<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR344467_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op het onderzoeksrecht gemeente Roermond</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Roermond</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-22</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Roermond</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening op het onderzoeksrecht gemeente Roermond</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 155a</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-09-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-09-26</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2013/071/1</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op het onderzoeksrecht gemeente Roermond</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>DE RAAD DER </vet><vet>GEMEENTE ROERMOND</vet><vet>,</vet></al><al/><al>gezien het voorstel van de griffier van 23 augustus 2013, raadsvoorstel no.
                        2013/071/1,</al><al>gezien de motie 13M19 d.d. 27 juni 2013 inzake verordening op het
                        onderzoeksrecht, </al><al>gelet op het bepaalde in de artikelen 155a tot en met 155f Gemeentewet,</al><al/><al><vet>besluit:</vet></al><al/><al>over te gaan tot vaststelling van de “Verordening op het onderzoeksrecht
                        gemeente Roermond”, welke luidt als volgt:</al><al/><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Instellen van het onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De raad kan op voorstel van een of meer van zijn leden besluiten tot
                                het instellen van een onderzoek naar het door het college van
                                burgemeester en wethouders of de burgemeester gevoerde bestuur.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad kan besluiten tot het verrichten van een vooronderzoek naar
                                de zin, passendheid, mogelijke gevolgen en kosten van een mogelijk
                                in te stellen onderzoek naar het door het college van burgemeester
                                en wethouders of burgemeester gevoerde bestuur. De raad stelt
                                hiertoe een voorbereidingscommissie in.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het besluit tot het instellen van een onderzoek omvat een
                                omschrijving van het onderwerp van onderzoek, de onderzoeksvraag,
                                alsmede een toelichting.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het derde lid bedoelde omschrijving kan, hangende het
                                onderzoek, al dan niet op verzoek van de in artikel 2 genoemde
                                onderzoekscommissie, door de raad worden gewijzigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Onderzoekscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitvoering van het besluit tot het instellen van een onderzoek
                                wordt opgedragen aan een na dit besluit daartoe in te stellen
                                onderzoekscommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderzoekscommissie bestaat uit minimaal drie raadsleden. Voor
                                ieder lid kan een plaatsvervanger worden aangewezen. Bij de
                                samenstelling van deze commissie zorgt de raad voor een evenwichtige
                                vertegenwoordiging van de in de raad vertegenwoordigde
                                groeperingen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan de bij deze verordening of Gemeentewet
                                verleende bevoegdheden uitsluitend uitoefenen, indien tenminste drie
                                van haar leden of als zodanig optredende plaatsvervangende leden
                                tegenwoordig zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De onderzoekscommissie besluit met meerderheid van stemmen. Indien
                                de stemmen staken beslist de stem van de voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De bevoegdheid en de werkzaamheden van de onderzoekscommissie worden
                                door het aftreden van de raad niet geschorst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bekendmaking besluiten</titel></kop><al>Het besluit tot het instellen van een onderzoek, het besluit van
                            samenstelling van de onderzoekscommissie en het besluit zoals bedoeld in
                            artikel 1, vierde lid, wordt op de gebruikelijke wijze bekend
                            gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorzitter / plaatsvervangend voorzitter</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De leden van de onderzoekscommissie kiezen uit hun midden een
                                voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter is belast met:</al><lijst><li nr="a."><al>het leiden van de beraadslaging en hoorzitting;</al></li><li nr="b."><al>het handhaven van de orde;</al></li><li nr="c."><al>het doen naleven van bij of krachtens deze verordening
                                        gestelde regels;</al></li><li nr="d."><al>hetgeen deze verordening hem verder opdraagt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Beëindiging lidmaatschap onderzoekscommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het lidmaatschap van de onderzoekscommissie eindigt indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de raad besluit tot opheffing van de
                                        onderzoekscommissie;</al></li><li nr="b."><al>een lid ophoudt lid te zijn van de raad;</al></li><li nr="c."><al>de onderzoekscommissie besluit een lid van haar commissie te
                                        horen;</al></li><li nr="d."><al>een lid ontslag neemt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een lid van de onderzoekscommissie kan op elk moment ontslag nemen.
                                Hiervan brengt hij de raad en de voorzitter van de
                                onderzoekscommissie zo spoedig mogelijk schriftelijk op de
                                hoogte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In openstaande vacatures wordt zo spoedig mogelijk voorzien.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing
                                op de plaatsvervangende leden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Beraadslagingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onderzoekscommissie beraadslaagt op de door haar te bepalen dagen
                                en in bijzondere gevallen, indien één lid van de commissie, onder
                                opgaaf van redenen, dat nodig acht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderzoekscommissie beraadslaagt achter gesloten deuren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter roept de leden schriftelijk of per e-mail in
                                vergadering bijeen onder opgaaf van de punten die behandeld zullen
                                worden en zorgt dat stukken die op de agenda betrekking hebben
                                tijdig aan de leden worden toegezonden of tijdig voor de leden ter
                                inzage worden gelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In spoedeisende gevallen kan de voorzitter van het bepaalde in de
                                vorige leden afwijken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De commissiegriffier maakt een beknopt verslag van de vergadering,
                                dat de onderzoekscommissie in de eerstvolgende vergadering ter
                                vaststelling wordt aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan bepalen dat uit een beraadslaging geen
                                mededelingen mogen worden gedaan, totdat de onderzoekscommissie een
                                rapport aan de raad presenteert.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan in een besloten vergadering, op grond van
                                een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                                bestuur, omtrent het in die vergadering met gesloten deuren
                                behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan de commissie
                                worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het
                                in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering
                                opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling
                                aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis
                                dragen, in acht genomen totdat de commissie haar opheft dan wel
                                totdat de door de commissie ingestelde periode van geheimhouding is
                                geëindigd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ambtelijke ondersteuning en bijstand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle activiteiten van de leden en de aan de onderzoekscommissie
                                toegevoegde medewerkers vallen onder de politieke
                                verantwoordelijkheid van de commissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad benoemt ter ondersteuning van de onderzoekscommissie een
                                commissiegriffier en een plaatsvervangend commissiegriffier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De taak van de commissiegriffier is te zorgen voor inhoudelijke en
                                organisatorische ondersteuning van de commissie onder
                                verantwoordelijkheid van de raadsgriffier.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De commissiegriffier is bij iedere vergadering van de
                                onderzoekscommissie aanwezig en bij iedere hoorzitting.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De in het tweede lid bedoelde ondersteuning wordt in beginsel
                                gevonden binnen de raadsgriffie en zonodig aangevuld met
                                ondersteuning vanuit het ambtelijk apparaat.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De verordening ambtelijke bijstand is niet van toepassing.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien de onderzoekscommissie besluit de uitvoering van bepaalde
                                delen van het onderzoek neer te leggen bij derden, vindt deze
                                uitvoering plaats onder haar verantwoordelijkheid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Verplichte medewerking aan onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met ingang van de inwerkingtreding van de besluiten tot instelling
                                van een onderzoek en tot instelling van de onderzoekscommissie zijn
                                leden en gewezen leden van de raad, de burgemeester en gewezen
                                burgemeesters, wethouders en gewezen wethouders, leden en gewezen
                                leden van de rekenkamercommissie, leden en gewezen leden van een
                                door de raad, het college van burgemeester en wethouders of de
                                burgemeester ingestelde commissie, ambtenaren of gewezen ambtenaren,
                                door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan
                                ondergeschikt, verplicht te voldoen aan een vordering van de
                                onderzoekscommissie tot het verschaffen van inzage in, het geven van
                                afschrift van of het anderszins laten kennisnemen van alle
                                bescheiden waarover zij beschikken en waarvan naar het redelijk
                                oordeel van de onderzoekscommissie inzage, afschrift of kennisneming
                                anderszins voor het doen van onderzoek als bedoeld in artikel 1
                                nodig is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien een vordering als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft
                                op bescheiden die afkomstig zijn van een instelling van de Europese
                                Unie of van het Rijk en kennisneming van die bescheiden door de
                                onderzoekscommissie het belang van de Europese Unie of de Staat kan
                                schaden, wordt niet dan met toestemming van de minister van
                                Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de vordering
                                voldaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ambtenaren, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of
                                daaraan ondergeschikt, zijn gehouden om aan een onderzoek alle door
                                de onderzoekscommissie gevorderde medewerking als bedoeld in het
                                eerste lid te verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Vrijwillige medewerking aan onderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan buiten de in artikel 8, eerste lid,
                                genoemde personen tevens anderen verzoeken om medewerking aan het
                                onderzoek te verlenen. Laatstgenoemde medewerking geschiedt op
                                vrijwillige basis.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een ieder die over informatie denkt te beschikken die van belang kan
                                zijn voor het onderzoek kan zich uit eigener beweging melden of
                                wordt uitgenodigd zich te melden bij de voorzitter van de
                                onderzoekscommissie. De commissie kan een dergelijke uitnodiging
                                publiceren met een omschrijving van het onderwerp van het onderzoek.
                                De commissie besluit of van deze informatie gebruik wordt
                                gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan in het belang van het onderzoek in
                                beslotenheid met een ieder informatieve gesprekken voeren, welke als
                                zodanig geen onderdeel van het onderzoek uitmaken. Er bestaat
                                hiertoe geen plicht tot medewerking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verplichtingen getuigen en deskundigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Personen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, zijn verplicht te
                                voldoen aan een oproep van de onderzoekscommissie om als getuige of
                                deskundige te worden gehoord.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een getuige of deskundige die door de onderzoekscommissie wordt
                                gehoord is niet tevens lid van de onderzoekscommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De getuigen zijn verplicht getuigenis af te leggen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De deskundigen zijn verplicht hun diensten onpartijdig en naar beste
                                weten als zodanig te verlenen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan besluiten dat getuigen uitsluitend worden
                                verhoord na het afleggen van een eed of belofte. Zij leggen dan in
                                de vergadering van de onderzoekscommissie, in handen van de
                                voorzitter, de eed of belofte af dat zij de gehele waarheid en niets
                                dan de waarheid zullen zeggen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een getuige is gerechtigd zich tijdens het verhoor te laten
                                bijstaan. Om gewichtige redenen kan de commissie besluiten, dat een
                                getuige zonder bijstand wordt gehoord.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Een deskundige kan zich tijdens het verhoor laten bijstaan, indien
                                de onderzoekscommissie daarmee instemt.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Verklaringen die zijn afgelegd voor de onderzoekscommissie kunnen,
                                behalve in het geval van artikel 207, eerste lid, van het Wetboek
                                van Strafrecht, niet als bewijs in rechte gelden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Openbare hoorzitting getuigen en deskundigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verhoren van getuigen en deskundigen worden door de
                                onderzoekscommissie in het openbaar gehouden op een plaats waar zij
                                dit het meest wenselijk oordeelt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter van de onderzoekscommissie bepaalt plaats en tijdstip
                                van de zitting en brengt die ter openbare kennis.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De schriftelijke aantekening van de afgelegde verklaringen of
                                gegeven berichten wordt aan de getuigen of deskundigen voorgelezen
                                of ter inzage verstrekt en door dezen ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De commissie kan ter voorbereiding op de openbare verhoren
                                informatieve gesprekken voeren in beslotenheid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan om gewichtige redenen besluiten een
                                verhoor of een gedeelte daarvan niet in het openbaar af te nemen. De
                                leden en plaatsvervangende leden van de commissie bewaren
                                geheimhouding over hetgeen hun tijdens een besloten zitting ter
                                kennis komt</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Oproeping getuigen en deskundigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter roept de leden van de onderzoekscommissie, getuigen en
                                deskundigen schriftelijk op.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De getuigen of deskundigen dienen de oproeping tenminste twee weken
                                voor de dag van het verhoor te ontvangen. De brief, houdende de
                                oproeping, wordt aangetekend verzonden of tegen gedagtekend
                                ontvangstbewijs uitgereikt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Binnen drie werkdagen na verzending van de oproep kunnen de getuigen
                                en deskundigen onder opgaaf van redenen de voorzitter verzoeken het
                                tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk één
                                week voor het tijdstip van de zitting aan de betrokken getuige of
                                deskundige medegedeeld.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan bevelen dat getuigen en deskundigen die,
                                hoewel opgeroepen in overeenstemming met het tweede lid, niet zijn
                                verschenen, door de openbare macht voor hen worden gebracht om aan
                                hun verplichting te voldoen. De onderzoekscommissie stelt de getuige
                                of deskundige hiervan schriftelijk in kennis op de in het tweede lid
                                bepaalde wijze. In de beschikking wordt een termijn gesteld
                                waarbinnen de belanghebbende de tenuitvoerlegging kan voorkomen door
                                alsnog aan zijn verplichting te voldoen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op een beschikking als bedoeld in het tweede en vijfde lid is
                                artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van
                                toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Niet verschijnen getuige of deskundige</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de behoorlijk opgeroepen getuige of deskundige niet
                                verschijnt, ook niet na toepassing van artikel 12, vijfde lid, wordt
                                van het niet verschijnen een proces-verbaal opgemaakt, hetwelk een
                                nauwkeurige omschrijving van de oproeping geeft en door de aanwezige
                                leden van de onderzoekscommissie wordt ondertekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het proces-verbaal wordt door de onderzoekscommissie, wanneer zij
                                het nodig acht, in handen gesteld van het openbaar ministerie bij de
                                rechtbank van het arrondissement waarin de in gebreke gebleven
                                getuige of deskundige woont.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Weigering getuige of deskundige</titel></kop><al>Wanneer een getuige of deskundige, hetzij vrijwillig, hetzij op de
                            oproeping verschenen of door de openbare macht gebracht zijnde, weigert
                            te antwoorden of de eed of belofte af te leggen, wordt daarvan
                            proces-verbaal opgemaakt, hetwelk de redenen van die weigering, zo die
                            gegeven zijn, inhoudt en door de aanwezige leden van de
                            onderzoekscommissie wordt ondertekend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verschoningsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Niemand kan genoodzaakt worden aan de onderzoekscommissie geheimen
                                te openbaren, voor zover daardoor onevenredige schade zou worden
                                toegebracht aan het belang van de uitoefening van zijn beroep, dan
                                wel aan het belang van zijn onderneming of de onderneming waarbij
                                hij werkzaam is of is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Zij die uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking tot
                                geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich verschonen getuigenis af
                                te leggen, doch uitsluitend met betrekking tot hetgeen waarvan de
                                wetenschap aan hen als zodanig is toevertrouwd. Zij kunnen inzage,
                                afschrift of kennisneming anderszins weigeren van bescheiden of
                                gedeelten daarvan tot welke hun plicht tot geheimhouding zich
                                uitstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Geheimhouding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan om gewichtige redenen in verband met de
                                bescherming van de in artikel 8, eerste lid genoemde personen of van
                                een belang, bedoeld in artikel 17, besluiten aan haar overgelegde
                                bescheiden of gedeelten daarvan niet openbaar te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De leden van de onderzoekscommissie bewaren geheimhouding omtrent de
                                inhoud van de bescheiden of gedeelten daarvan, die ingevolge een
                                besluit, bedoeld in het eerste lid, niet openbaar worden
                                gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover de in het tweede lid bedoelde bescheiden deel uitmaken
                                van het onderzoeksverslag van de onderzoekscommissie, worden deze
                                ter inzage of anderszins ter kennisneming gelegd van de leden van de
                                gemeenteraad. De leden bewaren omtrent de inhoud van zodanige
                                bescheiden geheimhouding.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Strijd met openbaar belang</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester en gewezen burgemeesters, wethouders en gewezen
                                wethouders, leden en gewezen leden van een door het college of de
                                burgemeester ingestelde commissie, ambtenaren en gewezen ambtenaren,
                                door of vanwege het college aangesteld of daaraan ondergeschikt,
                                zijn niet verplicht aan artikel 8, eerste lid en artikel 10, eerste
                                en derde lid, te voldoen, indien het verstrekken van de inlichtingen
                                in strijd is met het openbaar belang.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De onderzoekscommissie kan verlangen dat een beroep als bedoeld in
                                het eerste lid op strijd met het openbaar belang wordt bevestigd
                                door het college van burgemeester en wethouders, of, voor zover de
                                inlichtingen betrekking hebben op het door de burgemeester gevoerde
                                bestuur, door de burgemeester.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Toehoorders en de pers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend
                                op de voor hen bestemde plaatsen openbare zittingen bijwonen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze
                                verstoren van de orde is verboden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De voorzitter is bevoegd toehoorders die op enigerlei wijze de orde
                                van de vergadering verstoren, te doen vertrekken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Geluid- en beeldregistraties</titel></kop><al>Degenen die tijdens de zitting geluid- dan wel beeldregistraties willen
                            maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar
                            zijn aanwijzingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Verslaglegging hoorzitting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissiegriffier draagt zorg voor de verslaglegging van de
                                zitting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag vermeldt de namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid
                                voor zover van belang.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer
                                is gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde bescheiden en
                                feitenbeschrijvingen, die aan het verslag kunnen worden
                                gehecht.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voorafgaande aan vaststelling wordt het verslag in concept
                                voorgelegd aan betrokkenen, als wederhoor.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de
                                commissiegriffier.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Rapportage aan de raad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De onderzoekscommissie stelt betrokkenen in de gelegenheid om binnen
                                een door haar te stellen termijn, die tenminste twee weken bedraagt,
                                hun zienswijze op het concept onderzoeksrapport aan de
                                onderzoekscommissie kenbaar te maken. Betrokkenen zijn in elk geval
                                degenen wier taakuitvoering (mede) voorwerp van onderzoek is of is
                                geweest. De onderzoekscommissie bepaalt wie verder als betrokkenen
                                worden aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na vaststelling door de onderzoekscommissie worden het
                                onderzoeksrapport, de conclusies en aanbevelingen, de verslagen van
                                de openbare hoorzittingen en de zienswijze van betrokkenen op het
                                rapport zo spoedig mogelijk, onder toezending van een afschrift aan
                                het college van burgemeester en wethouders, aan de raad
                                aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het rapport wordt besproken in de raad op een door de raad te
                                bepalen tijdstip.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Kosten onderzoek</titel></kop><al>De raad stelt een raming vast van de kosten die naar zijn oordeel voor
                            een bepaald onderzoek vereist zijn. Deze kosten worden geboekt ten laste
                            van de post onvoorzien. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Archivering onderzoeksbescheiden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Na beëindiging van het onderzoek van een door hem ingestelde
                                commissie besluit de raad, dat de processen-verbaal en de overige
                                bescheiden van het onderzoek worden vernietigd, dan wel gedurende
                                een door hem te bepalen periode worden bewaard in het
                                gemeentearchief.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bescheiden en aantekeningen, die ingevolge een besluit van de
                                onderzoekscommissie geheim dienen te worden gehouden, maken geen
                                deel uit van dit archief.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De onderzoekscommissie bepaalt waar de in het tweede lid genoemde
                                bescheiden worden bewaard en gedurende welke periode zij geheim
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt terstond in werking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening op het
                            onderzoeksrecht van de raad gemeente Roermond 2013”. </al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van 26 september 2013.</ondertekening><ondertekening>De griffier De voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting op de Verordening op het onderzoeksrecht
                            van de raad</titel></kop><al>Het onderzoeksrecht van de raad is uitvoerig geregeld in de artikelen
                            155a tot en met 155f van de Gemeentewet. Het onderzoeksrecht van de raad
                            is een exclusief recht van de raad dat ingevolge artikel 156, tweede
                            lid, van de Gemeentewet niet overdraagbaar is.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Instellen van het onderzoek</titel></kop><al>Ter verduidelijking wordt hier nogmaals aangegeven dat op voorstel van
                            leden van de raad, bij raadsbesluit, een onderzoek kan worden ingesteld
                            naar het door het college of de burgemeester gevoerde besluit. Met
                            betrekking tot voorstellen is het bepaalde omtrent het
                            initiatiefvoorstel in artikel 40 van het Reglement van orde van
                            toepassing. </al><al>Artikel 1, lid 2, biedt de mogelijkheid om voorafgaand aan het besluit
                            tot het instellen van een onderzoek conform lid 1 van dit artikel de
                            zin, passendheid, mogelijke gevolgen en kosten van een mogelijk in te
                            stellen onderzoek naar het door het college van burgemeester en
                            wethouders of burgemeester gevoerde bestuur in kaart te brengen door het
                            verrichten van een vooronderzoek.</al><al>Een raadsonderzoek richt zich op een specifiek onderwerp van lokaal
                            belang met als doel het vergaren van informatie en het verkrijgen van
                            kennis en inzicht. Het onderzoek is het ultieme controlemiddel en wordt
                            pas ingezet als is komen vast te staan dat andere controlemiddelen van
                            de raad (vragenrecht, recht van interpellatie, inlichtingenplicht
                            college, gedragscodes, uitvoering rekenkamerfunctie, controle in het
                            kader van begroting en jaarstukken, financiële en controleverordeningen)
                            niet toereikend zijn om de benodigde informatie boven tafel te krijgen.
                            Vertaling van de omschrijving van het onderwerp van onderzoek in een
                            onderzoeksvraag, eventueel met specifieke deelvragen, is noodzakelijk.
                            Ingevolge artikel 155a, tweede lid Gemeentewet kan de raad de
                            omschrijving hangende het onderzoek wijzigen.</al><al>Een onderzoek is gericht op het door het college of de burgemeester
                            gevoerde bestuur. Het handelen van derden kan niet worden onderzocht,
                            maar kan wel ter sprake komen, doch kan alleen in directe relatie tot
                            het handelen van het college of de burgemeester worden gerapporteerd.
                            Het spreekt vanzelf dat hierbij zorgvuldigheid geboden is (denk aan
                            schadeclaims e.d. bij onjuiste uitlatingen).</al><al>Gebruikmaking van het onderzoeksrecht van de raad brengt een mogelijke
                            spanning met zich mee tussen actualiteit en gewenste
                            zorgvuldigheid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Onderzoekscommissie</titel></kop><al>De Gemeentewet bepaalt betreffende de samenstelling in artikel 155a,
                            derde en vierde lid, dat de onderzoekscommissie uit ten minste drie
                            (raads)leden bestaat en dat de raad bij de samenstelling zorgdraagt voor
                            een evenwichtige vertegenwoordiging van de in de raad vertegenwoordigde
                            groeperingen. Omdat de onderzoekscommissie ingevolge lid 4 van artikel 2
                            van deze verordening besluit met meerderheid van stemmen verdient het
                            aanbeveling om een oneven aantal leden te benoemen. Op deze wijze kan
                            het staken van stemmen worden voorkomen.</al><al>Het tweede lid voorziet in de benoeming van plaatsvervangende leden. Het
                            aantal plaatsvervangende leden is afhankelijk van de omvang van de
                            onderzoekscommissie. Omdat de uitoefening van bevoegdheden van de
                            onderzoekscommissie gekoppeld is aan de aanwezigheid van tenminste drie
                            leden kan benoeming van plaatsvervangende leden bij een omvangrijke
                            commissie achterwege blijven.</al><al>De onderzoekscommissie mag haar wettelijke bevoegdheden alleen
                            uitoefenen indien tenminste drie van haar leden aanwezig zijn (artikel
                            155a, 5e lid Gemeentewet). Dit geldt echter niet voor bevoegdheden die
                            niet in de wet zijn geregeld. Zo zouden bijvoorbeeld twee leden van de
                            onderzoekscommissie samen een verhoor kunnen voorbereiden met een
                            (potentiële) getuige. </al><al>Aan het einde van een raadsperiode en het aftreden van de raad wordt het
                            onderzoek in beginsel voortgezet door dezelfde leden van de
                            onderzoekscommissie als bij de instelling, mits dezen uiteraard ook in
                            de nieuwe raad zijn herkozen. De nieuwe raad kan besluiten om het
                            onderzoek tussentijds te stoppen of wijziging aan te brengen in de
                            samenstelling van de onderzoekscommissie of onderzoeksvraag. Alleen in
                            het geval dat de gehele raad aftreedt en een geheel nieuwe raad
                            aantreedt dient een geheel nieuwe onderzoekscommissie benoemd te
                            worden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Bekendmaking besluiten</titel></kop><al>In artikel 155a, zevende lid, is bepaald dat het op het besluit tot
                            instelling van een onderzoek en tot instelling van een
                            onderzoekscommissie, alsmede het besluit tot wijziging van de
                            omschrijving van het onderwerp van een onderzoek de artikelen 139,
                            tweede lid, 140 en 141 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing
                            zijn. In deze wetsartikelen vindt de bekendmaking van besluiten haar
                            basis.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorzitter/plaatsvervangend voorzitter</titel></kop><al>In deze verordening is ervoor gekozen dat de onderzoekscommissie haar
                            voorzitter en plaatsvervangend voorzitter benoemt. De voorzitter maakt
                            tevens deel uit van de onderzoekscommissie en is derhalve niet slechts
                            (technisch) voorzitter</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Beëindiging lidmaatschap onderzoekscommissie</titel></kop><al>In artikel 155a, zesde lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de
                            bevoegdheden en werkzaamheden van een onderzoekscommissie niet worden
                            geschorst door het aftreden van de raad. Nu de onderzoekscommissie
                            slechts mag bestaan uit leden van de raad brengt dat met zich mee dat
                            bij het aantreden van een nieuwe raad de samenstelling van de
                            onderzoekscommissie wel zal moeten worden aangepast. Indien een
                            individueel lid van de onderzoekscommissie ophoudt lid te zijn van de
                            raad eindigt derhalve tevens zijn lidmaatschap van eerder genoemde
                            commissie. Voorts eindigt een lidmaatschap uiteraard bij opheffing van
                            de onderzoekscommissie en bij het nemen van ontslag. De raad kan tevens,
                            indien dit wenselijk wordt geacht, de onderzoekscommissie tussentijds
                            opheffen. Daarnaast eindigt het lidmaatschap indien de
                            onderzoekscommissie besluit een van haar leden te horen. Artikel 155c,
                            tweede lid, van de Gemeentewet bepaalt namelijk dat een getuige of
                            deskundige die door de onderzoekscommissie wordt gehoord, niet tevens
                            lid is van de onderzoekscommissie. Het bepaalde is uiteraard tevens van
                            toepassing op de plaatsvervangende leden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Beraadslagingen</titel></kop><al>Beraadslaging vindt plaats achter gesloten deuren omdat de inhoud zich
                            mogelijk niet voor openbaarheid leent. Het kan dan bijvoorbeeld gaan
                            over ondervragingsmethoden, het vrij kunnen spreken over personen en
                            hetgeen door hen naar voren is gebracht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ambtelijke ondersteuning en bijstand</titel></kop><al>Het is niet ondenkbaar dat de griffie onvoldoende is toegerust om de
                            onderzoekscommissie bij te staan, gelet op het feit dat het bij
                            onderzoeksondersteuning om intensieve piekbelasting gaat. Bij
                            onvoldoende menskracht binnen de griffie wordt een beroep gedaan op
                            ondersteuning vanuit de ambtelijke organisatie. </al><al>Voor gemeenteambtenaren geldt de plicht (zie ook artikel 8, eerste en
                            derde lid) medewerking te verlenen waar het gaat om zaken als
                            bijvoorbeeld het opstellen van een overzicht van betrokken personen, een
                            inventarisatie van de relevante wet- en regelgeving of een beschrijving
                            van het verloop van een besluitvormingsprocedure. Het is uiteraard niet
                            verstandig als ambtelijke ondersteuning wordt geleverd door ambtenaren
                            die als getuige of deskundige worden opgeroepen. In algemene zin dient
                            te worden vermeden dat ambtenaren, die dicht op de zaak hebben gezeten,
                            worden ingeschakeld voor het raadsonderzoek. Voorstelbaar is dat de raad
                            helemaal geen beroep doet op het ambtelijk apparaat, maar met het oog op
                            de objectiviteit en onafhankelijkheid uitsluitend tijdelijke krachten
                            van buiten inhuurt.</al><al>De verordening ambtelijke bijstand is niet van toepassing omdat hierin
                            specifiek afspraken worden vastgelegd tussen college en raad voor wat
                            betreft de ambtelijke bijstand aan de raad. In dit geval gaat het om een
                            raadsonderzoek waarbij het de raad vrij staat om de ondersteuning van
                            binnen of buiten de griffie te halen. De verordening ambtelijke bijstand
                            is niet van toepassing omdat het vaak om specifieke onderzoeken gaat
                            naar het door het college gevoerde beleid. De toepassing van algemene
                            regels over de communicatie tussen griffier en secretaris liggen in zo’n
                            geval niet voor de hand, ook om de onafhankelijkheid van het onderzoek
                            te waarborgen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Verplichte medewerking aan onderzoek</titel></kop><al>Onder deze kring van personen worden ook politie-ambtenaren gerekend,
                            die onder het gezag van de burgemeester vallen. Een politieambtenaar die
                            in verband met de handhaving van de openbare orde onder het gezag van de
                            burgemeester valt, moet als ondergeschikt aan het gemeentebestuur worden
                            aangemerkt (op basis van jurisprudentie Afdeling bestuursrechtspraak van
                            de Raad van State).</al><al>Het uitbreiden van de wettelijke kring van personen die aan een
                            onderzoek medewerking moeten verlenen via voorwaarden in contracten of
                            bij vergunningen of subsidies is onverenigbaar met de Gemeentewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Verplichtingen getuigen en deskundigen</titel></kop><lijst><li nr="-"><al>Een deskundige kan niet onder ede worden gehoord, een getuige
                                    echter wel.</al><al> De getuige die onder ede wordt verhoord en niet de waarheid
                                    spreekt kan strafrechtelijk worden vervolgd wegens het plegen
                                    van meineed. De onderzoekscommissie kan zelf bepalen wanneer een
                                    verhoor onder ede gewenst is, doch mag hierbij geen onderscheid
                                    maken tussen de verschillende getuigen.</al></li><li nr="-"><al>Anderen dan de in artikel 7, eerste lid genoemde personen kunnen
                                    weliswaar worden gevraagd om als getuigen op te treden, doch
                                    medewerking geschiedt dan geheel vrijwillig.</al></li><li nr="-"><al>Het verschil verplichte/niet verplichte getuige is bij de
                                    verdere invulling niet meer relevant. Op het moment dat iemand
                                    (al dan niet vrijwillig) getuige is gelden alle
                                    verplichtingen.</al></li></lijst><al>De mogelijkheid van inschakeling van derden als getuigen zal meer
                            theorie dan praktijk zijn, aangezien artikel 8 de mogelijkheid geeft tot
                            het vergaren van benodigde informatie onder derden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11+12</nr><titel>Openbare hoorzitting getuigen en deskundigen /Oproeping getuigen
                                en deskundigen</titel></kop><al>Artikel 155d, eerste lid, van de Gemeentewet voorziet in de
                            schriftelijke oproeping van getuigen en deskundigen die ter zitting
                            dienen te verschijnen. Deze zitting dient te worden onderscheiden van de
                            beraadslagingen van de onderzoekscommissie, die ingevolge artikel 6 van
                            de verordening achter gesloten deuren plaatsheeft. Op de zitting vinden
                            de verhoren van de getuigen en deskundigen plaats ex artikel 155c, zesde
                            lid, van de Gemeentewet en zijn in beginsel openbaar. De
                            onderzoekscommissie kan ingevolge artikel 155c, zevende lid, van de
                            Gemeentewet om gewichtige redenen echter besluiten dat een verhoor of
                            een gedeelte ervan niet in het openbaar plaatsvindt. De leden bewaren
                            geheimhouding over hetgeen hen tijdens een besloten zitting ter kennis
                            komt. De redenen om besloten te vergaderen zijn hierbij anders dan die
                            genoemd in artikel 86, eerste lid, van de Gemeentewet. In dit artikel
                            wordt immers gesproken over belangen als bedoeld in artikel 10 Wet
                            openbaarheid van bestuur. Dat is bij besloten vergaderingen in het kader
                            van het onderzoeksrecht niet van belang. Slechts van belang is er of
                            naar het oordeel van de onderzoekscommissie sprake is van ‘gewichtige
                            redenen’. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Niet verschijnen getuigen en deskundigen</titel></kop><al>Het besluit van de onderzoekscommissie om de politie in te schakelen is
                            een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De mogelijkheid
                            om tegen dit besluit bezwaar te maken bij de onderzoekscommissie is
                            echter in de Gemeentewet expliciet uitgesloten. Wel kan men in beroep
                            bij de bestuursrechter.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Weigering getuige of deskundige</titel></kop><al>In tegenstelling tot het bepaalde in artikel 13 kan de
                            onderzoekscommissie niet de politie inschakelen bij het ter zitting
                            weigeren te antwoorden door getuigen of deskundigen. </al><al>Wel is het zo, dat het niet voldoen aan een wettelijke verplichting om
                            als getuige te verschijnen of te getuigen strafbaar is op grond van
                            artikel 192 van het Wetboek van Strafrecht. De onderzoeks-commissie zou
                            dus, zo zij daartoe een noodzaak ziet, het Openbaar Ministerie kunnen
                            inschakelen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Verschoningsrecht</titel></kop><al>Als de onderzoekscommissie twijfelt aan de gegrondheid van het inroepen
                            van een van de genoemde verschoningsgronden kan zij het Openbaar
                            Ministerie verzoeken een strafvervolging op basis van artikel 192
                            Wetboek van Strafrecht in te stellen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Strijd met openbaar belang</titel></kop><al>Alleen personen die belast (geweest) zijn met een bestuurstaak waarvoor
                            zij door de raad ter verantwoording kunnen worden geroepen en hun
                            (ex-)ondergeschikten, kunnen bij (aantoonbare) zwaarwegende
                            omstandigheden een beroep doen op het openbaar belang. </al><al>(Ex-)raadsleden en (ex-) medewerkers van de griffie kunnen zich bij een
                            raadsonderzoek niet hierop beroepen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Toehoorder en pers</titel></kop><al>Artikel 26, eerste en tweede lid, van Gemeentewet regelen dat de
                            voorzitter van de raad toehoorders die de orde verstoren, kan doen
                            vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toezegging kan ontzeggen.
                            Voor de onderzoekzoekscommissie ontbreekt een dergelijke bepaling in de
                            Gemeentewet. Het derde lid van artikel 18 voorziet hierin.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Geluid- en beeldregistratie</titel></kop><al>Aangezien de zittingen van een onderzoekscommissie in principe openbaar
                            zijn, kunnen radio- en tv-stations geluids- en beeldregistraties maken.
                            Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten zitting betreft. De
                            voorzitter kan aanwijzingen geven met betrekking tot bijvoorbeeld plaats
                            en opstelling.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Rapportage aan de raad</titel></kop><al>In dit artikel worden de nadere regels vastgesteld met betrekking tot de
                            rapportage van de onderzoekscommissie aan de raad. Een onderzoek is
                            gericht op het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur. Het
                            handelen van derden kan niet worden onderzocht, maar kan wel ter sprake
                            komen, doch kan alleen in directe relatie tot het handelen van het
                            college of de burgemeester worden gerapporteerd. Het spreekt vanzelf dat
                            hierbij zorgvuldigheid geboden is (denk aan schadeclaims e.d. bij
                            onjuiste uitlatingen).</al><al>De wijze van debatteren in de raad wordt door de raad bepaald. De raad
                            kan kiezen voor bijvoorbeeld een eerste debat in afwezigheid van de
                            wethouders of voor een eerste schriftelijke reactie door het college of
                            de burgemeester. </al><al>Van belang is dat er voldoende tijd wordt ingeruimd tussen de
                            verschijning van het rapport en het raadsdebat, om de raadsleden
                            voldoende tijd te geven de materie te bestuderen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Kosten onderzoek</titel></kop><al>Artikel 155f Gemeentewet schrijft expliciet voor dat de kosten voor
                            onderzoek in een bepaald jaar door het college in de ontwerpbegroting
                            worden opgenomen. Het is tevoren niet te zeggen of en wanneer er een
                            onderzoek in het verschiet ligt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening bevat geen algemeen verbindende voorschriften. De
                            verplichting voor bepaalde categorieën personen om medewerking te
                            verlenen aan een raadsonderzoek vloeit immers niet voort uit de
                            verordening, maar rechtstreeks uit de Gemeentewet. De verordening kan
                            daarom op een door de raad te bepalen datum in werking treden.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>