<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR343864_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW/IOAZ gemeente Sittard-Geleen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Sittard-Geleen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sittard-Geleen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">gemeenteblad d.d 10 juli 2015, nr. 2015, 62361</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW/IOAZ gemeente Sittard-Geleen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">artikelen 34 en 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-06-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>invoegen van nieuw artikel 8</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>reg. nummer 1324311</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>geconsolideerde versie</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegenprestatie Participatiewet Sittard-Geleen 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Sittard-Geleen;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 23 september
                        2014;</al><al>gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet;</al><al>gezien het advies van het Sociaal Overleg;</al><al>besluit vast te stellen de Verordening tegenprestatie Participatiewet
                        Sittard-Geleen 2015</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene Bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr=""><al><cursief>grote afstand tot de arbeidsmarkt</cursief>: deelname
                                    aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één
                                    jaar en belanghebbende neemt nog niet deel aan een op
                                    participatie gericht traject;</al><al><cursief>mantelzorg</cursief>: langdurige zorg die niet in het
                                    kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een
                                    hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij
                                    zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en
                                    de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar
                                    overstijgt.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Beleidsplan</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Nadere invulling in beleidsplan</titel></kop><al>Het college stelt ter nadere uitvoering van deze verordening
                            tweejaarlijks een beleidsplan vast waarin kan worden vastgelegd hoe
                            nadere invulling aan de tegenprestatie wordt gegeven.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>De tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Het opdragen van de tegenprestatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een belanghebbende met een grote afstand tot de
                                    arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen.</al></li><li nr="2."><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college
                                    rekening met de volgende factoren:</al><lijst><li nr="a."><al>de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden
                                            verricht door een belanghebbende;</al></li><li nr="b."><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden
                                            van een belanghebbende moeten in aanmerking worden
                                            genomen;</al></li><li nr="c."><al>de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een
                                            belanghebbende moeten in overweging worden genomen;</al></li><li nr="d."><al>als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten
                                            of vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening
                                            worden gehouden</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Inhoud van een tegenprestatie</titel></kop><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                            additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                            werkzaamheden:</al><lijst><li nr="a."><al>naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de
                                    arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b."><al>niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument;</al></li><li nr="c."><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                                    organisatie waarin ze worden verricht; en</al></li><li nr="d."><al>niet leiden tot verdringing</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De tegenprestatie wordt eenmalig opgedragen voor de maximale
                                    duur van drie maanden.</al></li><li nr="2."><al>De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 12 uren per
                                    week.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Mantelzorg</titel></kop><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende
                            mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het
                            oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7 . </nr><titel>Geen werkzaamheden voorhanden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen
                                    werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als
                                    tegenprestatie.</al></li><li nr="2."><al>Indien het college geen tegenprestatie opdraagt omdat geen
                                    werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het college binnen 3
                                    maanden of op dat moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die
                                    kunnen worden ingezet als tegenprestatie.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Toets verdringing</titel></kop><al>Bij de invulling van de tegenprestatie betreft het in geen geval
                            functies die leiden tot arbeidsverdringing. Daartoe worden de volgende
                            toetsingscriteria toegepast:</al><lijst><li nr="a."><al>De functies beïnvloeden de concurrentieverhoudingen niet
                                    nadelig.</al></li><li nr="b."><al>Het gaat niet om activiteiten waarvoor de deelnemer of een ander
                                    normaal gesproken betaald wordt of minder dan twee jaar geleden
                                    nog betaald werd.</al></li><li nr="c."><al>Het gaat niet om eerder bestaande arbeidsplaatsen met
                                    vergelijkbare werkzaamheden waar salaris voor werd betaald.</al></li><li nr="d."><al>Het gaat niet om werkzaamheden die eerder in de betreffende
                                    organisatie zijn wegbezuinigd.</al></li><li nr="e."><al>Er staat geen vacature open voor de zelfde of bijna de zelfde
                                    activiteiten als die bij de tegenprestatie worden
                                    uitgevoerd</al></li><li nr="f."><al>Activiteiten worden binnen maatschappelijke organisaties zo veel
                                    mogelijk gewisseld. Er wordt gerouleerd over diverse
                                    organisatieonderdelen.</al></li><li nr="g."><al>Het karakter van de activiteiten is incidenteel.</al></li><li nr="h."><al>Ook als de belanghebbende zelf een voorstel doet over de
                                    invulling van de tegenprestatie is de toets op verdringing
                                    nodig</al></li></lijst><al/><al>&lt; Dit nieuwe artiel 8 is bij raadsbesluit d.d. 11 juni 2015
                            ingevoegd, met wijziging van de oude nummering vanaf artikel 8&gt;</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie
                            Participatiewet, IOAW/IOAZ gemeente Sittard-Geleen 2015</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 12 november 2014</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd.</ondertekening><ondertekening>De griffier, drs. J. Vis</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, drs. G.J.M. Cox</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr/><titel/></kop><al>In deze vanaf 1 januari 2015 geldende geconsolideerde versie zijn het
                    wijzigingsbesluit van de raad van 29 januari 2015 en hetwijzigingsbesluit van de
                    raad van 11 juni 2015 verwerkt. </al><al>In het wijzigingsbesluit van 29 januari 2015 werd ingaande 1 januari 2015
                    artikel 9 , de citeertitel, gewijzigd.</al><al>In het wijzigingsbesluit van 11 juni 2015 werd ingaande 1 juli 2015 een nieuw
                    artikel 8 ingevoegd.</al><al/><al>Toelichting op het besluit van 12 november2014:</al><al><cursief>Algemene deel</cursief></al><al>Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een
                    tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct samenhangt
                    met arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar of ouder doch
                    jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van melding gehouden
                    naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9,
                    eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. De tegenprestatie bestaat uit
                    de plicht om naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op
                    reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.</al><al/><al><cursief>Individuele omstandigheden</cursief></al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Als
                    het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenpresatie van hem verwacht
                    wordt (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al/><al><cursief>Geen tegenprestatie</cursief></al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot
                    het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een
                    belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in
                    artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                    lid, van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van
                    toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als
                    bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                    lid, van de Participatiewet).</al><al/><al><cursief>Afstemmen</cursief></al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting geldt
                    voor het niet nakomen van de tegenprestatie dat de bijstand kan worden afgestemd
                    overeenkomstig de gemeentelijke afstemmingsverordening.</al><al/><al><cursief>Bevoegdheid opdragen tegenprestatie</cursief></al><al>De bevoegdheid van het college om een belanghebbende te verplichten naar
                    vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De
                    regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een gelegenheid
                    is om te blijven participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk,
                    arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering ook
                    noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten (TK
                    2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).</al><al/><al><cursief>Tegenprestatie is geen re-integratieinstrument</cursief></al><al>De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het ontvangen
                    van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot
                    doel de re-integratie van een belanghebbende te bevorderen, maar moet worden
                    gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7,
                    p. 49-50). De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding
                    tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratieinstrument. Voorts mag
                    een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratieinspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt werk
                    boven uitkering.</al><al/><al><cursief>Verordeningsplicht</cursief></al><al>De Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij
                    verordening regels vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie aan
                    mensen met een bijstandsuitkering in de leeftijd van 18 jaar tot de
                    pensioengerechtigde leeftijd. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in artikel
                    8a, eerste lid, onderdeel b Participatiewet. Het is aan de gemeente om de duur,
                    omvang en inhoud van de tegenprestatie te regelen (zie TK 2013-2014, 33 801, nr.
                    24, p. 6).</al><al/><al><cursief>Ontwikkelen beleid door college</cursief></al><al>Het college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het
                    verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig de
                    verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel c,
                    van de Participatiewet.</al><al/><al><cursief>Artikelsgewijze toelichting</cursief></al><al/><al>Artikel 1. Begrippen</al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet
                    bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze
                    verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.</al><al>Grote afstand tot de arbeidsmarkt</al><al>In artikel 1 van deze verordening is een definitie opgenomen van het begrip
                    'grote afstand tot de arbeidsmarkt'. Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt
                    wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is
                    voor deelname aan de arbeidsmarkt. Dit begrip is van belang in verband met de
                    mogelijkheid tot het opdragen van een tegenprestatie. Zie hierover artikel 4 van
                    deze verordening.</al><al>Mantelzorg</al><al>In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van mantelzorg. Deze
                    begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd in de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning (zie artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de
                    Wet maatschappelijke ondersteuning). Onder mantelzorg wordt verstaan: langdurige
                    zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een
                    hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening
                    rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van
                    huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het begrip 'mantelzorg' is van belang omdat
                    artikel 6 van deze verordening bepaalt dat het college geen tegenprestatie
                    opdraagt indien een belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten
                    van mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk
                    is.</al><al>Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals neergelegd in
                    de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier belangrijkste kenmerken
                    van mantelzorg zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de
                            zorgverlener;</al></li><li nr="2."><al>mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband;</al></li><li nr="3."><al>het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze;</al></li><li nr="4."><al>het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar.</al></li></lijst><al>Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK 2004-2005, 30
                    169, nr. 1 (Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK 2005-2006, 30 131, nr.
                    C.</al><al>Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg van
                    huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitvoering van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning hanteren gemeenten veelal het protocol
                    Gebruikelijke Zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg om vast te stellen of
                    sprake is van gebruikelijke zorg. Voor de uitleg van wat onder gebruikelijke
                    zorg kan worden aangesloten bij de definitie van gebruikelijke zorg in het
                    protocol Gebruikelijke Zorg. Gebruikelijke zorg wordt in dat Protocol als volgt
                    omschreven: de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende
                    kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een
                    gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke
                    verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden.</al><al/><al>Artikel 2. Beleidsplan</al><al>Het college zendt tweejaarlijks aan de gemeenteraad een beleidsplan waarin de
                    nadere invulling van deze verordening waarin kan worden vastgelegd.</al><al/><al>Artikel 3 Het opdragen van een tegenprestatie</al><al>Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het
                    college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen.
                    Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan bezwaar en beroep
                    worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49).</al><al>De gemeenteraad kiest er in deze verordening voor te bepalen dat het college een
                    tegenprestatie in beginsel uitsluitend kan opdragen aan een belanghebbende die
                    een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft en die niet deelneemt aan een op
                    participatie gericht traject.</al><al>Dit impliceert dat aan belanghebbenden die een korte afstand tot de arbeidsmarkt
                    hebben geen tegenprestatie wordt opgedragen. De gemeenteraad heeft hiervoor
                    gekozen opdat personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt zich volledig
                    kunnen richten op de arbeidsplicht en de re-integratieplicht, zoals het naar
                    vermogen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgen. Bij personen met een korte
                    afstand tot de arbeidsmarkt kan redelijkerwijs worden verwacht dat hun
                    inspanningen eerder zullen leiden tot uitstroom. Daarom wordt in beginsel aan
                    personen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt geen tegenprestatie
                    opgedragen. De tegenprestatie mag immers het accepteren van passende arbeid of
                    van re-integratieinspanningen niet belemmeren aangezien werk boven uitkering als
                    uitgangspunt geldt. Aan personen met een lange afstand tot de arbeidsmarkt kan
                    het college wel een tegenprestatie opdragen.</al><al>Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het
                    college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot
                    het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de
                    Participatiewet).</al><al>De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van toepassing
                    op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld
                    in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde
                    lid, van de Participatiewet) De verplichting tot tegenprestatie is niet van
                    toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als
                    bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende
                    lid, van de Participatiewet).</al><al>Weigering tegenprestatie Het college dient bij weigering van belanghebbende om
                    de tegenprestatie te verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en
                    de duur van de op te leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3,
                    p. 29).</al><al>Factoren opdragen tegenprestatie</al><al>In artikel 4, derde lid, van deze verordening is neergelegd met welke factoren
                    het college rekening moet houden bij het opdragen van een tegenprestatie. Deze
                    factoren worden hierna toegelicht.</al><lijst><li nr=""><al>Tegenprestatie 'naar vermogen'</al></li></lijst><al>De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar vermogen
                    door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar vermogen' heeft
                    betrekking op de mogelijkheden waarover een belanghebbende beschikt om deze
                    werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle onbeloonde maatschappelijk
                    nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde
                    (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).</al><lijst><li nr=""><al>Persoonlijke Situatie en individuele omstandigheden belanghebbende</al></li></lijst><al>Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de
                    persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende,
                    waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank Zeeland-West-Brabant
                    25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). Hierbij wordt rekening
                    gehouden met het fysieke en psychische vermogen van een belanghebbende. Bij het
                    opdragen van de tegenprestatie dient het college maatwerk te leveren. Voorts
                    wordt bij opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met praktische
                    omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang en/of
                    belanghebbende al maatschappelijke activiteiten verricht.</al><lijst><li nr=""><al>Persoonlijke wensen en kwaliteiten belanghebbende</al></li></lijst><al>Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het college
                    rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende. De
                    regering vindt het immers belangrijk dat een belanghebbende invloed heeft op de
                    keuze van de activiteiten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47). Belanghebbende
                    kan zelf ideeën aandragen voor de als tegenprestatie te verrichten
                    werkzaamheden. Het college kan in beleidsregels bepalen wanneer een
                    belanghebbende zijn keuze voor het verrichten van maatschappelijk nuttige
                    activiteit kenbaar maakt aan het college. Het college beoordeelt de door
                    belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan besluiten om het voorstel van
                    belanghebbende over te nemen en die werkzaamheden in te zetten als
                    tegenprestatie. Uiteraard moet die werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of
                    krachtens artikel 3 van deze verordening en moet die werkzaamheid beschikbaar
                    zijn. Het college is niet gehouden te voldoen aan de wensen van een
                    belanghebbende, maar moet deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt
                    belanghebbende geen ideeën aan, dan legt het college belanghebbende een lijst
                    met keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk nuttige werkzaamheden die
                    voorhanden zijn. Als belanghebbende geen voorkeur kenbaar maakt of er geen
                    keuzemogelijkheid is, legt het college een werkzaamheid op. Het is immers aan
                    het college, en niet aan een belanghebbende, een tegenprestatie op te dragen aan
                    belanghebbende.</al><lijst><li nr=""><al>Maatschappelijke activiteiten en vrijwilligerswerk door
                            belanghebbende</al></li></lijst><al>Het college houdt er bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie rekening
                    met het eventuele gegeven dat een belanghebbende al maatschappelijk actief is
                    (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Indien een belanghebbende al een
                    maatschappelijke activiteit verricht, kan het college in bepaalde gevallen
                    besluiten deze maatschappelijke activiteit aan te merken als tegenprestatie. Ook
                    kan de omstandigheid dat een belanghebbende maatschappelijke activiteit
                    verricht, ertoe leiden dat hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen
                    van de tegenprestatie, met name de duur en de omvang van de tegenprestatie. Een
                    voorbeeld van maatschappelijke activiteiten zijn: de zorg voor een ouder of een
                    gehandicapt kind. Het college beoordeelt de maatschappelijke activiteiten en
                    houdt daarbij rekening met de duur en omvang. Dit geldt ook voor het verrichten
                    van vrijwilligerswerk. Het college kan ook besluiten vrijwilligerswerk van 12
                    uren per week aanmerken als tegenprestatie.</al><al/><al>Artikel 4 Inhoud van een tegenprestatie</al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen.
                    Artikel 3 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de inhoud van
                    de tegenprestatie. Het college dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van
                    een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de individuele
                    omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring
                    en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De werkzaamheden worden immers
                    opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in
                    staat is de werkzaamheden te verrichten (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
                    25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenpresatie van hem wordt
                    verwacht (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).</al><al><cursief>Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden</cursief>
                    In artikel 3, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat de tegenprestatie
                    onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen die additioneel van
                    aard zijn. De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de
                    tegenprestatie dienen zich te onderscheiden van werkzaamheden die door de
                    reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en
                    onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en
                    van keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de overheid
                    worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).</al><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die
                    additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die
                    werkzaamheden voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, van deze verordening
                    genomende voorwaarden. Dit betekent dat de als tegenprestatie in te zetten
                    werkzaamheid:</al><lijst><li nr="1."><al>naar zijn aard niet is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;</al></li><li nr="2."><al>niet is bedoeld als re-integratieinstrument;</al></li><li nr="3."><al>wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                            organisatie waarin deze worden verricht; en</al></li><li nr="4."><al>niet leidt tot verdringing.</al></li></lijst><al>Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de
                    tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011,
                    32 815, nr. 3, p. 14).</al><al>In een beleidsplan kan het college vastleggen welke werkzaamheden in ieder geval
                    als tegenprestatie kunnen worden ingezet (artikel 3, tweede lid, van deze
                    verordening). Deze werkzaamheden voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, van
                    deze verordening gestelde voorwaarden.</al><al>S<cursief>amenwerking met maatschappelijke organisaties</cursief>: De gemeente
                    kan voor het werven van maatschappelijk nuttige werkzaamheden samenwerken met
                    maatschappelijke organisaties zoals: welzijnsinstellingen,
                    vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen. Om ervoor
                    te zorgen dat voldoende maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn,
                    is het van belang dat contacten worden onderhouden met maatschappelijke
                    organisaties. Een vrijwilligersvacaturebank bij een vrijwilligerscentrale kan
                    een belangrijk hulpmiddel zijn om het aanbod van maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden te bepalen.</al><al><cursief>Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing</cursief> De
                    tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie. De
                    tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar de
                    arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als re-integratieinstrument. Het
                    betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere
                    arbeid en die niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere
                    werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De
                    tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van
                    re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven
                    uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de
                    Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr.
                    3, p. 14).</al><al/><al>Artikel 5. Duur en omvang van een tegenprestatie</al><al>Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de
                    voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de
                    duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij
                    moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen.
                    Artikel 5 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de duur en
                    omvang van de tegenprestatie. In de regel zal de maximale duur en omvang leidend
                    zijn voor ze inzet van de tegenprestatie. Op grond van de individuele
                    omstandigheden van belanghebbende kan worden afgeweken van de duur en omvang.
                    Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van een
                    belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van de
                    werkzaamheden en de duur in de tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat
                    betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis van de situatie in
                    welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden (TK 2013-2014, 33 801, nr.
                    30). Artikel 5, eerste lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een
                    maximale duur. De tegenprestatie kan eenmalig worden opgedragen voor de maximale
                    duur van drie maanden gedurende 12 uur per week.</al><al/><al>Artikel 6. Mantelzorg</al><al>Artikel 6 van de verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen
                    indien een belanghebbende mantelzorg verricht en het college het verrichten
                    hiervan redelijkerwijze noodzakelijk vindt. De regering heeft deze mogelijkheid
                    uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging met betrekking tot de Wet
                    maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Of sprake is van
                    mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip mantelzorg zoals
                    neergelegd in artikel 1 van deze verordening. Verricht een belanghebbende
                    mantelzorg in de zin van deze verordening en is het verrichten van mantelzorg
                    volgens het college redelijkerwijs noodzakelijk, dan draagt het college een
                    belanghebbende geen tegenprestatie op (artikel 6 van deze verordening).</al><al/><al>Artikel 7. Geen werkzaamheden voorhanden</al><al>Artikel 7, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat geen tegenprestatie
                    wordt opgedragen indien geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                    voorhanden zijn. In deze verordening kiest de gemeenteraad ervoor dat geen
                    tegenprestatie wordt opgedragen indien geen maatschappelijk nuttige
                    werkzaamheden binnen de eigen gemeentegrenzen voorhanden zijn. De
                    Participatiewet verplicht gemeenten niet om buiten de eigen gemeentegrens een
                    tegenprestatie te laten verrichten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 51). Indien
                    het college besluit geen tegenprestatie op te leggen omdat binnen de eigen
                    gemeentegrenzen geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden
                    zijn, wordt binnen drie maanden een heronderzoek uitgevoerd om te beoordelen of
                    op dat moment wel maatschappelijk nuttige werkzaamheden binnen de eigen
                    gemeentegrenzen voorhanden zijn. Dit is geregeld in artikel 7, tweede lid, van
                    deze verordening.</al><al/><al>Artikel 8. Inwerkingtreding</al><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die
                    datum is in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet de
                    verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd om regels in de verordening
                    vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie.</al><al/><al>Artikel 9. Citeertitel</al><al>In dit artikel is de citeertitel van deze verordening neergelegd.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>