<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR343135_1</dcterms:identifier><dcterms:title>De Verordening op de heffing en invordering van onroerendezaakbelastingen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Midden-Delfland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Midden-Delfland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-80680.html">Gemeenteblad, 2014, 80680</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerendezaakbelastingen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 220 t/m 220h</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2014-12-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2014-11-06</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Regeling vervangt Verordening onroerendezaakbelastingen 2014</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>De Verordening op de heffing en invordering van onroerendezaakbelastingen 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Midden-Delfland;</al><al>Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 30
                        oktober 2014, nr. 2014-11-06;</al><al>Gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;</al><al/><al><vet>BESLUIT</vet></al><al/><al>Vast te stellen:</al><al><vet>De Verordening op de heffing en invordering van
                        onroerendezaakbelastingen 2015</vet></al><al>(Verordening onroerendezaakbelastingen 2015)</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><al>1. Onder de naam ‘onroerendezaakbelastingen’ worden ter zake van
                        binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen
                        geheven:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                                kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning
                                dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of
                                persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen:
                                gebruikersbelasting;</al></li><li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen:
                                eigenarenbelasting.</al></li></lijst><al>2. Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                                gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel
                                in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft
                                gegeven is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene
                                aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig
                                gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak
                                ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter
                                beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te
                                verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.</al></li></lijst><al>3. Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende
                        krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het
                        begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is
                        vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens
                        eigendom, bezit of beperkt recht is.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 2 Belastingobject </onderstreept></vet></al><al>1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                        hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. </al><al>2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op
                        grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld
                        voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van
                        die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn
                        aan woondoeleinden.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 3 Maatstaf van heffing
                            </onderstreept></vet></al><al>1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                        waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor
                        het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al><al>2. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld
                        op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de
                        heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                        toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20,
                        tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 4 Vrijstellingen </onderstreept></vet></al><al>1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                        heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is
                        geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde
                        van:</al><lijst><li nr="a."><al>ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde
                                cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de
                                ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor
                                de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als
                                voedingsbodem te gebruiken;</al></li><li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of
                                teelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat uit de
                                in onderdeel a bedoelde grond;</al></li><li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                                eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                                levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen
                                van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="d."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet
                                van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de
                                voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit
                                Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende
                                gebouwde eigendommen;</al></li><li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,
                                zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met
                                volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg
                                uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd
                                worden;</al></li><li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per
                                rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al></li><li nr="g."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door
                                organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken
                                die dienen als woning;</al></li><li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                                afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of
                                diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van
                                de delen van zodanige werken die dienen als woning.</al></li><li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden
                                zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt
                                toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn
                                aan te merken.</al></li><li nr="j."><al>onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor
                                de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van
                                zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor
                                het geven van onderwijs;</al></li></lijst><lijst><li nr="k."><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde
                                eigendommen – niet zijnde gebouwen – welke zijn geplaatst ten
                                gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het
                                verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten,
                                verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken,
                                abri’s, hekken en palen;</al></li><li nr="l."><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer
                                zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom,
                                bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige
                                onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="m."><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van
                                delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.</al></li></lijst><al>2. De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid
                        bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover
                        de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of
                        beperkt recht.</al><al>3. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                        heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de
                        waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning
                        dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 5 Belastingtarieven </onderstreept></vet></al><al>1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                        heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de gebruikersbelasting 0,1564%;</al></li><li nr="b."><al>bij de eigenarenbelasting</al></li></lijst><lijst><li nr="1."><al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen
                                0,1205%;</al></li><li nr="2."><al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen
                                0,2182%.</al></li></lijst><al>2. Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden
                        afgerond op gehele euro’s.</al><al>3. Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats. Voor de
                        toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op één aanslagbiljet
                        verenigde verschuldigde bedragen onroerendezaakbelastingen of andere
                        heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 6 Wijze van heffing </onderstreept></vet></al><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 7 Termijnen van betaling
                        </onderstreept></vet></al><al>1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                        moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk twee maanden na dagtekening van
                        het aanslagbiljet.</al><al>2. In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen
                        door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden voldaan, dat de
                        aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de
                        maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het belastingjaar
                        waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande dat het
                        aantal termijnen tenminste drie en ten hoogste negen bedraagt. De eerste
                        termijn vervalt één maand na dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de
                        volgende termijnen telkens één maand later.</al><al>3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande
                        leden gestelde termijnen.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 8 Kwijtschelding</onderstreept></vet></al><al>Voor de invordering van de onroerendezaakbelastingen kan gehele of
                        gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend.</al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 9 Nadere regels door het college van burgemeester
                                en wethouders </onderstreept></vet></al><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering van de
                        onroerendezaakbelastingen. </al><al/><al><vet><onderstreept>Artikel 10 Inwerkingtreding en citeertitel
                            </onderstreept></vet></al><al>1. De ‘Verordening onroerende-zaakbelastingen 2014’ wordt ingetrokken met
                        ingang van de in het vierde lid genoemde datum van heffing.</al><al>2. De ‘Verordening onroerende-zaakbelastingen 2014’ blijft van toepassing op
                        de belastbare feiten die zich vóór 1 januari 2015 hebben voorgedaan.</al><al>3. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die
                        van de bekendmaking.</al><al>4. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015.</al><al>5. Deze verordening kan worden aangehaald als de ‘Verordening
                        onroerendezaakbelastingen 2015’.</al></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 11 november 2014.</ondertekening><ondertekening>Arjan de Vos</ondertekening><ondertekening>griffier</ondertekening><ondertekening>Arnoud Rodenburg </ondertekening><ondertekening>voorzitter</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>