<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR345043_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele studietoeslag Sittard-Geleen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Sittard-Geleen</dcterms:creator><dcterms:modified>2015-02-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sittard-Geleen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier=""> gemeenteblad d.d. 25-2-2015, nr. 2015, 16635</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening individuele studietoeslag Sittard-Geleen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-01-29</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-02-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2015-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-04-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging van artikelen 2 en 4</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015, 16635</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geconsolideerde versie</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening individuele studietoeslag Sittard-Geleen 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Sittard-Geleen;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 23 september
                        2014;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet;</al><al>gezien het advies van het Sociaal Overleg;</al><al>besluit vast te stellen de</al><al>Verordening individuele studietoeslag Sittard-Geleen 2015</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet,
                        wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Advies oordeel</titel></kop><al>Het college kan met betrekking tot het oordeel of een persoon niet in staat
                        is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden
                        heeft tot arbeidsparticipatie advies vragen aan het Uitvoeringsinstituut
                        werknemersverzekeringen (UWV).</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Eenmaal per periode individuele studietoeslag verlenen</titel></kop><al>Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van 6 maanden in
                        aanmerking komen voor een individuele studietoeslag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Hoogte individuele studietoeslag</titel></kop><al>Een individuele studietoeslag bedraagt per maand 18,75% van het voor de
                        aanvrager van toepassing zijnde bruto minimum(jeugd)loon.</al><al/><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Betaling individuele studietoeslag</titel></kop><al>Een individuele studietoeslag wordt per maand uitbetaald in zes gelijke
                        delen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele studietoeslag
                        Sittard-Geleen 2015.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 12 november 2014</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd.</ondertekening><ondertekening>De griffier, drs. J. Vis</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, drs. G.J.M. Cox</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr/><titel/></kop><al>In deze vanaf 1 januari 2015 geldende geconsolideerde versie is het raadsbesluit
                    van 29-1-2015 tot wijziging van de artikelen 2 en 4 verwerkt.</al><al>Toelichting op deze wijziging:</al><al>Met de nota van wijziging wordt de voorwaarde dat een belanghebbende met
                    voltijds arbeid niet in staat tot het verdienen van het wettelijk minimumloon
                    veranderd in dat een belanghebbende niet in staat is tot het verdienen van het
                    wettelijk minimumloon. Hierop is ook artikel 2 aangepast.</al><al>Ter verduidelijking is tevens in artikel 4 aangevuld dat de studietoeslag wordt
                    gebaseerd op het bruto minimum(jeugd)loon.</al><al/><al>Toelichting op besluit tot vaststelling van de verordening d.d. 12-11-2014</al><al><cursief>Algemene deel</cursief></al><al>De Invoeringswet Participatiewet introduceert een studieregeling in de
                    Participatiewet: de individuele studietoeslag. Hiermee krijgt het college de
                    mogelijkheid mensen, van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn het
                    minimumloon te verdienen, een individuele studietoeslag te verstrekken als ze
                    studeren. Het afronden van een studie versterkt de positie op de arbeidsmarkt.
                    Een diploma is een bewijs tegenover werkgevers dat iemand gemotiveerd is en veel
                    in zijn mars heeft.</al><al>Mensen met een arbeidshandicap hebben volgens de regering een extra steuntje in
                    de rug nodig als het gaat om studeren. Voor hen is de drempel om te lenen een
                    stuk hoger, omdat de kans op een baan later lager is. Een studieregeling
                    stimuleert mensen om toch de stap te zetten om naar school te gaan of een studie
                    te gaan volgen. Ook biedt het een financiële compensatie voor het feit dat het
                    voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met een bijbaan (TK
                    2013-2014, 33 161, nr. 125, p. 2).</al><al>De individuele studietoeslag moet worden aangemerkt als een vorm van bijzondere
                    bijstand (artikel 5, onderdeel d, van de Participatiewet). De individuele
                    studietoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een
                    inkomensondersteunende maatregel voor mensen van wie is vastgesteld dat ze niet
                    in staat zijn het minimumloon te verdienen.</al><al><cursief>Verordeningsplicht</cursief></al><al>De Invoeringswet Participatiewet legt de gemeenteraad de verplichting op in een
                    verordening regels vast te stellen over het verlenen van een individuele
                    studietoeslag. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in artikel 8, eerste lid,
                    onderdeel c, van de Participatiewet. De regels moeten in ieder geval betrekking
                    hebben op de hoogte en de frequentie van de betaling van de individuele
                    studietoeslag (artikel 8, derde lid, van de Participatiewet).</al><al><cursief>Discretionaire bevoegdheid</cursief></al><al>Het verlenen van een individuele studietoeslag is een discretionaire bevoegdheid
                    van het college. Dit betekent dat het college aan personen die voldoen aan de
                    voorwaarden van artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet, een individuele
                    studietoeslag kan toekennen, maar hiertoe niet is gehouden. Het college kan in
                    beleidsregels aangeven of bepaalde groepen niet in aanmerking komen voor een
                    studietoeslag. Het college kan in plaats daarvan - en in aanvulling op artikel
                    36b, eerste lid, van de Participatiewet - in beleidsregels aangeven wie, wanneer
                    en op grond van welke nadere voorwaarden recht heeft op een individuele
                    studietoeslag.</al><al><cursief>Voorwaarden individuele studietoeslag</cursief></al><al>Een persoon die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                    Participatiewet kan een aanvraag indienen voor een individuele studietoeslag.
                    Artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet spreekt overigens zowel over
                    verzoek als aanvraag. Het college kan op een dergelijk verzoek – gelet op de
                    individuele omstandigheden van een persoon - een individuele studietoeslag
                    verlenen. Hiervoor is vereist dat deze persoon op de datum van de aanvraag:</al><lijst><li nr="1."><al>18 jaar of ouder is;</al></li><li nr="2."><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering
                            2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van
                            de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;</al></li><li nr="3."><al>geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de
                            Participatiewet heeft; en</al></li><li nr="4."><al>een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met voltijdse arbeid niet
                            in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel
                            mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.</al></li></lijst><al>Dat een persoon recht moet hebben op studiefinanciering of een
                    WTOS-tegemoetkoming, betekent niet dat deze persoon ook daadwerkelijk
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het recht op
                    studiefinanciering bestaat, afhankelijk van iemands gekozen opleiding, leeftijd
                    en inkomen. Of van dit recht gebruik gemaakt wordt is niet in de Participatiewet
                    geregeld en is geen vereiste voor het ontvangen van een individuele
                    studietoeslag op grond van de Participatiewet. Voor het recht op een individuele
                    studietoeslag is het dan ook voldoende dat een persoon recht heeft op
                    studiefinanciering of een tegemoetkoming. De persoon zal - als aanvrager van de
                    toeslag - aannemelijk moeten maken dat hij recht op studiefinanciering of een
                    tegemoetkoming heeft, bijvoorbeeld door een beschikking van DUO of door een
                    bewijs van inschrijving bij een bepaalde opleiding te overleggen.</al><al>De artikelen 12, 43, 49 en 52 van de Participatiewet zijn niet van toepassing
                    bij verlening van de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De aanvraag moet worden ingediend bij het college. Een
                    individuele studietoeslag kan niet als lening worden verstrekt als een persoon
                    met de studietoeslag schulden wil aflossen. Artikel 49 van de Participatiewet is
                    namelijk niet van toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36b,
                    tweede lid, van de Participatiewet). Ook artikel 52 van de Participatiewet is
                    niet van toepassing op de individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid,
                    van de Participatiewet). Dit maakt dat de individuele studietoeslag niet kan
                    worden verstrekt in de vorm van een voorschot.</al><al/><al><cursief>Artikelsgewijze toelichting</cursief></al><al>Artikel 1. indienen verzoek</al><al>Een verzoek om een individuele studietoeslag kan worden ingediend door personen
                    als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet. Dit
                    betreft personen die het college ondersteunt bij arbeidsinschakeling:</al><al>personen die algemene bijstand ontvangen;</al><lijst><li nr="1."><al>personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdelen b en c,
                            35, vierde lid, onderdelen b en c, en 36, derde lid, onderdelen b en c,
                            van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen tot het moment dat het
                            inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                            jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon
                            in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is
                            verleend;</al></li><li nr="2."><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                            Participatiewet;</al></li><li nr="3."><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                            Algemene nabestaandenwet;</al></li><li nr="4."><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers,</al></li><li nr="5."><al>personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening
                            oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, en</al></li><li nr="6."><al>niet-uitkeringsgerechtigden.</al></li></lijst><al>Het college kan aan deze personen, op een daartoe strekkend verzoek, een
                    individuele studietoeslag verlenen (artikel 36b, eerste lid, van de
                    Participatiewet). Een persoon dient op datum van de aanvraag aan de voorwaarden
                    te voldoen zoals genoemd in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet.
                    Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen
                    (artikel 1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel
                    schriftelijk te worden ingediend (artikel 4:1 van de Awb).</al><al>Om onduidelijkheid te voorkomen omtrent de wijze waarop het verzoek als bedoeld
                    in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet moet worden ingediend,
                    bepaalt artikel 1 van deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan
                    middels een door het college vastgesteld formulier. Een verzoek wordt dan gezien
                    als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een
                    schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de
                    aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de
                    dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel
                    4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en
                    bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij
                    redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb).
                    Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om
                    individuele studietoeslag zoals bedoeld in artikel 36b van de
                    Participatiewet.</al><al/><al>Artikel 2. Advies over oordeel verdienen wettelijk minimumloon</al><al>Artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet regelt in welke gevallen het
                    college op verzoek van een persoon, gelet op diens individuele omstandigheden,
                    een individuele studietoeslag kan verlenen. Dit is het geval indien een persoon
                    op de datum van de aanvraag:</al><al>18 jaar of ouder is;</al><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of
                    recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet
                    tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;</al><al>geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de
                    Participatiewet heeft; en</al><al>een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met voltijdse arbeid niet in staat
                    is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft.</al><al>Met betrekking tot het laatst genoemde criterium kan het college advies inwinnen
                    bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) . Het gaat om advies
                    met betrekking tot het oordeel of een persoon met voltijdse arbeid niet in staat
                    is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot
                    arbeidsparticipatie heeft.</al><al/><al>Artikel 3. Eenmaal per periode individuele studietoeslag verlenen</al><al>Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van zes maanden in aanmerking
                    komen voor een individuele studietoeslag.</al><al>Doorgaans kan een persoon halfjaarlijks starten met een opleiding. Voor de
                    beoordeling of een belanghebbende in aanmerking komt voor een individuele
                    studietoeslag wordt de situatie op de datum van de aanvraag beoordeeld (artikel
                    36b, eerste lid, van de Participatiewet). Om deze reden is geregeld dat een
                    persoon slechts eenmaal binnen een periode van zes maanden in aanmerking kan
                    komen voor een individuele studietoeslag (artikel 3 van deze verordening).
                    Studeert een persoon na die zes maanden nog steeds en voldoet hij aan de
                    voorwaarden van artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet, dan kan hij
                    opnieuw in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag.</al><al/><al>Artikel 4. Hoogte individuele studietoeslag</al><al>In artikel 4 van deze verordening is de hoogte van de individuele studietoeslag
                    geregeld. Hierbij wordt de studietoeslag per persoon die voldoet aan de
                    voorwaarden toegekend. Een individuele studietoeslag bedraagt een percentage
                    afgeleidt van het wettelijk minimum(jeugd) loon per maand dat voor de persoon
                    toepasselijk is.</al><al/><al>Artikel 5. Betaling individuele studietoeslag</al><al>In dit artikel wordt de frequentie van de betaling van de individuele
                    studietoeslag geregeld.</al><al>Een individuele studietoeslag wordt per maand uitbetaald in zes gelijke delen.
                    Artikel 4 van deze verordening bepaalt de hoogte van de individuele
                    studietoeslag.</al><al>Een persoon moet op de datum van de aanvraag voldoen aan de in artikel 36b,
                    eerste lid, van de Participatiewet. Als een persoon op enig moment na de
                    aanvraag hier niet meer aan voldoet heeft dat geen gevolgen voor het recht op
                    een individuele studietoeslag. Dit betekent dat het dus kan voorkomen dat een
                    persoon geen recht op studiefinanciering meer heeft, maar wel nog recht heeft op
                    uitbetaling van een eerder toegekende individuele studietoeslag aangezien
                    uitsluitend de situatie op de datum van de aanvraag bepalend is.</al><al>Na zes maanden kan een persoon opnieuw in aanmerking komen voor een individuele
                    studietoeslag. Dit volgt uit artikel 3 van deze verordening</al><al/><al>Artikel 6. Inwerkingtreding</al><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die
                    datum is in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet de
                    verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd om regels in de verordening
                    vast te stellen over het verlenen van een individuele studietoeslag.</al><al/><al>Artikel 7. Citeertitel</al><al>In dit artikel is de citeertitel van deze verordening neergelegd.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>