<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR345170_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Participatiewet Diemen 2015.</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Diemen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Diemernieuws 11 dec 2014</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie Participatiewet Gemeente Diemen 2015.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet;</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-04</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegenprestatie Participatiewet Diemen 2015.</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Diemen; </al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 oktober 2014
                        nummer 14; </al><al>gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet; </al><al>Besluit vast te stellen de Verordening tegenprestatie Participatiewet Diemen
                            2015<vet>. </vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="-"><al><cursief>grote afstand tot de arbeidsmarkt</cursief>: deelname aan
                                de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één
                                jaar;</al></li><li nr="-"><al><cursief>korte afstand tot de arbeidsmarkt</cursief>: deelname aan
                                de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar;</al></li><li nr="-"><al><cursief>mantelzorg: </cursief>langdurige zorg die niet in het kader
                                van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende
                                door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                                rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke
                                zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al>1.Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                        additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                        werkzaamheden:</al><al>a) naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; </al><al>b) niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument; </al><al>c) worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                        organisatie waarin ze worden verricht; en </al><al>d) niet leiden tot verdringing. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een belanghebbende met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan een belanghebbende met een korte afstand tot de
                                arbeidsmarkt uitsluitend een tegenprestatie opdragen indien
                                bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.</al></li><li nr="3."><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening
                                met de volgende factoren:</al></li></lijst><al>a)de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een
                        belanghebbende; </al><al>b)de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een
                        belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen; </al><al>c) de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende moeten in
                        overweging worden genomen; </al><al>d)als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of
                        vrijwilligerswerk verricht, kanhet college dit aanmerken als
                        tegenprestatie; </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van zes
                            maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt opgedragen maximaal 8 uur per
                                week.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De tegenprestatie kanbinnen een periode van 12 maanden slechts
                            1 x worden verlengd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende
                        mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het
                        oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden
                            voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien het college geen tegenprestatie opdraagt omdat geen werkzaamheden
                            voorhanden zijn, beoordeelt het college binnen zes maanden of op dat
                            moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als
                            tegenprestatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                        afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de
                        verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leiden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie
                        Participatiewet Gemeente Diemen 2015. </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 27 november 2014</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd. </ondertekening><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting Verordening tegenprestatie Participatiewet Diemen
                        2015.</titel></kop><al>Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een
                    tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct samenhangt
                    met arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar of ouder doch
                    jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van melding gehouden
                    naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9,
                    eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. De tegenprestatie bestaat uit
                    de plicht om naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op
                    reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.</al><al><cursief>Individuele omstandigheden </cursief></al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Als
                    het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht
                    wordt (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al><cursief>Geen tegenprestatie </cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot
                    het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                    belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in
                    artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                    lid, van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van
                    toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als
                    bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                    lid, van de Participatiewet).</al><al><cursief>Afstemmen </cursief></al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting geldt
                    voor het niet nakomen van de tegenprestatie dat de bijstand kan worden afgestemd
                    overeenkomstig de gemeentelijke afstemmingsverordening. </al><al><cursief>Bevoegdheid opdragen tegenprestatie</cursief></al><al>De bevoegdheid van het college om een belanghebbende te verplichten naar
                    vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De
                    regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een gelegenheid
                    is om te blijven participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk,
                    arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering ook
                    noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten (TK
                    2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).</al><al><cursief>Tegenprestatie is geen re-integratieinstrument </cursief></al><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het ontvangen
                    van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot
                    doel de re-integratie van een belanghebbende te bevorderen, maar moet worden
                    gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7,
                    p. 49-50). De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding
                    tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratieinstrument. Voorts mag
                    een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratieinspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt werk
                    boven uitkering. </al><al><cursief>Verordeningsplicht </cursief></al><al>De Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij
                    verordening regels vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie aan
                    mensen met een bijstandsuitkering in de leeftijd van 18 jaar tot de
                    pensioengerechtigde leeftijd. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in artikel
                    8a, eerste lid, onderdeel b Participatiewet. Het is aan de gemeente om de duur,
                    omvang en inhoud van de tegenprestatie te regelen (zie TK 2013-2014, 33 801, nr.
                    24, p. 6). </al><al><cursief>Ontwikkelen beleid door college </cursief></al><al>Het college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het
                    verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig de
                    verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel c,
                    van de Participatiewet.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting Verordening tegenprestatie Participatiewet
                        gemeente Diemen</titel></kop><al/><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                        bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                        deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                        verordening. </al><al><cursief>Korte afstand tot de arbeidsmarkt </cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het begrip
                        'korte afstand tot de arbeidsmarkt'. Onder een korte afstand tot de
                        arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs binnen één jaar
                        geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Dit begrip is van belang in
                        verband met de mogelijkheid tot het opdragen van een tegenprestatie. Zie
                        hierover artikel 3 van deze verordening. </al><al><cursief>Grote afstand tot de arbeidsmarkt </cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het begrip
                        'grote afstand tot de arbeidsmarkt'. Onder een grote afstand tot de
                        arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs niet binnen één
                        jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Dit begrip is van belang
                        in verband met de mogelijkheid tot het opdragen van een tegenprestatie. Zie
                        hierover artikel 3 van deze verordening.</al><al><cursief>Mantelzorg </cursief></al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van mantelzorg.
                        Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd
                        in de Wet maatschappelijke ondersteuning (zie artikel 1, eerste lid,
                        onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning). Onder mantelzorg
                        wordt verstaan: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend
                        beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe
                        omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale
                        relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het
                        begrip 'mantelzorg' is van belang omdat artikel 5 van deze verordening
                        bepaalt dat het college geen tegenprestatie opdraagt indien een
                        belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg
                        naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is. </al><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals neergelegd
                        in de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier belangrijkste
                        kenmerken van mantelzorg zijn: </al><al> er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                        zorgverlener; </al><al> mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband; </al><al> het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze; </al><al> het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar. </al><al>Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK 2004-2005, 30
                        169, nr. 1 (Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK 2005-2006, 30 131, nr.
                        C. Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg
                        van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitvoering van de Wet
                        maatschappelijke ondersteuning hanteren gemeenten veelal het protocol
                        Gebruikelijke Zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg om vast te stellen
                        of sprake is van gebruikelijke zorg. Voor de uitleg van wat onder
                        gebruikelijke zorg kan worden aangesloten bij de definitie van gebruikelijke
                        zorg in het protocol Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke zorg wordt in dat
                        Protocol als volgt omschreven: de normale, dagelijkse zorg die partners of
                        ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat
                        ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een
                        gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat
                        huishouden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                        voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard,
                        de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie.
                        Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht
                        nemen. Artikel 2 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de
                        inhoud van de tegenprestatie. Het college dient maatwerk toe te passen bij
                        het opdragen van een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de
                        individuele omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd,
                        opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De
                        werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van
                        belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te verrichten
                        (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                        ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                        duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet
                        voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenpresatie van hem
                        wordt verwacht (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                        ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al><cursief>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                        </cursief>In artikel 2, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat de
                        tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen
                        die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in
                        het kader van de tegenprestatie dienen zich te onderscheiden van
                        werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Het
                        onderscheid tussen betaalde en onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk van
                        onder meer economische factoren en van keuzes die mede op basis daarvan door
                        het bedrijfsleven en/of de overheid worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801,
                        nr. 3, p. 30). </al><al><cursief>Werkzaamheden die kunnen worden ingezet </cursief></al><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                        additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                        werkzaamheden voldoen aan de in artikel 2, eerste lid, van deze verordening
                        genoemde voorwaarden. Dit betekent dat de als tegenprestatie in te zetten
                        werkzaamheid: </al><al>a) naar zijn aard niet is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; </al><al>b) niet is bedoeld als re-integratieinstrument; </al><al>c) wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                        organisatie waarin deze worden verricht; en </al><al>d) niet leidt tot verdringing. </al><al>Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de
                        tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK
                        2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14). </al><al><cursief>Samenwerking met maatschappelijke organisaties:</cursief></al><al>De gemeente kan voor het werven van maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                        samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals: welzijnsinstellingen,
                        vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen. Om
                        ervoor te zorgen dat voldoende maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                        voorhanden zijn, is het van belang dat contacten worden onderhouden met
                        maatschappelijke organisaties. Een vrijwilligersvacaturebank bij een
                        vrijwilligerscentrale kan een belangrijk hulpmiddel zijn om het aanbod van
                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden te bepalen. De gemeente kan ervoor
                        kiezen uitsluitend werkzaamheden binnen de gemeentegrenzen als
                        tegenprestatie in te zetten of werkzaamheden zowel binnen als buiten de
                        gemeentegrenzen in te zetten. Zie hierover de toelichting bij artikel 6 van
                        deze verordening.</al><al><cursief>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing</cursief></al><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie.
                        De tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar
                        de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als re-integratieinstrument. Het
                        betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op
                        reguliere arbeid en die niet mogen leiden tot verdringing op de
                        arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie
                        worden ingezet. De tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of
                        van re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven
                        uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c,
                        van de Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011,
                        32 815, nr. 3, p. 14). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het
                        college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt
                        opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan
                        bezwaar en beroep worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49). </al><al><cursief>Tegenprestatie opdragen aan personen met lange afstand tot
                            arbeidsmarkt </cursief></al><al>De gemeenteraad kiest er in deze verordening voor te bepalen dat het college
                        een tegenprestatie in beginsel uitsluitend kan opdragen aan een
                        belanghebbende die een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Dit
                        impliceert dat aan belanghebbenden die een korte afstand tot de arbeidsmarkt
                        hebben geen tegenprestatie wordt opgedragen, tenzij sprake is van bijzondere
                        omstandigheden (zie hierover de toelichting bij artikel 3, tweede lid, onder
                        de kop " Belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt"). Zie
                        artikel 1 van deze verordening voor de begrippen korte en grote afstand tot
                        de arbeidsmarkt. </al><al>De gemeenteraad heeft hiervoor gekozen opdat personen met een korte zich
                        volledig kunnen richten op de arbeidsplicht en de re-integratieplicht, zoals
                        het naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen. Bij personen met
                        een korte afstand tot de arbeidsmarkt kan redelijkerwijs worden verwacht dat
                        hun inspanningen eerder zullen leiden tot uitstroom. Daarom wordt in
                        beginsel aan personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt geen
                        tegenprestatie opgedragen. De tegenprestatie mag immers het accepteren van
                        passende arbeid of van re-integratieinspanningen niet belemmeren aangezien
                        werk boven uitkering als uitgangspunt geldt. Aan personen met een lange
                        afstand tot de arbeidsmarkt kan het college wel een tegenprestatie
                        opdragen.</al><al><cursief>Belanghebbende met een korte afstand tot de
                        arbeidsmarkt</cursief></al><al>Artikel 3, tweede lid, van deze verordening bepaalt dat het college een
                        belanghebbende met een korte afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie
                        kan opdragen als bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. Hierbij kan
                        bijvoorbeeld gedacht worden aan de situatie waarin geen
                        re-integratieactiviteiten worden verricht door belanghebbende en het
                        verrichten van re-integratieactiviteiten op korte termijn redelijkerwijs
                        niet kan worden verwacht. In dat geval bestaat er ruimte een tegenprestatie
                        op te leggen. </al><al><cursief>Geen tegenprestatie </cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                        college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht
                        tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                        Participatiewet). </al><al>De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van
                        toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt
                        is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
                        (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet) De verplichting tot
                        tegenprestatie is niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het
                        bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                        Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet). </al><al><cursief>Weigering tegenprestatie</cursief></al><al>Het college dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie te
                        verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur van de
                        op te leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29). </al><al><cursief>Factoren opdragen tegenprestatie </cursief></al><al>In artikel3, derde lid, van deze verordening is neergelegd met welke
                        factoren het college rekening moet houden bij het opdragen van een
                        tegenprestatie. Deze factoren worden hierna toegelicht. </al><al><cursief>Factor: tegenprestatie 'naar vermogen' </cursief></al><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar vermogen
                        door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar vermogen'
                        heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een belanghebbende beschikt om
                        deze werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle onbeloonde
                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan elke
                        uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30). </al><al><cursief>Factor: persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                            belanghebbende</cursief></al><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de
                        persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende,
                        waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank
                        Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).
                        Hierbij wordt rekening gehouden met het fysieke en psychische vermogen van
                        een belanghebbende. Bij het opdragen van de tegenprestatie dient het college
                        maatwerk te leveren. Voorts wordt bij opdragen van een tegenprestatie
                        rekening gehouden met praktische omstandigheden zoals reistijd,
                        beschikbaarheid van kinderopvang en/of belanghebbende al maatschappelijke
                        activiteiten verricht. </al><al><cursief>Factor: persoonlijke wensen en kwaliteiten
                        belanghebbende</cursief></al><al>Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het college
                        rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende. De
                        regering vindt het immers belangrijk dat een belanghebbende invloed heeft op
                        de keuze van de activiteiten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47).
                        Belanghebbende kan zelf ideeën aandragen voor de als tegenprestatie te
                        verrichten werkzaamheden. In de uitnodiging voor een gesprek waarin deze
                        mogelijkheden worden verkend, worden cliënten er op gewezen dat men
                        desgewenst een vertegenwoordiger, mantelzorger of familielid kan meenemen. </al><al>Het college kan in beleidsregels bepalen wanneer een belanghebbende zijn
                        keuze voor het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteit kenbaar
                        maakt aan het college. Het college beoordeelt de door belanghebbende zelf
                        aangedragen ideeën en kan besluiten om het voorstel van belanghebbende over
                        te nemen en die werkzaamheden in te zetten als tegenprestatie. Uiteraard
                        moet die werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of krachtens artikel 2
                        van deze verordening en moet die werkzaamheid beschikbaar zijn. Het college
                        is niet gehouden te voldoen aan de wensen van een belanghebbende, maar moet
                        deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt belanghebbende geen ideeën aan,
                        dan legt het college belanghebbende een lijst met keuzemogelijkheden voor
                        van maatschappelijk nuttige werkzaamheden die voorhanden zijn. Als
                        belanghebbende geen voorkeur kenbaar maakt of er geen keuzemogelijkheid is,
                        legt het college een werkzaamheid op. Het is immers aan het college, en niet
                        aan een belanghebbende, een tegenprestatie op te dragen aan belanghebbende. </al><al><cursief>Factor: maatschappelijke activiteiten en vrijwilligerswerk door
                            belanghebbende </cursief></al><al>Het college houdt er bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie
                        rekening met het eventuele gegeven dat een belanghebbende al maatschappelijk
                        actief is (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Indien een belanghebbende al
                        een maatschappelijke activiteit verricht, <cursief>kan</cursief> het college
                        in bepaalde gevallen besluiten deze maatschappelijke activiteit aan te
                        merken als tegenprestatie. Ook kan de omstandigheid dat een belanghebbende
                        maatschappelijke activiteit verricht, ertoe leiden dat hiermee rekening
                        wordt gehouden bij het vaststellen van de tegenprestatie, met name de duur
                        en de omvang van de tegenprestatie. Een voorbeeld van maatschappelijke
                        activiteiten zijn: de zorg voor een ouder of een gehandicapt kind. Het
                        college beoordeelt de maatschappelijke activiteiten en houdt daarbij
                        rekening met de duur en omvang. Dit geldt ook voor het verrichten van
                        vrijwilligerswerk. Het college kan ook besluiten vrijwilligerswerk aan te
                        merken als tegenprestatie. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met de
                        maximale duur van de tegenprestatie zoals neergelegd in artikel 4 van deze
                        verordening. Hierbij kan ook de aard van het vrijwilligerswerk een rol
                        spelen. Omdat vrijwilligerswerk veelzijdig van aard is, is geen
                        begripsopmschrijving opgenomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                        voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard,
                        de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie.
                        Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht
                        nemen. Artikel 4 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de
                        duur en omvang van de tegenprestatie. </al><al><cursief>Individuele omstandigheden </cursief></al><al>Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van een
                        belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van de
                        werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat
                        betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis van de situatie
                        in welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden (TK 2013-2014, 33 801,
                        nr. 30).</al><al><cursief>Maximale duur tegenprestatie in maanden </cursief></al><al>Artikel 4, eerste lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een
                        maximale duur. De tegenprestatie kan worden opgedragen voor de maximale duur
                        van 6 maanden. Het is van belang dat de duur beperkt is. Het opdragen van de
                        tegenprestatie tot aan het einde van de uitkering is in ieder geval niet
                        beperkt in duur en in omvang. </al><al><cursief>Maximale duur tegenprestatie in
                            uren</cursief></al><al>Artikel4, tweede lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een
                        maximaal aantal uren. De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 8
                        uren per week. Voor het maximaal aantal uren is gekozen om de tegenprestatie
                        van relatief geringe omvang te laten zijn. </al><al>Artikel 4, derde lid, regelt dat het opdragen van een tegenprestatie binnen
                        een periode van 12 slechts</al><al> 1 x kan worden verlengd. Deze bepaling waarborgt dat de tegenprestatie
                        relatief gering wordt ingezet. De tegenprestatie dient immers niet in de weg
                        te staan aan de re-integratie van een belanghebbende. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Artikel 5 van de verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt
                        opgedragen indien een belanghebbende mantelzorg verricht en het college het
                        verrichten hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt. De regering heeft
                        deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging met
                        betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6).
                        Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip
                        mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze verordening. Verricht een
                        belanghebbende mantelzorg in de zin van deze verordening en is het
                        verrichten van mantelzorg volgens het college redelijkerwijs noodzakelijk,
                        dan draagt het college een belanghebbende geen tegenprestatie op (artikel 6
                        van deze verordening). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><al><cursief>Geen werkzaamheden voorhanden</cursief></al><al>Artikel 6, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat geen tegenprestatie
                        wordt opgedragen indien geen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                        werkzaamheden voorhanden zijn. In deze verordening kiest de gemeenteraad
                        ervoor werkzaamheden binnen de eigen gemeentegrenzen voorhanden zijn. De
                        Participatiewet verplicht gemeenten niet om buiten de eigen gemeentegrens
                        een tegenprestatie te laten verrichten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 51).
                        Indien het college besluit geen tegenprestatie op te leggen omdat binnen de
                        eigen gemeentegrenzen geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                        voorhanden zijn, wordt binnen zes maanden een heronderzoek uitgevoerd om te
                        beoordelen of op dat moment wel maatschappelijk nuttige werkzaamheden binnen
                        de eigen gemeentegrenzen voorhanden zijn. Dit is geregeld in artikel 6,
                        tweede lid, van deze verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.Hardheidsclausule</nr></kop><al>Behoeft geen bespreking</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die
                        datum is in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet de
                        verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd om regels in de
                        verordening vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In dit artikel is de citeertitel van deze verordening neergelegd. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>