<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR344076_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Doetinchem</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Doetinchem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2015-125545.html">Gemeenteblad, 2015, 125545</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerendezaakbelastingen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220">Gemeentewet, art. 220</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220a">Gemeentewet, art. 220a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220b">Gemeentewet, art. 220b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220c">Gemeentewet, art. 220c</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220d">Gemeentewet, art. 220d</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220e">Gemeentewet, art. 220e</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220f">Gemeentewet, art. 220f</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220g">Gemeentewet, art. 220g</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220h">Gemeentewet, art. 220h</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening is vervangen door de <extref doc="1.1:CVDR386056_1">Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2016</extref>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen
                2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Doetinchem;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10
                        december 2014;</al><al>gelet op de artikelen 220 t/m 220 h van de Gemeentewet;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al><vet>Verordening op de heffing en de invordering van
                            onroerendezaakbelastingen 2015</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam 'onroerendezaakbelastingen' worden ter zake van binnen de
                            gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot
                                    woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt
                                    recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen:
                                    gebruikersbelasting;</al></li><li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen:
                                    eigenarenbelasting.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                                    gebruik is gegeven, (verder: de gebruiker), aangemerkt als
                                    gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven
                                    (verder gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting
                                    als zodanig te verhalen op de gebruiker;</al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor
                                    volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de
                                    belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter
                                    beschikking is gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het
                            kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld,
                            tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens
                            eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die
                            op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is
                            vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofd-zaak kan worden
                            toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan
                            wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                            waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde
                            voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van
                            hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de
                            heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                            toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20,
                            tweede lid van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is
                            geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de
                            waarde van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond,
                            daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van
                            glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt
                            van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te
                            gebruiken;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt
                            van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in
                            onderdeel a bedoelde grond;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                            eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                            levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van
                            zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de
                            Natuurschoon-wet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden
                            genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928,
                            met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
                            zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met
                            volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg
                            uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd
                            worden;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail,
                            een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
                            organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen,
                            met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als
                            woning;</al></lid><lid><lidnr>h.</lidnr><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater
                            en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van
                            publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van
                            zodanige werken die dienen als woning;</al></lid><lid><lidnr>i.</lidnr><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder
                            dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en
                            die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;</al></lid><lid><lidnr>j.</lidnr><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen -
                            niet zijnde gebouwen - die zijn geplaatst voor het belang van het
                            publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente,
                            zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten,
                            fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;</al></lid><lid><lidnr>k.</lidnr><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn
                            of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of
                            beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken
                            die dienen als woning;</al></lid><lid><lidnr>l.</lidnr><al>begraafplaatsen en urnentuinen met uitzondering van delen van zodanige
                            onroerende zaken die dienen als woning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten
                            de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot
                            woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                            woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                            heffingsmaatstaf: Het percentage bedraagt voor: a. de
                            gebruikersbelasting: 0,1946% b. de eigenarenbelasting: 1. voor
                            onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1332% 2. voor
                            onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,2063% </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als de heffingsmaatstaf beneden € 2500,- blijft, wordt geen belasting
                            geheven.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6. Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                            moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de
                            eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in
                            de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee
                            maanden later.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid geldt:</al><lijst><li nr="a."><al>in het geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet
                                    verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag
                                    bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 25,- en niet meer is dan
                                    € 2500,-, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van
                                    automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de
                                    aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De
                                    eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het
                                    aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand
                                    later.</al></li><li nr="b."><al>in het geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet
                                    verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag
                                    bevat het bedrag daarvan, minder of gelijk is aan € 25,-, en
                                    zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische
                                    incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten
                                    worden betaald in één termijn. Deze termijn vervalt één maand na
                                    de dagtekening van het aanslagbiljet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande
                            leden gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering van de
                        onroerendezaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>De Verordening onroerendezaakbelastingen 2014 van 19 december 2013 wordt
                        ingetrokken met ingang van de in artikel 10, tweede lid, genoemde datum van
                        ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op
                        de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de
                            bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Citeerartikel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als <vet>Verordening
                            onroerendezaakbelastingen 2015</vet>.</al><al/></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering </ondertekening><ondertekening>van 18 december 2014,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>