<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR343762_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening individuele inkomens- en studietoeslag gemeente Hoogeveen                2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Hoogeveen</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-03-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Hoogeveen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad Hoogeveen, nr. 81825</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening inkomens- en studietoeslag Hoogeveen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0015703&amp;artikel=8&amp;g=2018-07-28">artikel 8 van de Participatiewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-03-26</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BBV01577</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>maatschappelijke zorg</overheidrg:onderwerp></cvdripm></meta><body><intitule>
      Verordening individuele inkomens- en studietoeslag gemeente Hoogeveen
                2015
    </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Hoogeveen;</al><al>gelezen het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b en c, en tweede en
                        derde lid, van de Participatiewet;</al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening:</al><al>Verordening individuele inkomens- en studietoeslag gemeente Hoogeveen
                        2015.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al> inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de
                                Participatiewet, en de algemene bijstand; </al></li><li nr="b."><al> peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
                                aanvraagt; </al></li><li nr="c."><al> referteperiode: periode van 36 maanden voorafgaand aan de
                                peildatum. </al></li><li nr="d."><al> college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                Hoogeveen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Indienen verzoek</titel></kop><al>Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet,
                        en artikel 36 b, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels
                        een door het college vastgesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Langdurig laag inkomen</titel></kop><al>Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36,
                        eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in
                        aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100 procent van de
                        toepasselijke bijstandsnorm.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Individuele inkomenstoeslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: </al><lijst><li nr="a."><al>€ 385,00 voor een alleenstaande; </al></li><li nr="b."><al>€ 494,00 voor een alleenstaande ouder; </al></li><li nr="c."><al>€ 549,00 voor gehuwden. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al> Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele
                                inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de
                                Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor
                                een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als
                                alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. </al></li><li nr="3."><al> Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de
                                peildatum bepalend. </al></li><li nr="4."><al> De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd
                                overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex
                                volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden
                                naar boven afgerond op hele euro’s. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Individuele studietoeslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Een persoon komt in aanmerking voor individuele studietoeslag
                                wanneer uit de loonwaardemeting van de belanghebbende blijkt dat
                                deze niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimum
                                loon, maar wel mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie. </al></li><li nr="2."><al> Een persoon kan slechts eenmaal binnen een periode van één
                                kalenderjaar in aanmerking komen voor een individuele
                                studietoeslag.</al></li><li nr="3."><al> De individuele studietoeslag bedraagt € 2500,-. </al></li><li nr="4."><al> Een individuele studietoeslag wordt eenmalig als één bedrag
                                uitbetaald. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Beleidsregels</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het college kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de
                                uitvoering van deze verordening. </al></li><li nr="2."><al> De beleidsregels, zoals bedoeld in het eerste lid, hebben met
                                betrekking tot de individuele inkomenstoeslag in ieder geval
                                betrekking op de invulling van het begrip ‘geen uitzicht op
                                inkomensverbetering’ zoals bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de
                                Participatiewet en geeft met betrekking tot de individuele
                                studietoeslag in ieder geval aan wanneer een persoon niet in staat
                                is om met arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, maar wel de
                                mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Intrekken oude verordening</titel></kop><al>De ‘Verordening langdurigheidstoeslag 2012’ wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015. </al></li><li nr="2."><al> Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening inkomens- en
                                studietoeslag Hoogeveen 2015. </al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2014.</al></slotformulering><ondertekening>
          De griffier, De voorzitter,
        </ondertekening><ondertekening>
           J.P. WIND, K.B. LOOHUIS
        </ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting </vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al/><al><vet><cursief>Individuele
                            inkomenstoeslag</cursief></vet></al><al>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag,
                        bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                        met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch
                        kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen
                        zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen
                        enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te
                        verhogen. Om die reden is bij de invoering van de Wet werk en bijstand
                        (hierna: WWB) in 2004 de langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds
                        1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de
                        langdurigheidstoeslag sinds die datum een bijzondere vorm van (categoriale)
                        bijzondere bijstand. Per 1 januari 2015 vervangt de individuele
                        inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. Sindsdien is het verlenen van de
                        toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar een discretionaire bevoegdheid.
                        Dit betekent dat het college een individuele inkomenstoeslag kan verlenen
                        als een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Het college kan in
                        beleidsregels aangeven welke groepen niet in aanmerking komen voor
                        individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen uitzicht hebben op
                        inkomensverbetering. </al><al><cursief>Vast te leggen regels in verordening </cursief></al><al>De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het
                        is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig
                        een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die
                        persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste
                        lid, van de Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld
                        worden over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in
                        artikel 36 van de Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval
                        betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de
                        begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Op grond van deze verordening is
                        geen sprake van een laag inkomen bij een inkomen hoger dan 100% van de
                        toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast moet bij verordening de hoogte van de
                        individuele inkomenstoeslag bepaald worden. Het college kan in beleidsregels
                        aangeven wanneer sprake is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet
                        op de tekst van artikel 8, tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit
                        criterium niet te worden vastgelegd in de verordening. Bij de beoordeling
                        van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet het college
                        rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede
                        lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder
                        geval worden gerekend: </al><al>- de krachten en bekwaamheden van de persoon, en </al><al>- de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering
                        te komen. </al><al><cursief>Overgangsrecht </cursief></al><al>Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de
                        langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening
                        overgangsrecht op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte
                        langdurigheidstoeslagen, omdat artikel 78z van de Participatiewet voorziet
                        in algemeen overgangsrecht met betrekking tot de wijzigingen in de
                        Participatiewet als gevolg van de inwerkingtreding van de Invoeringswet
                        Participatiewet en de Wet maatregelen WWB op 1 januari 2015. De individuele
                        inkomenstoeslag en voorheen de langdurigheidstoeslag worden immers toegekend
                        tegen een peildatum. Zaken die na de peildatum gebeuren hebben geen
                        betekenis voor het recht op een dergelijke toeslag. Wie op een datum gelegen
                        vóór 1 januari 2015 op basis van de toepasselijke verordening recht had op
                        langdurigheidstoeslag, behoudt dat onverkort, ongeacht of hij voldoet aan de
                        voorwaarden die per 1 januari 2015 zijn gesteld in artikel 36 van de
                        Participatiewet </al><al>en deze verordening. Toekenning van het recht op individuele inkomenstoeslag
                        tegen een datum gelegen op of ná 1 januari 2015 is uitsluitend mogelijk als
                        wordt voldaan aan de in artikel 36 van de Participatiewet en deze
                        verordening opgenomen voorwaarden. </al><al><cursief>Wijziging leefvorm </cursief></al><al>De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon
                        kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien
                        gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte
                        van de referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen
                        moeten dan ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden
                        voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden
                        moeten immers zowel gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen. </al><al/><al><vet><cursief>Individuele studietoeslag</cursief></vet></al><al>De Invoeringswet Participatiewet introduceert een studieregeling in de
                        Participatiewet: de individuele studietoeslag. Hiermee krijgt het college de
                        mogelijkheid mensen, van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn het
                        minimumloon te verdienen, een individuele studietoeslag te verstrekken als
                        ze studeren. Het afronden van een studie versterkt de positie op de
                        arbeidsmarkt. Een diploma is een bewijs tegenover werkgevers dat iemand
                        gemotiveerd is en veel in zijn mars heeft. </al><al>Mensen met een arbeidshandicap hebben volgens de regering een extra steuntje
                        in de rug nodig als het gaat om studeren. Voor hen is de drempel om te lenen
                        een stuk hoger, omdat de kans op een baan later lager is. Een studieregeling
                        stimuleert mensen om toch de stap te zetten om naar school te gaan of een
                        studie te gaan volgen. Ook biedt het een financiële compensatie voor het
                        feit dat het voor deze groep vaak moeilijk is om de studie te combineren met
                        een bijbaan. </al><al>De individuele studietoeslag moet worden aangemerkt als een vorm van
                        bijzondere bijstand (artikel 5, onderdeel d, van de Participatiewet). De
                        individuele studietoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is
                        een inkomensondersteunende maatregel voor mensen van wie is vastgesteld dat
                        ze niet in staat zijn het minimumloon te verdienen.</al><al><cursief>Verordeningsplicht </cursief></al><al>De Invoeringswet Participatiewet legt de gemeenteraad de verplichting op in
                        een verordening regels vast te stellen over het verlenen van een individuele
                        studietoeslag. Deze verordeningsopdracht is neergelegd in artikel 8, eerste
                        lid, onderdeel c, van de Participatiewet. De regels moeten in ieder geval
                        betrekking hebben op de hoogte en de frequentie van de betaling van de
                        individuele studietoeslag (artikel 8, derde lid, van de Participatiewet). </al><al><cursief>Discretionaire bevoegdheid </cursief></al><al>Het verlenen van een individuele studietoeslag is een discretionaire
                        bevoegdheid van het college. Dit betekent dat het college aan personen die
                        voldoen aan de voorwaarden van artikel 36b, eerste lid, van de
                        Participatiewet, een individuele studietoeslag kan toekennen, maar hiertoe
                        niet is gehouden. Het college kan in beleidsregels aangeven of bepaalde
                        groepen niet in aanmerking komen voor een studietoeslag. Het college kan in
                        plaats daarvan - en in aanvulling op artikel 36b, eerste lid, van de
                        Participatiewet - in beleidsregels aangeven wie, wanneer en op grond van
                        welke nadere voorwaarden recht heeft op een individuele studietoeslag</al><al><cursief>Voorwaarden individuele studietoeslag </cursief></al><al>Een persoon die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij de
                        arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van
                        de Participatiewet kan een aanvraag indienen voor een individuele
                        studietoeslag. Artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet spreekt
                        overigens zowel over verzoek als aanvraag. Het college kan op een dergelijk
                        verzoek – gelet op de individuele omstandigheden van een persoon - een
                        individuele studietoeslag verlenen. Hiervoor is vereist dat deze persoon op
                        de datum van de aanvraag: </al><lijst><li nr="1."><al>18 jaar of ouder is; </al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet
                                studiefinanciering 2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op
                                grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                schoolkosten; </al></li><li nr="3."><al>geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van
                                de Participatiewet heeft; en </al></li><li nr="4"><al>een persoon is van wie is vastgesteld dat hij met voltijdse arbeid
                                niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon,
                                doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. </al></li></lijst><al>Dat een persoon recht moet hebben op studiefinanciering of een
                        WTOS-tegemoetkoming, betekent niet dat deze persoon ook daadwerkelijk
                        studiefinanciering of een tegemoetkoming moet ontvangen. Het recht op
                        studiefinanciering bestaat, afhankelijk van iemands gekozen opleiding,
                        leeftijd en inkomen. Of van dit recht gebruik gemaakt wordt is niet in de
                        Participatiewet geregeld en is geen vereiste voor het ontvangen van een
                        individuele studietoeslag op grond van de Participatiewet. Voor het recht op
                        een individuele studietoeslag is het dan ook voldoende dat een persoon recht
                        heeft op studiefinanciering of een tegemoetkoming. De persoon zal - als
                        aanvrager van de toeslag - aannemelijk moeten maken dat hij recht op
                        studiefinanciering of een tegemoetkoming heeft, bijvoorbeeld door een
                        beschikking van DUO of door een bewijs van inschrijving bij een bepaalde
                        opleiding te overleggen. </al><al>De artikelen 12, 43, 49 en 52 van de Participatiewet zijn niet van
                        toepassing bij verlening van de individuele studietoeslag (artikel 36b,
                        tweede lid, van de Participatiewet). De aanvraag moet worden ingediend bij
                        het college. Een individuele studietoeslag kan niet als lening worden
                        verstrekt als een persoon met de studietoeslag schulden wil aflossen.
                        Artikel 49 van de Participatiewet is namelijk niet van toepassing op de
                        individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de Participatiewet).
                        Ook artikel 52 van de Participatiewet is niet van toepassing op de
                        individuele studietoeslag (artikel 36b, tweede lid, van de Participatiewet).
                        Dit maakt dat de individuele studietoeslag niet kan worden verstrekt in de
                        vorm van een voorschot.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><al><vet>Artikel 1. Begrippen </vet></al><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                        bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk
                        gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing
                        op deze verordening. </al><al><cursief>Inkomen </cursief></al><al>Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de
                        Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de
                        beoordeling van het recht op individuele inkomens- en studietoeslag ook in
                        aanmerking genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in
                        aanmerking worden genomen. Aangezien individuele inkomens- en studietoeslag
                        een vorm van bijzondere bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen
                        dat een eerder verstrekte individuele inkomens- en studietoeslag buiten
                        beschouwing moet worden gelaten bij de vaststelling van het inkomen. Het
                        wordt niet wenselijk geacht een eerder verstrekte individuele
                        inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als inkomen, omdat dit het ongewenst
                        effect kan hebben dat een persoon geen recht op een individuele
                        inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in de
                        referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Wat voor een eerder
                        verstrekte individuele inkomenstoeslag geldt, dat geldt ook voor een eerder
                        verstrekte langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals die luidde vóór 1
                        januari 2015. </al><al><cursief>Peildatum </cursief></al><al>De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag
                        aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een
                        persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen
                        vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op
                        de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering
                        heeft. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum
                        kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld
                        om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van
                        bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de
                        Participatiewet en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de
                        Participatiewet. </al><al><cursief>Referteperiode </cursief></al><al>Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een
                        periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting
                        bij artikel 3 onder ‘Langdurig’. </al><al/><al><vet>Artikel 2. Indienen verzoek </vet></al><al>De Wet maatregelen WWB heeft artikel 36, eerste lid, en 36b, eerste lid, van
                        de Participatiewet dusdanig gewijzigd dat een persoon een verzoek tot
                        verlening van individuele inkomens- en studietoeslag kan indienen. Voorheen
                        was de langdurigheidstoeslag alleen op aanvraag verkrijgbaar. Onder aanvraag
                        wordt verstaan: een verzoek van een persoon, een besluit te nemen (artikel
                        1:3, derde lid, van de Awb). Een aanvraag dient in beginsel schriftelijk te
                        worden ingediend (artikel 4:1 Awb). </al><al>Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden
                        ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet
                        worden gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Een
                        verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1
                        van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de
                        Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het
                        adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de
                        beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De
                        aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op
                        de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan
                        krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Een mondeling verzoek kan
                        hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om individuele
                        inkomenstoeslag en een individuele studietoeslag zoals bedoeld in artikel 36
                        en artikel 36b van de Participatiewet. </al><al/><al><vet>Artikel 3. Langdurig laag inkomen </vet></al><al>Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder
                        ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan. </al><al><cursief>Langdurig </cursief></al><al>De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de
                        peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is
                        vastgesteld in artikel 1 van deze verordening. </al><al><cursief>Laag inkomen </cursief></al><al>Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 100% van de voor die persoon
                        toepasselijke bijstandsnorm. </al><al>De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet
                        hoger is dan het langdurig lage inkomen van 100% van de toepasselijke
                        bijstandsnorm, zal niet al te rigide mogen worden beoordeeld. Een marginale
                        overschrijding van dit lage inkomen moet worden genegeerd. Gaat het inkomen
                        van een persoon gedurende (een deel van) de referteperiode de toepasselijke
                        bijstandsnorm maandelijks met ongeveer € 10 of meer te boven, dan is geen
                        sprake meer van een marginale overschrijding van de bijstandsnorm die niet
                        aan toekenning van een individuele inkomenstoeslag in de weg staat. Er is
                        immers geen sprake van een incidentele geringe overschrijding van de
                        bijstandsnorm of van te verwaarlozen bedragen.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Individuele inkomenstoeslag </vet></al><al>Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt
                        tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden. </al><al><cursief>Gehuwden </cursief></al><al>Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele
                        inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de
                        peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de
                        voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één
                        van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op
                        individuele inkomenstoeslag. Is één van de echtgenoten uitgesloten van het
                        recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen
                        aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan
                        komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele
                        inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen
                        11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht
                        heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op individuele
                        inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een
                        individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of
                        alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het tweede lid. </al><al><cursief>Indexering </cursief></al><al>In het vierde lid is een indexeringsbepaling opgenomen. Deze bepaling
                        voorkomt dat de verordening telkens opnieuw moet worden vastgesteld, enkel
                        voor indexatie van de bedragen. </al><al/><al><vet>Artikel 5. Individuele studietoeslag</vet></al><al><cursief>Mogelijkheden tot arbeidsparticipatie</cursief></al><al>Met betrekking tot het laatst genoemde criterium wint het college advies in
                        bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Het gaat om
                        advies met betrekking tot het oordeel of een persoon met voltijdse arbeid
                        niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, doch wel
                        mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. </al><al><cursief>Periode </cursief></al><al>Een individuele studietoeslag wordt eenmalig in één bedrag uitbetaald. Dit
                        is het bedrag zoals neergelegd in dit artikel van deze verordening. Na één
                        jaar kan een persoon opnieuw in aanmerking komen voor een individuele
                        studietoeslag.</al><al><cursief>Eenmalig een bedrag</cursief></al><al>Mocht een persoon in aanmerking komen voor een individuele studietoeslag,
                        dan wordt deze toeslag toegekend voor een periode van twaalf maanden waarbij
                        de mogelijkheid bestaat dat deze persoon na een aantal maanden geen studie
                        meer volgt. Immers, alleen op moment van aanvraag moet een persoon voldoen
                        aan de voorwaarden van artikel 36b van de Participatiewet. Als hij op enig
                        moment na de aanvraag hier niet meer aan voldoet, heeft dat geen gevolgen
                        voor het recht en de verstrekking van de individuele studietoeslag.</al><al/><al><vet>Artikel 6. Beleidsregels</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Intrekken oude verordening</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 8. Inwerkingtreding en citeertitel</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>