<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR344923_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmings- en fraudeverordening Participatiewet en IOAW</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:creator><dcterms:modified>2014-12-08</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmings- en fraudeverordening Participatiewet en IOAW</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Riedsbeslú</vet><vet>t</vet></al><al>De raad van de gemeente Achtkarspelen;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. </al><al>22 november 2014, punt nr.: 7, met overneming van de daarin vermelde
                        motieven, </al><al>gelet op het bepaalde in artikel 8, lid 1, sub a, artikel 9a, lid 12 en
                        artikel 18 van de Participatiewet en de artikelen 20 en 35 van de Wet
                        Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte werkloze
                        Werknemers;</al><al><vet>Beslú</vet><vet>t:</vet></al><al>vast te stellen: </al><al/><al><vet>de </vet><vet>Afstemmings- en
                        fraudeverordening</vet><vet>Participatiewet</vet><vet>en
                            IOAW</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                Participatiewet en de Wet Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk
                                Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers, de Algemene wet
                                bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Achtkarspelen.</al></li><li nr="b."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Achtkarspelen.</al></li><li nr="c."><al>de wet: de Participatiewet. </al></li><li nr="d."><al>de IOAW: de Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijke
                                        Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers.</al></li><li nr="e."><al>de uitkering: de algemene bijstand op grond van de wet,
                                        alsmede een uitkering op grond van de IOAW.</al></li><li nr="f."><al>de bijstandsnorm: de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld
                                        in artikel 5, sub c van de wet of, voor zover sprake is van
                                        een IOAW-uitkering, de grondslag van de uitkering als
                                        bedoeld in artikel 5 IOAW.</al></li><li nr="g."><al>het benadelingsbedrag: de uitkering waarop eerder, langer of
                                        tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten
                                        gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                        voor de voorziening in het bestaan.</al></li><li nr="h."><al>hoogwaardige handhaving: het totaal aan activiteiten dat is
                                        gericht op een rechtmatige verstrekking van uitkeringen, een
                                        vergroting van de spontane nalevingsbereidheid van cliënten,
                                        een vermindering van fraude en onnodige strafzaken, een
                                        optimale handhaafbaarheid en het verder uitbouwen van het
                                        maatschappelijk draagvlak door een vroegtijdige
                                        informatievoorziening, een optimale dienstverlening, een
                                        effectieve controle en een daadkrachtige sanctionering.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de wet; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, sub a, moet in de hoofdstukken 2
                                en 3 van deze verordening "bijstandsnorm" worden gelezen als
                                "bijstandsnorm plus de op grond van artikel 12 van de wet verleende
                                bijzondere bijstand".</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij toepassing van het tweede lid, sub b, wordt verwezen naar
                                artikel 10, lid 5 van deze verordening. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen van de verplichtingen met betrekking tot de
                            arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Gedragingen niet zijnde gedragingen als bedoeld in artikel 18,
                                lid 4 van de wet (zie toelichting)</titel></kop><al>Gedragingen van een belanghebbende waardoor één of meer van de
                            verplichtingen op grond van artikel 9 van de wet en artikel 37 IOAW
                            (desnoods voortvloeiend uit de ontheffing als bedoeld in artikel 9a van
                            de wet of artikel 39 IOAW) niet of onvoldoende worden nagekomen, worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën: </al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                            bij UWV Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen
                                            van deze registratie.</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het
                                            college opgedragen tegenprestatie naar vermogen zoals
                                            bedoeld in artikel 9, lid 1, sub c van de wet of artikel
                                            37, lid 1, sub f IOAW. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en
                                            evalueren van een plan van aanpak zoals bedoeld in
                                            artikel 44a van de wet, indien van toepassing.</al></li><li nr="b."><al>het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals
                                            bedoeld in artikel 9, lid 1 van de wet, voor zover het
                                            gaat om een persoon jonger dan 27 jaar, gedurende 4
                                            weken na de melding zoals bedoeld in artikel 43, lid 4
                                            en 5 van de wet.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen.</al></li><li nr="b."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de
                                    verplichtingen zoals bedoeld in artikel 9, lid 1, sub b van de
                                    wet, respectievelijk artikel 37, lid 1, sub e IOAW niet te
                                    willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de
                                    ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder
                                    zoals bedoeld in artikel 9a, lid 1 van de wet, respectievelijk
                                    artikel 38, lid 1 IOAW.</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                                    aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 36, lid 1 IOAW en
                                    artikel 37, lid 1, sub e IOAW.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Hoogte en duur van een verlaging</titel></kop><al>De verlaging bij gedragingen zoals genoemd in artikel 3, wordt
                            vastgesteld op: </al><lijst><li nr="1."><al>10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van
                                    de eerste categorie.</al></li><li nr="2."><al>20% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van
                                    de tweede categorie.</al></li><li nr="3."><al>50% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van
                                    de derde categorie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Vaststelling duur verlaging als bedoeld in artikel 18, lid 5 en
                                lid 6 van de wet</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De duur van de verlaging als bedoeld in artikel 18, lid 5 van de wet
                                (bij niet nakomen arbeidsverplichtingen ex artikel 18, lid 4 van de
                                wet) is bepaald op 1 maand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de verlaging als bedoeld in artikel 18, lid 6 van de wet
                                (bij herhaald niet nakomen arbeidsverplichtingen ex artikel 18, lid
                                4 van de wet) binnen 12 maanden na de eerste oplegging (recidive))
                                is bepaald op 2 maanden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij herhaalde recidive binnen 12 maanden na de tweede oplegging als
                                bedoeld in het tweede lid is artikel 18, lid 7 van toepassing en
                                wordt de verlaging voor de duur van 3 maanden opgelegd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan zoals bedoeld in artikel 18, lid
                                2 van de wet, wordt vastgesteld op 20% van de bijstandsnorm. De duur
                                van de verlaging wordt vastgesteld op de periode dat de
                                belanghebbende zonder algemene bijstand had gekund. Hierbij geldt
                                een minimumduur van 1 maand en een maximumduur van 3 jaar. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Afstemming vanwege het niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                arbeid als bedoeld in artikel 18, lid 4, sub a van de wet vindt niet
                                op basis van dit artikel plaats.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het geval van bijzondere bijstand is de afstemming 100% van het
                                theoretisch te verstrekken bedrag aan bijzondere bijstand.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onder tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt in ieder
                                geval gerekend:</al><lijst><li nr="a."><al>het verwijtbaar verlies van inkomen anders dan door
                                        beëindiging van het dienstverband;</al></li><li nr="b."><al>het te snel interen, danwel buiten het zicht overhevelen van
                                        vermogen;</al></li><li nr="c."><al>het geen gebruik maken, danwel het door eigen toedoen geen
                                        gebruik kunnen maken van voorliggende voorzieningen,
                                        waaronder sociale zekerheidsuitkeringen; </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de wet of de IOAW, wordt een
                            verlaging opgelegd van minimaal 50% van de bijstandsnorm gedurende 1
                            maand. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende één of meerdere door het college opgelegde
                            verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de wet niet of onvoldoende
                            nakomt, wordt, zolang dit aan de orde is, een verlaging toegepast van
                            20% van de bijstandsnorm. Tot de verplichtingen als bedoeld in artikel
                            55 van de wet worden in ieder geval gerekend: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet voldoen aan de verplichting om een, op advies van een
                                    arts, voor de toeleiding naar de arbeidsmarkt noodzakelijke
                                    medische en/of psychologische behandeling, of een
                                    behandeltraject tegen verslaving te ondergaan;</al></li><li nr="b."><al>het niet meewerken aan de verplichting om zich tot
                                    schuldhulpverlening te wenden of budgetbeheer aan te
                                    vragen;</al></li><li nr="c."><al>het niet indienen van een alimentatievordering;</al></li><li nr="d."><al>het niet te gelde maken van de echtelijke boedel bij
                                    echtscheiding;</al></li><li nr="e."><al>het niet opeisen van een erfdeel; </al></li><li nr="f."><al>het niet te gelde maken van een nalatenschap.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Voorbereiding van het besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Afzien of nadere afstemming van een verlaging op grond van een
                                dringende reden als bedoeld in artikel 18, lid 9 en 10 van de
                                wet</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het toepassen van een verlaging indien elke
                                vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt een verlaging af op de omstandigheden van
                                belanghebbende en diens gezinsleden indien het daarvoor dringende
                                redenen aanwezig acht. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college (gedeeltelijk) afziet van een verlaging op grond
                                van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk
                                op de hoogte gesteld. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college legt in nadere beleidsregels Afstemmingen vast wat onder
                                ontbreken van verwijtbaarheid en dringende redenen moet worden
                                verstaan. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Nadere afstemming van de verlaging als bedoeld in hoofdstuk 2 en
                                3 van deze verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de vaststelling van de verlaging ex hoofdstuk 2 en 3 van deze
                                verordening wordt een beoordeling als bedoeld in artikel 18, lid 1
                                van de wet gemaakt van de ernst van de gedraging, de mate waarin de
                                belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden
                                waarin belanghebbende verkeert. Het college legt in nadere
                                beleidsregels Afstemmingen vast wat reden kan zijn voor een nadere
                                afstemming. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van de afstemming van de verlaging van de algemene
                                bijstand/inkomensvoorziening op de mate van verwijtbaarheid geldt
                                het volgende:</al><lijst><li nr="a."><al>indien een gedraging als verwijtbaar wordt aangemerkt wordt
                                        de periode van verlaging vastgesteld op 1 maand.</al></li><li nr="b."><al>indien een gedraging als ernstig verwijtbaar wordt
                                        aangemerkt wordt de periode van verlaging vastgesteld op 2
                                        maanden.</al></li><li nr="c."><al>indien een gedraging als zeer ernstig verwijtbaar wordt
                                        aangemerkt wordt de periode van verlaging vastgesteld op 3
                                        maanden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het feitelijk onmogelijk is om de verlaging over 2 of 3
                                maanden, als bedoeld in voorgaand lid, toe te passen, wordt ter
                                vervanging daarvan de verlaging over 1 maand verdubbeld, danwel
                                verdrievoudigd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de toepassing van voorgaande leden dient artikel 18, lid 3 van
                                de wet in beschouwing te worden genomen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ten aanzien van de afstemming van de verlaging van de bijzondere
                                bijstand als bedoeld in artikel 6, lid 1 van deze verordening op de
                                mate van verwijtbaarheid geldt het volgende: Indien er sprake is van
                                omstandigheden waardoor er aanleiding is om toch bijzondere bijstand
                                te verlenen wordt op individuele gronden in meer of mindere mate
                                afgeweken van het percentage als genoemd in artikel 6, lid 1 van
                                deze verordening. Uitdrukkelijk wordt hier gewezen op de
                                mogelijkheden van de verstrekking in de vorm van een geldlening, als
                                bedoeld in artikel 48, lid 2, sub b van de wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Afzien van een verlaging als bedoeld in hoofdstuk 2 en 3 van deze
                                verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het toepassen van een verlaging ex hoofdstuk
                                2 en 3 indien: </al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan een jaar voor constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van een verlaging indien het daarvoor
                                dringende redenen aanwezig acht. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van een verlaging op grond van dringende
                                redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte
                                gesteld. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college legt in nadere beleidsregels Afstemmingen vast wat onder
                                ontbreken van verwijtbaarheid en dringende redenen moet worden
                                verstaan. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
                                    de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
                                    brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is
                                            gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of
                            omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de
                            ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid. </al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Besluit tot het opleggen van een verlaging</titel></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het bedrag
                            waarmee de uitkering wordt verlaagd en, als dit van toepassing is, de reden om af te wijken
                            van de standaardverlaging. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt toegepast op de uitkering respectievelijk de
                                bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12
                                van de wet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het
                                besluit tot het toepassen van de verlaging aan een belanghebbende is
                                bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor
                                die belanghebbende geldende bijstandsnorm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is,
                                omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken, kan de verlaging met
                                toepassing van artikel 54 van de Participatiewet met terugwerkende
                                kracht worden toegepast op de uitkering over de periode waarop de
                                gedraging betrekking heeft gehad danwel de uitkering over de periode
                                waarin de gedraging heeft plaatsgevonden. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Samenloop</titel></kop><al>Indien sprake is van één of meerdere gedragingen die schending opleveren
                            van meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen, wordt één
                            verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en de duur van de
                            verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging
                            is gesteld. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                                van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
                                gedraging als bedoeld in deze verordening, opnieuw schuldig maakt
                                aan dezelfde verwijtbare handeling, wordt de oorspronkelijke duur
                                van de verlaging, als bedoeld in Hoofdstuk 2 en 4 (met uitzondering
                                van artikel 5) van deze verordening verdubbeld. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een belanghebbende vervolgens binnen 12 maanden na de eerste
                                recidive als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, zich opnieuw
                                schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare handeling, wordt de als
                                bedoeld in Hoofdstuk 2 en 4 (met uitzondering van artikel 5) van
                                deze verordening verdrievoudigd (herhaalde recidive). </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Blijvende of tijdelijke weigering IOAW
                            </titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Samenloop bij
                            weigeren uitkering IOAW</titel></kop><al>Indien het college de uitkering op grond van artikel 20, lid 1 IOAW
                            blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering
                            heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou
                            kunnen leiden, blijft een verlaging achterwege. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Bestrijding misbruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Instrumenten ter voorkoming van fraude (preventie):</titel></kop><al>Het college draagt zorg voor een vroegtijdige informatievoorziening aan
                            belanghebbenden over rechten, plichten en handhaving. Het college
                            optimaliseert zoveel mogelijk de dienstverlening zonder belemmeringen,
                            zodat de kans op spontane naleving van de verplichtingen wordt vergroot. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Instrumenten gericht op aanpak van fraude (repressie):</titel></kop><al>Het college draagt zorg voor een vroegtijdige detectie en afhandeling
                            van fraudesignalen. </al><al>Het college gaat bij constatering van fraude daadwerkelijk tot
                            sanctionering over. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Rechtmatigheidscontrole en effectieve sanctionering</titel></kop><al>Het college hanteert ten aanzien van de rechtmatigheidscontrole een
                            samenhangend stelsel van controlemethodieken, gebaseerd op
                            signaalsturing, risicosturing en themacontroles, hetgeen is vervat in het Controleplan aanvragen,
                            heronderzoeken en beëindigingen Participatiewet en IOAW. Ten behoeve van
                            een effectieve sanctionering legt het college de handelwijze omtrent de
                            rechtmatigheidscontrole van uitkeringen Participatie en IOAW in
                            beleidsregels vast en handelt het aangaande de afstemming van
                            uitkeringen conform deze verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is belast met de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan in uitzonderlijke gevallen ten gunste van een
                                belanghebbende afwijken van het gestelde in deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.</al><al>De Afstemmings- en fraudeverordening WWB en IOAW, die van kracht was
                            vanaf 1 januari 2013 wordt hierbij ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmings- en fraudeverordening
                            Participatiewet en IOAW.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Achtkarspelen van </ondertekening><ondertekening>27 november 2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>mr. R. van der Heide</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>G.Gerbrandy</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Afstemmingsverordening Participatiewet en IOAW </titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De gemeenteraad heeft in de Participatiewet een verantwoordelijkheid met
                    betrekking tot het toezicht op de nakoming van de plichten van
                    bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de rechtszekerheid van een
                    bijstandsgerechtigde moet de gemeenteraad het eigen gemeentelijk beleid ten
                    aanzien van de sanctionering vastleggen in een verordening. Naast dit eigen
                    gemeentelijk beleid op allerlei gebied zijn een groot deel van de
                    arbeidsverplichtingen sinds 1 januari 2015 in de Participatiewet zelf opgenomen.
                    De IOAW is op dit punt ongewijzigd gebleven.</al><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op algemene
                    bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk te worden van de uitkering en zich correct en verantwoordelijk te
                    gedragen. </al><al>Artikel 18 lid 1 van de Participatiewet spreekt over het afstemmen van de
                    bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet
                    recht worden gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                    omstandigheden van bijstandsgerechtigden. </al><al>Artikel 18 lid 2 van de Participatiewet legt een directe koppeling tussen de
                    rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering
                    is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te
                    worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de
                    uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de
                    beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de
                    verplichtingen worden nagekomen. </al><al>Artikel 18, lid 4 bevat de naar de wet overgehevelde arbeidsverplichtingen en
                    het vijfde lid verbindt daaraan de gevolgen van het niet nakomen daarvan. De
                    invulling van de bevoegdheid om de duur van deze wettelijk omschreven verlaging
                    vast te stellen moet vervolgens in deze verordening worden opgenomen.</al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt,
                        <vet><cursief>moet</cursief></vet> het de uitkering verlagen. Er is dus geen
                    sprake van een bevoegdheid, maar van een
                        <vet><cursief>verplichting</cursief></vet>. Alleen wanneer iedere vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een dergelijke verlaging. Het
                    college moet niettemin bij de vaststelling van de verlaging rekening houden met
                    de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde verplichtingen.
                    Het college kan dan ook van een verlaging afzien indien het college daartoe zeer
                    dringende reden aanwezig acht. </al><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18 lid 1 van de Participatiewet van een verlaging afgezien,
                    dan is dat geen reden om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in
                    geval van recidive. </al><al>Wordt een verlaging voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het
                    college de verlaging aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dat volgt uit
                    artikel 18 lid 3 van de participatiewet. Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft
                    niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en
                    omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Het heeft slechts als
                    doel vast te stellen of belanghebbende </al><al>tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging zich uitstrekt) blijk heeft
                    gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake is van een zodanige
                    wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de eerder opgelegde
                    verlaging in zwaarte of duur bij te stellen (zie CRvB 19-04-2011, nr. 10/4882
                    WWB). Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening moet niet gezien worden
                    als een strafrechtelijke sanctie, doch slechts een afstemming van het recht op
                    bijstand. Dit in tegenstelling tot het wettelijke boete-regime, dat sedert 2013
                    (wederom) in de sociale wetgeving is opgenomen. </al><tussenkop>Afstemmen in de IOAW en de IOAZ </tussenkop><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een IOAW of IOAZ uitkering
                    te verlagen of te weigeren indien een belanghebbende de aan het recht op
                    uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 IOAW
                    en artikel 20 IOAZ). De gemeente moet het gemeentelijk beleid vastleggen in een
                    verordening (artikel 35 lid 1 onderdeel b IOAW en artikel 35 lid 1 onderdeel b
                    IOAZ). Aangezien de uitvoering van de zelfstandigenregelingen, waaronder de
                    IOAZ, is ondergebracht bij Bureau Zelfstandigen Fryslân, en deze instantie een
                    eigen afstemmingsbeleid kent, voorziet deze verordening niet in de afstemming
                    van IOAZ-uitkeringen. </al><tussenkop>Toelichting per artikel</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begrippen </tussenkop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet,
                    IOAW, Awb of de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening.
                    Dit voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de
                    betreffende wetten ook de verordening moet worden gewijzigd. Een uitzondering
                    vormen de bepalingen omtrent de nadere afstemming als bedoeld in artikel 18, lid
                    1 van de Participatiewet en de mogelijkheden om als belanghebbende te worden
                    gehoord als bedoeld in Afdeling 4.1.2. van de Awb (zie artikelen 10 en 12). De
                    reden hiervan is het grote belang dat wordt gehecht aan een zorgvuldige
                    besluitvorming in het geval van het opleggen van maatregelen, i.c. verlagingen.
                    Opneming in de verordening dwingt de consulent in alle gevallen, zowel bij de
                    wettelijke bepalingen als bij de eigen gemeentelijke bevoegdheid, hiermee
                    terdege rekening te houden. </al><tussenkop>Artikel 2. Berekeningsgrondslag </tussenkop><al>In artikel 2, lid 1 van deze verordening is het uitgangspunt vastgelegd dat een
                    verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt
                    verstaan de wettelijke norm en inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op
                    grond van de IOAW wordt gekeken naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 IOAW.
                    In artikel 2 lid 2 onderdeel a van deze verordening is bepaald dat een verlaging
                    ook kan worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan een belanghebbende
                    bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12
                    Participatiewet. Personen tussen de 18 en 21 jaar ontvangen een lage
                    jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van
                    aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als een
                    verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot
                    rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in het derde lid
                    geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat geval bestaat uit de bijstandsnorm,
                    vermeerderd met de verleende bijzondere bijstand op grond van artikel 12
                    Participatiewet. </al><al>Artikel 2 lid 2 onderdeel b van deze verordening maakt het mogelijk dat het
                    college in incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere
                    bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een
                    belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan
                    uitsluitend worden opgelegd indien daadwerkelijk bijzondere bijstand is
                    verstrekt. De verordening biedt overigens geen ruimte om een verlaging toe te
                    passen op de individuele inkomenstoeslag. </al><tussenkop>Artikel 3. Gedragingen niet zijnde gedragingen als bedoeld in artikel 18,
                    lid 4 van de Participatiewet </tussenkop><tussenkop>Wettekst Artikel 18 Participatiewet - Afstemming </tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af
                            op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.
                        </al></li><li nr="2."><al>Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig de verordening, bedoeld
                            in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, ter zake van het niet nakomen
                            door de belanghebbende van de verplichtingen voortvloeiende uit deze
                            wet, met uitzondering van artikel 17, eerste lid, dan wel indien de
                            belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef
                            van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan.
                        </al></li><li nr="3."><al>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede lid
                            binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie maanden
                            bedraagt. </al></li><li nr="4."><al>Het college verlaagt in ieder geval de bijstand overeenkomstig het
                            vijfde, zesde, zevende of achtste lid ter zake van het niet nakomen door
                            de belanghebbende van de volgende verplichtingen: </al><lijst><li nr="a."><al><vet>het aanvaarden of het behouden van algemeen
                                        ge</vet><vet>accepteerde arbeid; </vet></al></li><li nr="b."><al><vet>het uitvoering geven aan de door het college opgelegde
                                        verplichting </vet></al><al><vet> om ingeschreven te staan bij een</vet><vet> uitzendbureau;
                                    </vet></al></li><li nr="c."><al><vet>het naar vermogen verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                        arbeid in </vet></al><al><vet> een andere dan de gemeente van inwoning, alvorens naar die
                                        andere </vet></al><al><vet> gemeente te verhuizen; </vet></al></li><li nr="d."><al><vet>bereid zijn om te reizen over een afstand met een totale
                                        reisduur van 3 uur per dag, indien dat noodzakelijk is voor
                                        het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden
                                        van </vet><vet>algemeen geaccepteerde arbeid;</vet></al></li><li nr="e."><al><vet>bereid zijn om te verhuizen, indien het college is gebleken
                                        dat er geen </vet></al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>andere mogelijkheid is voor het naar vermogen verkrijgen, het </tussenkop><tussenkop>aanvaarden of het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, en de </tussenkop><tussenkop>belanghebbende een arbeidsovereenkomst met een duur van tenminste </tussenkop><tussenkop>een jaar en een netto beloning die ten minste gelijk is aan de voor de </tussenkop><tussenkop>belanghebbende geldende bijstandsnorm, kan aangaan; </tussenkop><al>f.<vet>het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden, noodzakelijk
                    </vet></al><tussenkop>voor het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van </tussenkop><tussenkop>algemeen geaccepteerde arbeid;</tussenkop><al>g.<vet>het naar vermogen verkrijgen, het aanvaarden of het behouden van
                    </vet></al><tussenkop>algemeen geaccepteerde arbeid niet belemmeren door kleding, gebrek </tussenkop><tussenkop>aan persoonlijke verzorging of gedrag; </tussenkop><lijst><li nr=""><al>h.<vet>het gebruik maken van door het college aangeboden voorzieningen,
                                waaronder begrepen sociale activering, gericht op
                                arbeidsinschakeling en mee te werken aan onderzoek naar zijn of haar
                                mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. </vet></al></li><li nr="5."><al>Indien de belanghebbende een verplichting als bedoeld in het vierde lid
                            niet nakomt, verlaagt het college de bijstand met 100% voor een bij de
                            verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, vastgestelde
                            periode van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden. De
                            verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, kan tevens
                            bepalen dat het bedrag van de verlaging wordt verrekend over de maand
                            van oplegging van de maatregel en ten hoogste de twee volgende maanden,
                            waarbij over de eerste maand ten minste 1/3 van het bedrag van de
                            verlaging wordt verrekend. </al></li><li nr="6."><al>Indien de belanghebbende een verplichting als bedoeld in het vierde lid
                            niet nakomt binnen twaalf maanden nadat het vijfde lid toepassing heeft
                            gevonden, verlaagt het college, in afwijking van het vijfde lid, de
                            bijstand met 100% voor een bij de verordening, bedoeld in artikel 8,
                            eerste lid, onderdeel a, vastgestelde periode die in ieder geval langer
                            is dan de op grond van het vijfde lid vastgestelde periode van verlaging
                            en ten hoogste drie maanden. </al></li><li nr="7."><al>Indien de belanghebbende een verplichting als bedoeld in het vierde lid
                            niet nakomt binnen twaalf maanden nadat het zesde lid toepassing heeft
                            gevonden, verlaagt het college, in afwijking van het vijfde en zesde
                            lid, de bijstand met 100% voor een periode van drie maanden. </al></li><li nr="8."><al>Indien de belanghebbende een verplichting als bedoeld in het vierde lid
                            niet nakomt binnen twaalf maanden nadat het zevende lid toepassing heeft
                            gevonden, verlaagt het college, in afwijking van het vijfde, zesde en
                            zevende lid, telkens de bijstand met 100% voor een periode van drie
                            maanden. </al></li><li nr="9."><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel, indien elke vorm
                            van verwijtbaarheid ontbreekt. </al></li><li nr="10."><al>Het college stemt een op te leggen maatregel of een opgelegde maatregel
                            af op de omstandigheden van de belanghebbende en diens mogelijkheden om
                            middelen te verwerven, indien naar zijn oordeel, gelet op bijzondere
                            omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken. </al></li><li nr="11."><al>Indien het college de bijstand overeenkomstig het vijfde, zesde, zevende
                            of achtste lid heeft verlaagd, kan het college op verzoek van de
                            belanghebbende ten aanzien van wie de maatregel is opgelegd, de
                            verlaging herzien zodra uit de houding en gedragingen van de
                            belanghebbende ondubbelzinnig is gebleken dat hij de verplichtingen,
                            bedoeld in het vierde lid, nakomt. </al></li><li nr="12."><al>Bij de toepassing van dit artikel wordt onder belanghebbende mede
                            verstaan het gezin. </al></li></lijst><al>Met ingang van 2015 zijn een aantal arbeidsverplichtingen verscherpt en
                    overgeheveld naar de wet (artikel 18, lid 4 Participatiewet, zie hierboven) en
                    laat het afstemmingsregiem ten aanzien hiervan slechts weinig vrije
                    beleidsruimte voor gemeenten. Dit betreffen met name de verplichtingen die
                    gelden voor mensen die kúnnen werken en waarvoor ook kansen beschikbaar zijn.
                    Deze verordening voorziet alleen nog in de arbeidsverplichtingen die na de
                    overheveling nog overblijven. Dit zijn over het algemeen de verplichtingen die
                    een meer individuele beoordeling vergen. </al><al>Aan deze verordening is een bijlage (bijlage 1) gekoppeld (Sanctionering
                    gedragingen: grondslag sanctionering) die op eenvoudige wijze inzicht geeft in
                    welk recht van toepassing is. </al><al>De artikelen 3 en 4 van deze verordening moeten in onderlinge samenhang worden
                    gelezen. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 3, zijn
                    ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 4 een gewicht
                    toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn
                    gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht
                    naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen van
                    betaalde arbeid of het succesvol afronden van een re-integratietraject. </al><tussenkop>Toelichting gedragingen:</tussenkop><al><onderstreept>Lid 1, sub a:</onderstreept> Aan het verkrijgen van een uitkering
                    is de verplichting verbonden dat men doorlopend staat ingeschreven als
                    werkzoekende.</al><al><onderstreept>Lid 1, sub b:</onderstreept> Aan het verkrijgen van een uitkering
                    is het verrichten van een tegenprestatie verplicht als men dat wordt opgedragen. </al><al><onderstreept>Lid 2, sub a:</onderstreept> Op nagenoeg iedereen die een
                    uitkering ontvangt is de re-integratieplicht van toepassing. Alles ten aanzien
                    hiervan moet in een Plan van Aanpak als bedoeld in artikel 44a Participatiewet
                    worden vastgelegd. De klant is verplicht om mee te werken aan de opstelling, de
                    uitvoering en de evaluatie van dit plan. Deze verplichting gaat alléén over het
                    Plan van Aanpak. Het niet of onvoldoende gebruik maken van een
                        <onderstreept>voorziening</onderstreept> (welke uit het Plan van Aanpak
                    voortvloeit) hoort thuis bij lid 3, sub c.</al><al><onderstreept>Lid 2, sub b:</onderstreept> Jongeren (jonger dan 27 jaar) moeten
                    gedurende de zoekperiode ook al voldoen aan de gebruikelijke verplichtingen. Een
                    stelselmatige weigering van de jongere om zich aan de verplichtingen te houden
                    heeft op grond van artikel 13, lid 2, sub d Participatiewet een weigering van
                    bijstand tot gevolg. Een eventuele schending van deze verplichtingen binnen de
                    zoekperiode leidt in principe in aansluiting op de zoekperiode tot een
                    afstemming van de uitkering. Let wel: Het gaat hier dus
                        <cursief>alléén</cursief> om jongeren <cursief>tijdens</cursief> de
                    zoekperiode. Voor anderen (ouder dan 27 of jongeren na de zoekperiode) gelden de
                    gewone bepalingen. </al><al><onderstreept>Lid 3, sub a</onderstreept><onderstreept>:</onderstreept> Aan het
                    verkrijgen van een uitkering is het naar vermogen trachten algemeen
                    geaccepteerde arbeid te krijgen verbonden.</al><al><onderstreept>Lid 3, sub b:</onderstreept> Dit betreft de situatie, waarbij
                    gebleken is dat de speciale ontheffing van de arbeidsplicht voor een
                    alleenstaande ouder (met een kind tot 5 jaar) is ingetrokken, omdat betrokkene
                    niet aan de re-integratieverplichtingen wil voldoen. <onderstreept>Lid 3, sub
                        c:</onderstreept> In de sanctie voor IOAW’ers die niet of onvoldoende
                    gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening wordt niet door
                    artikel 18, lid 4, sub h van de wet voorzien. Om deze reden is dit in deze
                    verordening opgenomen. </al><tussenkop>Artikel 4. Hoogte en duur van de verlaging </tussenkop><al>Zie de toelichting bij artikel 3. <vet>Artikel 5. Vaststelling duur verlaging ex
                        artikel 18, lid 5 en lid 6 van de </vet><vet>Participatiewet </vet></al><al>Op grond van artikel 18, lid 5 Participatiewet geeft deze verordening de duur
                    van de verlaging die de wet voorschrijft. Hierbij is gekozen voor de minst
                    vergaande variant. </al><al>Na elke sanctie-beschikking volgt een recidive-periode van 12 maanden.</al><al>Sanctiebeschikking 5-1-2013 (recidive-periode tot 5-1-2014) opnieuw hetzelfde
                    verwijtbare gedrag 6-5-2013 recidive (recidive-periode tot 6-5-2014) opnieuw
                    hetzelfde verwijtbare gedrag 12-12-2013 herhaalde recidive recidive-periode tot </al><al>12-12-2014. </al><tussenkop>Artikel 6. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid </tussenkop><al>Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat een ieder in eerste
                    instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet
                    mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen
                    alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt
                    een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag
                    is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de
                    gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat
                    vertaalt zich in de duur van de op te leggen verlaging. Er wordt namelijk een
                    verlaging van 20% per maand opgelegd gedurende de periode waarover de
                    belanghebbende zonder bijstand zou hebben gekund, uiteraard met een minimum van
                    één maand. Teneinde ernstige financiële consequenties op termijn te voorkomen is
                    eveneens een maximale periode vastgesteld van 3 jaar. Ten aanzien van bijzondere
                    bijstand geldt in principe dat bij tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid geen bijzondere bijstand wordt verstrekt. </al><al> In het vierde lid komt het tekortschietend besef aan de orde. </al><al>Onder het verwijtbaar verliezen van inkomen (anders dan door beëindiging van het
                    dienstverband, dit valt nu uitdrukkelijk onder artikel 18, lid 4 van de
                    Participatiewet, dit blijkt uit het derde lid) valt bijvoorbeeld: </al><lijst><li nr="-"><al>het stoppen van de studie en daarmee het wegvallen van de WSF. </al></li><li nr="-"><al>het afzien van reeds vastgestelde alimentatie. </al></li></lijst><al>Ten aanzien van het te snel interen van vermogen gelden bepaalde uitgangspunten
                    (zie Grip op WWB (Interen op vermogensoverschot). Hiermee kan achteraf worden
                    vastgesteld of te snel is ingeteerd. Onder het uit het zicht overhevelen van
                    vermogen moet worden verstaan het “wegsluizen van vermogen”. </al><al>Voorbeeld van het geen gebruik maken van voorliggende voorzieningen zijn: </al><al>-het niet aanvragen van WW, ZW, Wajong. </al><tussenkop>Artikel 7. Zeer ernstige misdragingen </tussenkop><al>Onder de term “zeer ernstige misdragingen jegens personen die de Participatiewet
                    en de IOAW moeten uitvoeren” kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan,
                    zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het
                    normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel wordt beschouwd. De
                    verplichting zich hiervan te onthouden staat in artikel 9, lid 6
                    Participatiewet. Onder de personen die de Participatiewet en IOAW moeten
                    uitvoeren worden eventueel ook gerekend de medewerker van het
                    re-integratiebureau, omdat deze personen werken in opdracht van het college en
                    de misdraging van negatieve invloed is op de op belanghebbende uit hoofde van de
                    Participatiewet (en IOAW) rustende verplichting tot arbeidsinschakeling (zie
                    Rechtbank Rotterdam 26-03-2008, nr. 07/1478, LJN BC9884). Aan deze verordening
                    is een bijlage (bijlage 2) gekoppeld, die inzicht geeft in wat onder zeer
                    ernstige misdragingen moet worden verstaan.</al><tussenkop>Artikel 8. Niet nakomen van overige verplichtingen </tussenkop><al>De Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om belanghebbenden
                    verplichtingen op te leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55
                    van de Participatiewet biedt daartoe de mogelijkheid. In dit artikel zijn een
                    aantal voorbeelden opgenomen. De zwaarte van de maatregel komt tot uiting in het
                    feit dat deze van toepassing is zolang het niet nakomen van de verplichtingen
                    duurt. Het is van belang dat het college altijd rekening houdt met de
                    individualiseringsbepaling van artikel 18 lid 1 Participatiewet. Deze bepaling
                    verplicht het college de bijstand af te stemmen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In individuele gevallen kan
                    dus worden afgeweken van de in dit artikel vastgestelde verlaging.</al><tussenkop>Artikel 9. Afzien of nadere afstemming van een verlaging op grond van een
                    dringende reden als bedoeld in artikel 18, lid 4 van de wet</tussenkop><al>Ten aanzien van de afstemmingen die op basis van de wet moeten worden toegepast
                    geldt ook een systeem van nadere afstemming of zelfs afzien. Op grond van
                    artikel 18, lid 5 Participatiewet fungeert deze verordening tevens als schakel
                    naar de nadere Beleidsregels afstemmingen, waardoor de begrippen “ontbreken van
                    verwijtbaarheid” en “dringende redenen” worden toegelicht .</al><tussenkop>Artikel 10. Nadere afstemming van de verlaging als bedoeld in hoofdstuk 2
                    en 3 van deze verordening </tussenkop><al>Dit artikel is een nadere uitwerking van het individualiseringsbeginsel, dat ook
                    voor het toepassen van verlagingen geldt. Het is van toepassing op de
                    maatregelen die uit hoofdstuk 2 en 3 van deze verordening voortvloeien, oftewel
                    de artikelen 3 tot en met 8. Toepassing van het eerste lid van dit artikel
                    betekent toepassing geven aan het individualiseringsbeginsel van artikel 18, lid
                    1 van de Participatiewet. </al><al>In lid 2 van dit artikel 10 is ten aanzien van de beoordeling van de mate van
                    verwijtbaarheid een nadere aanwijzing gegeven. Het vaststellen van de begrippen
                    “ernstig verwijtbaar” of “zeer ernstig verwijtbaar” vergt een individuele
                    beoordeling. </al><al>Hierbij kan gedacht worden aan het volgende voorbeeld: </al><al>Iemand tracht niet naar vermogen om arbeid in dienstbetrekking te krijgen. Voor
                    een klant die mogelijkheden heeft en waarvoor ook kansen zijn geweest is dit
                    meer verwijtbaar en misschien wel zeer ernstig verwijtbaar dan voor een klant
                    van 59 jaar, die al jaren niet meer door de sociale dienst is gesproken en nu
                    ineens moet solliciteren. </al><al>Het derde lid van dit artikel is een ontsnappingsclausule wanneer er sprake is
                    van ontoereikend aantal maanden waarop een verlaging kan worden toegepast. In
                    die situatie kan er voor worden gekozen de verlaging over de "beschikbare" maand
                    te verdubbelen of te verdrievoudigen. Ook wordt in dit artikel uitdrukkelijk
                    verwezen naar artikel 14 van deze verordening omdat voorkomen moet worden dat er
                    verlagingen worden toegepast op maanden waarin geen sprake is geweest van
                    verwijtbare gedragingen. De indruk zou kunnen ontstaan dat nadere afstemming
                    alleen maar kan leiden tot een verzwaring. Echter, uit het eerste lid blijkt
                    overduidelijk dat een beoordeling als bedoeld in artikel 18, lid 1 van de
                    Participatiewet moet plaatsvinden. Deze beoordeling kan leiden tot een matiging.
                    De criteria zijn omschreven in de Nadere beleidsregels afstemmingen. </al><tussenkop>Artikel 11. Afzien van een verlaging als bedoeld in hoofdstuk 2 en 3 van
                    deze verordening</tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid” ontbreekt, is overgenomen uit artikel 18 lid 9 Participatiewet
                    (respectievelijk artikel 20 lid 3 IOAW). Aangenomen moet worden dat hiervan
                    uitsluitend sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid (zie CRvB
                    24-07-2001, nr. 99/1857 NABW, LJN AD 4887). Het is aan het college te beoordelen
                    of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is
                    vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een
                    verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze
                    gedraging mee te tellen (zie artikel 17 van deze verordening). Is vanwege de
                    afstemming op grond van artikel 18 lid 1 Participatiewet van een verlaging
                    afgezien dan is daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten
                    beschouwing te laten in geval van recidive. </al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden regelt artikel 11 lid
                    1 onderdeel b van deze verordening dat het college geen verlagingen oplegt voor
                    gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Dit heeft
                    tevens als voordeel dat een uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid
                    wordt gehouden over de vraag of de gemeente overgaat tot het opleggen van een
                    verlaging. </al><al>In artikel 11 lid 2 van deze verordening is geregeld dat kan worden afzien van
                    het opleggen van een verlaging indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
                    De verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een
                    verlaging voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn indien voor de
                    belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het woord
                    "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand
                    moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat
                    als dringende reden wordt aangemerkt staat omschreven in de nadere Beleidsregels
                    afstemmingen. Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet
                    van het opleggen van een verlaging wegens dringende redenen als bedoeld in
                    artikel 11, lid 3 van deze verordening is van belang in verband met eventuele
                    recidive. Het opleggen van een verlaging bij recidive is geregeld in artikel 16
                    van deze verordening. </al><tussenkop>Artikel 12. Horen van belanghebbende </tussenkop><al>Vanuit een oogpunt van zorgvuldige besluitvoorbereiding is het goed om, alvorens
                    de negatieve beschikking te versturen, belanghebbende in de gelegenheid te
                    stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen. Tevens worden in dit artikel
                    de gronden genoemd, op basis waarvan van het horen van belanghebbende kan worden
                    afgezien. </al><tussenkop>Artikel 13. Het besluit tot opleggen van een verlaging </tussenkop><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep indienen. In artikel 2 van deze verordening is aangegeven wat in het
                    besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks
                    voort uit de Awb en dan met name uit het motiveringsvereiste. Het
                    motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een
                    deugdelijke motivering is voorzien. </al><tussenkop>Artikel 14. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging </tussenkop><al>Het opleggen van een verlaging vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: </al><lijst><li nr="1."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende
                            maand(en); of</al></li><li nr="2."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering.</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. Dan hoeft namelijk niet te worden overgegaan tot
                    herziening van de uitkering en terugvordering van het te veel betaalde bedrag.
                    In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging wordt opgelegd met
                    ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op de kalendermaand
                    waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de hoogte van de
                    verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. </al><al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die
                    gevallen dient de verlaging met terugwerkende kracht te worden toegepast (zie
                    lid 2). Het afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere
                    vorm van herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot teveel
                    verstrekte uitkering. De uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit
                    teveel is verstrekt kan met toepassing van artikel 58 lid 2 onderdeel a
                    Participatiewet, respectievelijk artikel 25 lid 2 IOAW worden teruggevorderd.
                    Hierbij moet wel worden bedacht dat afstemming met terugwerkende kracht niet
                    altijd mogelijk is. Als alle uitkering over de betreffende periode is
                    ingetrokken en teruggevorderd, resteert er niets meer om af te stemmen. </al><tussenkop>Artikel 15. Samenloop </tussenkop><al>De regeling voor samenloop ziet op de situatie waarin sprake is van
                    verschillende gedragingen (meerdaadse samenloop). In dit geval moet de zwaarste
                    verlaging worden opgelegd. </al><tussenkop>Artikel 16. Recidive</tussenkop><al>Sanctionering dient een “corrigerend” effect te hebben. Verwacht mag worden dat
                    men van maatregelen iets leert. Desondanks zullen er gevallen zijn, waarbij de
                    belanghebbende in zijn gedrag volhardt. Indien binnen twaalf maanden na een
                    eerste verwijtbare gedraging wederom sprake is van dezelfde verwijtbare
                    gedraging, of dat nou aansluitend is aan de eerste verlaging of dat daar enige
                    tijd tussen gezeten heeft, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                    uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de verlaging. Met de
                    eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is
                    geweest tot een verlaging, ook indien wegens dringende redenen is afgezien van
                    het opleggen van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van
                    verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij
                    toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de
                    aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit
                    waarmee de verlaging is opgelegd is verzonden. </al><al>Indien binnen 12 maanden na de eerste recidive sprake is van dezelfde
                    verwijtbare gedraging, hetzij aansluitend, hetzij met enige tijd daartussen,
                    wordt de oorspronkelijke duur van de verlaging verdrievoudigd.</al><al>De volgorde is dus sanctiebeschikking, recidive, herhaalde recidive.</al><tussenkop>Artikel 17. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW </tussenkop><al>Het college is op grond van artikel 20 IOAW bevoegd de uitkering blijvend of
                    tijdelijk te weigeren als een belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid
                    had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van
                    het college. De vraag of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de
                    orde komen als het college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele
                    weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het
                    college concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze
                    verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 17 van deze verordening is
                    derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen. </al><tussenkop>Artikel 18. Instrumenten ter voorkoming van fraude
                    (preventie)</tussenkop><al>Dit artikel behandelt de eerste twee visie-elementen van Hoogwaardige
                    Handhaving, te weten Informatie op maat en dienstverlening op maat. </al><tussenkop>Artikel 19. Instrumenten gericht op aanpak van fraude
                    (repressie)</tussenkop><al>Dit artikel behandelt de laatste twee visie-elementen van Hoogwaardige
                    Handhaving, te weten Controle op maat en Sanctionering op maat.</al><tussenkop>Artikel 20. Rechtmatigheidscontrole en effectieve
                    sanctionering</tussenkop><tussenkop>In dit artikel wordt verwezen naar het Controleplan en wordt vastgesteld
                    dat de controle geschiedt conform de uitgangspunten van Hoogwaardige Handhaving.
                    Tevens krijgt het college hierbij de opdracht nadere beleidsregels op te stellen
                    ten behoeve van een effectieve sanctionering en wordt uitdrukkelijk verwezen
                    naar de Verordening Afstemmings- en Fraudebeleid Participatiewet en IOAW.
                    Hiermee is dit artikel een nadere uitwerking van de twee voorgaande artikelen. </tussenkop><tussenkop>Artikel 21. Uitvoering</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 22. Inwerkingtreding </tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 23. Citeertitel </tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>