<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR345310_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Voerendaal</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Voerendaal</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Weekblad Gezien, 24-12-2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014 / 13 / 7</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Werk, zorg en en inkomen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>“Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ
            2015”</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen (IOAZ), het Besluit bijstandverlening
                                zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
                                en de Gemeentewet.</al></li><li nr="2."><al>a. de wet: de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet
                                inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                gewezen zelfstandigen (IOAZ);</al><lijst><li nr="b."><al>het Dagelijks bestuur: het Dagelijks bestuur van het
                                        Samenwerkingsverband van de gemeenten Simpelveld, Nuth en
                                        Voerendaal;</al></li><li nr="c."><al>de raad: de gemeenteraad van Voerendaal.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie,
                                beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van
                                jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de
                                Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen
                                personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het
                                kader van een hulpverlenend beroep. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het Dagelijks Bestuur kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden,
                        die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                        werkzaamheden: </al><lijst><li nr="a."><al>naar hun aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b."><al>niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument; </al></li><li nr="c."><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                                organisatie waarin ze worden verricht;</al></li><li nr="d."><al>en niet leiden tot verdringing. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het opdragen, de duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het Dagelijks Bestuur stelt ter nadere uitvoering van deze
                                verordening beleidsregels vast;</al></li><li nr="2."><al>In deze beleidsregels worden o.a. duur, omvang en inhoud van een
                                tegenprestatie geregeld;</al></li><li nr="3."><al>Het Dagelijks Bestuur draagt geen tegenprestatie op indien een
                                belanghebbende mantelzorg verricht, voor zover het verrichten van
                                mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs
                                noodzakelijk is;</al></li><li nr="4."><al>Het Dagelijks Bestuur draagt eveneens geen tegenprestatie op indien
                                geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als
                                tegenprestatie. </al></li></lijst><al>Indien het Dagelijks Bestuur besluit geen tegenprestatie op te leggen omdat
                        geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn, wordt
                        een heronderzoek uitgevoerd om te beoordelen of op dat moment wel
                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn. De termijn waarop dat
                        onderzoek wordt uitgevoerd wordt door het college in beleid vastgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het Dagelijks Bestuur kan, indien de toepassing van bepalingen in deze
                        verordening in de individuele situatie tot onbillijkheden van overwegende
                        aard leidt, voor zover het de bevoegdheid betreft die voortvloeit uit deze
                        verordening, afwijken van deze verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie
                        Participatiewet, IOAW en IOAZ, 2015. </al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening> Aldus besloten tijdens de openbare vergadering van de gemeenteraad,
                        gehouden in Voerendaal d.d. 18 december 2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al/><al>Het Dagelijks bestuur is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen
                    een tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct
                    samenhangt met arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar of
                    ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van
                    melding gehouden naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is
                    vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet,
                    artikel 35, onderdeel d, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                    arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW) en artikel 35, onderdeel
                    d, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                    gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ). De tegenprestatie bestaat uit de plicht om
                    naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die
                    niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.</al><al/><al>Een belanghebbende, ouder dan 18 jaar maar jonger dan de pensioenleeftijd, is op
                    grond van artikel 9, eerste lid sub a, artikel 35, onderdeel d, van de IOAW en
                    artikel 35, onderdeel d, van de IOAZ van rechtswege verplicht om algemeen
                    geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Als die ontbreekt, of geen volledige
                    werkweek vult en daarnaast recht bestaat op een aanvullende uitkering, kan het
                    college verplichtingen opleggen:</al><lijst><li nr="·"><al>een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, </al></li><li nr="·"><al>meewerken aan onderzoek naar mogelijkheden arbeidsinschakeling,</al></li><li nr="·"><al>meewerken aan opstellen, uitvoeren en evalueren plan van aanpak,</al></li><li nr="·"><al>naar vermogen onbeloond vrijwilligerswerk verrichten, niet leidend tot
                            verdringing.</al></li></lijst><al/><al><cursief> Individuele omstandigheden </cursief></al><al>Het Dagelijks Bestuur bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en
                    de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard,
                    de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Als
                    het Dagelijks Bestuur een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht
                    wordt (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al/><al><cursief> Geen tegenprestatie </cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    Dagelijks Bestuur in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de
                    plicht tot het verrichten van een (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet, artikel 37a, eerste lid, van de IOAW en artikel 37a, eerste
                    lid, van de IOAZ).. De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                    belanghebbende die een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet en die
                    volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet
                    werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de
                    Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van toepassing op
                    een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in
                    artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 38, eerste lid, van de
                    IOAW of artikel 38, eerste lid, van de IOAZ (artikel 9, zevende lid, van de
                    Participatiewet, artikel 37a, vierde lid, van de IOAW of artikel 37a, vierde
                    lid, van de IOAZ).</al><al/><al><cursief> Afstemmen </cursief></al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting geldt
                    voor het niet nakomen van de tegenprestatie dat de bijstand kan worden afgestemd
                    overeenkomstig de gemeentelijke afstemmingsverordening. </al><al/><al><cursief> Bevoegdheid opdragen tegenprestatie </cursief></al><al>De bevoegdheid van het Dagelijks Bestuur om een belanghebbende te verplichten
                    naar vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De
                    regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een gelegenheid
                    is om te blijven participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk,
                    arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering ook
                    noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten (TK
                    2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29). </al><al/><al><cursief>Tegenprestatie is geen re-integratieinstrument </cursief></al><al>Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot doel de re-integratie
                    van een belanghebbende te bevorderen, maar moet worden gezien als een nuttige
                    bijdrage aan de samenleving (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49-50). De
                    tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding tot de
                    arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratieinstrument. Voorts mag een
                    tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratieinspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt werk
                    boven uitkering. </al><al/><al><cursief>Verordeningsplicht </cursief></al><al>De Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij
                    verordening regels vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie aan
                    mensen met een bijstandsuitkering in de leeftijd van 18 jaar tot de
                    pensioengerechtigde leeftijd. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in artikel
                    8a, eerste lid, onderdeel b Participatiewet. Het is aan het college om de duur,
                    omvang en inhoud van de tegenprestatie te regelen (zie TK 2013-2014, 33 801, nr.
                    24, p. 6). </al><al/><al>De verordeningsopdracht voor het opdragen van een tegenprestatie in de IOAW en
                    de IOAZ is tijdens het wetgevingstraject per ongeluk komen te vervallen. Met de
                    nota van wijziging Verzamelwet SZW 2015 is deze verordeningsopdracht opnieuw
                    opgenomen in de IOAW en de IOAZ: artikel 35, eerste lid, onderdeel d, van de
                    IOAW en artikel 35, eerste lid, onderdeel d, van de IOAZ (zie TK 2014-2015, 33
                    988, nr. 6, p. 57).</al><al/><al><cursief> Ontwikkelen beleid </cursief></al><al>Het Dagelijks Bestuur heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van
                    het verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig de
                    verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel c,
                    van de Participatiewet, artikel 34, eerste lid, onderdeel b, van de IOAW en
                    artikel 34, eerste lid, onderdeel b, van de IOAZ.</al><al/></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting </titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                        bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                        deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                        verordening. </al><al/><al><cursief>Mantelzorg </cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van mantelzorg.
                        Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd
                        in de Wet maatschappelijke ondersteuning (zie artikel 1.1.1 van de Wet
                        maatschappelijke ondersteuning 2015). Onder mantelzorg wordt verstaan: hulp
                        ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang,
                        jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige
                        diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit
                        uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend
                        in het kader van een hulpverlenend beroep.</al><al>Het begrip 'mantelzorg' is van belang omdat artikel 3 van deze verordening
                        bepaalt dat het college geen tegenprestatie opdraagt indien een
                        belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg
                        naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is. </al><al>Het verlenen van mantelzorg overstijgt qua duur en intensiteit de normale
                        gang van zaken. Het gaat om hulp die verder gaat dan gebruikelijke hulp.
                        Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en
                        inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als
                        leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een
                        gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat
                        huishouden.</al><al>Bij mantelzorg, verleend door personen uit de directe omgeving van de
                        zorgvrager en rechtstreeks voortvloeiend uit de sociale relatie, wordt de
                        normale (gebruikelijke) zorg in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk
                        overschreden.</al><al/><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals neergelegd
                        in de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier belangrijkste
                        kenmerken van mantelzorg zijn: </al><lijst><li nr="·"><al>er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                                zorgverlener; </al></li><li nr="·"><al>mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband; </al></li><li nr="·"><al>het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze; </al></li><li nr="·"><al>het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar. </al></li></lijst><al/><al>Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK 2004-2005, 30
                        169, nr. 1 (Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK 2005-2006, </al><al>30 131, nr. C. </al><al/><al>Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg van
                        huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitvoering van de Wet
                        maatschappelijke ondersteuning hanteren gemeenten veelal het protocol
                        Gebruikelijke Zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg om vast te stellen
                        of sprake is van gebruikelijke zorg. Voor de uitleg van wat onder
                        gebruikelijke zorg kan worden aangesloten bij de definitie van gebruikelijke
                        zorg in het protocol Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke zorg wordt in dat
                        Protocol als volgt omschreven: de normale, dagelijkse zorg die partners of
                        ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat
                        ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een
                        gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat
                        huishouden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het Dagelijks Bestuur bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden
                        en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de
                        aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                        tegenprestatie. Hierbij moet het Dagelijks Bestuur de in deze verordening
                        neergelegde criteria in acht nemen. Artikel 2 van deze verordening stelt
                        voorwaarden ten aanzien van de inhoud van de tegenprestatie. Het Dagelijks
                        Bestuur dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van een
                        tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de individuele
                        omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding,
                        werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De
                        werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van
                        belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te verrichten
                        (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                        ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al/><al>Als het Dagelijks Bestuur een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet
                        het een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden.
                        Het moet voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie
                        van hem wordt verwacht (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr.
                        12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:</al><al>BZ5171). </al><al/><al><cursief> Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige
                            wer</cursief><cursief>kzaamheden </cursief>In artikel 2 van deze
                        verordening is bepaald dat de tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk
                        nuttige werkzaamheden betreffen die additioneel van aard zijn. De
                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie
                        dienen zich te onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere
                        arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde
                        werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en van
                        keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de overheid
                        worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30). </al><al><cursief>Werkzaamheden die kunnen worden ingezet </cursief></al><al>Het Dagelijks Bestuur kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden,
                        die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                        werkzaamheden voldoen aan de in artikel 2 van deze verordening genoemde
                        voorwaarden. Dit betekent dat de als tegenprestatie in te zetten
                        werkzaamheid: </al><lijst><li nr="a."><al>naar zijn aard niet is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;
                            </al></li><li nr="b."><al>niet is bedoeld als re-integratieinstrument; </al></li><li nr="c."><al>wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                                organisatie waarin deze worden verricht; en </al></li><li nr="d."><al>niet leidt tot verdringing. </al></li></lijst><al/><al>Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de
                        tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK
                        2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14). </al><al/><al>In beleidsregels kan het Dagelijks Bestuur vastleggen welke werkzaamheden in
                        ieder geval als tegenprestatie kunnen worden ingezet. Deze werkzaamheden
                        voldoen aan de in artikel 2 van deze verordening gestelde voorwaarden. </al><al>De volgende voorbeelden van werkzaamheden kunnen mogelijk geschikt zijn als
                        tegenprestatie naar vermogen: </al><lijst><li nr="·"><al>vrijwilligerswerkzaamheden bij een maatschappelijke organisatie;
                            </al></li><li nr="·"><al>sneeuwschuiven (bijvoorbeeld bij een bejaardenhuis); </al></li><li nr="·"><al>bospaden schoonhouden (het vegen van bladeren); </al></li><li nr="·"><al>verkeersborden schoonmaken; </al></li><li nr="·"><al>meelopen bij een dierenambulance; </al></li><li nr="·"><al>beheer van een kantine bij een sportverenigingen; </al></li><li nr="·"><al>additionele werkzaamheden bij een scouting; </al></li><li nr="·"><al>additionele werkzaamheden bij het Leger des Heils; </al></li><li nr="·"><al>taalmaatje voor nieuwkomers.</al></li></lijst><al/><al><cursief>Samenwerking met maatschappelijke organisaties</cursief></al><al>De gemeente kan voor het werven van maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                        samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals: welzijnsinstellingen,
                        vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen. Om
                        ervoor te zorgen dat voldoende maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                        voorhanden zijn, is het van belang dat contacten worden onderhouden met
                        maatschappelijke organisaties. Een vrijwilligersvacaturebank bij een
                        vrijwilligerscentrale kan een belangrijk hulpmiddel zijn om het aanbod van
                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden te bepalen. De gemeente kan ervoor
                        kiezen uitsluitend werkzaamheden binnen de gemeentegrenzen als
                        tegenprestatie in te zetten of werkzaamheden zowel binnen als buiten de
                        gemeentegrenzen in te zetten. <cursief>Tegenprestatie mag niet leiden tot
                            verdringing </cursief>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het
                        kader van de re-integratie. De tegenprestatie mag bovendien niet direct
                        gericht zijn op toeleiding naar de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld
                        als re-integratieinstrument. Het betreffen werkzaamheden die worden verricht
                        naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet mogen leiden tot
                        verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet
                        als tegenprestatie worden ingezet. De tegenprestatie mag het accepteren van
                        passende arbeid of van re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het
                        uitgangspunt werk boven uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9,
                        eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet en de parlementaire
                        geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het opdragen, de duur en de omvang van een tegenprestatie</titel></kop><al><onderstreept>Het opdragen van een tegenprestatie </onderstreept></al><al>Het Dagelijks bestuur heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te
                        leggen. Het Dagelijks Bestuur bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke
                        tegenprestatie wordt opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een
                        tegenprestatie kan bezwaar en beroep worden aangetekend (TK 2013-2014, 33
                        801, nr. 7, p. 49). </al><al/><al><cursief>Geen tegenprestatie </cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                        Dagelijks Bestuur in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van
                        de plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid,
                        van de Participatiewet). </al><al/><al>De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van
                        toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
                        is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
                        (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet) De verplichting tot
                        tegenprestatie is niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het
                        bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                        Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet). </al><al/><al><cursief> Weigering tegenprestatie </cursief></al><al>Het Dagelijks Bestuur dient bij weigering van belanghebbende om de
                        tegenprestatie te verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte
                        en de duur van de op te leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801,
                        nr. 3, p. 29). </al><al/><al>Voorts wordt bij opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met
                        praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang
                        en/of belanghebbende al maatschappelijke activiteiten verricht. </al><al/><al><onderstreept> Duur en omvang van een tegenprestatie </onderstreept></al><al>Het Dagelijks Bestuur bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden
                        en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de
                        aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen
                        tegenprestatie. Hierbij moet het Dagelijks Bestuur de in deze verordening
                        neergelegde criteria in acht nemen. Artikel 3, tweede lid, van deze
                        verordening bepaalt dat het Dagelijks Bestuur nadere regels stelt ten
                        aanzien van de duur en omvang van de tegenprestatie. </al><al/><al><cursief> Individuele omstandigheden </cursief></al><al>Het Dagelijks Bestuur beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden
                        van een belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang
                        van de werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te
                        zijn. Dat betekent dat het Dagelijks Bestuur steeds een afweging maakt op
                        basis van de situatie in welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden
                        (TK 2013-2014, 33 801, nr. 30). </al><al/><al><onderstreept>Mantelzorg </onderstreept></al><al>Artikel 3, derde lid. van deze verordening bepaalt dat geen tegenprestatie
                        wordt opgedragen indien een belanghebbende mantelzorg verricht en het
                        Dagelijks Bestuur het verrichten hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt.
                        De regering heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd in de nota van
                        wijziging met betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801,
                        nr. 24, p. 6). Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria
                        van het begrip mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze
                        verordening. Verricht een belanghebbende mantelzorg in de zin van deze
                        verordening en is het verrichten van mantelzorg volgens het college
                        redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het college een belanghebbende geen
                        tegenprestatie op. </al><al/><al><onderstreept>Geen werkzaamheden voorhanden </onderstreept></al><al>Artikel 3, vierde lid, van deze verordening bepaalt dat geen tegenprestatie
                        wordt opgedragen indien geen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                        werkzaamheden voorhanden zijn. De Participatiewet verplicht gemeenten niet
                        om buiten de eigen gemeentegrens een tegenprestatie te laten verrichten (TK
                        2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 51). De mogelijkheid om dat toch te doen wordt
                        nadrukkelijk open gelaten, gelet op de stedenbouwkundige en sociale
                        structuur van Parkstad en kan per gemeente door middel van beleid worden
                        ingevuld.</al><al>Indien het Dagelijks Bestuur besluit geen tegenprestatie op te leggen omdat
                        geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn, wordt
                        een heronderzoek uitgevoerd om te beoordelen of op dat moment wel
                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden binnen de eigen gemeentegrenzen
                        voorhanden zijn. De termijn waarop dat onderzoek wordt uitgevoerd kan per
                        gemeente door middel van beleid worden ingevuld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die
                        datum is in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet de
                        verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd om regels in de
                        verordening vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In dit artikel is de citeertitel van deze verordening neergelegd. </al><al/></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>