<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR344337_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende zaakbelastingen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ten Boer</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-07-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ten Boer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende zaakbelastingen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening op de heffing en de invordering van onroerende zaakbelastingen 2015
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>
            <vet>Nr. </vet>De raad van de gemeente Ten Boer;</al>
          <al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van </al>
          <al>11 november 2014</al>
          <al>gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;</al>
          <al>
            <vet>b e s l u i t :</vet>
          </al>
          <al>vast te stellen de volgende verordening:</al>
          <al>
            <vet>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende
                        zaakbelastingen 201</vet>
            <vet>5</vet>
            <vet>.</vet>
          </al>
          <al>(verordening onroerende zaakbelastingen 2015)</al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Belastingplicht</titel>
          </kop>
          <al>1 Onder de naam ‘onroerende zaakbelastingen’ worden ter zake van binnen de
                        gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al>
          <al> a een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar
                        een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet
                        krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt,
                        verder te noemen: gebruikersbelasting;</al>
          <al> b een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar
                        van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt
                        recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.</al>
          <al>2 Bij de gebruikersbelasting wordt:</al>
          <al> a gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik
                        is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft
                        gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de
                        belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is
                        gegeven;</al>
          <al> b het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor voltijdig
                        gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter
                        beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking
                        heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan
                        wie die zaak ter beschikking is gesteld.</al>
          <al>3 Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens
                        eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het
                        kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij
                        blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit
                        of beperkt recht is.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Belastingobject</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1</lidnr>
            <al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2</lidnr>
            <al> Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die
                            op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is
                            vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend
                            aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
                            dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Maatstaf van heffing</titel>
          </kop>
          <al>1 De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                        waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor
                        het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al>
          <al>2 Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld
                        op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de
                        heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                        toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20,
                        tweede lid van de Wet waardering onroerende zaken.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Vrijstellingen</titel>
          </kop>
          <al>1 In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij het bepalen van de
                        heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is
                        geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde
                        van:</al>
          <al> a ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde
                        cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond
                        van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt
                        van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te
                        gebruiken;</al>
          <al> b glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt
                        van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a
                        bedoelde grond;</al>
          <al> c onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst
                        of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                        levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van
                        zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al>
          <al> d één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de
                        Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de in artikel 1,
                        derde lid, onderdeel b, van die wet bedoelde voorwaarden met uitzondering
                        van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;</al>
          <al> e natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
                        zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met
                        volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend
                        het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;</al>
          <al> f openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een
                        en ander met inbegrip van kunstwerken;</al>
          <al> g waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
                        organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met
                        uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al>
          <al> h werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater
                        en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van
                        publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
                        zodanige werken die dienen als woning;</al>
          <al> i werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder
                        dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die
                        niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken.</al>
          <al> j onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de
                        publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige
                        onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van
                        onderwijs;</al>
          <al> k straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen –
                        niet zijnde gebouwen – welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van
                        het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente,
                        zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten,
                        fonteinen, banken, abri’s, hekken en palen;</al>
          <al> l plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn
                        of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt
                        recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen
                        als woning;</al>
          <al> m begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen
                        van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al>
          <al> n gebouwde en ongebouwde eigendommen, welke in hoofdzaak worden gebruikt
                        voor de sportbeoefening door niet-commerciële sportverenigingen;</al>
          <al> o onroerende zaken die zijn bestemd voor het geven van onderwijs. </al>
          <lijst>
            <li nr="2"><al>De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste
                                lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet
                                voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht.</al></li>
            <li nr="3"><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                                heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking
                                gelaten de waarden van gedeelten van de onroerende zaak die in
                                hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                                woondoeleinden.</al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Belastingtarieven</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                            heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:</al>
            <lijst>
              <li nr="a."><al>de gebruikersbelasting 0,2333%;</al></li>
              <li nr="b."><al>de eigenarenbelasting </al></li>
            </lijst>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1892%;</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,3169%.
                        </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Indien de heffingsmaatstaf van de onroerende zaak beneden € 2.500
                            blijft, wordt geen belasting geheven.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Wijze van heffing</titel>
          </kop>
          <al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Termijnen van betaling</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>De aanslagen moeten worden betaald in drie gelijke termijnen waarvan de
                            eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in
                            de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende
                            termijnen telkens een maand later.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>De belastingschuldige kan machtiging tot automatische incasso verlenen.
                            Het minimum termijnbedrag bedraagt € 10. Ingeval een machtiging tot
                            automatische incasso is verleend, wordt het aantal termijnen bepaald
                            door het totale bedrag van het gecombineerde aanslagbiljet gemeentelijke
                            belastingen te delen door het minimum termijnbedrag, met dien verstande
                            dat het aantal termijnen niet meer dan tien bedraagt. De eerste termijn
                            vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de
                            dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende
                            termijnen telkens een maand later.</al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>3.</lidnr>
            <al>De in het tweede lid bedoelde machtiging tot automatische incasso wordt
                            geacht niet te zijn verleend indien drie van de tien termijnen niet zijn
                            betaald doordat automatische incasso van de betaalrekening van de
                            belastingschuldige niet mogelijk blijkt dan wel binnen één maand na
                            afschrijving zijn gestorneerd. Alsdan gelden de betaaltermijnen als
                            bedoeld in het eerste lid.</al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel>
          </kop>
          <al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering van de onroerende
                        zaakbelastingen.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel>
          </kop>
          <lijst>
            <li nr="1"><al>De ‘Verordening onroerende zaakbelastingen 2014’ van 27 november
                                2013, nr. 9, wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2015, met
                                dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten
                                die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></li>
            <li nr="2"><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015
                                welke datum tevens de datum van ingang van de heffing is. </al></li>
          </lijst>
          <al>3 Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening onroerende
                        zaakbelastingen 2015’.</al>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van de gemeente</ondertekening>
        <ondertekening>Ten Boer van 26 november 2014</ondertekening>
        <ondertekening>De voorzitter,</ondertekening>
        <ondertekening>De griffier, </ondertekening>
      </regeling-sluiting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>