<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR344161_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Participatiewet gemeente Dronten 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Dronten</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Dronten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad d.d. 07-11-2014, nr. 63184</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie Participatiewet gemeente Dronten 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Participatiewet, artikel 8a, eerste lid onderdeel b</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-10-30</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-07-06</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>B14.001331</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg en welzijn</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegenprestatie Participatiewet gemeente Dronten 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Geconsolideerde tekst van de regeling</vet></al><al/><al>De raad van de gemeente Dronten;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 16 september
                        2014, No B14.001331;</al><al>gelet op artikel 8a, eerste lid onderdeel b, van de
                        Participatiewet;</al><al>gezien het advies van de raadscommissie oktober 2014;</al><al/><al>B E S L U I T:</al><al/><al>vast te stellen de <vet>Verordening Tegenprestatie Participatiewet
                        gemeente Dronten</vet><vet> 2015</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>– Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al>·Mantelzorg/familiezorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                            hulpverlenend beroep wordt aangeboden aan een hulpbehoevende door
                            personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks
                            voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van
                            huisgenoten voor elkaar overstijgt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>- De tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Inhoud van de tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden,
                                die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor
                                zover die werkzaamheden:</al><lijst><li nr="a."><al>naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding naar de
                                        arbeidsmarkt; </al></li><li nr="b."><al>niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument;</al></li><li nr="c."><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid
                                        in de organisatie waarin ze worden verricht; en</al></li><li nr="d."><al>niet leiden tot verdringing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan in beleidsregels vaststellen welke aanvullende
                                werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de
                                voorwaarden die daarbij gelden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende een tegenprestatie opdragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening
                                met de volgende factoren:</al><lijst><li nr="a."><al>De tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht
                                        door een belanghebbende.</al></li><li nr="b."><al>De persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van
                                        een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen.</al></li><li nr="c."><al>De persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende
                                        moeten in overweging worden genomen.</al></li><li nr="d."><al>Als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten
                                        verricht of vrijwilligerswerk verricht van minstens 8 uur
                                        per week, wordt dat aangemerkt als tegenprestatie.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van 4
                                weken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 8 uur per
                                week.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Na einde van de tegenprestatie kan een nieuwe tegenprestatie worden
                                opgedragen na een termijn van 12 maanden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Mantelzorg/familiezorg</titel></kop><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende
                            mantel- en of familiezorg verricht voor zover het verrichten van die
                            zorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk
                            is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>- Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie
                            Participatiewet gemeente Dronten 2015</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Dronten, 30 oktober 2014</ondertekening><ondertekening>de raad van Dronten,</ondertekening><ondertekening>D.Petrusma mr. A.B.L. de Jonge</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><tussenkop>Algemeen </tussenkop><al>Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een
                    tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct samenhangt
                    met arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar of ouder doch
                    jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van melding gehouden
                    naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9,
                    eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. De tegenprestatie bestaat uit
                    de plicht om naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op
                    reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. </al><tussenkop>Individuele omstandigheden </tussenkop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Als
                    het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht
                    wordt (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><tussenkop>Geen tegenprestatie </tussenkop><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot
                    het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                    belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in
                    artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                    lid, van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van
                    toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als
                    bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                    lid, van de Participatiewet). </al><tussenkop>Afstemmen </tussenkop><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting geldt
                    voor het niet nakomen van de tegenprestatie dat de bijstand kan worden afgestemd
                    overeenkomstig de gemeentelijke afstemmingsverordening.</al><tussenkop>Bevoegdheid opdragen tegenprestatie </tussenkop><al>De bevoegdheid van het college om een belanghebbende te verplichten naar
                    vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De
                    regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een gelegenheid
                    is om te blijven participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk,
                    arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering ook
                    noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.</al><tussenkop>Tegenprestatie is geen re-integratie-instrument </tussenkop><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het ontvangen
                    van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot
                    doel de re-integratie van een belanghebbende te bevorderen, maar moet worden
                    gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving.</al><al>De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding tot de
                    arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratie-instrument. </al><al>Voorts mag een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt werk
                    boven uitkering.</al><tussenkop>Verordeningsplicht </tussenkop><al>De verordeningsopdracht is neergelegd in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b
                    Participatiewet. Het is aan de gemeente om de duur, omvang en inhoud van de
                    tegenprestatie te regelen.</al><tussenkop>Ontwikkelen beleid door college </tussenkop><al>Het college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het
                    verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig de
                    verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel c,
                    van de Participatiewet.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting </tussenkop><al>Enkel de bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.</al><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. </al><tussenkop>Mantelzorg/familiezorg</tussenkop><al>Onder mantelzorg/familiezorg wordt verstaan: langdurige zorg die niet in het
                    kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                    personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks
                    voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor
                    elkaar overstijgt. Het begrip 'mantelzorg/familiezorg' is van belang omdat
                    artikel 6 van deze verordening bepaalt dat het college geen tegenprestatie
                    opdraagt indien een belanghebbende mantelzorg/familiezorg verricht voor zover
                    het verrichten van mantelzorg/familiezorg naar het oordeel van het college
                    redelijkerwijs noodzakelijk is. </al><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals neergelegd in
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier belangrijkste kenmerken
                    van mantelzorg/familiezorg zijn: </al><lijst><li nr="·"><al>er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                            zorgverlener; </al></li><li nr="·"><al>mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband; </al></li><li nr="·"><al>het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze; </al></li><li nr="·"><al>het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar. </al></li></lijst><al>Voor mantelzorg/familiezorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke
                    zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitleg van wat onder
                    gebruikelijke zorg kan worden aangesloten bij de definitie van gebruikelijke
                    zorg in het protocol Gebruikelijke Zorg van het CIZ. Gebruikelijke zorg wordt in
                    dat Protocol als volgt omschreven: de normale, dagelijkse zorg die partners of
                    ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze
                    als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een
                    gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat
                    huishouden.</al><tussenkop>Artikel 2. Inhoud van een tegenprestatie </tussenkop><tussenkop>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden</tussenkop><al>In artikel 2, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat de tegenprestatie
                    onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen die additioneel van
                    aard zijn. De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de
                    tegenprestatie dienen zich te onderscheiden van werkzaamheden die door de
                    reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en
                    onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en
                    van keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de overheid
                    worden gemaakt.</al><al>Als voorbeelden worden vaak genoemd:</al><lijst><li nr="·"><al>sneeuwschuiven; </al></li><li nr="·"><al>bladeren vegen </al></li><li nr="·"><al>meelopen bij een dierenambulance; </al></li><li nr="·"><al>beheer kantine bij een sportvereniging; </al></li><li nr="·"><al>additionele werkzaamheden bij een scouting; </al></li></lijst><al>Daarbij moet worden opgemerkt dat een aantal van deze werkzaamheden ook worden
                    verricht als regulier vrijwilligerswerk.</al><al>In beleidsregels kan het college vastleggen welke werkzaamheden in ieder geval
                    als tegenprestatie kunnen worden ingezet (artikel 2, tweede lid, van deze
                    verordening). </al><tussenkop>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing </tussenkop><al>De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie. De
                    tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar de
                    arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als re-integratie-instrument. Het
                    betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere
                    arbeid en die niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere
                    werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De
                    tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven
                    uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                    Participatiewet.</al><tussenkop>Artikel 3. Het opdragen van een tegenprestatie</tussenkop><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te dragen. Het
                    college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen.
                    Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan bezwaar en beroep
                    worden aangetekend.</al><tussenkop>Geen tegenprestatie </tussenkop><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot
                    het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet). </al><al>De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van toepassing
                    op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld
                    in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                    lid, van de Participatiewet) De verplichting tot tegenprestatie is niet van
                    toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als
                    bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                    lid, van de Participatiewet). </al><al><cursief>Weigering tegenprestatie </cursief>Het college dient bij weigering van
                    belanghebbende om de tegenprestatie te verrichten, op basis van het individuele
                    geval de hoogte en de duur van de op te leggen maatregel te bepalen.</al><tussenkop>Factoren opdragen tegenprestatie </tussenkop><al>In artikel 3, tweede lid, van deze verordening is neergelegd met welke factoren
                    het college rekening moet houden bij het opdragen van een tegenprestatie. Deze
                    factoren worden hierna toegelicht. </al><lijst><li nr="·"><al><cursief>Tegenprestatie 'naar vermogen' </cursief>De
                            werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar
                            vermogen door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar
                            vermogen' heeft betrekking op de mogelijkheden waarover een
                            belanghebbende beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers,
                            niet alle onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden
                            opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde. </al></li><li nr="·"><al><cursief>Persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                                belanghebbende</cursief>Bij het opdragen van de
                            tegenprestatie houdt het college rekening met de persoonlijke situatie
                            en individuele omstandigheden van een belanghebbende, waaronder
                            leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank Zeeland-West-Brabant
                            25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Hierbij wordt
                            rekening gehouden met het fysieke en psychische vermogen van een
                            belanghebbende. Bij het opdragen van de tegenprestatie dient het college
                            maatwerk te leveren.Voorts wordt bij opdragen van een tegenprestatie
                            rekening gehouden met praktische omstandigheden zoals reistijd,
                            beschikbaarheid van kinderopvang en/of belanghebbende al
                            maatschappelijke activiteiten verricht. </al></li><li nr="·"><al><cursief>Persoonlijke wensen en kwaliteiten
                            belanghebbende</cursief>Bij het opdragen van de verplichting
                            tot tegenprestatie houdt het college rekening met de persoonlijke wensen
                            en kwaliteiten van belanghebbende. De regering vindt het immers
                            belangrijk dat een belanghebbende invloed heeft op de keuze van de
                            activiteiten. Belanghebbende kan zelf ideeën aandragen voor de als
                            tegenprestatie te verrichten werkzaamheden. Het college kan in
                            beleidsregels bepalen wanneer een belanghebbende zijn keuze voor het
                            verrichten van maatschappelijk nuttige activiteit kenbaar maakt aan het
                            college. Het college beoordeelt de door belanghebbende zelf aangedragen
                            ideeën en kan besluiten om het voorstel van belanghebbende over te nemen
                            en die werkzaamheden in te zetten als tegenprestatie. Uiteraard moet die
                            werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of krachtens artikel 2 van
                            deze verordening en moet die werkzaamheid beschikbaar zijn. Het college
                            is niet gehouden te voldoen aan de wensen van een belanghebbende, maar
                            moet deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt belanghebbende geen
                            ideeën aan, dan legt het college belanghebbende een lijst met
                            keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk nuttige werkzaamheden die
                            voorhanden zijn. Als belanghebbende geen voorkeur kenbaar maakt of er
                            geen keuzemogelijkheid is, legt het college een werkzaamheid op. Het is
                            immers aan het college, en niet aan een belanghebbende, een
                            tegenprestatie op te dragen aan belanghebbende. </al></li><li nr="·"><al><cursief>Maatschappelijke activiteiten en vrijwilligerswerk door
                                belanghebbende</cursief>Het college houdt er bij het
                            opdragen van de plicht tot tegenprestatie rekening met het eventuele
                            gegeven dat een belanghebbende al maatschappelijk actief is. Indien een
                            belanghebbende al een maatschappelijke activiteit verricht, kan het
                            college in bepaalde gevallen besluiten dat geen tegenprestatie wordt
                            opgelegd. Ook kan de omstandigheid dat een belanghebbende
                            maatschappelijke activiteit verricht, ertoe leiden dat hiermee rekening
                            wordt gehouden bij het vaststellen van de tegenprestatie, met name de
                            duur en de omvang van de tegenprestatie. Een voorbeeld van
                            maatschappelijke activiteiten zijn: de zorg voor een ouder of een
                            gehandicapt kind. Het college beoordeelt de maatschappelijke
                            activiteiten en houdt daarbij rekening met de duur en omvang. Dit geldt
                            ook voor het verrichten van vrijwilligerswerk </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 4. Duur en omvang van een tegenprestatie</tussenkop><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen.
                    Artikel 4 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de duur en
                    omvang van de tegenprestatie. </al><tussenkop>Maximale duur tegenprestatie in weken</tussenkop><al>Artikel 4, eerste lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een
                    maximale duur. De tegenprestatie kan worden opgedragen voor de maximale duur van
                    4 weken. </al><tussenkop>Maximale duur tegenprestatie in uren </tussenkop><al>Artikel 4, tweede lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een
                    maximaal aantal uren. De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 8 uur per
                    week. Voor het maximaal aantal uren is gekozen om de tegenprestatie van relatief
                    geringe omvang te laten zijn.</al><al>Artikel 4, derde lid, regelt dat het opdragen van een tegenprestatie binnen een
                    periode van twaalf maanden slechts éénmaal mag worden opgedragen.. Deze bepaling
                    waarborgt dat de tegenprestatie relatief gering wordt ingezet. De tegenprestatie
                    dient immers niet in de weg te staan aan de re-integratie van een
                    belanghebbende. Bovendien is het verstandig de tegenprestatie relatief gering in
                    omvang en duur in te zetten om aan de veilige kant van de internationale
                    bepalingen met betrekking tot het verbod op dwangarbeid en verplichte arbeid te
                    blijven (artikel 4 EVRM). Het is volgens de gemeenteraad onwenselijk om een
                    belanghebbende vaker dan éénmaal per periode van twaalf maanden in te zetten. </al><tussenkop>Artikel 5. Mantelzorg/familiezorg</tussenkop><al>Artikel 5 van de verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen
                    indien een belanghebbende mantelzorg verricht en het college het verrichten
                    hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt. De regering heeft deze mogelijkheid
                    uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging met betrekking tot de Wet
                    maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Of sprake is van
                    mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip mantelzorg/familiezorg
                    zoals neergelegd in artikel 1 van deze verordening. Verricht een belanghebbende
                    mantelzorg/familiezorg in de zin van deze verordening en is het verrichten van
                    mantelzorg/familiezorg volgens het college redelijkerwijs noodzakelijk, dan
                    draagt het college een belanghebbende geen tegenprestatie op. </al><tussenkop>Artikel 6. Inwerkingtreding</tussenkop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die
                    datum is in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet de
                    verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd om regels in de verordening
                    vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>