<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR34364_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Monumentenverordening Vlissingen 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Vlissingen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2010, IV.06</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Monumentenverordening Vlissingen 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-06-24</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Monumentenverordening 2007, vastgesteld bij besluit van 28 juni 2007.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>MONUMENTENVERORDENING VLISSINGEN 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="4*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="32*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="64*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>Monument</al></entry><entry colname="col3"><al>1.zaak die van algemeen belang is wegens zijn
                                                schoonheid, betekenis voor de wetenschap of
                                                cultuurhistorische waarde;</al><al>2.terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                                aanwezige zaak als bedoeld onder 1;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>Gemeentelijk archeologisch monument:</al></entry><entry colname="col3"><al>monument, bedoeld in onderdeel a, onder 2;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>Beschermd gemeentelijk monument: </al></entry><entry colname="col3"><al>onroerend monument, dat overeenkomstig de bepalingen
                                                van deze verordening als beschermd gemeentelijk
                                                monument is aangewezen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al>Gemeentelijke monumentenlijst:</al></entry><entry colname="col3"><al>de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig
                                                deze verordening als beschermd gemeentelijk monument
                                                aangewezen zaken;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e.</al></entry><entry colname="col2"><al>Beschermd rijksmonument:</al></entry><entry colname="col3"><al>onroerend monument, dat is ingeschreven in de
                                                ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde
                                                registers;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f.</al></entry><entry colname="col2"><al>Kerkelijk monument:</al></entry><entry colname="col3"><al>onroerend monument, dat eigendom is van een
                                                kerkgenootschap, kerkelijke gemeente of parochie of
                                                van een kerkelijke instelling en dat uitsluitend of
                                                voor een overwegend deel wordt gebruikt voor de
                                                uitoefening van de eredienst;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>g.</al></entry><entry colname="col2"><al>Monumentencommissie</al></entry><entry colname="col3"><al>de op basis van art.15, lid 1 Monumentenwet 1988
                                                ingestelde commissie met als taak het college op
                                                verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de
                                                toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet
                                                algemene bepalingen omgevingsrecht, de verordening
                                                en het monumentenbeleid;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>h.</al></entry><entry colname="col2"><al>Bouwhistorisch onderzoek:</al></entry><entry colname="col3"><al>in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek
                                                naar de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische
                                                kwaliteit van een monument.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>i.</al></entry><entry colname="col2"><al>Bevoegd gezag</al></entry><entry colname="col3"><al>bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet
                                                algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>j.</al></entry><entry colname="col2"><al>College:</al></entry><entry colname="col3"><al>het college van burgemeester en wethouders van de
                                                gemeente Vlissingen.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>k.</al></entry><entry colname="col2"><al>Vergunning</al></entry><entry colname="col3"><al>een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                                eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                                omgevingsrecht;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>l.</al></entry><entry colname="col2"><al>Wabo</al></entry><entry colname="col3"><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
                                een onroerend monument aanwijzen als beschermd gemeentelijk
                                monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de monumentencommissie. In spoedeisende gevallen
                                kan het vragen van dit advies achterwege blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een onroerend
                                monument als beschermd gemeentelijk monument bepalen dat
                                bouwhistorisch onderzoek wordt verricht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voordat het college een kerkelijk monument aanwijst, voert het
                                overleg met de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Het college brengt de raad in kennis van het besluit over de
                                aanwijzing van een gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                            monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als
                            bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument
                            niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies
                                van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen twintig weken
                                na de adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het beschermde gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding, de
                                tenaamstelling en een beschrijving van het beschermde gemeentelijke
                                monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede, derde en vierde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6
                                zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing van
                                artikel 3, tweede, derde en vierde lid, alsmede artikel 5, eerste
                                lid, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikel 5, eerste en tweede lid, van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                aangetekend.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                onder a, sub 1 te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in
                                        enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
                                        op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar
                                        gebracht.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>De aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden worden in viervoud ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument
                                aan de monumentencommissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift
                                brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Kerkelijk monument</titel></kop><al>Het college geeft met betrekking tot een beschermd kerkelijk monument
                            geen beschikking ingevolge de bepalingen van artikel 10, tweede lid, dan
                            in overeenstemming met de eigenaar, indien en voor zover het een
                            beschikking betreft, waarbij wezenlijke belangen van de
                            godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken
                                indien:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                        onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld
                                        in artikel 10, tweede lid, niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                        zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                        zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="d."><al>niet binnen één jaar van de vergunning gebruik wordt
                                        gemaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De beschikking tot intrekking wordt in afschrift gezonden aan de
                                monumentencommissie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Beschermde monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan
                                de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt
                                    of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen
                                    laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn
                                    aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe,
                                    indien de schade in relatie staat tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als
                                            bedoeld in artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften van het bevoegd gezag verbonden aan de
                                            vergunning als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld
                                            in artikel 10, derde lid;</al></li><li nr="d."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld
                                            in artikel 16, tweede lid, tweede lid, onder d;</al></li><li nr="e."><al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 17, tweede lid,
                                            tweede volzin.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen van
                                    de</al></li></lijst><al> Procedureverordening tegemoetkoming planschade Vlissingen 2009 van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 en
                            artikel 16 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder e,
                            van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Zo dikwijls de zorg voor de naleving van deze verordening dit vereist,
                            wordt hierbij de machtiging verstrekt al dan niet besloten ruimten en
                            plaatsen, met uitzondering van woningen, desnoods tegen de wil van de
                            rechthebbende, bewoner of gebruiker, te betreden, aan hen die en voor
                            zover zij door het bevoegd gezag belast zijn met het toezicht op de
                            naleving van deze verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>. Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Monumentenverordening Vlissingen 2007, vastgesteld bij besluit van de
                            gemeenteraad van 28 juni 2007, wordt ingetrokken op de onder artikel 21
                            bedoelde datum.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 19 ingetrokken
                                Monumentenverordening Vlissingen 2007 aangewezen en geregistreerde
                                gemeentelijke monumenten, worden geacht geregistreerd te zijn
                                overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 19 ingetrokken verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet
                            algemene bepalingen omgevingsrecht in werking treedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Monumentenverordening Vlissingen
                            2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 24 juni 2010.</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>mr. F. Vermeulen drs. W.J.A. Dijkstra</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>A. ALGEMENE TOELICHTING</titel></kop><al>Gelet op de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                    (hierna te noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene bepalingen omgevingsrecht
                    (hierna te noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit omgevingsrecht (hierna te
                    noemen: Bor) en de Regeling omgevingsrecht (hierna te noemen: Mor), is een
                    aantal verordeningen aangepast. De Monumentenverordening is er hier één
                    van.</al><al><cursief>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</cursief></al><al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in plaats komt van een reeks
                    vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een fysiek
                    project. De meest bekende daarvan zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de bouwvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de aanlegvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de sloopvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de monumentenvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de milieuvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de kapvergunning.</al></li></lijst><al>De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle dienstverlening.
                    Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt hiervan een onderdeel.</al><al><cursief>Eén aanvraag; één bevoegd gezag; één loket</cursief></al><al>De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de “één loket gedachte”.
                    Dit houdt in dat de aanvrager vanaf een nader te bepalen moment in 2010 één
                    omgevingsvergunning hoeft aan te vragen voor zijn project. De aanvrager geeft
                    aan op welke activiteiten (bouw, aanleg, sloop enz.) zijn aanvraag betrekking
                    heeft. Voor de erfgoedverordening betekent dit dat bijvoorbeeld de
                    omgevingsvergunning voor het bouwen en de omgevingsvergunning voor monumenten in
                    één verzoek worden aangevraagd. </al><al>De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag beoordeeld en
                    doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                    rechtsbescherming.</al><al><cursief>Bevoegd gezag</cursief></al><al>Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en
                    wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht.
                    Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is
                    tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. </al><al>In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt. Een
                    minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze gevallen als
                    het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn aangewezen in artikel 3.3 van
                    de Wabo. Gedeputeerde staten van de provincie is bevoegd gezag indien het gaat
                    om de meer complexere categorieën inrichtingen. Deze zijn specifiek in bijlage I
                    van het Bor omschreven.</al><al><cursief>Toestemmingsstelsels</cursief></al><al>Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (=vergunning en
                    ontheffing) te integreren in de omgevingsvergunning. De toestemmingstelsels die
                    altijd zien op plaatsgebonden activiteiten zijn volledig in de Wabo
                    geïntegreerd; de bestaande toestemmingstelsels in de betreffende wetten of
                    verordeningen vervallen. Het gaat om een procedurele integratie van de
                    verschillende toestemmingstelsels. De inhoudelijke beoordeling vindt
                    gecoördineerd plaats. Dit betekent dat de verschillende toetsingskaders niet
                    zijn geïntegreerd. Het toetsingskader van de Wabo bestaat derhalve uit een
                    optelling van de afzonderlijke toetsingskaders. Deze verschillende
                    toetsingskaders wegen allen even zwaar. </al><al><cursief>De procedure</cursief></al><al>In de Wabo is onderscheid gemaakt tussen de reguliere voorbereidingsprocedure en
                    de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Slechts op een enkel punt is voor deze
                    beide procedures afgeweken van de reguliere- en de uitgebreide openbare
                    voorbereidingsprocedure van de Awb. </al><al>Wanneer voor een project meerdere toestemmingen uit de Wabo nodig zijn wordt
                    door de aanvrager één aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. De
                    aanvrager kan er echter ook voor kiezen zijn project op te delen in
                    deelprojecten en voor elk van die deelprojecten een afzonderlijke
                    omgevingsvergunning aan te vragen. Het moet gaan om een onderdeel van het
                    project dat fysiek te scheiden is van de andere onderdelen van het totale
                    project. Ook wel de zogenaamde “onlosmakelijke verbondenheid”. Het criterium van
                    de <cursief>onlosmakelijkheid </cursief>is neergelegd in artikel 2.7 Wabo. Van
                    onlosmakelijke samenhang is sprake als de activiteiten zien op dezelfde
                    handeling. Het gaat dan om een activiteit die tegelijkertijd ook aangemerkt moet
                    worden als een andere activiteit als omschreven in de artikelen 2.1 en 2.2. van
                    de Wabo. Deze activiteiten overlappen elkaar en zijn niet te scheiden. Zij
                    vormen een en dezelfde handeling die binnen twee of meer
                    activiteitenomschrijvingen vallen. Vanwege de overlap in de
                    activiteitenomschrijvingen is het in deze gevallen niet mogelijk om de handeling
                    op te knippen in deelvergunningen.</al><al>Een omgevingsvergunning voor een deelproject geeft de bevoegdheid het
                    deelproject ook daadwerkelijk al uit te voeren. Hieraan bestaat bijvoorbeeld
                    behoefte bij een project waarbij voor de nieuwbouw van woningen grond bouwrijp
                    gemaakt moet worden en/of enkele oude opstallen gesloopt moeten worden wat door
                    verschillende partijen wordt uitgevoerd. De omgevingsvergunning voor het
                    bouwrijp maken en/of het slopen van opstallen kan aangevraagd worden en de
                    werkzaamheden kunnen na het verlenen van dit gedeelte van de omgevingsvergunning
                    ook starten. Vervolgens kan een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen
                    worden aangevraagd. Het gaat om verschillende besluiten waartegen een
                    afzonderlijke rechtsbeschermingsprocedure open staat. </al><al>Daarnaast heeft de aanvrager de mogelijkheid om een gefaseerde
                    omgevingsbeschikking aan te vragen. Hij bepaalt zelf welke activiteit wordt
                    gefaseerd. De beoordeling in de eerste fase is erop gericht te onderzoeken of
                    één van de door de aanvrager voorgenomen activiteiten, bijvoorbeeld het
                    oprichten en inwerking hebben van een inrichting, kan worden verricht en dus een
                    gerede kans heeft om een omgevingsvergunning te krijgen. Het betreft een
                    volledige toetsing. Tenuitvoerlegging van een omgevingsvergunning is pas
                    mogelijk nadat ook een omgevingsbeschikking tweede fase is verleend en een
                    volledige vergunning is verkregen. De tweede fase omgevingsbeschikking bevat de
                    noodzakelijke toestemmingen die niet in een eerste fase zijn vergund. Door
                    aanvraag van een omgevingsbeschikking eerste fase kan een financieel risico voor
                    de aanvrager worden beperkt. Hij hoeft in dit geval nog niet aan alle
                    indieningsvereisten te voldoen. Het rechtsgevolg van een eerste fase-beschikking
                    is dat bij de beoordeling van de gedetailleerde aanvraag voor de overige
                    activiteiten (de tweede fase-aanvraag) niet meer getoetst wordt aan de criteria
                    van de eerste fase. De eerste fase-beschikking kan door het bevoegd gezag worden
                    ingetrokken, indien niet binnen twee jaar nadat deze beschikking is genomen een
                    aanvraag voor een tweede fase-beschikking is ingediend. Beide beschikkingen
                    treden tezamen in werking. Tegen beide beschikkingen staat rechtsbescherming op
                    grond van de Awb open. </al><al><cursief>Informatie over de omgevingsvergunning</cursief></al><al>Er is een kennisplein omgevingsvergunning: http://omgevingsvergunning.vrom.nl.
                    hierop vindt u tal van brochures over de omgevingsvergunning. Als u nog geen
                    beeld hebt van wat er allemaal verandert, geven wij u in overweging de volgende
                    informatie te lezen:</al><lijst><li nr="-"><al>Infoblad De omgevingsvergunning (september 2008);</al></li><li nr="-"><al>Handreiking Afstemming omgevingsvergunning: -afstemmen op; afstemmen met
                            – (augustus 2008; een online product).</al></li></lijst><al><cursief>De Wabo en de Monumentenverordening</cursief></al><al>De monumentenvergunning uit de Monumentenverordening integreert volledig in de
                    omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat. Daarom is in
                    artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder een
                    omgevingsvergunning een krachtens een verordening aangewezen monument te slopen,
                    te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of te herstellen, te
                    gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waarop het wordt ontsierd of in
                    gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het volledig integreren van de
                    monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van de
                    monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening van de
                    bouwvergunning of de aanlegvergunning. </al><al>De Monumentenverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te stellen. De
                    Wabo ziet op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere regels. Het college
                    blijft hiervoor het bevoegd gezag. Het inhoudelijke toetsingskader van de
                    omgevingsvergunning inzake de gemeentelijke monumenten is in de verordening
                    bepaald. </al><al>Voor het overige is bij het opstellen van deze Monumentenverordening rekening
                    gehouden met de 'Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving'. Ook in dit nieuwe
                    model zijn de bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de daarin gekozen
                    systematiek als uitgangspunt genomen. In de verordening zijn geen bepalingen
                    opgenomen met betrekking tot de gemeentelijke beschermde stads- en
                    dorpsgezichten, ondanks dat hiervan in de gemeentelijke praktijk wel gebruik
                    wordt gemaakt. In een voorgaand dereguleringstraject zijn deze artikelen
                    gesneuveld, aangezien het instrument hoge administratieve lasten bij burgers
                    genereert. In het verlengde van het dereguleringsproject in 2007 is er thans
                    voor gekozen om deze bepalingen daarom niet opnieuw in de verordening op te
                    nemen. </al><al/></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMEEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al><cursief>Sub a</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip ‘monument’ is aansluiting gezocht bij de
                        omschrijving in de Monumentenwet 1988. Cultuurhistorische waarde is volgens
                        de Memorie van Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde,
                        gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de
                        loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Het
                        begrip cultuurhistorische waarde is dermate ruim dat het ook betrekking kan
                        hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige waarde.</al><al>De onder 2 bedoelde terreinen kunnen bijvoorbeeld parken, tuinen en een
                        perceel met een of meer bomen zijn. Het is niet vereist dat op het terrein
                        ook een bouwkundig monument voorkomt teneinde over een monument te kunnen
                        spreken. Een ‘zaak’ is immers een veel ruimer begrip. De vijftig-jaargrens
                        die voor rijksmonumenten geldt, is niet voor gemeentelijke monumenten
                        overgenomen. Daardoor biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten
                        die (nog) niet op de rijkslijst kunnen komen omdat ze te jong zijn, reeds op
                        de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen.</al><al><cursief>Sub b</cursief></al><al>De term ‘gemeentelijk archeologisch monument’ wordt apart gedefinieerd in
                        verband met de enigszins afwijkende positie die een archeologisch monument
                        inneemt ten aanzien van de vergunningverlening. Ten eerste is er verschil in
                        behandeling tussen een rijks- of gemeentelijk beschermd archeologisch
                        monument bij een vergunningaanvraag. De vergunningverlening voor het
                        verstoren of in enig opzicht wijzigen van een beschermd gemeentelijk
                        monument is een bevoegdheid van het college. Als er echter sprake is van een
                        beschermd archeologisch rijksmonument beslist de minister op de
                        vergunningaanvraag.</al><al>Ten tweede regelt de Monumentenwet 1988 dat het doen van een opgraving
                        alleen plaats mag vinden met vergunning van de minister. Deze verplichting
                        geldt in zijn algemeenheid voor alle archeologische monumenten. Het maakt
                        dus niet uit of er sprake is van rijks- of gemeentelijke bescherming, het
                        doen van opgravingen is vergunningplichtig. Deze vergunning tot het doen van
                        opgravingen kan onder bepaalde voorwaarden alleen worden toegekend aan de
                        rijksdienst, een instelling voor wetenschappelijk onderwijs of een gemeente.
                        Vanwege deze twee aspecten wordt in deze verordening een onderscheid gemaakt
                        tussen een ‘normaal’ en een (gemeentelijk) ‘archeologisch’ monument.</al><al>In het geval van een opgraving regelt de Monumentenwet 1988 (artikelen 42
                        tot en met 49) de eigendom van roerende monumenten die men daarbij aantreft.
                        Deze regels gelden in alle gevallen dat opgravingen worden gedaan of men bij
                        toeval op een vondst stuit waarvan men kan vermoeden dat het om een monument
                        gaat. Er wordt geen onderscheid gehanteerd tussen rijks- en gemeentelijke
                        monumenten.</al><al><cursief>Sub c</cursief></al><al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een ‘beschermd rijksmonument’ in
                        de gemeentelijke monumentenverordening op te nemen. Deze verordening is
                        namelijk een voorwaarde voor het verkrijgen door het college van de
                        bevoegdheid om vergunningen voor de wijziging en sloop van beschermde
                        rijksmonumenten te verlenen. Op de vergunningverlening voor beschermde
                        rijksmonumenten zijn met name de artikelen 11 tot en met 21 van de
                        Monumentenwet 1988 van toepassing.</al><al><cursief>Sub d</cursief></al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                        aangewezen monumenten registreert.</al><al><cursief>Sub e en f</cursief></al><al>Het derde en zesde lid spreken van onroerende monumenten. Roerende
                        monumenten worden derhalve niet beschermd. Reden hiervoor is dat het
                        effectueren van de bescherming een probleem vormt. Roerende monumenten
                        kunnen meestal eenvoudig worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de
                        gemeentegrens en daarmee buiten de werking van de verordening worden
                        gebracht. Roerende zaken zijn bijvoorbeeld schepen, voertuigen,
                        schilderijen, kerkschatten en gebruiksvoorwerpen. Zaken die naar hun aard
                        onroerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen wel de beschermde status
                        krijgen, op basis van de redengevende omschrijving.</al><al><cursief>Sub f</cursief></al><al>Ingeval van aanwijzing van een kerkelijk monument tot beschermd gemeentelijk
                        monument is overleg tussen eigenaar en gemeente nodig (zie artikel 3, lid
                        4). Is er sprake van een vergunning voor het gemeentelijke of
                        rijksbeschermde kerkelijke monument, dan kan overeenstemming tussen eigenaar
                        en vergunningverlener nodig zijn (zie artikel 12). Overleg en
                        overeenstemming betreffen de wezenlijke belangen van de
                        godsdienstuitoefening in het kerkelijke monument. Voor bijvoorbeeld een
                        pastorie, een catechesatieruimte of verblijven van kloosterlingen geldt deze
                        verbijzondering voor kerkelijke monumenten in de regel dan ook niet. Zij
                        vallen onder de voorschriften die voor de andere monumenten gelden.</al><al><cursief>Sub g</cursief></al><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                        monumentenverordening en de Monumentenwet 1988. Door de monumentencommissie
                        in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren over de toepassing van de
                        Monumentenwet 1988 te adviseren aan het college, is voldaan aan het
                        vereiste, genoemd in artikel 15, lid 1, van de Monumentenwet 1988. Mocht een
                        gemeente niet over een monumentenbeleid beschikken, dan moet dit niet in de
                        bepaling opgenomen worden.</al><al>In het gedualiseerde bestel is een belangrijke vernieuwing dat elk bevoegd
                        orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies
                        instelt. De monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het
                        college. Het is dan ook het college die deze commissie instelt op grond van
                        artikel 84 Gemeentewet. De samenstelling en werkwijze dient het college
                        nader uit te werken. In een dualistisch stelsel is het normaal gesproken
                        niet mogelijk dat de raad in haar verordening bepaalt dat er een commissie
                        is ingesteld welke adviseert aan het college. Het is immers aan het college
                        om te bepalen of zij een adviescommissie willen.</al><al>Deze redenatie gaat niet op voor wat betreft de monumentencommissie. In de
                        monumentenverordening wordt door de raad bepaald dat er een
                        monumentencommissie is die advies uitbrengt aan het college. Dit vloeit
                        voort uit de Monumentenwet. In artikel 15 van deze wet is bepaald dat de
                        gemeente in een verordening de inschakeling van een commissie moet regelen
                        die adviseert aan het college over aanvragen van vergunningen als bedoeld in
                        artikel 11 van de Monumentenwet. De wetgever geeft hier dus aan dat het
                        college in dit geval geen keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen
                        van een commissie. Door het ontbreken van deze keuzevrijheid is er geen
                        strijdigheid met het duale uitgangspunt als de raad in haar verordening
                        bepaalt dat er een commissie is die adviseert aan het college.</al><al>Het instellen van de monumentencommissie door het college moet middels een
                        apart collegebesluit. </al><al>Op grond van artikel 84, tweede lid, in samenhang met artikel 83, tweede lid
                        van de Gemeentewet mogen raadleden geen deel uitmaken van collegecommissies.
                        In het vierde lid van artikel 84 Gemeentewet is bepaald dat de instelling
                        van een commissie op dezelfde wijze moet worden bekendgemaakt als algemeen
                        verbindende voorschriften.</al><al><cursief>Sub i</cursief></al><al>Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel dat
                        burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zich in
                        hoofdzaak afspeelt het bevoegd gezag is. Voor een verdere toelichting wordt
                        verwezen naar de algemene toelichting behorend bij deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het gebruik van een monument</titel></kop><al>Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de eigenaar/gebruiker
                        zelf aan het object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de
                        constructie en de ligging van het object, maar ook het feitelijke gebruik
                        van het object zelf.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>In vergelijking tot de Monumentenverordening 1988 zijn de aanwijzing tot
                        beschermd gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst uit
                        elkaar getrokken. De aanwijzing heeft rechtsgevolg, het daarna registreren
                        op de gemeentelijke monumentenlijst is nu slechts een administratieve
                        handeling. Het is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op de
                        lijst uit elkaar te trekken. Het besluit tot aanwijzing is een
                        discretionaire bevoegdheid van het college. Na afweging van alle betrokken
                        belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De afweging van de belangen van
                        de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet
                        uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren komen (de redengeving).
                        De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De aanwijzing verandert
                        immers over het algemeen niets aan het gebruik van het monument.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als bedoeld
                        onder artikel 1, g. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde
                        voorschriften over vorm en inhoud. De verordening die de taak en werkwijze
                        van de monumentencommissie regelt is daarvoor de aangewezen plaats. </al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college over
                        een aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden
                        worden gehoord. Dit is namelijk geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9) de
                        Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al>De spoedprocedure kan in situaties die ernstige gevolgen voor het aan te
                        wijzen monument hebben, bewerkstelligen dat binnen korte tijd de
                        verbodsbepalingen van de verordening van toepassing zijn. Er moeten dan
                        gegronde redenen aanwezig zijn om de spoedprocedure te kunnen gebruiken. </al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Het bouwhistorisch onderzoek van een gebouw geeft meer inzicht in de
                        historische geschiedenis van een gebouw. In de Monumentenwet 1988 is geen
                        bepaling over bouwhistorisch onderzoek opgenomen. Het laten verrichten van
                        bouwhistorisch onderzoek behoort daarmee tot de beleidsvrijheid van de
                        gemeente. Er is een tweetal momenten te onderscheiden wanneer een gemeente
                        bouwhistorisch onderzoek kan vragen.</al><al>Ten eerste bij een (aanvraag tot) aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                        monument. De informatie over de bouwhistorische waarde van een gebouw kan
                        van invloed zijn op de beslissing van het college om het pand al dan niet
                        als beschermd gemeentelijk monument aan te wijzen en op de wijze waarop het
                        pand in de registers wordt ingeschreven.</al><al>Ten tweede bij aanvragen voor vergunning tot wijziging van een beschermd
                        gemeentelijk monument. De bouwhistorische waarde die door een verbouwing of
                        andere wijziging aangetast wordt is van invloed op de beslissing van het
                        college. Alhoewel het er in beide gevallen om gaat om informatie te krijgen
                        over de bouwhistorische waarde van een pand zijn de mogelijkheden om het
                        bouwhistorisch onderzoek te kunnen uitvoeren verschillend. Dit vindt zijn
                        oorzaak in wiens belang de aanvraag tot aanwijzing als gemeentelijk monument
                        of de vergunningaanvraag wordt gedaan. Daarnaast is van belang of het al dan
                        niet een woning betreft. Dit heeft te maken met de mogelijkheden om een
                        gebouw als gemeente binnen te kunnen treden.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in de Awb dat belanghebbenden
                        zienswijzen naar voren kunnen brengen (artikel 4:8). Overleg is immers meer
                        dan het naar voren kunnen brengen van zienswijzen.</al><al><cursief>Lid 5</cursief></al><al>Dit lid geeft de gemeenteraad een rol bij de besluiten tot aanwijzing voor
                        een gemeentelijk monument. Door middel van dit lid kan de gemeenteraad haar
                        controlerende functie gemakkelijker uitvoeren. De aanwijzings- en of
                        wijzigingsbesluiten voor de gemeentelijke monumenten kunnen daardoor door de
                        raad worden getoetst aan het beleidskader monumenten.</al><al><cursief>Lid 6</cursief></al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie al op
                        een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als
                        gemeentelijk monument in aanmerking.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke
                        monumenten, zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de
                        periode van kennisgeving van het voornemen van het college om een monument
                        op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke
                        aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 10 tot en
                        met 14 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere
                        dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot gemeentelijk monument
                        niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een
                        omgevingsvergunning voor monumenten of anders dan de bij nadere regels
                        opgestelde wijze. Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure is gebonden
                        aan een motivatieplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker
                        financiële consequenties zijn verbonden. Immers, gedurende de
                        voorbescherming dienen bouwactiviteiten te worden opgeschort.</al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke
                        beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub
                        1 juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke
                        beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van
                        deze wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor
                        geleden schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren
                        voor het inroepen van de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij
                        artikel 6 van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de monumentencommissie
                        moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Het
                        artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de
                        Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift
                        van de inschrijving) van het college is voor alle aan het monumentale object
                        verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de
                        aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder
                        a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid
                        publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de
                        voorschriften uit deze wet ook van toepassing op een aanwijzingsbesluit als
                        bedoeld in artikel 6 van deze verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                        bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt
                        (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde
                        en derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde
                        in artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><al>Door aanwijzing als gemeentelijk monument is het gehele pand, inclusief het
                        interieur, onder de werking van de verordening geplaatst. Andere zaken die
                        zich op het perceel van het beschermde monument bevinden, zoals bijgebouwen,
                        tuininrichting en bomen moeten expliciet worden aangegeven, willen zij onder
                        de werking van de verordening vallen. Voor elke wijziging van het beschermde
                        monument is dus een vergunning nodig. Voor de duidelijkheid, bijvoorbeeld in
                        verband met kadastrale vernummering, kan ook een plattegrond worden
                        aangehecht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijziging van de aanwijzing</titel></kop><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke
                        beschermde monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde
                        voorbereidingsprocedure (advies van monumentencommissie of eventueel
                        archeologische begeleidingscommissie of eigenaar van een kerkelijk monument)
                        als voor de aanwijzing (lid 2), tenzij de wijziging van ondergeschikte
                        betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de
                        gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke
                        beschermde monumenten in te trekken (lid 1). Ook hiervoor geldt dat het
                        advies van de monumentencommissie nodig is, tenzij het gaat om spoedeisende
                        gevallen (lid 2). Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de
                        aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig
                        teloor gegaan), worden door het college van de monumentenlijst gehaald.</al><al>Lid 3 regelt dat monumenten die na aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                        monument worden geregistreerd als beschermd rijksmonument, vanaf dat
                        tijdstip geacht worden niet meer te zijn aangewezen. Voor de situatie waarin
                        een provinciale monumentenlijst bestaat is een vergelijkbare regeling
                        opgenomen. Ook is het mogelijk dat de provinciale monumentenverordening dit
                        regelt. Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot
                        intrekking van de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen.
                        Enerzijds kan deze voor een goede afweging van de aanvraag dienen,
                        anderzijds wordt het gebouw voorafgaand aan de sloop voor de lokale
                        geschiedenis gedocumenteerd.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTALE ZAKEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Instandhoudingsbepaling</titel></kop><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis met
                        artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het gaat om de
                        beschermde monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit artikel gaat het
                        alleen over gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van de
                        omgevingsvergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is van belang dat
                        het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb
                        (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In het kader van de Wabo dient de
                        gemeente een aanvraag langs elektronische weg mogelijk te maken. Een
                        schriftelijke aanvraag wordt ingediend met behulp van een door de Minister
                        van VROM vastgesteld formulier. </al><al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de indieningsvereisten
                        voor de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor
                        zijn specifieke indieningsvereisten opgenomen voor activiteiten met
                        betrekking tot monumenten. De aard, de omvang en de locatie van de
                        werkzaamheden bepalen welke indieningsvereisten gelden. Het bevoegd gezag
                        heeft niet de mogelijkheid van deze indieningsvereisten af te wijken. In het
                        kader van de vermindering van administratieve lasten voor burgers en
                        bedrijven dienen de indieningsvereisten bij de vergunningaanvraag zo beperkt
                        mogelijk gehouden te worden. Zo kan het overleggen van bouwtekeningen worden
                        beperkt tot 1 exemplaar.</al><al>In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om
                        nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het
                        verbod uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo
                        ziet alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over het stellen
                        van nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor
                        het bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen
                        aan gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn.
                        Voornamelijk het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden
                        opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigingen
                        (bijvoorbeeld met betrekking tot kleurstelling of het gebruik van identieke
                        materialen) worden geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze
                        nadere regels kunnen dan expliciet die situaties worden benoemd waarin de
                        burger geen vergunning hoeft aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat
                        het toetsingskader is voor grote (niet-reguliere) wijzigingen aan een
                        monument, kan ook dit toetsingskader in algemene regels worden opgenomen,
                        zodat burgers nog minder met administratieve lasten worden
                        geconfronteerd.</al><al>In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen
                        de uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de
                        monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale
                        kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren
                        van (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden
                        geleverd. Praktisch gezien gaat een medewerker monumentenzorg van de
                        gemeente, op locatie en gezamenlijk met de initiatiefnemer, onderzoeken
                        welke aanpassingen mogelijk zijn aan de hand van de algemene regels, zodat
                        de monumentale waarde van het object niet of zo min mogelijk wordt
                        aangetast.</al><al>In lid 4 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten teruggeplaatst.
                        Is er sprake van een vergunning voor het monument dan is overeenstemming
                        tussen de eigenaar en de vergunningverlener nodig. Overleg en
                        overeenstemming betreffen de wezenlijke belangen van de
                        godsdienstuitoefening in het religieuze monument. Dat betekent dat voor
                        bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling dan ook niet
                        geldt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                        digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen
                        het digitaal dan we schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor
                        ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen
                        keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg
                        indienen. aangezien een aantal, met name kleinere, bedrijven nog niet over
                        de benodigde voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen
                        is in overleg met diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting na
                        verloop van twee jaren in werking te laten treden. </al><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve
                        lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke
                        aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende
                        bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid
                        van artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van
                        twee of meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                        omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                        voorbereidingsprocedure van toepassing. Het betreft hier een wijziging ten
                        opzichte van de oude model Erfgoedverordening. Op basis hiervan was op de
                        voorbereiding van deze vergunningaanvraag de uitgebreide openbare
                        voorbereidingsprocedure uit de Awb van toepassing verklaard. Op grond van de
                        Wabo is deze procedure niet meer nodig geacht voor de vergunning betreffende
                        de gemeentelijke monumenten. Echter indien er meerdere activiteiten voor het
                        project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten de
                        uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolg
                        moet worden dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare
                        voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar
                        één procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedure
                        geldt de zwaarste procedure (de uitgebreide openbare
                        voorbereidingsprocedure). </al><al>Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen
                        om deze hieronder nader toe te lichten. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van
                        de Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming. </al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij
                        titel 4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte
                        ontvangstbevestiging van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag
                        zendt de aanvrager nadat het de aanvraag heeft ontvangen een bericht waarin
                        het vermeldt dat zij bevoegd gezag is, welke procedure zal worden doorlopen,
                        de beslistermijn en de beschikbare rechtsmiddelen en indien de reguliere
                        procedure wordt gevolgd vermeldt het bevoegd gezag tevens dat een beslissing
                        van rechtswege is gegeven, indien niet tijdig op de aanvraag is beslist.
                        Indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de
                        beoordeling van de aanvraag, stelt het bevoegd gezag de aanvrager in de
                        gelegenheid de aanvraag binnen de door hem gestelde termijn aan te vullen.
                        Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met vermelding van de ontvangstdatum
                        kennis in een of meer dag, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere
                        geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op grond van artikel 3.9 Wabo binnen
                        8 weken een beslissing op de aanvraag nemen. In deze periode moet het
                        bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de mogelijkheid geven om
                        zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb). </al><al>Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid,
                        Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld
                        advies uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de
                        (gemeentelijke) monumentencommissie.</al><al>Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang is dat
                        de adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen.
                        Het is echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze gelegenheid
                        gebruik wil maken. Het uitbrengen van een advies staat het nemen van een
                        besluit niet in de weg. Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn
                        gegeven dan kan het bevoegd gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd gezag
                        dient altijd de termijn van 8 weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken
                        kan met ten hoogste zes weken worden verlengd. Het bevoegde gezag dient
                        hiervan op dezelfde manier mededeling te doen als van de kennisgeving van de
                        aanvraag. Deze verlenging van 6 weken is voornamelijk bedoeld om de adviseur
                        meer tijd te geven voor het uitbrengen van een advies. </al><al>Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te
                        stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij wettelijk
                        voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de
                        adviseur zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de
                        beslistermijn dient het uitbrengen van het advies door de
                        monumentencommissie parallel te lopen aan de beoordeling van de aanvraag
                        door het bevoegde gezag. Dit parallel lopen van het advies en de beoordeling
                        gebeurt ook al in het kader van de verlening van de evenementenvergunning
                        waarbij een advies van de brandweer is vereist. </al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd
                        waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit
                        treedt in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt
                        opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is
                        verstreken.</al><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn
                        opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de
                        overschrijding van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van
                        rechtswege. De omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men
                        spreekt ook wel van de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit
                        paragraaf 4.1.3.3 van de Awb zijn van toepassing verklaard, met uitzondering
                        van artikel 4:20b, derde lid en 4:20f. De van rechtswege verleende
                        vergunning treedt in werking met ingang van de dag na de bekendmaking en
                        wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift
                        is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is beslist.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Kerkelijk monument</titel></kop><al>Zijn er geen wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het geding,
                        dan is overeenstemming niet vereist. Zie de toelichting op artikel 1, sub
                        f.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Dit artikellid bevat de mogelijke intrekkingsgronden. De bepaling onder c
                        heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de vergunninghouder
                        ten aanzien van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er
                        een nieuwe belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het
                        monument behoren voor te gaan. In dat geval moet de vergunningverlener (het
                        college) de mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Gelet op de taak van de monumentencommissie, ligt het voor de hand dat een
                        afschrift van de intrekking aan die commissie wordt gezonden. Er kunnen zich
                        omstandigheden voordoen waarin het aanbeveling verdient om de
                        monumentencommissie om advies te vragen. De commissie kan ook ongevraagd
                        adviseren. De inkennisstelling van de vergunninghouder en het met redenen
                        omkleed moeten zijn van het besluit zijn weggelaten, omdat artikel 3:41 Awb
                        dit regelt.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>BESCHERMDE MONUMENTEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>vergunning voor beschermd monument</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning voor
                        beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van
                        de Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing.
                        Hierin verschilt de omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de
                        omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als
                        bedoeld in artikel 10 dient namelijk de reguliere procedure gevolgd te
                        worden. Door de inwerkingtreding van de Wabo vindt er geen wijziging in de
                        voorbereidingsprocedure voor de omgevingsvergunning voor beschermde
                        monumenten plaats. Door dit onderscheid in procedures is de beslistermijn
                        voor beide omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg dat de
                        adviestermijn voor beschermde monumenten ook langer zal zijn. Door de komst
                        van de Wabo wordt de kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende de
                        termijn van terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen. Voorheen
                        konden alleen belanghebbenden zienswijzen indienen. </al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook
                        Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na
                        verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit moet
                        binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op het
                        definitieve besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep worden
                        ingesteld.</al><al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende wijzen
                        invulling te geven. De voorgenomen beperking adviesplicht van de rijksdienst
                        vanaf 2009 zal op bovenstaande van invloed zijn. Daarom wordt de verplichte
                        advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Monumentenwet 1988 in
                        verband met onder meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij
                        aanvragen om een omgevingsvergunning voor monumenten’ los gelaten. Alleen
                        wanneer er sprake is van reconstructie, sloop en herbestemming van een
                        beschermd monument zal de adviesplicht van toepassing blijven. Ter
                        compensatie van het wegvallen van het advies van de rijksdienst zullen alle
                        gemeenten vanaf 2009 een monumentencommissie moeten hebben aangesteld, die
                        onafhankelijk en deskundig is. Het overgangsartikel 64 in de Monumentenwet
                        1988, waarin de rijksdienst bij afwezigheid van een monumentencommissie in
                        diens advisering trad, is ingetrokken. Indien het beschermd monument buiten
                        de bebouwde kom ligt, is het college verplicht om een afschrift van de
                        aanvraag aan GS te zenden. GS kunnen de adviesbevoegdheid vervolgens naar
                        eigen inzicht invullen en al dan niet tot advisering overgaan, waarvoor men
                        twee maanden de tijd heeft. Het is gewenst dat GS al op voorhand kenbaar
                        maken in welke gevallen zij niet adviseren, zodat de beoogde tijdswinst ook
                        daadwerkelijk kan worden gehaald.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de
                        aanvragen om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt
                        ingeschakeld.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                        Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR
                        86,604). De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat ‘redelijk’ of
                        ‘buitenproportioneel’ is. In deze modelverordening is gekozen voor een
                        schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op
                        grond waarvan het bevoegd gezag mogelijk een schadevergoeding aan een
                        belanghebbende dient toe te kennen.</al><al>Lid 2 van deze bepaling is ten opzichte van de vorige monumentenverordening
                        geschrapt. Er is geen procedure voorgeschreven voor het bepalen van de
                        tegemoetkoming. De procedure op grond van afdeling 6.1 Wro jo. afdeling 6.1
                        Bro kan worden toegepast, echter alvorens daartoe te besluiten is het zinvol
                        een inschatting te maken van de schade ten opzichte van de kosten en omvang
                        van deze procedure. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing op
                        de nadere voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10,
                        derde lid en artikel 16, met uitzondering van het tweede lid, onder e. De
                        strafbaarstelling van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten
                        is geregeld in de Wet economische delicten (Wed). Het handelen zonder
                        vereiste omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften daarvan wordt
                        aangemerkt als economisch delict.</al><al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154, lid 1,
                        van de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding
                        van verordeningen straf te stellen, maar geen andere of zwaardere dan
                        hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie,
                        al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23
                        van het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op
                        te leggen boete voor strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal €
                        370,- (januari 2008); in de tweede categorie maximaal € 3700,- (januari
                        2008). Het is de gemeente niet toegestaan om een hogere geldboete op te
                        nemen dan in genoemde categorieën. </al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp en de wens om
                        enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de
                        tweede categorie of een hechtenis van drie maanden voor het overtreden van
                        de nadere regels voor de hand liggend.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>De artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering wijzen de
                        ambtenaren aan die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast.
                        Artikel 141 noemt de ambtenaren met een algemene opsporingsbevoegdheid,
                        zoals politieagenten. Uit de bewoordingen van artikel 142 blijkt dat de
                        gemeentelijke wetgever bevoegd is om in zijn verordeningen buitengewone
                        opsporingsambtenaren aan te wijzen. Op basis van deze bepaling kunnen kan
                        het college medewerkers van de bouw- en woningdienst en monumentenzorg
                        aanwijzen als buitengewoon opsporingsambtenaar.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>Dit artikel regelt de intrekking van de Monumentenverordening 2007, zodat
                        niet twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het
                        uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege worden
                        gelaten met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling ter zijde
                        wordt gesteld door een latere regeling.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                        bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk
                        welke gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling gebaseerde
                        beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande
                        rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. De
                        bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument (artikel
                        3) en de vergunning verlening (artikel 10).</al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de
                        gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn
                        aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In het
                        tweede lid is geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                        gemeentelijke monumenten, die zijn ingediend vóór het van kracht worden van
                        deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor
                        een bepaalde overgangsperiode zullen er dus twee procedures gelden. Indien
                        de verordening niet tijdig aan de Wabo is aangepast, terwijl deze wet al wel
                        in werking is getreden zet de Wabo de bepalingen uit de verordening aan de
                        kant. De Wabo gaat namelijk voor op lagere regelgeving. De bepalingen uit de
                        verordening zijn van rechtswege onverbindend. Bij een nieuwe aanvraag voor
                        een vergunning gelden dan de bepalingen uit de Wabo. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De inwerkingtreding van deze verordening en het vervallen van de oude
                        verordening is gekoppeld aan de datum van inwerkingtreding van de Wabo.
                        Bekendmaking van deze verordening moet op grond van artikel 142 van de
                        Gemeentewet plaatsvinden tenminste acht dagen voor inwerkingtreding.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>