<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR342994_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Doetinchem 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Doetinchem</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Doetinchem</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://www.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-69650.html">Gemeenteblad 2014/69650</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ Doetinchem 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0015703&amp;artikel=8">Participatiewet, art. 8, lid 1, onderdeel b</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-11-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Doetinchem
                2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Doetinchem;</al><al>gezien het advies van de sociale raad;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 19 november
                        2014;</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet;</al><al>b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de Verordening tegenprestatie Participatiewet, IOAW en IOAZ
                        gemeente Doetinchem 2015. </al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>– ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>tegenprestatie: het naar vermogen verrichten van door het
                                    college opgedragen onbeloonde maatschappelijke nuttige
                                    werkzaamheden, die worden verricht naast of in aanvulling op
                                    reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de
                                    arbeidsmarkt.</al></li><li nr="b."><al>mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van een
                                    hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door
                                    personen uit dienst directe omgeving, waarbij deze zorgverlening
                                    rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de
                                    gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>– Beleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verslag over beleid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college zendt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de
                                doeltreffendheid van het beleid</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verslag, zoals bedoeld in het eerste lid, bevat het oordeel van
                                de sociale raad.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>– De tegenprestatie naar vermogen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Inhoud van de tegenprestatie</titel></kop><al>Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden
                            opdragen aan een uitkeringgerechtigde voor zover die werkzaamheden:</al><lijst><li nr="a."><al>naar hun aard niet gericht zijn op toeleiding naar de
                                    arbeidsmarkt;</al></li><li nr="b."><al>niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument;</al></li><li nr="c."><al>worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de
                                    organisatie waarin ze worden verricht; en</al></li><li nr="d."><al>niet leiden tot verdringing. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Het opdragen van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een belanghebbende die bijstand ontvangt op basis
                                van artikel 1, onder b van de Participatiewet een tegenprestatie
                                opdragen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college draagt in elk geval geen tegenprestatie op aan:</al><lijst><li nr="a."><al>de belanghebbende die aantoonbaar vrijwilligerswerk verricht
                                        dat naar aard en omvang minimaal vergelijkbaar is met een
                                        tegenprestatie als bedoeld in deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende die aantoonbaar mantelzorg verricht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening
                                met de volgende factoren:</al><lijst><li nr="a."><al>het vermogen van belanghebbende om de tegenprestatie te
                                        verrichten;</al></li><li nr="b."><al>de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden;</al></li><li nr="c."><al>de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een
                                        belanghebbende.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Duur en omvang van een tegenprestatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een tegenprestatie wordt opgedragen voor de duur van maximaal 6
                                maanden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal acht 8 uren per
                                week.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening tegenprestatie
                            Participatiewet, IOAW en IOAZ Doetinchem 2015.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering</ondertekening><ondertekening>van 27 november 2014,</ondertekening><ondertekening>griffier voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting Verordening tegenprestatie Participatiewet gemeente
                        Doetinchem 2015</titel></kop><al>Het college heeft op grond van de Participatiewet de opdracht beleid te
                    ontwikkelen ten behoeve van het verrichten van een tegenprestatie als bedoeld in
                    artikel 9, eerste lid, onderdeel c, en het uitvoeren ervan, overeenkomstig de
                    verordening bedoeld in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b.</al><al>De wet verplicht een belanghebbende niet meer integraal tot het leveren van een
                    tegenprestatie voor het ontvangen van een uitkering. Wel is het college bevoegd
                    een belanghebbende te verplichten naar vermogen een tegenprestatie te
                    verrichten, maar alleen als die tegenprestatie niet direct samenhangt met
                    arbeidsinschakeling.</al><al>In het Uitvoeringsplan Participatiewet 2015 – 2018 is over het opleggen van een
                    tegenprestatie gesteld dat het principe van wederkerigheid wordt omarmd en het
                    leveren van een tegenprestatie voor het ontvangen van een uitkering als een
                    vanzelfsprekendheid wordt gezien. Maar ook dat terughoudend wordt omgegaan met
                    het daadwerkelijk opleggen van een verplichting tot het verrichten van een
                    tegenprestatie, omdat het belangrijk is dat mensen vanuit eigen motivatie
                    maatschappelijk nuttige werkzaamheden verrichten. In verband hiermee wordt extra
                    ingezet op het motiveren van mensen. </al><al>Als het college besluit een tegenprestatie op te leggen, is de belanghebbende
                    gehouden de naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk
                    nuttige werkzaamheden te verrichten. Het niet nakomen van deze verplichting kan
                    gevolgen hebben voor de (hoogte van) de uitkering. Dit is vastgelegd in de
                    Afstemmingverordening Participatiewet, IOAW en IAOZ en verrekening bestuurlijke
                    boete bij recidive gemeente Doetinchem 2015.</al><al><vet><cursief>Individuele omstandigheden</cursief></vet></al><al>Het college houdt bij het opleggen van een tegenprestatie rekening met de
                    persoonlijke situatie en de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende.
                    Hierbij worden de in deze verordening neergelegde criteria in acht genomen. De
                    persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende worden zo veel mogelijk
                    meegewogen.</al><al>Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een
                    duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor
                    een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht
                    wordt (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649,
                    ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171). </al><al><vet><cursief>Geen tegenprestatie </cursief></vet></al><al>Als de belanghebbende aantoonbaar vrijwilligerswerk verricht dat naar aard en
                    omvang minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie als bedoeld in deze
                    verordening, wordt geen tegenprestatie opgelegd. Hetzelfde geldt voor de
                    belanghebbende die aantoonbaar mantelzorg verricht.</al><al>De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van toepassing op een belanghebbende
                    die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de
                    Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de
                    Participatiewet). </al><al>De plicht tot tegenprestatie is evenmin van toepassing op een alleenstaande
                    ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste
                    lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet). </al><al><vet><cursief>Afstemmen </cursief></vet></al><al>Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting geldt
                    voor het niet nakomen van een door het college opgelegde tegenprestatie dat de
                    bijstand kan worden afgestemd overeenkomstig de gemeentelijke
                    afstemmingsverordening. </al><al><vet><cursief>Bevoegdheid opdragen tegenprestatie </cursief></vet></al><al>De bevoegdheid van het college om een belanghebbende te verplichten naar
                    vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De
                    regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een gelegenheid
                    is om te blijven participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk,
                    arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering ook
                    noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten (TK
                    2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).</al><al><vet><cursief>Tegenprestatie is geen re-integratie-instrument
                    </cursief></vet></al><al>Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot doel de re-integratie
                    van een belanghebbende te bevorderen, maar moet worden gezien als een nuttige
                    bijdrage aan de samenleving (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49-50). De
                    tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding tot de
                    arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratie-instrument. Voorts mag een
                    tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of het leveren van re
                    integratie-inspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt: werk
                    boven uitkering. </al><al><vet><cursief>Verordeningplicht </cursief></vet></al><al>De Wet maatregelen WWB legt de gemeenteraad de verplichting op om bij
                    verordening regels vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie aan
                    mensen met een bijstandsuitkering in de leeftijd van 18 jaar tot de
                    pensioengerechtigde leeftijd. Deze verordeningopdracht is neergelegd in artikel
                    8a, eerste lid, onderdeel b Participatiewet. Het is aan de gemeente om de duur,
                    omvang en inhoud van de tegenprestatie te regelen (zie TK 2013-2014, 33 801, nr.
                    24, p. 6). </al><al><vet><cursief>Ontwikkelen beleid door college </cursief></vet></al><al>Het college heeft de opdracht beleid te ontwikkelen ten behoeve van het
                    verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig de
                    verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel c,
                    van de Participatiewet.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>