<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR344955_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Roerdalen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Roerdalen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Roerdalen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 79286</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Roerdalen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, art. 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e en tweede lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-12-29</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014/12/17/12A</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-57291</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Roerdalen
            2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Roerdalen heeft; </al><al/><al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4
                        november 2014, </al><al/><al>gelet op artikel 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e en tweede lid
                        van de Participatiewet;</al><al/><al>het volgende besluit genomen:</al><al/><al>Besluit:</al><al/><al>De Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Roerdalen 2015 vast te
                        stellen.</al><al/><al>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 17-12-2014.</al><al/><al>De gemeenteraad van Roerdalen,</al><al/><al>De griffier, De voorzitter,</al><al>R.J.J. Notermans mr. M.D. de Boer-Beerta</al><al/><al/><al/><al><vet>Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Roerdalen
                        2015</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening gebruikt worden en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Anw-ers: personen met een uitkering volgens de Algemene
                                        nabestaandenwet die geregistreerd staan als werkzoekenden
                                        bij het UWV;</al></li><li nr="b."><al>Arbeidsverplichting: de verplichting genoemd in artikel 9
                                        eerste lid van de Participatiewet, artikel 37 in de IOAW en
                                        IOAZ;</al></li><li nr="c."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                        onderdeel a, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="e."><al>IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="f."><al>jongeren:
                                        <onderstreept>niet-</onderstreept>uitkeringsgerechtigden die
                                        behoren tot de doelgroep en jonger zijn dan 27 jaar; </al></li><li nr="g."><al>mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                                        hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende
                                        door een persoon uit diens directe omgeving, waarbij
                                        zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale
                                        relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar
                                        overstijgt;</al></li><li nr="h."><al>nuggers: de niet-uitkeringsgerechtigden bedoeld in artikel
                                        6, eerste lid, onderdeel a van de wet;</al></li><li nr="i."><al>uitkeringsgerechtigden: personen met een uitkering ingevolge
                                        de wet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers, (IOAW), de Wet
                                        inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), danwel die
                                        een aanvraag daarvoor hebben ingediend;</al></li><li nr="j."><al>voorziening: elke vorm van ondersteuning die de gemeente
                                        biedt aan de belanghebbenden om (een grotere mate van)
                                        arbeidsinschakeling of maatschappelijke participatie,
                                        waaronder mede verstaan zelfstandig ondernemerschap, te
                                        realiseren;</al></li><li nr="k."><al>UWV: Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;</al></li><li nr="l."><al>de wet: de Participatiewet.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Opdracht aan het college</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Algemene opdracht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor het ondersteunen en waar nodig het
                                aanbieden van voorzieningen aan belanghebbenden, die de kortste weg
                                vormen naar werk, dan wel terugkeer naar uit ’s Rijks kas bekostigd
                                onderwijs.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter uitvoering van de in lid 1 bedoelde ondersteuning kan het
                                college nadere regels en prioriteiten stellen in verband met de
                                financiële mogelijkheden en met maatschappelijke, economische en
                                conjuncturele ontwikkelingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij nadere regels als bedoeld in lid 2 kan het college onderscheid
                                maken in drie doelgroepen:</al><lijst><li nr="a."><al>personen met een volledige verdiencapaciteit;</al></li><li nr="b."><al>personen met een verminderde verdiencapaciteit;</al></li><li nr="c."><al>personen met een maatschappelijke verdiencapaciteit.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de inzet van voorzieningen kiest het college voor die
                                voorziening die beschikbaar is en die adequaat en toereikend is voor
                                het doel dat beoogd wordt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van ondersteuning en
                                voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele
                                beperkingen van een belanghebbende. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking op zorgtaken van die belanghebbende en de
                                mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of
                                gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt
                                in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de zorg voor ten laste komende kinderen tot vijf jaar; en
                                    </al></li><li nr="b."><al>de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Voorwaarden en afwijzingsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voorzieningen die gericht zijn op de arbeidsinschakeling worden
                                alleen ingezet als zonder die inzet, naar het oordeel van het
                                college, het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Geen recht op ondersteuning bestaat indien sprake is van een
                                voorliggende voorziening, die naar het oordeel van het college, in
                                voldoende mate kan bijdragen aan de arbeidsinschakeling van de
                                belanghebbende. Geen voorziening naar werk wordt aangeboden aan
                                belanghebbenden voor wie inzet van een voorziening niet doelmatig
                                is. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen recht op ondersteuning bestaat indien en zolang de
                                belanghebbende geen, danwel in onvoldoende mate, inlichtingen
                                verstrekt, zodat door het college niet bepaald kan worden welke
                                voorziening aangeboden dient te worden<vet>.</vet></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Budgetplafond</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Binnen het kader van de door de gemeenteraad vastgestelde subsidie-
                                of budgetplafond voor de verschillende voorzieningen, kan het
                                college een plafond instellen voor een specifieke voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een door het college vastgesteld plafond als bedoeld in het eerste
                                lid, vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke
                                voorziening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Werkstage</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende een werkstage gericht op
                                arbeidsinschakeling aanbieden als de belanghebbende nog niet actief
                                is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt
                                heeft. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring dan wel
                                het leren functioneren in een arbeidsrelatie, gedurende maximaal
                                drie maanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: </al><lijst><li nr="a."><al>het doel van de werkstage; en </al></li><li nr="b."><al>de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5a.</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende in staat stellen voorafgaande aan
                                een regulier dienstverband of een dienstverband waarbij
                                loonkostensubsidie wordt verstrekt, werkervaring op te doen in de
                                vorm van een proefplaatsing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de proefplaatsing is de belanghebbende werkervaring op
                                te laten doen in zijn toekomstige functie om daarmee uitval na
                                aanvang van het dienstverband te voorkomen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De proefplaatsing duurt niet langer dan drie maanden. In incidentele
                                gevalen kan deze termijn eenmaal worden verlengd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomnst wordt in ieder geval
                                vastgelegd:</al><al>a. het doel van de proegplaatsing; en</al><al>b. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5b.</nr><titel>Arbeidsontwikkelingstraject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een uitkeringsgerechtigde of een jongere een traject
                                gericht op arbeidsontwikkeling aanbieden als de
                                uitkeringsgerechtigde nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt
                                of een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een arbeidsontwikkelingstraject is het aanleren van
                                werknemersvaardigheden en het opleiden van de uitkeringsgerechtigde
                                gedurende maximaal 12 maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een uitkeringsgerechtigde of een jongere
                                activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor
                                zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen
                                geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                                gemaakt van een voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die
                                uitkeringsgerechtigde. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een voorziening, in de vorm van scholing, aanbieden
                                aan uitkeringsgerechtigden of jongeren mits dit naar het oordeel van
                                het college bijdraagt aan het vergroten van de kansen op de
                                arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De scholing als bedoeld in lid 1 voldoet in ieder geval aan de
                                volgende eisen:</al><lijst><li nr="a."><al>de scholing is noodzakelijk voor de kortste weg naar
                                        arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="b."><al>de scholing is arbeidsmarktrelevant;</al></li><li nr="c."><al>de scholing kan gericht zijn op het behalen van een
                                        startkwalificatie voor zover de uitkeringsgerechtigde
                                        hierover niet beschikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor het gestelde onder lid 2 geldt dat de goedkoopste toereikende
                                mogelijkheid moet worden benut. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een uitkeringsgerechtigde van 27 jaar of ouder
                                overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde additionele
                                werkzaamheden laten verrichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele
                                werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst
                                die wordt ondertekend namens het college, door de inlener en door de
                                uitkeringsgerechtigde die de additionele werkzaamheden gaat
                                verrichten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt €
                                300, - per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is
                                meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het
                                arbeidsproces. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor, naar het
                                oordeel van het college, de concurrentieverhoudingen niet
                                onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de
                                arbeidsmarkt plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Scholing gedurende een participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college biedt aan uitkeringsgerechtigde die onbeloonde
                                additionele werkzaamheden verricht en die niet beschikt over een
                                startkwalificatie na een periode van zes maanden na aanvang van die
                                werkzaamheden een scholing die de toegang tot de arbeidsmarkt
                                bevordert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college betrekt bij de beoordeling van de scholing als bedoeld
                                in lid 1:</al><lijst><li nr="a."><al>het oordeel van degene in wiens opdracht de
                                        uitkeringsgerechtigde de additionele werkzaamheden
                                        uitvoert;</al></li><li nr="b."><al>de scholingswens van de uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing indien naar het oordeel van
                                het college een dergelijke scholing niet bijdraagt aan vergroting
                                van de kansen van de uitkeringsgerechtigde op de arbeidsmarkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Detachering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan zorgen voor toeleiding van een uitkeringsgerechtigde
                                of een jongere naar een dienstverband met een werkgever, gericht op
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De belanghebbende, als bedoeld in het eerste lid, wordt voor het
                                verrichten van arbeid gedetacheerd bij een werkgever. De detachering
                                wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de
                                werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en
                                inlenende organisatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een belanghebbende die door een lichamelijke, verstandelijke of
                                psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek nodig heeft dat van een reguliere
                                werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze in
                                dienst neemt, kan de voorziening beschut werk worden
                                aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt, aan de hand van het schema als opgenomen in
                                bijlage 1 bij deze verordening, uit de doelgroep een voorselectie.
                                Tijdens de voorselectie wordt bepaald welke mensen in aanmerking
                                kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college wint na de voorselectie advies in bij het UWV voor de
                                beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder
                                aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie
                                hebben.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde
                                werkzaamheden mogelijk te maken kan het college de volgende
                                ondersteunende voorzieningen aanbieden:</al><lijst><li nr="a."><al>fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving;
                                    </al></li><li nr="b."><al>een uitsplitsing van taken; </al></li><li nr="c."><al>aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of
                                        arbeidsduur. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college bepaalt jaarlijks de omvang van het aanbod beschut werk
                                en legt middels de budgetcyclus vast hoeveel plekken voor beschut
                                werk de gemeente beschikbaar stelt. In verband hiermee overlegt het
                                college met het UWV, aan de gemeente gelieerde bedrijven en met
                                andere reguliere werkgevers.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan andere voorzieningen inzetten, indien er een beperkt
                                aantal plekken zijn voor beschut werken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een werkgever komt in aanmerking voor een no-riskpolis indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever voor ten minste de duur van zes maanden een
                                        arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer voor tenminste
                                        16 uur per week; </al></li><li nr="b."><al>indien de werknemer een jongere is of voorafgaande aan de
                                        aanvang van de arbeid een uitkeringsgerechtigde was; </al></li><li nr="c."><al>de werknemer een structurele functionele of andere beperking
                                        heeft of de werkgever ten behoeve van de werknemer een
                                        loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 10d van de wet,
                                        ontvangt; </al></li><li nr="d."><al>artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is; en
                                    </al></li><li nr="e."><al>de werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente bij
                                        aanvang van de indiensttreding. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De no-riskpolis vergoedt:</al><lijst><li nr="a."><al>het loon van de werknemer tot maximaal 100 procent van het
                                        minimumloon; en </al></li><li nr="b."><al>de extra werkgeverslasten tot maximaal 15 procent van de
                                        onder a genoemde vergoeding. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de werkgever een no-riskpolis te kunnen verstrekken, sluit de
                                gemeente een verzekering af en treedt op als verzekeringnemer. De
                                begunstigde is de werkgever. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college vergoedt de no-riskpolis tot maximaal twaalf maanden na
                                indiensttreding van de werknemer bij de werkgever.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Loonkostentegemoetkoming gericht op re-integratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een loonkostentegemoetkoming verstrekken aan een
                                werkgever die een kwetsbare uitkeringsgerechtigde of een jongere een
                                dienstbetrekking aanbiedt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder kwetsbare uitkeringsgerechtigde wordt verstaan de
                                belanghebbende die:</al><lijst><li nr="a."><al>voorafgaand aan de indienstneming gedurende 6 maanden geen
                                        betaalde werkzaamheden heeft verricht; of</al></li><li nr="b."><al>geen startkwalificatie bezit; of</al></li><li nr="c."><al>ouder is dan 50 jaar; of</al></li><li nr="d."><al>alleenstaande ouder is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt ten aanzien van deze tegemoetkoming nadere
                                beleidsregels vast met betrekking tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de duur van de tegemoetkoming;</al></li><li nr="b."><al>de hoogte van de tegemoetkoming; en</al></li><li nr="c."><al>de criteria waarop een verzoek tot loonkostentegemoetkoming
                                        wordt beoordeeld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De tegemoetkoming wordt alleen verstrekt indien hierdoor, naar het
                                oordeel van het college, de concurrentieverhoudingen niet
                                onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing van
                                arbeidsplaatsen plaatsvindt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning (jobcoach)</titel></kop><al>Het college kan aan een uitkeringsgerechtigde dan wel aan de persoon die
                            direct voorafgaande aan zijn dienstverband uitkeringsgerechtigde was, of
                            aan een jongere, persoonlijke ondersteuning aanbieden, bij het
                            verrichten van de aan hem opgedragen taken in de vorm van structurele
                            begeleiding indien hij, naar het oordeel van het college, zonder
                            persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken
                            te verrichten. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Overige voorzieningen en vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan overige voorzieningen inzetten die leiden tot de
                                kortste weg naar arbeidsinschakeling, zoals workshops en
                                trainingen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan eveneens een vergoeding verstrekken voor de kosten
                                die een uitkeringsgerechtigde of jongere moet maken in het kader van
                                zijn arbeidsinschakeling, die naar het oordeel van het college
                                noodzakelijk wordt geacht om de kansen op de arbeidsmarkt te
                                vergroten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels ten aanzien van de kosten die voor
                                vergoeding in aanmerking komen alsmede de hoogte en de voorwaarden
                                waaronder deze kosten kunnen worden vergoed.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Beleidsregels</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening
                                beleidsregels op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze beleidsregels omvatten in elk geval:</al><lijst><li nr="a."><al>de criteria voor het ontheffingenbeleid ten aanzien van de
                                        arbeidsverplichtingen;</al></li><li nr="b."><al>het flankerend beleid ten aanzien van zorg, kinderopvang en
                                        hulpverlening;</al></li><li nr="c."><al>nadere uitwerking van de in deze verordening opgenomen
                                        voorzieningen.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>BEËINDIGING, TERUGVORDERING EN AFSTEMMING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Beëindigingsgronden</titel></kop><al>Het college kan een voorziening beëindigen indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende de aan de voorziening verbonden verplichtingen
                                    niet nakomt;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende niet meer behoort tot de doelgroep van de wet;
                                </al></li><li nr="c."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                    bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="d."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                    geschikt is voor de belanghebbende; </al></li><li nr="e."><al>de belanghebbende niet naar behoren gebruik maakt van de
                                    aangeboden voorziening; </al></li><li nr="f."><al>de belanghebbende niet meer voldoet aan de voorwaarden die in
                                    deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor
                                    die voorziening. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij een voortijdige, aan de belanghebbende verwijtbare beëindiging
                                van een voorziening, kunnende gemaakte en nog door het college
                                te maken kosten van de voorziening van de belanghebbendeworden
                                teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de gemeente kosten ten behoeve van een voorziening heeft
                                gemaakt en op enig moment blijkt dat de belanghebbende te laat of
                                onjuiste of onvolledige gegevens heeft overgelegd, kan het college
                                de volledige gemaakte en nog te maken kosten van de voorziening
                                terugvorderen van de belanghebbende.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Afstemming</titel></kop><al>Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening niet
                            of in onvoldoende mate voldoet aan de verplichtingen, verlaagt het
                            college de uitkering conform hetgeen hierover is bepaald in de
                            Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Roerdalen
                            2015.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van zwaarwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>De belanghebbende die op grond van de Re-integratieverordening, zoals
                            die gold op de dag voor inwerkingtreding van deze verordening, een
                            voorziening aangeboden heeft gekregen en op grond van de bepaling van de
                            huidige verordening geen recht meer zou hebben op die voorziening
                            behoudt zijn recht op die voorziening tot maximaal 1 juli 2015, dan wel
                            tot de einddatum van die voorziening, indien die einddatum ligt voor 1
                            juli 2015. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Intrekking bestaande verordening</titel></kop><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de
                            Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2012 ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Re-integratieverordening
                            Participatiewet gemeente Roerdalen 2015.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE TOELICHTING RE-INTEGRATIEVERORDENING</titel></kop><al>De Re-integratieverordening regelt de ondersteuning die het college biedt bij de
                    arbeidsinschakeling van werklozen die horen tot de doelgroep. De opdracht om die
                    ondersteuning te bieden is geregeld in artikel 7 van de Participatiewet (PW).
                    Het voorschrift om een verordening vast te stellen waarin deze ondersteuning
                    nader vorm wordt gegeven volgt uit artikel 8a PW.</al><al/><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de gemeenteraad heeft gekregen, te weten: het bij
                    verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van
                    haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht
                    blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen
                    te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten
                    eigen afwegingen te maken. </al><al/><al>Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep
                    aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het
                    college noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de
                    Re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de
                    voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan aanbieden. </al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="·"><al>scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet);</al></li><li nr="·"><al>de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen
                            8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet);</al></li><li nr="·"><al>participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="·"><al>no riskpolis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet).</al><al/></li></lijst><al>Dit betekent echter niet dat er sprake is van een limitatieve opsomming; er
                    kunnen immers ook voorzieningen worden ingezet die niet in de verordening zijn
                    opgenomen, zoals bijvoorbeeld individuele re-integratietrajecten of collectieve
                    voorzieningen. Verder zegt de volgorde waarin de voorzieningen worden genoemd
                    niets over de belangrijkheid ervan.</al><al/><al>Bij de inzet van voorzieningen en instrumenten worden de navolgende
                    uitgangspunten gehanteerd:</al><lijst><li nr="·"><al>de eigen kracht en de eigen verantwoordelijkheid van de
                            uitkeringsgerechtigde staan centraal;</al></li><li nr="·"><al>inzet van algemene of collectieve ondersteuning gaat voor individuele
                            begeleiding;</al></li><li nr="·"><al>individuele begeleiding wordt op maat en vraaggericht
                            georganiseerd;</al></li><li nr="·"><al>voorzieningen en instrumenten worden daar ingezet waar ze het hardst
                            nodig zijn en het meeste effect hebben.</al></li></lijst><al/><al/></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING RE-INTEGRATIEVERORDENING</titel></kop><al>Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder
                    behandeld.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste
                        lid, onderdeel a, van de Participatiewet. Het betreft:</al><lijst><li nr="·"><al>personen die algemene bijstand ontvangen; </al></li><li nr="·"><al>personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c,
                                van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA),
                                artikel 35, vierde lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36,
                                derde lid, onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het
                                inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten
                                jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die
                                persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in
                                artikel 10d van de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="·"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                                Participatiewet;</al></li><li nr="·"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                                Algemene nabestaandenwet (hierna: Anw);</al></li><li nr="·"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
                                (hierna: IOAW);</al></li><li nr="·"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                (hierna: IOAZ);</al></li><li nr="·"><al>personen zonder uitkering; </al></li><li nr="·"><al>personen die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door
                                het college aangeboden voorziening.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Algemene opdracht</titel></kop><al>Re-integratie moet de kortste weg naar arbeid zijn. Daarmee wordt niet
                        alleen de tijd tussen de inzet van de voorziening en de werkaanvaarding
                        bedoeld, maar ook de inspanningen die het kost om dat doel te bereiken.
                        Alleen als arbeidsinschakeling binnen afzienbare termijn niet tot de
                        mogelijkheden behoort, kan zelfstandige maatschappelijke participatie een
                        doel van de inzet van voorzieningen zijn. Ook in dat geval geldt dat de
                        voorziening beschikbaar moet zijn en dat het adequaat en toereikend moet
                        zijn voor het beoogde doel.</al><al/><al>In de visienota “werken naar vermogen in Midden-Limburg” is een onderscheid
                        gemaakt tussen 3 doelgroepen: </al><lijst><li nr="·"><al>Personen met een volledige verdiencapaciteit </al></li><li nr="·"><al>Personen met een verminderde verdiencapaciteit (tijdelijk of
                                permanent)</al></li><li nr="·"><al>Personen met een maatschappelijke verdiencapaciteit (tijdelijk of
                                permanent))</al><al/></li></lijst><al>In de visienota is vastgelegd dat de prioritaire doelgroep, doelgroep 2 is.
                        Ook is vastgelegd dat de gemeenten binnen de onderscheiding naar
                        verdiencapaciteit, extra aandacht besteden aan de specifieke problematiek
                        van zowel de jongere (tot 27 jaar) als de oudere werkzoekende (vanaf 56
                        jaar).</al><al/><al>Ondersteuning hoeft niet altijd te bestaan uit een door derden uitgevoerde
                        diagnose, gevolgd door een vastgesteld traject met één of meerdere
                        voorzieningen. Als dat kan, kan worden volstaan met advies of doorverwijzing
                        naar andere instanties. Voorzieningen worden alleen ingezet als zonder die
                        inzet het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is.</al><al/><al>Bovendien worden de voorzieningen alleen ingezet als aan de hand van
                        onderzoek is gebleken dat door de inzet van die voorzieningen het vinden van
                        algemeen geaccepteerde arbeid binnen afzienbare tijd mogelijk wordt.
                        Gesubsidieerde arbeid wordt op grond van de wet gezien als vorm van algemeen
                        geaccepteerde arbeid, met dien verstande dat gesubsidieerde arbeid in
                        beginsel geen einddoel kan zijn.</al><al/><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de
                        omstandigheden en functionele beperkingen van de belanghebbende. In het
                        vijfde lid is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet
                        houden. </al><al/><al>Er kunnen ook voorzieningen worden ingezet die niet in de verordening zijn
                        opgenomen, zoals bijvoorbeeld individuele re-integratietrajecten of
                        collectieve bijeenkomsten. Verder zegt de volgorde waarin de voorzieningen
                        worden genoemd niets over de belangrijkheid ervan.</al><al/><al>De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van het traject ligt
                        bij het college, dat immers ook verantwoordelijk is voor de effectieve en
                        doelgerichte inzet van schaarse middelen. Binnen de grenzen van die
                        verantwoordelijkheid wordt rekening gehouden met de wensen van de
                        belanghebbende. Voor het slagen van het traject is de motivatie van de
                        belanghebbende belangrijk. Bovendien wordt, voordat tot het traject wordt
                        besloten, de inhoud van het traject besproken met de belanghebbende.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Voorwaarden en afwijzingsgronden</titel></kop><al>Uitgangspunt is dat elke persoon primair zelf verantwoordelijk is voor zijn
                        re-integratie. Degene die dat niet of onvoldoende op eigen kracht kan doen,
                        kan de gemeente om ondersteuning vragen. Met de Participatiewet wordt
                        uitgegaan van wat de klant zelf of met hulp van de directe omgeving kan
                        doen. </al><al/><al>De zelfredzaamheid en eigen kracht van de belanghebbende en zijn omgeving
                        vormen het vertrekpunt bij de wijze en mate van in te zetten dienstverlening
                        ter ondersteuning. Indien gebruik gemaakt kan worden van een voorliggende
                        voorziening (bijvoorbeeld WSF of de re-integratieverantwoordelijkheid UWV)
                        vindt geen ondersteuning op basis van de wet plaats. </al><al/><al>Het college biedt in beginsel geen voorzieningen aan, anders dan aan
                        personen met een verminderde verdiencapaciteit (doelgroep 2).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Budgetplafond</titel></kop><al>Het ontbreken van voldoende financiële middelen alleen kan geen reden zijn
                        voor afwijzing van een aanvraag om een voorziening. De gemeente dient dan na
                        te gaan welke andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit
                        houdt in dat er geen algemeen plafond ingesteld kan worden. </al><al>Wat wel kan is dat per voorziening een plafond wordt ingebouwd; dit laat de
                        mogelijkheid open dat er naar een ander instrument wordt uitgeweken.</al><al>Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om
                        plafonds in te stellen binnen de door de raad vastgestelde kaders. Een
                        subsidieplafond dient bekend gemaakt te worden vóór de periode waarvoor deze
                        geldt (artikel 4:27 lid 1 Awb).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Werkstage</titel></kop><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een
                        beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst
                        de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een
                        arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en
                        gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals de
                        bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen.
                        De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de
                        overeenkomst.</al><al/><al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het
                        persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het
                        uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een
                        werkstage in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn met het
                        verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er
                        kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake
                        is van een vergoeding van gemaakte kosten.</al><al/><al>Het college kan de belanghebbende een werkstage aanbieden voor zover hij een
                        afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Verder is vereist dat de belanghebbende
                        nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de
                        arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. Van langdurige werkloosheid
                        is sprake als een belanghebbende gedurende twaalf aaneengesloten maanden of
                        langer is aangewezen geweest op een uitkering. In een dergelijke situatie
                        kan sprake zijn van een afstand tot de arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet
                        altijd het geval te zijn. </al><al/><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek het doel van de werkstage aan, om
                        het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral
                        van belang om te voorkomen dat een belanghebbende claimt dat sprake is van
                        een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt.</al><al/><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het
                        opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                        “snuffelstage”, waarbij een belanghebbende de gelegenheid krijgt om te
                        bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede
                        plaats kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de
                        werkstage kan een belanghebbende wennen aan aspecten als gezag, op tijd
                        komen, werkritme en samenwerken met collega’s.</al><al/><al>In het derde lid is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke
                        overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage
                        worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke
                        overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een werkstage niet
                        gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5a.</nr><titel>Proefplaatsing</titel></kop><al>Een proefplaatsing is bedoeld om werknemer en werkgever de mogelijkheid te
                        geven om te ervaren of een baan passend is. Het onderscheidt zich van een
                        gewone arbeidsovereenkomst, maar er is wel een intentie om op korte termijn
                        deze arbeidsovereenkomst aan te gaan. Dit wordt ook onderschreven door een
                        schriftelijke overeenkomst. </al><al/><al>Via de inzet van een proefplaatsing kan een werkgever bezien of de
                        betreffende persoon in staat is te voldoen aan de gestelde functie-eisen.
                        Een proefplaatsing wordt slechts ingezet als er een reëel uitzicht is op
                        betaalde werkzaamheden bij de betreffende werkgever. De proefplaatsing is
                        slechts van korte duur (maximaal 3 maanden) en bedoeld om de werkgever over
                        de streep te trekken. In incidentele gevallen kan deze termijn eenmaal
                        verlengd worden.</al><al/><al>De proefplaatsing heeft grote overeenkomsten met de werkstage. Het
                        belangrijkste verschil is het feit dat bij de proefplaatsing de intentie
                        nadrukkelijk is, de persoon na afloop van de proefplaatsing in dienst te
                        nemen.</al><al/><al>Het college kan de belanghebbende een proefplaatsing aanbieden voor zover
                        hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Van langdurige werkloosheid is
                        sprake als een belanghebbende gedurende twaalf aaneengesloten maanden of
                        langer is aangewezen geweest op een uitkering. In een dergelijke situatie
                        kan sprake zijn van een afstand tot de arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet
                        altijd het geval te zijn. </al><al/><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek het doel van de proefplaatsing aan,
                        om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is
                        vooral van belang om te voorkomen dat een belanghebbende claimt dat sprake
                        is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt.</al><al/><al>In het vierde lid is bepaald dat voor de proefplaatsing een schriftelijke
                        overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de
                        proefplaatsing worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze
                        schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een
                        werkstage niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5b.</nr><titel>Arbeidsontwikkelingstraject</titel></kop><al>Het college kan een uitkeringsgerechtigde of jongere met een grote afstand
                        tot de arbeidsmarkt een traject aanbieden om (werknemers)vaardigheden aan te
                        leren. De voorziening is bedoeld voor mensen met een afstand tot de
                        arbeidsmarkt die nog niet binnen een dienstverband of bij een reguliere
                        werkgever aan de slag kunnen. Binnen deze voorziening worden mensen door
                        middel van werkervaring voorbereid op een werkplek bij een reguliere
                        werkgever. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk gericht
                        te zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is
                        arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen
                        staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop.</al><al/><al>Onder “sociale activering” wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde
                        maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als
                        arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke
                        participatie (artikel 6, eerste lid, onder c Participatiewet). Bij
                        activiteiten in het kader van sociale activering kan worden gedacht aan het
                        zelfstandig, zonder externe begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of
                        deelnemen aan activiteiten in de wijk of buurt.</al><al/><al>Het college kan aan een uitkeringsgerechtigde of een jongere activiteiten
                        aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid
                        bestaat dat hij op enig moment algemeen </al><al>geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van
                        een voorziening.</al><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de
                        Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op sociale
                        activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een
                        uitkeringsgerechtigde of jongere op enig moment algemeen geaccepteerde
                        arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een
                        voorziening. Bestaat die mogelijkheid niet, dan kan een
                        uitkeringsgerechtigde of jongere niet worden verplicht gebruik te maken van
                        een dergelijke voorziening. Sociale activering heeft tot doel personen met
                        een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar de arbeidsmarkt,
                        of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te bevorderen dat personen
                        zelfstandig kunnen deelnemen aan het maatschappelijk leven. Hieruit volgt
                        dat als het einddoel, arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen
                        grond is die uitkeringsgerechtigde te verplichten om gebruik te maken van
                        een voorziening gericht op sociale activering.</al><al/><al>Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van activiteiten
                        in het kader van sociale activering nader te bepalen. Het college moet de
                        duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van een
                        uitkeringsgerechtigde of jongere. Gezien de mogelijk sterk verschillende
                        behoeften op dit gebied, zal een al te rigide termijn moeilijk zijn.</al><al/><al>Geen verdringing: zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 4. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Scholing</titel></kop><al>Bij de inzet van scholing wordt gekeken naar de arbeidsmarktrelevantie.
                        Gekozen wordt voor die scholing die het snelst leidt tot het beoogde
                        doel.</al><al/><al><cursief>Startkwalificatie</cursief></al><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of vwo-diploma of een
                        diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee (zie artikel
                        6, eerste lid, onderdeel d, Participatiewet). Scholing kan worden aangeboden
                        aan personen met of zonder een dergelijke startkwalificatie. Vooral voor
                        personen zonder startkwalificatie kan scholing noodzakelijk zijn voor de
                        re-integratie. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Participatieplaats</titel></kop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor uitkeringsgerechtigden met een
                        grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Voor uitkeringsgerechtigden jonger dan
                        27 jaar is ondersteuning in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk
                        (artikel 7, achtste lid, van de Participatiewet en het eerste lid van
                        artikel 8 van deze verordening). Het college kan dan ook enkel aan
                        uitkeringsgerechtigden van 27 jaar of ouder een participatieplaats
                        aanbieden.</al><al/><al><cursief>Additionele werkzaamheden</cursief></al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. Niet de
                        te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het
                        (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen,
                        werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een
                        participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of
                        het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat
                        hij bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en
                        daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan
                        realiseren.</al><al>De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier
                        jaar (artikel 10a van de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld
                        door het college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling
                        heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet
                        dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang
                        van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats
                        wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert dat voortzetting van de
                        participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren
                        aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de
                        participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient
                        een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de
                        Participatiewet). </al><al>Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a,
                        tiende lid, van de Participatiewet).</al><al/><al><cursief>Premie</cursief></al><al>De uitkeringsgerechtigde die werkzaamheden verricht op een
                        participatieplaats heeft recht op een premie voor het eerst na zes maanden
                        en vervolgens iedere zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden
                        (artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet). Voorwaarde is dat de
                        uitkeringsgerechtigde naar het oordeel van het college voldoende heeft
                        meegewerkt aan het vergroten van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte
                        van de premie moet in de verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste
                        lid, onderdeel d, van de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op
                        grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In
                        verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de
                        vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Daarnaast moeten bij het bepalen van de
                        hoogte van de premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken. Er
                        is gekozen voor een premie van telkens € 300,- per zes maanden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Scholing gedurende een participatieplaats</titel></kop><al>Wanneer een uitkeringsgerechtigde die in aanmerking is gebracht voor een
                        participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient het
                        college aan deze uitkeringsgerechtigde scholing of opleiding aan te bieden.
                        Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de
                        participatieplaats. De scholing of opleiding moet gericht zijn op vergroting
                        van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan een
                        uitkeringsgerechtigde alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als
                        dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of
                        bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing
                        of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in
                        het arbeidsproces van de persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van
                        de Participatiewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Detachering</titel></kop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid uitkeringsgerechtigden of jongeren
                        een dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te
                        doen. In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de
                        banen vormgegeven worden. </al><al/><al>Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het dienstverband.
                        Het college zorgt ervoor dat een uitkeringsgerechtigde of jongere een
                        dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. Die derde kan
                        bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt bepaald
                        dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee vlakken afspraken
                        gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de werkgever. Hierin
                        worden zaken geregeld als de verhouding tot de werkgever, de hoogte van de
                        inleenvergoeding en de wijze waarop de begeleiding wordt vormgegeven. In de
                        overeenkomst tussen werknemer en inlener worden afspraken gemaakt over
                        werktijden, verlof en de inhoud van het werk.</al><al/><al>In het derde lid is geregeld dat bij plaatsing geen verdringing op de
                        arbeidsmarkt mag plaatsvinden en de concurrentieverhoudingen niet nadelig
                        mogen worden beïnvloed. Het college kan dit doen door expliciet na te gaan
                        dat het werk dat verricht gaat worden niet productief is, of dat er geen
                        recent ontslag heeft plaatsgevonden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Beschut werk</titel></kop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een belanghebbende
                        die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking een
                        zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de werkplek nodig heeft
                        dat redelijkerwijs van een reguliere werkgever niet kan worden verwacht dat
                        hij deze in dienst neemt (eerste lid).</al><al/><al>Stap 1: voorselectie</al><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de gemeente
                        een voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het college welke
                        mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op welk moment.</al><al/><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een belanghebbende uitsluitend in
                        een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                        arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).
                        Hiervoor is dus geen aanvraag van de belanghebbende nodig. Het college maakt
                        uit de personen uit de doelgroep een voorselectie. Het college moet bij het
                        UWV advies inwinnen voor de beoordeling of de geselecteerde personen
                        uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden
                        mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. </al><al/><al>Stap 2: advies UWV</al><al>Het UWV adviseert het college met betrekking tot het oordeel of een
                        belanghebbende tot de doelgroep beschut werk behoort. Het UWV voert op basis
                        van landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede lid, van de
                        Participatiewet). </al><al/><al>Stap 3: besluit gemeente</al><al>Op basis van het advies van het UWV beslist de gemeente of iemand tot de
                        doelgroep 'beschut werk' behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige
                        totstandkoming van het advies van het UWV, kan de gemeente besluiten het
                        advies niet te volgen. </al><al/><al>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort,
                        zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder
                        beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van de
                        Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                        publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van
                        de Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd, behoort
                        tot de beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan bijvoorbeeld
                        worden georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV of stichting. Ook
                        kunnen personen (via detachering) in een beschutte omgeving bij reguliere
                        werkgevers werken. </al><al/><al>Naast het bepalen van wie in aanmerking kan komen voor beschut werk zijn in
                        deze verordening vastgelegd welke voorzieningen voor arbeidsinschakeling
                        ingezet worden om deze dienstbetrekking mogelijk te maken (vierde lid). </al><al/><al><cursief>Omvang beschut werk</cursief></al><al>Het college bepaalt jaarlijks de omvang van het aanbod beschut werk en legt
                        middels de budgetcyclus vast hoeveel plekken voor beschut werk de gemeente
                        beschikbaar stelt. Het aanbod is mede afhankelijk van het aantal geschikte
                        en beschikbare plaatsen bij werkgevers. Daarom moet het college overleg
                        voeren met partners om de omvang van het aanbod te kunnen bepalen (vijfde
                        lid).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>No-riskpolis</titel></kop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de
                        arbeidsinschakeling (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                        Participatiewet). Het college kan de kosten van de no-riskpolis voor
                        werkgevers vergoeden (eerste lid). De no-riskpolis is een belangrijk
                        instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om mensen met
                        arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor dat de
                        werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een werknemer met
                        arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in aanmerking voor
                        een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van toepassing is
                        (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet). </al><al/><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van de
                        werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft of ten
                        behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie ontvangt in aanmerking
                        komt voor de no-riskpolis.</al><al/><al><cursief>Voorwaarden</cursief></al><al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt voor
                        een no-risk polis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet van een
                        no-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal zes maanden
                        duren. </al><al/><al>Voorts is voor inzet van de no-risk polis vereist dat de werknemer een
                        jongere is of direct voorafgaande aan het dienstverband
                        uitkeringsgerechtigde was (zie artikel 1 van deze verordening) en hij een
                        structurele functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van hem de
                        werkgever een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                        Participatiewet ontvangt. Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn
                        woonplaats moet hebben binnen de gemeente.</al><al/><al><cursief>Hoogte vergoeding</cursief></al><al>De no-riskpolis vergoedt: </al><lijst><li nr="·"><al>het loon van de werknemer tot maximaal 100 procent van het
                                minimumloon; en</al></li><li nr="·"><al>de extra werkgeverslasten tot maximaal 15 procent.</al><al/></li></lijst><al><cursief>Contract met verzekeraar</cursief></al><al>De gemeente moet ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis een
                        verzekering afsluiten en treedt op als verzekeringsnemer. De werkgever is de
                        begunstigde (derde lid).</al><al/><al><cursief>Duur vergoeding no-riskpolis</cursief></al><al>Het college vergoedt de no-riskpolis tot maximaal twaalf maanden na
                        indiensttreding van de werknemer bij de werkgever (vierde lid).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Loonkostentegemoetkoming gericht op re-integratie</titel></kop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om de
                        arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld dat
                        alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan regulier
                        werk te helpen. </al><al/><al><cursief>Compensatie</cursief></al><al>Het doel van de loonkostentegemoetkoming is om uitkeringsgerechtigden of
                        jongeren die door de grotere afstand tot de arbeidsmarkt minder productief
                        zijn, of waarvoor werkgevers door een gebrek aan werkervaring huiverig zijn
                        deze in dienst te nemen vanwege de extra financiële risico's die daaraan
                        verbonden zijn, sneller en makkelijker aan werk te helpen. Door deze
                        voorziening worden die financiële risico's tijdelijk gecompenseerd.
                        Uitgangspunt is, dat de persoon gedurende de periode dat de
                        loonkostentegemoetkoming wordt verstrekt, aanvullende vaardigheden en
                        werkervaring kan opdoen, zodat arbeidsinschakeling aan het eind van de
                        periode waarover de voorziening wordt verstrekt mogelijk is.</al><al/><al>De in artikel 13 van deze verordening geregelde loonkostentegemoetkoming
                        moet worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de
                        artikelen 10c en 10d van de Participatiewet. De laatstgenoemde
                        loonkostensubsidie is geïntroduceerd in de Participatiewet door de
                        Invoeringswet Participatiewet en is specifiek bedoeld voor personen met een
                        arbeidsbeperking. De in artikel 13 opgenomen loonkostentegemoetkoming is
                        niet noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar
                        ondersteunt personen die kwetsbaar zijn.</al><al>Het gaat hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt kan worden aan
                        personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de
                        Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in
                        staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel
                        mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid,
                        onderdeel e, van de Participatiewet).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Persoonlijke ondersteuning (jobcoach)</titel></kop><al>In artikel 14 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader geduid.
                        Het gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste tijden en
                        gedurende een langere periode de werknemer met beperkingen bij het
                        verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een
                        systematische ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning noodzakelijk
                        zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid
                        niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning
                        heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij
                        uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een
                        reguliere werkgever werkzaam kan zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Overige voorzieningen en vergoedingen</titel></kop><al>Bij het verrichten van activiteiten gericht op arbeidsinschakeling kan de
                        uitkeringsgerechtigde of jongere geconfronteerd worden met bepaalde kosten.
                        Daarbij valt te denken aan bijvoorbeeld reiskosten. Het college kan bepalen
                        welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Beleidsregels</titel></kop><al>In dit artikel wordt aan het college de opdracht gegeven om beleidsregels te
                        stellen om zo de bepalingen van de verordening verder in te kleuren. In dit
                        artikel wordt aangegeven wat de minimale (vorm)eisen zijn ten aanzien van de
                        beleidsregels re-integratie. Door het stellen van beleidsregels ontstaat
                        meer rechtszekerheid en gelijkheid voor burgers. En het vermindert de kans
                        op ‘ambtelijke willekeur’.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>BEËINDIGING, TERUGVORDERING EN AFSTEMMING</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Beëindigingsgronden</titel></kop><al>Indien de belanghebbende die een traject doorloopt niet meer valt onder de
                        werkingssfeer van deze verordening is het college bevoegd om het traject
                        vroegtijdig te beëindigen. Omwille van de duidelijkheid is gekozen voor een
                        opsomming van beëindigingsgronden. </al><al/><al>Het spreekt voor zich dat een besluit met een dusdanig rechtsgevolg in een
                        voor bezwaar en beroep vatbare beschikking aan de belanghebbende, danwel de
                        werkgever (bij loonkostensubsidie), wordt toegezonden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><al>Indien de belanghebbende door eigen toedoen en verwijtbaar een
                        re-integratietraject of voorziening beëindigt wordt met dit artikel de
                        mogelijkheid gecreëerd om de gemaakte en te maken kosten terug te vorderen
                        van de belanghebbende. Dezelfde bevoegdheid ontstaat als de belanghebbende
                        bewust en verwijtbaar onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt
                        waardoor ten onrechte kosten voor een traject of voorziening zijn gemaakt.
                        Een dergelijke terugvordering is een civielrechtelijke terugvordering.</al><al/><al>Ingeval van een uitkeringsgerechtigde wordt in artikel 19 geregeld dat in
                        beginsel afstemming van de uitkering plaatsvindt. Het is echter niet
                        uitgesloten dat daarnaast het college gebruik maakt van de bevoegdheid tot
                        terugvordering. Nadrukkelijk dient gesteld te worden dat het besluit om
                        terug te vorderen niet lichtzinnig mag worden toegepast. In situaties
                        waarbij de belanghebbende het wel ‘erg bont maakt’ is een terugvordering een
                        gepast antwoord. Wat ‘erg bont’ is verschilt van situatie tot situatie en
                        vereist maatwerk.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Afstemming</titel></kop><al>Het opleggen van de maatregel gebeurt aan de hand van de bepalingen in de
                        Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Roerdalen
                        2015. De hoogte en duur van de maatregel is in de Afstemmingsverordening
                        opgenomen. </al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>In dit artikel is de hardheidsclausule opgenomen. Het college kan in
                        bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de
                        bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de verordening tot
                        onbillijkheden van overwegende aard leidt. Van deze mogelijkheid dient zeer
                        terughoudend gebruik gemaakt te worden, om precedentwerking tegen te
                        gaan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.</al><al>Overigens biedt artikel 78z, zevende lid, van de Participatiewet in
                        samenhang met artikel 8a Participatiewet de ruimte de
                        re-integratieverordening vast te stellen op uiterlijk 1 juli 2015.
                        Degemeenteraad heeft er echter voor gekozen deze verordening al in
                        werking te laten treden per 1 januari 2015<vet>.</vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>In dit artikel is overgangsrecht neergelegd. Lopende
                        re-integratievoorzieningen zullen na inwerkingtreding van deze verordening
                        worden afgrond conform de overeenkomst. Bij het aanvragen van een
                        re-integratievoorziening ná inwerkingtreding van deze verordening kan het
                        voorkomen dat een persoon wordt benadeeld. Hierbij kan gedacht worden aan de
                        situatie waarin de Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2012
                        voorzieningen bevat die na inwerkingtreding van deze verordening niet meer
                        worden verstrekt of indien personen op grond van de Re-integratieverordening
                        2012 wel in aanmerking zouden komen voor een voorziening, maar door
                        inwerkingtreding van deze verordening niet meer. In verband met het
                        rechtzekerheidsbeginsel blijft de Re-integratieverordening Wet werk en
                        bijstand 2012 van toepassing tot 1 juli 2015.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Intrekking bestaande verordening</titel></kop><al>De Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2012 wordt ingetrokken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening.</al></divisie></nota-toelichting><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Roerdalen/i246033.pdf">Bijlage 1 Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Roerdalen 2015</extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>