<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR344249_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Jeugdhulp BUCH 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heiloo</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heiloo</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Uitkijkpost,</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Jeugdhulp BUCH 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0034925">Jeugdweg art. 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, vierde lid</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-05-02</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuw</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>14-10417</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Jeugdhulp</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Jeugdhulp BUCH 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente HEILOO </al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 2
                        september 2014; </al><al>gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, vierde lid, van de
                        Jeugdwet;</al><al> gezien het advies van de <vet>raadscommissie Maatschappelijke Zaken
                        </vet>van <vet>15 september 2014</vet>;</al><al>overwegende dat de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van
                        goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het
                        uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig
                        opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt;
                        en dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen over de door het
                        college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met
                        betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling
                        van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening, over de wijze
                        waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt
                        afgestemd met andere voorzieningen, de wijze waarop de hoogte van een
                        persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, voor de bestrijding van het ten
                        onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden
                        budget alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet, en regels ter
                        waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van
                        jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of
                        jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; </al><al>overwegende dat het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden
                        degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan
                        betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk; </al><al>besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp BUCH 2015.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                        onder: </al><lijst><li nr="-"><al><vet>andere voorziening</vet>: voorziening anders dan in het kader
                                van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke
                                ondersteuning of werk en inkomen;</al></li><li nr="-"><al><vet>college</vet>: college van burgemeester en wethouders van de
                                gemeente Heiloo <vet>hulpvraag</vet>: behoefte van een jeugdige of
                                zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en
                                opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als
                                bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="-"><al><vet>individuele voorziening</vet>: op de jeugdige of zijn ouders
                                toegesneden, niet vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in
                                artikel 2, tweede lid;</al></li><li nr="-"><al>overige voorziening: vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in
                                artikel 2, eerste lid;</al></li><li nr="-"><al><vet>pgb</vet>: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1
                                van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een
                                jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot
                                de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;</al></li><li nr="-"><al><vet>wet</vet>: Jeugdwet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vormen van jeugdhulp</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De volgende vormen van overige voorzieningen zijn beschikbaar:</al><al>informatie en advies; </al><al>voorlichting, trainingen en cursussen; </al><al>jeugdgezondheidszorg; </al><al>jeugd of schoolmaatschappelijk werk;</al><al>kortdurende ambulante opgroei- en opvoedondersteuning;</al><al>casemanagement;</al><al>advies- en meldpunten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaa":</al><lijst><li nr="-"><al>diagnostiek</al></li><li nr="-"><al>ambulante begeleiding en behandeling en/of poliklinische
                                    behandeling; </al></li><li nr="-"><al>dag- en deeltijdbehandeling; </al></li><li nr="-"><al>pleegzorg; </al></li><li nr="-"><al>verblijf 24 uurszorg/ verblijf deeltijd; </al></li><li nr="-"><al>langdurige crisisopvang; </al></li><li nr="-"><al>residentiële of intramurale behandeling; </al></li><li nr="-"><al>ondersteuning van jeugdigen met een beperking: </al></li><li nr=""><al>- groepsbegeleiding </al></li><li nr=""><al>- individuele begeleiding </al></li><li nr=""><al>- persoonlijke verzorging </al></li><li nr=""><al>- kortdurend verblijf; </al></li><li nr="-"><al>generalistische basis-ggz voor jeugdigen; </al></li><li nr="-"><al>specialistische ggz voor jeugdigen; </al></li><li nr="-"><al> hulp bij dyslexie</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij nadere regeling vaststellen welke overige en
                            individuele voorzieningen op basis van het eerste en tweede lid
                            beschikbaar zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of
                            jeugdarts</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De huisarts, medisch specialist of jeugdarts kan verwijzen naar een
                            jeugdhulpaanbieder. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp
                            op het moment dat de genoemde jeugdhulpaanbieder deze jeugdhulp
                            noodzakelijk acht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken of het college dit
                            noodzakelijk acht, legt het college de te verlenen individuele
                            voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Toegang jeugdhulp via de gemeente</titel></kop><al>Het college stelt bij nadere regeling regels met betrekking tot de
                        voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de
                        afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Het college stelt ook
                        vast op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele
                        voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen in het sociale domein.
                        Het college geeft aan op welke wijze hij jeugdigen en ouders informeert over
                        de mogelijkheid en het belang om in bepaalde gevallen een beroep op
                        jeugdhulp te doen .</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Regels voor pgb</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 8.1.1. van
                            de wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van een pgb wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum
                            van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate
                            individuele voorziening in natura.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels vast over de wijze waarop de hoogte van
                            een pgb wordt vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, kan de jeugdhulp slechts
                            onder voorwaarden betrekken van een persoon die behoort tot het sociale
                            netwerk. Het college stelt hiervoor nadere regels vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders
                            kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering</titel></kop><al>Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij
                        de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren
                        jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of
                        jeugdreclassering, rekening met: </al><lijst><li nr="a."><al>de aard en omvang van de te verrichten taken; </al></li><li nr="b."><al>de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de
                                zwaarte van de functie; </al></li><li nr="c."><al>een redelijke toeslag voor overheadkosten; </al></li><li nr="d."><al>een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het
                                personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;
                            </al></li><li nr="e."><al>kosten voor bijscholing van het personeel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Wijziging situatie: nieuwe feiten en omstandigheden</titel></kop><al>Artikel 8.1.2 van de wet is van overeenkomstige toepassing op een beslissing
                        aangaande zorg in natura .</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Herziening en intrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Artikel 8.1.4, eerste lid van de wet is van overeenkomstige toepassing
                            op een beslissing aangaande zorg in natura .</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een beslissing tot verlening van een individuele voorziening in de vorm
                            van zorg in natura of een persoonsgebonden budget, kan worden herzien
                            dan wel ingetrokken als blijkt dat van de individuele voorziening geen
                            gebruik wordt gemaakt binnen een periode van drie maanden na toekenning
                            ervan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als het college een beslissing op grond van artikel 8.1.4, eerste lid
                            van de wet of artikel 8 van deze verordening heeft ingetrokken of
                            herzien, kan het college geheel of gedeeltelijk de geldswaarde
                            terugvorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele
                            voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de voorziening aan de jeugdige en zijn ouders is toegekend, zijn zij
                            hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de teveel of ten
                            onrechte genoten individuele voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een
                            individuele voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad geeft het college de opdracht te zorgen voor een
                            rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Jeugdwet, waaronder de
                            bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze
                            wet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeenteraad stelt ten minste iedere vier jaar een
                            handhavingsbeleidskader vast, waarin beleidsuitgangspunten en
                            -prioriteiten worden aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt in opdracht van de gemeenteraad ter nadere uitvoering
                            van de handhaving iedere vier jaar een handhavingsuitvoeringsplan vast
                            met inachtneming van het gestelde in het handhavingsbeleidskader.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Dit handhavingsuitvoeringsplan omvat in elk geval de wijze van preventie
                            en bestrijding van fraude, oneigenlijk gebruik en misbruik en
                            niet-gebruik van de Jeugdwet alsmede welke handhavingsinstrumenten
                            daartoe worden ingezet en de wijze waarop deze worden toegepast.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college rapporteert eenmaal per jaar aan de gemeenteraad over de
                            uitvoering, de resultaten en de effecten op het gebied van handhaving in
                            relatie tot de beleidsuitgangspunten en -prioriteiten zoals vastgelegd
                            in het handhavingsbeleidskader.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Klachtenregeling</titel></kop><al>Het college behandelt klachten van jeugdigen of ouders die betrekking hebben
                        op de wijze van afhandeling van hulpvragen en aanvragen als bedoeld in deze
                        verordening, overeenkomstig de bepalingen van de klachtenregeling van de
                        gemeente Heiloo.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Inspraak en medezeggenschap</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente bij de voorbereiding
                            van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel
                            150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze
                            waarop inspraak wordt verleend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt cliënten en vertegenwoordigers van cliëntgroepen
                            vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende
                            jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over
                            verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet
                            hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek
                            overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat
                            zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg
                            benodigde informatie en ondersteuning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede
                            en derde lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt periodiek
                        geëvalueerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Gevallen waarin deze verordening niet voorziet</titel></kop><al>In de gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                        verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp BUCH
                            2015</al></lid></artikel></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Toelichting op de verordening jeugdhulp BUCH 2015</label><nr/><titel/></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Met ingang van 1 januari 2015 is de gemeente verantwoordelijk voor de gehele
                    jeugdhulp. Een nieuwe, complexe en omvangrijke taak voor de gemeente. Zeker in
                    de beginjaren zullen nieuwe inzichten het af en toe noodzakelijk maken bij te
                    sturen. Flexibiliteit om snel in te kunnen spelen op nieuwe ontwikkelingen is
                    wenselijk. Wanneer aanpassingen telkens een raadsbesluit vragen, staat dit
                    spoedig handelen in de weg. Om die reden is de keuze gemaakt de verordening zo
                    veel mogelijk op hoofdlijnen uit te werken. Op onderdelen zal dit betekenen dat
                    nadere uitwerking wordt gedelegeerd naar de colleges. Op deze manier kan de raad
                    via de verordening op hoofdlijnen sturen maar blijft ook de nodige flexibiliteit
                    behouden om bij nieuwe inzichten sneller bij te kunnen sturen. </al><al>De verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet (hierna: wet). Deze wet maakt
                    onderdeel uit van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten
                    van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en
                    de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Daarnaast wordt met
                    deze wet een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op
                    zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor
                    gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het wettelijke recht op jeugdzorg en
                    individuele aanspraken op jeugdzorg worden hierbij vervangen door een
                    voorzieningenplicht waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente
                    worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter
                    onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun
                    situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van
                    de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te
                    versterken. </al><al>De wet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per
                    verordening in ieder geval regels opstelt: </al><lijst><li nr="-"><al>over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en
                            overige (jeugdhulp)voorzieningen; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van
                            beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;
                        </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele
                            voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op gebied van zorg,
                            onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt
                            vastgesteld; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele
                            voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of
                            oneigenlijke gebruik van de wet; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van
                            de wet, en; </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de
                            levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp,
                            kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten
                            aanzien daarvan de uitvoering van de wet door derden laat verrichten.
                            Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de
                            beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. </al></li></lijst><al>Uitgangspunt bij het opstellen van de verordening is geweest dat alles wat al in
                    de wet is geregeld, niet is overgenomen in de verordening. Dit geldt
                    bijvoorbeeld voor de vertrouwenspersoon, waarvoor in artikel 2.6, eerste lid,
                    onder f, van de wet reeds is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is
                    dat de jeugdigen, hun ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een
                    vertrouwenspersoon. De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om
                    hierover bij verordening een regeling in te stellen.</al><al>De verordening is zoveel mogelijk in overeenstemming met de verordening Wmo 2015
                    tot stand gekomen. Waar afgeweken wordt, komt dit door de specifieke aard van de
                    jeugdhulp, dan wel door verschillen in de wetgeving.</al><al> De verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op
                    grond van artikel 2.2 van de wet eveneens dient vast te stellen. In dit
                    beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met
                    betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van
                    kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. </al><al><vet>Toeleiding naar de jeugdhulp</vet></al><al>De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden. </al><al><cursief>Vrij toegankelijk</cursief></al><al>In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en
                    individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp.
                    Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een
                    vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik
                    van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente
                    nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus
                    rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. </al><al><cursief>Toegang jeugdhulp via de gemeente</cursief></al><al>Ook kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij de
                    gemeente. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder
                    precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand in overleg met die jeugdige en
                    zijn ouders. In een gesprek tussen een door de gemeente ingezette deskundige en
                    de jeugdige en zijn ouders zal gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders
                    eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als
                    aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal
                    eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet
                    vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt deze
                    deskundige, namens het college, een besluit en verwijst hij de jeugdige door
                    naar de jeugdhulpaanbieder die volgens de deskundige de aangewezene is om de
                    betreffende problematiek aan te pakken. </al><al><cursief>Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch
                        specialist</cursief></al><al>De wet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door
                    de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing
                    staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus
                    bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een
                    jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente
                    heeft ingekocht. </al><al>In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn
                    professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies
                    nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang
                    (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulp-aanbieder zich te houden aan
                    de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de
                    contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien toe op hoe de gemeente haar
                    regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen
                    verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar
                    op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de
                    integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1
                    plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe
                    ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten
                    dat zij bij het gezin betrokken zijn. </al><al>Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de
                    gemeente bij deze verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod
                    van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente
                    toegankelijk is. Omdat de gemeente verder geen nadrukkelijke rol speelt in bij
                    de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist, regelt deze
                    slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces. </al><al><cursief>Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het
                        openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de
                        justitiële jeugdinrichting </cursief></al><al>Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de
                    kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot
                    jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de
                    selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde
                    instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het
                    kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of
                    jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg
                    een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens
                    gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering
                    van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht
                    van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen
                    tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen
                    garanderen. </al><al>Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden
                    is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een
                    ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in
                    de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat
                    uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in
                    zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde
                    instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming
                    neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg
                    met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het
                    meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover
                    met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de wet zelf geregeld en
                    komt verder dus niet terug in deze verordening.</al><al><cursief>Toegang via de advies- en meldpunt huiselijk geweld en
                        kindermishandeling (AMHK) </cursief></al><al>Ten slotte vormt ook het AMHK een toegang tot onder andere jeugdhulp. Het AMHK
                    geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en
                    kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er
                    sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van
                    jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang wordt al
                    in de wet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. </al><al><vet>Artikelsgewijs</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al>Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink
                    aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze
                    wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening.
                    Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’,
                    ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In de verordening gebruiken we de begrippen
                    overeenkomstig de wet. </al><al><vet>Artikel 2. Vormen van jeugdhulp</vet></al><al>In dit artikel is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en
                    individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp.
                    Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een
                    vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik
                    van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente
                    nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus
                    rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden </al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit artikel biedt een zo compleet mogelijk overzicht van het palet aan overige
                    voorzieningen dat het college ter beschikking staat. Het basistakenpakket
                    Jeugdgezondheidszorg valt niet onder de werking van de wet, maar is wel een vrij
                    toegankelijke voorziening waar informatie en advies over opvoeden en opgroeien
                    kan worden verkregen. Aansluitend daarop zijn er producten die nauw aansluiten
                    bij de specifieke behoefte van (groepen) jeugdigen of hun ouders. Hierbij kan
                    worden gedacht aan opvoedcursussen of trainingen tegen bedplassen. Via een
                    wijziging van het Besluit publieke gezondheid zal nog worden geregeld welke
                    onderdelen per 1 januari 2015 onder het basistakenpakket in het kader van de Wet
                    publieke gezondheid blijven vallen.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Dit artikel biedt een zo compleet mogelijk overzicht van het palet aan
                    individuele voorzieningen dat het college ter beschikking staat. Bij de
                    toepassing hiervan zal het college mede gebruik maken van een lijst die
                    opgesteld wordt op basis van de contracten met jeugdhulpaanbieders die het
                    voorzieningenaanbod nader inkleurt. </al><al>Hulpmiddelen en mantelzorgondersteuning ten behoeve van de jeugdige worden
                    verstrekt op basis van de Wmo.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Omdat het aanbod van overige en individuele voorzieningen zich naar verwachting
                    in de praktijk zal ontwikkelen, biedt dit artikel het college de mogelijkheid om
                    desgewenst ten behoeve van de uitvoering nadere regels te stellen.</al><al><vet>Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of
                        jeugdarts </vet></al><al>Voor de toegang tot jeugdhulp die via een verwijzing via de huisarts, medisch
                    specialist of jeugdarts plaatsvindt, is goede samenwerking tussen deze artsen en
                    de jeugd- en gezinscoaches van groot belang. Elkaar kennen en afstemming zoeken
                    is nodig zodat de problematiek van een jeugdige, zeker als er sprake is van
                    meerdere en complexe problemen, in samenhang en met alle benodigde expertise
                    wordt aangepakt.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Lid 1 regelt de wijze waarop het college omgaat met de toegang na verwijzing via
                    de huisarts, medische specialist en jeugdarts. De jeugdhulpaanbieder handelt een
                    dergelijke verwijzing in principe zonder tussenkomst van het college af, mits
                    hij van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is en hij dit kan realiseren
                    binnen het voorzieningenpakket waarvoor hij door het college gecontracteerd
                    is.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het college de te verlenen
                    individuele voorziening vast in een beschikking. Naar verwachting zal dit met
                    name spelen bij een afwijzing, zodat de mogelijkheid tot bezwaar openstaat. Ook
                    wordt de individuele voorziening in een beschikking vastgelegd als het college
                    dit noodzakelijk acht</al><al><vet>Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente</vet></al><al>Deze bepaling regelt dat het college bij nadere regels de toegang van jeugdhulp
                    via de gemeente vaststelt om een zorgvuldige procedure te waarborgen.
                    Uitgangspunt hierbij is de nota ‘Integraal Dienstverleningsmodel Sociaal Domein’
                    waarin de BUCH-gemeenteraden zich hebben uitgesproken voor het realiseren van
                    een brede toegang tot het sociaal domein.</al><al><vet>Artikel 5. Regels voor pgb</vet></al><al>Een pgb is een goed instrument om tot individueel maatwerk te komen. De jeugdige
                    en/of zijn ouders hebben de vrijheid om zelf te kiezen welke zorgverleners zij
                    willen en op welke tijdstippen zij de zorg wensen te ontvangen. Daarnaast kan
                    het pgb innovatie bevorderen in het beschikbare zorgaanbod, doordat aanbieders
                    kunnen worden gefinancierd die niet door de gemeente zijn gecontracteerd. Helaas
                    is gebleken dat er ook oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van het pgb-instrument.
                    Om dit tegen te gaan heeft de wetgever criteria gesteld om in aanmerking te
                    komen voor een pgb (artikel 8.1.1 van de wet) en wordt het trekkingsrecht
                    ingevoerd. Met het trekkingsrecht wordt bedoeld dat de gemeente het pgb niet
                    langer rechtstreeks overmaakt op de rekening van de persoon aan wie aan het pgb
                    wordt verstrekt, maar op de rekening van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De
                    SVB betaalt uit dit budget de rekeningen die de pgb-houder indient voor de
                    geleverde jeugdhulp.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In het eerste lid is verankerd dat het college op grond van artikel 8.1.1. van
                    de wet een pgb verstrekt.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>in het tweede lid wordt bepaald hoe de hoogte van het pgb-tarief tot stand komt.
                    Een pgb is gemiddeld genomen goedkoper dan zorg in natura omdat er minder
                    overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is
                    daarom in deze verordening begrenst op de kostprijs van de in de betreffende
                    situatie goedkoopste adequate door het college ingekochte voorziening in natura.
                    Jeugdigen of hun ouders kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door
                    hen gewenste aanbieder duurder is dan de in desbetreffende situatie goedkoopste
                    adequate door het college te bieden individuele voorziening in natura.</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het college stelt nadere regels vast over de wijze waarop de hoogte van het pgb
                    wordt vastgesteld. het uitgangspunt voor het college is dat de hoogte van het
                    pgb-tarief toereikend moet zijn om effectieve en kwalitatieve goede zorg in te
                    kopen.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Het vierde lid is een uitwerking van artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet. Het
                    college stelt nadere regels vast over de voorwaarden waaronder een persoon aan
                    wie een pgb wordt verstrekt een persoon kan betrekken die behoort tot het
                    sociale netwerk. Uitgangspunt hierbij is dat dit beperkt dient te blijven tot
                    gevallen waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt
                    en aantoonbaar doelmatig is. </al><al>Tot het sociaal netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en
                    andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Bij deze laatste
                    groep kan gedacht worden aan familieleden die niet in hetzelfde huishouden
                    wonen, buren, vrienden, kennissen, etc.</al><al><vet>Artikel 6. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en
                        uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en
                    jeugdreclassering</vet></al><al>Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.12
                    van de wet. Deze bepaling is bij amendement opgenomen in de wet om te voorkomen
                    dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs. In dit artikel wordt een
                    aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van
                    tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er
                    een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door
                    aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig
                    personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste
                    vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste
                    activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg
                    voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende
                    arbeidsvoorwaarden.</al><al><vet>Artikel 7. Wijziging situatie: nieuwe feiten en omstandigheden</vet></al><al>Een zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor het
                    maatschappelijk draagvlak. Voorop staat dat de voorzieningen rechtmatig moeten
                    worden verstrekt. Artikel 8.1.2 van de wet legt dan ook de verplichting op aan
                    de jeugdige en zijn ouders om alle voor de toekenning en de verstrekking van de
                    voorziening relevante feiten en omstandigheden direct te melden. Ook dienen de
                    jeugdige en/of zijn ouders direct gegevens te leveren indien het college hierom
                    verzoekt. Uitgangspunt van genoemd wetsartikel en het onderhavige artikel uit de
                    verordening is dat degene die een beroep doet op een specifieke voorziening
                    verlangd mag worden dat hij voldoende gegevens en inlichtingen verstrekt die het
                    de uitvoerder van die voorziening mogelijk maakt te beoordelen of het beroep op
                    die voorziening terecht wordt gedaan en blijft worden gedaan. Het feit dat het
                    college niet alleen bij de aanvraag maar ook in de andere stadia van de
                    verlening van de voorziening concrete informatie en bewijsstukken vraagt, laat
                    onverlet dat de jeugdige en/of zijn ouders uit eigen beweging inlichtingen dient
                    te verstrekken waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die feiten
                    en/of omstandigheden, of de daarin opgetreden wijzigingen, van invloed kunnen
                    zijn op (de hoogte of de aard van) de verlening van de voorziening. Dit artikel
                    vormt de basis om de voorziening te kunnen intrekken of herzien op grond van het
                    gestelde in artikel 8.1.4 van de wet en artikel 8 van deze verordening.</al><al>Artikel 8.1.2 van de wet is beperkt tot het persoonsgebonden budget. Waar
                    mogelijk en zinvol, is dit ter uitwerking van de delegatiebepaling in artikel
                    2.9, onder d van de wet in deze verordening uitgebreid met de individuele
                    voorziening in natura. Bij het onderhavige artikel is dit het geval. De Memorie
                    van toelichting op de wet biedt hiertoe de mogelijkheid. Ongeacht de vorm waarin
                    de individuele voorziening (zorg in natura of pgb) wordt verstrekt, geldt de
                    inlichtingenplicht.</al><al><vet>Artikel 8. herziening en intrekking</vet></al><al>Het herzien of intrekken van een beslissing tot verlening van een individuele
                    voorziening is een bevoegdheid van het college en geen verplichting. Hiermee
                    krijgt het college ruimte om de te nemen beslissingen af te stemmen op lokaal
                    beleid en specifieke omstandigheden. In artikel 8.1.4 van de wet staan gronden
                    vermeld op grond waarvan het college de beslissing tot verlening geheel of
                    gedeeltelijk kan herzien of intrekken. Op basis van de algemene beginselen van
                    behoorlijk bestuur kan dit alleen indien de belanghebbende redelijkerwijs kan
                    begrijpen dat het feit of de omstandigheid aanleiding kan zijn voor een
                    heroverweging van een eerdere beslissing (artikel 8.1.2 van de wet). Door te
                    herzien of in te trekken ontstaat een zogeheten onverschuldigde betaling die
                    vervolgens kan worden teruggevorderd.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Artikel 8.1.4 van de wet is beperkt tot het persoonsgebonden budget. Waar
                    mogelijk en zinvol, is dit ter uitwerking van de delegatiebepaling in artikel
                    2.9, onder d van de wet in deze verordening uitgebreid met de individuele
                    voorziening in natura. Bij het onderhavige artikel is dit het geval. De Memorie
                    van toelichting op de wet biedt hiertoe de mogelijkheid. Afgezien van de vorm
                    waarin de individuele voorziening wordt verstrekt kan de verlening van de
                    voorziening derhalve worden herzien of ingetrokken </al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid is artikel 8.1.4, onder e van de wet aangescherpt. Dit lid
                    regelt dat, als de jeugdige en/of zijn ouders de voorziening niet binnen drie
                    maanden na toekenning daarvan daadwerkelijk heeft/hebben gebruikt voor de kosten
                    van die betreffende voorziening, de voorziening kan worden herzien of
                    ingetrokken. Een voorziening wordt toegekend, omdat de situatie dit vereist ten
                    tijde van de verlening daarvan. Als de voorziening vervolgens na drie maanden na
                    toekenning daarvan nog niet blijkt te zijn ingezet/gebruikt, dan wordt er vanuit
                    gegaan dat de urgentie en/of de noodzaak anders is geworden. De situatie is dan
                    waarschijnlijk zodanig gewijzigd dat het doel waarvoor de voorziening is
                    verleend niet meer aan de orde is. Er vindt dan een heroverweging plaats. Deze
                    heroverweging kan leiden tot: </al><lijst><li nr="a."><al>intrekking van de eerder toegekende voorziening; </al></li><li nr="b."><al>intrekking van de eerder toegekende voorziening alsmede toekenning van
                            een voorziening die meer toegespitst is op de nieuw ontstane situatie (=
                            herziening); </al></li><li nr="c."><al>voortzetting van de eerder toegekende voorziening omdat tijdens de
                            heroverweging blijkt dat er gegronde redenen zijn waarom de voorziening
                            niet direct is ingezet en de omstandigheden, zoals die bij de toekenning
                            van toepassing waren, ongewijzigd zijn gebleven.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 9. Terugvordering</vet></al><al>Terugvordering behelst zowel het nemen van het terugvorderingsbesluit als de
                    tenuitvoerlegging daarna. Terugvordering draagt bij aan de bestrijding van het
                    teveel of ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van
                    misbruik of oneigenlijk gebruik daarvan. Het betreft repressieve handhaving. Het
                    is de gemeentelijke verantwoordelijkheid te handhaven: het onterechte gebruik
                    van individuele voorzieningen te voorkomen en als het onterechte gebruik toch
                    heeft plaatsgevonden dit recht te zetten. Terugvordering is één van de
                    handhavingsinstrumenten waarover de gemeente beschikt. Herstel van de
                    rechtmatige verstrekking vindt plaats door middel van terugvordering.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het college is bevoegd terug te vorderen indien er sprake is van een beschikking
                    waarin het recht op de individuele voorziening wordt herzien of ingetrokken
                    overeenkomstig een situatie zoals benoemd in artikel 8.1.4, eerste lid van de
                    wet dan wel artikel 8 van deze verordening. Het onderhavige artikel geeft het
                    college de mogelijkheid de terugvordering en invordering in beleidsregels nader
                    in te richten en daarin te bepalen in welke situaties er wel of niet tot terug-
                    en invordering wordt overgegaan.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het tweede lid regelt dat als de voorziening aan zowel de jeugdige als aan de
                    ouders is toegekend, de jeugdige en de ouders aangesproken kunnen worden op de
                    terugbetaling van de teveel of ten onrechte verleende individuele voorziening.
                    Het uitgangspunt daarbij is dat beiden gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor
                    het ontstaan van de vordering en daarmee ook voor de terugbetaling van de
                    vordering. Wat de een betaalt, wordt de ander van bevrijd. Zolang de jeugdige
                    niet over een periodiek inkomen op minimaal bijstandsniveau beschikt, zal de
                    invordering alleen bij de ouders plaatsvinden.</al><al><vet>Artikel 10. Bestrijding ongeigenlijk gebruik en misbruik en niet-gebruik
                        van een individuele voorziening</vet></al><al>Op grond van het bepaalde in artikel 2.9 onder d van de wet dient de
                    gemeenteraad bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of
                    krachtens die wet in ieder geval regels te stellen voor de bestrijding van het
                    ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening alsmede van misbruik of
                    oneigenlijk gebruik van de wet. Oftewel de plicht van de gemeenteraad om
                    regelgeving op te stellen omtrent handhaving van de bepalingen in de wet </al><al>Handhaving is enerzijds gericht op bestrijding van oneigenlijk gebruik en
                    misbruik van voorzieningen. Oneigenlijk gebruik en misbruik ondermijnen het
                    sociale draagvlak voor die voorzieningen en werken kostenverhogend (hogere
                    uitgaven voorziening en hogere uitgaven uitvoering). Preventie staat dan ook
                    voorop. Een goede op de situatie toegesneden voorlichting en
                    informatieverstrekking zijn daartoe de belangrijkste instrumenten. Indien
                    onverhoopt toch blijkt dat de verstrekking van de voorziening niet terecht heeft
                    plaatsgevonden dan dient deze situatie te worden rechtgezet (repressie).
                    Bestrijding betreft dus zowel preventie als repressie, waarbij preventie
                    prevaleert. </al><al>Handhaving is echter anderzijds ook gericht op het bestrijden van niet-gebruik
                    van voorzieningen (positieve handhaving). Het ervan bewust zijn dat door
                    onbekendheid met regelgeving dan wel door zorgmijdend gedrag onvoldoende of geen
                    gebruik gemaakt wordt van voorzieningen, die in de betreffende situatie wel als
                    noodzakelijk aan te merken zijn. Handhaving is bij het bestrijden van
                    niet-gebruik gericht op het ontwikkelen van instrumenten die de bekendheid met
                    de regelgeving vergroten en de toegang laagdrempelig maken. Daarbij zijn de
                    integrale aanpak en het in kaart brengen van motieven tot het vermijden van zorg
                    en het daarop inspelen middelen om zorgmijdend gedrag ten positieve te keren.
                    Doel van deze vorm van handhaving is het voorkomen dat een voorziening niet
                    (tijdig genoeg) wordt ingezet waardoor de situatie onnodig verergert. </al><al>De uitgangspunten voor deze vormen van handhaving worden verwoord in een nieuw
                    op te stellen Beleidskader Handhaving Sociaal Domein 2014-2018.</al><al><vet>Artikel 11. klachtenregeling</vet></al><al>De gemeente is reeds op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het
                    algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en
                    schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die
                    onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In hoofdstuk 9 van de Awb wordt
                    verder een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling gegeven. De bestaande
                    gemeentebrede klachtenregeling waarnaar in dit artikel wordt verwezen, vormt een
                    uitwerking van genoemde bepalingen in de Awb. De klachtmogelijkheid tegen
                    hulpaanbieders en gecertificeerde instellingen en het klachtrecht bij
                    vrijheidsbeperkende maatregelen is respectievelijk geregeld in artikel 4.2.1 en
                    artikel 6.5.1 van de wet </al><al><vet>Artikel 12. Inspraak en medezeggenschap</vet></al><al>In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de
                    gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder
                    is al geregeld in artikel 4.2.4 en verder van de wet. Opgemerkt wordt dat de
                    regeling van de inspraak en medezeggenschap in artikel 2.1.3, derde lid, van de
                    Wmo 2015 op grond van artikel 2.10 van de wet van overeenkomstige toepassing
                    wordt verklaard. Dit leidt ertoe dat bij verordening moet worden bepaald op
                    welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet.</al><al>Artikel 13. </al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Het eerste lid verwijst naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet
                    vastgestelde inspraakverordening Heiloo. Op deze manier wordt gewaarborgd dat
                    voor het jeugdhulpbeleid eenzelfde inspraakprocedure geldt als voor andere
                    terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de
                    bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op
                    ondersteuning </al><al><cursief>Lid 2, 3 en 4</cursief></al><al>Met het vierde lid wordt het aan het college de mogelijkheid geboden om de
                    exacte invulling van de medezeggenschap als bedoeld in de leden 2 en 3 nader
                    vorm te geven.</al><al><vet>Artikel 13. Evaluatie</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet>Artikel 14. Gevallen waarin deze verordening niet voorziet</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al><vet>Artikel 15. Inwerkingtreding en citeertitel</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>