<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR345223_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nunspeet</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nunspeet</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.nunspeet.nl/bestuur-en-organisatie/elektronisch-gemeenteblad_44775/item/gemeenteblad-35-11-juni-2017-gewijzigde-wmo-verordening_57103.html">internet</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 2.1.3 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2017-06-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2017-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>artikel 1, 2, 4, 5, 6, 7, 8, 8a</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>030226000</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Verordening Wmo 2015</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuninggemeente Nunspeet
            2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> De verordening maatschappelijke ondersteuning regelt de ondersteuning van
                        cliënten als zij dusdanige beperkingen ondervinden bij hun maatschappelijke
                        participatie en zelfredzaamheid, dat zij niet op eigen kracht, met
                        gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn
                        sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke
                        voorzieningen of algemene voorzieningen hierin geheel of gedeeltelijk kunnen
                        voorzien.</al><al/><al/><al>De raad van de gemeente Nunspeet;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 9
                        september 2015;</al><al>gelezen het advies van de commissie Maatschappij en Middelen van 9 oktober
                        2014;</al><al>gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid,
                        2.1.6, 2.3.6, vierde lid en 2.6.6, eerste lid van de Wet maatschappelijke
                        ondersteuning 2015;</al><al>overwegende dat:</al><lijst><li nr="-"><al>burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop
                                zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;
                            </al></li><li nr="-"><al>van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen
                                bijstaan; </al></li><li nr="-"><al>burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving
                                onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot
                                participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de
                                gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen
                                blijven wonen; </al></li><li nr="-"><al>het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het
                                beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking
                                tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en
                                participatie van personen met een beperking of met chronische
                                psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en
                                opvang;</al></li><li nr="-"><al>het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen,
                                diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en
                                daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve
                                samenleving;</al></li><li nr="-"><al>het in verband met de overgang van de uitvoering van beschermd wonen
                                en maatschappelijke opvang van de centrumgemeente Zwolle naar de
                                regio Noord-Veluwe, met de gemeente Harderwijk als coördinator,
                                noodzakelijk is om de lokale verordening in te richten op beschermd
                                wonen en maatschappelijke opvang:</al></li></lijst><al><vet>besluit:</vet></al><al>vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Nunspeet2015</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1:</nr><titel>Begrippen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>1.Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet
                            nader worden omschreven </al><al>hebben dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning
                            2015 (Wmo 2015) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb);</al><lijst><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><cursief>algemeen gebruikelijke voorziening:
                                            </cursief>een voorziening waarvan, gelet op de
                                            omstandigheden, aannemelijk is dat de cliënt daarover,
                                            ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen)
                                            beschikken;</al></li><li nr="b."><al><cursief>andere voorziening:</cursief> voorziening
                                            anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke
                                            ondersteuning 2015;</al></li><li nr="c."><al><cursief>beleidsregels:</cursief> Beleidsregels
                                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet;</al></li><li nr="d."><al><cursief>beschermd wonen: </cursief>wonen in een
                                            accommodatie van een instelling met daarbij behorende
                                            toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van
                                            zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en
                                            psychosociaal functioneren, stabilisatie van een
                                            psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van
                                            verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het
                                            afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd
                                            voor personen met psychische of psychosociale problemen,
                                            die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven
                                            in de samenleving;</al></li><li nr="e."><al><cursief>besluit</cursief>: Besluit maatschappelijke
                                            ondersteuning gemeente Nunspeet;</al></li><li nr="f."><al><cursief>bijdrage in de kosten</cursief>: bijdrage als
                                            bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet; </al></li><li nr="g."><al><cursief>gesprek:</cursief> gesprek in het kader van het
                                            onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van
                                            de wet;</al></li><li nr="h."><al><cursief>hulpvraag</cursief>: behoefte aan
                                            maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel
                                            2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="i."><al><cursief>ingezetene</cursief>: cliënt die hoofdverblijf
                                            heeft in de gemeente Nunspeet; </al></li><li nr="j."><al><cursief>maatschappelijke opvang: </cursief>is het
                                            bieden van een tijdelijk verblijf aan mensen zonder dak
                                            boven hun hoofd, gekoppeld aan zorg en begeleiding en/of
                                            het verhelpen van een crisis. Het betreft mensen die al
                                            dan niet gedwongen de thuissituatie hebben verlaten en
                                            niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in
                                            de samenleving.</al></li><li nr="k."><al><cursief>melding:</cursief> melding aan het college als
                                            bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="l."><al><cursief>onverwijld</cursief>: zo spoedig mogelijk, doch
                                            in ieder geval binnen drie werkdagen;</al></li><li nr="m."><al><cursief>persoonlijk plan</cursief>: plan waarin de
                                            cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2,
                                            vierde lid, onderdelen a tot en met g van de wet,
                                            beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke
                                            ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;
                                        </al></li><li nr="n."><al><cursief>pgb</cursief>: persoonsgebonden budget als
                                            bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;</al></li><li nr="o."><al><cursief>uitvoeringsbesluit</cursief>:
                                            Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;</al></li><li nr="p."><al><cursief>voorliggende voorziening:</cursief> algemene
                                            voorziening of andere voorziening waarmee aan de
                                            hulpvraag wordt tegemoetgekomen;</al></li><li nr="q."><al><cursief>wet</cursief>: Wet maatschappelijke
                                            ondersteuning 2015.</al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2:</nr><titel>Melding, onderzoek en aanvraag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Melding hulpvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden
                                gemeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tijdens, of binnen vijf werkdagen na de melding, wordt een afspraak
                                gemaakt voor een gesprek. Het college bevestigt schriftelijk of
                                elektronisch de ontvangst van de melding..</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in lid 1 dient een hulpvraag voor
                                -uitsluitend- beschermd wonen en maatschappelijke opvang te worden
                                ingediend bij een door burgemeester en wethouders aan te wijzen
                                instantie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Cliëntondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op
                                kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt
                                uitgangspunt is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek,
                                bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid
                                gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie
                                verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste
                                lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de
                                cliënt en zijn situatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het gesprek verschaft de cliënt het college of de hiervoor in
                                artikel 2 lid 3 bedoelde instantie alle overige gegevens en
                                bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek
                                nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan
                                krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een
                                identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                                identificatieplicht ter inzage.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie kan
                                in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als
                                bedoeld in het eerste lid als:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>een voorafgaand onderzoek gelet op het spoedeisende karakter
                                        op dat moment niet mogelijk of niet gewenst is;</al></li><li nr="c."><al>als blijkt dat er sprake is van een enkelvoudige, niet
                                        gecompliceerde ondersteuningsvraag.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie
                                informeert de cliënt over de mogelijkheid om een persoonlijk plan op
                                te stellen en stelt de cliënt gedurende zeven dagen na de melding in
                                de gelegenheid het plan te overhandigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Gesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie
                                onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en degene door of
                                namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en
                                waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst
                                familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de
                                        cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het gewenste resultaat van het verzoek om
                                        ondersteuning;</al></li><li nr="c."><al>de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke
                                        hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn
                                        zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te
                                        verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op
                                        een maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere
                                        personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering
                                        van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te
                                        voorkomen dat hij een beroep moet doen op een
                                        maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="e."><al>de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de
                                        mantelzorger van de cliënt;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene
                                        voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in
                                        artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van
                                        maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot
                                        verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie,
                                        of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een
                                        maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheden om door middel van voorliggende
                                        voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en
                                        zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en
                                        andere partijen op het gebied van publieke gezondheid,
                                        jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te
                                        voorzien in de behoefte aan maatschappelijke
                                        ondersteuning;</al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te
                                        verstrekken;</al></li><li nr="i."><al>welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van
                                        het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet
                                        verschuldigd zal zijn, en</al></li><li nr="j."><al>de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een
                                        pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt
                                        ingelicht over de gevolgen van die keuze.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de cliënt een persoonlijk plan aan het college of de hiervoor in
                                artikel 2 lid 3 bedoelde instantie heeft overhandigd, betrekt het
                                college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie
                                informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens
                                rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt
                                toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college of de
                                hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie onverminderd het
                                bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt
                                afzien van een gesprek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie
                                zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen 7 werkdagen na het gesprek verstrekt het college of de
                                hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie aan de cliënt een
                                verslag van de uitkomsten van het onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De cliënt tekent het verslag voor gezien of akkoord en zorgt ervoor
                                dat een getekend exemplaar binnen 7 werkdagen wordt geretourneerd
                                aan de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de cliënt tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven
                                wat de reden is waarom hij niet akkoord is. Opmerkingen van cliënt
                                over het verslag kunnen als bijlage aan het verslag worden
                                toegevoegd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een
                                maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem
                                ondertekende verslag<cursief>.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan
                                nadat het onderzoek als bedoeld in artikel 4 en 5 is uitgevoerd,
                                tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de
                                ontvangst van de melding.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan door of namens een
                                cliënt schriftelijk of digitaal bij het college of de hiervoor in
                                artikel 2 lid 3 bedoelde instantie worden ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een ondertekend verslag van het gesprek kan dienen als
                                aanvraagformulier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening,
                                verstrekt het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde
                                instantie desgevraagd terstond een document als bedoeld in artikel 1
                                van de Wet op de identificatieplicht.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3:</nr><titel>Maatwerkvoorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Criteria voor een maatwerkvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie
                                neemt het verslag, indien aanwezig, als uitgangspunt voor de
                                beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of
                                        participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt
                                        deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op
                                        eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met
                                        hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel
                                        met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen
                                        of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De
                                        maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de
                                        uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een
                                        passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin
                                        de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of
                                        participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving
                                        kan blijven;</al></li><li nr="b."><al>ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in
                                        de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale
                                        problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten,
                                        al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als
                                        gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze
                                        problemen naar het oordeel van het college niet op eigen
                                        kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp
                                        van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met
                                        gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of
                                        algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De
                                        maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de
                                        uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een
                                        passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de
                                        cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren
                                        van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo
                                        zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de
                                            samenleving<cursief>.</cursief></al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot
                                zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een
                                maatwerkvoorziening in aanmerking komt als:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs
                                        niet vermijdbaar was, en b. de voorziening voorzienbaar was,
                                        maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden
                                        maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig
                                        had gemaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een
                                eerder door het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde
                                instantie verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als
                                de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven,</al><lijst><li nr="a."><al>tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan
                                        als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn
                                        toe te rekenen;</al></li><li nr="b."><al>tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de
                                        veroorzaakte kosten, of</al></li><li nr="c."><al>als de eerder verstrekte voorziening niet langer een
                                        oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan
                                        maatschappelijke ondersteuning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college
                                of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie de goedkoopst
                                adequate voorziening.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere beleidsregels vaststellen ten aanzien van
                                maatwerkvoorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8 a</nr><titel>Aanvullende criteria voor opvang en beschermd wonen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Met inachtneming van artikel 8 onder 1 kan een cliënt in aanmerking
                                komen voor opvang als:</al><al>a. hij feitelijk of residentieel dakloos is en niet in staat is zich
                                op eigen kracht te handhaven in de samenleving;</al><al>b. hij de situatie van dakloosheid en niet in staat zijn zich op
                                eigen kracht te handhaven in de samenleving -niet op eigen kracht,
                                met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere
                                personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van
                                algemene voorzieningen of andere maatwerkvoorzieningen gericht op
                                het bevorderen van de participatie en zelfredzaamheid in voldoende
                                mate kan verminderen of wegnemen;</al><al>c. opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert
                                aan het voorkomen van dakloosheid, het psychosochiaal functioneren,
                                voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast en/of het
                                afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen en de behoefte van de
                                cliënt met als doel het realiseren van een situatie waarin de cliënt
                                in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te
                                handhaven in de samenleving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met inachtneming van artikel 8 onder 1 kan een cliënt (alsmede
                                eventuele kinderen van deze cliënt) in aanmerking komen voor opvang
                                als;</al><al>a. deze de thuissituatie heeft verlaten, in verband met risico's
                                voor de veiligheid van deze cliënt (en/of de kinderen van deze
                                cliënt) als gevolg van huiselijk geweld, en de cliënt niet in staat
                                is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving;</al><al>b. deze de situatie -waarbij de cliënt de thuissiuatie heeft
                                verlaten, in verband met risico's voor veiligheid van de cliënt
                                (en/of de kinderen van deze cliënt) als gevolg van huiselijk
                                geweld-, niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met
                                mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk
                                dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere
                                maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie
                                en zelfredzaamheid in voldoende mate kan verminderen of
                                wegnemen;</al><al>c. opvang een passende, noodzakelijke en tijdelijke bijdrage levert
                                aan het afwenden van gevaar voor de cliënt (en/of de kinderen van
                                deze cliënt), voorkomen van dakloosheid, het psychosociaal
                                functioneren, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke
                                overlast en de behoefte van de cliënt met als doel het realiseren
                                van een situatie waarin de cliënt (en/of de kinderen van deze
                                cliënt) in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen
                                kracht en in een veilige situatie te handhaven in de
                                samenleving.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met inachtneming van artikel 8 onder 1 kan een cliënt in aanmerking
                                komen voor beschermd wonen op grond van de Wmo 2015 als;</al><al>a. hij psychische- of psychosociale problemen heeft en niet in staat
                                is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en;</al><al>b. hij de situatie van psychische of psychosociale problemen -met
                                als gevolg het niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven
                                in de samenleving- niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met
                                mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk
                                dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen of
                                maatwerkvoorzieningen gericht op het bevorderen van de participatie
                                en zelfredzaamheid in de thuissituatie in voldoende mate kan
                                verminderen of wegnemen;</al><al>c. beschermd wonen een passende en noodzakelijke bijdrage levert aan
                                het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, het psychisch
                                en psychociaal functioneren, stabilisatie van een psychatrisch
                                ziektebeeld, voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke
                                overlast en/of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen en
                                daarbij voorziet in de behoefte van de cliënt met als doel het
                                realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld
                                zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de
                                samenleving.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin
                                terstond opvang of beschermd wonen nodig is, al dan niet in verband
                                met risico's voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld
                                beslist het college na een melding als bedoeld in artikel 2 van deze
                                verordening onverwijld tot verstrekking van een tijdelijke
                                maatwerkvoorziening voor opvang of beschermd wonen in afwachting van
                                de uitkomst van het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de
                                wet en de aanvraag van de cliënt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Voorwaarden en weigeringsgronden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover met betrekking tot de problematiek die in het
                                            gegeven geval aanleiding geeft</al></li></lijst></li></lijst><al>voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een
                            andere wettelijke bepaling bestaat;</al><al>b.voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met
                            mantelzorg of met hulp </al><al>van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan
                            wegnemen;</al><lijst><li nr="c."><al>voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene
                                    voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;</al></li><li nr="d."><al>indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen
                                    gebruikelijk is;</al></li><li nr="e."><al>indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding
                                    en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd,
                                    tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft
                                    verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden
                                    vastgesteld;</al></li><li nr="f."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die
                                    aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige
                                    wettelijke bepaling of regeling en de normale
                                    afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is,
                                    tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is
                                    gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner
                                    zijn toe te rekenen, of tenzij inwoner geheel of gedeeltelijk
                                    tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten;</al></li><li nr="g."><al>voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is
                                    gericht;</al><lijst><li nr="2."><al>Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en
                                            participatie wordt verstrekt:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente
                                    Nunspeet;</al></li><li nr="b."><al>in het geval de maatwerkvoorziening een hulpmiddel of
                                    woningaanpassing betreft en deze </al></li></lijst><al>niet langdurig noodzakelijk is.</al><lijst><li nr="3."><al>Geen woonvoorziening wordt verstrekt:</al><lijst><li nr="a."><al>voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van
                                            de in de woning gebruikte materialen;</al></li><li nr="b."><al>ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens,
                                            kloosters, tweede woningen, vakantie- en
                                            recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde
                                            kamers, met uitzondering van een voorziening voor
                                            verhuizing en inrichting;</al></li><li nr="c."><al>voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke
                                            ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners,
                                            hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke
                                            toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of
                                            vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de
                                            toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met
                                            uitzondering van een voorziening voor verhuizing en
                                            inrichting;</al></li><li nr="d."><al>indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing
                                            waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van
                                            beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er
                                            geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;</al></li><li nr="e."><al>indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of
                                            haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning,
                                            tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is
                                            verleend door het college.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Een cliënt kan voor een voorziening in natura of in de vorm van
                                    een persoonsgebonden </al></li></lijst><al> budget in aanmerking worden gebracht wanneer beperkingen, chronische
                            psychische </al><al> problemen of psychosociale problemen het gebruik van een collectief
                            systeem onmogelijk </al><al> maken, dan wel een collectief systeem niet aanwezig is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Advisering</titel></kop><al>Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie kan een
                            door het college aangewezen adviesinstantie om advies vragen als het dit
                            van belang acht voor de beoordeling van de melding of aanvraag om een
                                maatwerkvoorziening<cursief>.</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt
                                in ieder geval aangegeven:</al><lijst><li nr="a."><al>of deze als voorziening in natura of als pgb wordt
                                        verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>of er een bijdrage verschuldigd is en welke uitgangspunten
                                        hierbij gehanteerd worden;</al></li><li nr="c."><al>hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in
                                de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde
                                        resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van
                                        toepassing, en</al></li><li nr="d."><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen
                                        zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een
                                pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk resultaat het pgb is bestemd;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het
                                        pgb;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is
                                        bedoeld,</al></li><li nr="e."><al>de voorwaarden voor uitbetaling van het persoonsgebonden
                                        budget en de wijze van uitbetaling van het persoonsgebonden
                                        budget en</al></li><li nr="f."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het
                                        pgb.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Regels voor pgb</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college of de hiervoor in artikel 2 lid 3 bedoelde instantie
                                    verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de
                                    wet.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van een pgb wordt bepaald aan de hand van en tot het
                                    maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie
                                    goedkoopst adequate voorziening in natura en is toereikend voor
                                    de aanschaf daarvan, en omvat, zo nodig, een vergoeding voor
                                    onderhoud, en verzekering.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het in de vorige leden bepaalde wordt, voorzover
                                    een cliënt een persoonlijk plan heeft ingediend, het tarief voor
                                    een pgb gebaseerd op het door de cliënt opgestelde plan over hoe
                                    hij het pgb gaat besteden.</al></li><li nr="4."><al>Een cliënt ten behoeve van wie een persoonsgebonden budget wordt
                                    verstrekt, kan</al></li></lijst><al>diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen onder
                            de volgende</al><al>voorwaarden betreffende het tarief betrekken van een persoon die behoort
                            tot het sociale</al><al>netwerk:</al><al>a.deze persoon krijgt een lager tarief betaald voor zijn diensten dan
                            door het college in</al><al>het Besluit vastgestelde tarief. Dit lagere tarief wordt door het
                            college vastgesteld;</al><al>b.tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het
                            persoonsgebonden</al><al>budget worden betaald. </al><lijst><li nr="5."><al>Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de
                                    verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve
                                    van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de
                                    hoogte van een pgb wordt vastgesteld, onder welke voorwaarden
                                    een pgb wordt verstrekt en hoe de jaarlijkse verantwoording van
                                    het pgb plaatsvindt aan het college.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4:</nr><titel>Bijdrage in de kosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en
                                algemene voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                                        cliëntondersteuning, en,</al></li><li nr="b."><al>voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang hij van de
                                        maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode
                                        waarvoor het pgb wordt verstrekt, overeenkomstig het
                                        Besluit, en afhankelijk van het inkomen en vermogen van de
                                        cliënt en zijn echtgenoot.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college legt in het op deze verordening berustende Besluit
                                nadere regels vast:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde
                                        cliëntondersteuning, de cliënt een bijdrage is
                                        verschuldigd;</al></li><li nr="b."><al>wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze
                                        bijdrage is, waarbij inbegrepen de mogelijkheid om een
                                        korting toe te passen op de bijdrage voor cliënten die
                                        behoren tot de doelgroep minima.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nadere regeling:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening en
                                        pgb wordt bepaald, en</al></li><li nr="b."><al>door welke andere instantie dan het CAK in de gevallen
                                        bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid van de wet, de
                                        bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb worden
                                        vastgesteld en geïnd.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5:</nr><titel>Kwaliteit en veiligheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen,
                                door:</al><lijst><li nr="a."><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie
                                        van de cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van
                                        zorg;</al></li><li nr="c."><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun
                                        werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen
                                        handelen in overeenstemming met de professionele
                                        standaard;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De eisen als bedoeld in het eerste lid zijn in ieder geval zodanig
                                dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de dienstverlening veilig, doeltreffend, doelmatig en
                                        cliëntgericht wordt verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>de dienstverlening tijdig en conform afspraak wordt
                                        verstrekt;</al></li><li nr="c."><al>de dienstverlening is afgestemd op de reële behoefte van de
                                        cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt
                                        ontvangt;</al></li><li nr="d."><al>de dienstverlening verstrekt wordt met respect voor en
                                        inachtneming van de rechten van de cliënt;</al></li><li nr="e."><al>de aanbieder van zorg een actieve signaleringsplicht heeft
                                        ten aanzien van veranderingen in de gezondheid (fysiek en
                                        psychisch), de sociale situatie en de behoefte van de cliënt
                                        aan meer of andere zorg.</al></li><li nr="f."><al>de ondersteuning wordt geleverd met gekwalificeerd
                                        personeel, passend bij de behoeften en persoonskenmerken van
                                        de cliënt;</al></li><li nr="g."><al>de aanbieder zorg draagt voor scholing zodanig dat de
                                        medewerkers over kwalitatief verantwoorde kennis en kunde
                                        kunnen (blijven) beschikken;</al></li><li nr="h."><al>medewerkers, indien van toepassing, geregistreerd zijn
                                        volgens de geldende beroepsregistratie.</al></li><li nr="i."><al>personen die beroepsmatig dan wel vanuit professioneel
                                        georganiseerde situatie in contact kunnen komen met
                                        cliënten, een verklaring omtrent het gedrag (VOG) bezitten
                                        die niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het
                                        tijdstip waarop betrokkene voor de aanbieder ging
                                        werken;</al></li><li nr="j."><al>de aanbieder zorg draagt voor het naleven van beroeps- en
                                        meldcodes door de medewerkers;</al></li><li nr="k."><al>elke medewerker de Nederlandse taal spreekt en
                                        schrijft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
                                aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig
                                in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde
                                voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                                derden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval
                                rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke CAO‐schalen in relatie tot
                                        de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor
                                        overheadkosten; d. een voor de sector reële mate van
                                        non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof,
                                        ziekte, scholing en werkoverleg; e. kosten voor bijscholing
                                        van het personeel.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die
                                het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in
                                ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de marktprijs van de voorziening, en b. de eventuele extra
                                        taken die in verband met de voorziening van de leverancier
                                        worden gevraagd, zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; -
                                                instructie over het gebruik van de voorziening; -
                                                onderhoud van de voorziening, en</al></li><li nr="-"><al>verplichte deelname in bepaalde
                                                samenwerkingsverbanden.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Meldingsregeling calamiteiten en geweld</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en
                                geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een
                                aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat
                                zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening
                                onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet,
                                doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en
                                adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en
                                het bestrijden van geweld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen
                                gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de
                                verstrekking van een voorziening<cursief>.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                                terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het
                                college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van
                                alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk
                                moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een
                                beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een
                                beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien
                                dan wel intrekken als het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt
                                        en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een
                                        andere beslissing zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb
                                        is aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                                        achten;</al></li><li nr="d."><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of
                                        het pgb verbonden voorwaarden, of</al></li><li nr="e."><al>de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een
                                        ander doel gebruikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als
                                blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is
                                aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de
                                verlening heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                                heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige
                                gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het
                                college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn
                                medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde
                                vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten
                                onrechte genoten pgb.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in eigendom, op een in bruikleen of in pgb
                                verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden
                                teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een
                                woonvoorziening heeft ontvangen die leidt tot waardestijging van de
                                woning, dient bij verkoop van deze woning binnen een periode van 10
                                jaar na gereed melding van de voorziening, deze verkoop van de
                                woning onverwijld aan het college te melden. De meerwaarde van de
                                woning, ten gevolge van de getroffen voorziening moet volgens het in
                                het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet door
                                het college vastgestelde afschrijvingsschema te worden terugbetaald
                                onder aftrek van de betaalde eigen bijdrage.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6:</nr><titel>Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van
                            waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7:</nr><titel>Klachten, medezeggenschap en inspraak</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van klachten
                                van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van
                                meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van
                                klachten van cliënten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke
                                overleggen met de aanbieders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                                ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van
                                cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de
                                gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle door de aanbieder
                                aangeboden voorzieningen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op
                                de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door
                                periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks
                                cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Betrekken van ingezetenen bij het beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder
                                geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van
                                het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning,
                                overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde
                                regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid
                                voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke
                                ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming
                                over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende
                                maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om
                                hun rol effectief te kunnen vervullen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan
                                periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen
                                aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate
                                deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede
                                en derde lid.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8:</nr><titel>Overgangsrecht en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Nadere regels en hardheidsclausule</titel></kop><al>1.In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin
                            deze verordening niet</al><al>voorziet, beslist het college.</al><lijst><li nr="2."><al>Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van
                                    deze verordening.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt
                                    afwijken van de bepalingen</al></li></lijst><al>van deze verordening indien toepassing van de verordening tot
                            onbillijkheden van</al><al>overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet 2013
                                wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond
                                van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet
                                2013, zoals die gold tot 1 januari 2015, totdat het college een
                                nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze
                                voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Nunspeet 2013 en waarop nog niet is beslist
                                bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld
                                krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet 2013, wordt beslist
                                met inachtneming van die verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2017.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet 2015.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Nunspeet op 29 juni 2017.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter, </ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet
                        2015</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
                    (hierna: Wmo 2015). De Wmo 2015 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met
                    toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van
                    een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: AWBZ).
                    Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder
                    de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels
                    voortgeborduurd op de weg die met die wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat
                    redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk,
                    vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen
                    gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een
                    maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden
                    om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren
                    in de maatschappij. </al><al>Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de
                    hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te
                    krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke
                    hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het
                    verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn
                    zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo
                    nodig met gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat
                    een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende of andere
                    voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en
                    deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Want
                    waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke
                    ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige,
                    tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die
                    bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten
                    leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. </al><al>Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen
                    maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende
                    bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd
                    wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend
                    bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn
                    bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de
                    voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene
                    op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage
                    levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt
                    gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen
                    leefomgeving kan blijven.</al><al>De Wmo 2015 en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De
                    uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden door
                    deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze
                    verordening en in de wet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid
                    mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de
                    algemene regels van de Awb. </al><al>De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per
                    verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de
                    uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot
                    maatschappelijke ondersteuning. In de verordening dient overeenkomstig de
                    artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en
                    2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden:</al><lijst><li nr="-"><al>op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een
                            cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie,
                            beschermd wonen of opvang in aanmerking komt;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt
                            vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief
                            eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten;</al></li><li nr="-"><al>ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van
                            klachten van cliënten vereist is;</al></li><li nr="-"><al>ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap
                            van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de
                            gebruikers van belang zijn vereist is;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze ingezeten, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers,
                            worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid
                            kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over
                            verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning
                            en deel kunnen nemen aan periodiek overleg;</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend;
                            en</al></li><li nr="-"><al>op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van
                            waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</al></li></lijst><al>Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6,
                    eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen: </al><lijst><li nr="-"><al>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                            maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of
                            oneigenlijk gebruik van de wet;</al></li><li nr="-"><al>ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                            levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de
                            voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de
                            Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te
                            worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke
                            arbeidsvoorwaarden.</al></li></lijst><al>Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid,
                    2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015:</al><lijst><li nr="-"><al>bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde
                            cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd
                            zullen zijn;</al></li><li nr="-"><al>de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van
                            voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met
                            een persoonsgebonden budget, in de verordening verschillend vaststellen.
                            Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt
                            gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en
                            dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de
                            cliënt en zijn echtgenoot;</al></li><li nr="-"><al>bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere
                            instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd;</al></li><li nr="-"><al>bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of
                            psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke
                            meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning
                            van de zelfredzaamheid en de participatie, en vaststellen welke de
                            toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot de financiële draagkracht.
                            In deze verordening wordt echter geen invulling gegeven aan deze
                            bevoegdheid omdat gekozen is om een tegemoetkoming te verstrekken op
                            grond van de Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan
                            wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan
                            inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.</al></li></lijst><al>De staatsecretaris heeft in een brief van 18 juli 2015 aangegeven aan de vaste
                    Kamercommissie dat hij voornemens is om voor jeugdigen tot 18 jaar zowel de
                    rolstoelen als overige hulpmiddelen vrij te stellen van het betalen van een
                    eigen bijdrage. Voor cliënten van 18 jaar en ouder geldt de vrijstelling alleen
                    voor rolstoelen. Deze regeling wordt opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Wmo
                    2015. Vooruitlopend op deze wijziging is er in deze verordening geen uitvoering
                    gegeven aan de kan bepaling van artikel 2.15 WMO</al><al>Artikel 2.1.3, tweede lid, van de Wmo 2015 biedt verder ruimte om met
                    inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015 andere regels te
                    stellen. Deze verordening maakt hier spaarzaam gebruik van om een meer compleet
                    beeld te geven van de rechten en plichten van burgers en de gemeente.</al><al>Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op
                    grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen. In dit
                    beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking
                    tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd. </al><al/><tussenkop>Artikelsgewijs</tussenkop><tussenkop>HOOFDSTUK 1: Begrippen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet (in artikel
                    1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze
                    verordening. Voor de duidelijkheid is aangegeven dat deze bepalingen, alsmede de
                    bepaling vanuit de Algemene wet bestuursrecht, en die niet worden genoemd in
                    deze verordening onverkort van toepassing zijn bij de uitvoering van deze
                    verordening.</al><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><tussenkop>Ad. a algemeen gebruikelijke voorziening</tussenkop><al>Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt,
                    waarvan gelet op de</al><al>omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook
                    als hij of zij geen</al><al>beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03‐07‐2001, nr.
                    00/764 WVG, CRvB</al><al>16‐04‐2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14‐07‐2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem
                    16‐08‐2012,</al><al>nr. AWB 11/5564).</al><al>Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk
                    is voor de cliënt</al><al>(zie CRvB 17‐11‐2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of sprake is van een
                    algemeen</al><al>gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag
                    of de cliënt over de</al><al>voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben
                    gehad. Bij die</al><al>beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een
                    rol spelen:</al><al>‐ Is de voorziening gewoon te koop?</al><al>‐ Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die
                    algemeen</al><al> gebruikelijk worden geacht?</al><al>‐ Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen?</al><al>Een algemeen gebruikelijke voorzieningis bijvoorbeeld een elektrische fiets.
                    ’Gebruikelijke hulp’ is niet in de verordening, maar in de wet gedefinieerd en
                    is bijvoorbeeld de hulp van een partner van de cliënt. </al><tussenkop>Ad. e bijdrage in de kosten</tussenkop><al>Uit artikel 2.1.4 van de wet vloeit de bevoegdheid voort tot het vragen van een
                    bijdrage in de kosten.</al><al>Cliënten zullen voor hun ondersteuning, als de gemeente daarvoor kiest, een
                    bijdrage moeten</al><al>betalen. Deze bijdrage kan, als het een maatwerkvoorziening betreft, afhankelijk
                    worden gesteld van</al><al>het inkomen en het vermogen. Op grond van artikel 2.1.4 lid 4 van de wet zijn
                    bij Algemene</al><al>Maatregel van Bestuur nadere regels (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015) gesteld.
                    Daarin is bepaald wat</al><al>de ruimte is die de gemeenteraad (het college bij delegatie door de
                    gemeenteraad) heeft voor het</al><al>bepalen van de omvang van de eigen bijdrage. Ook voor een algemene voorziening
                    kan eventueel een bijdrage van de cliënt in de kosten worden gevraagd (m.u.v.
                    cliëntondersteuning), maar deze bijdrage kan, anders dan die voor een
                    maatwerkvoorziening, niet inkomensafhankelijk zijn.</al><tussenkop>Ad. f het gesprek</tussenkop><al>Het gesprek is het mondeling contact na een melding waarin het college met
                    degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt zijn gehele situatie
                    inventariseert ten aanzien van zijn mogelijkheden om op eigen kracht, met
                    gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn
                    sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van voorliggende voorzieningen,
                    algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of
                    maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te
                    voorkomen dat hij gebruik moet maken van beschermd wonen of
                        opvang<cursief>.</cursief></al><tussenkop>Ad. g hulpvraag</tussenkop><al>De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in
                    artikel 2.1.4 lid 1 van</al><al>de wet. Als iemand die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning zich
                    tot het college</al><al>wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van
                    betrokkene is.</al><al>Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op
                    voorhand duidelijk of en</al><al>in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als
                    bedoeld in artikel 2.3.2</al><al>lid 4 van de wet is noodzakelijk.</al><tussenkop>Ad. h ingezetene</tussenkop><al>De cliënt kan als hij ingezetene is van een gemeente in aanmerking komen voor
                    een</al><al>maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1
                    Wmo). Om voor een</al><al>maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen
                    moet de</al><al>cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet persé van de
                    gemeente. Uit de</al><al>Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een
                    maatwerkvoorziening, moet</al><al>wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet
                    verder uitgelegd.</al><al>Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22‐09‐2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt
                    dat het gaat om</al><al>de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in het Brp belangrijk is
                    maar niet doorslaggevend<cursief>.</cursief></al><tussenkop>Ad. i melding</tussenkop><al>Een ieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden
                    maakt de cliënt de</al><al>hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in
                    samenspraak met de</al><al>cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Indien een
                    ingezetene alleen informeert</al><al>naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar
                    maakt gebruik te</al><al>willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een
                    onderzoek in te stellen.</al><tussenkop>Ad. j onverwijld</tussenkop><al>De wet en deze verordening spreken op verschillende momenten van ‘onverwijld’.
                    Het ligt altijd aan</al><al>de concrete omstandigheden van een zaak wat daaronder moet worden verstaan. Het
                    is echter ook</al><al>van belang voor de cliënt dat hij een indruk heeft waar hij vanuit kan gaan. Dit
                    tweede perspectief</al><al>is zodanig van belang, dat deze passage in de verordening is opgenomen. Het komt
                    de rechtszekerheid ten goede en laat binnen de drie werkdagen voldoende ruimte
                    voor maatwerk.</al><tussenkop>Ad. k persoonlijk plan</tussenkop><al>In het persoonlijk plan kan de cliënt – al dan niet tezamen met zijn
                    persoonlijke netwerk ‐ de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 2
                    onderdelen a tot en met e van de wet, en de maatschappelijke ondersteuning die
                    door hem wordt gewenst, beschrijven. De omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2
                    lid 2 onderdelen a tot en met e Wmo, worden onderzocht door het college. Doordat
                    de cliënt hieromtrent voorafgaand aan het onderzoek door het college een
                    persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de wijze
                    waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk</al><al>arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Door
                    de cliënt een</al><al>persoonlijk plan te laten opstellen, wordt de eigen regie en de betrokkenheid
                    van het sociale</al><al>netwerk van cliënten in de Wmo versterkt.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 2: Melding, onderzoek en aanvraag</tussenkop><tussenkop>Artikel 2. Melding hulpvraag </tussenkop><al> Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan
                    worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel
                    2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet. Daarbij is onder meer
                    bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze
                    een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen of opvang.</al><al>In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het
                    college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke
                    ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Deze bepaling verankert ook
                    in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie.
                    In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan
                    worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is
                    uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes
                    weken.</al><al>Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is
                    vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het
                    college worden gedaan. In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag
                    elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan
                    kenbaar heeft gemaakt dat deze weg geopend is. De melding kan ‘door of namens de
                    cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan
                    bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman
                    of andere betrokkene de melding doen. </al><al>In het eerste lid is met gebruik van de in artikel 1 gedefinieerde term
                    ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die
                    op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden
                    doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet. </al><al>In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel
                    2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet). Conform artikel 4:3a van de Awb is het
                    bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat
                    kan dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Indien de melding mondeling
                    of telefonisch is gedaan, zou dit ook kunnen worden afgesproken. </al><al>Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie
                    artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet), is registratie en ontvangstbevestiging
                    van de melding ook in het kader van deze termijn van belang. Ook is het van
                    belang dat zo spoedig mogelijk een afspraak wordt gemaakt voor een gesprek. </al><al>lid 3: Voor beschermd wonen en opvang geldt dat de betreffende inwoners zijn
                    aangewezen op regiovoorzieningen, waarbij de toegang binnen de regio is belegd.
                    Dat betekent dat een andere instantie of een ander college de hulpvraag inneemt
                    en behandelt. Waar in het vervolg van deze artikelsgewijze college is genoemd,
                    dient voor beschermd wonen en opvang het hier vermelde als ingevoegd te worden
                    beschouwd. In het bijzonder is dit het geval bij artikel 6.</al><al/><tussenkop>Artikel 3. Cliëntondersteuning</tussenkop><al>Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college
                    in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de wet. De wet
                    adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening
                    een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening
                    opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van
                    rechten en plichten van cliënten te geven. Hierbij is benadrukt dat de
                    cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos is. In de
                    memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14,
                    33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder
                    geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar
                    burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke
                    ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide
                    vraagverheldering alsmede kortdurende en kort cyclische ondersteuning bij het
                    maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit.</al><tussenkop>Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan</tussenkop><al>Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het
                    eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de
                    melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden
                    gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de
                    gemeente al bekend zijn. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de
                    melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de
                    belanghebbende afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens
                    het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen
                    worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over
                    te leggen. </al><al>De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in het tweede lid,
                    is opgenomen overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet. In het kader
                    van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de wet in ieder
                    geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van
                    een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is
                    de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat
                    document ter inzage te geven. Bij de gegevensverzameling op grond van het eerste
                    en tweede lid zullen de grenzen van de Wet bescherming persoonsgegevens in acht
                    genomen moeten worden.</al><tussenkop>Artikel 5. Gesprek</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan
                    worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel
                    2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij onder meer is
                    bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die
                    noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en
                    de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen. </al><al>De onderdelen van het eerste lid zijn overeenkomstig de opsomming in artikel
                    2.3.2 van de wet opgenomen. In artikel 2.3.2, eerste lid, wordt niet de
                    aanduiding “het gesprek” gebruikt maar “een onderzoek in samenspraak met degene
                    door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of
                    mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger”. De memorie van toelichting op
                    deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt
                    dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van
                    persoonlijk contact met betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene,
                    aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie
                    verkregen kan worden. Het eerste lid bepaalt daarom dat het onderzoek moet
                    plaatsvinden in samenspraak met betrokkene. De vorm van het onderzoek is
                    vrij.</al><al>In het eerste lid is verder benadrukt dat het gesprek met de cliënt wordt
                    gevoerd door deskundigen (namens het college). Het gesprek vindt zo mogelijk bij
                    decliënt thuis plaats. Indien woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker
                    essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende
                    oplossingen te vinden.</al><al>In onderdeel b is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat van het
                    verzoek om ondersteuning’ opgenomen. Dit is belangrijk omdat in de woorden van
                    de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr.
                    34, blz. 183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning
                    effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf
                    vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een
                    verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In de Wmo 2015 staat het
                    bereiken van dit resultaat centraal”.</al><al>In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet
                    verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk
                    plan betrekt bij het onderzoek. </al><al>Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet
                    nodig is (zie het vierde lid). Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al
                    bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft. </al><tussenkop>Artikel 6. Verslag</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en
                    een zorgvuldige procedure. Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt
                    opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden
                    voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo. In de memorie van toelichting
                    (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de
                    cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in
                    staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in
                    beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente
                    inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en
                    draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de
                    weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het
                    onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen
                    zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst</al><al>is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer
                    complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn.
                    Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het
                    onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan (arrangement)
                    voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte
                    afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn vastgelegd. Het is
                    in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan ondertekenen. Indien
                    een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd
                    aan het verslag.</al><al>Soms kan een verslag al direct worden afgegeven, maar vaak zal dit toch nog
                    moeten worden uitgewerkt en gaat daar een paar dagen overheen. Daarom begint het
                    tweede lid met de zinsnede “Binnen 7 werkdagen na het gesprek”. Het kan
                    overigens ook zijn dat na een gesprek de cliënt bijvoorbeeld nog onderzoekt wat
                    er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om
                    boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Ook dan is
                    een paar dagen tijd na het gesprek nuttig.</al><tussenkop>Artikel 7. Aanvraag</tussenkop><al>In het kader van de volgorde van de procedure herhaalt artikel 6 in lid 1 de
                    wet: de aanvraag kan pas</al><al>worden ingediend na het onderzoek of na het verstrijken van de zes wekentermijn.
                    Artikel 2.3.5, lid</al><al>1 van de wet maakt duidelijk dat de aanvraag ziet op een maatwerkvoorziening.
                    Andere oplossingen</al><al>die tot tevredenheid kunnen bijdragen aan zelfredzaamheid en maatschappelijke
                    participatie kunnen</al><al>zonder aanvraag en dus zonder beschikking worden ingezet.</al><al>Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede
                    lid, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in
                    ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een
                    maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of
                    opvang in aanmerking komt. De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na
                    de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede
                    lid). In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening
                    wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag
                    tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan
                    dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij
                    wettelijk voorschrift anders is bepaald. </al><al>In het tweede lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem
                    gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen. Dit is
                    minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen.
                    Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de
                    formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis
                    van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. </al><al>Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het vierde lid de
                    mogelijkheid opgenomen om een door de cliënt ondertekend verslag als aanvraag
                    aan te merken. </al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening</tussenkop><tussenkop>Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening</tussenkop><al>In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat
                    nogmaals uiteengezet.</al><al>De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de eigen kracht en hulp van
                    anderen. De</al><al>maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke
                    ondersteuning.</al><al>In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij
                    verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan
                    vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van
                    toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134)
                    wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op
                    maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van
                    inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur
                    per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in
                    iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de
                    verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden
                    verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria
                    meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een
                    maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. </al><al>In dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst
                    adequate voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden
                    verstrekt dienen naar</al><al>objectieve maatstaven gemeten zowel compenserend als de meest goedkope
                    voorziening te zijn.</al><al>Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt:
                    volgens</al><al>objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken
                    zonder dat zij</al><al>de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in
                    aanmerking komen.</al><al>Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet
                    alleen door</al><al>technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een
                    product dat</al><al>duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk
                    goedkoper is. Wat</al><al>betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk
                    zijn dat bij een</al><al>verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het
                    is uiteraard wel</al><al>mogelijk een voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst
                    adequate voorziening, mits de belanghebbende bereid is het prijsverschil uit
                    eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst adequaat geeft het college
                    mogelijkheden tot sturen binnen het beleid.</al><al/><al><cursief>Artikel 8a Aanvullende criteria voor opvang en beschermd
                        wonen</cursief></al><al>In aanvulling op artikel 8 zijn in dit artikel aanvullende criteria opgenomen
                    voor opvang en beschermd wonen.</al><al/><tussenkop>Artikel 9. Voorwaarden en weigeringsgronden</tussenkop><al>In rechtbankjurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat
                    afwijzingsgronden, wil er een</al><al>beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben.
                    Zie</al><al>bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 8‐11‐2013, nr. ZUT 12/1823. Ook in het kader
                    van</al><al>rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen: bij het ontbreken van
                    afwijzingsgronden of het hanteren</al><al>van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn
                    rechtspositie te bepalen</al><al>of te voorzien. Een aantal onderdelen zijn een herhaling van het algemene
                    toetsingskader, zoals dat in de wet centraal staat. Door het hier te herhalen
                    kan het dienst doen als afwijzingsgrond.</al><al>Ad. a</al><al>De wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in artikel 2 van de
                    Wmo 2007. Het is</al><al>echter wel van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten.
                    Vandaar dat deze</al><al>bepaling in de verordening is opgenomen. Voor zover er met betrekking tot de
                    problematiek die in</al><al>het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een
                    voorziening op grond</al><al>van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening
                    toegekend.</al><al>Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de
                    cliënt aanspraak</al><al>moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een voorliggende
                    voorziening (CRvB 09‐</al><al>11‐2011, nr. 11/3583 WMO en CRvB 28‐09‐2011, nr. 10/2587 WMO). Dat wil niet
                    zeggen dat cliënt</al><al>de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft.
                    Er is geen sprake</al><al>van een voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van een andere
                    wettelijke bepaling</al><al>is afgewezen (CRvB 03‐08‐2011, nr. 11/517 WMO) of indien vaststaat dat cliënt
                    daarvoor niet in</al><al>aanmerking komt (CRvB 19‐04‐2010, nr. 09/1082 WMO).</al><al>Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling
                    slechts gedeeltelijk</al><al>voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een voorliggende
                    voorziening (CRvB 22‐05‐</al><al>2013, nr. 10/6782 WMO). De cliënt kan dan niet voor het overige gedeelte van de
                    kosten een beroep</al><al>doen op de Wmo. </al><al>Ad. d</al><al>Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt,
                    waarvan gelet op de</al><al>omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook
                    als hij of zij geen</al><al>beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03‐07‐2001, nr.
                    00/764 WVG, CRvB</al><al>16‐04‐2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14‐07‐2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem
                    16‐08‐2012,</al><al>nr. AWB 11/5564).</al><al>Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk
                    is voor de cliënt</al><al>(zie CRvB 17‐11‐2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of sprake is van een
                    algemeen</al><al>gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag
                    of de cliënt over de</al><al>voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben
                    gehad. Bij die</al><al>beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een
                    rol spelen:</al><lijst><li nr="·"><al>is de voorziening gewoon te koop?</al></li><li nr="·"><al>is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten
                            die algemeen gebruikelijk worden geacht?</al></li><li nr="·"><al>is de voorziening specifiek voor personen met een beperking
                            ontworpen?</al></li></lijst><al>Ad. e</al><al>Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening aanvraagt nadat
                    deze reeds door de</al><al>cliënt gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden
                    meer heeft de</al><al>voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins
                    invloed heeft op de te</al><al>verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd.
                    Door deze regeling</al><al>wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen
                    uiteindelijk niet</al><al>overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst adequate voorziening
                    beschouwt.</al><al>Ad. f</al><al>De maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Het past hier niet
                    om generieke</al><al>voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en algemene
                    voorzieningen</al><al>geschikte instrumenten.</al><al>Ad. g</al><al>De eigen verantwoordelijkheid van cliënten speelt een prominentere rol in de
                    Wmo, getuige</al><al>bijvoorbeeld CRvB 21‐5‐2012, nr. 11/5321 WMO. Onderdeel h is opgenomen om de
                    eigen</al><al>verantwoordelijkheid daadwerkelijk weer te geven in de verordening zodat het kan
                    dienen als</al><al>beoordelings‐ en afwijzingsgrond. De CRvB heeft echter herhaaldelijk (zo ook in
                    de hier genoemde</al><al>uitspraak) geoordeeld dat de eigen verantwoordelijkheid binnen de Wmo een grote
                    rol speelt, zodat</al><al>een grondslag niet expliciet nodig lijkt te zijn. Voor de volledigheid is deze
                    bepaling toch opgenomen.</al><al>De in het tweede lid opgenomen gronden zijn specifiek van toepassing op
                    maatwerkvoorzieningen</al><al>ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie.</al><al>In het derde lid zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek zien op
                    een maatwerkvoorziening die onder de Wmo 2007 zouden worden aangeduid met de
                    term 'woonvoorziening', een term die binnen de Wmo 2015 ook gebruikt kan
                    worden.</al><al>In het vierde lid heeft het primaat van collectieve voorzieningen een grondslag
                    gekregen. </al><tussenkop>Artikel 10. Advisering</tussenkop><al>Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een
                    aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek
                    naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. Het is bij de
                    adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht
                    wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk
                    aanvullend onderzoek nog nodig is. In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is
                    een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college
                    desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de
                    uitvoering van deze wet.</al><tussenkop>Artikel 11. Inhoud beschikking</tussenkop><al>Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in ‘natura’
                    krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het
                    toekennen van een persoonsgebonden budget. </al><al>Het eerste lid, onder b, dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het
                    college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op.
                    Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep
                    daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de wet, waarin is
                    bepaald datde bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden
                    budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de
                    gemeente geïnd door het CAK.</al><al>Tweede lid, onder a, en derde lid, onder a: het beoogde resultaat is
                    bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Zie ook de toelichting op
                    artikel 5, eerste lid, onder b.</al><al>Tweede lid, onder b, en derde lid, onder d: onder ‘duur’ valt ook de minimale
                    termijn waarop een voorziening geacht wordt mee te gaan voordat deze technisch
                    is afgeschreven.</al><tussenkop>Artikel 12. Regels voor pgb </tussenkop><al>Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als
                    aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een
                    verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen
                    wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6,
                    tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat
                    duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te
                    vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14,
                    33 841, nr. 103).</al><al>Het tweede en derde lid berusten op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de
                    wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke
                    wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte
                    toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33
                    841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het
                    pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente
                    verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten
                    hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte
                    van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende
                    vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten
                    kunnen bij het vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld
                    onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale
                    netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en
                    hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s
                    e.d.). Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van
                    het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6,
                    vijfde lid, onder a, van de wet). De situatie waarin het door de cliënt beoogde
                    aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat
                    dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf
                    bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan
                    het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts
                    weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde
                    aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege
                    inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan
                    wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht
                    worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen<cursief>.</cursief></al><al>Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura omdat er minder
                    overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is
                    in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie
                    goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. </al><al>Ten aanzien van het vierde lid is van belang dat in de nota naar aanleiding van
                    het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft
                    aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is
                    de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval
                    beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp
                    overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en
                    aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met
                    betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten
                    (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld). Informele hulp bij hulpmiddelen,
                    woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook
                    hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een
                    pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat
                    de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen
                    veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede
                    lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in
                    artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de
                    diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid
                    geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt
                    (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet).</al><al>Op grond van artikel 2.3.6 vierde lid dienen in de verordening regels te worden
                    gesteld over de</al><al>bestrijding van ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen of
                    persoonsgebonden budget</al><al>alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Essentieel daarbij is
                    dat het college</al><al>periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen
                    op grond van deze</al><al>wet. Het betreft dus zowel voorzieningen die verstrekt worden in de vorm van
                    zorg in natura, als in de vorm van een persoonsgebonden budget.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 4: Bijdrage in de kosten</tussenkop><tussenkop>Artikel 13. Regels voor bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene
                    voorzieningen </tussenkop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met derde
                    en zevende lid, van de wet.</al><al>De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene
                    voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de kosten van algemene
                    voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. In de nota
                    naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz.
                    95) staat hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door hen de
                    mogelijkheid te bieden om in de verordening te bepalen welke eigen bijdrage een
                    cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het bieden van deze
                    beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier verstandig mee
                    omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige informatievoorziening uit zal
                    sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er zelf belang bij om een algemene
                    voorziening (financieel) laagdrempelig te maken, zodat de druk op vaak duurdere
                    maatwerkvoorzieningen wordt beperkt.</al><al>De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot een
                    bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening (artikel 2.1.4, derde lid,
                    eerste zin, van de wet) en in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 worden regels
                    vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid, van de
                    wet). De bijdrageregels in de verordening moeten passen binnen de kaders die het
                    Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 stelt. In het op deze verordening berustende Besluit
                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet wordt dit verder
                    uitgewerkt.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 5: Kwaliteit en veiligheid</tussenkop><tussenkop>Artikel 14. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van
                    voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten
                    daaronder begrepen<cursief>.</cursief></al><al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij
                    de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te
                    bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen.
                    Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te
                    schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op
                    artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841,
                    nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de
                    wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn.
                    De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte
                    voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te
                    werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. </al><al>In het eerste en tweede lid zijn een aantal voor de hand liggende
                    kwaliteitseisen uitgewerkt. Het in het derde lid genoemde jaarlijkse
                    cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid,
                    van de wet.</al><tussenkop>Artikel 15. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                    derden</tussenkop><al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling
                    van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten
                    (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten
                    aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden
                    gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                    levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit
                    daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening
                    gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                        arbeidsvoorwaarden<cursief>.</cursief></al><al>Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                    uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het
                    college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te
                    houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs
                    voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
                    Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten
                    minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die
                    daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden
                    aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><tussenkop>Artikel 16. Meldingsregeling calamiteiten en geweld</tussenkop><al>In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de
                    toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding
                    doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft
                    plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel
                    6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met
                    het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de
                    wet.</al><al>In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 17 dat er door het college een
                    regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend
                    ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen
                    van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde
                    lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor
                    het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een
                    voorziening.</al><tussenkop>Artikel 17. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval
                    regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet<cursief>.</cursief></al><al>Het eerste, tweede en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de
                    tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van
                    deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de
                    regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet.</al><al>Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling
                    dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing
                    tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het
                    college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken.
                    Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het tweede
                    lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).</al><al>In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van
                    kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in
                    geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening
                    of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag
                    bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1
                    (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast
                    de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen;
                    ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening
                    terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening
                    uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt<cursief>.’
                    </cursief></al><al>In het vijfde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de
                    bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte
                    voorzieningen.</al><al>Het zesde lid bevat een zogenaamde antispeculatiebepaling. Deze bepaling heeft
                    als doel het door de eigenaar laten terugbetalen van een deel van de
                    waardestijging, die het gevolg is van de aanpassing van de eigen woning op grond
                    van de wet. De datum van de verkoop is daarbij bepalend, omdat op die datum al
                    vaststaat wat de verkoopprijs van de woning en wat de meerwaarde ten gevolge van
                    de aanpassing is. Het is aan het college om te bepalen of en in hoeverre in een
                    concrete situatie gebruik van deze bepaling wordt gemaakt, omdat er een afweging
                    moet plaatsvinden tussen de kosten van het effectueren van deze bepaling
                    (taxatie, administratieve lasten) in relatie tot de te verwachten baten. Bij de
                    bepaling van het terug te betalen bedrag wordt rekening gehouden met de door de
                    cliënt betaalde eigen bijdrage voor deze voorziening</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 6: Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming
                    meerkosten</tussenkop><tussenkop>Artikel 18. Jaarlijkse waardering mantelzorgers</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6
                    van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze
                    het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de
                    mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan
                    om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet
                    definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene
                    voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is
                    gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben
                    aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen.
                    Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers
                    kan betreffen die in andere gemeenten wonen. Via deze bepaling wordt het college
                    opgedragen hiervoor een regeling te treffen.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 7: Klachten, medezeggenschap en inspraak</tussenkop><tussenkop>Artikel 19. Klachtregeling</tussenkop><al>De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke
                    behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van
                    personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn.
                    De gemeentelijke klachtenregeling is van toepassing.</al><al>In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders
                    opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald datin de verordening in ieder
                    geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de
                    afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien
                    van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op
                    te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet). In de memorie van
                    toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat
                    cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de
                    manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het
                    gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek
                    is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet
                    tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om
                    bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in
                    verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of
                    uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). </al><al>Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk
                    deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen
                    vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook
                    snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de
                    gemeente voor het indienen van de klacht open.</al><al>In het derde lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd</al><tussenkop>Artikel 20. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                    ondersteuning</tussenkop><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet,
                    waarin is bepaald datin ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke
                    voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen
                    besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is.
                    In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de
                    aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht
                    cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde
                    regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt
                    via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan
                    gemeenten overgelaten. In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat
                    aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De
                    aanbieder is ten aanzien van de aangeboden voorzieningen verplicht een
                    medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de
                    wet).</al><al>In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 21. Betrekken van ingezetenen bij het beleid</tussenkop><al>Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. </al><al>In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
                    vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er
                    eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen.
                    De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van
                    de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op
                    ondersteuning. </al><al>Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling
                    van de medezeggenschap vorm te geven.</al><al/><tussenkop>HOOFDSTUK 8: Overgangsrecht en slotbepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 22. Nadere regels en hardheidsclausule</tussenkop><al>Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen
                    om, ook al is er</al><al>een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze
                    afweging niet leidt tot</al><al>onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan
                    in normale</al><al>omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een
                    zeer persoonlijke</al><al>beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is
                    van een niet billijke</al><al>situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een
                    beroep doen op deze</al><al>clausule. Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt dan kan
                    men zich afvragen</al><al>of het beleid terzake niet aangepast zou moeten worden.</al><tussenkop>Artikel 23. Intrekking oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op
                    basis van de oude verordening. Hierin is bepaald dat een cliënt recht houdt op
                    de op grond van de oude verordening toegekende voorziening totdat een nieuw
                    besluit op grond van de nieuwe verordening is genomen</al><al>In het derde lid is bepaald dat aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze
                    nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet
                    is beslist, worden afgedaan op grond van de nieuwe verordening. In het vierde
                    lid is voor lopende bezwaarschriften bepaald dat deze volgens de oude
                    verordening worden afgedaan. Daarnaast bevat de wet nog overgangsrecht voor AWBZ
                    cliënten die overgaan naar de Wmo en voor de doelgroep beschermd wonen (zie de
                    artikelen 8.1 tot en met 8.4 van de wet. </al></nota-toelichting><bijlage><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>Inhoudsopgave</nr></kop><al>Hoofdstuk 1 Begrippen </al><al>Hoofdstuk 2 Melding, onderzoek en aanvraag </al><al>Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorziening </al><al>Hoofdstuk 4 Bijdrage in de kosten </al><al>Hoofdstuk 5 Kwaliteit en veiligheid </al><al>Hoofdstuk 6 Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten </al><al>Hoofdstuk 7 Klachten, medezeggenschap en inspraak </al><al>Hoofdstuk 8 Overgangsrecht en slotbepalingen </al><al>Toelichting </al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>