<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR344359_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wormerland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wormerland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad 2016, 56946</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wormerland 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0035362">Wet maatschappelijke Ondersteuning 2015, artt. 2.1.3, 2.1.4, lid 1, 2, 3, 7, 2.1.5, lid 1, 2.1.6, 2.3.6 lid 4, 2.6.6 lid 1, </dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-04-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-05-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2016-05-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-05-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>-</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>WMO</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Wormerland;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                            [<vet>datum en nummer</vet>];</al><al>gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4,eerste, tweede,derde enzevende lid,
                        2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de
                        Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;</al><al>overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze
                        waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;
                        dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen
                        bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving
                        onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie,
                        een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij
                        zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; dat het
                        noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan
                        als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning
                        bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met
                        een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen,
                        beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid
                        van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te
                        bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve
                        samenleving;</al><al>besluit vast te stellen:</al><al>de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wormerland 2015</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                        onder:</al><lijst><li nr="-"><al>algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is
                                bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar
                                is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten;</al></li><li nr="-"><al>andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet
                                maatschappelijke ondersteuning 2015;</al></li><li nr="-"><al>bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de
                                wet;</al></li><li nr="-"><al>gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in
                                artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld
                                in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2,
                                eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al>ondersteuningsplan: plan dat in samenspraak met de cliënt en/of
                                diens vertegenwoordigeren de eventuele mantelzorger wordt opgesteld
                                met betrekking tot de benodigde zorg enondersteuning.</al></li><li nr="-"><al>persoonlijk budgetplan: plan dat de aanvrager voor een
                                maatwerkvoorziening indient termotivering de voorziening in de vorm
                                van een persoonsgebonden budget verstrekt te krijgen.</al></li><li nr="-"><al>persoonlijk plan: plan dat de hulpvrager –al dan niet tezamen met
                                zijn persoonlijke netwerk opgesteld- kan indienen voorafgaand aan
                                het onderzoek door de gemeente.</al></li><li nr="-"><al>pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de
                                wet;</al></li><li nr="-"><al>voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening
                                waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen;</al></li><li nr="-"><al>wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Melding hulpvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden
                            gemeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.3. In
                            spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het
                            college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in
                            afwachting van de uitkomst van het onderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Cliëntondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op
                            kostenloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt
                            uitgangspunt is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek,
                            bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid
                            gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2,
                            eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over
                            de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een
                            afspraak voor een gesprek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens
                            en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek
                            nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De
                            cliënt verstrekt op verzoek in ieder geval een identificatiedocument als
                            bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in
                            overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld
                            in het eerste en tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een
                            persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op
                            te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de
                            gelegenheid het plan te overhandigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Gesprek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de degene
                            door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger
                            en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst
                            familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:</al><lijst><li nr="a."><al>de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de
                                    cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;</al></li><li nr="c."><al>de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of
                                    algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of
                                    zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen
                                    dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen
                                    uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn
                                    zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij
                                    een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="e."><al>de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de
                                    mantelzorger van de cliënt;</al></li><li nr="f."><al>de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene
                                    voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in
                                    artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van
                                    maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering
                                    van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen
                                    dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="g."><al>de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen
                                    of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld
                                    in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van
                                    publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk
                                    en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke
                                    ondersteuning;</al></li><li nr="h."><al>de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;</al></li><li nr="i."><al>welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het
                                    bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd
                                    zal zijn, en</al></li><li nr="j."><al>de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb,
                                    waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht
                                    over de gevolgen van die keuze.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid,
                            aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het
                            onderzoek, bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek,
                            diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt
                            toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het
                            bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien
                            van een gesprek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het
                            onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt een verslag van de
                            uitkomsten van het onderzoek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De cliënt tekent het verslag voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat
                            een getekend exemplaar wordt geretourneerd aan de contactpersoon waarmee
                            hij het gesprek heeft gevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als de cliënt tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven wat de
                            reden is waarom hij niet akkoord is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een
                            maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende
                                verslag<cursief>.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om
                            een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als
                            aanvraag als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Criteria voor een maatwerkvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van
                            een aanvraag om een maatwerkvoorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:</al><lijst><li nr="a."><al>ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of
                                    participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze
                                    beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen
                                    kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van
                                    andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met
                                    gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of
                                    algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De
                                    maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten
                                    van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage
                                    aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat
                                    wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang
                                    mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven,en</al></li><li nr="b."><al>ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de
                                    samenleving van de cliënt met psychische- of psychosociale
                                    problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al
                                    dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg
                                    van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar
                                    het oordeel van het college niet op eigen kracht, met
                                    gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere
                                    personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van
                                    algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De
                                    maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten
                                    van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage
                                    aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd
                                    wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de
                                    cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op
                                    eigen kracht te handhaven in de
                                    samenleving<cursief>.</cursief></al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot
                            zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een
                            maatwerkvoorziening in aanmerking komt als:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet
                                    vermijdbaar was, en </al></li><li nr="b."><al> de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt
                                    redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben
                                    getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een
                            eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts
                            verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is
                            afgeschreven,</al><lijst><li nr="a."><al>tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als
                                    gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te
                                    rekenen;</al></li><li nr="b."><al>tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de
                                    veroorzaakte kosten, of</al></li><li nr="c."><al>als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing
                                    biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke
                                    ondersteuning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de
                            goedkoopst adequate voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Advisering</titel></kop><al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies
                        vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om
                        een maatwerkvoorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in
                            ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb
                            wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de
                            beschikking kan worden gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de
                            beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde
                                    resultaat daarvan is;</al></li><li nr="b."><al>wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing,
                                    en</al></li><li nr="d."><al>welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb
                            wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;</al></li><li nr="b."><al>welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;</al></li><li nr="c."><al>wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;</al></li><li nr="d."><al>wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld,
                                    en</al></li><li nr="e."><al>de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de
                            beschikking geïnformeerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Regels voor pgb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van
                            de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt
                            het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten
                            die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft
                            gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte dienstverlening of
                            voorziening noodzakelijk was.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het tarief voor een pgb: </al><lijst><li nr="a."><al>Is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld persoonlijk
                                    budgetplan over hoe hij het pgb gaat besteden;</al></li><li nr="b."><al>Is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te
                                    kopen</al></li><li nr="c."><al>Bedraagt ten hoogste de kostprijs van de van de in de
                                    betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in
                                    natura, indien van toepassing, rekening houdend met onderhoud en
                                    verzekering.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten onder de
                            volgende voorwaarden, betrekken van een persoon die behoort tot het
                            sociaal netwerk: </al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt motiveert in het persoonlijk budgetplan waarin de hulp
                                    vanuit het sociaal netwerk de gebruikelijke hulp overstijgt,
                                    en</al></li><li nr="b."><al>de cliënt geeft in het persoonlijk budgetplan aan hoe de hulp
                                    uit het sociaal netwerk bijdraagt aan het bereiken van het
                                    resultaat;</al></li><li nr="c."><al>de hoogte van een pgb voor inzet van het sociale netwerk
                                    bedraagt 75% van de kostprijs van de in de betreffende situatie
                                    goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Tussenpersonen of belangenbehartigers mogen niet uit het pgb worden
                            betaald. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de criteria en
                            de wijze van vaststellen van de hoogte van het budget. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en
                            algemene voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde
                                    cliëntondersteuning, en,</al></li><li nr="b."><al>voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang hij van de
                                    maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode
                                    waarvoor het pgb wordt verstrekt, overeenkomstig het Besluit
                                    maatschappelijke ondersteuning, en afhankelijk van het inkomen
                                    en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nadere regeling:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welke algemene voorzieningen, niet zijnde
                                    cliëntondersteuning, de cliënt een bijdrage is
                                    verschuldigd;</al></li><li nr="b."><al>wat per soort algemene voorziening de hoogte van deze bijdrage
                                    is; en</al></li><li nr="c."><al>dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve
                                    van een woningaanpassing voor een minderjarige is verschuldigd
                                    door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene
                                    tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk
                                    Wetboek gegrond verzoek is afgewezen, en degene die anders dan
                                    als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een
                                    cliënt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college bepaalt bij nadere regeling:</al><lijst><li nr="a."><al>op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening en pgb
                                    wordt bepaald, en</al></li><li nr="b."><al>door welke andere instantie dan het CAK in de gevallen bedoeld
                                    in artikel 2.1.4, zevende lid, de bijdragen voor een
                                    maatwerkvoorziening of pgb worden vastgesteld en geïnd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met
                            betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen,
                            door:</al><lijst><li nr="a."><al>het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van
                                    de cliënt;</al></li><li nr="b."><al>het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;</al></li><li nr="c."><al>erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden
                                    in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in
                                    overeenstemming met de professionele standaard.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders,
                            een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met
                            de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                            terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op
                            verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en
                            omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze
                            aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld
                            in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing
                            als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel
                            intrekken als het college vaststelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
                                    verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere
                                    beslissing zou hebben geleid;</al></li><li nr="b."><al>de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is
                                    aangewezen;</al></li><li nr="c."><al>de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te
                                    achten;</al></li><li nr="d."><al>de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het
                                    pgb verbonden voorwaarden, of</al></li><li nr="e."><al>de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een
                                    ander doel gebruikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als
                            blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend
                            voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft
                            plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a,
                            heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige
                            gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het
                            college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking
                            heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de
                            ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten
                            pgb.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                            ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                            ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde
                            zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van pgb’s.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Jaarlijkse waardering mantelzorgers</titel></kop><al>Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van
                        waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                            derden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr=""><al>Het college houdt in het belang van een goede
                                    prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven
                                    die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder
                                    geval rekening met:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken;</al></li><li nr="b."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten;</al></li><li nr="c."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                    personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en
                                    werkoverleg;</al></li><li nr="d."><al>kosten voor bijscholing van het personeel</al></li><li nr="e."><al>De voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de
                                    zwaarte van de functie</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding
                            bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te
                            leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met:</al><lijst><li nr="a."><al>de marktprijs van de voorziening, en </al></li><li nr="b."><al> de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van
                                    de leverancier worden gevraagd, zoals:</al><lijst><li nr=""><al>1<sup>o</sup>. aanmeten, leveren en plaatsen van de
                                            voorziening; </al><al>2<sup>o</sup>. instructie over het gebruik van de
                                            voorziening; </al><al>3<sup>o</sup>. onderhoud van de voorziening, en</al><al>4°. verplichte deelname in bepaalde
                                            samenwerkingsverbanden. </al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Klachtregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten
                            van cliënten ten aanzien van alle maatwerkvoorzieningen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke
                            overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks
                            cliëntervaringsonderzoek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                            ondersteuning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van
                            cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de
                            gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle maatwerkvoorzieningen.
                        </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de
                            naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door
                            periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks
                            cliëntervaringsonderzoek. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Betrekken van de Adviesraad Sociaal Domein bij het beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college heeft de Adviesraad Sociaal Domein aangesteld om het college
                            te adviseren over het te voeren Wmo-beleid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de Adviesraad Sociaal Domein in de gelegenheid
                            voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning
                            te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen
                            en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en
                            voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen
                            vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van het eerste en
                            tweede lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per twee jaar
                        geëvalueerd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college is bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze
                        verordening naar zijn oordeel tot een bijzondere en onvoorziene hardheid
                        leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening, indien
                        daar zeer dringende redenen voor zijn. Het college kan met het oog op de
                        rechtszekerheid en rechtsgelijkheid nadere regels stellen ten aanzien van de
                        toepassing van de hardheidsclausule.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Intrekking oude verordening en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente
                            Wormerland 2013 wordt ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van
                            de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente
                            Wormerland 2013, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen
                            waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt
                            ingetrokken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Wormerland 2013 en waarop nog
                            niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden
                            afgehandeld krachtens deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015 met gelijktijdige
                            intrekking van de Verordening voorzieningen maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Wormerland 2013.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Wormerland 2015.</al></lid></artikel></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Wormerland 2015</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Met de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) wordt de
                    gemeenteverantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en
                    participatie van mensenmet een beperking, chronische psychische of psychosociale
                    problemen. De ondersteuning</al><al>moet er op gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving
                    kunnen blijven.</al><al/><al>Voor mensen met psychische of psychosociale problemen en of voor mensen die, al
                    dan nietin verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk
                    geweld, de thuissituatie hebben verlaten voorziet de gemeente in de behoefte aan
                    beschermd wonen en opvang. </al><al/><al>Deze verordening geeft uitvoering aan de Wmo 2015. De Wmo 2015 maakt onderdeel
                    uit vande bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële
                    decentralisatie naargemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).</al><al/><al>Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder
                    de ‘oude’Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels voortgeborduurd
                    op de weg die metdie wet al was ingezet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs
                    verwacht mag worden van decliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar
                    nodig de gemeente in aanvulling hierophem in staat stellen gebruik te maken van
                    een algemene voorziening of – als dat niet volstaat– een maatwerkvoorziening
                    waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden omdeel te nemen aan
                    het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de
                    maatschappij.</al><al/><al>De belangrijkste wijzigingen van de Wmo 2015 ten opzichte van de huidige Wmo
                    zijn hetvervallen van de compensatieplicht en het vervallen van de
                    compensatiedomeinen.</al><al>Door het vervallen van de compensatieplicht ligt de nadruk niet meer op het
                    compenserenvan een gebrek maar op het versterken van de zelfredzaamheid en de
                    participatie.</al><al/><al>De compensatiedomeinen waarop de gemeenten de burger met een belemmering
                    moetcompenseren (huishouden voeren, zich verplaatsen in en om de woning en
                    lokaal enmedemensen ontmoeten), zijn in de Wmo 2015 niet meer opgenomen, in
                    plaats daarvanwordt er gesproken over: maatwerkvoorzieningen bieden ter
                    ondersteuning van</al><al>zelfredzaamheid en participatie, beschermd wonen en opvang.</al><al/><tussenkop>De toegangsprocedure</tussenkop><al>De cliënt die zich met een hulpvraag meldt doorloopt een zorgvuldige
                    toegangsprocedure,zodat bij de beoordeling van de hulpvraag helderheid wordt
                    verkregen over zijn behoeften ende gewenste resultaten en om te achterhalen wat
                    de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke</al><al>hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het
                    verrichten vanmaatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn
                    zelfredzaamheid en participatie tehandhaven of te verbeteren. Verder wordt
                    bepaald of de cliënt met gebruikmaking van eenalgemene voorziening de
                    ondersteuningsbehoefte kan invullen, of dat een</al><al>maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende of andere
                    voorzieningdie niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt.</al><al/><al>De inzet van een maatwerkvoorziening in de ondersteuningsbehoefte heeft als
                    doel: hetleveren van een bijdrage aan de zelfredzaamheid en participatie van de
                    cliënt.</al><al/><al>Zelfredzaamheid is in de Wmo 2015 gedefinieerd als: in staat zijn tot het
                    uitvoeren van denoodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het
                    voeren van een gestructureerdhuishouden. </al><al>Participatie is gedefinieerd als: het deelnemen aan het maatschappelijke</al><al>verkeer.</al><al>De nadruk bij de inzet van maatwerkvoorzieningen ligt op het versterken van
                    dezelfredzaamheid en de participatie. Versterken betekent niet altijd bevorderen
                    van, maar kanook vertaald worden als het in stand houden van de situatie
                    waardoor iemand in eigenleefomgeving kan blijven.</al><al/><al>De burger heeft met zijn vraag om ondersteuningsbehoefte een doel, dit doel moet
                    centraalstaan in het onderzoek naar de oplossing. Dit doel wordt bij de inzet
                    van een (gedeeltelijke)maatwerkvoorziening als het te bereiken resultaat voor de
                    inzet van de voorzieningaangemerkt.</al><al/><al>Door de burger aan te spreken op wat er redelijkerwijs van hemzelf verwacht mag
                    worden zaldeze ook meer de eigen verantwoording nemen in het bereiken van
                    resultaten ten behoevevan zijn ondersteuningsbehoefte. Zo werkt de burger mee
                    aan de invulling van de benodigdeondersteuning en kan de gemeente aanvullende
                    ondersteuning bieden als uit het onderzoekblijkt dat de aanvrager niet in staat
                    is om zelf of met zijn netwerk of met een algemenevoorziening de oplossing te
                    organiseren.</al><al>Het wegvallen van de compensatieplicht en de compensatiedomeinen enerzijds en
                    hettoepassen van passende ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening
                    anderzijdsvereist een benadering waarbij de gemeente zich richt op het bereiken
                    van een resultaat datwaar mogelijk, zo veel mogelijk aansluit bij de wensen en
                    mogelijkheden van de cliënt en zijn</al><al>sociale omgeving. Passend aanbod is per definitie een aanbod dat passend is bij
                    deindividuele cliënt en hoeft daardoor niet te bestaan uit een standaard
                    oplossing. De borgingvan de kwaliteit van het onderzoek en de uitkomsten daarvan
                    (het passende aanbod) ligt in</al><al>een goed georganiseerde toegangsprocedure.</al><al/><al>De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in
                    hoofdlijnenvast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’
                    Wet maatschappelijkeondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een
                    zorgvuldige, tweezijdigeprocedure daartegenover gesteld. Een dergelijke
                    procedure die bovendien goed wordtuitgevoerd, zal telkens tot een juist
                    eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waarondersteuning nodig is.</al><al/><al>De ondersteuning die de gemeente kan bieden, kan bestaan uit het ondersteunen
                    van deburger om regie over zijn eigen situatie te voeren, het bieden van
                    algemene voorzieningenen/of maatwerkvoorzieningen. Bij een maatwerkvoorziening
                    kan het gaan om ondersteuningin natura of om ondersteuning in de vorm van een
                    persoonsgebonden budget.</al><al/><tussenkop>Inbreng van de cliënt</tussenkop><al>Om maatwerk te kunnen bieden zal de gemeente in samenspraak met de cliënt en
                    diensnetwerk op zoek gaan naar de “echte” en meer integrale ondersteuningsvraag
                    en –op basisvan dat inzicht- naar een in die situatie passend
                    ondersteuningsaanbod.</al><al/><al>Bij de melding van de hulpvraag informeert de gemeente de cliënt over de
                    mogelijkheid omeen persoonlijk plan in te dienen. In dit plan kan de cliënt (al
                    dan niet tezamen met zijnpersoonlijke netwerk) de omstandigheden en de
                    maatschappelijke ondersteuning die doorhem wordt gewenst beschrijven. Dit plan
                    wordt door de gemeente meegenomen in het</al><al>onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte.</al><al/><al>Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen
                    maatwerkvoorzieningverstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt
                    aan de zelfredzaamheid ofparticipatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten
                    onrechte wordt onthouden, kanbetrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken
                    en daarna eventueel in beroep gaan</al><al>tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich
                    heeftgehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de
                    omstandigheden vanbetrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de
                    ondersteuning een passende bijdragelevert aan het realiseren van een situatie
                    waarin de cliënt in staat wordt gesteld totzelfredzaamheid of participatie en zo
                    lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.</al><al>Als de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening zal in samenspraak
                    met decliënt en eventueel de zorg-leverancier, zonodig een ondersteuningsplan
                    worden opgesteldwaarin de ondersteuningsbehoefte en de invulling van de
                    maatwerkvoorziening en hetbeoogde resultaat staan uitgewerkt.</al><al/><al>Als de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening wordt aan de
                    cliëntinformatie over het persoonsgebonden budget (pgb) verstrekt. Indien een
                    cliënt zichgemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als
                    persoonsgebondenbudget geleverd wenst te krijgen wordt onderzocht of de cliënt
                    in aanmerking kan komen voor</al><al>een pgb verstrekking. Voor de motivering van de pgb aanvraag wordt aan de cliënt
                    eenpersoonlijk budgetplan gevraagd.</al><al/><tussenkop>Maatwerkvoorziening</tussenkop><al>De maatwerkvoorziening kan bestaan uit een dienstverlening of uit een materiële
                    verstrekking. Voor beide voorzieningsvormen geldt dat het resultaat leidend is,
                    bij een materiële verstrekking (hulpmiddelen zoals rolstoel etc.) zal dit effect
                    door middel van een passing direct “meetbaar” zijn, bij de inzet van
                    dienstverlening zijn resultaten pas op termijn zichtbaar. Het niet functioneren
                    van een materiële verstrekking of het niet passend zijn van een dergelijke
                    verstrekking zal bij een cliënt direct merkbaar zijn en leiden tot verzoek tot
                    herstel. Er worden kwaliteitseisen voor maatschappelijke ondersteuning aan de
                    aanbieders gesteld en hierop wordt toegezien. Door het toezicht dat de gemeente
                    houdt kan onder andere door de cliënt-ervaringsgegevens het niet functioneren
                    van- of in-adequaatheid van de inzet van dienstverlening worden opgemerkt. </al><al/><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepalingen</tussenkop><al>In de begripsbepalingen staan de begrippen opgenomen die verder niet in de wet
                    staan</al><al>uitgewerkt. Voor het overzicht is de begrippenlijst uit de Wmo 2015 integraal
                    opgenomen.</al><al>Een <cursief>algemeen gebruikelijke voorziening </cursief>is in principe voor
                    iedereen beschikbaar, of mensen</al><al>nu wel of geen beperking hebben. Een voorbeeld is een elektrische fiets.</al><al>’<cursief>Gebruikelijke hulp’ </cursief>is niet in de verordening, maar in de
                    wet gedefinieerd en is bijvoorbeeld</al><al>de hulp van een partner van de cliënt. Zie ook de wettelijke definitie
                    hieronder.</al><al><cursief>Het gesprek</cursief> is het mondeling contact na een melding waarin
                    het college met degene die</al><al>maatschappelijke ondersteuning vraagt zijn gehele situatie inventariseert ten
                    aanzien van zijn</al><al>mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met
                    hulp van</al><al>andere personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van
                    voorliggende</al><al>voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen
                    of</al><al>maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te
                    voorkomen dat</al><al>hij gebruik moet maken van beschermd wonen of opvang.</al><al>De definities: <cursief>persoonlijk plan </cursief>en <cursief>persoonlijk
                        budgetplan </cursief>benadrukken enerzijds de eigen</al><al>verantwoordelijkheid die de cliënt heeft bij de motivering van zijn hulpvraag
                    en/of de wens om</al><al>de voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget te krijgen en
                    anderzijds is het</al><al>plan onderdeel van de inbreng van de cliënt ten behoeve van het onderzoek.</al><al>Het <cursief>ondersteuningsplan </cursief>beschrijft de ondersteuning die de
                    cliënt nodig heeft en de invulling</al><al>van (een gedeeltelijke) maatwerkvoorziening.</al><al>Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet (in artikel
                    1.1.1) al een flink</al><al>aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Voor de
                    duidelijkheid zijn</al><al>een aantal belangrijke wettelijke definities hieronder weergegeven.</al><lijst><li nr="-"><al>aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college
                            gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te
                            leveren;</al></li><li nr="-"><al>algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder
                            voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en
                            mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op
                            maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="-"><al>begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid
                            en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen
                            leefomgeving kan blijven; </al></li><li nr="-"><al>cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan
                            wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of
                            door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2,
                            eerste lid; </al></li><li nr="-"><al>cliёntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies
                            en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de
                            zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal
                            mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke
                            ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn,
                            wonen, werk en inkomen; </al></li><li nr="-"><al>gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in
                            redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende
                            kinderen of andere huisgenoten;</al></li><li nr="-"><al>maatschappelijke ondersteuning: </al><lijst><li nr="1e"><al>bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en
                                    vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen,
                                    diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid
                                    en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden
                                    van huiselijk geweld,</al></li><li nr="2e"><al>ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van
                                    personen met een beperking of met chronische psychische of
                                    psycho-sociale problemen zoveel mogelijk in de eigen
                                    leefomgeving,</al></li><li nr="3e"><al>bieden van beschermd wonen en opvang;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden
                            van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen,
                            woningaanpassingen en andere maatregelen:</al><lijst><li nr="Ø"><al>ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend
                                    verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger,
                                    het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen,
                                    woningaanpassingen en andere maatregelen,</al></li><li nr="Ø"><al>ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor
                                    noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere
                                    maatregelen,</al></li><li nr="Ø"><al>ten behoeve van beschermd wonen en opvang;</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie,
                            beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van
                            jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de
                            Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen
                            personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader
                            van een hulpverlenend beroep;</al></li><li nr="-"><al>participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;</al></li><li nr="-"><al>persoonsgebonden budget: bedrag waaruit namens het college betalingen
                            worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere
                            maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt
                            van derden heeft betrokken;</al></li><li nr="-"><al>sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met
                            wie de cliёnt een sociale relatie onderhoudt;</al></li><li nr="-"><al>vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt
                            vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke
                            waardering van zijn belangen ter zake;</al></li><li nr="-"><al>voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening;</al></li><li nr="-"><al>zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke
                            algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een
                            gestructureerd huishouden.</al></li></lijst><al>Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal
                    (definitie)bepalingen die</al><al>voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde
                    lid): een verzoek</al><al>van een belanghebbende om een besluit te nemen, en ‘beschikking’ (artikel
                    1:2).</al><tussenkop>Artikel 2. Melding hulpvraag</tussenkop><al> Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan
                    worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel
                    2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet. Daarbij is onder meer
                    bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze
                    een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen of opvang.</al><al>In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het
                    college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke
                    ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Deze bepaling verankert ook
                    in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie.
                    In artikel 2.3.2, negende lid, van de wet is bepaald dat een aanvraag niet kan
                    worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is
                    uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes
                    weken.</al><al>Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is
                    vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het
                    college worden gedaan. Zie de algemene toelichting over mandatering door het
                    college. </al><al>In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer
                    per email) kan worden gedaan indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat
                    deze weg geopend is. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan.
                    Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens
                    vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere
                    betrokkene de melding doen. </al><al>In het eerste lid is met gebruik van de in artikel 1 gedefinieerde term
                    ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die
                    op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden
                    doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de
                    Wet werk en bijstand en de Leerplichtwet. Zie ook de tekst en toelichting van
                    artikel 8, tweede lid.</al><al>In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel
                    2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet). Conform artikel 4:3a van de Awb is het
                    bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende melding te bevestigen. Dat
                    kan dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Indien de melding mondeling
                    of telefonisch is gedaan, zou dit ook kunnen worden afgesproken. </al><al>Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie
                    artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet), is registratie en ontvangstbevestiging
                    van de melding ook in het kader van deze termijn van belang.</al><al>In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet een uitzondering
                    vervat voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht
                    in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te
                    verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de
                    melding.</al><tussenkop>Artikel 3. Cliëntondersteuning</tussenkop><al>Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college
                    in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de wet. De wet
                    adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening
                    een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening
                    opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van
                    rechten en plichten van cliënten te geven. Hierbij is benadrukt dat de
                    cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos is. In de
                    memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14,
                    33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder
                    geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar
                    burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke
                    ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide
                    vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het
                    maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit.</al><al>In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de wet bepaald
                    dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de
                    mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning.</al><tussenkop>Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan</tussenkop><al>Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het
                    eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de
                    melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden
                    gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de
                    gemeente al bekend zijn. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de
                    melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de
                    belanghebbende afspreken van een datum, tijd en plaats voor het gesprek. Tijdens
                    het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen
                    worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over
                    te leggen. </al><al>De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in het tweede lid,
                    is opgenomen overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet. In het kader
                    van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de wet in ieder
                    geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van
                    een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is
                    de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat
                    document ter inzage te geven. Bij de gegevensverzameling op grond van het eerste
                    en tweede lid zullen de grenzen van de Wet bescherming persoonsgegevens in acht
                    genomen moeten worden. </al><al>Op grond van het derde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat
                    een onnodige herhaling van zetten zou betekenen. </al><al>In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet de
                    verplichting voor het college opgenomen om informatie te verschaffen over de
                    mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan
                    het college te overhandigen. Zie ook artikel 5, tweede lid.</al><al>De mogelijkheid een persoonlijk plan in te dienen en de termijn van zeven dagen
                    is gesteld in het aangenomen amendement nr. 70. </al><al>De cliënt wordt daarmee in staat gesteld om op een voor hem of haar passende
                    wijze een persoonlijk plan op te stellen. In het plan kan de cliënt al dan niet
                    tezamen met zijn persoonlijke netwerk de omstandigheden, bedoeld in artikel
                    2.3.2. tweede lid onderdelen a tot en met e. en de maatschappelijke
                    ondersteuning die door hem wordt gewenst, beschrijven. De gemeente is daarmee
                    bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk
                    arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren.</al><tussenkop>Artikel 5. Gesprek</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan
                    worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel
                    2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij onder meer is
                    bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die
                    noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en
                    de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen. </al><al>De onderdelen van het eerste lid zijn overeenkomstig de opsomming in artikel
                    2.3.2 van de wet opgenomen. In artikel 2.3.2, eerste lid, wordt niet de
                    aanduiding “het gesprek” gebruikt maar “een onderzoek in samenspraak met degene
                    door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of
                    mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger”. De memorie van toelichting op
                    deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt
                    dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van
                    persoonlijk contact met betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene,
                    aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie
                    verkregen kan worden. Het eerste lid bepaalt daarom dat het onderzoek moet
                    plaatsvinden in samenspraak met betrokkene. De vorm van het onderzoek is
                    vrij.</al><al>In artikel 5 wordt het onderzoek beschreven. De titel van dit artikel: Gesprek,
                    geeft weer dat het onderzoek in samenspraak met de cliënt plaatsvindt. Het
                    karakter van het onderzoek is dat eerst wordt onderzocht welke mogelijkheden er
                    zijn voor ondersteuning die dichtbij en laagdrempelig georganiseerd kan worden.
                    Een dergelijke ondersteuning zal voor de cliënt vertrouwder en meer beschikbaar
                    kunnen zijn dan ondersteuning die vanuit een organisatie wordt geboden. Tevens
                    wordt door deze aanpak voorkomen dat duurdere vormen van ondersteuning worden
                    ingezet waar het tegen minder kosten kan. Dit laatste betekent niet dat er uit
                    oogpunt van kostenbeheersing ondersteuning wordt ingezet die niet passend is.
                    Doel van het onderzoek is immers dat er gezocht wordt naar passende
                    ondersteuning. </al><al>Passende ondersteuning is passend in de ondersteuningsbehoefte van de cliënt en
                    waar mogelijk effectief en resultaatgericht.</al><al>Passende ondersteuning kan in sommige gevallen al in het eigen netwerk of de
                    eigen omgeving gevonden worden, of in de vorm van een algemene voorziening. </al><al>Door in de toegang te borgen dat het onderzoek in samenspraak met de cliënt
                    plaatsvindt zal een ondersteuningsaanbod dat niet als passend door de cliënt
                    wordt ervaren leiden tot nader onderzoek dan wel tot een inzet om het aanbod wel
                    passend te laten zijn. Bij dit laatste kan gedacht worden aan situaties waarbij
                    de gemeente de cliënt helpt om in zijn omgeving de benodigde ondersteuning te
                    organiseren. Als de passende ondersteuning niet in het eigen netwerk of in de
                    omgeving van de cliënt</al><al>aanwezig is en ook niet in de vorm van een algemene voorziening geboden kan
                    worden dan zal de passende ondersteuning door middel van een maatwerkvoorziening
                    ingevuld worden. Voor de levering van een maatwerkvoorziening in natura wordt
                    een leverancier ingeschakeld en wordt indien nodig in overleg met de leverancier
                    een ondersteuningsplan uitgewerkt (zie toelichting op artikel 8).</al><al>Bij een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb zal de cliënt door middel van
                    een persoonlijk budgetplan de invulling van de ondersteuning aangeven (zie
                    toelichting op artikel 11).</al><al>In het eerste lid is verder benadrukt dat het gesprek met de cliënt wordt
                    gevoerd door deskundigen (namens het college). Het gesprek vindt zo mogelijk bij
                    decliënt thuis plaats. Indien woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker
                    essentieel om de thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende
                    oplossingen te vinden.</al><al>In <vet>onderdeel b</vet> is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat
                    van het verzoek om ondersteuning’ opgenomen. Dit is belangrijk omdat in de
                    woorden van de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33
                    841, nr. 34, blz. 183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke
                    ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de
                    cliënt zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft
                    bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In het
                    wetsvoorstel Wmo 2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal”. </al><al><vet>Onderdeel c</vet>geeft aan dat de burger wordt aangesproken op wat er
                    redelijkerwijze van hemzelf verwacht mag worden (eigen kracht). In het onderzoek
                    worden ook de mogelijkheden van het eigen netwerk van de cliënt meegenomen. Het
                    is aan de cliënt of zijn vertegenwoordigers om de gemeente duidelijkheid te
                    bieden over de mogelijkheden van het eigen netwerk.</al><al>In het onderzoek wordt ook de mogelijkheid van inzet van <cursief>gebruikelijke
                        hulp </cursief>of <cursief>algemenegebruikelijke voorzieningen
                    </cursief>betrokken. </al><al>De gemeente is bekend met de toepassing van “Gebruikelijke Zorg” bij de
                    beoordeling of er hulp bij het huishouden moet worden geboden. Van gebruikelijke
                    zorg is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden
                    geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Bij gebruikelijke zorg wordt
                    rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Tot 18 jaar wordt van
                    huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren bijvoorbeeld door hun eigen
                    kamer schoon te houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het
                    doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas, enz.</al><al>Onder “Gebruikelijke Zorg” valt ook het bieden van gebruikelijke begeleiding
                    zoals:</al><lijst><li nr="-"><al>Het geven van begeleiding op het terrein van de maatschappelijke
                            participatie.</al></li><li nr="-"><al>Het geven van begeleiding binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals
                            familiebezoek,</al></li></lijst><al>huisarts et cetera;</al><al>-Het bieden van hulp bij/overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden
                    horen,</al><al>zoals het doen van de administratie.</al><lijst><li nr="-"><al>Het leren omgaan van derden (familie/vrienden) met de cliënt.</al></li><li nr="-"><al>Het bieden van een beschermende woonomgeving van ouders aan kinderen is
                            tenminste tot een leeftijd van 17 jaar zowel in kortdurende als
                            langdurige situaties gebruikelijk.</al></li></lijst><al>De memorie van toelichting bij de Wmo 2015 geeft “Gebruikelijke Hulp” aan. Met
                    de definitie “Gebruikelijke Hulp” komt het accent te liggen op een ondersteuning
                    die een ieder kan bieden</al><al>en welke niet per definitie als zorg aangemerkt hoeft te worden. </al><al><cursief>Algemeen gebruikelijke voorzieningen </cursief>zijn in principe voor
                    iedereen beschikbaar, of mensen nu wel of geen beperking hebben. Wat in een
                    concrete situatie algemeen gebruikelijk is, hangt vaak af van de geldende
                    maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag. </al><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen hoeven niet vanuit de Wmo te worden
                    verstrekt.</al><al>Een voorziening is algemeen gebruikelijk als die:</al><lijst><li nr="-"><al>niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking én;</al></li><li nr="-"><al>in de reguliere handel verkrijgbaar is én;</al></li><li nr="-"><al>in prijs vergelijkbaar is met soortgelijke producten.</al></li></lijst><al>Heel duidelijk zijn deze criteria niet. De jurisprudentie verwoord het zo: “een
                    voorziening waarvan aannemelijk is te achten dat belanghebbende daarover ook zou
                    hebben beschikt als hij niet gehandicapt was” (zie o.a. CRvB 14-07-2010, nr.
                    09/562).</al><al>Bovendien blijkt uit jurisprudentie dat een voorziening voor de ene persoon wel
                    algemeen gebruikelijk kan zijn en voor de ander niet. Zo kunnen beugels in het
                    toilet voor een persoon van boven de 70 jaar algemeen gebruikelijk zijn, maar
                    voor een jongere persoon die na een ongeluk gehandicapt is geraakt, niet.</al><al>Uitzonderingen op deze criteria kunnen zijn situaties waarin:</al><lijst><li nr="-"><al>de handicap plotseling ontstaat, waardoor algemeen gebruikelijke
                            voorzieningen eerder dan normaal vervangen moeten worden;</al></li><li nr="-"><al>de aanvrager een inkomen heeft, dat door aantoonbare kosten van de
                            handicap onder de voor hem/haar geldende bijstandsnorm dreigt te
                            komen.</al></li></lijst><al>Er is geen complete lijst van voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn, maar
                    voorbeelden</al><al>zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>tandem (met uitzondering van een ouder-kind tandem);</al></li><li nr="-"><al>fiets met lage instap, ligfiets;</al></li><li nr="-"><al>spartamet/tandemmet;</al></li><li nr="-"><al>rollator</al></li><li nr="-"><al>elektrische fiets/tandem (al dan niet met lage instap) voor een persoon
                            van 16 jaar en ouder;</al></li><li nr="-"><al>bakfiets, fietskar, aanhangfiets;</al></li><li nr="-"><al>personenauto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn;</al></li><li nr="-"><al>auto-accessoires: airconditioning, stuurbekrachtiging, elektrisch
                            bedienbare ruiten ,trekhaak;</al></li><li nr="-"><al>eenhendelmengkranen;</al></li><li nr="-"><al>thermostatische kranen;</al></li><li nr="-"><al>keramische of inductie kookplaat;</al></li><li nr="-"><al>verhoogd toilet of toiletverhoger;</al></li><li nr="-"><al>tweede toilet/sanibroyeur;</al></li><li nr="-"><al>renovatie van badkamer en keuken *;</al></li><li nr="-"><al>antislipvloer/coating;</al></li><li nr="-"><al>wandbeugels;</al></li><li nr="-"><al>zonwering (inclusief elektrische bediening);</al></li><li nr="-"><al>ophogen tuin/bestrating bij verzakking.</al></li><li nr="-"><al>ICT hulpmiddelen</al></li></lijst><al>* Bij de Wmo wordt ervan uit gegaan dat elke badkamer of keuken eens in de 20
                    jaar vernieuwd wordt. Bij een aanvraag voor een woningaanpassing van een
                    badkamer en/of keuken wordt rekening gehouden met de leeftijd van de
                    badkamer/keuken. Als een keuken of badkamer ouder is, wordt de financiële
                    tegemoetkoming vanuit de Wmo lager.</al><al>In <vet>onderdeel d </vet>wordt het onderzoek naar de mogelijkheden van de
                    mantelzorg of andere personen uit het sociale netwerk van de cliënt aangegeven.
                    Het werk van mantelzorgers draagt in het algemeen veel bij aan de kwaliteit van
                    leven van de cliënt.</al><al>Mantelzorg is langdurige zorg die niet in het kader van hulpverlening wordt
                    aangeboden.</al><al>Mantelzorg wordt aangeboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens
                    omgeving waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale
                    relatie en de gebruikelijke zorg overstijgt.</al><al>In de Wmo 2015 blijft mantelzorg in principe vrijwillig. Wel krijgen gemeenten
                    vanuit de Wmo 2015 de opdracht om eerst na te gaan of het probleem van de cliënt
                    met inzet van eigen netwerk kan worden opgelost. Dat zou kunnen inhouden dat met
                    de het eigen sociaal netwerk/mantelzorger wordt afgesproken dat deze boven
                    gebruikelijke zorg levert. Bij deze afweging dient de gemeente de belangen en de
                    draagkracht van de mantelzorger mee te wegen.</al><al>In <vet>onderdeel e</vet>staat het onderzoek naar de behoefte aan maatregelen
                    ter ondersteuning van</al><al>de mantelzorger van de cliënt aangegeven.</al><al>Het op basis van maatwerk goed ondersteunen van mantelzorgers voorkomt vaak
                    zwaardere</al><al>zorg, omdat mantelzorgers dan langer en beter in staat blijven de mantelzorg vol
                    te houden.</al><al>Deze ondersteuning kan in de vorm van algemene voorzieningen, zoals: scholing
                    van mantelzorgers, het bieden van advies en informatie of lotgenotencontact, het
                    beschikbaar stellen van een “mantelzorgmakelaar” of een digitaal
                    matchingssysteem, voor vraag een aanbod van vrijwilligers. Een belangrijke vorm
                    van ondersteuning kan zijn het bieden van respijtzorg, dat wil zeggen: zorg
                    waardoor een mantelzorger tijdelijk ontlast wordt van zijn taak.</al><al>In <vet>onderdeel f</vet>wordt de mogelijkheid aangegeven om met gebruikmaking
                    van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijke nuttige
                    activiteiten te komen tot verbetering van de zelfredzaamheid of de participatie,
                    zodat een beroep op maatwerkvoorzieningen wordt voorkomen. Algemene
                    voorzieningen zijn toegankelijk voor alle ingezetenen en kunnen variëren van
                    verbetering van de toegankelijkheid van gebouwen en voorzieningen, het lokale
                    vervoer en de toegankelijkheid van informatie. Algemene voorzieningen met een
                    specifieker karakter zijn: klussendienst, was- en strijkservice, een
                    maaltijdvoorziening, sociaal vervoer, informele buurtzorg, sociaal-culturele
                    voorzieningen, opvang voor dak- en thuislozen die uitsluitend bestaat uit slapen
                    en eten zonder verdere ondersteuning of meer specifiek, winteropvang.</al><al>Onder algemene voorzieningen wordt verstaan:</al><al>Een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar
                    de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk
                    is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie, of
                    op opvang. De zin ”zonder voorafgaand onderzoek toegankelijk” moet wel in de
                    context worden bekeken. Het betekent in dit verband dat de gemeente voor deze
                    voorziening geen beschikking afgeeft. De voorziening in kwestie zal wel een
                    toegangstoets doen of iemand tot de doelgroep van de voorziening behoort.
                    Bijvoorbeeld: om gebruik te maken van een passantenverblijf zal de cliënt moeten
                    aantonen dat hij dakloos is.</al><al>Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn:</al><al>Kinderopvang/Peuterspeelzalen</al><al>Boodschappendiensten supermarkten</al><al>Glazenwasser</al><al>Tuinonderhoud</al><al>Algemeen maatschappelijk werk</al><al>Schuldhulpverlening en budgettering</al><al>Welzijnswerk (voor ouderen)</al><al>Jongerenwerk</al><al>Informatie en advieswerk</al><al>Formulierenbrigade</al><al>Klussendienst</al><al>Was- en strijkservices</al><al>Sportvoorzieningen</al><al>Maaltijdvoorziening</al><al>Passantenverblijf voor dak- en thuislozen</al><al>Sociale alarmering</al><al>Cliëntondersteuning (kosteloos)</al><al>Scootmobielpool</al><al>Budgetcursussen</al><al><cursief>Primaat van verhuizen</cursief>.</al><al>Bij aanpassingen die duurder zijn dan € 15.000 zal het primaat van verhuizen
                    worden toegepast naar een andere woning, die met minder of geen aanpassingen
                    geschikt is voor de cliënt.</al><al>-Tot € 15.000 heeft de cliënt de keuze tussen het aanpassen van de huidige
                    woning en te</al><al>verhuizen naar een geschikte woning. De totale kosten worden vastgesteld
                    a.d.h.v. de kosten</al><al>die nodig zijn voor de maatwerkvoorziening.</al><al>-Wanneer de aanpassing duurder zal zijn dan € 15.000 geldt het primaat van
                    verhuizen. Dat</al><al>wil zeggen dat als vast staat dat een aanpassing noodzakelijk is en de kosten
                    meer bedragen</al><al>dan € 15.000 er eerst beoordeeld moet worden of een goedkoper en gemakkelijker
                    aan te</al><al>passen woning een oplossing is. Wanneer een aanpassing meer gaat kosten dan €
                    15.000 is het uit kostenoogpunt belangrijk na te gaan of er niet al een woning
                    beschikbaar is waar de benodigde aanpassingen al (grotendeels) aangebracht zijn </al><tussenkop>Maatschappelijk nuttige activiteiten</tussenkop><al>De inzet van cliënten in <cursief>maatschappelijk nuttige activiteiten
                    </cursief>heeft in het kader van de Wmo</al><al>2015 geen dwingend karakter, de cliënt kan niet gedwongen worden om “in ruil
                    voor” de</al><al>ondersteuning zulke activiteiten te verrichten op straffe van het verliezen van
                    die</al><al>ondersteuning. Vanuit de gedachte dat de cliënt die maatschappelijke
                    ondersteuning ontvangt</al><al>zichzelf kan helpen door het verrichten van die activiteiten zal het in het
                    onderzoek worden</al><al>meegenomen.</al><al><vet>Onderdeel g</vet>geeft het onderzoek aan met betrekking tot de
                    mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met
                    zorgverzekeraars en zorgaanbieders en andere partijen in het maatschappelijk
                    dienstenaanbod te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke
                    ondersteuning.</al><al><cursief>Voorliggende voorzieningen</cursief>:</al><al>Bij elke aanvraag voor een individuele Wmo-voorziening moet worden bezien of er
                    voor de gevraagde voorziening een wettelijke voorliggende voorziening is. Zo ja,
                    dan is er geen recht op enige vorm van maatschappelijke ondersteuning in het
                    kader van de Wmo, dus ook niet op individuele Wmo-voorzieningen.</al><al>De Wmo-doelgroep voor individuele voorzieningen zal soms ook een beroep kunnen
                    doen op voorzieningen uit andere diverse andere wetten. Vaak gaat het dan om
                    wettelijke regelingen met voorzieningen voor een bepaalde doelgroep of voor een
                    bepaald doel, zoals: </al><al>voorzieningen en zorg die op grond van de Zorg verzekeringswet en de Wet
                    langdurige zorg worden geleverd.</al><al>Los van wettelijke voorzieningen zij er ook particuliere fondsen, waaruit
                    voorzieningen worden betaald. Uiteraard zijn die niet voorliggend. Wel kan de
                    gemeente op deze mogelijkheden wijzen.</al><al><cursief>Samenwerking gemeenten, zorgverzekeraars, aanbieders en andere
                        partijen</cursief>:</al><al>De mogelijkheden om hiermee de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning in te
                    vullen zal gezocht moeten worden in een samenwerking gericht op: preventie,
                    integrale zorg en ondersteuning. Dit speelt met name een rol in de situatie
                    waarbij er sprake is van samenloop van zorg (vanuit ZvW) en maatschappelijke
                    ondersteuning (vanuit de gemeente). Andere partijen, zoals corporaties kunnen
                    met de invulling van het woningaanbod voorliggende mogelijkheden in huisvesting
                    bieden waardoor op de kosten van maatwerkvoorzieningen bespaard kan worden.
                    Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan het afgeven van indicatiestellingen die voor
                    aangepaste woningen, zodat burgers die een aangepaste woning nodig hebben met
                    voorrang voor een dergelijke woning in aanmerking komen. </al><al>In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet
                    verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk
                    plan betrekt bij het onderzoek. </al><al>Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet
                    nodig is (zie het vierde lid). Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al
                    bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft. </al><tussenkop>Artikel 6. Verslag</tussenkop><al>Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en
                    een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de
                    wet opgenomen. </al><al>Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze
                    verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden voortgeborduurd op de praktijk van
                    de Wmo. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3,
                    p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van
                    het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een
                    maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt
                    het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op
                    een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt.
                    Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de
                    uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld
                    heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de
                    uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij
                    meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk
                    zijn. Desgewenst kan de gemeente de schriftelijke weergave van de uitkomsten van
                    het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan
                    (arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie
                    waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn
                    vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan
                    ondertekenen. Indien een persoonlijk plan is overhandigd, wordt dit plan ook
                    opgenomen of toegevoegd aan het verslag.</al><al>Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog
                    moeten worden uitgewerkt en gaat daar een paar dagen overheen. Daarom begint het
                    tweede lid met de zinsnede “Na het gesprek”. Het kan overigens ook zijn dat na
                    een gesprek de cliënt bijvoorbeeld nog onderzoekt wat er in zijn omgeving
                    mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om boodschappen te
                    doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Ook dan is een paar dagen
                    tijd na het gesprek nuttig. Als de cliënt niet binnen 5 werkdagen reageert kan
                    de gemeente de termijn opschorten, zodat</al><al>de afhandelingsduur niet wordt overschreden.</al><tussenkop>Artikel 7. Aanvraag</tussenkop><al>Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede
                    lid, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in
                    ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een
                    maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of
                    opvang in aanmerking komt. De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na
                    de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede
                    lid). In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening
                    wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag
                    tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het bestuursorgaan
                    dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen (hier het college), tenzij bij
                    wettelijk voorschrift anders is bepaald. </al><al>In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem
                    gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger (zie voor een definitie van
                    vertegenwoordiger de toelichting onder artikel 1) een aanvraag kan indienen. Dit
                    is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan
                    doen. Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat
                    om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de
                    formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. </al><al>Een aanvraag die niet is ingediend met gebruikmaking van een aanvraagformulier
                    hoeft niet in behandeling genomen te worden.</al><al>Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het tweede lid de
                    mogelijkheid opgenomen om een door de cliënt ondertekend verslag als aanvraag
                    aan te merken.</al><tussenkop>Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening</tussenkop><al>In artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet is bepaald dat de raad bij
                    verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan
                    vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid,
                    participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van
                    toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 134)
                    wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op
                    maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van
                    inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur
                    per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in
                    iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de
                    verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden
                    verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria
                    meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een
                    maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt. </al><al>In het (toegevoegde) vierde lid staat het ondersteuningsplan opgenomen. De
                    invulling van de</al><al>maatwerkvoorziening, de afspraken over de levering en het te beoogde resultaat
                    met de</al><al>maatwerkvoorziening worden in samenspraak met de cliënt en eventueel de
                    leverancier</al><al>zonodig in een ondersteuningsplan uitgewerkt. Dit kan met name zinvol zijn als
                    met</al><al>ondersteuning van de maatwerkvoorziening de zelfredzaamheid en de participatie
                    van de</al><al>cliënt kan worden bevorderd. Voor de betrokken partijen geeft het duidelijkheid
                    als dit in een</al><al>plan staat uitgewerkt.</al><al>In het tweede lid onder b staat de maatwerkvoorziening voor beschermd wonen en
                    maatschappelijke opvang opgenomen. Deze voorzieningen worden in een
                    samenhangende lijn gebracht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de
                    verschillende fasen en daarmee is het karakter van de voorziening ook anders. Op
                    die wijze kan maatschappelijke opvang als gevolg van dakloosheid via de route
                    van opvang en vervolghuisvesting naar volledig herstel leiden, dan wel naar
                    (vormen van) beschermd wonen. Beschermd wonen kent daarnaast een eigen, directe
                    toegang voor mensen die daarvoor in aanmerking komen zonder dat dakloosheid
                    daaraan is vooraf gegaan. Het doel is zelfstandig, begeleid zelfstandig of
                    beschermd in de samenleving te participeren.</al><al>Maatwerk “plus” </al><al>De maatschappelijke opvang en vrouwenopvang heeft een bijzondere plek binnen de
                    algemene voorzieningen. De eerste fase van deze opvang heeft meestal het
                    karakter van directe of crisisopvang. Na een paar dagen wordt duidelijk of het
                    een traject zal komen naar herstel of weer zelfstandig functioneren. De eerste
                    fase van de maatschappelijke opvang en vrouwenopvang is te typeren als een
                    algemene voorziening maar wel een “plus” variant. Deze algemene voorziening is
                    enerzijds laagdrempelig en regelarm (er wordt geen beschikking afgegeven en er
                    kan snel worden gehandeld) en anderzijds maakt het doorstroom naar een
                    maatwerkvoorziening mogelijk als er langer of specialistische ondersteuning
                    nodig is.</al><al>Behalve de eerste opvangfase is maatschappelijke opvang en vrouwenopvang dan ook
                    een maatwerkvoorziening.</al><tussenkop>Artikel 9. Advisering</tussenkop><al>Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een
                    aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek
                    naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht. </al><al>Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of
                    afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de
                    adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is. </al><al>In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De
                    cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die
                    redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.</al><al>Het kan nodig zijn advies in te winnen van een deskundige die vertrouwd is met
                    de problematiek van de cliënt met een psychiatrische geschiedenis of een
                    specifieke beperking die nadere toelichting vraagt. Bij de beoordeling van de
                    toegang tot opvang en Beschermd wonen kan de advisering door derden en/of een
                    medisch adviseur nodig zijn.</al><tussenkop>Artikel 10. Inhoud beschikking</tussenkop><al>Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in ‘natura’
                    krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het
                    toekennen van een budget. </al><al>De beschikking bevat:</al><lijst><li nr="-"><al>een omschrijving van het leefgebied(en) waarvoor de Burger de aanvraag
                            heeft ingediend.</al></li><li nr="-"><al>de te verstrekken maatwerkvoorziening (met het omschrijven van de
                            leefgebieden kunnen de beoogde resultaten concreet worden
                            aangegeven</al></li><li nr="-"><al>het beoogde resultaat van de inzet van deze voorziening t.a.v. de
                            aangegeven</al></li></lijst><al>leefgebieden (bijvoorbeeld: cliënt geeft aan problemen te ondervinden in de
                    dagelijkse</al><al>verplaatsingen in en om het huis, beoogd resultaat: verbetering van de
                    mobiliteit in en om</al><al>het huis. (tweede lid en derde lid onder a.)</al><lijst><li nr="-"><al>de ingangsdatum en duur van de verstrekking (tweede lid onder b en derde
                            lid onder d).</al></li><li nr="-"><al>de relevante andere voorzieningen die worden ingezet of ingezet kunnen
                            worden om het</al></li></lijst><al>resultaat te bereiken.</al><al>Tweede lid, onder a, en derde lid, onder a: het beoogde resultaat is
                    bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en</al><al>niet ‘een scootmobiel’. Zie ook de toelichting op artikel 5, eerste lid, onder
                    b.</al><al>Tweede, onder b, en derde lid, onder d: het bepalen van de ‘duur’ voor
                    dienstverlening is in</al><al>principe maatwerk en is mede afhankelijk van het te bereiken resultaat en de
                    eventuele</al><al>afspraken daarover met de zorgaanbieder. Bij langdurige dienstverlening wordt de
                    duur op</al><al>maximaal 5 jaar gesteld.</al><al>De duur van de materiële verstrekking wordt gesteld op de termijn waarop een
                    voorziening technisch is afgeschreven.</al><al>Het vierde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt
                    niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt
                    immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie
                    artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de wet, waarin is bepaald datde
                    bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met
                    uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd
                    door het CAK.</al><tussenkop>Artikel 11. Regels voor pgb </tussenkop><al>Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Als
                    aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een
                    verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen
                    wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6,
                    tweede lid, onder b). Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat
                    duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te
                    vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14,
                    33 841, nr. 103).</al><al>Het tweede lid geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten
                    te declareren. </al><tussenkop>Persoonlijk budgetplan (voor dienstverlening):</tussenkop><al>Het derde lid heeft betrekking op de vaststelling van het tarief. Het tarief is
                    onder andere gebaseerd op een door de cliënt opgesteld persoonlijk budgetplan
                    over de besteding van het PGB.</al><al>In het persoonlijk budgetplan legt de aanvrager vast:</al><lijst><li nr="-"><al>Waar hij de ondersteuning inkoopt</al></li><li nr="-"><al>Hoe de ondersteuning bijdraagt aan de gestelde resultaten</al></li><li nr="-"><al>De borging dat het pgb toereikend is om effectieve en kwalitatieve
                            ondersteuning in te kopen</al></li></lijst><al>Aan de hand van het persoonlijk budgetplan kan beoordeeld worden of de cliënt
                    voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 2.3.6. van de wet waarin
                    staat aangegeven dat een pgb wordt verstrekt, indien de cliënt:</al><al>-Op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering
                    van zijn</al><al>belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk dan wel van een
                    curator,</al><al>bewindvoerder, mentor of gemachtigde, in staat is te achten de aan een pgb</al><al>verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;</al><al>-Zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als
                    pgb</al><al>wenst geleverd te krijgen;</al><al>-Waarborgt dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere</al><al>maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren veilig, doeltreffend en</al><al>cliëntgericht worden verstrekt.</al><al>Door middel van periodieke gesprekken met de pgb-houder wordt aan de hand van
                    het</al><al>persoonlijk budgetplan onderzocht of:</al><lijst><li nr="-"><al>Of het pgb bijdraagt aan het resultaat</al></li><li nr="-"><al>Of het pgb borgt dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en
                            andere</al></li></lijst><al>maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren veilig, doeltreffend en</al><al>cliëntgericht worden verstrekt.</al><tussenkop>Wijze van vaststelling van de hoogte van het pgb: </tussenkop><al>Het derde tot en met vijfde lid berusten op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b,
                    van de wet.</al><al>Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze
                    de hoogte van</al><al>een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet
                    zijn.</al><al>Voor het vaststellen van het recht op persoonsgebonden budget wordt gebruik
                    gemaakt van</al><al>het door de cliënt opgestelde persoonlijk budgetplan. Voor de vaststelling van
                    de hoogte van</al><al>het pgb zal een vergelijking met de kostprijs van de in de betreffende situatie
                    goedkoopst</al><al>adequate maatwerkvoorziening in natura worden gemaakt. </al><al>Bij toekenning van de, op het persoonlijk budgetplan gemotiveerde, pgb, is er
                    sprake van een</al><al>pgb verstrekking aan een burger die voldoet aan de voorwaarden uit de wet en die
                    het pgb</al><al>gaat inzetten voor een verantwoorde ondersteuning.</al><al>De hoogte van het pgb zal afhankelijk zijn van de vraag of er inzet is van
                    ondersteuning door een hulpverlener die werkt volgens de kwaliteitsstandaarden
                    of inzet van hulpverleners die niet volgens deze standaarden werken (zoals
                    werkstudenten, zzp-ers zonder diploma’s e.d.). Verder kan de hoogte van het pgb
                    afhankelijk zijn de inzet van een hulpverlener uit een grotere organisatie waar
                    meer overhead is of een klein bedrijf of zzp-er zonder overhead of maar een
                    beperkte overhead.</al><al>Het college kan hier nadere criteria of regels voor stellen. </al><tussenkop>Pgb voor ondersteuning vanuit sociaal netwerk:</tussenkop><al>Gelet op de definitie dat onder het sociaal netwerk naast personen uit de
                    huiselijke kring ook</al><al>personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt wordt verstaan heeft
                    de regering</al><al>aangegeven dat mantelzorgers onder het sociale netwerk kunnen vallen.</al><al>Om te voorkomen dat het verstrekken van pgb aan het sociaal netwerk een
                    aanzuigende</al><al>werking veroorzaakt is de regering van mening dat de beloning van het sociale
                    netwerk in elk</al><al>geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp
                    (zie toelichting op</al><al>artikel 5, lid 1 onder c) overstijgt en dit
                        <onderstreept>aantoonbaar</onderstreept> tot betere en effectievere
                    ondersteuning</al><al>leidt en <onderstreept>aantoonbaar</onderstreept> doelmatiger is. De beoordeling
                    van persoonlijk budgetplan zal ook bij de</al><al>beoordeling van de inzet van de hulp uit het sociale netwerk als instrument
                    dienen. In het</al><al>persoonlijk budgetplan zal bij inzet van de hulp uit het sociale netwerk, naast
                    de eerder in de</al><al>toelichting genoemde onderdelen van het persoonlijk budgetplan, een extra
                    motiveringseis</al><al>worden meegenomen waarbij de cliënt aangeeft waarin de gebruikelijke hulp
                    wordt</al><al>overstegen en hoe de hulp uit het sociale netwerk bijdraagt aan het bereiken van
                    het</al><al>resultaat.</al><al>Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt
                    hierbij in</al><al>ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld).
                    Informele hulp bij</al><al>hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed
                    denkbaar.</al><al>Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat
                    slechts</al><al>een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd
                    dat de in te</al><al>kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen
                    veilig,</al><al>doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder
                    c, van de wet).</al><al>Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid,
                    onder c, van de wet</al><al>weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en
                    andere</al><al>maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het
                    persoonsgebonden</al><al>budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet).</al><al>In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39)
                    is vermeld dat</al><al>de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een
                    percentage</al><al>van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van
                    adequate</al><al>ondersteuning in natura. In de verordening is bepaald dat het pgb voor de inzet
                    van een sociaal netwerk 75% is van de kostprijs van de van de inde betreffende
                    situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura. </al><tussenkop>Het tarief voor een pgb:</tussenkop><al>De wet geeft aan dat de gemeente in de Verordening moet opnemen op welke wijze
                    de</al><al>hoogte van het pgb in de gemeente wordt vastgesteld.</al><al>Op grond van artikel 2.3.5. is het college gehouden een tarief voor een pgb vast
                    te stellen</al><al>dat redelijkerwijs noodzakelijk is te achten om de cliënt in staat te stellen
                    tot zelfredzaamheid</al><al>of participatie.</al><al>De kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening
                    in natura</al><al>wordt als uitgangssituatie genomen. Het op de kostprijs gebaseerde pgb is
                    toereikend voor</al><al>de aanschaf en kan indien nodig aangevuld worden met een vergoeding voor
                    onderhoud en</al><al>verzekering.</al><al>De pgb-bedragen worden jaarlijks opnieuw vastgesteld via het Besluit
                    maatschappelijke</al><al>ondersteuning van de gemeente Wormerland. Voor zorg ingekocht bij een
                    zorginstelling geldt een hoger tarief dan voor kleine zelfstandigen of
                    instellingen met een lage overhead. De maximale hoogte van het pgb tarief voor
                    een dienst wordt begrensd op 100% van de kostprijs van de maatwerkvoorziening in
                    natura. Een pgb is doorgaans goedkoper dan zorg in natura, omdat er minder
                    overheadkosten hoeven te worden meegerekend. Bij de inzet van het sociaal
                    netwerk geldt een tarief van 75% gehanteerd voor van de goedkoopst adequate vorm
                    van dienstverlening in natura. Het college kan nadere regels stellen met
                    betrekking tot de hoogte en de wijze van vaststellen van de hoogte van het pgb
                    in het Besluit maatschappelijke ondersteuning. </al><tussenkop>Tarief pgb hoger dan de kosten van de maatwerkvoorziening:</tussenkop><al>Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb
                    hoger</al><al>zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder
                    a, van de wet).</al><al>De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod
                    van het</al><al>college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd
                    kan</al><al>worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen
                    gewenste</al><al>aanbieder hoger is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college
                    weigert dan</al><al>het PGB voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde
                    aanbod.</al><al>Deze situaties kunnen zich voordoen doordat de gemeente vanwege
                    inkoopvoordelen</al><al>maatwerkvoorzieningen goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf</al><al>ondersteuning inkoopt met een pgb.</al><al>Voor bepaalde producten is het niet mogelijk een pgb toe te kennen. Het
                    Aanvullend</al><al>openbaar vervoer (AOV) wordt niet in de vorm van een pgb verstrekt.</al><tussenkop>Hoogte pgb voor een materiële verstrekking.</tussenkop><al>Bij een materiële verstrekking wordt het pgb afgestemd op de kostprijs van de
                    verstrekking</al><al>als deze in natura zou zijn verstrekt. Het pgb wordt afgestemd op de
                    technische</al><al>afschrijvingsduur van een naturaverstrekking als de pgb-houder een tweedehands
                    artikel</al><al>aanschaft. Kosten voor onderhoud en verzekering worden in het pgb
                    meegenomen.</al><tussenkop>Artikel 12. Regels voor bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene
                    voorzieningen </tussenkop><tussenkop>Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met
                    derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de wet.</tussenkop><al/><tussenkop>De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van
                    algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen. De bijdragen in de kosten van
                    algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. In
                    de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr.
                    34, blz. 95) staat hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door
                    hen de mogelijkheid te bieden om in de verordening te bepalen welke eigen
                    bijdrage een cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het
                    bieden van deze beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier
                    verstandig mee omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige
                    informatievoorziening uit zal sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er
                    zelf belang bij om een algemene voorziening (financieel) laagdrempelig te maken,
                    zodat de druk op vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt.</tussenkop><tussenkop>De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot
                    een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening (artikel 2.1.4, derde lid,
                    eerste zin, van de wet) en in het Besluit maatschappelijke ondersteuning worden
                    regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid,
                    van de wet). De bijdrageregels in de verordening moeten passen binnen de kaders
                    die het Besluit maatschappelijke ondersteuning stelt.</tussenkop><tussenkop>Artikel 13. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in
                    ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van
                    voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten
                    daaronder begrepen<cursief>.</cursief></al><al>De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij
                    de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te
                    bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen.
                    Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te
                    schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op
                    artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841,
                    nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de
                    wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn.
                    De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte
                    voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te
                    werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. </al><al>In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen
                    uitgewerkt. Het in het tweede lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek
                    is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet.</al><tussenkop>Artikel 14. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of
                    terugvordering</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
                    vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval
                    regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet<cursief>.</cursief></al><al>Het eerste, tweede en vierde lid bevatten een herhaling van hetgeen al in de
                    tekst van de wet is opgenomen (artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Met opname van
                    deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de
                    regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een
                    maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van
                    de wet.</al><al>Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling
                    dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing
                    tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het
                    college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken.
                    Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het tweede
                    lid, onder e (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet). </al><al>In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van
                    kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in
                    geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening
                    of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag
                    bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1
                    (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast
                    de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen;
                    ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening
                    terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening
                    uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt<cursief>.’
                    </cursief></al><al>In het vijfde en zesde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de
                    bevoegdheid geven tot terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte
                    voorzieningen.</al><tussenkop>Artikel 15. Jaarlijkse waardering mantelzorgers</tussenkop><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6
                    van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze
                    het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de
                    mantelzorgers van cliënten in de gemeente.</al><al>Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de
                    gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die
                    gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door
                    of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van
                    cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op
                    basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend,
                    zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten
                    wonen.</al><tussenkop>Artikel 16. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door
                    derden</tussenkop><al>Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling
                    van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten
                    (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten
                    aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden
                    gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                    levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit
                    daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening
                    gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de
                        arbeidsvoorwaarden<cursief>.</cursief></al><al>Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de
                    uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het
                    college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te
                    houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs
                    voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.
                    Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de
                    arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten
                    minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die
                    daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden
                    aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.</al><tussenkop>Artikel 17. Klachtregeling</tussenkop><al>De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke
                    behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van
                    personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam
                    zijn.</al><al>In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders
                    opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3,
                    tweede lid, onder e, van de wet, waarin is bepaald datin de verordening in ieder
                    geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de
                    afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien
                    van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op
                    te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet).</al><al>In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.
                    57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen
                    niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan
                    ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de
                    wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan
                    deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder,
                    dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde
                    maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de
                    medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of
                    (on)bereikbaarheid van de aanbieder). </al><al>Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk
                    deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen
                    vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook
                    snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de
                    gemeente voor het indienen van de klacht open.</al><al>In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 18. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke
                    ondersteuning</tussenkop><al>Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet,
                    waarin is bepaald datin ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke
                    voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen
                    besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. </al><al>In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de
                    aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht
                    cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde
                    regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt
                    via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan
                    gemeenten overgelaten. </al><al>In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling
                    voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de
                    in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling
                    op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet).</al><al>In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te
                    zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt
                    uitgevoerd.</al><tussenkop>Artikel 19. Betrekken van de Adviesraad Sociaal Domein bij het
                    beleid</tussenkop><al>De raad heeft in de regeling Adviesraad Sociaal Domein bepaald dat de Adviesraad
                    Sociaal Domein zowel het college als de raad adviseert over het te voeren
                    Wmo-beleid. Vanuit die rol wordt de Adviesraad Sociaal Domein ook actief
                    gevraagd om te adviseren over het Wmo-beleid, concept verordeningen of nadere
                    regels. Daarnaast heeft de Adviesraad Sociaal Domein een signalerende taak. De
                    vergaderingen van de Adviesraad Sociaal Domein zijn openbaar. </al><tussenkop>Artikel 20 Evaluatie</tussenkop><al>In de Wmo 2015 staan regels over een wettelijk uit te voeren evaluatie. Het
                    college krijgt in ieder geval te taak om jaarlijks te onderzoeken hoe de
                    cliënten de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning ervaren en de
                    resultaten te publiceren voor 1 juli. Bij nadere regeling stelt de Minister
                    regels gesteld over de inrichting van het onderzoek en kunnen regels worden
                    gesteld ten aanzien van de gegevensverstrekking aan de Minister van de behaalde
                    resultaten van het gemeentelijk beleid. In het beleidsplan wordt dit nader
                    uitgewerkt. De op grond hiervan verkregen informatie kan basis zijn voor een
                    tweejaarlijkse evaluatie van het door de gemeente gevoerde Wmo-beleid. </al><al/><tussenkop>Artikel 20. Intrekking oude verordening en overgangsrecht</tussenkop><al>In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op
                    basis van de oude verordening. In het derde lid is bepaald dat aanvragen die
                    voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop
                    bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van de
                    nieuwe verordening. Daarnaast bevat de wet nog overgangsrecht voor AWBZ cliënten
                    die overgaan naar de Wmo en voor de doelgroep beschermd wonen (zie de artikelen
                    8.1 tot en met 8.4 van de wet).</al><tussenkop>Artikel 21. Hardheidsclausule</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich en behoeft geen andere toelichting. </al><tussenkop>Artikel 22. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich en wordt niet nader toegelicht.</al><tussenkop>Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich en wordt niet nader toegelicht.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>