<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR342694_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening re-integratie Participatiewet, IOAW, IOAZ gemeente Buren</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Buren</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Buren</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-75321.html">Gemeenteblad van 16-12-2014, </dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening re-integratie Participatiewet, IOAW, IOAZ gemeente Buren</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 8, lid 1, onderdeel a, c, d en e, lid 2, en artikel 10b, lid 4, van de Participatiewet.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004044&amp;artikel=Artikel 34, 35 en 36">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werknemers</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004163&amp;artikel=Artikel 34, 35 en 36">Wet inkomensvoorzieninge oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-09</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening re-integratie Participatiewet, IOAW, IOAZ gemeente Buren</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>- ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>- Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IOAW), Wet
                                    inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                                    gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht
                                    (Awb) en de gemeentewet.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de raad: de gemeenteraad van gemeente Buren.</al></li><li nr="b."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders
                                            van gemeente Buren.</al></li><li nr="c."><al>de wet: de Participatiewet.</al></li><li nr="d."><al>doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, lid 1,
                                            onderdeel a, van de wet.</al></li><li nr="e."><al>grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                            arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één
                                            jaar.</al></li><li nr="f."><al>korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de
                                            arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één
                                            jaar.</al></li><li nr="g."><al>mantelzorg: langdurige zorg die niet in het kader van
                                            een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een
                                            hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving,
                                            waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de
                                            sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten
                                            voor elkaar overstijgt.</al></li><li nr="h."><al>zorgtaken: de opvang van (een) ten laste komend(e))
                                            kind(eren) tot vijf jaar en/of de noodzakelijkheid van
                                            het verrichten van mantelzorg.</al></li><li nr="i."><al>sociale activering: het verrichten van maatschappelijk
                                            nuttige activiteiten of vrijwilligerswerk gericht op
                                            arbeidsinschakeling of gericht op het voorkomen van
                                            sociaal isolement. </al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>- BELEID EN FINANCIEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>- Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening, bedoeld in artikel 6, van deze
                                verordening, aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met
                                een korte afstand tot de arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 4, 5 en 8,
                                van deze verordening, aanbieden aan personen die behoren tot de
                                doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening
                                opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en
                                functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in
                                ieder geval betrekking:</al><lijst><li nr="a."><al>op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij
                                        behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of</al></li><li nr="b."><al>gebruik maakt van een voorziening beschut werk.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>- VOORZIENINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>- Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt vast welke voorziening voor personen uit de
                                doelgroep het meest geschikt is om het beoogde doel te behalen
                                alsmede de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in
                                deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen als: </al><lijst><li nr="a."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en/of 17 van de
                                        wet, 13 en/of 37 van de IOAW, 13 en/of 37, van de IOAZ, niet
                                        nakomt.</al></li><li nr="b."><al>de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de
                                        doelgroep.</al></li><li nr="c."><al>de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij
                                        geen gebruik wordt gemaakt van een in deze voorziening
                                        genoemde voorziening, tenzij het betreft een persoon als
                                        bedoeld in artikel 7, lid 1, onderdeel a onder 2, van de
                                        wet.</al></li><li nr="d."><al>naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende
                                        bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="e."><al>de voorziening naar het oordeel van het college niet meer
                                        geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de
                                        voorziening.</al></li><li nr="f."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar
                                        behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening.</al></li><li nr="g."><al>de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer
                                        voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden
                                        gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>- Werkstages</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een persoon met een werkstage gericht op
                                arbeidsinschakeling aanbieden als deze:</al><lijst><li nr="a."><al>behoort tot de doelgroep, en</al></li><li nr="b."><al>nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand
                                        tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de werkstage is het opdoen van werkervaring dan wel het
                                leren functioneren in een arbeidsrelatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon alleen indien door zijn plaatsing de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst wordt tenminste vastgelegd het
                                doel van de werkstage en de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>- Sociale activering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een persoon die behoort tot de doelgroep
                                activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor
                                zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen
                                geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                                gemaakt van een voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde
                                activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>- Detacheringsbanen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort
                                tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht
                                op arbeidsinschakeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij
                                een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een
                                schriftelijke overeenkomst tussen zowel werkgever en inlenende
                                organisatie als tussen werknemer en inlenende organisatie. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een werknemer wordt alleen geplaatst indien door zijn plaatsing de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                indien door zijn plaatsing geen verdringing op de arbeidsmarkt
                                plaatsvindt. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>- Scholing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een persoon die behoort tot de doelgroep niet beschikt over
                                een startkwalificatie, kan een scholingstraject aangeboden worden
                                dat tot die kwalificatie leidt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Lid 1 is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7,
                                lid 3, onderdeel a van de wet. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een persoon additionele werkzaamheden verricht als bedoeld in
                                artikel 10a, van de wet, en niet beschikt over een
                                startkwalificatie, bekijkt het college na een periode van zes
                                maanden na aanvang van die werkzaamheden in hoeverre scholing of
                                opleiding de toegang tot de arbeidsmarkt kan bevorderen. Geen
                                scholing of opleiding wordt aangeboden als dit naar het oordeel van
                                het college de krachten of bekwaamheden van belanghebbende te boven
                                gaat of niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in
                                het arbeidsproces. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien scholing wordt aangevraagd door een niet startgekwalificeerde
                                belanghebbende die de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt,
                                wordt de belanghebbende gemeld bij de leerplichtambtenaar en / of
                                Regionaal meld- en coördinatiepunt voortijdig schoolverlaters
                                (RMC).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>- Participatieplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan personen van 27 jaar of ouder met recht op
                                algemene bijstand een participatieplaats aanbieden zoals bedoeld in
                                artikel 10a, van de wet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van een participatieplaats is personen die vooralsnog niet
                                bemiddelbaar zijn middels het aanbieden van additioneel werk een
                                stap richting arbeidsinschakeling te laten zetten. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ter uitvoering van het bepaalde in het eerste lid dient een
                                belanghebbende onder verantwoordelijkheid van de gemeente
                                additionele werkzaamheden te verrichten. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college draagt er zorg voor dat de participatieplaats wordt
                                vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die zowel door het
                                college, de werkgever als een belanghebbende wordt getekend. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college verstrekt aan personen die additionele werkzaamheden
                                verrichten als bedoeld in dit artikel, een premie van 3 maal (300%
                                van) het vrij te laten maandbedrag in geval van inkomsten uit arbeid
                                (volgens artikel 31 lid 2, onderdeel n, van de wet), telkens per zes
                                maanden, conform artikel 10a, lid 6, van de wet, mits in en na
                                afloop van die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten
                                van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor de berekening van de hoogte van de premie conform artikel 10a,
                                lid 6, van de wet, wordt gebruik gemaakt van het normniveau van het
                                vrij te laten bedrag (volgens artikel 31, lid 2, onderdeel n, van de
                                wet) van de maand juli van het jaar daaraan voorafgaand. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>- Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een
                                persoon uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke
                                of psychische beperking een zodanige mate van begeleiding op en
                                aanpassingen van de werkplek nodig heeft, dat van een reguliere
                                werkgever redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij deze
                                persoon in dienst neemt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie
                                en wint bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)
                                advies in voor de beoordeling of zij uitsluitend in een beschutte
                                omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                                arbeidsparticipatie hebben. Het college selecteert voor deze
                                beoordeling uitsluitend personen met een grote afstand tot de
                                arbeidsmarkt. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om de in artikel 10b, lid 1, van de wet, bedoelde werkzaamheden
                                mogelijk te maken, zet het college de volgende ondersteunende
                                voorzieningen in:</al><lijst><li nr="-"><al>fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving</al></li><li nr="-"><al>uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van
                                        werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>- Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college
                            persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon
                            opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als
                            hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem
                            opgedragen taken te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>- No-riskpolis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan werkgevers de kosten van een no-riskpolis vergoeden
                                als:</al><lijst><li nr="a."><al>de werkgever voor ten minste de duur van zes maanden een
                                        arbeidsovereenkomst aangaat met een werknemer</al></li><li nr="b."><al>de werknemer voorafgaande aan de aanvraag van de arbeid
                                        behoort tot de doelgroep.</al></li><li nr="c."><al>De werknemer een structurele functionele of andere beperking
                                        heeft of de werkgever ten behoeve van de werknemer een
                                        loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10 d, van de wet,
                                        ontvangt.</al></li><li nr="d."><al>Artikel 29b van de Ziektewet niet van toepassing is, en</al></li><li nr="e."><al>De werknemer zijn woonplaats heeft binnen de gemeente.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor vergoeding komt uitsluitend in aanmerking een no-riskpolis die
                                ten hoogste vergoedt: </al><lijst><li nr="a."><al>het loon van de werknemer tot 120 procent van het
                                        minimumloon, en</al></li><li nr="b."><al>15 procent boven de dekking voor extra
                                        werkgeverslasten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college vergoedt de no-riskpolis tot en met 12 maanden na
                                indiensttreding van de werknemer bij de werkgever.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>- Loonkostensubsidies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een loonkostensubsidie verstrekken aan werkgevers
                                die met een kwetsbare, uiterst kwetsbare of gehandicapte werknemer
                                een arbeidsovereenkomst sluiten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De loonkostensubsidie bedraagt ten hoogste 50% van de loonkosten
                                gedurende maximaal 12 respectievelijk 24 maanden ten behoeve van de
                                kwetsbare en de uiterst kwetsbare werknemer. Voor de gehandicapte
                                werknemer bedraagt deze ten hoogste 75% van de loonkosten gedurende
                                de gehele arbeidsperiode. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die: </al><lijst><li nr="a."><al>voorafgaand aan de indienstneming gedurende zes maanden geen
                                        reguliere betaalde betrekking heeft gevonden; </al></li><li nr="b."><al>geen startkwalificatie bezit; </al></li><li nr="c."><al>ouder is dan 50 jaar; </al></li><li nr="d."><al>of alleenstaande ouder is. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onder uiterst kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die
                                onmiddellijk voorafgaand aan de indiensttreding 24 maanden of langer
                                werkloos is geweest. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er
                                geen verdringing plaatsvindt. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt indien de werkgever op
                                grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële
                                tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer.
                            </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>- SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>- Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon die gebruik maakt van een toegekende voorziening op
                                grond van de Verordening Re-integratie WWB, IOAW, IOAZ gemeente
                                Buren, vastgesteld op 26 juni 2012, die moet worden beëindigd op
                                grond van deze verordening, behoudt deze voorziening voor zover
                                wordt voldaan aan de voorwaarden uit die verordening voor de
                                duur:</al><lijst><li nr="a."><al>van 12 maanden, gerekend vanaf inwerkingtreding van deze
                                        verordening, of</al></li><li nr="b."><al>dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode als
                                        bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan na afloop van de in het eerste lid, onderdeel a,
                                bedoelde periode, besluiten of een voorziening wordt
                                voortgezet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Verordening re-integratie WWB, IOAW, IOAZ gemeente Buren,
                                vastgesteld op 26 juni 2012, blijft van toepassing ten aanzien van
                                een voortgezette voorziening als bedoeld in het eerste lid. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.</al><al> Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt ingetrokken:</al><al>ode verordening ‘Re-integratie WWB, IOAW, IOAZ gemeente Buren’,
                            vastgesteld op 26 juni 2012. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>- Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening re-integratie
                            Participatiewet, IOAW, IOAZ gemeente Buren.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 9 december 2014.</ondertekening><ondertekening>De griffier, G.van Droffelaar</ondertekening><ondertekening>De voorzitter, J.A. de Boer MSc</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Nota-toelichting</label><titel>Algemeen en artikelgewijs</titel></kop><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de
                    aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening
                    regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar
                    re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken
                    voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te
                    onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van
                    gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers,
                    re-integratie is maatwerk. Het is helemaal afhankelijk van iemands mogelijkheden
                    en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is.
                    Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten
                    eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat
                    personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de
                    arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening
                    binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de
                    verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan
                    aanbieden.</al><al>Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om
                    regels op te nemen in deze verordening:</al><lijst><li nr="-"><al>Scholing of opleiding, bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid,
                            onderdeel c, van de Participatiewet</al></li><li nr="-"><al>De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, Participatiewet (artikelen
                            8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel c, van de
                            Participatiewet);</al></li><li nr="-"><al>Participatievoorziening beschut werk, bedoeld in artikel 10b van de
                            Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, vierde
                            lid, van de Participatiewet), en</al></li><li nr="-"><al>No risk polis (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Partipatiewet).</al></li></lijst><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al/><al>1.- Begripsomschrijving</al><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de
                        Participatiewet, IOAW, IOAZ, Awb of de Gemeentewet niet afzonderlijk te
                        definiëren in deze verordening. Dit voorkomt dat in geval van wijziging van
                        betreffende definities in de betreffende wetten ook de Verordening moet
                        worden gewijzigd.</al><al/><al>Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet
                        bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in
                        deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze
                        verordening. </al><al/><al><cursief>Doelgroep</cursief></al><al>De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste
                        lid, onder a, van de Participatiewet. Het betreft:</al><lijst><li nr="-"><al>die algemene bijstand ontvangen;</al></li><li nr="-"><al>als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b, artikel 35,
                                vierde lid, onderdeel b en artikel 35, derde lid, onderdeel b, van
                                de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), tot het
                                moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee
                                aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten
                                behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie
                                als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verleend;</al></li><li nr="-"><al>personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de
                                Participatiewet;</al></li><li nr="-"><al>personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de
                                Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
                                (hierna: IOAW);</al></li><li nr="-"><al>personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                (hierna: IOAZ);</al></li><li nr="-"><al>personen zonder uitkering;</al></li></lijst><al>en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college
                        aangeboden voorziening.</al><al/><al><cursief>Korte afstand tot de arbeidsmarkt</cursief></al><al>Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                        redelijkerwijs binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                        arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze
                        verordening.</al><al/><al><cursief>Grote afstand tot de arbeidsmarkt</cursief></al><al>Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon
                        redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de
                        arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2 van deze
                        verordening</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>- Evenwichtige verdeling en financiering</titel></kop><al>Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de
                            Participatiewet moet de gemeenteraad in de verordening de verdeling van
                            de voorzieningen over personen, waarbij rekening wordt gehouden met de
                            omstandigheden en de functionele beperkingen van die personen. Hierin
                            ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de
                            omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap.
                            Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van
                            personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het
                            bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle
                            personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele
                            vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging
                            van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het voorgaande
                            uitvoering gegeven.</al><al/><al><cursief>Grote afstand tot arbeidsmarkt</cursief></al><al>Het college biedt voorzieningen als bedoeld in de artikelen 4
                            (voorzieningen werkstages), 5 (sociale activering) en 8
                            (participatieplaats) aan personen aan die behoren tot de doelgroep met
                            een grote afstand tot de arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in
                            artikel 1.</al><al><cursief>Korte afstand tot arbeidsmarkt</cursief></al><al>Het college biedt de voorziening zoals bedoeld in artikel 6
                            (detacheringsbaan) aan, aan personen die behoren tot de doelgroep met
                            een korte afstand tot de arbeidsmarkt. De doelgroep is gedefinieerd in
                            artikel 1.</al><al/><al><cursief>Overige voorzieningen</cursief></al><al>Voor de overige voorzieningen, volgt al uit de doelgroepomschrijving aan
                            wie het college deze voorzieningen kan aanbieden. Het gaat om: scholing
                            (artikel 7), beschut werk (artikel 9), ondersteuning bij
                            leer-werktrajecten (artikel 10), persoonlijke ondersteuning (artikel
                            11), no-riskpolis (artikel 12), loonkostensubsidie (artikel 13) en
                            uitstroompremies (artikel 14). </al><al/><al><cursief>Rekening houden met omstandigheden en
                            beperkingen</cursief></al><al>Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met
                            de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel
                            2, derde lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening
                            moet houden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>- Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><al>De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het
                            college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening
                            gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het
                            (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al
                            naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een
                            voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het
                            voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met
                            behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het
                            opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). Ook is
                            het mogelijk dat een gemeente in individuele gevallen een
                            persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking stelt.</al><al/><al><cursief>Beëindigingsgronden</cursief></al><al>Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen
                            en in welke gevallen het dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij
                            ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het
                            opzeggen van de arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze
                            laatste wijze van beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke
                            bepalingen uit het arbeidsrecht en de eventueel aanwezige
                            rechtspositieregeling in acht te worden genomen.</al><al>Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals
                            opgenomen in artikel 3, tweede lid, van deze verordening. Een
                            voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen
                            geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel
                            7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit
                            punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in
                            artikel 34a, vijfde lid, onderdeel b, en artikel 35, vierde lid,
                            onderdeel b, en artikel 36, derde lid, onderdeel b, van de WIA tot het
                            moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee
                            aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve
                            van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in
                            artikel 10d van de Participatiewet is verleend. Voor deze doelgroep
                            geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet
                            bieden tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking
                            gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt
                            en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie
                            als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verstrekt. </al><al>De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van
                            re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een
                            bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die
                            kosten worden teruggevorderd.<sup/> Terugvordering dient te geschieden
                            op grond van het Burgerlijk Wetboek.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>- Werkstage</titel></kop><al>Een werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij
                            een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst
                            toetst de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een
                            arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en
                            gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals
                            de bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is
                            overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke
                            invulling van de overeenkomst.</al><al/><al>Werkstage is gericht op uitbreiden kennis en ervaring De Hoge Raad heeft
                            bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het persoonlijk
                            verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het
                            uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij
                            een werkstage in de regel geen sprake van beloning. Terughoudend zijn
                            met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de
                            hand. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er
                            daadwerkelijk sprake is van een vergoeding van gemaakte kosten.</al><al/><al>Doelgroep aanbieden werkstage Het college kan een persoon die behoort
                            tot de doelgroep een werkstage aanbieden voor zover hij een afstand tot
                            de arbeidsmarkt heeft. Verder is vereist dat een persoon nog niet actief
                            is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft
                            door langdurige werkloosheid (artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van
                            deze verordening). Van langdurige werkloosheid is sprake als een persoon
                            gedurende twaalf aaneengesloten maanden of langer is aangewezen geweest
                            op een uitkering. In een dergelijk geval kan sprake zijn van een afstand
                            tot de arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Heeft
                            een persoon gedurende vijf jaren geen inkomsten uit arbeid verworven,
                            dan kan worden aangenomen dat hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft.
                            In dat geval is het college bevoegd hem een werkstage aan te bieden. </al><al/><al>Doel van de werkstage</al><al>Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de
                            werkstage, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te
                            geven. Dit is vooral van belang om te voorkomen dat een persoon claimt
                            dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling
                            afdwingt.</al><al>De werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om
                            het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de
                            zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om
                            te bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de
                            tweede plaats kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In
                            de werkstage kan een persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd
                            komen, werkritme en samenwerken met collega’s.</al><al/><al> Opstellen schriftelijke overeenkomst</al><al>In het vierde is bepaald dat voor de werkstage een schriftelijke
                            overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage
                            worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding. Door deze
                            schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij
                            een werkstage niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.</al><al/><al>Geen verdringing</al><al>In het derde lid is bepaald dat de werkstage uitsluitend wordt verstrekt
                            als er geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen
                            van een vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan
                            door afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende
                            redenen:</al><lijst><li nr="-"><al>eigen initiatief van de werknemer;</al></li><li nr="-"><al>handicap;</al></li><li nr="-"><al>ouderdomspensioen;</al></li><li nr="-"><al>vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer,
                                    of</al></li><li nr="-"><al>gewettigd ontslag om dringende redenen.]</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>- Sociale activering</titel></kop><al>Volgens de Participatiewet dient ook sociale activering uiteindelijk
                            gericht te zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is
                            arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen
                            staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. </al><al/><al>Begrip sociale activering Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het
                            verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht
                            op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is,
                            op zelfstandige maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid,
                            onderdeel c, Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale
                            activering kan worden gedacht aan het zelfstandig, zonder externe
                            begeleiding, verrichten van vrijwilligerswerk of deelnemen aan
                            activiteiten in de wijk of buurt.<sup/></al><al/><al>Doelgroep sociale activering Het college kan aan een persoon die behoort
                            tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale
                            activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment
                            algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt
                            gemaakt van een voorziening (artikel 5, eerste lid).</al><al/><al>Voor de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel b,
                            van de Participatiewet gebruik te maken van een voorziening gericht op
                            sociale activering is vereist dat de mogelijkheid bestaat dat een
                            persoon op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen
                            waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening. Bestaat die
                            mogelijkheid niet, dan kan een persoon niet worden verplicht gebruik te
                            maken van een dergelijke voorziening. Sociale activering heeft tot doel
                            personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt terug te leiden naar
                            de arbeidsmarkt, of als dit nog niet mogelijk is, als tussendoel te
                            bevorderen dat personen zelfstandig kunnen deelnemen aan het
                            maatschappelijk leven. Hieruit volgt dat als het einddoel,
                            arbeidsinschakeling, niet kan worden bereikt, er geen grond is die
                            persoon te verplichten om gebruik te maken van een voorziening gericht
                            op sociale activering.<sup/></al><al/><al> College stemt duur activiteiten af op de persoon</al><al>Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om de duur van
                            activiteiten in het kader van sociale activering nader te bepalen. Het
                            college moet de duur afstemmen op de mogelijkheden en capaciteiten van
                            een persoon. Gezien de mogelijk sterk verschillende behoeften op dit
                            gebied, zal een al te rigide termijn moeilijk zijn.</al><al/><al>Geen verdringing</al><al>Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 4.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>- Detacheringsbaan</titel></kop><al>De Participatiewet biedt de mogelijkheid personen uit de doelgroep een
                            dienstverband aan te bieden om op detacheringsbasis werkervaring op te
                            doen. In de verordening zijn de randvoorwaarden vastgelegd waarbinnen de
                            banen vormgegeven worden. </al><al/><al> Het eerste lid biedt de mogelijkheid tot het aangaan van het
                            dienstverband. Het college zorgt ervoor dat een persoon een
                            dienstverband krijgt aangeboden door een derde, de werkgever. Die derde
                            kan bijvoorbeeld een detacheringsbureau zijn. In het tweede lid wordt
                            bepaald dat het gaat om detachering. Daarbij worden op twee vlakken
                            afspraken gemaakt. Ten eerste tussen het inlenende bedrijf en de
                            werkgever. Hierin worden zaken geregeld als de verhouding tot de
                            werkgever, de hoogte van de inleenvergoeding en de wijze waarop de
                            begeleiding wordt vormgegeven. In de overeenkomst tussen werknemer en
                            inlener worden afspraken gemaakt over werktijden, verlof en de inhoud
                            van het werk. </al><al/><al>Voor derde lid wordt verwezen naar de toelichting bij het artikel over
                            werkstages.]</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>- Scholing</titel></kop><al><cursief>Startkwalificatie</cursief></al><al>Onder startkwalificatie wordt verstaan een havo of VWO-diploma of een
                            diploma van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), niveau twee. Scholing
                            kan worden aangeboden aan personen met of zonder een dergelijke
                            startkwalificatie. Vooral voor personen zonder startkwalificatie kan
                            scholing noodzakelijk zijn voor de re-integratie. </al><al/><al><cursief>Jongeren</cursief></al><al>Personen jonger dan 27 jaar die nog mogelijkheden hebben binnen het uit
                            's Rijks kas bekostigde onderwijs kunnen sinds 1 juli 2012 geen
                            voorziening ontvangen die hen ondersteunt bij de arbeidsinschakeling
                            (artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de Participatiewet). Dit is voor
                            de volledigheid opgenomen in het tweede lid.</al><al/><al><cursief>Scholing in combinatie met participatieplaats</cursief></al><al>Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een
                            participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient het
                            college aan deze persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt
                            vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de
                            participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht zijn
                            vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt. Het college hoeft aan een
                            persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke
                            scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van
                            de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding
                            niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het
                            arbeidsproces van de persoon. Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van
                            de Participatiewet. </al><al>Zie artikel 8 van deze verordening over de voorziening
                            participatieplaatsen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>- Participatieplaats</titel></kop><al>Een participatieplaats is bedoeld voor personen met een grotere afstand
                            tot de arbeidsmarkt. Voor personen jonger dan 27 jaar is ondersteuning
                            in de vorm van een participatieplaats niet mogelijk (artikel 7, achtste
                            lid, van de Participatiewet en het eerste lid van artikel 8 van deze
                            verordening). Het college kan dan ook enkel aan personen van 27 jaar of
                            ouder met recht op algemene bijstand een participatieplaats
                            aanbieden.</al><al/><al> Additionele werkzaamheden</al><al>Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht.
                            Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken
                            of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op
                            tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken
                            waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee
                            worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de
                            uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op
                            het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een
                            duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de
                            participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel
                            10a van de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het
                            college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft
                            vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan
                            wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang
                            van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de
                            participatieplaats wordt voorgezet. Als de gemeente concludeert dat
                            voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon
                            gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan
                            kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat
                            geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a,
                            negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een
                            dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de
                            Participatiewet).</al><al/><al><cursief>Premie</cursief></al><al>De persoon die werkzaamheden verricht op een participatieplaats heeft
                            recht op een premie voor het eerst na zes maanden en vervolgens iedere
                            zes maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden (artikel 10a,
                            zesde lid, van de Participatiewet). Voorwaarde is dat de persoon naar
                            het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten
                            van zijn kansen op de arbeidsmarkt. De hoogte van de premie moet in de
                            verordening vastgelegd worden (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, van
                            de Participatiewet). De premie wordt vrijgelaten op grond van artikel
                            31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In verband hiermee
                            is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling
                            genoemde bedrag. Daarnaast moet bij het bepalen van de hoogte van de
                            premie ook de risico's van de armoedeval worden betrokken.<sup/> Er is
                            gekozen voor een premie van telkens per zes maanden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>- Participatievoorziening beschut werk</titel></kop><al>Het college kan de voorziening beschut werk aanbieden aan een persoon
                            uit de doelgroep die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische
                            beperking een zodanige mate van begeleiding op en aanpassingen van de
                            werkplek nodig heeft dat niet van een reguliere werkgever redelijkerwijs
                            niet kan worden verwacht dat hij deze in dienst neemt (eerste lid).</al><al/><al><cursief>Stap 1: voorselectie</cursief></al><al>Ten behoeve van de participatievoorziening beschut werk voert de
                            gemeente een voorselectie uit. Tijdens de voorselectie bepaalt het
                            college welke mensen in aanmerking kunnen komen voor beschut werk, en op
                            welk moment. In de verordening moet vastgelegd worden hoe zij deze
                            voorselectie uitvoeren.<sup/> Daarom is in het tweede lid bepaald dat
                            het college uitsluitend personen met een grote afstand tot de
                            arbeidsmarkt selecteert voor de beoordeling of zij uitsluitend in een
                            beschutte omgeving mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Voor
                            dit criterium is gekozen omdat personen met een korte afstand tot de
                            arbeidsmarkt veelal niet uitsluitend in een beschutte omgeving
                            mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Onder de personen met een
                            grote afstand tot de arbeidsmarkt is het aannemelijk dat daartoe
                            personen behoren die uitsluitend in een beschutte omgeving kunnen
                            werken. </al><al>Het college kan ambtshalve vaststellen of een persoon uitsluitend in een
                            beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                            arbeidsparticipatie heeft (artikel 10b, eerste lid, van de
                            Participatiewet). Hiervoor is dus geen aanvraag van een persoon nodig.
                            Het college maakt uit de personen uit de doelgroep een voorselectie. Het
                            college moet bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen advies
                            inwinnen voor de beoordeling of de geselecteerde personen uitsluitend in
                            een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot
                            arbeidsparticipatie hebben. </al><al/><al><cursief>Stap 2: advies Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen</cursief></al><al>Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen adviseert het college
                            met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep beschut
                            werk behoort. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op
                            basis van landelijke criteria een beoordeling uit (artikel 10b, tweede
                            lid, van de Participatiewet). </al><al/><al><cursief>Stap 3: besluit gemeente</cursief></al><al>Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep
                            'beschut werk' behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige
                            totstandkoming van het advies van het Uitvoeringsinstituut
                            werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het advies niet te
                            volgen.<sup/></al><al/><al><cursief>Stap 4: dienstbetrekking 'beschut werk'</cursief></al><al>Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep 'beschut werk' behoort,
                            zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder
                            beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, derde lid, van
                            de Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een
                            publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f,
                            van de Participatiewet). Hoe de dienstbetrekking wordt georganiseerd,
                            behoort tot de beleidsvrijheid van gemeenten. Een dienstbetrekking kan
                            bijvoorbeeld worden georganiseerd via een gemeentelijke dienst, NV, BV
                            of stichting. Ook kunnen personen (via detachering) in een beschutte
                            omgeving bij reguliere werkgevers werken.<sup/></al><al>Gemeenten kunnen het werk zelf organiseren via bijvoorbeeld een aan de
                            gemeente gelieerd bedrijf zoals een SW-bedrijf. Ook kunnen zij afspraken
                            maken met andere reguliere werkgevers over de voorwaarden waarop zij
                            deze mensen een dergelijke dienstbetrekking aanbieden.<sup/></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>- No-riskpolis</titel></kop><al>De no-riskpolis kan worden ingezet als ondersteuning bij de
                            arbeidsinschakeling (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet). Het college kan de kosten van de no-riskpolis voor
                            werkgevers vergoeden (eerste lid). De no-riskpolis is een belangrijk
                            instrument om aarzelingen bij werkgevers weg te nemen om mensen met
                            arbeidsbeperkingen in dienst te nemen. De no-riskpolis zorgt ervoor dat
                            de werkgever compensatie ontvangt voor de loonkosten, wanneer een
                            werknemer met arbeidsbeperkingen ziek wordt. Een werkgever komt niet in
                            aanmerking voor een no-risk polis als artikel 29b van de Ziektewet van
                            toepassing is (artikel 8a, tweede lid, onderdeel b, van de
                            Participatiewet). </al><al/><al>De no-riskpolis is een verzekering waarbij de werkgever bij ziekte van
                            de werknemer die een structurele functionele of andere beperking heeft
                            of ten behoeve van wie die werkgever een loonkostensubsidie in
                            aanmerking komt voor de no-riskpolis.</al><al/><al><cursief>Voorwaarden</cursief></al><al>In het eerste lid is opgenomen wanneer een werkgever in aanmerking komt
                            voor een no-risk polis. Er is voor gekozen om de mogelijkheid tot inzet
                            van een no-riskpolis te beperken voor arbeidsovereenkomsten die minimaal
                            zes maanden duren. </al><al>Voorts is voor inzet van de no-risk polis vereist dat de werknemer
                            behoort tot de doelgroep (zie artikel 1 van deze verordening) en hij een
                            structurele functionele of andere beperking heeft of ten behoeve van hem
                            de werkgever een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de
                            Participatiewet ontvangt. Ook ligt voor de hand dat de werknemer zijn
                            woonplaats moet hebben binnen de gemeente.</al><al/><al><cursief>Hoogte vergoeding</cursief></al><al>Het college kan de kosten van de no-riskpolis vergoeden voor werkgevers.
                            Niet elke verzekering komt voor vergoeding in aanmerking. Hiervoor zijn
                            regels gesteld in het tweede lid. Voor vergoeding komt uitsluitend een
                            no-riskpolis in aanmerking die ten hoogste vergoedt: </al><lijst><li nr="-"><al>het loon van de werknemer tot 120 procent van het
                                    minimumloon;</al></li><li nr="-"><al>15 procent boven de dekking voor extra werkgeverslasten.</al></li></lijst><al> Het college zal voor toekeninning van de vergoeding moeten toetsen of
                            de door de werkgever gekozen verzekering voldoet aan deze
                            voorwaarden.</al><al/><al><cursief>Werkgever sluit verzekering af</cursief></al><al>De werkgever moet ten behoeve van het verstrekken van een no-riskpolis
                            een verzekering afsluiten. De werkgever treedt op als verzekeringsnemer.
                            Het college vergoedt uitsluitend de kosten van de no-riskpolis.</al><al/><al><cursief>Duur vergoeding no-riskpolis</cursief></al><al>Het college vergoedt de no-riskpolis tot twaalf maanden na
                            indiensttreding van de werknemer bij de werkgever (derde lid).</al><al/><al><cursief>Na twee jaar is het Uitvoeringsinstituut
                                werknemersverzekeringen verantwoordelijk</cursief></al><al>De no-riskpolis kan maximaal voor de duur van twee jaar worden ingezet.
                            Nadat betrokkene twee jaar zelfstandig het minimumloon heeft verdiend,
                            dus zonder loonkostensubsidie, gaat de verantwoordelijkheid voor de
                            no-riskpolis over naar Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en
                            kan artikel 29b van de Ziektewet van toepassing zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>– Persoonlijke ondersteuning</titel></kop><al>In artikel 11 wordt de voorziening persoonlijke ondersteuning nader
                            geduid. Het gaat dan om een voorziening zoals een jobcoach, die op vaste
                            tijden en gedurende een langere periode de werknemer met beperkingen bij
                            het verrichten van zijn taken ondersteunt. Het moet dan ook gaan om een
                            systematische ondersteuning. Daarnaast moet de ondersteuning
                            noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning
                            in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten.
                            Persoonlijk ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt
                            begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via
                            een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan
                            zijn.<sup/></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>- Loonkostensubsidie</titel></kop><al>Gesubsidieerde arbeid kan als één van de voorzieningen worden ingezet om
                            de arbeidsinschakeling te bevorderen. In de Participatiewet is geregeld
                            dat alle voorzieningen moeten dienen om een persoon uiteindelijk aan
                            regulier werk te helpen. </al><al/><al>Compensatie </al><al>Het doel van de loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor
                            het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet
                            worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle
                            kan inzetten. Zo kan het college een loonkostensubsidie aan de werkgever
                            verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te
                            compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te
                            bewerkstelligen.<sup/> In het eerste lid is de doelgroep opgenomen en in
                            het tweede lid de maximaal toe te kennen loonkostensubsidie opgenomen.
                            Een nadere uitwerking van de doelgroep is opgenomen in het derde en
                            vierde lid.</al><al/><al> Geen verdringing</al><al>Zie wat hierover is opgemerkt bij artikel 4.</al><al/><al>De in artikel 11 van deze verordening geregelde loonkostensubsidie moet
                            worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de
                            artikelen 10c en 10d van de Participatiewet. De laatstgenoemde
                            loonkostensubsidie is geïntroduceerd in de Participatiewet door de
                            Invoeringswet Participatiewet en is specifiek bedoeld voor personen met
                            een arbeidsbeperking. De in artikel 13 opgenomen loonkostensubsidie is
                            niet noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar
                            ondersteunt personen die kwetsbaar of uiterst kwetsbaar zijn.</al><al>Het gaat in hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt kan
                            worden aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a,
                            van de Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse
                            arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk
                            minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben
                            (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet).]</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>- Overgangsrecht</titel></kop><al>In artikel 12 is onder andere het overgangsrecht neergelegd. Het kan
                            voorkomen dat personen een voorziening toegekend hebben gekregen op
                            grond van de oude re-integratieverordening, die niet meer voldoet aan de
                            voorwaarden uit deze verordening. Hierbij kan worden gedacht aan de
                            situatie waarin de oude re-integratieverordening voorzieningen bevat die
                            na inwerkingtreding van deze verordening niet meer worden verstrekt. Ook
                            is het denkbaar dat een persoon op grond van de oude
                            re-integratieverordening wel in aanmerking zou komen voor een
                            voorziening, maar door inwerkingtreding van deze verordening niet meer.
                            De toegekende voorziening zou dan op grond van artikel 3, tweede lid,
                            van deze verordening moeten worden beëindigd. Om dit te voorkomen is in
                            artikel 12, eerste lid, geregeld dat dergelijke voorzieningen worden
                            behouden voor een bepaalde duur. Een dergelijke voorzieningen wordt
                            behouden voor ten hoogste de duur van twaalf maanden of - als dit eerder
                            is - voor de duur dat deze is verstrekt. Dit uiteraard voor zover wordt
                            voldaan aan de voorwaarden uit de Verordening re-integratie WWB, IOAW,
                            IOAZ gemeente Buren (vastgesteld op 26 juni 2012). Wordt niet meer aan
                            die voorwaarden voldaan, dan moet de voorziening worden beëindigd,
                            bijvoorbeeld als een belanghebbende geen aanspraak meer heeft op
                            ondersteuning bij de arbeidsinschakeling. De periode van twaalf maanden
                            begint te lopen vanaf het moment van inwerkingtreding van deze
                            verordening.</al><al/><al><cursief>Voortzetten toegekende voorzieningen</cursief></al><al>Toegekende voorzieningen op grond van de Verordening re-integratie WWB,
                            IOAW, IOAZ gemeente Buren (vastgesteld op 26 juni 2012) worden dus in
                            beginsel behouden tot twaalf maanden na inwerkingtreding van deze
                            verordening. Na afloop van die periode kan het college besluiten of een
                            voorziening wordt voortgezet (artikel 15, derde lid). Hierbij kan het
                            college rekening houden met al gesloten overeenkomsten. Voortzetting van
                            een voorziening ligt bijvoorbeeld voor de hand als het college is
                            gehouden de kosten van een dergelijke voorziening te voldoen, ongeacht
                            of een persoon nog gebruik maakt van de voorziening. Lopende
                            re-integratievoorzieningen kunnen in beginsel ná inwerkingtreding van
                            deze verordening worden afgerond conform de overeenkomst.</al><al/><al><cursief>Voortzetting is niet mogelijk</cursief></al><al>Voortzetting van een toegekende voorziening na twaalf maanden is niet
                            mogelijk als de voorziening binnen die periode is beëindigd wegens het
                            niet meer voldoen aan de voorwaarden voor die voorziening op grond van
                            de Verordening re-integratie WWB, IOAW, IOAZ gemeente Buren (vastgesteld
                            op 26 juni 2012) of als de voorziening is toegekend voor een kortere
                            duur dan twaalf maanden na inwerkingtreding van de verordening. Een
                            voorziening dient immers niet langer te worden voortgezet dan de duur
                            van de oorspronkelijke toekenning. </al><al/><al>Ten aanzien van die voorziening blijft de Verordening re-integratie WWB,
                            IOAW, IOAZ gemeente Buren (vastgesteld op 26 juni 2012) van toepassing
                            (artikel 15, derde lid, van deze verordening).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf
                            die datum is in artikel 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e en
                            twwede lid, en 10b, vierde lid, van de Participatiewet de
                            verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd om regels vast te
                            stellen over het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden
                            van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>- Citeertitel</titel></kop><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>