                    voor de gemeentelijke regelgever” (VNG, 2011).</al><al><plaatje><illustratie formaat="pdf" naam="Gemeenteblad 2014-37 met toelichting" type="tekst" id="i248572"></illustratie></plaatje><onderstreept></onderstreept></al><al></al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>