<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR344539_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Huisvestingsverordening 2015 gemeente Zoetermeer</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zoetermeer</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zoetermeer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-57495.html">Elektronisch gemeenteblad, 30-06-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Huisvestingsverordening 2015 gemeente Zoetermeer</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Huisvestingswet art.2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-22</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>DOC-2015-002642</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening is vervangen door de <extref doc="1.1:CVDR391558_1">Nieuwe Huisvestingsverordening Zoetermeer 2015</extref>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Huisvestingsverordening 2015 Gemeente Zoetermeer</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Huisvestingsverordening 2015 Gemeente Zoetermeer </label></kop><paragraaf><kop><label>§ 1 Begripsbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1. In deze verordening wordt verstaan onder:</label></kop><lid><lidnr>a.</lidnr><al> actiegebied: een gebied dat burgemeester en wethouders hebben
                                    aangewezen met het doel de daarin gelegen woonruimte vrij van
                                    bewoning te maken, zodat sloop en/of verbetering van woonruimte
                                    kan plaatsvinden;</al><al/></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>ambtshalve inschrijving: het zonder formele aanvraag opnemen van
                                    huishoudens, woonachtig op te deconcentreren of op te heffen
                                    woonwagenlocaties, als standplaatszoekenden in het
                                    Register;</al><al/></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>burgemeester en wethouders: burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Zoetermeer;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>doorstromer: een woningzoekende die op de dag dat het
                                    woningaanbod wordt gepubliceerd over zelfstandige woonruimte in
                                    Nederland beschikt en deze leeg achterlaat voor verkoop of
                                    verhuur; onder doorstromer wordt mede begrepen iemand die
                                    (aantoonbaar met in Nederland erkende documenten) na beëindiging
                                    van een duurzame gemeenschappelijke huishouding op zoek is naar
                                    zelfstandige woonruimte;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>economische binding: binding aan de gemeente overeenkomstig het
                                    in artikel 1, onder l, van de Huisvestingswet (Stb. 1992, 548)
                                    bepaalde, alsmede het duurzaam volgen van een dagopleiding in de
                                    gemeente;</al><al>f. </al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>eigenaar: de eigenaar als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van
                                    de Huisvestingswet;</al><al/></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>gemeenteraad: de gemeenteraad van de gemeente Zoetermeer;</al><al/></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al>gepubliceerd woningaanbod: het periodiek openbaar gemaakt aanbod
                                    van voor verhuur of verkoop beschikbaar komende woonruimte,
                                    waarop elke woningzoekende op eigen initiatief kan
                                    reageren;</al><al/></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al>herstructureringskandidaat: een woningzoekende die op het moment
                                    van een actiegebiedaanwijzing:</al><al>a. </al><al>met toestemming van de eigenaar als hoofdbewoner/huurder
                                    woonachtig is in een in het betreffende actiegebied gelegen
                                    zelfstandige woonruimte; of</al><al>b. </al><al>aantoonbaar tenminste anderhalf jaar inwonend is in een in het
                                    betreffende actiegebied gelegen woonruimte die met toestemming
                                    van de eigenaar door de hoofdbewoner/huurder wordt bewoond;</al><al/></lid><lid><lidnr>j.</lidnr><al>huishouden: een alleenstaande dan wel twee of meer personen die
                                    een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen
                                    voeren;</al></lid><lid><lidnr>k.</lidnr><al>huisvestingsvergunning: de vergunning, bedoeld in artikel 7 van
                                    de Huisvestingswet;</al><al/></lid><lid><lidnr>l.</lidnr><al>huurprijs: het daaromtrent in artikel 1, eerste lid, onder j,
                                    juncto vierde en vijfde lid, van de Huisvestingswet
                                    bepaalde;</al><al/></lid><lid><lidnr>m.</lidnr><al>huurprijsgrens: het daaromtrent in artikel 6, derde lid, van de
                                    Huisvestingswet bepaalde;</al><al/></lid><lid><lidnr> n.</lidnr><al>huurwoning: een woonruimte waarvoor de gebruiker een vergoeding
                                    verschuldigd is aan de zakelijk gerechtigde, of ten aanzien
                                    waarvan de gebruiker een huurovereenkomst is aangegaan;</al><al/></lid><lid><lidnr>o.</lidnr><al>ingezetene: degene die opgenomen is in de basisadministratie van
                                    een gemeente en feitelijk in de gemeente hoofdverblijf heeft in
                                    een voor permanente bewoning aangewezen woonruimte;</al><al/></lid><lid><lidnr>p.</lidnr><al>inkomen: onder inkomen wordt verstaan het gezamenlijke
                                    verzamelinkomen als bedoeld in artikel 2.3 van de Wet
                                    Inkomstenbelasting 2001 van de bewoners van een woongelegenheid,
                                    met uitzondering van kinderen in de zin van artikel 4 van de Wet
                                    Awir, met dien verstande dat in het eerste lid van dat artikel
                                    voor ‘belanghebbende’ telkens moet worden gelezen
                                    ‘huurder’.</al><al/></lid><lid><lidnr>q.</lidnr><al>inschrijvingsduur: de periode dat een woningzoekende
                                    aaneensluitend is ingeschreven bij een woningcorporatie als
                                    bedoeld in artikel 21;</al><al/></lid><lid><lidnr>r.</lidnr><al>inwoning: het bewonen van een deel van een woonruimte die door
                                    een ander huishouden als hoofdbewoner in gebruik is
                                    genomen;</al><al/></lid><lid><lidnr>s.</lidnr><al>kamer: hetgeen in het Bouwbesluit (Stb. 2002, 518)wordt verstaan
                                    onder verblijfsruimte;</al><al/></lid><lid><lidnr>t.</lidnr><al>koopprijs: het daaromtrent in artikel 1, onder k, van de
                                    Huisvestingswet bepaalde;</al><al/></lid><lid><lidnr>u.</lidnr><al>koopprijsgrens: het daaromtrent in artikel 6, derde lid, van de
                                    Huisvestingswet bepaalde;</al><al/></lid><lid><lidnr>v.</lidnr><al>koopwoning: een woonruimte, waarvan de gebruiker volgens het
                                    kadaster tevens eigenaar is, of waarvan de gebruiker tevens lid
                                    is van een coöperatieve vereniging welke volgens het kadaster
                                    staat ingeschreven; of waarvan de gebruiker op deugdelijke wijze
                                    kan aantonen dat hij als eigenaar moet worden beschouwd;</al><al/></lid><lid><lidnr>w.</lidnr><al>leegstaan: het daaromtrent in artikel 1, eerste lid, onder i,
                                    van de Huisvestingswet bepaalde;</al><al/></lid><lid><lidnr>x.</lidnr><al>maatschappelijke binding: het daaromtrent in artikel 1, onder m,
                                    van de Huisvestingswet bepaalde;</al><al/></lid><lid><lidnr>y.</lidnr><al>onttrekkingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 30
                                    van de Huisvestingswet;</al><al/></lid><lid><lidnr>z.</lidnr><al>onzelfstandige woonruimte: woonruimte, niet zijnde woonruimte
                                    bestemd voor inwoning, welke geen eigen toegang heeft en welke
                                    niet door een huishouden kan worden bewoond, zonder dat dit
                                    daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die
                                    woonruimte;</al><al>aa. </al><al>reactieduur: de periode vanaf de datum waarop een woningzoekende
                                    voor het eerst op een aanbod heeft gereageerd met een juist
                                    ingevulde woonbon. </al><al>bb. </al><al>Register: het register van standplaatszoekenden als bedoeld in
                                    artikel 25, eerste lid;</al><al>cc. </al><al>splitsingsvergunning: de vergunning als bedoeld in artikel 33
                                    van de Huisvestingswet;</al><al>dd. </al><al>standplaats: een standplaats als bedoeld in artikel 1, eerste
                                    lid, onder e, van de Huisvestingswet;</al><al>ee. </al><al>standplaatszoekende: degene die in het Register is
                                    ingeschreven;</al><al>ff. </al><al>starter: een woningzoekende die op dag dat het woningaanbod
                                    wordt gepu-bliceerd geen zelfstandige woonruimte leeg achterlaat
                                    voor verkoop of ver-huur;</al><al>gg. </al><al>SVH: vereniging Sociale Verhuurders Haaglanden;</al><al>hh. </al><al>toetsingscommissie: de door burgemeester en wethouders in te
                                    stellen commissie die burgemeester en wethouders adviseert ter
                                    zake van de uitvoering van artikel 31;</al><al>ii. </al><al>woonduur: de onafgebroken periode gedurende welke een
                                    woningzoekende de huidige woonruimte in Nederland zelfstandig
                                    bewoont conform de gegevens van de gemeentelijke
                                    basisadministratie;</al><al>jj. </al><al>woonoppervlakte: met woonoppervlakte wordt bedoeld het totaal
                                    van de oppervlakten van vertrekken, zoals gedefinieerd in het
                                    Woningwaarderingstelsel. Vertrekken: woonkamer, keuken,
                                    badkamer/doucheruimte, slaapkamer(s), zolderkamer indien
                                    bereikbaar via vaste trap en met ruime mate van
                                    daglichtaanwezigheid. Overige ruimtes: kelder, bijkeuken,
                                    wasruimte, bergruimte/schuur, ingebouwde kasten groter dan 2 m²,
                                    garage, zolder niet zijnde vertrek, en verkeersruimten worden
                                    niet meegeteld.</al><al>kk. </al><al>woonruimte: woonruimte als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                    onder b, juncto derde lid van de Huisvestingswet;</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 2 Werkingsgebied</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2 </label></kop><lid><lidnr/><al>Het bepaalde in deze verordening is van toepassing op
                                    woonruimten gelegen in de gemeente Zoetermeer.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 3 Actiegebied</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 3 </label></kop><lid><lidnr/><al>Burgemeester en wethouders kunnen in het kader van
                                    herstructurering of wijkverbetering gebieden aanwijzen met het
                                    doel de daarin gelegen woonruimten vrij van bewoning te maken,
                                    zodat sloop- en/of verbetering van woonruimte kan
                                    plaatsvinden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 4 Huisvestingsovereenkomsten</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 4 </label></kop><lid><lidnr/><al/></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen met een eigenaar van één of
                                    meer woonruimten een overeenkomst sluiten over het in gebruik
                                    geven van woonruimte. De overeenkomsten mogen niet in strijd
                                    zijn met de aard en strekking van deze verordening.</al><al>2. </al><al>Overeenkomsten als bedoeld in het eerste lid dienen een
                                    evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte te
                                    bevorderen.</al><al>3. </al><al>De inhoud van de overeenkomsten als bedoeld in het eerste lid
                                    wordt in ruime mate bekend gemaakt aan de ingezetenen van de
                                    gemeente en aan andere belanghebbenden.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 2 VERDELING VAN WOONRUIMTE</label></kop><paragraaf><kop><label>§ 1 Huurprijs- en koopprijsgrenzen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 5 </label></kop><lid><lidnr/><al>Het bepaalde in dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing
                                    op:</al><al>a. </al><al>woonruimten met een huurprijs beneden de huurprijsgrens, en</al><al>b. </al><al>woonruimten met een koopprijs beneden de koopprijsgrens.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 </label></kop><lid><lidnr/><al>In afwijking van artikel 5 is het bepaalde in dit hoofdstuk niet
                                    van toepassing op:</al><al>a. </al><al>woonruimten, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de
                                    Huisvestingswet ;</al><al>b. </al><al>onzelfstandige woonruimten;</al><al>c. </al><al>ligplaatsen voor een woonschip.</al><al>d. </al><al>Woonruimten verhuurd op basis van het campuscontract als bedoeld
                                    in artikel 7:274, vierde lid van het Burgerlijk Wetboek.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 2 Huisvestingsvergunning</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 7</label></kop><lid><lidnr/><al>1.Het is verboden zonder een huisvestingsvergunning een
                                    woonruimte, aangewezen in artikel 5 in gebruik te nemen voor
                                    bewoning.</al><al>2. </al><al>Het is verboden de in het vorige lid bedoelde woonruimte voor
                                    bewoning in gebruik te geven aan een huishouden, dat niet
                                    beschikt over een huisvestingsvergunning.</al><al>3. </al><al>Het verbod als genoemd in het eerste en tweede lid is niet van
                                    toepassing bij woonruimte tot de koopprijsgrens, behalve voor
                                    woonruimte tot de koopprijssgrens opgenomen in bijlage IV.</al><al>4. </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen bijlage IV vaststellen en
                                    wijzigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 </label></kop><lid><lidnr/><al>Ten aanzien van de huur en verhuur van woonruimte waarvoor
                                    burgemeester en wethouders een vergunning als bedoeld in artikel
                                    15, eerste lid, van de Leegstandwet hebben verleend, blijft
                                    artikel 7 buiten toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9</label></kop><lid><lidnr/><al>1.De aanvraag van een huisvestingsvergunning wordt ingediend bij
                                    burgemeester en wethouders door middel van een daartoe door de
                                    gemeente beschikbaar te stellen en door de aanvrager in te
                                    vullen formulier.</al><al>2. </al><al>Bij de aanvraag om een huisvestingsvergunning dient de aanvrager
                                    in elk geval een afdruk te overleggen van:</al><al>a. </al><al>een geldig legitimatiebewijs;</al><al>b. </al><al>een geldige verblijfstitel in Nederland indien de aanvrager niet
                                    de Nederlandse nationaliteit bezit;</al><al>c. </al><al>een uittreksel van de basisadministratie van zijn woonplaats,
                                    indien hij in een andere gemeente woont dan de gemeente waarin
                                    de woning of standplaats waarvoor hij een vergunning aanvraagt
                                    is gelegen;</al><al>d. </al><al>(een) inkomenspecificatie(s) van de werkgever,
                                    uitkeringsinstantie of pensioeninstantie danwel de meest recente
                                    aanslag inkomstenbelasting of een accountantsverklaring indien
                                    belanghebbende zelfstandig werkzaam is.</al><al>3. </al><al>Belanghebbende dient de in het tweede lid, onder b, c en d,
                                    bedoelde bescheiden van de andere leden van het huishouden
                                    eveneens te overleggen.</al><al>4. </al><al>Indien de aanvraag een huisvestingsvergunning voor een
                                    huurwoning of te huren standplaats betreft, dient de aanvrager
                                    een schriftelijke verklaring van de eigenaar over te leggen,
                                    waaruit blijkt dat deze bereid is de woonruimte in gebruik te
                                    geven.</al><al>5. </al><al>Indien de aanvraag een huisvestingsvergunning voor een
                                    koopwoning of te kopen standplaats betreft, dient de aanvrager
                                    een afschrift van de koopovereenkomst over te leggen.</al><al>6. </al><al>Indien de aanvraag een huisvestingsvergunning voor een
                                    standplaats betreft, is het bepaalde in het tweede lid, onder d,
                                    en het derde lid niet van toepassing.</al><al>7. </al><al>Burgemeester en wethouders besluiten de aanvraag niet verder te
                                    behandelen indien de aanvrager niet aannemelijk kan maken dat
                                    hij, indien hij een huisvestingsvergunning krijgt voor de in de
                                    aanvraag aangegeven woonruimte zijnde een huurwoning, die
                                    woonruimte ook daadwerkelijk in gebruik zal kunnen nemen, één en
                                    ander echter met uitzondering van de gevallen, genoemd in
                                    artikel 23, derde lid, van de Huisvestingswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10 </label></kop><lid><lidnr/><al>1.Burgemeester en wethouders beslissen op de in artikel 9,
                                    eerste lid, bedoelde aanvraag binnen 8 weken na ontvangst van de
                                    aanvraag en brengen de beslissing schriftelijk ter kennis van de
                                    aanvrager.</al><al>2. </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in
                                    het eerste lid voor ten hoogste 4 weken verdagen. Van de
                                    verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de
                                    aanvrager.</al><al>3. </al><al>In de huisvestingsvergunning wordt in ieder geval vermeld:</al><al>a. </al><al>de aanduiding van de woonruimte waarop zij betrekking
                                    heeft;</al><al>b. </al><al>de naam van de persoon of personen aan wie de
                                    huisvestingsvergunning is verleend;</al><al>c. </al><al>het aantal personen dat de woonruimte in gebruik neemt;</al><al>d. </al><al>de mededeling dat binnen de in de vergunning genoemde termijn
                                    hiervan gebruik dient te worden gemaakt.</al><al>4. </al><al>Indien de huisvestingsvergunning betrekking heeft op een te
                                    huren woonruimte, zenden burgemeester en wethouders aan de
                                    eigenaar een afdruk van de huisvestingsvergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11</label></kop><lid><lidnr/><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning
                                    intrekken, </al><al>indien:</al><al>a. </al><al>de vergunninghouder de erin vermelde woonruimte niet binnen de
                                    door burgemeester en wethouders bij de verlening van de
                                    vergunning gestelde termijn in gebruik heeft genomen;</al><al>b. </al><al>de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder
                                    verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest
                                    vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren.</al><al/></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 3 Criteria voor vergunningverlening</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 12</label></kop><lid><lidnr/><al>1.Burgemeester en wethouders verlenen de huisvestingsvergunning
                                    indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:</al><al>a. </al><al>de aanvrager is 18 jaar of ouder;</al><al>a. </al><al>de woonruimte wordt met toepassing van het bepaalde in artikelen
                                    13 en 15 passend geacht voor het huishouden van de aanvrager van
                                    de huisvestingsvergunning;</al><al>c. </al><al>er is voor de woonruimte geen andere gegadigde, die op grond van
                                    artikel 22 of artikel 23 ten opzichte van de aanvrager van de
                                    vergunning een voorrangspositie heeft;</al><al>d. </al><al>de leden van het huishouden bezitten de Nederlandse
                                    nationaliteit dan wel beschikken over een geldige verblijfstitel
                                    in Nederland.</al><al>2. </al><al>Het in het eerste lid, onder b, bepaalde blijft buiten
                                    toepassing voor standplaatszoekenden.</al><al>3. </al><al>Het in het eerste lid, onder c, bepaalde blijft buiten
                                    toepassing, indien zich een situatie voordoet als aangegeven in
                                    artikel 9 van het Huisvestingsbesluit (Stb. 1993, 155).</al><al>4. </al><al>De huisvestingsvergunning kan worden geweigerd indien het een
                                    woonruimte betreft waarvoor gezien de fysieke inrichting en/of
                                    de ruimtelijke positie van de woonruimte door burgemeester en
                                    wethouders is bepaald dat hiervoor een door burgemeester en
                                    wethouders op advies van een door hen aangewezen instantie te
                                    verstrekken specifieke indicatie noodzakelijk is en de aanvrager
                                    niet over de daartoe vereiste indicatie beschikt. </al><al>5. </al><al>De huisvestingsvergunning wordt geweigerd indien het verlenen
                                    van de vergunning het in gebruik hebben door de aanvrager van
                                    meer dan één woonruimte in de gemeenten Delft, Den Haag,
                                    Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp,
                                    Rijswijk, Wassenaar en Westland tot gevolg heeft.</al><al>6. </al><al>Het bepaalde in het vijfde lid is niet van toepassing ten
                                    aanzien van degene die vanwege aan- of verkoop van een
                                    woonruimte tijdelijk twee woonruimten in gebruik heeft, wanneer
                                    ten genoegen van burgemeester en wethouders kan worden
                                    aangetoond, dat slechts één woonruimte feitelijk wordt
                                    bewoond.</al><al>7. </al><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder b en c,
                                    wordt de vergunning altijd verleend, indien de woonruimte door
                                    de eigenaar op een wijze als bedoeld in artikel 20, eerste lid,
                                    gedurende 13 weken vruchteloos is aangeboden aan woningzoekenden
                                    of standplaatszoekenden die ingevolge het eerste lid voor die
                                    woonruimte in aanmerking komen.</al><al>8. </al><al>Burgemeester en wethouders weigeren de vergunning indien de
                                    woonruimte is gelegen in een actiegebied.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 </label></kop><lid><lidnr/><al>1.Het inkomen van het huishouden moet in een naar het oordeel
                                    van burgemeester en wethouders redelijke verhouding staan tot de
                                    huurprijs of de koopprijs van de woonruimte.</al><al>2. </al><al>Woonruimten worden verhuurd overeenkomstig artikel 8, tweede
                                    lid, van het Huisvestingsbesluit.</al><al>3. a. Bij de toepassing van het gestelde in het eerste lid geldt
                                    dat een huishouden met een inkomen van maximaal 50.000 euro een
                                    woonruimte tot de huurprijsgrens kan huren.</al><al>b. </al><al>Het inkomen van de huurprijsgrens wordt geïndexeerd
                                    overeenkomstig de indexeringsmethode van de doelgroepgrens in de
                                    Wet op de huurtoeslag.</al><al>4. </al><al>Indien voor een woonruimte geen gegadigde met een inkomen als
                                    bedoeld in het derde lid, wordt de woonruimte ook passend geacht
                                    voor een gegadigde met een hoger inkomen.</al><al>5. </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen het in het vierde lid bedoelde
                                    inkomen nader vaststellen.</al><al>6. </al><al>Voor de bepaling van het inkomen hanteren burgemeester en
                                    wethouders de volgende nadere uitvoeringsregels:</al><al>a. </al><al>bij de bepaling van het rekeninkomen kan gebruik gemaakt worden
                                    van het meest recente inkomen van de woningzoekende;</al><al>b. </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen de aanvrager verzoeken een
                                    zogenaamd IB-60 formulier met betrekking tot het meest recente
                                    kalenderjaar te overleggen, ter verificatie van het opgegeven
                                    inkomen;</al><al>7. </al><al>Bij de toepassing van het gestelde in het eerste lid hanteren
                                    burgemeester en wethouders voor bestaande en
                                    nieuwbouwkoopwoningen het inkomen, waarbij het maximale
                                    leenbedrag als bedoeld in de Wet bevordering eigenwoningbezit
                                    volgens vigerende NHG-normen zelfstandig financierbaar is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 </label></kop><lid><lidnr/><al>1.Artikel 13, eerste tot en met zesde lid, is niet van
                                    toepassing op aangeboden woonruimte van woningcorporaties
                                    aangesloten bij de SVH indien afspraken zijn gemaakt met de SVH
                                    over percentages te huisvesten categorie woningzoekenden als
                                    bedoeld in artikel 13 van het Besluit Beheer
                                    Sociale-Huursector.</al><al>2. </al><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op particuliere
                                    eigenaren van woonruimte waarmee burgemeester en wethouders een
                                    overeenkomst hebben gesloten als bedoeld in artikel 4.</al><al>3. </al><al>Eigenaren van woonruimte als bedoeld in het eerste en tweede lid
                                    kunnen voor vrijkomende woningen passendheidseisen stellen
                                    omtrent de verhouding tussen het inkomen van het huishouden en
                                    de huur, indien dit noodzakelijk is met het oog op het nakomen
                                    van de gemaakte afspraken.</al><al>4. </al><al>a.Indien eigenaren van woonruimte als bedoeld in het eerste en
                                    tweede lid voor een aangeboden woning passendheidseisen stellen
                                    als bedoeld in het derde lid, dienen deze openbaar bekend te
                                    worden gemaakt.</al><al>b. </al><al>Indien eigenaren van woonruimte als bedoeld in het eerste en
                                    tweede lid voor een aangeboden woning passendheidseisen stellen
                                    als bedoeld in het derde lid, dienen deze bij de publicatie van
                                    het aanbod te worden vermeld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15 </label></kop><lid><lidnr/><al>1.De omvang en samenstelling van het huishouden moet passen bij
                                    de grootte van de woning.</al><al>2. </al><al>Het is verboden woonruimte te betrekken met of toe te staan dat
                                    woonruimte wordt betrokken door meer personen dan is toegestaan
                                    op grond van bepalingen in de Bouwverordening van de gemeente
                                    waarin de woonruimte is gelegen.</al><al>3. </al><al>Ten aanzien van bepaalde typen woonruimte met een huurprijs
                                    beneden de huurprijsgrens wordt de voorwaarde gesteld dat
                                    daarvoor alleen woningzoekenden in aanmerking komen indien de
                                    woonruimte passend is overeenkomstig de oppervlaktetabel, waarin
                                    de verhouding tussen de woonoppervlakte en het aantal leden dat
                                    het huishouden van de woningzoekende telt is opgenomen.</al><al>Oppervlaktetabel </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="46*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="54*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Woonoppervlakte </al></entry><entry colname="col2"><al>Omvang huishouden </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Vanaf 80 m² </al></entry><entry colname="col2"><al>minimaal 3 personen</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>4. </al><al>Voor de toepassing van de in het derde lid weergegeven tabel
                                    hanteren burgemeester en wethouders de volgende
                                    uitvoeringsregels:</al><al>a. </al><al>bij éénouder-huishoudens telt het hoofd van het huishouden voor
                                    twee personen;</al><al>b. </al><al>het ongeboren kind, waarvoor een verklaring van zwangerschap van
                                    ten minste vier maanden door een arts of een verloskundige wordt
                                    overgelegd, wordt als reeds geboren beschouwd.</al><al>5. </al><al>Ten aanzien van een huishouden waarbij ingevolge een
                                    rechterlijke uitspraak sprake is van co-ouderschap over
                                    minderjarige kinderen, wordt het passendheidscriterium inzake
                                    woninggrootte toegepast met inachtneming van de grootte van het
                                    thans nog gescheiden levende huishouden.</al><al>6. </al><al>Ten aanzien van een huishouden met minderjarige kinderen,
                                    waarvan één of meer leden in het buitenland moet(en)
                                    achterblijven wegens het niet beschikken over voldoende
                                    woonruimte om volgens ministeriële regeling gezinshereniging te
                                    doen plaatsvinden, wordt het passendheidscriterium inzake de
                                    woninggrootte toegepast met inachtneming van de grootte van het
                                    huishouden na gezinshereniging.</al><al>7. </al><al>Wanneer de noodzaak bestaat, kan de eigenaar van de woonruimte
                                    burgemeester en wethouders instemming verzoeken om voor een of
                                    meer wooncomplexen, bij vrijkomende woonruimte, in het
                                    advertentiemedium afwijkende toelatingseisen te stellen ten
                                    aanzien van het aantal personen in het huishouden.</al><al>8. </al><al>Het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing voor
                                    rolstoelwoningen voor mensen met een fysieke beperking en voor
                                    woningen gelabeld voor 55- of 65-plussers.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 4 Melding leegstand en ter beschikking komen van woonruimte</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 16</label></kop><lid><lidnr/><al>Indien woonruimte langer dan twee maanden leeg staat, is de
                                    eigenaar verplicht deze leegstand aan burgemeester en wethouders
                                    te melden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17 </label></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen de eigenaar een
                                            vergunning voor tijdelijke verhuur verlenen, als bedoeld
                                            in artikel 15 van de Leegstandwet.</al></li><li nr="2."><al>De aanvraag van een vergunning wordt ingediend bij
                                            burgemeester en wethouders door middel van een daartoe
                                            door de gemeente beschikbaar te stellen en door de
                                            aanvrager in te vullen formulier.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18 </label></kop><lid><lidnr/><al>1.Burgemeester en wethouders kunnen de eigenaar van een
                                    woonruimte als bedoeld in artikel 5, onder a, verplichten het
                                    ter beschikking komen van die woonruimte onverwijld aan
                                    burgemeester en wethouders te melden. Het daaromtrent in artikel
                                    18 van de Huisvestingswet bepaalde is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al><al>2. </al><al>Een woonruimte wordt geacht ter beschikking te zijn gekomen,
                                    wanneer:</al><al>a. </al><al>degene die de woonruimte in gebruik heeft aan de eigenaar het
                                    gebruik daarvan heeft opgezegd;</al><al>b. </al><al>de woonruimte is ontruimd;</al><al>a. </al><al>de woonruimte als zodanig niet langer in gebruik is, tenzij
                                    aannemelijk wordt gemaakt dat dit slechts korte tijd het geval
                                    is;</al><al>b. </al><al>op enigerlei andere wijze is gebleken dat de woonruimte te huur
                                    of vrij van huur te koop is.</al><al>3. </al><al>a.Indien de eigenaar aan een in het eerste lid bedoelde
                                    woonruimte onderhouds- en/of verbeteringswerkzaamheden wil
                                    uitvoeren, ten gevolge waarvan de woonruimte enige tijd niet
                                    bewoond kan worden, is de eigenaar verplicht dit gelijktijdig
                                    met de in het eerste lid bedoelde melding te berichten.</al><al>b. </al><al>De eigenaar van een in onder a bedoelde woonruimte is tevens
                                    verplicht opgave te doen van de geplande tijdsduur die met deze
                                    werkzaamheden zal zijn gemoeid, alsmede tot het melden van de
                                    beëindiging van de werkzaamheden.</al><al>4. </al><al>De eigenaar dient de door burgemeester en wethouders aan te
                                    wijzen ambtenaren in de gelegenheid te stellen de woonruimte te
                                    inspecteren ter vaststelling van de in de vorige leden genoemde
                                    gegevens.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 19</label></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 19, 20
                                            en 21 van de Huisvestingswet kunnen burgemeester en
                                            wethouders aan de eigenaar van een ter beschikking
                                            gekomen woonruimte een voordracht tot verhuring van de
                                            woonruimte aan een door burgemeester en wethouders
                                            aangegeven woningzoekende doen.</al></li><li nr="2."><al>Voor plaatsing op de in het vorige lid bedoelde
                                            voordracht komen in aanmerking de woningzoekenden met
                                            een hoge mate van urgentie.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 5 Aanbod van woonruimte</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 20</label></kop><lid><lidnr/><al>1.Woningcorporaties bieden hun voor verhuur of verkoop
                                    vrijkomende woonruimte als op geschikte wijze gepubliceerd
                                    aanbod te huur respectievelijk te koop aan, onder vermelding van
                                    in ieder geval:</al><al>a. </al><al>het adres van de woonruimte;</al><al>b. </al><al>het woningtype dan wel de grootte van de standplaats;</al><al>c. </al><al>de overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de Huisvestingswet
                                    bepaalde huurprijs van de woonruimte, respectievelijk de
                                    koopprijs van de woonruimte;</al><al>d. </al><al>de voorwaarden waaraan woningzoekenden moeten voldoen om voor
                                    toewijzing van de woonruimte in aanmerking te komen.</al><al>e. </al><al>de wijze waarop en de termijn waarbinnen woningzoekenden op het
                                    gepubliceerde aanbod kunnen reageren;</al><al>f. </al><al>de eigenaar of verhuurder van de woonruimte.</al><al>2. </al><al>Voor zover de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, onder d,
                                    niet voortvloeien uit artikel 12 behoeven deze voorwaarden
                                    vooraf de instemming van burgemeester en wethouders.</al><al>3. </al><al>Voor de beschrijving van het woningtype als bedoeld in het
                                    eerste lid, onder b, dienen de begrippen te worden gehanteerd
                                    die zijn opgenomen in de door burgemeester en wethouders vast te
                                    stellen bijlage I van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 20a </label></kop><lid><lidnr/><al>Woningcorporaties dienen openbaar bekend te maken:</al><al>a. </al><al>de inschrijvingsduur of de duur van de voorrangsverklaring van
                                    de woningzoekende waaraan het gepubliceerde woningaanbod
                                    uiteindelijk is </al><al>toegewezen;</al><al>a. </al><al>de woningen die niet overeenkomstig artikel 20, eerste lid, zijn
                                    toegewezen. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 6 Toewijzing van woonruimte</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 21 </label></kop><lid><lidnr/><al>1.Huishoudens die in aanmerking willen komen voor een huurwoning
                                    van een woningcorporatie schrijven zich in bij een
                                    woningcorporatie.</al><al>2. </al><al>Huishoudens worden op hun verzoek ingeschreven indien:</al><al>- </al><al>de aanvrager 18 jaar of ouder is;</al><al>- </al><al>de leden van het huishouden de Nederlandse nationaliteit
                                    bezitten of over een geldige verblijfstitel in Nederland
                                    beschikken.</al><al>3. </al><al>In afwijking van het tweede lid wordt een aanvrager die nog geen
                                    18 jaar of ouder is op zijn verzoek ingeschreven indien:</al><al>- </al><al>de aanvrager een kind heeft;</al><al>- </al><al>beide ouders van de aanvrager zijn overleden en het verzoek
                                    wordt ondersteund met een advies van een erkende voorziening
                                    voor hulpverlening of voogd;</al><al>- </al><al>de aanvrager is getrouwd of getrouwd geweest;</al><al>- </al><al>de aanvrager is geregistreerd partner of geregistreerd partner
                                    geweest.</al><al>4. </al><al>Als inschrijvingsdatum geldt het moment waarop de voor de
                                    beoordeling van de aanvraag tot inschrijving benodigde gegevens
                                    zijn ingediend of overgelegd en de inschrijvingskosten zijn
                                    betaald.</al><al>5. </al><al>De inschrijving is 1 jaar geldig.</al><al>6. </al><al>De inschrijving kan telkens op verzoek van de woningzoekende met
                                    een periode van 1 jaar worden verlengd.</al><al>7. </al><al>Woningcorporaties halen een inschrijving door indien:</al><al>a. </al><al>de woningzoekende een woning heeft aanvaard;</al><al>b. </al><al>de woningzoekende niet meer aan de vereisten voor inschrijving
                                    voldoet;</al><al>c. </al><al>de woningzoekende daarom verzoekt.</al><al>8. </al><al>In afwijking van het gestelde in het zevende lid, onder a, wordt
                                    een inschrijving niet doorgehaald indien:</al><al>a. </al><al>de woningzoekende met een voorrangsverklaring als bedoeld in
                                    artikel 31, tweede lid, een woning aanvaardt waarmee de
                                    voorrangsverklaring vervalt. De inschrijving als woningzoekende
                                    wordt in dat geval twee jaar gehandhaafd na inschrijving op het
                                    nieuwe woonadres in de gemeentelijke basisadministratie
                                    persoonsgegevens; </al><al>b. </al><al>de woningzoekende tijdelijk in een wisselwoning verblijft;</al><al>c. </al><al>de woningzoekende die een andere woning accepteert op basis van
                                    een tijdelijke huurovereenkomst daarom verzoekt;</al><al>d. </al><al>de woningzoekende die na inschrijving op een ander woonadres in
                                    de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens niet over
                                    zelfstandige woonruimte beschikt daarom verzoekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 21a </label></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>Voor een starter geldt bij de toewijzing van woonruimte
                                            de inschrijvingsduur als criterium.</al></li><li nr="2."><al>Voor een doorstromer geldt bij de toewijzing van
                                            woonruimte de inschrijvingsduur en het aantal jaren aan
                                            woonduur op het moment van inschrijving, met een maximum
                                            van 5 jaar, als criterium.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 21b </label></kop><lid><lidnr/><al>1.Voor het oplossen van lokale knelpunten kunnen burgemeester
                                    &amp; wethouders besluiten, na overleg met woningcorporaties,
                                    dat maximaal 15 % van de voor verhuur vrijkomende woonruimte
                                    gericht wordt toegewezen, uitsluitend in het kader van:</al><al>a° het optimaliseren van het woonruimteverdelingssysteem zoals
                                    het bevorderen van doorstroming uit lokale schaarse
                                    woningen;</al><al>b° het behoud van sociale cohesie en sociale netwerken;</al><al>c° het efficiënt inzetten van gemeentelijke middelen voor
                                    specifieke lokale doelgroepen.</al><al>Over de uitvoering hiervan treedt de gemeente in overleg met
                                    woningcorporaties in de eigen gemeente.</al><al>2.Het percentage als bedoeld onder het eerste lid kan in een
                                    kalenderjaar worden overschreden ten behoeve van woningzoekenden
                                    uit de gemeente waarin de aangeboden woonruimte is gelegen
                                    indien:</al><al>a° de woningzoekende jonger is dan 27 jaar bij verhuizing naar
                                    een specifiek voor die doelgroep gebouwd nieuwbouw- dan wel
                                    verbouwcomplex. Dit geldt uitsluitend bij eerste verhuring en
                                    voor maximaal 50% van de woningen in het betreffende complex;
                                    hetzij</al><al>b° de woningzoekende 65 jaar of ouder is bij verhuizing naar een
                                    specifiek voor de doelgroep gebouwd nieuwbouw- dan wel
                                    verbouwcomplex. Dit geldt uitsluitend bij eerste verhuring en
                                    voor maximaal 50% van de woningen in het betreffende complex;
                                    hetzij</al><al>c° het een eerste verhuring van nieuwbouwwoningen in de sociale
                                    sector in herstructureringsgebieden betreft. Dit geldt
                                    uitsluitend bij eerste verhuring en voor maximaal 50% van de
                                    woningen in het betreffende complex.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 21c </label></kop><lid><lidnr/><al>Lokaal kan er per project voor gekozen worden om bij nieuwbouw
                                    boven de aftoppingsgrenzen en in het middeldure segment voorrang
                                    te geven aan doorstromers uit de regio. Per project kunnen
                                    gemeenten in overleg met corporaties hiervoor specifieke
                                    voorwaarden definiëren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 22 </label></kop><lid><lidnr/><al>1.Woningcorporaties dienen de woningzoekende die voor een
                                    overeenkomstig artikel 20 aangeboden woonruimte in aanmerking
                                    komt te selecteren uit de woningzoekenden die op de betreffende
                                    te huur aangeboden woonruimte hebben gereageerd en aan de in
                                    artikel 20, eerste lid, onder d, bedoelde voorwaarden voldoen.
                                    Zij nemen daarbij de volgende rangorde in acht:</al><al>a. </al><al>woningzoekenden met een voorrangsverklaring als bedoeld in
                                    artikel 31, eerste lid, onder a en b, ad 1, ad 2;</al><al>b. </al><al>woningzoekenden met een voorrangsverklaring als bedoeld in
                                    artikel 31, tweede lid;</al><al>c. </al><al>woningzoekenden uit de gemeente waarin de aangeboden woonruimte
                                    is gelegen indien:</al><al>1° - de woningzoekende 65 jaar of ouder is bij verhuizing naar
                                    een specifiek voor de doelgroep gebouwd nieuwbouw- dan wel
                                    verbouwcomplex. Dit geldt uitsluitend bij eerste verhuring en
                                    voor maximaal 50% van de woningen in het betreffende complex;
                                    hetzij</al><al>2° - de woningzoekende jonger is dan 27 jaar bij verhuizing naar
                                    een specifiek voor die doelgroep gebouwd nieuwbouw- dan wel
                                    verbouwcomplex. Dit geldt uitsluitend bij eerste verhuring en
                                    voor maximaal 50% van de woningen in het betreffende complex;
                                    hetzij</al><al>3° - het een eerste verhuring van nieuwbouwwoningen in de
                                    sociale sector in herstructureringsgebieden betreft. Dit geldt
                                    uitsluitend bij eerste verhuring en voor maximaal 50% van de
                                    woningen in het betreffende complex;</al><al>d. </al><al>de woningzoekende die overeenkomstig artikel 21b in aanmerking
                                    komen voor een woonruimte;</al><al>e. </al><al>de woningzoekende die overeenkomstig artikel 21c in aanmerking
                                    komen voor een woonruimte;</al><al>f. </al><al>overige woningzoekenden. </al><al>2. </al><al>Met in achtneming van de rangorde in categorieën woningzoekenden
                                    als bepaald in het eerste lid wordt de volgorde van
                                    belangstellenden als volgt nader vastgesteld:</al><al>a. </al><al>In de gevallen waarin meerdere woningzoekenden hebben
                                    gereageerd, gaat de woningzoekende met de langste
                                    inschrijvingsduur of inschrijvingsduur plus het aantal jaren aan
                                    woonduur met een maximum van 5 jaar voor.</al><al>b. </al><al>In de gevallen waarin meerdere woningzoekenden met een
                                    voorrangsverklaring hebben gereageerd gaat de woningzoekende met
                                    een verlengde voorrangsverklaring voor op degene die een eerste
                                    voorrangsverklaring heeft.</al><al>c. </al><al>In de gevallen waarin meerdere woningzoekenden met een
                                    voorrangsverklaring hebben gereageerd gaat de woningzoekende van
                                    wie de voorrangsverklaring het eerst eindigt voor; </al><al>d. </al><al>Ingeval meerdere woningzoekenden reageren met een gelijk
                                    aflopende voorrangsverklaring is voor de onderlinge volgorde het
                                    aantal goede reacties op een aangeboden woning bepalend.</al><al>e. </al><al>In afwijking van het gestelde onder d. gaat in het geval dat
                                    meerdere woningzoekenden een gelijk aflopende
                                    voorrangsverklaring hebben, degene met een
                                    herstructureringsvoorrang voor op degene met een
                                    woonkostentoeslagvoorrang.</al><al>f. </al><al>In afwijking van het gestelde onder d. gaat in het geval dat
                                    twee kandidaten met herstructureringsvoorrang een
                                    voorrangsverklaring met gelijke vervaldatum hebben, de kandidaat
                                    waarvan de (CBS-)wijkcode van het huidig adres gelijk is aan de
                                    (CBS-)wijkcode van de geadverteerde woning voor.</al><al>g. </al><al>Ingeval er meerdere kandidaten met een herstructureringsvoorrang
                                    zijn waarvan de (CBS-)wijkcode van het huidige adres gelijk is
                                    aan de (CBS-) wijkcode van de geadverteerde woning, is voor de
                                    onderlinge volgorde het aantal goede reacties op een aangeboden
                                    woning bepalend.</al><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 22a </label></kop><lid><lidnr/><al>1. Van artikel 20, 20a, 22 en het bepaalde in het eerste tot en
                                    met het derde lid kan worden afgeweken indien naar het oordeel
                                    van burgemeester en wethouders aannemelijk kan worden gemaakt
                                    dat wordt voldaan aan artikel 12, eerste lid, onder c.</al><al>2. </al><al>Van artikel 20, 20a, 22 en het bepaalde in het eerste tot en met
                                    derde lid kan worden afgeweken ten behoeve van woningzoekenden
                                    die behoren tot een groep woningzoekenden ten aanzien waarvan
                                    aan een gemeente op grond van de Huisvestingswet of het
                                    Huisvestingsbesluit een specifieke taakstelling is
                                    opgelegd.</al><al>3. </al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 20 kunnen burgemeester
                                    en wethouders eigenaren van nieuwe woningen met een koopprijs
                                    beneden de koopprijsgrens verplichten deze woningen aan te
                                    bieden aan woningzoekenden die zijn opgenomen in een door
                                    burgemeester en wethouders bij te houden register van
                                    koopwoningzoekenden. Burgemeester en wethouders bepalen daarbij
                                    de volgorde waarin de woningzoekenden voor de betreffende
                                    woningen in aanmerking komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 23 </label></kop><lid><lidnr/><al>1.Standplaatsen worden alleen toegewezen aan
                                    standplaatszoekenden die ingeschreven staan in het Register van
                                    standplaatszoekenden.</al><al>2. </al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 22, eerste en tweede
                                    lid, nemen eigenaren van woonruimte bij het selecteren van een
                                    gegadigde voor een standplaats de volgende rangorde in
                                    acht:</al><al>a) </al><al>standplaatszoekenden met herstructureringsvoorrang;</al><al>b) </al><al>standplaatszoekenden met de langste registratieduur;</al><al>c) bij gelijke registratieduur gaat de standplaatszoekende met
                                    de langste woonduur voor; </al><al>d) </al><al>bij gelijke registratieduur en woonduur gaat de
                                    standplaatszoekende met de hoogste leeftijd voor.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 7 Verdeling van woonruimte: klachtencommissie</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 24 </label></kop><lid><lidnr/><al>1. </al><al>a.Ten aanzien van de toepassing en uitvoering van de regels voor
                                    woonruimteverdeling, zoals vastgelegd in deze verordening, kan
                                    door de woningzoekende een schriftelijke klacht ingediend worden
                                    bij burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de
                                    woonruimte is gelegen.</al><al>b. </al><al>Ten aanzien van de toepassing en uitvoering van de regels voor
                                    woonruimteverdeling, zoals vastgelegd in het Inschrijfprotocol
                                    van de Sociale Verhuurders Haaglanden, kan door de
                                    woningzoekende een schriftelijke klacht ingediend worden bij
                                    burgemeester en wethouders van de gemeente waar de
                                    woningzoekende woont.</al><al>c. </al><al>Ten aanzien van de toepassing en uitvoering van de regels voor
                                    woonruimteverdeling, zoals vastgelegd in het Inschrijfprotocol
                                    van de Sociale Verhuurders Haaglanden, kan door de
                                    woningzoekende die buiten de gemeente woont, een schriftelijke
                                    klacht ingediend worden bij burgemeester en wethouders.</al><al>2. </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen voor de behandeling van de
                                    klachten als bedoeld in het eerste lid onder a. een
                                    klachtencommissie instellen.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 3 INSCHRIJVING STANDPLAATSZOEKENDEN</label></kop><paragraaf><kop><label>§ 1 Register van standplaatszoekenden</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 25 </label></kop><lid><lidnr/><al>1.Burgemeester en wethouders dragen zorg voor het aanleggen en
                                    bijhouden van een Register van standplaatszoekenden.</al><al>2. </al><al>In het Register worden op hun verzoek als standplaatszoekenden
                                    ingeschreven de huishoudens die voldoen aan de volgende
                                    voorwaarden:</al><al>a. </al><al>de aanvrager is 18 jaar of ouder;</al><al>b. </al><al>de leden van het huishouden bezitten de Nederlandse
                                    nationaliteit dan wel beschikken over een geldige verblijfstitel
                                    in Nederland;</al><al>c. </al><al>het inschrijvingsformulier is correct en volledig ingevuld,
                                    inclusief de daarin gevraagde bijlagen;</al><al>3. </al><al>Het Register vermeldt de standplaatszoekenden in volgorde van
                                    inschrijvingsdatum en/of herstructureringsvoorrang.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 2 Inschrijving in het Register</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 26</label></kop><lid><lidnr/><al>1.Het verzoek om in de gemeente als standplaatszoekende te
                                    worden ingeschreven in het Register wordt gericht aan
                                    burgemeester en wethouders op een door burgemeester en
                                    wethouders opgesteld inschrijvingsformulier en gaat vergezeld
                                    van:</al><al>- </al><al>een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie, indien
                                    de inschrijving plaatsvindt in een andere gemeente dan de
                                    huidige woonplaats;</al><al>- </al><al>zonodig andere bescheiden die door burgemeester en wethouders
                                    voor beoordeling van de aanvraag nodig geoordeeld worden.</al><al>2. </al><al>Het inschrijvingsformulier bevat minimaal de volgende
                                    gegevens:</al><al>a. </al><al>de naam, burgerlijke staat en personalia van de aanvrager en van
                                    de eventueel tot het huishouden behorende personen;</al><al>b. </al><al>het huidige woonadres.</al><al>3. </al><al>Burgemeester en wethouders bepalen of de standplaatszoekende
                                    voldoet aan de voorwaarden in artikel 25, tweede lid, en gaat
                                    over tot inschrijving in het Register indien aan deze
                                    voorwaarden is voldaan.</al><al>4. </al><al>Inschrijving als standplaatszoekende kan ook ambtshalve
                                    plaatsvinden.</al><al>5. </al><al>Burgemeester en wethouders dragen in ieder geval zorg voor het
                                    laten registreren van de standplaatszoekenden waaraan ambtshalve
                                    herstructureringsvoorrang is toegekend. Bij gewijzigde
                                    omstandigheden kan de toegekende herstructureringsvoorrang
                                    ambtshalve komen te vervallen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 27 </label></kop><lid><lidnr/><al>1.Burgemeester en wethouders verstrekken aan
                                    standplaatszoekenden die (ambtshalve) zijn ingeschreven een
                                    bewijs van inschrijving waarop de volgende gegevens worden
                                    vermeld:</al><al>- </al><al>naam van de aanvrager en het aantal meeverhuizende
                                    personen;</al><al>- </al><al>adresgegevens;</al><al>- </al><al>inschrijvingsdatum;</al><al>- </al><al>voorranggegevens indien van toepassing.</al><al>2. </al><al>Als datum van inschrijving geldt de datum waarop aan de
                                    voorwaarden in artikel 25, tweede lid, is voldaan.</al><al>3. </al><al>Als datum van een ambtshalve inschrijving geldt de datum waarop
                                    de standplaatszoekende aan de voorwaarden in artikel 25, tweede
                                    lid, onder a en b, voldoet en burgemeester en wethouders de
                                    standplaatszoekende hebben ingeschreven.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 3 Geldigheidsduur van inschrijving in het Register</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 28 </label></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>De inschrijving in het Register blijft behoudens het
                                            gestelde in artikel 30 twee jaar geldig.</al></li><li nr="2."><al>De inschrijving wordt telkens na twee jaar ambtshalve
                                            met twee jaar verlengd tenzij de standplaatszoekende
                                            niet heeft gereageerd op een aanschrijving van
                                            burgemeester en wethouders aangaande de inschrijving in
                                            het Register, binnen vier weken na de datum van de
                                            aanschrijving.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 4 Wijziging van inschrijving in het Register</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 29 </label></kop><lid><lidnr/><al>1.Ingeval van bijschrijving in verband met een bestaand(e) dan
                                    wel voorgenomen huwelijk c.q. samenwoning, kan de inschrijving
                                    op naam van de beide partners worden gesteld.</al><al>2. </al><al>Wordt de relatie als bedoeld in het vorige lid beëindigd, anders
                                    dan bij overlijden, dan kunnen de beide partners zich
                                    afzonderlijk laten inschrijven. De hoofdinschrijver behoudt de
                                    registratieduur van de inschrijving. Voor de partner die geen
                                    hoofdinschrijver is, geldt het moment van bijschrijven bij de
                                    hoofdinschrijver of indien de partner al voorafgaand aan de
                                    bijschrijving inschrijftijd had opgebouwd, het moment van de
                                    oorspronkelijke inschrijving van de partner, als
                                    registratieduur.</al><al>3. </al><al>Wordt de relatie beëindigd door overlijden van een van de
                                    partners dan blijft de inschrijving van de nog levende
                                    overgebleven partner zijn geldigheid behouden.</al><al>4. </al><al>Wordt de relatie beëindigd en is er sprake van een ambtshalve
                                    inschrijving, dan beslissen burgemeester en wethouders of beide
                                    partners apart worden ingeschreven.</al><al>5. </al><al>De ingeschrevenen als bedoeld in het eerste lid worden door
                                    burgemeester en wethouders van de wijziging van inschrijving
                                    schriftelijk in kennis gesteld.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 5 Doorhaling van inschrijving</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 30 </label></kop><lid><lidnr/><al>1.Burgemeester en wethouders halen een inschrijving door in het
                                    Register indien:</al><al>a. </al><al>de standplaatszoekende naar het oordeel van burgemeester en
                                    wethouders niet meer aan de vereisten voor inschrijving
                                    voldoet;</al><al>b. </al><al>de standplaatszoekende daarom verzoekt, met uitzondering van de
                                    ambtshalve ingeschrevenen;</al><al>c. </al><al>de standplaatszoekende komt te overlijden;</al><al>d. </al><al>de standplaatszoekende een standplaats in Nederland krijgt
                                    toegewezen en deze accepteert;</al><al>e. </al><al>de standplaatszoekende een standplaats achterlaat bij toewijzing
                                    en acceptatie van een woning;</al><al>f. </al><al>de standplaatszoekende al dan niet opzettelijk foutieve gegevens
                                    verstrekt heeft bij de inschrijving of verzuimd heeft
                                    belangrijke wijzigingen bijtijds door te geven;</al><al>g. </al><al>de standplaatszoekende niet reageert op een aanschrijving van
                                    burgemeester en wethouders aangaande de inschrijving of bedoeld
                                    als een controle op de inschrijving in het Register, binnen vier
                                    weken na de datum van de aanschrijving.</al><al>2. </al><al>Voor zover mogelijk worden ingeschrevenen als bedoeld in het
                                    eerste lid door burgemeester en wethouders van de doorhaling van
                                    inschrijving schriftelijk in kennis gesteld.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 4 VOORRANGSVERKLARING</label></kop><paragraaf><kop><label>§ 1 Voorrangspositie op grond van een voorrangsverklaring</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 31</label></kop><al>1. a. Voor zover woningzoekenden zelf een daartoe strekkend verzoek
                                indienen, verlenen burgemeester en wethouders een
                                voorrangsverklaring aan woningzoekenden die: </al><al>- </al><al>18 jaar of ouder zijn;</al><al>- </al><al>gedurende de termijn van minimaal één jaar ingezetene zijn, dan wel
                                beschikken over een economische of maatschappelijke binding, dan wel
                                in de positie verkeren als bedoeld in artikel 13c, eerste lid, van
                                de Huisvestingswet en</al><al>- </al><al>de Nederlandse nationaliteit bezitten dan wel beschikken over een
                                geldige verblijfstitel in Nederland en </al><al>- </al><al>buiten eigen schuld en toedoen in een dusdanige situatie verkeren
                                dat zij binnen 3 maanden andere woonruimte behoeven en</al><al>- </al><al>naar verwachting bij toepassing van de in artikel 22, eerste en
                                tweede lid, bedoelde volgorde criteria niet binnen die termijn
                                andere woonruimte zullen krijgen en</al><al>- </al><al>hun betreffende situatie niet op een andere wijze kunnen
                                oplossen.</al><al>b. </al><al>Een voorrangsverklaring wordt verleend:</al><al>1. </al><al>indien een woonsituatie naar het oordeel van burgemeester en
                                wethouders door sociale en/of medische omstandigheden zodanig is
                                verstoord dat levensgevaar voor één of meer leden van het huishouden
                                dreigt dan wel dat één of meer leden van het huishouden zodanig
                                geestelijk, emotioneel en/of lichamelijk belast is, dat volledige
                                ontwrichting uit het geheel waar betrokkene deel van uitmaakt,
                                optreedt en zelf niet in staat is dit op te lossen;</al><al>2. </al><al>indien een woningzoekende een woonkostentoeslag ontvangt die qua
                                bedrag hoger is dan het maximale toegestane bedrag van de
                                huurtoeslag op grond van de Wet op de huurtoeslag volgens de
                                geldende tabel.</al><al>c. </al><al>De onder a. bedoelde voorrangsverklaring die is afgegeven door de
                                gemeenten Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland,
                                Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar en Westland is tevens geldig
                                in de gemeente als bedoeld in artikel 2.</al><al>2. </al><al>Burgemeester en wethouders verlenen eveneens een voorrangsverklaring
                                aan herstructureringskandidaten die woonachtig zijn in een binnen
                                twaalf maanden te slopen of ingrijpend te verbeteren woonruimte en
                                die naar verwachting bij toepassing van de in artikel 22, eerste en
                                tweede lid, bedoelde volgordecriteria niet binnen die termijn andere
                                woonruimte zullen of kunnen krijgen.</al><al>3. </al><al>De in het eerste en tweede lid bedoelde voorrangsverklaring geldt
                                alleen voor de door burgemeester en wethouders aan te geven
                                categorieën woonruimte waarmee enkel de situatie van de
                                woningzoekende die aanleiding is voor een voorrangsverklaring binnen
                                drie respectievelijk twaalf maanden kan worden opgelost.</al><al>4. </al><al>a.De in het eerste lid bedoelde voorrangsverklaring geldt alleen
                                voor een termijn van drie maanden.</al><al>b. </al><al>De in het tweede lid bedoelde voorrangsverklaring geldt alleen voor
                                een termijn van ten hoogste twaalf maanden.</al><al>c. </al><al>Indien de woningzoekende kan aantonen dat de voorrangsverklaring
                                niet binnen de termijn waarvoor de voorrangsverklaring geldt kon
                                worden benut én er niet sprake is van een (of meer) weigeringen van
                                een passende woningaanbieding, kan na advies van de
                                toetsingscommissie de duur van de voorrangsverklaring ten hoogste
                                één maal worden verlengd. Bij de verlenging kunnen burgemeester en
                                wethouders de op grond van het derde lid aangegeven woonruimte
                                wijzigen.</al><al>d. </al><al>een verzoek tot verlenging als bedoeld onder sub c dient door de
                                woningzoekende binnen twee weken na afloop van de geldigheidstermijn
                                van de voorrangsverklaring te worden aangevraagd.</al><al>5. </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen uitvoeringsregels vaststellenvoor
                                het verlenen van een voorrangsverklaring aan woningzoekenden door
                                burgemeester en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 32 </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Om in aanmerking te komen voor een voorrangsverklaring als
                                        bedoeld in artikel 31, eerste en tweede lid, moet een
                                        woningzoekende deze aanvragen bij burgemeester en wethouders
                                        van de gemeente waarin de woningzoekende woonachtig is door
                                        middel van een daartoe door de gemeente beschikbaar te
                                        stellen en door de aanvrager in te vullen formulier.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid dienen
                                        woningzoekenden die niet woonachtig zijn in de gemeente de
                                        voorrangsverklaring aan te vragen bij burgemeester en
                                        wethouders van één van de gemeenten waarin zij een woning
                                        zoeken.</al></li><li nr="3."><al>De aanvrager van de voorrangsverklaring dient op het
                                        aanvraagformulier als bedoeld in het eerste lid gemotiveerd
                                        aan te geven tot welke categorie woningzoekenden bedoeld in
                                        artikel 31, eerste en tweede lid, hij behoort en daartoe
                                        strekkende bewijsstukken, rapportages en andere bescheiden
                                        over te leggen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 33 </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders beslissen op de in artikel 32,
                                        eerste lid, bedoelde aanvraag binnen 8 weken na ontvangst
                                        van de aanvraag en de daarbij over te leggen bescheiden en
                                        brengen de beslissing ter kennis van de aanvrager.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld
                                        in het eerste lid voor ten hoogste 4 weken verdagen. Van de
                                        verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de
                                        aanvrager.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen hun bevoegdheid als
                                        bedoeld in heteerste en tweede lid mandateren aan een
                                        toetsingscommissie. In dat geval blijven het vierde en
                                        vijfde lid buiten toepasing.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders beslissen slechts op de aanvraag
                                        nadat de toetsingscommissie terzake een advies heeft
                                        uitgebracht.</al></li><li nr="5."><al>Indien het advies van de toetsingscommissie betrekking heeft
                                        op een woningzoekende die buiten eigen schuld of toedoen
                                        tenminste 3 maanden verblijft in een van gemeentewege erkend
                                        (te)huis voor noodopvang betrekt de toetsingscommissie
                                        daarbij het advies van de instantie op wiens advies de
                                        woningzoekende is opgenomen in het (te)huis voor
                                        noodopvang.</al></li></lijst><al>6. </al><al>Een voorrangsverklaring bevat in ieder geval:</al><al>a. </al><al>de datum waarop de voorrangspositie van kracht wordt;</al><al>b. </al><al>de termijn waarvoor de voorrangsverklaring geldig is;</al><al>c. </al><al>de soort woonruimte waarvoor de voorrangsverklaring geldig is.</al><al>d.</al><al>de naam van de gemeenten waar de voorrangsverklaring geldig is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 34 </label></kop><al>Het indienen van bezwaar tegen het besluit van burgemeester en
                                wethouders inzake de aanvraag van een voorrangsverklaring als
                                bedoeld in artikel 31, eerste lid, juncto vierde lid, onder a,
                                schorst de werking van het betreffende besluit.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 35 </label></kop><al>1.Bij gewijzigde omstandigheden kunnen burgemeester en wethouders na
                                advies van de toetsingscommissie, al dan niet op verzoek van de
                                woningzoekende, besluiten de inhoud van de afgegeven
                                voorrangsverklaring te wijzigen.</al><al>Op de termijnen voor beslissing tot en mededeling van een wijziging
                                is het bepaalde in artikel 33 van overeenkomstige toepassing.</al><lijst><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders trekken een voorrangsverklaring
                                        in, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de vereisten voor het verkrijgen van een
                                                voorrangsverklaring niet meer wordt voldaan;</al></li><li nr="b."><al>de voorrangsverklaring is verstrekt op grond van
                                                gegevens waarvan de houder van de
                                                voorrangsverklaring wist of redelijkerwijs kon
                                                vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren;</al></li><li nr="c."><al>indien de houder van de voorrangsverklaring na de
                                                afgifte van de voorrangsverklaring zelfstandige
                                                woonruimte in gebruik genomen heeft;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De voorrangsverklaring vervalt van rechtswege als de termijn
                                        waarvoor zij geldig is afloopt.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 2 Registratie van woningzoekenden met een voorrangsverklaring</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 36</label></kop><al>Burgemeester en wethouders dragen zorg voor het aanleggen en
                                bijhouden van een register van woningzoekenden waaraan op grond van
                                artikel 31 een voorrangsverklaring is verleend en/of een specifieke
                                indicatie als bedoeld in artikel 12, vierde lid, is verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 37 </label></kop><al>Eigenaren van woonruimten die zelf een registratie van
                                woningzoekenden als bedoeld in artikel 36 bijhouden kunnen door
                                burgemeester en wethouders worden verplicht de informatie waarover
                                zij in dat verband beschikken aan burgemeester en wethouders te
                                verstrekken.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 5 WIJZIGING SAMENSTELLING VAN DE WOONRUIMTEVOORRAAD</label></kop><paragraaf><kop><label>§ 1 Splitsing in appartementen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 38 </label></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen besluiten dat het verbod als
                                bedoeld in artikel 33 van de Huisvestingswet uitsluitend van
                                toepassing is op gebouwen, bevattende woonruimte, die behoren tot de
                                in bijlage II van deze verordening opgenomen categorieën
                                woonruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 39 </label></kop><al>1.Voor het verkrijgen van een splitsingsvergunning moet een
                                schriftelijke aanvraag worden ingediend bij burgemeester en
                                wethouders door middel van een daartoe door de gemeente beschikbaar
                                te stellen en door de aanvrager in te vullen formulier.</al><al>2. </al><al>De aanvraag moet inhouden:</al><al>a. </al><al>naam en correspondentieadres in Nederland van de aanvrager;</al><al>b. </al><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en
                                correspondentieadres in Nederland;</al><al>c. </al><al>straat en huisnummer; de kadastrale ligging en het jaar van het tot
                                stand komen van het gebouw waarop de aanvraag betrekking heeft;</al><al>d. </al><al>de aard en het huidige gebruik van het gebouw waarop de aanvraag
                                betrekking heeft;</al><al>e. </al><al>de namen en de adressen van de bewoners van het gebouw waarop de
                                aanvraag betrekking heeft.</al><al>3. </al><al>Bij de aanvraag moet in drievoud worden overlegd een splitsingsplan
                                dat voldoet aan de vereisten als neergelegd in artikel 109 van boek
                                5 van het Burgerlijk Wetboek en het krachtens dat artikel
                                vastgestelde besluit betreffende splitsing in
                                appartementsrechten.</al><al>4. </al><al>Indien burgemeester en wethouders daartoe verzoeken, dient tevens in
                                drievoud te worden overlegd een taxatierapport betreffende het
                                gebouw en de tot afzonderlijke woonruimte bestemde gedeelten van het
                                gebouw, opgemaakt door een beëdigd taxateur.</al><al>Dit rapport bevat in elk geval mede een beschrijving en een
                                beoordeling van de onderhoudstoestand van het gebouw en de
                                huurprijzen van de tot afzonderlijke woonruimte bestemde
                                gedeelten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 40 </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders beslissen op de aanvraag om een
                                        splitsingsvergunning binnen 8 weken na ontvangst van de
                                        aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld
                                        in het eerste lid voor ten hoogste 4 weken verdagen. Van de
                                        verdaging wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de
                                        aanvrager.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 41 </label></kop><al>1.Burgemeester en wethouders kunnen de gevraagde
                                splitsingsvergunning weigeren, indien:</al><al>a. </al><al>het gebouw of het gedeelte van een gebouw waarop de
                                vergunningaanvraag betrekking heeft één of meer woonruimten bevat
                                die verhuurd worden of laatstelijk verhuurd zijn geweest, en</al><al>b. </al><al>de huurprijs van één of meer van die woonruimten of voormalige
                                woonruimten lager is dan de huurprijsgrens, en</al><al>c. </al><al>niet gewaarborgd is dat die woonruimte of woonruimten na de
                                voorgenomen splitsing bestemd blijven voor verhuur ter bewoning,
                                en</al><al>d. </al><al>het belang dat de vergunningvrager bij splitsing heeft, niet opweegt
                                tegen het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad, voor
                                zover die voor verhuur is bestemd.</al><al>2. </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen de gevraagde splitsingsvergunning
                                eveneens weigeren, indien:</al><al>a. </al><al>het gebouw of het gedeelte van het gebouw waarop de
                                vergunningaanvraag betrekking heeft, voor zover het geheel of
                                gedeeltelijk verhuurd is geweest voor bewoning, in strijd met de
                                voorschriften van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 dan
                                wel een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 of 3.28 van de
                                Wet ruimtelijke ordening (Stb. 2006, 566) of met enig wettelijk
                                voorschrift geheel of gedeeltelijk voor een ander doel dan voor
                                bewoning in gebruik is genomen, en</al><al>b. </al><al>de huurprijs van één of meer van die voormalige woonruimte(n) lager
                                is dan de huurprijsgrens, en</al><al>c. </al><al>niet gewaarborgd is dat de voormalige woonruimte of woonruimten na
                                de voorgenomen splitsing opnieuw bestemd zullen worden voor verhuur
                                te bewoning, en</al><al>d. </al><al>het belang dat de vergunningaanvrager bij splitsing heeft, niet
                                opweegt tegen het belang van het behoud van de woonruimtevoorraad,
                                voor zover die voor verhuur is bestemd.</al><al>3. </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen de gevraagde splitsingsvergunning
                                eveneens weigeren, indien:</al><al>a. </al><al>voor het gebied waarin het gebouw is gelegen waarop de
                                vergunningaanvraag betrekking heeft, een bestemmingsplan als bedoeld
                                in artikel 3.5 van de Wet ruimtelijke ordening van kracht is, dan
                                wel een ontwerp voor zodanig plan of voor een herziening daarvan in
                                procedure is,</al><al>b. </al><al>het ontwerp voor dat plan, dan wel voor de herziening daarvan ter
                                inzage is gelegd voordat de aanvraag om vergunning is ingediend, dan
                                wel, indien de aanvraag krachtens het tweede lid is aangehouden,
                                voordat die aanhouding is geëindigd,</al><al>c. </al><al>de voorgenomen splitsing nadelige gevolgen kan hebben voor de met
                                het plan nagestreefde of na te streven doeleinden, en</al><al>d. </al><al>het belang dat de vergunningsaanvrager bij splitsing heeft, niet
                                opweegt tegen het belang van het voorkomen van belemmering van de
                                modernisering of vervanging.</al><al>4. </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen de gevraagde splitsingsvergunning
                                ten slotte weigeren, indien:</al><al>a. </al><al>de toestand van het gebouw waarop de vergunningaanvraag betrekking
                                heeft, zich uit een oogpunt van indeling of de staat van onderhoud
                                geheel of ten dele tegen splitsing verzet, en</al><al>b. </al><al>de desbetreffende gebreken niet door het treffen van voorzieningen
                                of het aanbrengen van verbeteringen kunnen worden opgeheven, danwel
                                onvoldoende verzekerd is, dat die gebreken zullen worden
                                opgeheven.</al><al>5. </al><al>Van gebreken als bedoeld in het vierde lid is in ieder geval sprake,
                                indien burgemeester en wethouders ingevolge artikel 13 van de
                                Woningwet een aanschrijving hebben uitgevaardigd en nog niet aan
                                deze aanschrijving is voldaan of een aanschrijving kunnen
                                uitvaardigen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 42 </label></kop><al>1.Burgemeester en wethouders houden de beslissing op de aanvraag om
                                een splitsingsvergunning aan indien:</al><al>a. </al><al>voor de datum van indiening van de vergunningaanvraag voor het
                                gebied waarin het gebouw, waarop de vergunningaanvraag betrekking
                                heeft, is gelegen een voorbereidingsbesluit ingevolge artikel 3.7
                                van de Wet ruimtelijke ordening van kracht is geworden met het oog
                                op de voorbereiding van een herstructureringsplan of van herziening
                                daarvan;</al><al>b. </al><al>redelijkerwijs verwacht mag worden dat de in het
                                herstructureringsplan op te nemen maatregelen nadelig kunnen worden
                                beïnvloed door de voorgenomen splitsing.</al><al>c. </al><al>naar het oordeel van burgemeester en wethouders redelijkerwijs
                                verwacht mag worden dat het belang dat de vergunningaanvrager bij
                                splitsing heeft, niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van
                                belemmering van de herstructurering.</al><al>2. </al><al>De aanhouding als bedoeld in het eerste lid duurt tot het moment dat
                                het voorbereidingsbesluit ingevolge artikel 21 van de Wet op de
                                Ruimtelijke Ordening is vervallen.</al><al>3. </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing op de aanvraag om
                                een splitsingsvergunning tevens aanhouden indien de aanvrager
                                aannemelijk kan maken dat hij binnen een redelijke termijn de
                                gebreken als bedoeld in artikel 41, vierde lid, met het oog op de
                                voorgenomen splitsing zal opheffen.</al><al>4. </al><al>Indien burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag om
                                een splitsingsvergunning op grond van het derde lid aanhouden,
                                vermelden zij in het besluit tot aanhouding welke gebreken met het
                                oog op de voorgenomen splitsing moeten worden hersteld en binnen
                                welke termijn zij dit redelijk achten. Indien de in het besluit tot
                                aanhouding vermelde gebreken zijn hersteld binnen de in datzelfde
                                besluit aangegeven termijn wordt de vergunning verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 43 </label></kop><al>Een door burgemeester en wethouders afgegeven splitsingsvergunning
                                heeft een geldigheidsduur van 1 jaar, tenzij op de
                                splitsingsvergunning een andere geldigheidsduur is vermeld. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 44 </label></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen de splitsingsvergunning op verzoek
                                van degene op wiens naam de splitsingsvergunning is gesteld of van
                                zijn rechtverkrijgende, overschrijven op naam van een ander dan
                                degene op wiens naam de splitsingsvergunning is gesteld.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 2 Onttrekkingen, samenvoeging en omzetting</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 45 </label></kop><al>1.Burgemeester en wethouders kunnen besluiten dat het verbod als
                                bedoeld in artikel 30 van de Huisvestingswet uitsluitend van
                                toepassing is op gebouwen, bevattende woonruimte, die behoren tot de
                                in bijlage III van deze verordening opgenomen categorieën
                                woonruimte.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 46 </label></kop><al>1.Voor het verkrijgen van een onttrekkingsvergunning moet een
                                schriftelijke aanvraag worden ingediend bij burgemeester en
                                wethouders door middel van een daartoe door de gemeente beschikbaar
                                te stellen en door de aanvrager in te vullen formulier.</al><al>2. </al><al>De aanvraag moet inhouden:</al><al>a. </al><al>naam en correspondentieadres in Nederland van de aanvrager en tevens
                                van de eigenaar indien deze niet de aanvrager is;</al><al>b. </al><al>indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en
                                correspondentieadres in Nederland;</al><al>c. </al><al>gegevens over de huidige situatie:</al><al>- </al><al>het adres van de woning;</al><al>- </al><al>de huur- of koopprijs;</al><al>- </al><al>het aantal kamers;</al><al>- </al><al>de gebruiksoppervlakte;</al><al>- </al><al>de staat van onderhoud;</al><al>d. </al><al>gegevens over de beoogde situatie:</al><al>- </al><al>de bestemming;</al><al>- </al><al>de bouwtekening / de bouwvergunning;</al><al>- </al><al>het compensatievoorstel;</al><al>- </al><al>de gronden waarop de aanvraag berust.</al><al>e. </al><al>gegevens bij voorgenomen samenvoeging:</al><al>- </al><al>de verwachte huur- of koopprijs;</al><al>- </al><al>de naam van de toekomstige bewoner;</al><al>- </al><al>de omvang van het huishouden van de toekomstige bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 47 </label></kop><al>1.Burgemeester en wethouder beslissen op de aanvraag om een
                                onttrekkingsvergunning binnen 8 weken na ontvangst van de
                                aanvraag.</al><al>2. </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing als bedoeld in het
                                eerste lid voor ten hoogste 4 weken verdagen. Van de verdaging wordt
                                schriftelijk mededeling gedaan aan de aanvrager.</al><al>3. </al><al>Indien de onttrekkingsvergunning wordt gevraagd ten behoeve van de
                                uitoefening van een bedrijf dan kunnen burgemeester en wethouders
                                advies inwinnen bij de Kamer van Koophandel.</al><al>4. </al><al>Indien de onttrekkingsvergunning wordt gevraagd ten behoeve van de
                                praktijkuitoefening door officieel erkende medici of paramedici dan
                                kunnen burgemeester en wethouders advies inwinnen bij de
                                Adviescommissie Huisvesting Beoefenaars van Medische en Paramedische
                                Beroepen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 48 </label></kop><al>1.Burgemeester en wethouders verlenen of weigeren de
                                onttrekkingsvergunning met inachtneming van artikel 31 van de
                                Huisvestingswet.</al><al>2. </al><al>Burgemeester en wethouders verlenen de onttrekkingsvergunning indien
                                naar het oordeel van burgemeester en wethouders het met de
                                onttrekking, samenvoeging of omzetting gediende belang groter is dan
                                het belang van het behoud of de samenstelling van de
                                woonruimtevoorraad en/of het belang van de leefbaarheid.</al><al>3. </al><al>Indien de aanvraag betrekking heeft op samenvoeging of omzetting van
                                woonruimte en één of meer betrokken woonruimten een huur- of
                                koopprijs heeft beneden de huur- of koopprijsgrens en er, ongeacht
                                de nieuwe huur- of koopprijs, naar het oordeel van burgemeester en
                                wethouders voldoende compensatie als bedoeld in artikel 49 wordt
                                geboden, wordt de onttrekkings-vergunning in ieder geval verleend
                                indien:</al><al>a. </al><al>de samenvoeging of omzetting een woonruimte oplevert met een huur-
                                of koopprijs beneden de huur- of koopprijsgrens, of</al><al>b. </al><al>bij samenvoeging de vergunningaanvrager eigenaar-bewoner is, de
                                woonbestemming gehandhaafd blijft en de na samenvoeging ontstane
                                woonruimte overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 13 en 15
                                passend is voor het huishouden van de eigenaar-bewoner, of</al><al>c. </al><al>de aanvraag om een onttrekkingsvergunning geschiedt door een
                                verhuurder/beheerder voor een te krap wonend huishouden dat na
                                samenvoeging passend woont overeenkomstig het bepaalde in artikelen
                                13 en 15.</al><al>4. </al><al>Indien burgemeester en wethouders hebben vastgesteld, dat het belang
                                van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad groter
                                is dan het belang van de aanvrager, wordt de onttrekkingsvergunning
                                verleend, indien voldoende compensatie als bedoeld in artikel 49
                                wordt geboden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 49 </label></kop><al>1.Compensatie voor de onttrekking, samenvoeging of omzetting kan
                                worden geboden door:</al><al>a. </al><al>het toevoegen aan de woonruimtevoorraad van andere, vervangende
                                woonruimte, die naar het oordeel van burgemeester en wethouders
                                gelijkwaardig is aan de woonruimte die als gevolg van de
                                onttrekkingen, samenvoeging of omzetting verloren gaat;</al><al>b. </al><al>door betaling van een financiële compensatie volgens door
                                burgemeester en wethouders vast te stellen tarieven.</al><al>2. </al><al>De compensatiegelden als bedoeld in het eerste lid, onder b, komen
                                ten goede aan een door de gemeenteraad in te stellen fonds dat
                                uitsluitend wordt aangewend binnen het kader van de
                                volkshuisvesting.</al><al>3. </al><al>Bij de als compensatie toe te voegen woonruimte als bedoeld in het
                                eerste lid, onder a, dient door de aanvrager om een
                                onttrekkingsvergunning binnen 4 weken na ontvangst van de
                                onttrekkingsvergunning een waarborgsom te worden betaald, die gelijk
                                is aan het bedrag dat had moeten worden betaald indien hij voor de
                                in de onttrekkingsvergunning gestelde financiële
                                compensatievoorwaarde zou hebben gekozen.</al><al>4. </al><al>Bij de als compensatie toe te voegen woonruimte als bedoeld in het
                                eerste lid, onder a, kunnen burgemeester en wethouders aan de
                                vergunning de voorwaarde verbinden, dat binnen 12 maanden na de dag
                                van verzending van het besluit de compensatie daadwerkelijk moet
                                hebben plaatsgevonden.</al><al>5. </al><al>De waarborgsom als bedoeld in het derde lid wordt aan de
                                vergunninghouder terugbetaald binnen 8 weken nadat aan burgemeester
                                en wethouders schriftelijk is medegedeeld dat de compensatie
                                daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.</al><al>6. </al><al>De waarborgsom als bedoeld in het derde lid vervalt aan het in
                                tweede lid genoemde fonds indien de compensatie als bedoeld in het
                                eerste lid, onder a, niet voldoet aan de in de vergunning vermelde
                                voorwaarden, dan wel de compensatie niet binnen de gestelde termijn
                                daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.</al><al>7. </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen beslissen tot gehele of
                                gedeeltelijke vrijstelling van compensatie:</al><al>a. </al><al>in gevallen, genoemd in artikel 48, derde lid, onder b;</al><al>b. </al><al>bij samenvoeging, indien de eigenaar bewoner een eigen investering
                                doet ten behoeve van noodzakelijk bouwkundig herstel. Daarbij geldt
                                dat de vrijstelling afhangt van de hoogte van de investering in
                                relatie tot de economische waarde van de (kleinste) woning.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 50 </label></kop><al>1.Burgemeester en wethouders verlenen voor tijdelijke
                                woonruimteonttrekking alleen een onttrekkingsvergunning indien de
                                aanvrager aantoont dat een situatie bestaat die een tijdelijke
                                woonruimteonttrekking rechtvaardigt en waarbij vast staat dat die
                                woonruimteonttrekking niet langer dan vijf jaar zal duren.</al><al>2. </al><al>Burgemeester en wethouders nemen in de vergunning een termijn op,
                                waarna de onttrekking moet zijn beëindigd. Deze termijn bedraagt ook
                                na verlenging niet meer dan vijf jaar.</al><al>3. </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de onttrekkingsvergunning voor
                                tijdelijke woonruimteonttrekking de voorwaarde van financiële
                                compensatie verbinden. Deze compensatie bedraagt 10% van de
                                compensatie als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onder b,
                                vermenigvuldigd met het aantal jaren waarvoor de tijdelijke
                                onttrekkingsvergunning is verleend.</al><al>4. </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de onttrekkingsvergunning voor
                                tijdelijke woonruimteonttrekking tevens de voorwaarde verbinden dat
                                de vergunninghouder een waarborgsom stort. De hoogte van de
                                waarborgsom mag niet meer bedragen dan het verschil tussen de
                                compensatie als bedoeld in artikel 49, eerste lid, onder b, en de
                                compensatie als bedoeld in het derde lid.</al><al>5. </al><al>De waarborgsom als bedoeld in het vierde lid wordt aan de
                                vergunninghouder terugbetaald binnen 8 weken nadat de onttrekking
                                binnen de termijn als bedoeld in het tweede lid is beëindigd.</al><al>6. </al><al>De waarborgsom als bedoeld in het derde lid vervalt aan het aan het
                                in artikel 49, tweede lid, genoemde fonds indien de onttrekking niet
                                binnen de termijn als bedoeld in het tweede lid is beëindigd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 51 </label></kop><al>Indien sprake is van het gebruik van woonruimte zonder
                                onttrekkingsvergunning anders dan voor permanente bewoning, kunnen
                                burgemeester en wethouders de woonruimte verzegelen. Deze
                                verzegeling wordt opgeheven op het moment dat de woonruimte in
                                gebruik wordt genomen voor bewoning, of dat de woonruimte door
                                verhuur of verkoop opnieuw voor bewoning wordt bestemd, of indien
                                alsnog een onttrekkingsvergunning wordt verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 52</label></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen de toestemming tot onttrekking op
                                verzoek van degene op wiens naam de toestemming is gesteld of van
                                zijn rechtverkrijgende, overschrijven op naam van een ander dan
                                degene op wiens naam de toestemming is gesteld.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 6 OVERIGE BEPALINGEN</label></kop><paragraaf><kop><label>§ 1 Verslaglegging en monitoring</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 53</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen eigenaren van woonruimten
                                        verplichten jaarlijks aan hen verslag uit te brengen over de
                                        wijze waarop zij zorg gedragen hebben voor de huisvesting
                                        van door hen aan te geven categorieën woningzoekenden.</al></li><li nr="2."><al>De SVH levert de aanbodgegevens en de voorraadgegevens van
                                        de bij de SVH aangesloten corporaties in de gemeente aan
                                        burgemeester en wethouders, overeenkomstig de in een
                                        overeenkomst vastgelegde afspraken.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 2 Handhaving en sancties</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 54 </label></kop><al>Overtreding van het bepaalde in artikel 16, 18 en 38 wordt gestraft
                                met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de derde
                                categorie, zoals bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek
                                van Strafrecht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 55 </label></kop><al>1.Burgemeester en wethouders zijn bevoegd tot het opleggen van een
                                bestuurlijke boete.</al><al>2. </al><al>Overtredingen van artikel 7 en artikel 45, eerste lid, kunnen worden
                                beboet met een bestuurlijke boete.</al><al>3. </al><al>Indien aan de overtreder een bestuurlijke boete is opgelegd voor
                                overtreding van artikel 7, tweede lid of artikel 45, eerste lid en
                                binnen vijf jaar opnieuw dezelfde overtreding is geconstateerd wordt
                                de overtreding beboet met een hogere bestuurlijke boete.</al><al>4. </al><al>Indien aan de overtreder een bestuurlijke boete is opgelegd voor
                                overtreding van artikel 7 tweede lid of artikel 45, eerste lid en de
                                overtreding vanuit een bedrijfsmatige exploitatie van woonruimte is
                                geconstateerd, wordt de overtreding beboet met een hogere
                                bestuurlijke boete.</al><al>5. </al><al>Bij de toepassing van het gestelde in voorgaande leden hanteren
                                burgemeester en wethouders de boetes als vermeld in Bijlage V van
                                deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 56 </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens
                                        deze verordening bepaalde zijn belast de daartoe door
                                        burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren.</al></li><li nr="2."><al>De in het eerste lid genoemde ambtenaren hebben de
                                        bevoegdheden als genoemd in artikel 34 van de
                                        Huisvestingswet.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§ 3 Restbepalingen</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 57 </label></kop><lijst><li nr="1."><al>Ten aanzien van beslissingen als bedoeld in artikelen 26 tot
                                        en met 30 kunnen burgemeester en wethouders ten gunste van
                                        de aanvrager afwijken indien de toepassing van deze
                                        verordening naar zijn oordeel zal leiden tot een
                                        onbillijkheid van overwegende aard.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin
                                        de toepassing van deze verordening naar hun oordeel leidt
                                        tot een onbillijkheid van overwegende aard, ten gunste van
                                        de aanvrager af te wijken van deze verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 58</label></kop><lijst><li nr="1."><al>In de gevallen waarin deze verordening niet voorziet
                                        beslissen burgemeester en wethouders, waarbij hij zich
                                        uitsluitend zal laten leiden door overwegingen betrekking
                                        hebbend op de evenwichtige en rechtvaardige verdeling van
                                        schaarse woonruimte.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het bepaalde in deze
                                        verordening afwijken of afwijking daarvan toestaan ten
                                        behoeve van experimenten die in het belang zijn van de
                                        volkshuisvesting.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 59</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de uitoefening van
                                        bevoegdheden krachtens deze verordening te mandateren aan
                                        door hen daartoe speciaal aan te wijzen ambtenaren.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de uitoefening van
                                        bevoegdheden krachtens artikel 9 tot en met 12 van deze
                                        verordening te mandateren aan eigenaren van woonruimte.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 7 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 60 </label></kop><al>Op procedures inzake bezwaar en beroep die zijn ingesteld voor het
                            tijdstip van inwerkingtreding van artikel 63 en voor zover daarop bij
                            inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, blijft het
                            recht zoals het gold voor die dag van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 61</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Aanvragen van woningzoekenden om vaststelling van de urgentie of
                                    een voorrangsverklaring of om verlening van een
                                    huisvestingsvergunning welke vóór of op de dag van
                                    inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend worden
                                    behandeld volgens het voordien geldende recht, indien dit voor
                                    de belanghebbende gunstiger is.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen om verlening van een onttrekkingsvergunning of een
                                    splitsingsvergunning, welke vóór of op de dag van
                                    inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend worden
                                    behandeld volgens het voordien geldende recht, indien dit voor
                                    de belanghebbende gunstiger is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 62 </label></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Huisvestingsverordening 2015
                            Gemeente Zoetermeer.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 63</label></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.</al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Bijlage I</label></kop><al>Begripsomschrijvingen als bedoeld in artikel 20, derde lid (woningtypen)</al><al>a. </al><al>eengezinswoning: woonruimte met minimaal twee woonlagen zonder woonruimte er
                    boven, met een tuin en met een voordeur aan de straat;</al><al>b. </al><al>benedenwoning: gelijkvloerse woonruimte met de voordeur aan de straat;</al><al>c. </al><al>bovenwoning: woonruimte op de eerste en/of tweede, tevens bovenste woonlaag en
                    niet gelegen in een flatgebouw;</al><al>d. </al><al>portiekwoning: gelijkvloerse woonruimte met de voordeur in een portiek, gelegen
                    in een gebouw met maximaal vier woonlagen;</al><al>e. </al><al>flat zonder lift: gelijkvloerse woonruimte aan een galerij in een gebouw met
                    maximaal vier woonlagen.</al><al>f. </al><al>flat met lift: gelijkvloerse woonruimte aan een galerij, portiek of corridor in
                    een gebouw met meerdere woonlagen en een lift;</al><al>g. </al><al>benedenmaisonnette: woonruimte met eigen toegang op de begane grond en bestaande
                    uit minimaal twee door een inwendige trap verbonden woonlagen, waarvan één op de
                    begane grond;</al><al>h. </al><al>bovenmaisonnette: woonruimte met een eigen toegang en bestaande uit minimaal
                    twee door een inwendige trap verbonden woonlagen, waarvan geen op de begane
                    grond;</al><al>i. </al><al>HAT-eenheid (Huisvesting voor alleenstaanden en tweepersoonshuishoudens): kleine
                    woonruimte met 1 of 2 kamers, meestal met een keukenblok in de (woon)kamer en
                    dikwijls gebouwd in speciaal voor deze woongroep ontworpen panden of in
                    bestaande aangepaste gebouwen; een zelfstandige HAT-eenheid heeft een eigen
                    voordeur, keuken, douche en wc; een onzelfstandige HAT-eenheid deelt deze
                    voorzieningen met andere HAT-eenheden.</al><al>j. </al><al>seniorenwoning: zelfstandige woonruimte waarvoor in verband met de fysieke
                    inrichting en/of de ruimtelijke positie van de woonruimte bij de toewijzing en
                    vergunningverlening een minimum leeftijd van de toekomstige bewoner is vereist
                    van 55 of 65 jaar.</al><al>k. </al><al>aanleunwoning: zelfstandige woonruimte bij een zorgcentrum, waarbij het
                    aanleunwoningencomplex fysiek is verbonden met het zorgcomplex en waarvan de
                    bewoners geen aanspraak kunnen maken op verzorging, maar wel op het gebruik van
                    de faciliteiten van het zorgcentrum.</al><al>l. </al><al>vrije sectorwoning: woonruimte waarvoor geen huisvestingsvergunning nodig
                    is.</al><al>Bijlage II </al><al>Categorieën gebouwen als bedoeld in artikel 38 (splitsing)</al><al>alle gebouwen, bevattende woonruimte onder de huur- en koopprijsgrens.</al><al>Bijlage III</al><al>Categorieën woonruimten als bedoeld in artikel 45 (onttrekkingen)</al><al>Geen </al><al>Bijlage IV</al><al>1.Woonruimte, zijnde sociale koopwoningen, tot de koopprijsgrens waar voor het
                    in gebruik nemen een huisvestingsvergunning verplicht is (als bedoeld in artikel
                    7, derde lid)</al><al>nieuwbouw woonruimte</al><lijst><li nr="2."><al>Maximum inkomen koopwoning als bedoeld in artikel 13, zevende lid</al></li><li nr="2."><al>Tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015</al></li></lijst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="52*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="48*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Koopprijsgrens </al></entry><entry colname="col2"><al>Maximum inkomen </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>€ …………………….</al><al>€ 174.925 (2014)</al></entry><entry colname="col2"><al>€ …………………..</al><al>€ 44.100 (2014)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bijlage V</al><al>Bestuurlijke boetes als bedoeld in artikel 55, vijfde lid</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="58*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="22*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Overtreding </al></entry><entry colname="col2"><al>1 e keer </al></entry><entry colname="col3"><al>R ecidive </al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 7, eerste lid</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 340</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 340</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 7, tweede lid </al><al>•niet-bedrijfsmatige exploitatie</al><al>•bedrijfmatige exploitatie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 5.000</al><al>€ 7.500</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 10.000</al><al>€ 18.500</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Art. 45, eerste lid:</al><al>•niet-bedrijfsmatige exploitatie</al><al>•bedrijfmatige exploitatie</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 7.500</al><al>€ 12.500</al></entry><entry colname="col3"><al>€ 12.500</al><al>€ 18.500</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Toelichting </al><al>Recidive </al><al>Van recidive is sprake indien binnen vijf jaar na beëindiging van een
                    overtreding van een bepaald artikel opnieuw dezelfde overtreding van hetzelfde
                    artikel wordt begaan.</al><al>Onderscheid niet-bedrijfsmatige exploitatie en bedrijfsmatige explo i tatie </al><al>Van een bedrijfsmatige exploitatie is in de volgende gevallen sprake:</al><al>1. </al><al>De overtreder verhuurt aantoonbaar meerdere woonruimten. Uit de omvang van de
                    exploitatie blijkt het bedrijfsmatige aspect. Iemand die zich bedrijfsmatig
                    bezig houdt met exploitatie behoort de regelgeving te kennen.</al><al>2. </al><al>De overtreder houdt zich beroepsmatig bezig met regelgeving omtrent huisvesting
                    en exploitatie van onroerend goed. Hieronder vallen in ieder geval:
                    vastgoedontwikkelaars, makelaars, woning- en kamerbemiddelingsbureaus en
                    bedrijven die zich bezig houden met huisvesting van hun eigen werknemers. Het
                    bedrijfsmatige aspect van de exploitatie vloeit voort uit de aard van het
                    bedrijf of beroep van de overtreder.</al><al>3. </al><al>Uit de omvang van onzelfstandige bewoning kan ook een bedrijfsmatig karakter van
                    de exploitatie blijken: bij meer dan vier personen, kan dit aangemerkt worden
                    als kamerverhuur in de zin van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken. De
                    exploitant dient bij een exploitatie van die omvang ook te zorgen voor een
                    brandveilig gebruik en op de hoogte te zijn van de overige regelgeving.</al><al>4. </al><al>Onttrekking van woonruimte is enkel bedrijfsmatig indien dit vanuit commercieel
                    oogpunt plaatsvindt. Onttrekking in het kader van het voeren van een bedrijf
                    (opslag supermarkt, meelsilo voor een bakkerij, of een logiesfunctie), maar ook
                    het in gebruik hebben van woonruimte met een hennepkwekerij, is als een
                    onttrekking vanuit commercieel oogpunt te beschouwen.</al><al>5. </al><al>Samenvoeging van een woonruimte is niet bedrijfsmatig, tenzij de overtreder zich
                    beroepsmatig bezig houdt met huisvesting en exploitatie van onroerend goed.
                    Hieronder vallen in ieder geval: vastgoedontwikkelaars, makelaars, woning- en
                    kamerbemiddelingsbureaus en bedrijven die zich bezig houden met huisvesting van
                    hun eigen werknemers. Het bedrijfsmatige aspect van de exploitatie vloeit voort
                    uit de aard van het bedrijf of beroep van de overtreder.</al></bijlage><nota-toelichting><kop><label>TOELICHTING </label></kop><al/><divisie><kop><label>I.Algemene toelichting</label></kop><al>Uitgangspunten </al><al>Er bestaat één regionaal, generiek systeem van woonruimteverdeling
                        waarbinnen lokaal maatwerk technisch mogelijk is en heeft daarbij de
                        volgende randvoorwaarden:</al><al>• </al><al>Het woonruimteverdeelsysteem moet instrumenten bevatten om te kunnen sturen
                        op volkshuisvestelijke doelen: </al><al>- </al><al>het realiseren van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van
                        woonruimte;</al><al>- </al><al>het huisvesten van met name de BBSH-doelgroep; </al><al>- </al><al>het vergroten van de keuzemogelijkheid voor de BBSH-doelgroep binnen de
                        regio;</al><al>- </al><al>de slaagkans in de regio op een sociale huurwoning voor minima moet minstens
                        gelijk zijn aan die van de BBSH-doelgroep, die weer minstens gelijk moet
                        zijn aan die van de niet-BBSH doelgroep;</al><al>- </al><al>het versterken van de woon- en leefkwaliteit op buurt- en wijkniveau, onder
                        andere door het realiseren van een evenwichtige en/of gedifferentieerde
                        bevolkingsopbouw (woonmilieus) in de wijken van gemeenten in het voormalige
                        StadsgewestHaaglanden;</al><al>- </al><al>het garanderen van de huisvesting van bijzondere doelgroepen en voldoen aan
                        de door de rijksoverheid terzake opgelegde taakstelling(en).</al><al>• </al><al>Het woonruimteverdelingsysteem moet voldoende maatschappelijk draagvlak
                        hebben, dat wil zeggen dat het systeem van woonruimteverdeling moet
                        appelleren aan het rechtvaardigheidsgevoel van woningzoekenden.</al><al>• </al><al>In het woonruimteverdelingsysteem moet de vraag centraal staan.</al><al>• </al><al>Het woonruimteverdelingsysteem moet uitgaan van de erkenning dat het gaat om
                        een proces (op zoek naar woonruimte) waarin de burger zelf de meest actieve
                        rol speelt.</al><al>• </al><al>Het woonruimteverdelingsysteem moet de mogelijkheid tot het leveren van
                        maatwerk hebben.</al><al>• </al><al>De deelmarkten (bijvoorbeeld wijken) moeten met afzonderlijke
                        selectiecriteria kunnen worden onderscheiden.</al><al>• </al><al>Het woonruimteverdelingsysteem moet worden gekenmerkt door een eenvoud in
                        regels en transparante selectiecriteria bevatten. Woningzoekenden moeten
                        kunnen nagaan wat hun kansen zijn op woonruimte en binnen welke
                        termijnen.</al><al>• </al><al>De toewijzing van woningen moet aan woningzoekenden kunnen worden
                        verantwoord.</al><al>• </al><al>Het woonruimteverdelingsysteem moet voor alle betrokken partijen zo
                        efficiënt mogelijk zijn en zo gering mogelijke administratieve handelingen
                        met zich meebrengen. </al><al>• </al><al>Het woonruimteverdelingsysteem moet informatie over woonwensen c.q. inzicht
                        in de (potentiële) vraag kunnen bieden.</al><al>De nieuwe Huisvestingswet ‘Nieuwe regels met betrekking tot de verdeling van
                        woonruimte en de samenstelling van de woonruimtevoorraad’ (Kamernummer
                        32271, met ingang van 1 januari 2015) schrijft voor dat als er géén
                        huisvestingsverordening is vastgesteld er ook niet op de woonruimteverdeling
                        gestuurd kan worden.</al><al>Het uitgangspunt van de wet is de vergroting van keuzevrijheid voor de
                        woningzoekende en er mag alleen gestuurd worden via een verordening indien
                        er sprake is van schaarste (ook op dit moment is schaarste het uitgangspunt
                        om te sturen op woonruimteverdeling) en onrechtvaardige en onevenwichtige
                        effecten van schaarste, bv. verdringing van bepaalde categorieën
                        woningzoekenden. Verdringing kan zich volgens de wet voordoen in tijd, in
                        woonruimte en in ruimte. Gedacht kan worden aan de volgende
                        verdringingseffecten:</al><al>• </al><al>verdringing van lage inkomens (BBSH) uit de goedkope voorraad of verdringing
                        van lage middeninkomens (BBSH-33.000) uit de goedkope voorraad;</al><al>• </al><al>verdringing van woningzoekenden met speciale eisen uit woning met specifieke
                        kenmerken (bv. rolstoeltoegankelijke woningen);</al><al>• </al><al>verdringing van grote huishoudens uit grote woningen;</al><al>• </al><al>verdringing van lokale woningzoekenden (die met het oog op lokale
                        doorstroming onwenselijk wordt geacht).</al><al>De jaarlijkse voorraad- en aanbodrappportages over de woningvoorraad en de
                        uitkomsten van de WoOn-onderzoeken geven een indicatie van schaarste in de
                        regio Haaglanden, gebruik makend van de verhouding bereikbare voorraad (in
                        het WoON tot aan de aftoppingsgrenzen) ten opzichte van de aandachtsgroep
                        (huurtoeslaggrens). In 2009 was deze indicator 0,95 d.w.z. dat er meer
                        huishoudens in de aandachtsgroep zijn dan dat er bereikbare voorraad is. Ten
                        tweede wordt in dit onderzoek de vraag- en aanbodverhoudingen door de
                        analyse van de woonwens gemaakt. Hieruit blijkt in de gemeenten van het
                        voormalige Stadsgewest Haaglanden met name meer vraag dan aanbod van
                        woningen onder de liberalisatie-grens is. Dit toont schaarste aan.</al><al>De verwachting is dat deze schaarste de komende jaren zal toenemen (onder
                        invloed van economische crisis, woningverkopen corporaties, strengere regels
                        hypotheekverstrekking, huurstijgingen, geprognostiseerde toename van 200.000
                        huishoudens in NL betreft voornamelijk lage inkomens, etc.)</al><al>2 . Systeem van woonruimteverdeling: “Model op maat” </al><al>Klantgerichtheid </al><al>Centraal bij de ideevorming rond het nieuwe woonruimteverdelingsysteem staat
                        een nieuwe klantbenadering. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat er
                        verschillende typen woningzoekenden zich op de markt bewegen en dat deze een
                        eigen benadering en serviceverlening nodig hebben. De verschillende klanten
                        die onderscheiden zijn, zijn: </al><al>- </al><al>oriënterende woningzoekende: deze woningzoekende weet nog niet precies welke
                        woning hij of zij zoekt, bekijkt de markt, bekijkt een aantal woningen en
                        kiest op basis daarvan een woning, wil gebruiksgemak bij zijn oriëntatie op
                        de markt; </al><al>- </al><al>gerichte woningzoekende: weet precies in welke woning of welk woningtype
                        hij/zij wil wonen, wil zich verbeteren naar aanleiding van zijn huidige
                        omstandigheden en wil service bij het zoeken naar een woning;</al><al>- </al><al>directe zoeker: het maakt deze woningzoekende niet veel uit waar, hoe groot
                        of welke kwaliteit de woning heeft, als er maar op korte termijn zicht is op
                        een woning of duidelijkheid over de kans van slagen. Het zal in deze groep
                        vooral gaan om starters (niet alleen jongeren) en specifieke doelgroepen
                        bijvoorbeeld na relatiebreuk. Wil eigentijds worden aangesproken en wil
                        duidelijkheid.</al><al>Eén van de uitgangspunten voor het “model op maat” is dat de woningzoekende
                        zoveel mogelijk zelf moet kunnen kiezen voor een woning. Er dient alleen
                        gestuurd te worden waar dit nodig is. Om die reden is ervoor gekozen in het
                        nieuwe systeem geen onderscheid meer te maken tussen woningen voor starters
                        en doorstromers. Woningzoekenden met een voorrangsverklaring op sociale
                        en/of medische gronden en herstructureringskandidaten behouden een
                        voorrangspositie.</al><al>Inschrijving </al><al>Woningzoekenden moeten zich inschrijven om te kunnen reageren op een
                        aangeboden woning. Na betaling van het inschrijfgeld kunnen woningzoekenden
                        reageren en inschrijvingsduur opbouwen. </al><al>Er wordt in het systeem voor woningzoekenden geen onderscheid gemaakt tussen
                        starters en doorstromers. Woningzoekenden worden op inschrijvingsduur, en
                        bij doorstromers inclusief woonduur, geselecteerd. Deze keuze beoogt dat
                        zoekactiviteit wordt beloond. Starters bouwen inschrijvingsduur op vanaf het
                        moment van inschrijving. Doorstromers krijgen maximaal 5 jaar woonduur
                        opgeteld bij hun inschrijvingsduur (zie art 21a van de verordening). Dit
                        geldt ook voor mensen die scheiden wordt ook 1/3 van de woonduur meegeteld
                        bij start van de inschrijving. Dit geeft deze mensen een goede positie en
                        voorkomt deels dat scheidingsgevallen een voorrangsverklaring moeten
                        aanvragen en vermindert de wachttijden bij instellingen voor noodopvang. </al><al>Jaarlijks vindt een herinschrijving plaats om het bestand van
                        woningzoekenden te schonen.</al><al>Meer en betere informatie </al><al>Het is belangrijk dat er duidelijke en meer informatie aan de woningzoekende
                        wordt gegeven. Dit betekent meer aandacht voor de advertenties met meer
                        gegevens over de woning, buurt en leefstijl. Tevens wordt opgenomen wat de
                        historische slaagkans van de woning is waarop men wil reageren. De klant
                        moet meer inzicht hebben in de kans van slagen als hij/zij op deze woning
                        reageert. </al><al>De verwachting is dat door meer en betere informatie mensen gerichter
                        reageren en dus minder snel zullen bedanken als ze de woning aangeboden
                        krijgen. </al><al>Twee keuzes per week en de mogelijkheid tot bedanken </al><al>Iedere woningzoekende mag - indien ingeschreven - binnen een week maximaal
                        twee keer reageren. Woningzoekenden mogen voor woningen die zij aangeboden
                        krijgen bedanken. De verwachting is wel dat doordat er meer informatie wordt
                        gegeven mensen gerichter reageren en dus minder snel zullen bedanken als ze
                        de woning aangeboden krijgen. </al><al>Zoekopdracht </al><al>Voor gerichte woningzoekenden wordt als extra service een zoekopdracht
                        geïntroduceerd. Woningzoekenden die hun specifieke wensen kennen of in een
                        bepaald complex willen wonen, kunnen via internet een zoekopdracht
                        vastleggen. Als toets zal een indicatie van de slaagkans van deze woonwens
                        op basis van een vergelijking tussen zijn inschrijfgegevens,
                        passendheidscriteria en het aantal woningen dat voldoet aan zijn
                        zoekopdracht in de regio met de mutaties in de door hem gewenste woning/wijk
                        worden gegeven. De woningzoekende krijgt wekelijks bericht via mail of de
                        bewuste woning(en) geadverteerd wordt. De woningzoekende wordt ook
                        geïnformeerd over woningen die niet volledig voldoen aan het profiel, maar
                        mogelijk wel interessant zijn en heeft zo de mogelijkheid om het zoekprofiel
                        aan te passen. De woningzoekende zal voor deze extra service moeten betalen. </al><al>Categorie direct-zoekenden </al><al>Voor de te onderscheiden categorie “directe zoeker” heeft de SVH geldt het
                        direct aanbieden van een deel van de woningen, die voor deze groep
                        interessant zijn. Internet is media die hieraan tegemoet komt. Directe
                        zoeker houdt in dat woningzoekenden dagelijks kunnen reageren op nieuw
                        aanbod. Dit aanbod is geschikt voor woningzoekenden die bereid zijn korte
                        tijd veel energie te stoppen in het vinden van een woning. Hij/zij wil snel
                        duidelijkheid of hij/zij in aanmerking komt voor deze woning.
                        Woonruimteverdeling binnen de categorie ‘directe zoeker’ is gestoeld op de
                        bevoegdheid omschreven in artikel 61, tweede lid, van deze
                        Huisvestingsverordening. </al><al>Passendheidscriteria </al><al>a.Verhouding huur-inkomen</al><al>Uitgangspunt in het systeem van woonruimteverdeling is dat de woningzoekende
                        zo min mogelijk wordt beperkt in zijn woonkeuze. Woningzoekenden die, gelet
                        op hun inkomen, in het bijzonder zijn aangewezen op woonruimten met een
                        verhoudingsgewijs lage prijs, mogen echter niet in de knel komen. Voor
                        woonruimte van woningcorporaties en eigenaren waarmee de gemeente
                        (prestatie)afspraken hebben gesloten, worden geen passendheidseisen gesteld
                        voor wat betreft de verhouding tussen huur en inkomen, indien er afspraken
                        zijn gemaakt over de percentages te huisvesten woningzoekenden behorend tot
                        de doelgroep van beleid. Met de SVH heeft het algemeen bestuur in de
                        Prestatieafspraken 2010-2014, vastgelegd dat bij het beschikbaar komen van
                        woonruimte in ieder geval 70% van de bestaande voorraad en 90% van de
                        nieuwbouw tot de aftoppingsgrens verhuurd dient te worden aan de doelgroep.
                        Indien blijkt dat deze percentages niet gehaald zullen worden, kunnen
                        woningcorporaties alsnog zelf passendheidseisen stellen inzake de verhouding
                        tussen huur en inkomen. Hetzelfde geldt voor particuliere eigenaren met wie
                        de gemeente afspraken maakt. In de volgende, in 2014 vast te stellen
                        Prestatieovereenkomst zullen de per 1 januari 2015 geldende percentages
                        worden vastgelegd.</al><al>Het leeftijdscriterium wordt alleen toegepast bij specifiek voor de
                        doelgroep gebouwde woningen.</al><al>b.Verhouding grootte huishouden en grootte van de woning</al><al>Uitgangspunt bij de bezettingsnorm is zo veel mogelijk keuzevrijheid bieden
                        voor de woningzoekenden. Het is dus zaak om uitsluitend om reden van
                        schaarste en evenwichtige verdeling van de vrijkomende woningen label-eisen
                        te formuleren bij verhuur van woningen.</al><al>Om overbewoning tegen te gaan is in het Bouwbesluit 2012 bepaald dat de
                        gebruiksoppervlakte voor één persoon tenminste 12 m² moet bedragen.</al><al>3.Lokaal maatwerk</al><al>In het woonruimteverdelingsysteem is het opnemen van lokale voorrangsregels
                        mogelijk. In artikel 22, eerste lid, onder b, in de Huisvestingsverordening
                        is een breed gedragen compromis over het oplossen van de problematiek van de
                        grote stad en het behoud van sociale cohesie in de buurgemeenten. In artikel
                        22, waarin de volgorde bij toewijzing van woonruimte is vastgelegd, wordt
                        een aantal voorwaarden gesteld waaronder eigen inwoners voorrang krijgen bij
                        toewijzing van woonruimte. Deze ruimte voor het oplossen van lokale
                        knelpunten is maximaal 15 %.</al><al>De oudere woningzoekenden die nu in woningen zitten die door gezinnen kunnen
                        worden gebruikt, moeten worden verleid tot verhuizing om doorstroming te
                        bevorderen. Met de bepalingen in artikel 22 wordt dit beoogd.</al><al>Voor starters en herstructureringskandidaten is de lokale voorrang beperkt
                        tot gevallen waarin sprake is van eerste verhuring en geldt bovendien voor
                        maximaal 50% van de woningen in het betreffende nieuwbouwcomplex.
                        Achterliggende reden om deze bepalingen op te nemen is het dilemma bij
                        gemeenten dat zij enerzijds investeringen doen voor de behoeften van
                        specifieke groepen binnen de lokale bevolking en de eigen woningzoekenden
                        daar dan ook baat bij moeten hebben. Met de bepalingen wordt beoogd de
                        gemeenten te stimuleren de investeringen te doen.</al></divisie><divisie><kop><label>II.Artikelsgewijze toelichting</label></kop><al>Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen</al><al>Artikel 1 </al><al>In artikel 1 is een aantal begrippen die in de huisvestingsverordening
                        voorkomen nader</al><al>omschreven. Hoewel in het nieuwe systeem van woonruimteverdeling geen
                        onderscheid wordt gemaakt tussen doorstromer en starter, blijven deze
                        begrippen bij het monitoren van ontwikkelingen van belang. Deze begrippen
                        zijn daarom in de Huisvestingsverordening opgenomen.</al><al>De definitie onder d . (doorstromer) : </al><al>Doorstromer is iedereen die een zelfstandige woonruimte achterlaat in
                        Nederland. </al><al>Voor de verdeling van woonruimte geldt “inschrijvingsduur” als
                        volgordecriterium. Voor starters geldt dat zij inschrijvingsduur opbouwen
                        vanaf het moment van inschrijving. Voor doorstromers wordt bij eerste
                        inschrijving als woningzoekende maximaal 5 jaar opgebouwde woonduur
                        meegeteld als extra inschrijvingsduur.</al><al>Ook woningzoekenden na echtscheiding of na het verbreken van een andere
                        duurzame samenlevingsvorm worden als doorstromer aangemerkt en niet meer als
                        starter. Met een langere inschrijvingsduur is de kans op het verkrijgen van
                        andere woonruimte groter. </al><al>Om in aanmerking te komen voor extra inschrijvingsduur moet bij eerste
                        inschrijving als woningzoekende de beëindiging van de duurzame
                        gemeenschappelijke huishouding met documenten worden aangetoond. In geval
                        van echtscheiding of scheiding van tafel en bed of beëindiging van
                        geregistreerd partnerschap kunnen dit schriftelijke stukken van de
                        juridische procedure zijn. In overige gevallen kunnen bijvoorbeeld als
                        bewijsstukken dienen:</al><al>- </al><al>via een notaris verkregen document inzake beëindiging van een
                        samenlevingscontract,</al><al>- </al><al>een bewijs van inschrijving op een ander (tijdelijk) adres,</al><al>- </al><al>een bewijs van beëindiging van een gezamenlijke verzekering,</al><al>- </al><al>een testament, waarin de partner is geschrapt als begunstigde,</al><al>- </al><al>een bewijs van beëindiging van een en/of spaar- of betaalrekening,</al><al>- </al><al>een bewijs van beëindiging van een gezamenlijk krediet(-faciliteit).</al><al>De d efinitie onder v . (goedkope koopwoning) : </al><al>De definitie van het begrip goedkope/sociale koopwoning is overbodig omdat
                        een nieuwbouwkoopwoning binnen het distributiesegment van de
                        Huisvestingsverordening per definitie tot de prijsklasse van het segment
                        goedkope/sociale nieuwbouw koopwoningen behoort.</al><al>In artikel 1 onder u wordt voor de definitie van het begrip koopprijsgrens
                        (te weten de begrenzing van het distributiesegment) verwezen naar artikel 6,
                        derde lid, van de Huisvestingswet. De betreffende begripsbeschrijving is
                        gekoppeld aan een bedrag dat door het ministerie van BZK jaarlijks (per
                        januari) kan worden geïndexeerd in het kader van de Wet Bevordering
                        Eigenwoningbezit (BEW). Per januari 2014 is dit bedrag op 174.925 euro
                        gesteld. Deze prijsgrens ligt op een lager prijsniveau dan de in de
                        voormalige regio Haaglanden en door het ministerie van BZK aangehouden
                        afbakening van het begrip 'sociale/goedkope nieuwbouw koopwoning'. Hiervoor
                        wordt door de regio (BLS/Regionale Prestatieafspraken) en door BZK
                        aangehaakt bij de ISV-II verantwoordingssystematiek. De afbakening van het
                        begrip goedkope nieuwbouwkoopwoning is begrensd op 185.000 (prijspeil per
                        januari 2014). Een nieuwbouwkoopwoning binnen het distributiesegment van de
                        Huisvestingsverordening behoort dus 'per definitie' tot de prijsklasse van
                        het segment goedkope/sociale nieuwbouw koopwoningen.</al><al>De definitie onder p (inkomen) : </al><al>Voor het begrip inkomen wordt aangesloten bij de definitie die Europa
                        gebruikt bij de hantering van de Europanorm voor woonruimteverdeling. Het
                        hierin gehanteerde inkomensbegrip is nagenoeg hetzelfde als in de Wet Awir,
                        op de inkomens van de kinderen na. De corporaties gebruiken ook deze
                        definitie bij het verhuren van sociale huurwoningen. Hiermee heeft het
                        publiekrechtelijke inkomensbegrip dezelfde grondslag als de corporaties voor
                        het gehele huursegment.</al><al>Ten aanzien van d e definitie onder hh . (toetsingscommissie): </al><al>Overeenkomstig artikel 33, derde lid beslissen burgemeester en wethouders
                        slechts op de aanvraag om een voorrangsverklaring nadat de (lokale)
                        toetsingscommissie terzake een advies heeft uitgebracht. Deze
                        toetsingscommissie wordt conform artikel 1, sub qq ingesteld door
                        burgemeester en wethouders. De uitvoering van artikel 31 en de toepassing
                        van de - conform artikel 31, derde lid - vastgestelde uitvoeringsregels
                        moeten onafhankelijk worden uitgevoerd. Er mag ook geen twijfel bestaan over
                        de onafhankelijkheid van de toetsingscommissie. Burgemeester en wethouders
                        dienen de nodige aandacht te besteden aan de onafhankelijkheid en
                        samenstelling van de toetsingscommissie. Daartoe kunnen burgemeester en
                        wethouders in een reglement criteria stellen om deze onafhankelijkheid te
                        waarborgen.</al><al>Ten aanzien van de definitie onder jj (woonoppervlakte): </al><al>De grootte van een woning in het kader van de woonruimteverdeling in deze
                        verordening wordt uitgedrukt in woonoppervlakte. Met woonoppervlakte wordt
                        bedoeld het totaal van de oppervlakten van vertrekken zoals gedefinieerd in
                        het Woningwaarderingsstelsel. </al><al>Artikel 3 </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen in het kader van stadsvernieuwing,
                        herstructurering of wijkverbetering, gebieden aanwijzen met het doel de
                        daarin gelegen woonruimte vrij van bewoning te maken, zodat er sloop en/of
                        verbetering plaats kan vinden. In het belang van de bewoners en uit
                        bestuurlijke zorgvuldigheid kan dan aan deze bewoners een voorrangspositie
                        toegekend worden bij toewijzing van woonruimte: de
                        herstructureringsvoorrang. Ook kunnen in een sociaal plan afspraken worden
                        vastgelegd over terugkeer naar de nieuwe danwel verbeterde woonruimte in het
                        betreffende gebied.</al><al>Artikel 4 </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen met eigenaren van woonruimte afspraken
                        maken over samenwerking. Het spreekt vanzelf dat deze afspraken niet in
                        strijd mogen zijn met de Huisvestingswet, de strekking van de verordening en
                        een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte moeten
                        bevorderen.</al><al>Een overeenkomst kan bijvoorbeeld de volgende onderwerpen bevatten:</al><al>- </al><al>Afspraken over de wijze waarop de samenwerking op het terrein van de
                        woonruimteverdeling vorm wordt gegeven;</al><al>- </al><al>Het aanbieden van woningen boven de huurprijsgrens via een regionaal
                        aanbodmodel;</al><al>- </al><al>Eisen inzake inkomen of huishoudengrootte wanneer de situatie op buurt- of
                        wijkniveau hier aanleiding toe geeft;</al><al>- </al><al>Huisvesting van bijzondere doelgroepen.</al><al>Hoofdstuk 2: verdeling van woonruimte</al><al>Artikel 5 </al><al>Overeenkomstig de Huisvestingswet is de reikwijdte van hoofdstuk 2 beperkt
                        tot woonruimte met een huurprijs beneden de huurprijsgrens of met een
                        koopprijs beneden de koopprijsgrens. </al><al>Artikel 6 </al><al>Een campuscontract is een huurcontract waarbij de verplichting geldt dat
                        huurders van studentenwoningen een half jaar na beëindiging van de studie
                        verhuizen naar een gewone reguliere woning. Volgens artikel 21, lid 7, sub a
                        van de regionale huisvestingsverordening wordt een inschrijving als
                        woningzoekende doorgehaald indien de woningzoekende een (zelfstandig) woning
                        heeft aanvaard.</al><al>De zelfstandige studentenwoningen die verhuurd worden met een campuscontract
                        vallenniet onder de reikweide van deze verordening, want:</al><al>• </al><al>De woningmarkt voor studenten is wezenlijk anders dan de reguliere
                        woningmarkt. De woonruimte is tijdelijk, want zodra een huurder niet meer
                        ingeschreven staat aan een onderwijsinstelling, moet hij het huurcontract
                        opzeggen. Dit wordt jaarlijks gecontroleerd.</al><al>• </al><al>Bij studentenhuisvesting is er geen sprake van een regionale markt. Het is
                        meer gekoppeld aan het werkingsgebied van de onderwijsinstelling.</al><al>• </al><al>Het aanwijzen van complexen waar het campuscontract van toepassing is,
                        gebeurt met instemming van de gemeente.</al><al>Passendheids- en bindingseisen in de huisvestingsverordening zijn niet van
                        toepassing of worden via andere regelgeving (Bouwbesluit, BW, BBSH) of
                        afspraken met de gemeente regelt.</al><al>Artikel 7 (facultatief)</al><al>Voor 2014 is de prijsgrens van goedkope sociale koopwoningen (bestaande en
                        nieuwbouw) die huisvestingsvergunningplichtig 174.925 euro. Het maximum
                        inkomen van een huishouden dat voor deze woningen in aanmerking komt is
                        44.100 euro.</al><al>Indien de gemeente geen schaarste heeft in dit segment woningen en er op dit
                        terrein geen handhavingsvraagstukken spelen, kan de gemeente ervoor kiezen
                        om sociale koopwoningen niet langer onder het vergunningenstelsel te
                        plaatsten. </al><al>Het verbod om zonder een huisvestingsvergunning een woonruimte te (ver)huren
                        of kopen is niet van toepassing, tenzij de gemeente dit heeft opgenomen in
                        bijlage IV bij de verordening. Desgewenst kan er in het vergunningregime
                        onderscheid gemaakt worden door de gemeente in bestaande voorraad
                        koopwoningen of nieuwbouwkoopwoningen. </al><al>Artikel 8 </al><al>Voor het in gebruik nemen van woonruimte met een huurprijs beneden de
                        huurprijsgrens is een huisvestingsvergunning vereist. In principe geldt dit
                        ook voor huur en verhuur van woonruimte die bestemd is voor afbraak of voor
                        vernieuwbouw. </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen de eigenaar van woonruimte een vergunning
                        verlenen voor het aangaan van een overeenkomst voor tijdelijke verhuur
                        indien onder andere:</al><al>a. </al><al>van de eigenaar in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij de
                        leegstaande woonruimte op een andere wijze dan door het aangaan van een of
                        meer huurovereenkomsten, dienstbaar maakt aan de volkshuisvesting en</al><al>b. </al><al>aantoont dat de vernieuwbouw van ingrijpende aard zal zijn en voorts dat de
                        afbraak of de vernieuwbouw binnen een redelijke termijn zal
                        plaatsvinden.</al><al>Aangezien burgemeester en wethouders en wethouders door het verlenen van een
                        vergunning voor tijdelijke verhuur op de hoogte zijn van het handelen van de
                        eigenaar, kan de afgifte van een huisvestingsvergunning achterwege blijven. </al><al>Artikel 9, zevende lid</al><al>Een huisvestingsvergunning is vereist voor het in gebruik nemen of geven van
                        een woonruimte. De aanvraag voor een huisvestingsvergunning wordt niet
                        behandeld als de aanvrager niet aannemelijk kan maken dat hij na het
                        verkrijgen van de vergunning die woonruimte ook daadwerkelijk in gebruik zal
                        kunnen nemen. Dit geldt niet voor een koopwoning, omdat er geen
                        zelfbewoningsplicht is.</al><al>Artikel 12, zevende lid</al><al>In artikel 12, onder a. tot en met d., worden de voorwaarden aangegeven op
                        basis waarvan burgemeester en wethouders de huisvestingsvergunning verlenen.
                        In het zevende lid wordt in afwijking van deze voorwaarden de vergunning
                        verleend als de betreffende woonruimte al 13 weken vruchteloos is aangeboden
                        door de eigenaar. Deze afwijking dient genuanceerd te worden, in die zin dat
                        de voorwaarden onder a. (de aanvrager is 18 jaar of ouder) en onder d. (de
                        leden van het huishouden bezitten de Nederlandse nationaliteit of een
                        geldige verblijfstitel) altijd gesteld dienen te worden. Het is beleidsmatig
                        niet wenselijk afwijking hiervan toe te staan.</al><al>Artikel 13 </al><al>Volgens de nieuwe Huisvestingswet is het uitgangspunt ‘keuzevrijheid voor de
                        woningzoekende vergroten’ en mag er alleen gestuurd worden via een
                        verordening als er sprake is van schaarste en onrechtvaardige en
                        onevenwichtige effecten van schaarste. Sturing op woonruimteverdeling blijft
                        noodzakelijk en wenselijk in verband met schaarste in de open woningmarkt in
                        de voormalige regio Haaglanden. Dit wordt ondersteund door de
                        jaarrapportages over woonruimteverdeling.</al><al>Het hoofduitgangspunt in artikel 5 is dat de woonruimteverdelingsregels van
                        Hoofdstuk 2 van de huidige verordening, van toepassing zijn op:</al><al>• </al><al>Woonruimte met een huurprijs benden de huurprijsgrens (juli 2014: 699,48
                        euro)</al><al>• </al><al>Woonruimte met een koopprijs beneden de koopprijsgrens (januari 2014:
                        174.925 euro)</al><al>In het huidige artikel 13 is bepaald dat het inkomen van het huishouden in
                        redelijke verhouding moet staan tot de huurprijs of de koopprijs van de
                        woonruimte.</al><al>Ten aanzien van huur : </al><al>Voor de bepaling of het inkomen in redelijke verhouding staat tot de
                        huurprijs, staat de inkomensgrens in het derde lid, sub a van dit artikel.
                        Het inkomen van de huurprijsgrens wordt geïndexeerd overeenkomstig de
                        indexeringsmethode van de doelgroepgrens in de Wet op de huurtoeslag. Voor
                        de corporaties geldt de Europaregel 90% (toewijzen aan woningzoekenden met
                        een maximum inkomen van 34.678 euro, normbedrag 2014) en de afwijkende
                        huur-inkomenstabel die zij conform artikel 14 zelf kunnen opstellen. De SVH
                        maakt gebruik van deze mogelijkheid en hanteert eigen tabellen die de SVH
                        publiceert uit het oogpunt van transparantie en duidelijkheid. </al><al>Ten aanzien van koop : (facultatief) </al><al>Sturen op de verdeling van sociale koopwoningen via een
                        huisvestingsvergunning kan nodig blijven in verband met lokale schaarste. In
                        dit segment zit veelal maatschappelijk geld zoals een lage grondprijs,
                        waardoor een doelmatige verdeling nodig is zodat het terechtkomt bij de
                        doelgroep.</al><al>Ten aanzien van het inkomen in relatie tot de sociale koopprijs wordt op
                        grond van het zevende lid van dit artikel gehanteerd: het inkomen waarbij
                        het maximale leenbedrag als bedoeld in de Wet bevordering eigenwoningbezit
                        (BEW) volgens vigerende NHG-normen zelfstandig financierbaar is. Het inkomen
                        voor de koopprijsgrens wordt jaarlijks per 1 januari bepaald aan de hand van
                        de inkomensberekeningsystematiek van de Stichting Waarborgfonds Eigen
                        Woningen met betrekking tot de Nationale Hypotheek Garantie. Voor 2014 is de
                        prijspeil 44.100 euro. Het gaat om het bedienen en faciliteren (ook bij
                        koop) van de kwetsbare groep lage middeninkomens (33.000 - 44.000 euro) die
                        door de Europa-regel in een gat vallen en die anders geen geschikte
                        woonruimte kunnen vinden. Het gaat er dus niet alleen om dat er voldoende
                        aanbod van woonruimte blijft in de particuliere huursector voor mensen met
                        deze lage middeninkomens,maar dat ze ook via sociale koop geholpen kunnen
                        worden. </al><al>Artikel 14 </al><al>Artikel 2, tweede lid, van de Huisvestingswet bepaalt dat bij het in gebruik
                        geven van woonruimten met een verhoudingsgewijs lage prijs zoveel mogelijk
                        voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden die, gelet op hun inkomen, in het
                        bijzonder op die woonruimten zijn aangewezen. Het passend huisvesten van met
                        name de BBSH-doelgroep, is een doelstelling vastgelegd in de regionale
                        prestatieafspraken, waar deelnemende gemeenten en corporaties aan gebonden
                        zijn. Daarnaast is het vergroten van de keuzevrijheid van woningzoekenden
                        uitgangspunt van het nieuwe woonruimteverdelingsysteem. Het loslaten van de
                        passendheidseisen vergroot de keuze van woningzoekenden. Om te sturen op
                        volkshuisvestelijke doelen kunnen in plaats van het stellen van
                        passendheidseisen met eigenaren van woonruimte afspraken worden gemaakt over
                        percentages te huisvesten woningzoekenden die tot de BBSH-doelgroep behoren.
                        In de Prestatieafspraken 2010-2014 tussen het voormalige Stadsgewest en de
                        SVH is als bodemgarantie voor de huisvesting van de BBSH-doelgroep
                        vastgelegd dat de SVH er zorg voor draagt dat per gemeente jaarlijks
                        minimaal 70% van de vrijkomende voorraad (exclusief de nieuwbouw) en 90% van
                        de nieuwbouw onder de aftoppingsgrenzen aan de BBSH-doelgroep wordt
                        verhuurd.</al><al>Ook voor particuliere eigenaren van woonruimte waarmee de gemeentes een
                        overeenkomst heeft gesloten over de uitvoering van de woonruimteverdeling en
                        afspraken heeft gemaakt over de percentages te huisvesten woningzoekenden
                        behorend tot de BBSH-doelgroep, blijven de passendheidseisen omtrent de
                        verhouding tussen huur en inkomen buiten toepassing. Indien blijkt dat de te
                        huisvesten percentages woningzoekenden die behoren tot de BBSH-doelgroep
                        niet worden gehaald, zullen de passendheidseisen weer (moeten) worden
                        gesteld.</al><al>Artikel 14, eerste lid, betreft afspraken over passend verhuren door
                        woningcorporaties. </al><al>Artikel 13, zevende lid, gaat over koopwoningen. Dit valt buiten de
                        reikwijdte van artikel 14.</al><al>In het kader van de nieuwe Huisvestingswet en informatie van het ministerie
                        van BZK blijft het mogelijk dat er voor corporaties die aangesloten zijn bij
                        de SVH een andere/afwijkende huur-inkomensnorm wordt gehanteerd, maar
                        vereist is wel dat hun tabel openbaar bekend dient te worden gemaakt en dat
                        deze eisen bij de publicatie van het aanbod (zoals via internet) worden
                        vermeld. Het gaat daarbij om het vooraf bekendmaken via de bepalingen van de
                        Algemene wet bestuursrecht (publicatie in dag-/weekbladen). Het plaatsen van
                        de in de praktijk door de SVH en/of corporaties gehanteerde tabel op de
                        website (www.woonnet-haaglanden.nl) is een (laagdrempelige) manier voor de
                        woningzoekende om er kennis van te nemen. Het vervangt echter niet de
                        formele bekendmaking.</al><al>Artikel 15 </al><al>Artikel 15 stelt regels voor álle verhuurders, dus zowel voor
                        woningcorporaties/toegelaten instellingen, (particuliere) verhuurders die
                        overeenkomsten gesloten hebben met burgemeester en wethouders en
                        (particuliere) verhuurders die geen afspraken hebben gemaakt. </al><al>Lid 1 </al><al>In het eerste lid wordt het algemene uitgangspunt aangegeven dat de omvang
                        en samenstelling van het huishouden passend moet zijn bij de grootte van de
                        woonruimte. </al><al>Lid 2 </al><al>Bij de relatie ‘omvang woning - omvang huishouden’ , de zogenaamde
                        bezettingsnorm, kan sprake zijn van ‘overbewoning’ en ‘onderbewoning’. Om
                        overbewoning (een te groot aantal personen gelet op de gebruiks- dan wel
                        woonoppervlakte van de woning) op het moment van verlenen van de
                        huisvestingsvergunning tegen te gaan is in het Bouwbesluit bepaald dat de
                        gebruiksoppervlakte voor 1 persoon tenminste 12 m² moet bedragen. </al><al>In artikel 8, tweede lid, onder a, ad 5°, van de Woningwet is bepaald dat
                        gemeenteraden in hun Bouwverordening voorschriften kunnen vastleggen omtrent
                        het aantal personen dat in een woning mag wonen om overbevolking van
                        woningen te voorkomen. Lokale omstandigheden kunnen voor een gemeenteraad
                        aanleiding vormen tot het opnemen van een afwijkende normstelling in zijn
                        bouwverordening. Wanneer in strijd met de bouwverordening wordt gehandeld
                        kunnen burgemeester en wethouders handhavend optreden. Dit maakt het ook
                        mogelijk voor verhuurders om met instemming van burgemeester en wethouders
                        in bijzondere situaties af te wijken van de normstelling en afspraken te
                        maken over bijvoorbeeld het (al dan niet tijdelijk) huisvesten van grote
                        gezinnen.</al><al>Lid 3 </al><al>In het kader van het vergroten van de keuzevrijheid van woningzoekende wordt
                        sturing op bezettingsnorm en oppervlakte zoveel mogelijk vrijgelaten. Ook
                        wordt het aanwijzen van woningtypen in de oppervlaktetabel losgelaten. De
                        minimumnorm uit het Bouwbesluit is feitelijk voldoende sturing. </al><al>In verband met het oplossen van knelpunten van schaarste blijft het stellen
                        van ruimtelijke passendheidseisen nodig, maar alleen voor de grote woningen
                        vanaf 80 m2. Het is niet wenselijk dat hier 1- of 2-persoons-huishoudens in
                        gaan wonen. Als voorwaarde wordt gesteld dat in deze woningen min 3 personen
                        gaan wonen. Hiermee wordt de aandacht voor en slaagkansen van kleine
                        gezinnen en huishoudens groter. Indien er sturing op deze passendheids nodig
                        is, kan dit alleen via een verordening. De SVH/corporaties hebben niet de
                        ruimte om binnen publiekrechtelijke kaders zelf te sturen en normeringen te
                        bepalen. </al><al>De normering wordt objectief gehouden op m2. Er worden geen kamers opgenomen
                        in de oppervlaktetabel, want sommige kamers zijn erg klein en zijn
                        bouwtechnisch eenvoudig te maken/verwijderen. Ook het Bouwbesluit gat uit
                        van m2.</al><al>Met woonoppervlakte wordt bedoeld: het totaal van de oppervlakten van
                        vertrekken, zoals gedefinieerd in het Woningwaarderingstelsel. Vertrekken:
                        woonkamer, keuken, badkamer/douche-ruimte, slaapkamer(s), zolderkamer indien
                        bereikbaar via vaste trap en met ruimte mate van daglichtaanwezigheid.
                        Overige ruimtes: kelder, bijkeuken, wasruimte, bergruimte/schuur, ingebouwde
                        kasten groter dan 2m², garage, zolder niet zijnde vertrek, en
                        verkeersruimten worden niet meegeteld. </al><al>De positie van grote gezinnen (vanaf 6 personen) wordt verbeterd door
                        hierover met de SVH/corporaties (prestatie)afspraken te maken. De SVH heeft
                        aangegeven de voorrang voor deze doelgroep te ondersteunen. Deze groep heeft
                        al weinig keuzemogelijkheden omdat er niet veel geschikte woonruimte voor ze
                        beschikbaar is. Dit vraagt om maatwerk (via directe bemiddeling of
                        prestatie-afspraken).</al><al>Lid 5 </al><al>Bij echtscheiding behouden de scheidende partners van rechtswege het
                        ouderlijk gezag. Beiden behouden daarmee in gelijke mate de voogdij over hun
                        minderjarige kinderen. Met co-ouderschap wordt een regeling aangeduid tussen
                        de ouders over de feitelijke zorg voor de kinderen. Dit kan betekenen dat de
                        praktische en financiële zorg voor de kinderen wordt gedeeld. Co-ouderschap
                        wordt niet automatisch geregeld bij de aanvraag van echtscheiding, maar moet
                        worden vastgelegd in het echtscheidingsconvenant of rechterlijk vonnis. Dit
                        convenant of vonnis kan dienen als bewijs dat sprake is van co-ouderschap en
                        in welke mate. </al><al>Lid 7 </al><al>Wanneer daar aanleiding toe is in verband met leefbaarheid in de buurt,
                        kwaliteit van de woning, of wanneer het een complex specifiek voor ouderen
                        of jongeren betreft, is het mogelijk om af te wijken van de
                        bezettingsnormtabel. De eigenaar van de woonruimte kan in overleg met
                        burgemeester en wethouders daardoor maatwerk toepassen op een of meerdere
                        specifieke wooncomplexen. Afhankelijk van de aanleiding en noodzaak tot het
                        stellen van afwijkende toelatingseisen kan de instemming voor korte of
                        langere termijn zijn danwel worden vastgelegd in de lokale
                        prestatieafspraken tussen gemeente en eigenaren van woonruimte.</al><al>Artikelen 16, 17 en 18 </al><al>Op grond van artikel 8 van de Huisvestingswet kan de eigenaar van
                        woonruimte, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en
                        rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, worden verplicht
                        leegstand van woonruimte te melden, zodra die leegstand langer duurt dan de
                        twee maanden.</al><al>Artikel 18, eerste lid, van de Huisvestingswet bepaalt voorts dat eigenaren
                        van woonruimte het ter beschikking komen van woonruimte onverwijld aan
                        burgemeester en wethouders moeten melden indien die woonruimte is aangewezen
                        om bij voorrang te worden toegewezen aan personen die zijn geplaatst op een
                        door burgemeester en wethouders aan de eigenaar van betrokken woonruimte
                        gedane voordracht. Er is weliswaar in algemene zin geen sprake meer van
                        voordrachten door burgemeester en wethouders, maar in geval verhuurders op
                        grond van artikel 22, vijfde lid, de woonruimte verdelen, zullen
                        burgemeester en wethouders vanuit het register van woningzoekenden met een
                        voorrangsbepaling naar aanleiding van de melding voordrachten kunnen doen
                        aan de betreffende verhuurders.</al><al>Op grond van artikel 18 van de Huisvestingswet kan de eigenaar gelijktijdig
                        met de melding, bedoeld in het eerste lid, aan burgemeester en wethouders
                        zelf een woningzoekende voordragen.</al><al>Artikel 20 </al><al>Woningcorporaties dienen het vrijkomende aanbod op een voor alle
                        woningzoekenden geschikte wijze te publiceren. Het vrijkomende aanbod kan
                        via diverse interactieve media en de website www.woonnet-haaglanden.nl
                        worden gepubliceerd. Van belang is dat de wijze waarop het aanbod wordt
                        gepubliceerd is afgestemd op de categorieën woningzoekenden waarvoor het
                        aanbod is bedoeld. Niet iedereen beschikt bijvoorbeeld over internet en
                        ouderen kunnen lang niet altijd met interactieve media omgaan of hebben daar
                        hulp bij nodig. In die gevallen is door woningcorporaties hulp
                        toegezegd.</al><al>Artikel 21 </al><al>Lid 3 </al><al>Om in aanmerking te komen voor woonruimte van een woningcorporatie moet de
                        belanghebbende 18 jaar of ouder zijn om zich te kunnen laten inschrijven als
                        woningzoekende. Ook minderjarige tienermoeders kunnen zich inschrijven,
                        zodat zij inschrijvingsduur kunnen opbouwen waarmee zij een grotere kans
                        hebben om woonruimte toegewezen te krijgen zodra zij 18 jaar zijn en in
                        aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning..</al><al>Het feit dat beide ouders overleden zijn, hoeft nog geen reden te zijn om af
                        te wijken van de voorwaarde van meerderjarigheid bij inschrijving. Door het
                        inschrijvingsverzoek aan te scherpen met een aanvullende voorwaarde,
                        inhoudende een advies van een door gemeentewege erkende voorziening voor
                        hulpverlening, wordt een hogere drempel voor inschrijving ingevoerd. </al><al>Lid 7 </al><al>Voor het beëindigen van de inschrijving (en het opnieuw opbouwen van
                        inschrijfduur) is de verhuisdatum leidend, dat wil zeggen de inschrijving in
                        de Basisregistratie Personen (BRP) op het nieuwe woonadres. Bij de
                        jaarlijkse herinschrijving is wijziging van het adres kenbaar. Deze bepaling
                        geldt niet alleen voor verhuizing naar een woning van een sociale
                        verhuurder, maar ook bij verhuizing naar een woning van een particuliere
                        verhuurder </al><al>Op grond van artikel 21, zevende lid, onder a, wordt een inschrijving
                        doorgehaald wanneer een woningzoekende een woning heeft aanvaard. Aangezien
                        inschrijving als woningzoekende slechts aan de orde is bij woonruimte van
                        woningcorporaties zal een inschrijving kunnen worden doorgehaald bij
                        aanvaarding van een door één van de bij de SVH aangesloten corporaties
                        aangeboden woning. Indien ingeschreven woningzoekenden echter een woning in
                        de particuliere sector gaan huren is het mogelijk dat zij hun inschrijving
                        voor een corporatiewoning handhaven en daarmee hun inschrijfduur behouden.
                        Hierdoor komen huurders die een corporatiewoning accepteren in een nadeliger
                        positie te verkeren. Voor het beëindigen van de inschrijving (en het opnieuw
                        opbouwen van inschrijfduur) is de verhuisdatum leidend. De verhuisdatum
                        wordt vastgesteld aan de hand van de inschrijving op het nieuwe woonadres in
                        de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. </al><al>Lid 8 </al><al>Bepaalde categorieën woningzoekenden kunnen hun inschrijving(sduur) behouden
                        bij het aanvaarden van een aangeboden woning en inschrijving op het nieuwe
                        woonadres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. </al><al>De mogelijkheid om de inschrijvingsduur te behouden is met name van belang
                        voor bewoners die wegens herstructurering hun woning moeten verlaten
                        (categorie onder a). Op grond van de “Spijtoptantenregeling” in de
                        Prestatieafspraken 2010-2014 tussen de vereniging van Sociale Verhuurders
                        Haaglanden en het voormalige Stadsgewest hebben herstructureringskandidaten
                        het recht hun woonduur in de te herstructureren woning vanaf het moment van
                        verhuizing gedurende twee jaar toe te voegen aan de op te bouwen
                        inschrijvingsduur in hun nieuwe woning. De voorrangsverklaring vervalt bij
                        aanvaarding van de aangeboden woning en inschrijving op het nieuwe
                        woonadres, maar de opgebouwde inschrijvingsduur blijft gedurende twee jaar
                        automatisch behouden. </al><al>Woningzoekenden die andere woonruimte accepteren op basis van een tijdelijke
                        huurovereenkomst (categorie onder c) of niet over zelfstandige woonruimte
                        beschikken (categorie onder d), moeten voor het behoud van hun inschrijving
                        zelf het initiatief nemen en daarbij aantonen dat er sprake is van
                        tijdelijke huur of van onzelfstandige woonruimte. Met deze regeling is
                        mogelijk dat personen in echtscheiding hun inschrijvingsduur behouden,
                        wanneer ze tijdelijk bij vrienden/familie opvang vinden.</al><al>Artikel 21a </al><al>Het huidige criterium bij toewijzing van woonruimte is inschrijvingsduur. Er
                        wordt geen onderscheid gemaakt tussen starters en doorstromers. De keuze
                        voor het instrument ‘inschrijfduur’ als rangordebepaling beoogt dat de
                        zoekactiviteit werd beloond. Voor starters wordt alleen de inschrijvingsduur
                        gehanteerd en voor doorstromers geldt dat de inschrijvingsduur plus het
                        woonduur op moment van inschrijving met max. 5 jaar.</al><al>Artikel 21b </al><al>Lid 1 </al><al>Het uitgangspunt bij de bestrijding van knelpunten in de woonruimteverdeling
                        is: ‘Generiek oplossen waar mogelijk en lokaal oplossen indien
                        noodzakelijk’. Voor het oplossen van lokale knelpunten kunnen gemeenten
                        besluiten om in overleg met de corporaties toe te staan dat corporaties
                        gemotiveerd maximaal 15 % gericht toewijzen. Dit moet onderbouwd worden met
                        de volgende beleidsdoelstellingen:</al><al>1. </al><al>Optimaliseren van het woonruimteverdelingssysteem (zoals het bevorderen van
                        doorstroming uit lokaal schaarse woningen);</al><al>1. </al><al>Bevorderen van sociale cohesie en sociale netwerken;</al><al>2. </al><al>Gemeentelijke middelen efficiënt inzetten (voor specifieke lokale
                        groepen).</al><al>Lid 2 </al><al>Het percentage van 15 % kan in een bepaald jaar overschreden worden indien
                        in dat jaar een grootschalig nieuwbouwproject specifiek voor jongeren of
                        ouderen wordt neergezet. Hier mag dan maximaal 50 % lokaal toegewezen
                        worden. Hiermee wordt beoogd te stimuleren tot het doen van investeringen in
                        de nieuwbouw.</al><al>Artikel 21c </al><al>Lokaal kan er verder per project voor gekozen worden om bij nieuwbouw boven
                        de aftoppingsgrenzen en in het middeldure segment voorrang te geven aan
                        doorstromers uit de regio. Per project kunnen gemeenten in overleg met
                        corporaties hiervoor specifieke voorwaarden definiëren.</al><al>Artikel 22 </al><al>In dit artikel wordt de rangorde bepaald bij toewijzing aangeven indien
                        meerdere woningzoekenden reageren op het aanbod:</al><al>a. </al><al>Sociale / medische urgenten / urgenten met een woonkostentoeslag (financiële
                        urgentie)</al><al>b. </al><al>Herstructureringsurgenten;</al><al>c. </al><al>Lokaal maatwerk als bedoeld in artikel 21b;</al><al>d. </al><al>Voorrang doorstromers uit de regio bij nieuwbouwprojecten als bedoeld in
                        artikel 21c</al><al>e. </al><al>Overige woningzoekenden, waarbij geldt dat de langste inschrijvingsduur
                        (starter) of langste inschrijfduur + max 5 jaar woonduur (doorstromer),
                        voorgaat.</al><al>Sub a en b </al><al>In deze rangorde gaan woningzoekenden met sociaal/medische
                        voorrangsverklaring voor op alle andere woningzoekenden omdat sprake is van
                        een noodsituatie die binnen drie maanden moet worden opgelost.
                        Herstructureringskandidaten hebben de gelegenheid om binnen twaalf maanden
                        andere woonruimte te zoeken. Bovendien kunnen in een sociaal plan afspraken
                        worden vastgelegd over herhuisvesting van herstructureringskandidaten in het
                        geherstructureerde gebied. Afhankelijk van de gemaakte afspraken in een
                        sociaal plan kan van de volgordecriteria bij toewijzing van woonruimte
                        worden afgeweken. Indien in een herstructureringsgebied nieuwe woningen
                        worden gebouwd waarvoor meerdere herstructureringskandidaten uit eenzelfde
                        aangrenzend actiegebied belangstelling hebben, is een derde criterium nodig
                        om de rangorde te bepalen bij voorrangsverklaringen met een gelijke
                        vervaldatum.</al><al>Sub c en d </al><al>Deze bepaling heeft als doel om specifieke maatregelen te regelen onder
                        andere met het oog op: </al><al>• </al><al>Lokale knelpunten in het woonruimteverdelingsysteem op te lossen, </al><al>• </al><al>Meer dynamiek op de woningmarkt tot stand te brengen en </al><al>• </al><al>Sociale netwerken en stabiliteit in buurten te behouden. </al><al>Deze bepalingen stimuleren tot investeringen in (ver)nieuwbouw. Gemeenten
                        zien zich voor het dilemma geplaatst dat zij investeringen doen voor de
                        lokale bevolking en de eigen woningzoekenden daar dan ook baat bij moeten
                        hebben.</al><al>Met deze wijziging wordt duidelijker dat alleen (lokaal) voorrang wordt
                        verleend indien de achter te laten woning voor verhuur beschikbaar komt.
                        Woningzoekenden die een woning achterlaten omdat ze gaan scheiden, maar
                        waarvan de partner en eventuele kinderen in de achtergelaten woning blijven
                        wonen, krijgen geen voorrang. </al><al>Sub e </al><al>In het woonruimteverdelingsysteem wordt de inschrijvingsduur (voor starter)
                        en inschrijvingsduur en max 5 jaar woonduur (voor doorstromer) als
                        volgordecriterium gebruikt. Ingeval een woningzoekende gebruik maakt van een
                        voorrangsverklaring om in aanmerking te komen voor een aangeboden
                        woonruimte, dan is de datum waarop de termijn van de voorrangsverklaring
                        eindigt, bepalend voor de volgorde. Actief zoekgedrag van woningzoekenden
                        wordt beloond. </al><al>Artikel 22a </al><al>Lid 2 </al><al>In dit lid wordt de mogelijkheid geboden om van het aanbodmodel af te wijken
                        ten behoeve woningzoekenden waaraan op grond van artikel 31 een
                        voorrangspositie is verleend en die behoren tot een groep woningzoekenden
                        ten aanzien waarvan aan een gemeente op grond van de Huisvestingswet of het
                        Huisvestingsbesluit een specifieke taakstelling is opgelegd. Thans gelden
                        voor alle gemeenten dergelijke taakstellingen voor de huisvesting van
                        statushouders. De gemeente kan vergunninghouders via artikel 31, eerste lid,
                        een voorrangspositie verstrekken en ze zelf laten reageren op het
                        woningaanbod. Indien burgemeester en wethouders verwachten dat bij
                        toepassing van woonruimteverdelingsysteem deze taakstelling niet tijdig
                        wordt vervuld, kunnen zij ervoor kiezen om de vergunninghouders buiten het
                        aanbodmodel om een woning aan te bieden.</al><al>Lid 3 </al><al>Het aanbodmodel is ook van toepassing op de nieuwe sociale koopwoningen
                        (koopwoningen met een koopprijs beneden de koopprijsgrens). Indien gemeenten
                        ter zake met een wachtlijst werken wordt in het zesde lid de mogelijkheid
                        geboden om in afwijking van het bepaalde in artikel 20 eigenaren van nieuwe
                        voor verkoop vrijkomende woningen met een koopprijs beneden de
                        koopprijsgrens te kunnen verplichten deze woningen aan te bieden aan
                        woningzoekenden die zijn opgenomen in een door burgemeester en wethouders
                        bij te houden register van koopwoningzoekenden. Burgemeester en wethouders
                        bepalen daarbij de volgorde waarin de woningzoekenden voor de betreffende
                        woningen in aanmerking komen. </al><al>Artikel 24a </al><al>Het principe is dat woningzoekenden die klachten hebben over de
                        woonruimteverdeling, met hun klacht terecht moeten kunnen bij burgemeester
                        en wethouders, die bindende uitspraken kan doen. </al><al>Woningzoekenden dienen een klacht over de toewijzing van een individuele
                        woning in bij burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de
                        woonruimte is gelegen. </al><al>Klachten van woningzoekenden woonachtig in 1 van de gemeenten van de
                        voormalige regio Haaglanden, over toepassing en uitvoering van de regels
                        voor woonruimteverdeling zoals vastgelegd in het Inschrijfprotocol SVH,
                        kunnen door de woningzoekende ingediend worden bij burgemeester en
                        wethouders van de gemeente waar de woningzoekende woont. Klachten, over
                        toepassing en uitvoering van de regels voor woonruimteverdeling zoals
                        vastgelegd in het Inschrijfprotocol SVH, van woningzoekenden woonachtig in
                        een andere gemeente kunnen door de woningzoekende ingediend worden bij elk
                        van de gemeenten die deelnemen in de woonruimteverdeling via het aanbodmodel
                        SVH, maar niet bij meer dan 1 gemeente tegelijk.</al><al>Hoofdstuk 3: inschrijving standplaatszoekenden</al><al>Artikel 25 tot en met 30</al><al>De gemeente is belast met het instandhouden van een Register van
                        standplaatszoekenden, waaronder de inschrijving, wijzigingen en
                        uitschrijving. De inschrijving kan op verzoek van een standplaatszoekende of
                        ambtshalve worden verricht. Dit laatste gebeurt bijvoorbeeld bij voorgenomen
                        opheffing van standplaatsen.</al><al>Het aantal standplaatsen is beperkt en de doorstroming is vrijwel nihil.
                        Hierdoor is de wachttijd voor een standplaats lang en de kans op toewijzing
                        van een standplaats geringer dan op toewijzing van een woning. Jaarlijkse
                        verlenging op verzoek van de standplaatszoekende, zoals gebruikelijk is bij
                        inschrijving van woningzoekenden, zou in dat licht te belastend zijn. De
                        geldigheidsduur van de inschrijving is daarom op twee jaar gesteld en wordt
                        de inschrijving ambtshalve met twee jaar verlengd, voorzover de
                        standplaatszoekenden niet zijn aangeschreven. Om het Register van
                        standplaatszoekenden actueel te houden worden de ingeschreven
                        standplaatszoekenden na twee jaar aangeschreven.</al><al>Hoofdstuk 4: Voorrangsverklaring</al><al>Artikel 31 </al><al>Binnen het woonruimteverdelingsysteem wordt gestreefd naar een beperking van
                        voorrangsposities tot woningzoekenden die in een dusdanige situatie verkeren
                        dat zij op korte termijn (3 maanden) andere passende woonruimte behoeven en
                        die niet tijdig op eigen kracht kunnen krijgen of op andere wijze hun
                        noodsituatie kunnen oplossen. Een voorrangspositie dient in principe alleen
                        gericht te zijn op de oplossing van de noodsituatie en niet op het
                        anderszins maken van een stap in de wooncarrière. Artikel 31 bevat derhalve
                        de mogelijkheden om:</al><al>- </al><al>op grond van een individuele beoordeling de noodzaak van een
                        voorrangspositie te bepalen,</al><al>- </al><al>de voorrangspositie te beperken tot categorieën woonruimte waarmee enkel de
                        noodsituatie kan worden opgelost, en</al><al>- </al><al>een strikte beperking van verlengingsmogelijkheden tot die situaties waarin
                        de woningzoekende gezien het woningaanbod zijn voorrangspositie niet heeft
                        kunnen benutten.</al><al>De op grond van artikel 31 verleende voorrangsposities zijn geldig in de
                        gehele regio Haaglanden.</al><al>Lid 1, sub a </al><al>De mogelijkheid van het aanvragen van een voorrangsverklaring en de leeftijd
                        waarop een huisvestingsvergunning kan worden verleend. </al><al>De mogelijkheid om zich als woningzoekende in te schrijven als de aanvrager
                        nog geen 18 jaar is, is uitsluitend bedoeld om deze categorieën personen
                        enigszins een voorsprong te geven bij het reguliere zoekgedrag, zodra zij 18
                        jaar zijn. Zie ook de toelichting bij artikel 21, derde lid. </al><al>Voor het aanvragen van een voorrangsverklaring moet sprake zijn van een
                        noodsituatie en de woningzoekende binnen het reguliere systeem geen
                        mogelijkheid heeft om deze situatie binnen drie maanden zelf op te lossen.
                        Burgemeester en wethouders kunnen ingevolge artikel 12, eerste lid, pas een
                        huisvestingsvergunning voor zelfstandige woonruimte verlenen als de
                        aanvrager 18 jaar of ouder is. Zolang woningzoekenden als bedoeld in artikel
                        21, derde lid, niet in aanmerking kunnen komen voor zelfstandige woonruimte
                        waarvoor een huisvestingsvergunning is vereist, kan een voorrangsverklaring
                        pas worden aangevraagd indien zij 18 jaar of ouder zijn.</al><al>Lid 1, sub b </al><al>Sociale en/of medische omstandigheden kunnen aanleiding zijn om voor een
                        voorrangspositie. Het gaat daarbij om de situatie die op het moment van de
                        beoordeling van de aanvraag voor een voorrangspositie actueel is. Van
                        anticipatie op een toekomstige situatie kan alleen sprake zijn indien
                        vaststaat dat medische omstandigheid van de aanvrager zich dusdanig zal
                        ontwikkelen dat deze op korte termijn zeker zal leiden tot een
                        voorrangspositie. Het advies van de met de medische indicering belaste
                        instantie dient daarover helderheid te verstrekken. Bij de anticipatie op
                        een situatie die op korte termijn gaat ontstaan gaat het er om dat wordt
                        voorkomen dat op korte termijn een nieuwe medische keuring zal moeten plaats
                        vinden. </al><al>Er is geen aparte categorie “woningzoekenden die met (een) minderjarig(e)
                        kind (eren), die buiten eigen schuld of toedoen tenminste 3 maanden
                        verblijven in een van gemeentewege erkend (te)huis voor noodopvang”
                        opgenomen. </al><al>Het apart opnemen van deze categorie zou betekenen dat een andere
                        adviesinstantie dan de toetsingscommissie bepalend is voor een
                        voorrangspositie bij de toewijzing van woonruimte. In de verordening is in
                        artikel 33, derde lid, bepaald dat de toetsingscommissie adviseert ter zake
                        van het verlenen van voorrangspositie. In artikel 33, vierde lid, is
                        vastgelegd dat het advies van de instantie die indiceert voor de noodopvang
                        zal worden betrokken bij het advies van de toetsingscommissie. In het advies
                        van die instantie moet dan wel worden aangeven of de noodopvang moet leiden
                        tot andere woonruimte of tot andere oplossingen. Overigens zullen de
                        instanties die adviseren over de noodopvang worden betrokken bij het
                        afstemmingsoverleg met de lokale toetsingscommissies. Ook ten aanzien van
                        een huishouden met kinderen beneden de leeftijd 18 jaar, waarvan een of meer
                        gezinsleden in het buitenland moet(en) verblijven omdat de huidige woning te
                        klein is om deze te laten overkomen geldt dat er alleen sprake kan zijn van
                        een voorrangspositie indien de sociale en/of medische omstandigheden daartoe
                        aanleiding geven. Er is dus geen sprake van het automatisch verlenen van
                        voorrang.</al><al>Een woonkostentoeslag wordt verstrekt voor drie maanden. Voor zover het
                        vervallen van een woonkostentoeslag niet wordt gecompenseerd door een
                        (hogere) huurtoeslag dienen gemeenten betrokkenen in staat te stellen te
                        verhuizen naar woonruimte die qua woonlasten beter past bij het inkomen. In
                        verband daarmee worden woningzoekenden met een woonkostentoeslag die qua
                        bedrag hoger is dan het maximaal toegestane bedrag van de huurtoeslag in
                        aanmerking gebracht voor een voorrangspositie. Indien van de
                        voorrangspositie geen gebruik wordt gemaakt kan de woonkostentoeslag wel
                        worden ingetrokken. </al><al>Lid 2 </al><al>Aan stadsvernieuwingskandidaten, dat wil zeggen woningzoekenden die met
                        toestemming van de eigenaar woonachtig zijn in woonruimte die gelegen is in
                        een actiegebied en die binnen een termijn van 12 maanden moeten worden
                        ontruimd vanwege de voorgenomen sloop of ingrijpende verbetering, wordt een
                        voorrangspositie verleend, althans voor zover zij niet anderszins tijdig
                        andere woonruimte kunnen verkrijgen. Ten aanzien van de
                        herstructureringskandidaten is er sprake van een bijzondere
                        verantwoordelijkheid van de betreffende gemeenten en verhuurder(s). Het
                        belang van hen bij een goede voortgang van het proces is dusdanig, dat
                        verwacht mag worden zij zich in zullen spannen om de herhuisvesting tijdig
                        te laten plaats vinden, zowel voor wat betreft de in hun eigen gemeente te
                        herhuisvesten kandidaten als de met in achtneming van de op grond van het
                        zesde lid vastgestelde maxima, in andere gemeenten te herhuisvesten
                        kandidaten. Veel te herhuisvesten woningzoekenden zullen echter in de eigen
                        buurt, wijk of stad gehuisvest willen worden.</al><al>Over het aantal in enig jaar aan herstructureringskandidaten te verstrekken
                        voorrangsposities moet overleg tussen de gemeenten plaatsvinden. Ten behoeve
                        daarvan dienen gemeenten een overzicht te verstrekken van hun
                        stadsvernieuwingsactiviteiten en het aantal daarbij betrokken
                        herstructureringskandidaten. Indien uit de prognose blijkt het aantal
                        herstructureringskandidaten waarvoor een beroep zal worden gedaan op de
                        diverse gemeenten te groot is of in geval uit rapportages blijkt dat er
                        sprake is van een overstijging van de prognose van de elders te huisvesten
                        herstructureringskandidaten of van een onevenwichtig aandeel daarin van
                        individuele gemeenten, zullen gemeenten onderling afspraken moeten maken
                        inzake het maximale aantal per gemeente te huisvesten
                        stadsvernieuwingskandidaten met voorrangspositie en zal artikel 31, zesde
                        lid, kunnen worden geïnstrumenteerd.</al><al>De combinatie van de begripsbepalingen ‘inwoning’ en
                        ‘herstructureringskandidaat’ maakt dat onder inwonenden alleen inwonenden
                        vallen die als zodanig een zelfstandig huishouden voeren. Inwonende kinderen
                        die geen zelfstandig huishouden voeren, komen derhalve niet in aanmerking
                        voor een afzonderlijke voorrangspositie. </al><al>Alleen in uitzonderlijke situaties kan gebruik worden gemaakt van de
                        hardheidsclausule.</al><al>Lid 3 </al><al>Een voorrangspositie is niet bedoeld voor het maken van een stap in de
                        wooncarrière. In de voorrangsverklaring wordt derhalve een zoekprofiel
                        opgenomen waaruit blijkt voor welke woningcategorieën de voorrangsverklaring
                        wel of niet kan worden benut. Het soort en het aantal aangewezen of
                        uitgezonderde categorieën moet dusdanig zijn dat er, in samenhang met de
                        specifieke eisen, een gerede kans is dat de woningzoekende zijn
                        voorrangspositie ook daadwerkelijk binnen 3 maanden kan benutten. In
                        hoeverre daarmee de regionale of de (sub)lokale markt als maatstaf wordt
                        gehanteerd hangt af van de eventuele sociale noodzaak dat de betreffende
                        woningzoekende in een bepaald territoir zou moeten wonen.</al><al>Lid 4 </al><al>De voorrangspositie geldt in principe voor een termijn van drie maanden.
                        Alleen voor stadsvernieuwingskandidaten geldt een termijn van twaalf
                        maanden. Deze langere termijn voor stadsvernieuwingskandidaten zou er toe
                        kunnen leiden dat andere woningzoekenden met een voorrangspositie in een
                        zeer nadelige positie worden gebracht, terwijl zij juist in een
                        voorrangspositie zijn gebracht in verband met een noodsituatie. In verband
                        daarmee is in artikel 22, tweede lid, ten aanzien van onderlinge volgorde
                        van woningzoekenden onder c bepaald dat degene wiens voorrangspositie het
                        eerste eindigt de meeste voorrang heeft. </al><al>De woningzoekende die een voorrangspositie heeft kan binnen de
                        voorrangsmaanden een woningaanbieding weigeren. Vervalt de
                        voorrangsverklaring van rechtswege dan zijn daarmee de kansen van de
                        woningzoekende om met voorrang geholpen te worden verkeken. Indien daarna
                        verlenging van de voorrangsverklaring wordt gevraagd, dan zullen eerdere
                        weigeringen bij de beoordeling worden betrokken. Wanneer woningen geweigerd
                        zijn die passend zijn conform de passendheidscriteria van de verordening en
                        voldoen aan het eventuele advies van de toetsingscommissie als bedoeld in
                        artikel 33, derde lid, omtrent de (medisch noodzakelijke fysieke)
                        bereikbaarheid van de woningen, dan zal de voorrangsverklaring niet worden
                        verlengd. </al><al>De verlenging van de voorrangsverklaring dient aangevraagd te worden binnen
                        twee weken nadat deze is verlopen. Een daarna aangevraagde verlening wordt
                        beschouwd als een nieuwe aanvraag.</al><al>Uitgangspunt bij het toekennen van de voorrangsverklaring is dat er sprake
                        is van een zodanig ernstige woonsituatie dat binnen drie maanden andere
                        passende woonruimte beschikbaar dient te komen. Om die reden zal degene met
                        een verlengde voorrangspositie voor moeten gaan op degene die een eerste
                        voorrangspositie heeft. Dit betekent dat er een koppeling wordt gemaakt
                        tussen een eerste en een verlengde voorrangstermijn.</al><al>Een oordeel van de lokale toetsingscommissie is niet alleen nodig bij de
                        verlening van een voorrangsverklaring, maar is ook wenselijk bij de
                        verlenging van de voorrangsverklaring.</al><al>Lid 5 </al><al>Om aanvragen van een voorrangsverklaring op uniforme wijze te beoordelen en
                        onrechtmatigheden als gevolg van verschillen van interpretatie van de
                        huisvestingsverordening te voorkomen kunnen burgemeester en wethouders
                        nadere regels stellen. </al><al>Artikel 32 </al><al>De voorrangspositie dient in principe te worden aangevraagd bij burgemeester
                        en wethouders van de gemeente waarin de aanvrager woont. Weliswaar wordt op
                        grond van artikel 31, eerste lid, alleen aan ingezetenen een
                        voorrangspositie verstrekt, maar woningzoekenden van elders moeten wel de
                        mogelijkheid hebben om een voorrangspositie aan te vragen, met name ook
                        omdat hun noodsituatie alleen binnen één of meer gemeenten van het
                        voormalige stadsgewest kan worden opgelost. In het tweede lid is bepaald dat
                        woningzoekenden van elders een voorrangsverklaring dienen aan te vragen bij
                        burgemeester en wethouders van één van de gemeenten.</al><al>Artikel 33 </al><al>In het derde lid is bepaald dat burgemeester en wethouders slechts kunnen
                        beslissen op een aanvraag voor een voorrangspositie nadat de
                        toetsingscommissie een advies heeft uitgebracht. Er zal in de gemeente een
                        toetsingscommissie moeten worden ingesteld. </al><al>Lid 3 </al><al>Burgemeester en wethouders kunnen hun bevoegdheid als bedoeld in het eerste
                        en tweede lid kunnen mandateren aan een toetsingscommissie. In dat geval
                        bijven de vierde en vijfde lid buiten toepassing.</al><al>Lid 6 </al><al>Dat de verleende voorrangsverklaring ook geldig is in de andere bij naam
                        genoemde gemeenten van het voormalige Stadsgewest Haaglanden, wordt vermeld
                        in de voorrangsverklaring.</al><al>Artikel 34 </al><al>Artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht stelt dat het indienen van
                        een bezwaar of beroep de werking van het besluit waartegen het is gericht
                        niet schorst tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is
                        bepaald. In artikel 34 is bepaald dat het indienen van een bezwaar het
                        besluit waartegen het is gericht wel schorst, vastgelegd. Indien een
                        woningzoekende bezwaar maakt tegen het zoekprofiel bij de afgegeven
                        voorrangsverklaring op sociale en/of medische gronden, zal het
                        bezwaarschrift in het algemeen niet behandeld zijn vóórdat de
                        voorrangstermijn van 3 maanden is verstreken. Door te bepalen dat het
                        indienen van een bezwaar tegen besluiten over aanvragen voor een
                        voorrangsverklaring op medische en/of sociale gronden wordt de uitvoering
                        van een besluit, i.c. het toekennen van een voorrangsverklaring die drie
                        maanden geldig is, geschorst tot de beslissing over het primaire besluit. De
                        schorsende werking geldt nadrukkelijk niet bij bezwaar tegen toegekende
                        voorrangsverklaringen op grond van herstructurering waarbij een
                        voorrangsverklaring wordt verkregen die 12 maanden geldig is.</al><al>Artikel 35 </al><al>Lid 1 </al><al>Bij gewijzigde omstandigheden kunnen burgemeester en wethouders de
                        voorrangsverklaring wijzigen. De gewijzigde omstandigheden kunnen zowel de
                        situatie van de woningzoekende als de woningmarktsituatie betreffen. Dit
                        laatste is met name van belang indien het in de verklaring opgenomen
                        zoekprofiel het niet mogelijk maakt om binnen drie maanden andere passende
                        woonruimte te verkrijgen. In artikel 31, vierde lid, onder c, is reeds
                        bepaald dat ook bij verlenging van een voorrangspositie de aangegeven
                        woonruimte kan worden gewijzigd.</al><al>Lid 2 </al><al>De voorrangsverklaring kan om verschillende redenen worden ingetrokken. Er
                        is geen aanleiding tot nadere toelichting. </al><al>Artikel 36 </al><al>Artikel 15 van de Huisvestingswet verplicht tot het aanleggen van een
                        register waarin woningzoekenden die op grond van artikel 31 dringend
                        behoefte hebben aan (andere) woonruimte worden opgenomen. </al><al>Artikel 37 </al><al>Teneinde het in artikel 36 bedoelde register aan te kunnen leggen worden op
                        grond van artikel 17 van de Huisvestingswet eigenaren van woonruimte die een
                        dergelijk register bijhouden verplicht informatie waarover zij in dat
                        verband beschikken, beschikbaar te stellen. </al><al>Hoofdstuk 5: wijziging samenstelling van de woonruimtevoorraad</al><al>Artikel 38 </al><al>Het vergunningenregime inzake splitsing in appartementen is facultatief en
                        heeft all</al><al>een betrekking op bestaande woningbouw. In bijlage II kunnen burgemeester en
                        wethouders aangeven voor welke categorieën woonruimte het regime van
                        toepassing is.</al><al>Artikel 41 </al><al>Dit artikel bevat bepalingen die betrekking hebben op de verschillende
                        afwijzingsgronden, genoemd in het Huisvestingsbesluit, namelijk de
                        samenstelling van de woonruimtevoorraad, belemmering van de stadsvernieuwing
                        en bepalingen uit een oogpunt van indeling of staat van onderhoud.</al><al>De toepassing van het eerste tot en met het vierde lid vergt een zorgvuldige
                        afweging van belangen. Teneinde deze afweging te kunnen maken dient de
                        aanvrager voldoende informatie te verstrekken bij het indienen van de
                        aanvraag.</al><al>Artikel 42 </al><al>Dit artikel bevat de mogelijkheid om, op grond van dreigende belemmering van
                        de stadsvernieuwing, een aanvraag om splitsingsvergunning aan te houden
                        indien voor het gebied waarin het gebouw waarop de aanvraag om
                        splitsingsvergunning betrekking heeft, is gelegen, reeds een
                        voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21, van de Wet op de
                        Ruimtelijke Ordening van kracht is.</al><al>Artikel 45 </al><al>De Huisvestingswet biedt de mogelijkheid om voor alle woningen bij
                        onttrekking, samenvoeging en/of omzetting een vergunningplicht in te
                        stellen. Onder het verbod om woonruimte ‘aan de bestemming te onttrekken’
                        (zie artikel 30 van de Huisvestingswet) zonder de daartoe vereiste
                        vergunning valt zowel slopen als elk gebruik voor een ander doel dan
                        (zelfstandige) bewoning. Omdat de vergunningplicht alleen geldt indien de
                        onttrekking tot gevolg heeft dat die woonruimte niet langer geschikt is voor
                        de bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder
                        zodanige onttrekking geschikt is, kan niet elke geringe onttrekking van een
                        gedeelte van een woonruimte gebonden worden aan een vergunning.</al><al>In de praktijk zal per geval moeten worden vastgesteld of al dan niet sprake
                        is van onttrekken in de zin van artikel 30 van de Huisvestingswet. Als
                        vuistregel kan gehanteerd worden dat geen vergunning nodig zal zijn voor
                        zover de te onttrekken woonruimte minder dan 20% bedraagt van de
                        gebruiksoppervlakte van de oorspronkelijk gebouwde woonruimte. Dit
                        percentage kan uiteraard nog iets hoger liggen als het een zeer groot pand
                        betreft. Voorwaarde hierbij is dat de woonfunctie niet wordt aangetast,
                        d.w.z. dat de eigen opgang en wezenlijke voorzieningen van de woning
                        gehandhaafd moeten worden. Door te spreken over permanente bewoning is,
                        ingeval van het niet houden van het hoofdverblijf in de onderhavige
                        woonruimte, een onttrekkingsvergunning vereist. Hiermee is het mogelijk om
                        het gebruik van woonruimte als tweede woning te reguleren.</al><al>Eveneens is een vergunning verplicht indien de woonruimte feitelijk anders
                        gebruikt wordt dan voor zelfstandige bewoning (bijvoorbeeld onzelfstandige
                        bewoning), ook al is de woning bouwkundig nog geschikt voor zelfstandige
                        bewoning. Op die manier kan onder andere ook kamer- of beddenverhuur in
                        woningen die in beginsel geschikt zijn voor zelfstandige bewoning worden
                        gereguleerd.</al><al>Het vergunningenregime inzake onttrekkingen, samenvoeging en omzetting is
                        facultatief. In bijlage III kunnen burgemeester en wethouders aangegeven
                        voor welke categorieën woonruimte het regime van toepassing is.</al><al>Artikel 46, lid 2</al><al>Indien de woning langer dan 1 jaar in het bezit is van de huidige eigenaar
                        dan moet voor het bepalen van de onder sub c. bedoelde koopprijs een taxatie
                        worden overgelegd van een beëdigd taxateur. Is de huidige eigenaar korter
                        dan een jaar eigenaar, dan kan volstaan worden met het overleggen van een
                        kopie van de koopakte.</al><al>Artikel 47 </al><al>In het derde en vierde lid wordt de mogelijkheid geboden om aanvullende
                        informatie in te winnen, waarmee de belangenafweging beter kan
                        plaatsvinden.</al><al>Artikel 48, lid 4</al><al>Bij de hier genoemde voorwaarden en voorschriften kan gedacht worden aan de
                        voorwaarde van tijdelijkheid bij omzetting in onzelfstandige woonruimte of
                        onttrekking voor een tijdelijke praktijkruimte van een huisarts.</al><al>Artikel 31 van de Huisvestingswet stelt dat een vergunning alleen mag worden
                        geweigerd indien het belang van de gemeente groter is dan het belang van de
                        eigenaar van woonruimte (en dus niet even groot) én door de eigenaar van
                        woonruimte niet kan worden voldaan aan de gestelde voorwaarden en
                        voorschriften. Artikel 32 van de Huisvestingswet stelt dat de gemeenteraad
                        in de Huisvestingsverordening de voorwaarden stelt die burgemeester en
                        wethouders aan een vergunning mogen verbinden. </al><al>Artikel 49, lid 1</al><al>Onder a. wordt met het toevoegen van andere, vervangende woonruimte aan de
                        woningvoorraad bedoeld: woonruimte die buiten alle reeds vastgelegde
                        nieuwbouwplannen om, extra aan het bestand wordt toegevoegd ter compensatie
                        van de door onttrekking verloren gegane woonruimte.</al><al>Artikel 50, lid 1</al><al>Bij toekenning van een tijdelijke onttrekking (maximale periode van 5 jaar)
                        moeten de noodzaak en de tijdelijkheid door de aanvrager concreet worden
                        aangetoond.</al><al>Artikel 51 </al><al>Permanente bewoning van daartoe aangewezen woonruimte houdt in dat de
                        huurder of eigenaar er permanent hoofdverblijf houdt, hetgeen blijkt uit een
                        inschrijving in het bevolkingsregister. Indien niet aan dit vereiste wordt
                        voldaan, is een onttrekkingsvergunning noodzakelijk.</al><al>Wanneer blijkt dat de huurder of eigenaar de woonruimte niet permanent of
                        bijvoorbeeld minder dan 180 dagen in een aaneengesloten periode van 360
                        dagen bewoont, vervalt het recht op inschrijving in het bevolkingsregister.
                        In deze situatie is een onttrekkingsvergunning vereist, tenzij kan worden
                        aangetoond dat er wel sprake is van permanente bewoning. Wanneer die niet
                        afdoende kan worden aangetoond, kunnen burgemeester en wethouders, behalve
                        het opleggen van een boete, de woonruimte doen verzegelen. Deze verzegeling
                        wordt opgeheven als de woonruimte wordt verkocht of verhuurd aan iemand die
                        de woonruimte wel als permanent hoofdverblijf gaat gebruiken, de
                        eigenaar/gebruiker er alsnog permanent gaat wonen, of indien er alsnog een
                        vergunning wordt verleend (bijvoorbeeld na compensatie).</al><al>Hoofdstuk 6: overige bepalingen</al><al>Artikel 53 </al><al>Op grond van artikel 79 van de Huisvestingswet kunnen eigenaren van
                        woonruimte worden verplicht jaarlijks verslag uit te brengen over de wijze
                        waarop zij zorg hebben gedragen voor de huisvesting van bepaalde categorieën
                        woonruimtezoekenden. </al><al>Artikel 55, derde lid</al><al>Recidive </al><al>De bestuurlijke boete is hoger indien binnen vijf jaar opnieuw dezelfde
                        overtreding wordt begaan. Na een eerste overtreding wordt de overtreder
                        immers geacht te weten dat overtreding van het bepaalde artikel beboet kan
                        worden. </al><al>Er kan niet tweemaal een boete worden opgelegd voor hetzelfde feit, maar wel
                        indien hetzelfde feit zich tweemaal voordoet. Wanneer is sprake van “opnieuw
                        dezelfde overtreding”?</al><al>1. </al><al>De eerste overtreding moet beëindigd zijn, wanneer het gaat om dezelfde
                        woonruimte. Wordt bij dezelfde woonruimte opnieuw dezelfde overtreding
                        begaan, nadat er sprake is geweest van een beëindiging van de eerste
                        overtreding, dan geldt dit als “opnieuw dezelfde overtreding”.</al><al>2. </al><al>Wordt eenzelfde overtreding begaan met betrekking tot een andere woonruimte,
                        dan is sprake van “opnieuw dezelfde overtreding”. Een overtreder overtreedt
                        immers tweemaal hetzelfde artikel en de daarin beschermde norm.</al><al>3. </al><al>Van “opnieuw dezelfde overtreding” is sprake indien het een overtreding
                        betreft van hetzelfde artikel. </al><al>Termijn van vijf jaar </al><al>De bestuurlijke boete kan niet worden losgezien van het bestuurlijke traject
                        dat naast de boete zelf gevoerd wordt. Voor lichtere overtredingen gelden
                        lange begunstigingstermijnen om de overtredingen te beëindigen. Wanneer er
                        bezwaar- en beroepsprocedures worden gevoerd dan wordt de
                        begunstigingstermijn opgeschort tot zes weken na beslissing op bezwaar/
                        beroep. Een termijn van vijf jaar voorkomt dat procedures volgen, enkel en
                        alleen om de beëindiging van de overtreding zolang mogelijk op te schorten,
                        lonend wordt. Een boete kan immers niet twee keer voor hetzelfde feit worden
                        opgelegd. De overtreding moet beëindigd zijn geweest om een hogere boete op
                        te kunnen leggen. </al><al>De termijn van vijf jaar sluit aan bij de verjaringstermijn voor het
                        opleggen van een bestuurlijke boete en de bewaartermijn van (justitiële)
                        gegevens over overtredingen. </al><al>Artikel 55, vierde lid</al><al>Van een bedrijfsmatige exploitatie is in de volgende gevallen sprake:</al><al>1. </al><al>De overtreder verhuurt aantoonbaar meerdere woonruimten. Uit de omvang van
                        de exploitatie blijkt het bedrijfsmatige aspect. Iemand die zich
                        bedrijfsmatig bezig houdt met exploitatie behoort de regelgeving te
                        kennen.</al><al>2. </al><al>De overtreder houdt zich beroepsmatig bezig met regelgeving omtrent
                        huisvesting en exploitatie van onroerend goed. Hieronder vallen in ieder
                        geval: vastgoedontwikkelaars, makelaars, woning- en kamerbemiddelingsbureaus
                        en bedrijven die zich bezig houden met huisvesting van hun eigen werknemers.
                        Het bedrijfsmatige aspect van de exploitatie vloeit voort uit de aard van
                        het bedrijf of beroep van de overtreder.</al><al>3. </al><al>Uit de omvang van onzelfstandige bewoning kan ook een bedrijfsmatig karakter
                        van de exploitatie blijken: bij meer dan vier personen, kan dit aangemerkt
                        worden als kamerverhuur in de zin van het Besluit brandveilig gebruik
                        bouwwerken. De exploitant dient bij een exploitatie van die omvang ook te
                        zorgen voor een brandveilig gebruik en op de hoogte te zijn van de overige
                        regelgeving.</al><al>4. </al><al>Onttrekking van woonruimte is enkel bedrijfsmatig indien dit vanuit
                        commercieel oogpunt plaatsvindt. Onttrekking in het kader van het voeren van
                        een bedrijf (opslag supermarkt, meelsilo voor een bakkerij, of een
                        logiesfunctie), maar ook het in gebruik hebben van woonruimte met een
                        hennepkwekerij, is als een onttrekking vanuit commercieel oogpunt te
                        beschouwen.</al><al>5. </al><al>Samenvoeging van een woonruimte is niet bedrijfsmatig, tenzij de overtreder
                        zich beroepsmatig bezig houdt met huisvesting en exploitatie van onroerend
                        goed. Hieronder vallen in ieder geval: vastgoedontwikkelaars, makelaars,
                        woning- en kamerbemiddelingsbureaus en bedrijven die zich bezig houden met
                        huisvesting van hun eigen werknemers. Het bedrijfsmatige aspect van de
                        exploitatie vloeit voort uit de aard van het bedrijf of beroep van de
                        overtreder.</al><al>Artikel 55, vijfde lid</al><al>Ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Awb moet de hoogte van de
                        bestuurlijke boete worden afgestemd op de mate van verwijtbaarheid, de ernst
                        van de gedraging en de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. </al><al>De maximaal op te leggen boete is vastgelegd in artikel 85a van de
                        Huisvestingswet. Differentiatie in de hoogte van de bestuurlijke boete is
                        ter wille van de overzichtelijkheid in een tabel aangegeven die als Bijlage
                        V is opgenomen. Bij wijziging van de bedragen in artikel 85a van de
                        Huisvestingswet, kan deze tabel overeenkomstig worden aangepast door de
                        gemeente. </al><al>De gemeenteraad is bevoegd de hoogte van de boetes vast te stellen binnen de
                        door de Huisvestingswet aangegeven maximale bedragen. </al><al>Artikel 63 </al><al>De inwerkingtredingsdatum van deze verordening is 1 januari 2015.</al><al>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Zoetermeer in zijn openbare
                        vergadering </al><al>d.d. 13 oktober 2014, </al><al>Zoetermeer, 13 oktober 2014</al><al>de griffier, de burgemeester</al><al>drs K. Bolt Ch.B. Aptroot</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>