<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR344974_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Sittard-Geleen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Sittard-Geleen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sittard-Geleen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">gemeenteblad d.d. 10 juli 2015 nr. 2015/62351</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Sittard-Geleen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging van artikel 3 lid 3</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>reg. nummer 1324311</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive Sittard-Geleen
            2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Sittard­Geleen;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 23 september
                        2014;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel d, van de Participatiewet;</al><al>gezien het advies van het Sociaal Overleg;</al><al>besluit vast te stellen de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij
                        recidive Sittard-Geleen 2015</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1 Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen
                                    475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke
                                    Rechtsvordering;</al></li><li nr="-"><al>recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a,
                                    vijfde lid, van de Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>bezit: waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of
                                    diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, met
                                    uitzondering van het in de woning met bijbehorend erf gebonden
                                    vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de
                                    Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>verrekenen: verrekening als bedoeld in artikel 60, vierde lid,
                                    van de Participatiewet.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 2 Bescherming beslagvrije voet bij verrekening wegens
                            recidive</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 2 Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende
                                bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete zonder inachtneming van de beslagvrije voet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een
                                tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop
                                de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3 Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming van de
                                beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf het moment van de
                                dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid, verrekent
                                het college de recidiveboete in de daarop volgende twee maanden op
                                een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft beschikken over een
                                inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen
                                gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n, r en
                                z, van de Participatiewet.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4 Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 2 en 3 kan het college de recidiveboete
                            met inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de
                                    artikelen 2 of 3, zou leiden tot huisuitzetting van
                                    belanghebbende en diens gezin; of</al></li><li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5 Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>De artikelen 2, 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste
                            lid, van de Participatiewet, indien en voor zover deze boete nog niet is
                            betaald op het moment van verrekening van de recidiveboete.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>Hoofdstuk 3 Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 6 Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking na de bekendmaking ex artikel 139 van
                            de Gemeentewet en werkt terug tot 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7 Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening verrekening
                            bestuurlijke boete bij recidive Sittard-Geleen 2015.</al><al/><al/><al>Gelijktijdig wordt de verordening verrekening bestuurlijke boete bij
                            recidive van 6 juni 2013 ingetrokken.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 12 november 2014</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd.</ondertekening><ondertekening>De griffier, drs. J. Vis</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, drs. G.J.M. Cox</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al/><al>Dit is een geconsolideerde vanaf 1 juli 2015 geldende versie, waarin het
                    wijzigingsbesluit van de raad d.d. 11 juni 2015 is verwerkt.</al><al>In dit besluit werd per 1 juli 2015 artikel 3 lid 3 gewijzigd.</al><al/><al>Toelichting bij verordening, vastgesteld op 12 november 2014</al><al/><al><cursief>Algemeen deel</cursief></al><al>Op 1 januari 2013 is de "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                    SZW­wetgeving" in werking getreden. Deze wet introduceert de bestuurlijke boete
                    bij een schending van de inlichtingenplicht. Het college van burgemeester en
                    wethouders (verder college) is verplicht de bestuurlijke boete met de lopende
                    uitkering te verrekenen. In beginsel moet bij deze verrekening de bescherming
                    van de beslagvrije voet in acht genomen worden. Is echter sprake van een
                    bestuurlijke boete wegens recidive, dan kan het college besluiten gedurende
                    maximaal drie maanden met de beslagvrije voet te verrekenen.</al><al>De Participatiewet verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te
                    stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te
                    stellen bij verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de
                    ruimte een afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten
                    werking stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht.</al><al>De bevoegdheid van de gemeenteraad strekt zich slechts uit over het al dan niet
                    in acht nemen van de beslagvrije voet bij verrekening van de recidiveboete. Daar
                    waar terugvordering en invordering niet door de wetgever is verplicht, blijft
                    sprake van een bevoegdheid van het college. Het is derhalve aan het college op
                    deze onderdelen nadere (beleids)regels vast te stellen.</al><al>In het kader van pseudoverrekening kunnen gemeenten te maken krijgen met
                    verzoeken van andere gemeenten om een door hen opgelegde recidiveboete te
                    verrekenen. Het college dat de boete heeft opgelegd zal in dat geval aangeven in
                    hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen (volgens de regels van zijn
                    gemeentelijke verordening). De gemeente die de uitkering verstrekt, moet in
                    beginsel gehoor geven aan dit verzoek. Mocht de beslagvrije</al><al>voet niet gerespecteerd worden, dan kan de belanghebbende het college waarvan
                    hij uitkering ontvangt, verzoeken de beslagvrije voet toch in acht te nemen. In
                    artikel 60b, tweede lid, van de Participatiewet is geregeld dat het college die
                    de uitkering verstrekt, de bevoegdheid heeft aan dit verzoek van belanghebbende
                    tegemoet te komen. Het ligt voor de hand dat het college bij de beslissing op
                    dat verzoek handelt analoog aan de regels die in de eigen gemeentelijke
                    verordening zijn vastgelegd. Dit zal worden vastgelegd in een door het college
                    vast te stellen beleidsregel.</al><al/><al><cursief>Artikelsgewijze toelichting</cursief></al><al>Artikel 1. Begrippen</al><al>In deze bepaling zijn een aantal begrippen nader omschreven. De meeste behoeven
                    geen nadere toelichting.</al><al>Bezit De verordening kent een definitie van het begrip bezit. Het gaat daarbij
                    om (de waarde van) alle bezittingen waarover een belanghebbende of diens
                    gezinsleden beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken. Bezittingen kunnen
                    zowel bestaan uit geld als op geld waardeerbare goederen.</al><al>Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat het
                    nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet.
                    Eventueel aanwezige schulden spelen</al><al>immers geen rol en worden dus ook niet op het bezit in mindering gebracht. Ook
                    de vrijlatingen van artikel 34, tweede lid, van de Participatiewet zijn hier
                    niet van toepassing. Een belanghebbende die vanwege de volledige verrekening met
                    de beslagvrije voet zonder inkomsten komt te zitten, zal de bezittingen waarover
                    hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, volledig moeten aanwenden om in
                    de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. Een uitzondering is
                    gemaakt voor de door belanghebbende en zijn gezin bewoonde (eigen) woning.</al><al>Verrekenen De Participatiewet kent een ruimer begrip van verrekenen dan het
                    Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de duidelijkheid is daarom een
                    aparte begripsbepaling opgenomen in de verordening.</al><al/><al>Artikel 2. Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</al><al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                    beslagvrije voet plaats vindt voor de maximale termijn van drie maanden als een
                    belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te kunnen vangen.
                    Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 2 van deze verordening. Van voldoende
                    bezit is sprake als de waarde van de bezittingen waarover belanghebbende
                    beschikt (of redelijkerwijs kan beschikken), ten minste driemaal de
                    toepasselijke bijstandsnorm bedraagt. Immers, bij aanwending of tegeldemaking
                    van deze bezittingen, zou een periode van drie maanden overbrugd moeten kunnen
                    worden.</al><al/><al>Artikel 3. Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</al><al>Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie maanden
                    volledige verrekening met de beslagvrije voet te kunnen overbruggen, dan
                    verrekent het college slechts één maand zonder inachtneming van de beslagvrije
                    voet. Voor de overige</al><al>twee maanden vindt weliswaar verrekening met de beslagvrije voet plaats, maar
                    niet volledig. Belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte van
                    80% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al><al>Voor het percentage van 80% is aansluiting gezocht bij de
                    invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire wanbetalers.
                    Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van de toepasselijke
                    bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel 19, eerste lid, van de
                    Invorderingswet 1990.</al><al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat fraude
                    niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die herhaaldelijk hun
                    inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een duidelijk signaal tegenover
                    staan. Anderzijds wordt rekening gehouden met de zorgplicht van gemeenten. Het
                    volledig buiten werking stellen van de beslagvrije voet gedurende drie maanden
                    kan kwalijke maatschappelijke consequenties hebben. Dat moet voorkomen worden,
                    nu de regeling daarmee zijn doel voorbij zou schieten.</al><al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van artikel 31,
                    tweede lid, onderdelen n of r, van de Participatiewet worden vrijgelaten voor de
                    algemene bijstand. Bij verrekening van een recidiveboete tot 80% van de
                    bijstandsnorm, tellen deze inkomsten echter gewoon mee. Het college laat deze
                    inkomsten dus niet buiten beschouwing bij de beoordeling van de vraag of een
                    belanghebbende nog over voldoende inkomen beschikt.</al><al>Dat is geregeld in lid 3.</al><al/><al>Artikel 4. Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</al><al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de inlichtingenplicht,
                    zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening met de beslagvrije voet
                    niet aanvaardbaar wordt geacht. Die situaties komen aan de orde in artikel 4.
                    Het gaat daarbij altijd om individuele omstandigheden waaraan het college zal
                    moeten toetsen.</al><al>In onderdeel a is geregeld dat het college kan besluiten in afwijking van de
                    artikelen 2 en 3 toch de beslagvrije voet te respecteren wanneer volledige
                    verrekening waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van belanghebbende en diens
                    gezin. Voorkomen moet worden dat een belanghebbende door de volledige
                    verrekening op straat komt te staan, nu dit de problematiek alleen maar
                    verergert, met alle maatschappelijke kosten van dien.</al><al>Een dreigende huisuitzetting wordt in deze verordening gezien als een dringende
                    reden om van verrekening met de beslagvrije voet af te zien. Dat volgt uit het
                    woord 'anderszins' in onderdeel b. Ook bij aanwezigheid van andere dringende
                    redenen dan een dreigende huisuitzetting, kan het college rekening houden met de
                    bescherming van de beslagvrije voet. Van dringende redenen is niet snel sprake.
                    Het gaat slechts om incidentele gevallen, waarbij de behoeftige omstandigheden
                    waarin de belanghebbende en diens gezinsleden verkeren op geen enkele andere
                    wijze te verhelpen zijn. Het enkele feit dat het belanghebbende door de
                    verrekening aan middelen ontbreekt om in het bestaan te voorzien, is op zich
                    geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen.</al><al/><al>Artikel 5. Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</al><al>In artikel 60b, derde lid, van de Participatiewet is bepaald dat de bevoegdheid
                    om te verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder
                    opgelegde bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening van de
                    recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht het college die
                    eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan regelt artikel 5 dat de
                    bepalingen in deze verordening van overeenkomstige toepassing zijn.</al><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>