<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR342655_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Onroerende-zaakbelastingen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zandvoort</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elektronisch Gemeenteblad, 17-11-2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Onroerende-zaakbelastingen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=216">Gemeentewet, art. 216</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220">Gemeentewet, art. 220</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220a">Gemeentewet, art. 220a</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220b">Gemeentewet, art. 220b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220c">Gemeentewet, art. 220c</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220d">Gemeentewet, art. 220d</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220e">Gemeentewet, art. 220e</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220f">Gemeentewet, art. 220f</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220g">Gemeentewet, art. 220g</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220h">Gemeentewet, art. 220h</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-11-05</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2015/06/001712; Z2015-003532</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Financiële middelen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is vervangen door de '<extref doc="1.1:CVDR381311_1">Verordening onroerende-zaakbelastingen 2016</extref>'.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>VERORDENING ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Zandvoort:</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4
                        september 2014; </al><al>gelet op de overwegingen van de commissie Bestuur en Middelen van 7 oktober
                        2014; </al><al>gelet op artikel 216 en 220 t/m 220h van de Gemeentewet; </al><al>besluit de volgende verordening, inclusief toelichting, vast te stellen: </al><al>VERORDENING ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN 2015.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>1. DE VERORDENING</label></kop><paragraaf><kop><label>1.1 BEGRIPSBEPALINGEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1 Begripsbepalingen</label></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><al/><al>a.<vet>het college</vet>: het college van burgemeester en wethouders
                                van de gemeente Zandvoort;</al><al>b. <vet>de raad</vet>: de gemeenteraad van Zandvoort;</al><al>c. <vet>ambtenaar belast met de heffing: </vet>de gemeenteambtenaar
                                die door het college is aangewezen als de in artikel 231, tweede
                                lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar belast met
                                de heffing van de gemeentelijke belastingen;</al><al>d.<vet>Wet WOZ: </vet>deWet waardering onroerende zaken.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>1.2 NORMSTELLING</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 2 Belastingplicht</label></kop><al>1. Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden voor binnen de
                                gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen
                                geheven:</al><al>a. een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                                kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning
                                dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of
                                persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen:
                                gebruikersbelasting;</al><al>b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen:
                                eigenarenbelasting.</al><al>2. Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><al>a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                                gebruik is gegeven (verder: de gebruiker), aangemerkt als gebruik
                                door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (verder: de
                                gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig
                                te verhalen op de gebruiker;</al><al>b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor
                                volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die
                                onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de
                                onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de
                                belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter
                                beschikking is gesteld.</al><al>3. Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin
                                van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is
                                vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende
                                krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3 Belastingobject</label></kop><al>1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld
                                in hoofdstuk III van de Wet WOZ.</al><al>2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de
                                waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet WOZ is vastgesteld
                                voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan
                                delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
                                dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4 Maatstaf van heffing</label></kop><al>a. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                                WOZ voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het
                                kalenderjaar, bedoeld in artikel 2.</al><al>b. Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de
                                voet van hoofdstuk IV van de Wet WOZ wordt de heffingsmaatstaf van
                                die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het
                                bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van
                                de Wet WOZ.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5 Vrijstellingen</label></kop><al>1. In afwijking in zoverre van artikel 4 wordt bij de bepaling van
                                de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet
                                al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde,
                                de waarde van:</al><al>a. voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde
                                cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de
                                ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor
                                de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als
                                voedingsbodem te gebruiken;</al><al>b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek
                                of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit
                                de in onderdeel a bedoelde grond;</al><al>c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                                eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                                levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen
                                van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al><al>d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet
                                van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de
                                voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit
                                Natuurschoonwet 1928 , met uitzondering van de daarop voorkomende
                                gebouwde eigendommen;</al><al>e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen,
                                heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door
                                rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich
                                uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten
                                doel stellen, beheerd worden;</al><al>f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per
                                rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al><al>g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd
                                door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken
                                die dienen als woning;</al><al>h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                                afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of
                                diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van
                                de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al><al>i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden
                                zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt
                                toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn
                                aan te merken;</al><al>j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt
                                voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen
                                van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt
                                voor het geven van onderwijs;</al><al>k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanig gebouwde
                                eigendommen – niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het
                                belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter
                                verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten,
                                verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken,
                                abri's, hekken en palen;</al><al>l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in
                                beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens
                                eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van
                                zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van
                                delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.</al><al/><al>2. De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het
                                eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting
                                geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft
                                krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.</al><al/><al>3. In afwijking in zoverre van artikel 4 wordt bij de bepaling van
                                de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking
                                gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in
                                hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                                woondoeleinden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6 Belastingtarieven</label></kop><al>1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                                heffingmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:</al><al>a. de gebruikersbelasting: 0,1258%</al><al>b. de eigenarenbelasting</al><lijst><li nr="1."><al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen:
                                        0,1263%</al></li><li nr="2."><al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning
                                        dienen: 0,2406%</al></li></lijst><al/><al>2. Als het bedrag van de belasting beneden € 10,- blijft, wordt geen
                                belasting geheven. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het
                                totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen aan
                                belastingen of andere heffingen aangemerkt als één
                                belastingbedrag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7 Wijze van heffing</label></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8 Termijnen van betaling</label></kop><al>1. In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet
                                1990 moet de aanslag worden betaald uiterlijk op de laatste dag van
                                de tweede maand volgend op de maand die in de dagtekening van het
                                aanslagbiljet is vermeld.</al><al>2. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag
                                van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen meer is dan € 70,-
                                en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische
                                betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten
                                worden betaald in zeven gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt
                                op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de
                                dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende
                                termijnen telkens op de laatste dag van de daarop volgende maand. </al><al>3. Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel
                                c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag
                                gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het
                                eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze
                                gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.</al><al>4. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de
                                voorgaande leden gestelde termijnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 9 Nadere regels door het college</label></kop><al>Het college kan nadere regels geven voor de heffing en de
                                invordering van de Onroerende-zaakbelastingen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>1.3 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel 10 Bevoegdheden</label></kop><al>De ‘ambtenaar belast met de heffing’ is belast met de uitvoering van
                                deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11 Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel</label></kop><al>1. De 'Verordening onroerende-zaakbelastingen 2014', vastgesteld bij
                                raadsbesluit van 6 november 2013, wordt ingetrokken met ingang van
                                de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met
                                dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten
                                die zich voor die datum hebben voorgedaan.</al><al>2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag
                                na die van de bekendmaking.</al><al>3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015.</al><al>4. Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening
                                onroerende-zaakbelastingen 2015'.</al><al/></artikel></paragraaf></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 10 november 2014</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>2.TOELICHTING OP DE VERORDENING</label></kop></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>2.1 ALGEMEEN</label></kop><al><vet>Wettelijke basis</vet></al><al>De verordening onroerende-zaakbelastingen is gebaseerd op de tekst van de
                    Gemeentewet (artikelen 220-220h). Voor de waardebepaling gelden ook de
                    bepalingen van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ). In de
                    verordening is gekozen voor een duidelijke scheiding tussen
                    verantwoordelijkheden op waarderingsgebied (geregeld in de Wet WOZ) en op
                    heffingsgebied. Overeenkomstig de Gemeentewet is daarom gekozen voor verwijzing
                    naar de bepalingen in de Wet WOZ en is de tekst van de desbetreffende bepalingen
                    niet overgenomen in de verordening. Ten behoeve van de praktijk wordt in de
                    toelichting bij het betreffende artikel een korte toelichting op de werking van
                    de Wet WOZ gegeven. </al><al/><al><vet>Financiële verhoudingswet</vet></al><al>Er is samenhang tussen de hoogte van de algemene uitkering van een gemeente en
                    haar belastingcapaciteit voor de onroerende-zaakbelastingen. De werkelijke
                    hoogte van de tarieven heeft geen invloed op de uitkering uit het gemeentefonds.
                    Het gemeentefonds is te zien als egalisatiefonds voor verschillen in
                    belastingcapaciteit.</al><al/><al><vet>Wet WOZ</vet></al><al>De Wet WOZ regelt de bepaling en vaststelling van de waarde van onroerende zaken
                    ten behoeve van de belastingheffing door rijk, gemeenten en waterschappen,
                    waaronder ook de onroerende-zaakbelastingen. De waardebepaling geschiedt onder
                    verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders van de
                    gemeente waarin de onroerende zaak is gelegen. De waarde wordt door de
                    heffingsambtenaar met een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking aan de
                    eigenaar en aan de gebruiker (belanghebbenden) bekendgemaakt. Vanaf 2007 wordt
                    de waarde jaarlijks vastgesteld.</al><al/><al><vet>Geen tarieflimieten wel een macronorm</vet></al><al>Gemeenten zijn vrij in het vaststellen van de drie tarieven: een eigenarentarief
                    en een gebruikerstarief voor niet-woningen en een eigenarentarief voor woningen.
                    Daarbij gelden geen absolute of relatieve limieten. Wel is ter voorkoming van
                    een onevenredige stijging van de collectieve lastendruk een macronorm ingesteld.
                    Dit is een norm voor de totale opbrengsten OZB in Nederland. Bij overschrijding
                    van de norm vindt er een bespreking plaats tussen Rijk en gemeenten in het
                    bestuurlijk overleg Financiële Verhoudingen in de maand april. Het Rijk kan
                    uiteindelijk als machtsmiddel de hoogte van de uitkering uit het gemeentefonds
                    gebruiken.</al><al/><al><vet>Tarief als percentage van de waarde</vet></al><al>De onroerende-zaakbelasting wordt berekend naar een percentage van de waarde van
                    de onroerende zaak.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><label>2.2 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</label></kop><al><vet>Aanhef</vet></al><al>In de aanhef wordt verwezen naar artikelen 220 tot en met 220h van de
                    Gemeentewet. De toepasselijke artikelen uit de Wet WOZ worden in die artikelen
                    genoemd.</al><divisie><kop><label>Artikel 1 Begripsbepalingen</label></kop><al>Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de verordening
                        voorkomende begrippen is daarvan een omschrijving opgenomen in artikel
                        1.</al><al/><al><cursief>Ad b.</cursief></al><al>Artikel 231 lid 2 sub b van de Gemeentewet regelt dat de bevoegdheden en
                        verplichtingen die op rijksniveau gelden voor de inspecteur overeenkomstig
                        gelden voor de ambtenaar die belast is met de heffing van de gemeentelijke
                        belastingen. Deze ambtenaar wordt op grond van artikel 232 lid 2 sub a van
                        de Gemeentewet aangewezen door het college.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2 Belastingplicht</label></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Voor iedere onroerende zaak die binnen de gemeente ligt kan een directe
                        belasting voor het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht worden
                        geheven. De belasting wegens genot krachtens eigendom, bezit of beperkt
                        recht wordt aangeduid als eigenarenbelasting. De belasting wegens het
                        gebruik van een onroerende zaak wordt aangeduid als gebruikersbelasting en
                        wordt alleen geheven ter zake van onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot
                        woning dienen. De onroerende-zaakbelastingen zijn tijdstipbelastingen. Het
                        begin van het kalenderjaar bepaalt de belastingplicht. Indien het gebruik
                        dan wel het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht in de loop van
                        het jaar aanvangt of eindigt, heeft dat geen invloed op de belastingplicht.
                        De aanslag wordt dan niet tijdsevenredig verminderd (zie Hof Den Haag 26
                        januari 2000, nr. 98/02639, Belastingblad 2001, blz.163).</al><al/><al><vet>Gebruikersbelasting</vet></al><al>De gebruikersbelasting wordt alleen geheven van degene die (naar de
                        omstandigheden beoordeeld) bij het begin van het kalenderjaar een onroerende
                        zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient (niet-woning) al dan niet
                        krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt.
                        Het is daarbij niet van belang waarop het gebruik van de niet-woning is
                        gebaseerd. Ook bij wederrechtelijk gebruik (krakers) is sprake van gebruik
                        (Hoge Raad 10 maart 1982, nr. 20 860, BNB 1982/115, Belastingblad 1982, blz.
                        148 (Dordrecht).</al><al/><al><vet>Het begrip gebruik</vet></al><al>Of er sprake is van gebruik wordt beoordeeld naar de feitelijke
                        omstandigheden. Er is in ieder geval sprake van gebruik als een niet-woning
                        daadwerkelijk wordt gebruikt (Hoge Raad 5 september 1979, nr. 19420, BNB
                        1979/268 (Uitgeest): “metterdaad bezigt ter bevrediging van zijn eigen
                        behoeften”). Maar er is ook gebruik als een persoon de niet-woning bewust
                        leeg laat staan met de bedoeling die voor bepaalde doeleinden voor zichzelf
                        ter beschikking te houden: Gebruik is aanwezig als de persoon een
                        niet-woning bouwt of laat bouwen op een ongebouwd eigendom. Er is alleen
                        geen sprake van gebruik als de bevrediging van behoeften door externe
                        belemmeringen wordt geblokkeerd, zoals het wachten op verstrekking van een
                        bouwvergunning na aanvraag daarvan.</al><al>Het aanhouden voor handels- of beleggingsdoeleinden levert geen metterdaad
                        bezigen en dus geen gebruik op, aldus Hoge Raad 22 juli 1985, nr. 22649, BNB
                        1985/258, Belastingblad 1985, blz. 658 (De Bilt). De afwezigheid van de
                        gebruiker van een niet-woning op 1 januari leidt niet zonder meer tot het
                        achterwege laten van heffing van de gebruikersbelasting. Zie Hoge Raad 30
                        juni 1993, nr. 28345, BNB 1993/265.</al><al/><al><vet>Parlementaire geschiedenis leegstand</vet></al><al>‘Een leegstaand object', dat wil zeggen een object dat echt leeg staat, en
                        dat dus geen meubilair en dergelijke bevat, wordt ook niet gebruikt in de
                        zin van artikel 219, onderdeel a (thans artikel 220, onderdeel a) . Dit is
                        slechts anders indien een genothebbende krachtens een zakelijk recht zijn
                        object bewust leeg laat staan met de bedoeling het voor bepaalde doeleinden
                        voor zichzelf ter beschikking te houden.’ (Kamerstukken II, 1989-1990, 21
                        591, nr. 3, blz. 68)</al><al>"Met betrekking tot de suggestie van de leden van de fractie van GroenLinks
                        om het OZB-gebruikersdeel van leegstaande panden (niet-woningen) door de
                        eigenaar te laten betalen (om leegstand vanuit speculatief oogpunt te
                        voorkomen) merken wij op dat de Gemeentewet sedert 1 januari 1995 al de
                        mogelijkheid biedt dat de eigenaar wordt aangeslagen voor leegstaande
                        panden. Sedert deze datum is het begrip "feitelijk gebruik" namelijk
                        gewijzigd in "gebruik" juist om mogelijk te maken dat in meer situaties dan
                        voorheen OZB kan worden geheven. Omdat onder gebruik in deze zin ook kan
                        worden verstaan het voor eigen gebruik ter beschikking houden, zal het
                        bewust leeg houden van een onroerende zaak voor eigen doeleinden als een
                        vorm van gebruik kunnen worden gezien. De genothebbende krachtens eigendom,
                        bezit of beperkt recht is dan tevens de gebruiker als hiervoor bedoeld en
                        zal de gebruikersbelasting voor zijn rekening moeten nemen." (Kamerstukken
                        II, 1996-1997, 25 037, nr. 6, blz. 12)</al><al>Om te bepalen of er sprake is van belastbare leegstand moet worden
                        beoordeeld of de zakelijk gerechtigde de niet-woning bewust leeg laat staan.
                        De feitelijke omstandigheden worden daarbij beoordeeld.</al><al>De Hoge Raad laat zich in zijn arrest van 7 oktober 1998, nr. 33767, LJN:
                        AA2318, Belastingblad 1998, blz. 878 (Haarlem) voor het eerst uit over het
                        nieuwe begrip gebruik. De Hoge Raad oordeelt dat een woning die op de
                        peildatum in afwachting van een verbouwing ‘kaal’ is en niet geschikt voor
                        bewoning of enige andere vorm van gebruik, niet wordt gebruikt. Dit oordeel
                        lijkt op gespannen voet te staan met de bedoeling van de wetgever dat
                        onroerende zaken die de eigenaar bewust leeg laat staan in de
                        gebruikersbelasting dienen te worden betrokken, maar beslissend is hier
                        waarschijnlijk geweest dat de eigenaar op de peildatum nog niet in het bezit
                        was van de door hem reeds aangevraagde bouwvergunning. De leegstand is dan
                        niet zozeer toe te schrijven aan de motieven van de eigenaar, maar aan het
                        feit dat de eigenaar formeel niet mag bouwen. Hof ’s-Gravenhage heeft in
                        zijn uitspraak van 22 augustus 2000, nr. 99/00456, Belastingblad 2001, blz.
                        1220, beslist dat een (nagenoeg) leegstaande woning door de eigenaar wordt
                        gebruikt omdat zij hem ter beschikking staat. Er is ook sprake van gebruik
                        wanneer de eigenaar de woning ter beschikking houdt van zijn ouders.</al><al/><al><vet>Het begrip gebruiker</vet></al><al>Wie de gebruiker van een niet-woning is, zal bijvoorbeeld uit de
                        administratie van nutsbedrijven blijken. Ook kan gebruik worden gemaakt van
                        aangiftebiljetten of inlichtingenformulieren.. Zie voor een nadere invulling
                        van het begrip gebruiker ook hierna bij de toelichting op het tweede lid,
                        onderdeel c.</al><al/><al><vet>Tweede lid, onderdeel a</vet></al><al>In artikel 2, tweede lid, van de verordening is een aanvullende bepaling
                        voor de gebruikersbelasting opgenomen (zie ook Artikel 220b, eerste lid, van
                        de Gemeentewet): gebruik door degene aan wie een (onzelfstandig) deel van
                        een onroerende zaak in gebruik is gegeven (gebruiker), wordt aangemerkt als
                        gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven (gebruikgever). De
                        verhuurder (al of niet tevens eigenaar) is ook belastingplichtig voor de
                        gebruikersbelasting als hij niet zelf gebruiker (van een deel) van de
                        niet-woning is maar het gehele object in onzelfstandige delen verhuurt (Hoge
                        Raad 5 juni 2009, nr. 44103, LJN: BI6157). Bij kantoorverzamelgebouwen met
                        meer dan één gebruiker (die voor de Wet WOZ en de onroerende-zaakbelastingen
                        als één object kunnen gelden), wordt de verhuurder in de heffing van de
                        gebruikersbelasting betrokken. De huurders zijn dan niet belastingplichtig.
                        De bepaling ziet alleen op situaties waarin delen van de onroerende zaak
                        worden gebruikt door afzonderlijke gebruikers, die niet gezamenlijk het
                        geheel gebruiken. De verhuurder van een niet-woning kan niet als gebruiker
                        worden aangemerkt als hij de niet-woning verhuurt aan bijvoorbeeld één
                        onderneming of één persoon. Verhuurt hij de verschillende onzelfstandige
                        delen aan verschillende gebruikers, dan is hij wel belastingplichtig.
                        Verhuurt hij echter de niet-woning als geheel aan meerdere gebruikers
                        (bijvoorbeeld van één onderneming), dan is hij niet belastingplichtig. Hij
                        staat dan immers niet een gedeelte van de niet-woning in gebruik af. De
                        gebruikgever mag de gebruikersbelasting wel verhalen op de gebruiker.</al><al/><al><vet>Tweede lid, onderdeel b</vet></al><al>Dit onderdeel bepaalt dat het ter beschikking stellen van een onroerende
                        zaak voor volgtijdig gebruik wordt aangemerkt als gebruik door degene die de
                        onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld. Dit ziet met name op
                        niet-woningen die voor korte perioden worden verhuurd. In beginsel is de
                        eigenaar degene die de niet-woning ter beschikking stelt voor volgtijdig
                        gebruik. Dit is anders indien gebruik wordt gemaakt van een
                        verhuurorganisatie en deze verhuurorganisatie grotendeels het financiële
                        risico van meer- of minderopbrengsten uit de verhuur draagt. Alleen het uit
                        handen geven van de bemiddeling (al dan niet tegen een beperkt percentage
                        van de verhuurprijs) aan een verhuurorganisatie is niet voldoende om deze
                        verhuurorganisatie als gebruiker aan te merken. Zie ook Hoge Raad 7 februari
                        2001, nr. 35865, LJN: AA9843, BNB 2001/113, Belastingblad 2001, blz. 456,
                        BNB 2001/113, m.n. Snoijink (Wierden) en Hoge Raad 22 november 2002, nr.
                        37361, LJN: AF0960, BNB 2003/36 m.n. Snoijink (Oostburg). Degene die de
                        niet-woning ter beschikking stelt is bevoegd om de belasting te verhalen op
                        degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.</al><al/><al><vet>Derde lid</vet></al><al>De vaststelling van de belastingplicht voor het genot baseert de gemeente in
                        het algemeen op de basisregistratie kadaster. De tot belastingplicht
                        leidende beperkte rechten zijn:</al><al>- appartementsrecht;</al><al>- erfpachtrecht;</al><al>- recht van opstal;</al><al>- recht van vruchtgebruik;</al><al>- recht van beklemming;</al><al>- recht van gebruik en bewoning;</al><al>- beperkt recht in de zin van artikel 5, derde lid, onderdeel b, van de
                        Belemmeringenwet privaatrecht.</al><al>De basisregistratie kadaster geeft in bijna alle gevallen uitsluitsel over
                        de vraag wie de genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
                        De gemeente heeft een keuzemogelijkheid indien er naast eigendom ook sprake
                        is van een afgeleid recht (bijvoorbeeld recht van vruchtgebruik). De
                        aanwijzing van een belastingplichtige vindt plaats op basis van
                        beleidsregels die door het college van burgemeester en wethouders of de
                        heffingsambtenaar zijn vastgesteld en bekendgemaakt. Als er meer
                        genothebbenden zijn die met betrekking tot één onroerende zaak in dezelfde
                        hoedanigheid verkeren (bijvoorbeeld in geval van mede-eigendom twee
                        eigenaren) geldt hetzelfde. De gemeente zal bij de keuze van de
                        belastingplichtige handelen volgens vastgestelde en bekendgemaakte
                        beleidsregels.</al><al/><al>De basisregistratie kadaster geeft in een beperkt aantal gevallen niet aan
                        wie de genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Op grond
                        van artikel 5:20 BW is de eigenaar van de grond ook eigenaar van alle
                        gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, tenzij de wet
                        anders bepaalt of als er sprake is van een bestanddeel van een andere
                        onroerende zaak.</al><al>Twee wettelijke uitzonderingen op artikel 5:20 BW staan in artikel 5.6 van
                        de Telecommunicatiewet (de aanbieder van een telecommunicatienetwerk is
                        eigenaar daarvan) en in artikel 3 van de Mijnbouwwet (de Staat is eigenaar
                        van de nog niet gewonnen delfstoffen). De uitzondering van het bestanddeel
                        van een andere onroerende zaak heet horizontale natrekking. Bijvoorbeeld als
                        een kelder onder de grond doorloopt over een ander perceel of als een garage
                        gedeeltelijk op een ander perceel staat (Hoge Raad 17 september 2004, nr.
                        3800, LJN: AR2307, Belastingblad 2004, blz. 1176 (Amsterdam)).</al><al/><al>Economische eigendom leidt meestal niet tot genot krachtens bezit. Iemand
                        heeft de economische eigendom van een zaak indien hij niet de juridische
                        eigenaar daarvan is, maar economisch wel belang heeft in die zin dat hij het
                        volle risico voor alle waardeveranderingen en voor het eventuele tenietgaan
                        van die zaak draagt. De juridisch eigenaar is echter genothebbende krachtens
                        eigendom, bezit of beperkt recht. De overdracht van de economische eigendom
                        belet niet dat de juridisch eigenaar in de heffing van de
                        onroerende-zaakbelastingen wordt betrokken omdat het objectieve karakter van
                        de onroerende-zaakbelastingen dat met zich meebrengt: door de eigenaar,
                        bezitter of beperkt gerechtigde vrijwillig aanvaarde beperkingen van zijn
                        genot staan niet in de weg aan zijn belastingplicht (Hoge Raad 29 november
                        1989, nr. 26308, BNB 1990/43, Belastingblad 1991, blz. 63 (Amsterdam)).</al><al/><al>Voorbeelden van economisch eigenaarschap zijn huurkoop, maar ook het
                        lidmaatschapsrecht van een coöperatieve flatvereniging kan worden gezien als
                        een vorm van economische eigendom van een flatwoning. In de praktijk bestaat
                        economisch eigendom wanneer een vennoot in een vennootschap onder firma of
                        een aandeelhouder van een NV of BV niet de juridische eigendom, maar alleen
                        het belang bij de onroerende zaak inbrengt. Een huurder of pachter kan
                        daarentegen niet als economisch eigenaar worden aangemerkt, omdat hij niet
                        het volle waarderisico loopt. Dit geldt ook in een bijzonder geval van
                        erfpacht, als een zeer hoge canon moet worden betaald. De erfpachter is ook
                        in dat geval nog de genothebbende. Onder genot wordt dan verstaan de aan het
                        erfpachtrecht ontleende bevoegdheid om de onroerende zaak te gebruiken
                        overeenkomstig de bepalingen van het erfpachtrecht (Hoge Raad 18 april 1990,
                        nr. 26 607, BNB 1991/197, Belastingblad 1990, blz. 419 (Ommen)).</al><al/><al>De eigenaar, bezitter of beperkt gerechtigde wordt in de belastingheffing
                        betrokken ongeacht de omvang van zijn genot. Alleen als de eigenaar
                        wederrechtelijk de eigendom is ontnomen, kan hij niet als genothebbende
                        krachtens eigendom, bezit of beperkt recht worden aangemerkt, tenzij die
                        ontneming van voorbijgaande aard is (Hoge Raad 10 maart 1982, nr. 20 860,
                        BNB 1982/115, Belastingblad 1982, blz. 148 (Dordrecht)). Het enkele
                        ingeschreven staan in de basisregistratie kadaster levert nog geen
                        belastingplicht op (Hoge Raad 4 juni 1986, nr. 23764, BNB 1986/240,
                        Belastingblad 1986, blz. 442 (Amsterdam)).</al><al/><al>Het genot kan ook voortvloeien uit een persoonlijk recht. Bijvoorbeeld voor
                        bij een huurafhankelijk recht van opstal. In dat geval worden twee objecten
                        en derhalve twee genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                        onderscheiden, te weten de eigenaar van de grond en de eigenaar van het
                        opstal. Bij een zelfstandig recht van opstal wordt slechts een genothebbende
                        krachtens eigendom, bezit of beperkt recht onderscheiden: de houder van het
                        recht van opstal. (zie Hoge Raad 7 maart 1979, nr. 20 860, BNB 1979/126
                        (Rotterdam); Hoge Raad 21 oktober 1992, nr. 28 641, BNB 1993/9,
                        Belastingblad 1992, blz. 840 (Tilburg) en Hoge Raad 14 september 1994, nr.
                        29 871, BNB 1994/322, Belastingblad 1994, blz. 627 en 727 (Rotterdam)).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 3 Belastingobject</label></kop><al>Eerste lid</al><al>De voorschriften voor de objectafbakening staan in artikel 16 van de Wet
                        WOZ. Daarom wordt voor de afbakening van het belastingobject (de onroerende
                        zaak) in de tekst van de verordening verwezen naar hoofdstuk III van de Wet
                        WOZ. Zie voor een uitgebreide toelichting op de objectafbakening ook de
                        toelichting op de uitvoering van de waardebepaling in de
                        Waarderingsinstructie van de Waarderingskamer. </al><al/><al><vet>Roerend of onroerend</vet></al><al>Alleen de onroerende zaken worden in de heffing betrokken. Wat onroerend is,
                        is bepaald in artikel 3:3 van het Burgerlijk Wetboek (BW):</al><al>- de grond,</al><al>- de nog niet gewonnen delfstoffen,</al><al>- de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die
                        duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door
                        vereniging met andere gebouwen of werken.</al><al>Roerend zijn alle zaken die niet onroerend zijn.</al><al/><al>De verschillende rechters toetsen daarbij niet alleen aan de technische
                        vereisten van een gebouw of werk maar ook aan de beoogde bestemming waarbij
                        wordt gekeken naar de bedoeling van de bouwer (of zijn opdrachtgever) zoals
                        die naar buiten kenbaar is (Hoge Raad 31 oktober 1997, nr. 16404, NJ
                        1998/97, Belastingblad 1998, blz. 252 (portocabine). In navolging van dit
                        arrest zijn onroerend:</al><al>- Weekendhuisjes (Hoge Raad 20 september 2000, nr. 34371, LJN: AA7147
                        (Maasbree), Belastingblad 2001, blz. 61 en Hoge Raad 7 juni 2002, nr. 36759,
                        LJN: AE3831 (Nunspeet));</al><al>- Drijvende steigers (Hoge Raad 20 september 2002, nr. 37128, LJN: AE7857
                        (Den Haag)).</al><al>Een woonark is roerend als deze niet duurzaam met de oever is verenigd,
                        aldus Hoge Raad 15 januari 2010, nr. 07/13305, LJN: BK9136. Een woonark is
                        in ieder geval niet duurzaam met de bodem verenigd als deze drijft.</al><al/><al><vet>Objectafbakening</vet></al><al>De Wet WOZ merkt als onroerende zaak aan:</al><al>a. een gebouwd eigendom;</al><al>b. een ongebouwd eigendom;</al><al>c. een zelfstandig gedeelte van een gebouwd eigendom of ongebouwd
                        eigendom;</al><al>d. een samenstel van een gebouwd eigendom, een ongebouwd eigendom of een
                        zelfstandig deel daarvan.</al><al>e. een als verblijfsrecreatie bestemd en geëxploiteerd geheel van twee of
                        meer gebouwde eigendommen, ongebouwde eigendommen of zelfstandige
                        gedeelten;</al><al>f. het binnen de gemeente gelegen deel van een gebouwd eigendom, een
                        ongebouwd eigendom, een zelfstandig gedeelte, een samenstel of een als
                        verblijfsrecreatie bestemd en geëxploiteerd geheel.</al><al/><al><vet>Gebouwd en ongebouwd eigendom</vet></al><al>Onder een gebouwd eigendom worden niet alleen constructies van min of meer
                        duurzame aard verstaan die dienen voor het bewaren van goederen of het
                        beschutten van personen of goederen tegen atmosferische invloeden. Uit de
                        jurisprudentie volgt dat ook installaties, open inrichtingen, locaties en
                        dergelijke bouwsels vallen onder het begrip gebouwd eigendom:</al><al>- Zwembad (Hoge Raad 7 maart 1979, nr. 19017, BNB 1979/125
                        (Rotterdam)),</al><al>- Aardgaslocatie (Hoge Raad 10 december 1980, nr. 19869, BNB 1981/45
                        (Denekamp)),</al><al>- Hoogspanningsmasten (Hoge Raad 16 april 1980, nr. 19727, BNB 1980/183
                        (Beverwijk)),</al><al>- Windmolens (Hoge Raad 23 februari 1994, nr. 28837, BNB 1994/135,
                        Belastingblad 1994, blz. 301 (Vlissingen) en Hoge Raad 23 februari 1994, nr.
                        29115, BNB 1994/136, Belastingblad 1994, blz. 299 (Franekeradeel)).</al><al>Een onroerende zaak die geen gebouwd eigendom is, is een ongebouwd eigendom.
                        Ook als aan de grond werkzaamheden zijn verricht of drainage is aangebracht,
                        is sprake van een ongebouwd eigendom:</al><al>- Tennisbaan (Hoge Raad 13 mei 1987, nr. 24454, BNB 1987/219, Belastingblad
                        1987, blz. 495),</al><al>Opstal in aanbouw (Hoge Raad 25 november 1998, nr. 33944, BNB 1999/19,
                        Belastingblad 2000, blz. 387 (Amsterdam).</al><al/><al><vet>Gedeelten</vet></al><al>Een gedeelte van een gebouwd of ongebouwd eigendom dat blijkens zijn
                        indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt is in
                        beginsel een afzonderlijk belastingobject. Het gaat daarbij om gedeelten die
                        elk nog als zelfstandige en onafhankelijke eenheid kunnen worden gebruikt
                        (bijvoorbeeld de woning in een flatgebouw). Gemeenschappelijke ruimten in
                        een gebouw worden niet aangemerkt als een zelfstandig gedeelte maar moeten
                        evenredig aan de overige zelfstandige gedeelten worden toegerekend. Dit
                        volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 1994, nr. 29859,
                        Belastingblad 1994, blz. 659 (Haren). Uit de jurisprudentie volgt dat van
                        een zelfstandig woongedeelte sprake is indien een gedeelte redelijk
                        afsluitbaar is en beschikt over een eigen keuken of kookgelegenheid, douche
                        en toiletruimte. Eventueel kunnen ook aansluitingen op nutsvoorzieningen,
                        telefoon en kabel een aanwijzing zijn. Zie onder meer Hoge Raad 9 september
                        1992, nr. 28352, BNB 1992/341, Belastingblad 1992, blz. 649 (Leiden), Hof
                        's-Hertogenbosch 9 oktober 1996, nr. 94/3506, Belastingblad 1998, blz. 348
                        en Hof Amsterdam 3 december 1999, nr. 98/1032, Belastingblad 2000, blz. 202
                        (Zaanstad). Van een redelijke afsluitbaarheid is sprake indien het gedeelte
                        feitelijk afsluitbaar is. Een deur waarop een slot ontbreekt is niet
                        afsluitbaar (Hoge Raad 12 februari 2010, LJN: BL3592). Het afsluitbaar maken
                        door het alsnog aanbrengen van een deurslot was in de casus van Hof Arnhem
                        17 februari 1999, nr. 98/1265, Belastingblad 2000, blz. 667, niet voldoende.
                        Een gedeelte van een kantoorgebouw is blijkens zijn indeling bestemd om als
                        een afzonderlijk geheel te worden gebruikt als zodanig gedeelte redelijk
                        afsluitbaar is en aldus kan worden gescheiden van de overige gedeelten van
                        het gebouw (Hoge Raad 16 december 1987, nr. 25015, BNB 1988/91,
                        Belastingblad 1988, blz. 121 (Amsterdam)). Voor een zelfstandig
                        kantoorgedeelte is het niet voldoende dat een kamer afsluitbaar is (Hoge
                        Raad 8 oktober 2004, nrs. 38443 en 38444, LJN:AR3500). Indien op een camping
                        sprake is van feitelijk afzonderlijk te onderscheiden percelen die aan
                        derden worden verhuurd om daarop stacaravans te plaatsen en deze tezamen met
                        het perceel gebruiken, is op grond van het arrest van de Hoge Raad van 28
                        september 2001, nr. 36224, LJN: AD3888 (Maarssen), sprake van zelfstandige
                        gedeelten.</al><al/><al><vet>Samenstel (complex)</vet></al><al>Kenmerkend voor samenstellen is dat de daartoe behorende eigendommen naar de
                        omstandigheden beoordeeld bij elkaar behoren en door een en dezelfde
                        (rechts)persoon worden gebruikt. Er zijn dus, naast het eigendom, twee
                        voorwaarden. Allereerst moeten de eigendommen naar de omstandigheden
                        beoordeeld bij elkaar behoren. Daarbij kan bijvoorbeeld de afstand tussen de
                        eigendommen een rol spelen. Vaak zal het ene eigendom een hulpfunctie
                        vervullen voor het andere eigendom. Bijvoorbeeld de garage die naast de
                        woning staat. Bij de bepaling of de eigendommen naar de omstandigheden bij
                        elkaar behoren moet ook aansluiting worden gezocht bij de maatschappelijke
                        opvatting. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 mei 2003, nr. 35987, LJN:
                        AD6058, bepaald dat 'bij de beantwoording van de vraag in hoeverre de door
                        belanghebbende in haar bedrijf aangewende (gedeelten van) eigendommen - die
                        onmiskenbaar een geografisch samenhangend geheel vormen – als een samenstel
                        moeten worden aangemerkt, beslissend is of dat bedrijf als één samenhangend
                        geheel moet worden beschouwd, waarbinnen alle (gedeelten van) eigendommen
                        voor één organisatorisch doel worden aangewend'. De tweede voorwaarde is dat
                        de eigendommen in gebruik zijn bij dezelfde persoon. Wanneer bijvoorbeeld de
                        bij een woonhuis behorende garage wordt gebruikt door een ander dan de
                        bewoner van het huis, dan vormen woonhuis en garage niet één
                        belastingobject. Woonhuis en garage zijn immers niet meer in gebruik bij
                        dezelfde persoon. Bedrijfsobjecten met een afzonderlijke bovenwoning kunnen
                        niet als één onroerende zaak worden aangemerkt. Zie onder meer Hoge Raad 18
                        januari 1984, nr. 22165, BNB 1984/100, Belastingblad 1984, blz. 99 (Loon op
                        Zand), Hof Amsterdam 18 september 1998, nr. 97/20861, Belastingblad 1999,
                        blz. 238 en Hof Amsterdam 3 december 1999, nr. 98/1032, Belastingblad 2000,
                        blz. 202 (Zaanstad).</al><al/><al><vet>Recreatieterrein</vet></al><al>Een recreatieterrein waarop standplaatsen voor stacaravans worden verhuurd
                        of andere vakantieonderkomens staan, wordt vanaf 1 januari 2005 voor de Wet
                        WOZ aangemerkt als één onroerende zaak. De wetgever heeft het ondoelmatig
                        geacht om van alle op recreatieterreinen gelegen onroerende
                        recreatiewoningen en stacaravans met de bijbehorende (onder)grond, de waarde
                        afzonderlijk te bepalen en vast te stellen en deze afzonderlijk in de
                        heffing te betrekken. Daarom geldt dat de afbakening als afzonderlijke
                        objecten achterwege blijft wanneer het gaat om een geheel van onroerende
                        zaken, zoals recreatiewoningen en stacaravans, dat bijeengenomen een terrein
                        vormt dat bestemd is voor verblijfsrecreatie en als zodanig wordt
                        geëxploiteerd. Anders gezegd: een recreatieterrein met de opstallen die niet
                        in privé-eigendom zijn, dat als geheel bestemd is en geëxploiteerd wordt
                        voor verblijfsrecreatie, wordt als één onroerende zaak aangemerkt.</al><al/><al><vet>Binnen de gemeentegrens</vet></al><al>Het binnen de gemeente gelegen deel is een afzonderlijk belastingobject dat
                        afzonderlijk in de heffing zal moeten worden betrokken. Een gebouw dat op de
                        gemeentegrens ligt, zal dus door twee (of meer) gemeenten moeten worden
                        aangeslagen.</al><al/><al><vet>Eigendomsgrens is grens object</vet></al><al>Alleen als van de samenstellende delen van een onroerende zaak de
                        genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht dezelfde is, is
                        sprake van één belastingobject. Dit betekent dat de eigendomsgrens de
                        uiterste grens van het object vormt. Dit volgt uit het arrest van de Hoge
                        Raad van 20 oktober 1993, nr. 29464, BNB 1993/ 349, Belastingblad 1994, blz.
                        174 (Amsterdam) en de uitspraak van Hof 's-Gravenhage van 14 juni 1995, nr.
                        93/3928, Belastingblad 1995, blz. 699 (Noordwijk).</al><al/><al><vet>Gevolgen verkeerde objectafbakening</vet></al><al>Oorspronkelijk kon een afbakeningsfout volgens de Hoge Raad in bezwaar of
                        beroep niet worden hersteld zodat de aanslag moest worden vernietigd (zie
                        o.a. Hoge Raad 8 juli 1992, nr. 28262, BNB 1992/311, Belastingblad 1992,
                        blz. 490 (Utrecht)). Een uitzondering gold indien een aanhorigheid niet in
                        aanmerking was genomen (zie o.a. Hoge Raad 21 januari 1981, nr. 20302, BNB
                        1981/100 (Maassluis)). In de arresten Hoge Raad 27 september 2002, nr.
                        34927, LJN: AE8146 (Rotterdam) en Hoge Raad 27 september 2002, nr. 34928,
                        LJN: AD5341 (Rotterdam) en Hoge Raad 9 november 2002, nr. 36941, LJN:
                        AF0074, Belastingblad 2002/1220 (Goedereede) komt de Hoge Raad voor te groot
                        afgebakende objecten echter terug op deze jurisprudentie omdat het gevolg
                        van een gemaakte afbakeningsfout (vernietiging van de gehele aanslag) vaak
                        niet in verhouding staat tot de ernst van de fout. Dit heeft de Hoge Raad
                        ertoe gebracht om de rechtspraak inzake een onjuiste objectafbakening voor
                        zowel de uitvoering van de onroerende-zaakbelastingen als de WOZ te herzien.
                        De nieuwe leer houdt in dat de objectafbakening in bezwaar of beroep door de
                        gemeente of de belastingrechter kan worden aangepast indien de
                        oorspronkelijke beschikking of de aanslag mede betrekking heeft op objecten
                        die in eigendom of gebruik zijn bij derden of geheel of gedeeltelijk op het
                        grondgebied van een andere gemeente zijn gelegen. De aanpassing dient
                        zodanig te geschieden dat de aanslag nog slechts betrekking heeft op één -
                        op de juiste wijze afgebakend - belastingobject. Daarbij dient zo nodig de
                        waarde van het object te worden verlaagd. Voor te klein afgebakende objecten
                        heeft de Hoge Raad de gevolgen geschetst in het arrest van 9 mei 2003, nr.
                        35987, LJN: AD6058. Het komt erop neer dat WOZ-beschikkingen en aanslagen
                        OZB (op grond van artikel 18a AWR) van te klein afgebakende objecten dienen
                        te worden vernietigd. Binnen de driejaarstermijn van artikel 11, lid 3 AWR
                        kunnen nieuwe aanslagen (eventueel tot behoud van rechten) worden opgelegd.
                        Dat is anders indien de driejaarstermijn is overschreden. Nieuwe
                        beschikkingen en navorderingsaanslagen (o.g.v. artikel 18a AWR) kunnen dan
                        worden verzonden en opgelegd binnen acht weken nadat de 'oude' beschikkingen
                        (onherroepelijk) zijn vernietigd (artikel 4:13, lid 3 Awb).</al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Dit lid geeft een definitie van het begrip woning overeenkomstig de bepaling
                        in de Gemeentewet (artikel 220a, lid 2). Een onroerende zaak dient tot
                        woning indien de vastgestelde WOZ-waarde in hoofdzaak kan worden toegerekend
                        aan delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
                        dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Het ‘in hoofdzaakcriterium’ wordt
                        uitgelegd als: 70% of meer. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 4 Maatstaf van heffing</label></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Met betrekking tot de term 'maatstaf van heffing' of 'heffingsmaatstaf'
                        dient te worden opgemerkt dat de eerste term wordt gebruikt in algemene zin
                        terwijl de tweede term in concrete zin wordt gebruikt (de concrete waarde
                        van een onroerende zaak). Daarom is in de aanhef van artikel 4 van de
                        verordening sprake van 'maatstaf van heffing' en in het vervolg van de
                        verordening steeds over 'heffingsmaatstaf'. Dit correspondeert met de
                        wettekst. De heffingsmaatstaf is de waarde van de onroerende zaak zoals deze
                        is vastgesteld op basis van de Wet WOZ. In het eerste lid is de tekst van
                        artikel 220c van de Gemeentewet overgenomen. Is de waarde middels een
                        WOZ-beschikking vastgesteld, dan kunnen de waardebepalende elementen in een
                        bezwaar- en/of beroepsprocedure tegen de aanslag niet meer aan de orde
                        komen. Anders: Hof Leeuwarden 29 november 2002, nr. BK 440/01, LJN: AF1496
                        dat in een beroepsprocedure de werktuigenvrijstelling in de beoordeling
                        betrok, ondanks het feit dat de WOZ-beschikking onherroepelijk
                        vaststond.</al><al/><al><vet>Eerste lid</vet></al><al><vet>Waarde in het economische verkeer</vet></al><al>Artikel 17 van de Wet WOZ geeft de regels voor de waardering. Uitgangspunt
                        daarbij is de waarde in het economische verkeer. Dat is de waarde die aan de
                        onroerende zaak kan worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom
                        van de onroerende zaak zou kunnen worden overgedragen (overdrachtsfictie) en
                        de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en
                        in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen (verkrijgingfictie). Bij de
                        waardebepaling wordt geen rekening gehouden met eventueel op de onroerende
                        zaak rustende lasten, zoals een antispeculatiebeding met kettingbeding.
                        Volgens de Hoge Raad dient bij de waardebepaling wel rekening te worden
                        gehouden met een zakelijke of daarmee gelijk te stellen verplichting die de
                        omvang van het genot van de zaak beperkt (Hoge Raad 25 november 1998, nr.
                        33212, LJN: AA2572, Belastingblad 1999, blz. 93 (Rotterdam)). Voor woningen
                        en rijksmonumenten is de waarde in het economische verkeer altijd van
                        toepassing. Voor niet-woningen daarentegen wordt de gecorrigeerde
                        vervangingswaarde genomen indien deze hoger is dan de waarde in het
                        economische verkeer.</al><al/><al><vet>Gecorrigeerde vervangingswaarde</vet></al><al>De overdrachts- en verkrijgingsfictie gelden ook voor de gecorrigeerde
                        vervangingswaarde (Hoge Raad 9 juli 1999, nr. 34377, LJN: AA2808,
                        Belastingblad 1999, blz. 622 (kettingbeding met recht van terugkoop)). De
                        gecorrigeerde vervangingswaarde wordt bepaald door de vervangingswaarde van
                        de onroerende zaak te verminderen met de afschrijving wegens technische en
                        functionele veroudering. De afschrijving wegens technische veroudering vindt
                        plaats op grond van de verwachte levensduur van het object en de restwaarde
                        die het object aan het einde van die levensduur zal hebben. De afschrijving
                        wegens functionele veroudering brengt de mate tot uitdrukking waarin nog
                        behoefte bestaat aan de onroerende zaak als gevolg van technische,
                        economische en maatschappelijke ontwikkelingen. Redenen voor een
                        afschrijving wegens functionele veroudering kunnen bijvoorbeeld gewijzigde
                        bouwtechnieken of bouwtechnische eisen zijn. Daarnaast kan ook worden
                        gedacht aan ondoelmatig ingerichte ruimten alsmede aan een tekort of
                        overschot aan ruimte. Ook economische veroudering als gevolg van algemene
                        conjuncturele ontwikkelingen en ontwikkelingen in de branche kunnen van
                        invloed zijn op de functionele veroudering. De omvang van de functionele
                        veroudering komt onder meer aan bod in het arrest van de Hoge Raad van 8
                        juli 1992, nr. 27678, BNB 1992/298, Belastingblad 1992, blz. 801 (Veendam).
                        In dit arrest concludeert de Hoge Raad dat bij onroerende zaken die in de
                        commerciële sfeer worden gebezigd, de gecorrigeerde vervangingswaarde niet
                        hoger wordt gesteld dan de bedrijfswaarde, oftewel de waarde die de
                        onroerende zaak in economische zin voor de huidige eigenaar
                        vertegenwoordigt. Zie ook de VNG-circulaire Circ. 92/196 -jurisprudentie
                        onroerendgoedbelastingen (18-09-1992). De bedrijfswaarde is niet van
                        toepassing op niet-commercieel gebezigde onroerende zaken, zoals
                        bijvoorbeeld een schoolgebouw (Hof Arnhem 18 januari 1994, nr. 931529,
                        Belastingblad 1994, blz. 397) en een kerk ( Hoge Raad 5 juni 1996, nr.
                        30314, BNB 1996/250, Belastingblad 1996, blz. 430 (Amsterdam)) of indien de
                        exploitatie vooral geschiedt om in het algemeen belang gelegen redenen (Hoge
                        Raad 7 februari 2001, nr. 34899 BNB 2001/112 (Leeuwarden). Advocaat-generaal
                        Moltmaker gaf in het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 1992, nr. 27678, BNB
                        1992/298 aan wanneer sprake is van niet-commerciële activiteiten: - de
                        activiteiten kunnen alleen door middel van subsidies worden gebezigd, of -
                        er wordt bij de activiteiten slechts gestreefd naar kostendekking. In de
                        situatie waarin alle aandelen in handen zijn bij de overheid en deze in het
                        algemeen belang handelt kan toch sprake zijn van toepassing van de
                        bedrijfswaarde, aldus de Hoge Raad 9 mei 2003, nr. 35987, LJN: AD6058
                        (Schiphol). De Hoge Raad herhaalt de punten die de A-G in BNB 1992/298 noemt
                        en constateert dat die situaties niet van toepassing zijn.</al><al/><al><vet>Wijzigingen na waardepeildatum</vet></al><al>De waarde van de onroerende zaak wordt vastgesteld naar de waarde die de
                        zaak heeft op de waardepeildatum en naar de staat waarin de zaak verkeert op
                        het tijdstip van de waardepeildatum. De waardepeildatum ligt één jaar vóór
                        het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt vastgesteld. Met wijzigingen
                        tussen deze waardepeildatum en het begin van het kalenderjaar wordt alleen
                        in bepaalde gevallen rekening gehouden. Deze gevallen zijn:</al><al>a. een onroerende zaak gaat op in een andere onroerende zaak dan wel in meer
                        onroerende zaken;</al><al>b. een onroerende zaak wijzigt als gevolg van hetzij bouw, verbouwing,
                        verbetering, afbraak of vernietiging, hetzij verandering van
                        bestemming;</al><al>c. een onroerende zaak ondergaat als gevolg van een andere, specifiek voorde
                        onroerende zaak geldende, omstandigheid een waardeverandering.</al><al/><al>Wijzigingen onder a betreffen de objectafbakening. Onder b gaat het om
                        wijzigingen van het object zelf. De wijzigingen onder c betreffen
                        wijzigingen aan het object zelf, maar ook omgevingsfactoren. De
                        waardeverandering wordt meegenomen vanaf het begin van het kalenderjaar
                        wanneer de bedoelde feiten of omstandigheid geheel of gedeeltelijk hun
                        beslag hebben gekregen.</al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Het tweede lid is een zogenaamde 'vangnetbepaling' en voorziet erin dat
                        indien voor een onroerende zaak onverhoopt geen WOZ-beschikking is
                        vastgesteld, toch een aanslag kan worden opgelegd. De memorie van
                        toelichting noemt als voorbeeld het geval dat een WOZ-beschikking door de
                        rechter is vernietigd vanwege een fout in de objectafbakening. Als de
                        WOZ-beschikking wel is vastgesteld, maar niet is bekend gemaakt, dan is de
                        vangnetbepaling niet van toepassing, maar de gewone hoofdregel van het
                        eerste lid van dit artikel (Hoge Raad 13 mei 2005, nr. 39569, LJN:
                        AR6816).</al><al>De waardebepaling geschiedt in het kader van de vangnetbepaling zoveel
                        mogelijk op gelijke wijze als voor de andere onroerende zaken, waarvoor wel
                        een WOZ-beschikking is vastgesteld. In de memorie van toelichting wordt
                        opgemerkt dat de waardevaststelling in deze gevallen alleen voor het
                        betreffende kalenderjaar geldt. Zolang er geen WOZ-beschikking is, dient de
                        waardevaststelling (door het opleggen van de aanslag
                        Onroerende-zaakbelastingen) dus voor elk kalenderjaar plaats te vinden. Voor
                        de tekst van de vangnetbepaling is aangesloten bij de tekst van artikel
                        220d, vierde lid, van de Gemeentewet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5 Vrijstellingen</label></kop><al><vet>Algemeen</vet></al><al>De verplichte vrijstellingen zijn opgenomen in artikel 220d van de
                        Gemeentewet. Op grond van jurisprudentie heeft de wetgever bij de Wet
                        materiële belastingbepalingen de opzet van de vrijstellingen gewijzigd. Een
                        object als zodanig wordt niet vrijgesteld maar de waarde van (een gedeelte)
                        van een object wordt buiten aanmerking gelaten. Dit maakt het mogelijk dat
                        een onroerende zaak gedeeltelijk wordt belast en gedeeltelijk wordt
                        vrijgesteld. De vrijstellingen zijn dus eigenlijk geen echte vrijstellingen
                        maar vormen een onderdeel van de maatstaf van heffing. Immers, bij het
                        bepalen van de maatstaf van heffing wordt (een gedeelte van) de waarde
                        buiten aanmerking gelaten. Met nadruk wordt erop gewezen dat een
                        vrijstelling voor de onroerende-zaakbelastingen niet inhoudt dat ook de
                        waardering achterwege kan blijven. In het kader van de Wet WOZ kan de
                        waardering (niet de gegevensverzameling) van een onroerende zaak alleen
                        achterwege blijven indien op grond van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde
                        objecten Wet WOZ de gehele waarde buiten aanmerking kan worden gelaten. In
                        beginsel zijn de vrijstellingen die in de Uitvoeringsregeling staan in de op
                        de beschikking vastgestelde WOZ-waarde meegenomen. De waarde van de volgende
                        objecten (of objectonderdelen) wordt bij het vaststellen van de
                        WOZ-beschikking vrijgesteld:</al><al>- bedrijfsmatige geëxploiteerde cultuurgrond;</al><al>- Natuurschoonwetlandgoederen;</al><al>- natuurterreinen beheerd door rechtspersonen die zich uitsluitend of
                        nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurterreinen ten doel stellen;</al><al>- openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail;</al><al>- werktuigen die zonder schade van betekenis kunnen worden afgescheiden van
                        de onroerende zaak en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan
                        te merken;</al><al>- waterverdedigingswerken en waterbeheersingwerken in beheer bij organen en
                        dergelijke van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van
                        woningen;</al><al>- kerken en andere onroerende zaken die in hoofdzaak bestemd zijn voor de
                        openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten
                        van levensbeschouwelijke aard, met uitzondering van woningen;</al><al>- rioolzuiverings- en afvalwaterwerken in beheer bij organen en dergelijke
                        van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van woningen.</al><al/><al>Alle overige objecten moeten worden gewaardeerd ook al zijn zij voor de
                        Onroerende-zaakbelastingen (wettelijk of facultatief) vrijgesteld. De enige
                        wettelijke vrijstelling is sinds 1 januari 2005 de kassenvrijstelling. Vanaf
                        1 januari 2007 is ook de vrijstelling voor woondelen bij niet-woningen
                        verplicht. De uitwerking hiervan is te vinden in het derde lid. De
                        (gedeelten van) objecten zijn vrijgesteld voor de onroerende
                        zaakbelastingen, maar worden niet als uitgezonderd object voor de waardering
                        beschouwd (zie artikel 220d, eerste lid, onderdeel b in vergelijking tot
                        artikel 2 van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering
                        onroerende zaken). Indien de WOZ-waarde onherroepelijk vaststaat is het niet
                        meer mogelijk om de waardebepalende elementen, waaronder de al dan niet
                        toegepaste vrijstellingen, die in de Uitvoeringsregeling uitgezonderde
                        objecten staan, bij bezwaar of beroep tegen de aanslag
                        onroerende-zaakbelastingen ter discussie te stellen. Zie echter Hof
                        Leeuwarden 20 december 2002, nr. 440/01, LJN: AF1496 waarin de
                        werktuigenvrijstelling in beroep onderdeel uitmaakt van de procedure ondanks
                        dat de WOZ-beschikking vaststaat. De uitspraak lijkt in strijd met de
                        bedoeling van de wetgever.</al><al/><al><vet>Eerste lid, onderdeel a</vet></al><al>Ingevolge artikel 220d, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet is
                        vrijgesteld de ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig
                        geëxploiteerde cultuurgrond. Men spreekt hier wel van de
                        'cultuurgrondvrijstelling'. Of er sprake is van landbouw moet sinds 1
                        september 2007 worden beoordeeld aan de hand van artikel 312 van Boek 7 van
                        het Burgerlijk Wetboek. Zie artikel 220d, tweede lid, van de Gemeentewet. In
                        zijn uitspraak van 24 mei 2000 heeft Hof Amsterdam bepaald dat
                        volkstuinverenigingen niet in aanmerking komen voor de
                        cultuurgrondvrijstelling (Hof Amsterdam 24 mei 2000, nr. 99/2643). In het
                        arrest van 9 mei 2003, nr 35987, AD6058 (Schiphol) heeft de Hoge Raad
                        bepaald dat 'set-aside'-gronden onder de cultuurvrijstelling vallen. De
                        vrijstelling is ruimer dan de vrijstelling voor de Wet WOZ, omdat ook de
                        ondergrond van glasopstanden is vrijgesteld. De glasopstanden zelf zijn op
                        grond van onderdeel b vrijgesteld.</al><al/><al><vet>Eerste lid, onderdeel b</vet></al><al>Op grond van artikel 220d, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet zijn
                        glasopstanden vrijgesteld waarvan de ondergrond bestaat uit vrijgestelde
                        cultuurgrond. Het gaat hier om de 'kassenvrijstelling'. Zie onder andere Hof
                        's-Gravenhage 9 september 1980, NR. 36/80, BNB 1982/25, Belastingblad 1982,
                        blz. 69 (Naaldwijk), Hof 's-Gravenhage 26 oktober 1983, nr. 49/83,
                        Belastingblad 1985, blz. 125 (Goes) en Hof 's-Hertogenbosch 21 november
                        1996, nr. 94/3124, Belastingblad 1997, blz. 119 (Aalburg).</al><al/><al><vet>Eerste lid, onderdeel c</vet></al><al>In onderdeel c is de kerkenvrijstelling geregeld, waarin twee categorieën
                        onroerende zaken zijn opgenomen, te weten: </al><al>- onroerende zaken die in hoofdzaak bestemd voor de openbare eredienst;</al><al>- onroerende zaken die in hoofdzaak bestemd zijn voor bezinningssamenkomsten
                        van levensbeschouwelijke aard, waarbij het niet vereist is dat het
                        bijeenkomsten betreft van genootschappen die rechtspersoon met volledige
                        rechtsbevoegdheid zijn.</al><al/><al>De onroerende zaak moet 'in hoofdzaak bestemd' zijn voor de omschreven
                        activiteiten. Sinds het arrest van de Hoge Raad van 4 december 1991, nr. 27
                        661, BNB 1992/47, Belastingblad 1992, blz. 73 (Vlaardingen) geldt dat ten
                        minste 70% van de inhoud van de onroerende zaak aan de omschreven
                        activiteiten moet kunnen worden toegerekend. De vrijstelling geldt niet voor
                        het onzelfstandige gedeelte van de onroerende zaak dat dient als woning
                        (bijvoorbeeld de inpandige, niet zelfstandige kosterswoning).</al><al/><al><vet>Eerste lid, onderdeel d</vet></al><al>Ingevolge artikel 220d, eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet is
                        vrijgesteld de onroerende zaak die deel uitmaakt van een op de voet van de
                        Natuurschoonwet 1928 (Stb. 1989, 252) aangewezen landgoed met uitzondering
                        van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen. Deze formulering heeft tot
                        gevolg dat een ongebouwd gedeelte (bijvoorbeeld het erf) wel onder de
                        vrijstelling valt.</al><al>De werking van de Natuurschoonwet 1928 is per 1 juni 2007 verruimd, maar die
                        verruiming geldt niet voor de Wet WOZ en de Gemeentewet. Daarvoor blijven
                        dezelfde voorwaarden gelden als voorheen: ten minste 30 percent van de
                        oppervlakte van het landgoed is bezet met houtopstanden; of de oppervlakte
                        van het landgoed is voor ten minste 20 percent met houtopstanden bezet
                        waarbij de oppervlakte voorts voor ten minste 50 percent bestaat uit
                        natuurterreinen (artikel 8 Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928). Voor
                        de Wet WOZ en de Gemeentewet moet die engere toets aan de voorwaarden alsnog
                        plaatsvinden.</al><al/><al><vet>Eerste lid, onderdeel e</vet></al><al>De vrijstelling voor natuurterreinen staat in artikel 220d, eerste lid,
                        onderdeel e, van de Gemeentewet. Meestal zal het bij natuurterreinen gaan om
                        gronden die niet of nauwelijks in cultuur zijn gebracht. Dit in
                        tegenstelling tot cultuurgronden die voor land-, tuin- en bosbouw worden
                        gebruikt. Enige grondbewerking in verband met de instandhouding van het
                        natuurterrein hoeft daarbij het karakter van het natuurterrein niet aan te
                        tasten. Het gebruik van de zinsnede 'waaronder mede worden verstaan' houdt
                        in dat ook andere terreinen als natuurterrein zijn aan te merken. Daarbij
                        kan bijvoorbeeld worden gedacht aan bossen, vennen, kwelders, rietlanden,
                        wad of grotten. Alleen de natuurterreinen in beheer bij rechtspersonen die
                        het behoud van natuurschoon voor 90% of meer als taak hebben, zijn
                        vrijgesteld. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan Vereniging voor
                        Natuurmonumenten of Stichtingen voor provinciale landschappen. De overheid
                        is niet aan te merken als een rechtspersoon die natuurbehoud als primaire
                        taak heeft (Hof Leeuwarden 20 februari 1981, nr. 545/78, Belastingblad 1986,
                        blz. 373 (Ulrum). Overigens hoeft de eigenaar van het natuurterrein het
                        natuurbehoud niet als primaire taak te hebben. Zo zal een natuurterrein dat
                        eigendom is van het rijk maar wordt beheerd door bijvoorbeeld
                        Natuurmonumenten ook in aanmerking komen voor de vrijstelling (eigenaar en
                        gebruik).</al><al/><al><vet>Eerste lid, onderdeel f</vet></al><al>De vrijstelling van openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar
                        vervoer per rail staat in artikel 220d, eerste lid, onderdeel f, van de
                        Gemeentewet. Voor het begrip 'openbare (land)weg' in de zin van de
                        vrijstelling moet aansluiting worden gezocht bij de Wegenwet (Hoge Raad 21
                        september 2001, nr. 35.502, LJN: AD3522 (Alkmaar). Tot de wegen behoren ook
                        voetpaden, rijwielpaden, molenwegen en kerkwegen en bruggen (artikel 2 van
                        de Wegenwet). Op grond van artikel 4 van de Wegenwet wordt een weg openbaar
                        indien de rechthebbende de weg bestemd tot openbare weg door daaraan die
                        bestemming te geven met noodzakelijke medewerking van de gemeenteraad.
                        Daarnaast wordt een weg openbaar indien een gemeente, waterschap, provincie
                        of het Rijk een weg bestemd tot openbare weg (artikel 5 van de Wegenwet).
                        Start- en landingsbanen vallen niet onder deze vrijstelling (Hoge Raad 9 mei
                        2003, nr. 35987, LJN: AD6058).</al><al>Onder banen voor openbaar vervoer per rail worden verstaan de spoorbanen
                        zelf en de bestanddelen daarvan in de zin van artikel 3:4 van het BW alsmede
                        al hetgeen nodig is om die banen te kunnen laten functioneren, dat wil
                        zeggen dat het naar de heden ten dage aan het openbaar railvervoer te
                        stellen eisen het mogelijk moet zijn om over de banen op een goede en
                        veilige manier voertuigen te laten rijden. De spoorbaan zelf, de beveiliging
                        en de verkeersleidinggebouwen zijn vrijgesteld, maar perrons en
                        stationsgebouwen zijn belast (Hoge Raad 21 september 2001, nr. 35.502, LJN:
                        AD 3522 (Alkmaar). Het begrip 'kunstwerk' dient overeenkomstig het
                        spraakgebruik worden uitgelegd. Hieronder vallen onder andere viaducten,
                        aquaducten, bruggen, tunnels en sluizen. Daarbij geldt dat alleen die
                        kunstwerken zijn vrijgesteld die zodanig met openbare land- of waterwegen,
                        dan wel spoorbanen zijn verbonden dat het kunstwerk aan het verkeer over die
                        wegen of banen dienstbaar is en mitsdien nodig is om die wegen of banen als
                        zodanig te kunnen laten functioneren. (Hoge Raad 21 september 2001, nr.
                        35.502, LJN: AD 3522 (Alkmaar). Inzake een ontvangst- en toegangsgebouw voor
                        een veerdienst bevestigde de Hoge Raad de hofuitspraak dat deze onderdeel
                        uitmaakt van de aanleginrichting die als vrijgesteld kunstwerk tussen twee
                        openbare landwegen is aan te merken omdat het kunstwerk zodanig met de
                        openbare land- dan wel waterwegen is verbonden dat het aan het verkeer over
                        die wegen dienstbaar is, en daardoor nodig is om die wegen als zodanig te
                        kunnen laten functioneren. ( Hoge Raad 2 november 2001, nr. 36565, LJN:
                        AD5041). Daarentegen is een vuurtoren geen vrijgesteld kunstwerk (Hof
                        's-Gravenhage 23 augustus 2000, nr. 99/30954, Belastingblad 2001, blz. 935).
                        Een remise is niet te beschouwen als een trambaan en valt derhalve niet
                        onder de railwegvrijstelling (Hoge Raad 25 september 1996, nr. 31 004,
                        Belastingblad 1996/ blz. 798 (Den Haag)).</al><al/><al><vet>Eerste lid, onderdeel g</vet></al><al>De vrijstelling voor waterverdediging- en waterbeheersingwerken is niet van
                        toepassing op de delen die dienen tot woning. De waarde van de woning dient
                        derhalve in de heffing te worden betrokken.</al><al/><al><vet>Eerste lid, onderdeel h</vet></al><al>Ook de vrijstelling voor rioolwaterzuiveringsinstallaties ziet niet op de
                        delen die dienen tot woning zodat deze woningen niet onder de vrijstelling
                        vallen. De vrijstelling beperkt zich niet alleen tot installaties die zijn
                        gericht op de feitelijke waterzuivering (in biologische zin) of de scheiding
                        van het biologisch gezuiverde water van het slib. Ook andere onroerende
                        zaken die een niet weg te denken functie hebben in het
                        afvalwaterzuiveringprocedé vallen onder deze vrijstelling (Hof 's-Gravenhage
                        22 mei 1996, nr. 94/2474, Belastingblad 1996, blz. 758 (Rotterdam). In
                        dezelfde procedure concludeerde het Hof tevens dat ook sprake is van een
                        orgaan, instelling of dienst van een publiekrechtelijke rechtspersoon indien
                        de activiteiten plaatsvinden in een vennootschap waarvan uitsluitend
                        overheden aandeelhouder zijn. De vrijstelling vereist dat de installatie in
                        beheer is bij een publiekrechtelijke rechtspersoon. Ten aanzien van een
                        rioolzuiveringsinstallatie van een stichting die wel in de heffing werd
                        betrokken, concludeerde Hof 's-Gravenhage dat er sprake is van schending van
                        het gelijkheidsbeginsel maar in de cassatieprocedure concludeerde de Hoge
                        Raad dat het gelijkheidsbeginsel niet was geschonden (arrest van 9 mei 2003,
                        nr. 37517, LJN: AE7337).</al><al/><al><vet>Eerste lid, onderdeel i</vet></al><al>De werktuigenvrijstelling is van toepassing op onroerende werktuigen welke
                        verwijderd kunnen worden met behoud van hun waarde als zodanig en niet op
                        zichzelf bezien als gebouwde eigendommen zijn aan te merken. Zie onder
                        andere Hoge Raad 16 april 1980, nr. 19 727, BNB 1980/183 (Beverwijk), Hoge
                        Raad 17 juni 1992, nr. 27 639, BNB 1992/296, Belastingblad 1992, blz. 577
                        (Venlo), Hof Arnhem 10 januari 1995, nr. 940837, Belastingblad 1995, blz.
                        382 (windmolen), Hof Arnhem 28 april 1995, nr. 922262, Belastingblad 1995,
                        blz. 443 (Nijmegen) en Hof Leeuwarden 7 april 1995, nr. 900/92,
                        Belastingblad 1995, blz. 523 (Leeuwarden), Hoge Raad 30 juni 1999, nr. 34
                        134, BNB 1999/298, Belastingblad 1999, blz. 688 (Asfaltmenginstallatie) en
                        Hoge Raad 7 juni 2000, nr. 34 985, BNB 2000/230, Belastingblad 2000, blz.
                        723 (Franekeradeel). In deze laatste twee arresten introduceert de Hoge Raad
                        het criterium van de uiterlijke herkenbaarheid. Daar de
                        verwijzingsuitspraken in deze zaken sterk feitelijk zijn, is het in de
                        praktijk nog onduidelijk wat er precies met dit criterium wordt bedoeld. Zie
                        voor de verwijzingsuitspraak inzake de asfaltmenginstallatie Hof
                        's-Gravenhage 22 februari 2001, nr. 99/01787 en inzake de windmolens Hof
                        Arnhem 18 december 2000, nr. 00/1107, Belastingblad 2001, blz. 416
                        (Franekeradeel). Van een werktuig is geen sprake indien een bestanddeel in
                        hoofdzaak dienstbaar is aan het gebouw in die zin dat het bestanddeel het
                        gebouw beter geschikt maakt voor gebruik. Zie Hoge Raad 2 maart 1994, nr. 29
                        559, BNB 1994/113, Belastingblad 1994, blz. 303 (Leeuwarden).</al><al/><al><vet>Eerste lid, onderdelen j t/m m</vet></al><al>In de onderdelen j tot en met m zijn facultatieve vrijstellingen opgenomen.
                        De systematiek van de facultatieve vrijstellingen sluit aan bij de
                        systematiek voor de wettelijke vrijstellingen (zie hiervoor). In het
                        verleden werden deze vrijstellingen opgenomen om waardering van deze
                        objecten achterwege te kunnen laten. Nu deze objecten niet zijn vrijgesteld
                        van waardering in het kader van de Wet WOZ, is dit argument komen te
                        vervallen. De vrijstelling in onderdeel j is vanaf de inwerkingtreding van
                        de Politiewet (1 april 1994) niet meer van toepassing op politiebureaus.
                        Door de regionalisering van de politie wordt een politiebureau namelijk niet
                        meer gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente. De in onderdeel m
                        opgenomen vrijstelling geldt niet voor de delen van begraafplaatsen,
                        urnentuinen en crematoria die dienen als woning. Hiermee is aansluiting
                        gezocht bij enkele wettelijke vrijstellingen die ook de woning van de
                        vrijstelling uitzonderen.</al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Dit lid bevat een uitzondering op de in het eerste lid, onderdeel j,
                        opgenomen vrijstelling. De vrijstelling voor onroerende zaken die bestemd
                        zijn voor de publieke dienst geldt niet voor de eigenarenbelasting, indien
                        die onroerende zaken geen eigendom van de gemeente zijn.</al><al/><al><vet>Sportvelden</vet></al><al>In de huidige verordening zijn vrijstellingen voor sportvelden niet
                        opgenomen. Het opnemen van een dergelijke vrijstelling brengt, door de
                        werking van het gelijkheidsbeginsel bij een objectieve heffing als de
                        onroerende-zaakbelastingen, het risico met zich dat op grond van het
                        gelijkheidsbeginsel een bredere categorie objecten (onbedoeld) in de
                        vrijstelling deelt. Een dergelijke vrijstelling strookt daarnaast niet met
                        het uitgangspunt van een zo breed mogelijke lastenverdeling. Ten slotte
                        voorkomt deze vrijstelling niet dat de betreffende onroerende zaken toch
                        moeten worden gewaardeerd in het kader van de Wet WOZ.</al><al/><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Als de waarde van de woningdelen van een onroerende zaak minder dan 70%
                        uitmaakt van de totale waarde van die onroerende zaak, is sprake van een
                        niet-woning voor de OZB. Deze onroerende zaken, zoals boerderijen en
                        verzorgingstehuizen, worden dus naar het tarief voor niet-woningen
                        aangeslagen en zouden zonder nadere regeling niet profiteren van de
                        afschaffing van de gebruikersbelasting op woningen per 1 januari 2006. Door
                        aanvaarding van een amendement De Pater is een regeling getroffen voor deze
                        niet-woningen: het woongedeelte wordt vrijgesteld voor de
                        gebruikersbelasting niet-woningen.</al><al>Vanaf 2007 wordt de waarde van het woongedeelte buiten de heffingsmaatstaf
                        voor de gebruikersbelasting niet-woningen gelaten. Dit geldt ook voor
                        gedeelten van de niet-woning die dienstbaar zijn aan woondoeleinden. In de
                        regeling vanaf 2007 wordt de vermindering dus al in het aanslagbedrag van de
                        gebruikersbelastingen niet-woningen verdisconteerd. Tegen een onjuiste
                        toepassing van de vermindering kan dan bezwaar worden gemaakt in het
                        bezwaarschrift tegen de aanslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 6 Belastingtarieven</label></kop><al>Met ingang van 1 januari 2008 zijn de limieten voor tarieven en
                        tariefstijgingen afgeschaft (Wet van 7 december 2007, Stb. 570. Kamerstukken
                        31133). Gemeenten zijn vrij in het vaststellen van drie tarieven: een
                        eigenarentarief en een gebruikerstarief voor niet-woningen en een
                        eigenarentarief voor woningen. Daarbij gelden geen absolute of relatieve
                        limieten. Wel is ter voorkoming van een onevenredige stijging van de
                        collectieve lastendruk een macronorm afgesproken (zie hieronder). Met ingang
                        van 1 januari 2009 worden de tarieven naar een percentage van de waarde
                        berekend (Stb. 2008, 262).</al><al>Artikel 220h, tweede lid, van de Gemeentewet geeft de mogelijkheid in de
                        belastingverordening te regelen dat belastingbedragen tot maximaal € 10 niet
                        ingevorderd behoeven te worden. De gemeente heeft de keuze dit bedrag te
                        hanteren per belastingaanslag of voor alle op één aanslagbiljet verenigde
                        belastingaanslagen. Met de tweede volzin wordt bereikt dat het totaal van de
                        op één aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen als één belastingaanslag
                        wordt aangemerkt. De mogelijkheid hiertoe staat in artikel 220h, tweede lid,
                        van de Gemeentewet. Het totaalbedrag van de op het aanslagbiljet verzamelde
                        belastingaanslagen wordt dan getoetst aan het bedrag zoals dat in het lid is
                        opgenomen.</al><al/><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>De tarieven worden met ingang van 1 januari 2009 berekend naar een
                        percentage van de waarde van de onroerende zaak. Voor elke afzonderlijke
                        belasting kan een apart percentage worden vastgesteld dat volgens artikel
                        220f van de Gemeentewet wel gelijkelijk moet zijn. Vaststellen van een
                        degressief of progressief tarief is niet mogelijk. </al><al><vet>Macronorm</vet> De regering heeft met de VNG afgesproken dat gemeenten
                        zich collectief houden aan een macronorm, dat wil zeggen dat de stijging van
                        de totale, landelijke OZB-opbrengsten niet boven een bepaalde limiet mogen
                        uitgaan. Dat heeft echter geen gevolgen voor de vaststelling van de tarieven
                        van een individuele gemeente. De macronorm is een bestuurlijke norm. Bij
                        overschrijding van de norm vindt er een bespreking plaats tussen Rijk en
                        gemeenten in het bestuurlijk overleg Financiële Verhoudingen in de maand
                        april. Het Rijk kan uiteindelijk als machtsmiddel de hoogte van de uitkering
                        uit het gemeentefonds gebruiken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 7 Wijze van heffing</label></kop><al>Ingevolge artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke belastingen
                        worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening op aangifte of
                        op andere wijze. In de verordening is gekozen voor de heffing bij wege van
                        aanslag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8 Termijnen van betaling</label></kop><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>Er bestaat een wettelijke regeling omtrent de betaaltermijnen. Deze is
                        opgenomen in artikel 9 van de Invorderingswet 1990. Op grond van artikel 250
                        van de Gemeentewet kan hiervan in de belastingverordening worden afgeweken.
                        In het eerste lid van artikel 10 is aangegeven dat er is afgeweken van de
                        wettelijke betalingstermijn.</al><al/><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>In dit lid wordt de mogelijkheid geboden om de belasting door middel van
                        automatische incasso te voldoen. Indien van deze mogelijkheid gebruik wordt
                        gemaakt gelden andere betaaltermijnen.</al><al/><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Met betrekking tot de bij het vaststellen van een belastingaanslag op te
                        leggen boete zijn de betaaltermijnen gelijk aan die voor de
                        belastingaanslag, ook indien in de belastingverordening van artikel 9 van de
                        Invorderingswet 1990 afwijkende betaaltermijnen zijn opgenomen. Dit volgt
                        uit artikel 9, derde lid, van de Invorderingswet 1990. Het is dus niet nodig
                        om in de belastingverordening betaaltermijnen voor bestuurlijke boeten op te
                        nemen.</al><al/><al><cursief>Vierde lid</cursief></al><al>De Algemene termijnenwet (ATW) is van toepassing op in een wet gestelde
                        termijnen (artikel 1). Hiermee wordt een wet in formele zin bedoeld. Artikel
                        9, tiende lid, van de Invorderingswet 1990 bepaalt echter dat de ATW niet
                        van toepassing is op de in de leden 1 tot en met 9 gestelde termijnen.
                        Indien gemeenten afwijkende termijnen in de belastingverordening hebben
                        opgenomen en dus artikel 9, tiende lid, van de Invorderingswet 1990 niet
                        geldt, is voor de betaling van de definitieve aanslag de ATW wel van
                        toepassing.</al><al>Dit volgt ook uit artikel 145 van de Gemeentewet, waarin is bepaald dat de
                        ATW van toepassing is op in een verordening gestelde termijnen, tenzij in de
                        verordening anders is bepaald.</al><al>Indien voor de betaling van aanslagen een regeling is getroffen in de
                        belastingverordening en voor voorlopige aanslagen, navorderingsaanslagen of
                        naheffingsaanslagen niet, betekent dit dat voor de laatste drie genoemde
                        aanslagen artikel 9 van de Invorderingswet 1990 geldt. In dat geval is de
                        ATW wel van toepassing op de betaaltermijnen voor aanslagen en niet van
                        toepassing op de betaaltermijnen voor voorlopige aanslagen,
                        navorderingsaanslagen en naheffingsaanslagen. Teneinde te voorkomen dat voor
                        de verschillende belastingaanslagen een verschillend juridisch regime geldt,
                        is in artikel 10 vierde lid, overeenkomstig artikel 9, tiende lid, van de
                        Invorderingswet – de ATW buiten toepassing verklaard.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 9 Nadere regels door het college</label></kop><al>Op grond van artikel 231 van de Gemeentewet zijn bij de heffing en de
                        invordering van gemeentelijke belastingen onder meer de Algemene wet inzake
                        rijksbelastingen (AWR) en de Invorderingswet 1990 van toepassing. De
                        heffingsbevoegdheden komen toe aan de daartoe aangewezen heffingsambtenaar
                        en de invorderingsbevoegdheden aan de daartoe aangewezen
                        invorderingsambtenaar. De AWR en de Invorderingswet 1990 kennen ook
                        bepalingen op grond waarvan de minister van Financiën de bevoegdheid wordt
                        toegekend nadere regels te geven over bepaalde heffings- en
                        invorderingsaangelegenheden. Voor de gemeentelijke belastingen komt die
                        bevoegdheid op grond van artikel 231 toe aan het college. Verder is het
                        college als bestuursverantwoordelijke voor de heffings- en
                        invorderingsambtenaar bevoegd om beleidsregels vast te stellen (artikel 4:81
                        Algemene wet bestuursrecht, hierna Awb). Op grond van artikel 160, eerste
                        lid, onderdeel b, van de Gemeentewet is het college eveneens bevoegd
                        beslissingen van de raad (lees: belastingverordeningen) uit te voeren. Met
                        het oog hierop kan het college over uitvoeringsaangelegenheden regels
                        stellen. Te denken valt hierbij aan het vaststellen van de modellen voor het
                        formulier van de onderscheiden aangiftebiljetten.</al><al>Met de inwerkingtreding van de derde tranche Awb op 1 januari 1998 is een
                        aantal bevoegdheden van de raad op belastinggebied overgegaan op het
                        college. In verband hiermee is in elke belastingverordening een bepaling
                        opgenomen dat het college nadere regels kan geven met betrekking tot de
                        heffing en invordering van de betreffende belasting. Op deze wijze is het
                        voor de belastingplichtigen duidelijk dat er nog nadere regels kunnen
                        gelden. In de (uitvoerings)regeling gemeentelijke belastingen is een en
                        ander uitgewerkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 11 Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel</label></kop><al><vet>Overgangsrecht</vet></al><al/><al>Als een verordening wordt gewijzigd of een vervangende verordening wordt
                        vastgesteld, verdient het aanbeveling eerbiedigende werking aan de oude
                        verordening te geven. Dit houdt in dat de verordening die wordt ingetrokken,
                        van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich vóór de datum van
                        ingang van de heffing van de nieuwe verordening hebben voorgedaan. Voor die
                        belastbare feiten blijft heffing dus mogelijk op basis van de oude
                        verordening, ook al is die verordening ingetrokken. Een eventuele opgenomen
                        zinsnede ‘laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van &lt;datum&gt;’ is
                        opgenomen als het vaststellen van een ‘basis’ belastingverordening is
                        gevolgd door wijzigingsverordeningen. In dat geval moet worden verwezen naar
                        de laatst vastgestelde wijziging. </al><al/><al>Opgemerkt wordt dat er geen sprake is van het overdragen aan het college van
                        burgemeester en wethouders van de bevoegdheid tot het vaststellen van de
                        belastingverordening of de wijziging daarvan op grond van
                            <onderstreept>artikel 156, tweede lid, aanhef en onderdeel h, van de
                            Gemeentewet.</onderstreept></al><al/><al><vet>Inwerkingtreding</vet></al><al/><al>Op grond van <onderstreept>artikel 139 van de Gemeentewet
                        </onderstreept>moeten gemeenten de besluiten tot het vaststellen, wijzigen
                        of intrekken van belastingverordeningen bekend maken. Het niet voldoen aan
                        de bekendmakingsplicht leidt tot onverbindendheid van de
                        belastingverordening (HR 31 maart 1993, nr. 28.034, BNB 1993/182,
                        Belastingblad 1993, blz. 274; Hoge Raad 10 augustus 1998, nr. 33.632, LJN:
                        AA2624). Een belastingverordening treedt dus pas in werking na haar
                        bekendmaking (afgezien van terugwerkende kracht in bijzondere gevallen). In
                        de verordening is de inwerkingtreding bepaald op de eerste dag na die van de
                        bekendmaking. Er is afgezien van het noemen van een concrete datum. Voor de
                        gevallen dat de verordening onverhoopt niet zelf in haar inwerkingtreding
                        voorziet, biedt <onderstreept>artikel 142 Gemeentewet </onderstreept> een
                        vangnet: de inwerkingtreding is dan de achtste dag na die van de
                        bekendmaking.</al><al/><al>Zeker als een belasting wordt ingevoerd is een reële termijn tussen
                        bekendmaking en inwerkingtreding van de belastingverordening noodzakelijk om
                        een goede uitvoering daarvan mogelijk te maken. De datum van
                        inwerkingtreding moet zodanig worden vastgesteld, dat niet alleen de
                        heffings- en invorderingsambtenaar de nodige voorbereidingshandelingen
                        kunnen treffen, maar ook de toekomstige belastingplichtigen de gelegenheid
                        hebben om tijdig kennis te nemen van de nieuwe verordening.</al><al/><al><vet>Bekendmaking</vet></al><al/><al>Bekendmaking geschiedt door plaatsing van de integrale tekst van het besluit
                        tot vaststelling of wijziging van de belastingverordening in het
                        gemeenteblad of als een gemeenteblad ontbreekt (sinds 1 januari 2010) door
                        terinzagelegging gedurende twaalf weken op de gemeentesecretarie of een
                        andere door het college bepaalde plaats. Van die terinzagelegging moet
                        mededeling worden gedaan in een plaatselijk verschijnend dag-, nieuws- of
                        huis-aan-huisblad <onderstreept>(artikel 139, tweede lid, Gemeentewet
                        </onderstreept>). Met deze bepaling heeft de wetgever de jurisprudentie van
                        de Hoge Raad over de bekendmaking van belastingverordeningen gecodificeerd.
                        Zie:</al><al/><al>• Hoge Raad 24 december 1997, nrs. 31643 (Albrandswaard), 32325 (Velsen) en
                        32569, Belastingblad 1998, blz. 146, 148 en 320: de gemeente moet aan de
                        burger, in bijvoorbeeld een huis-aan-huisblad, meedelen dat de tekst van een
                        bepaald besluit tot vaststelling of wijziging van de belastingverordening
                        verkrijgbaar is en (kosteloos) ter inzage ligt bij de gemeente;</al><al/><al>• Hoge Raad 28 maart 2001, nr. 35954, LJN:AB0763, Belastingblad 2001, blz.
                        467, en nr. 35949, LJN:AR5974 (Alkmaar): deze wijze van
                        mededeling/publicatie in bijv. een huis-aan-huisblad geldt niet als de tekst
                        van de belastingverordening in het gemeenteblad is opgenomen. Naar de
                        bedoeling van de wetgever is met opneming van de integrale tekst van
                        verordeningen en besluiten in het gemeenteblad voldaan aan het vereiste van
                        bekendmaking in een externe, met het Staatsblad of Provincieblad
                        vergelijkbare publicatie, hoewel daarnaast bekendmaking via andere media
                        onder omstandigheden door de wetgever wenselijk werd geacht.</al><al/><al>De enige eisen die voor een gemeenteblad gelden, zijn een register en een
                        nummering voor de overzichtelijkheid. Gemeentebesturen zijn voor het overige
                        volledig vrij in de wijze waarop zij het gemeenteblad vormgeven en uitvoeren
                        en in de frequentie van de verschijning ervan. De editie van het
                        gemeenteblad waarin de verordening is geplaatst, moet algemeen verkrijgbaar
                        zijn, dat wil zeggen in het algemeen voor het nemen van inzage en het
                        verkrijgen van een exemplaar of een afschrift voor de burgers beschikbaar
                        zijn. Dit behoeft niet kosteloos te geschieden. Legesheffing is mogelijk ter
                        bestrijding van de kosten voor het maken van een afschrift.</al><al/><al>Het gemeenteblad kan ook elektronisch worden uitgegeven
                            (<onderstreept>artikel 139,derde lid, Gemeentewet</onderstreept>). Vanaf
                        een nog nader te bepalen moment moet bekendmaking plaatsvinden in het
                        gemeenteblad en moet dat gemeenteblad elektronisch op een algemeen
                        toegankelijke wijze worden uitgegeven (Wet elektronische bekendmaking, Stb.
                        2008, 551). De Wet elektronische bekendmaking geeft niet alleen de
                        mogelijkheid om regelgeving elektronisch bekend te maken, maar zij legt ook
                        de verplichting op om doorlopende (‘geconsolideerde’) teksten van
                        verordeningen en keuren op het internet beschikbaar te stellen (nieuw
                            <onderstreept>artikel 140 Gemeentewet)</onderstreept>. Door de
                        beschikbaarstelling van doorlopende teksten van regelgeving krijgt de burger
                        niet alleen toegang tot de bekendmaking van nieuwe regels, maar ook tot een
                        volledig overzicht van alle op enig moment geldende voorschriften. Er is wat
                        dat betreft een belangrijk onderscheid tussen bekendmaking (als voorwaarde
                        voor inwerkingtreding) en andere vormen van kennisgeving, waaronder het
                        beschikbaar houden van geconsolideerde teksten, die niet van belang zijn
                        voor de inwerkingtreding, maar wel voor de verspreiding en de
                        toegankelijkheid van de betrokken teksten. De Regeling elektronische
                        bekendmaking en beschikbaarstelling regelgeving decentrale overheden
                        verplicht provincies, gemeenten en waterschappen de geconsolideerde teksten
                        op internet beschikbaar te stellen overeenkomstig het
                        Internetpublicatiemodel Decentrale Regelgeving. Dit betekent onder meer dat
                        geconsolideerde regelingen ter beschikking worden gesteld aan de door het
                        ministerie van BZK in het leven geroepen Centrale Voorziening voor
                        Decentrale Regelgeving (CVDR).</al><al/><al>Het verdient aanbeveling ook een mededeling in een huis-aan-huisblad op te
                        nemen. Een dergelijke mededeling zou als volgt kunnen luiden:</al><al/><al>Burgemeester en wethouders delen mee dat de raad van de gemeente
                        &lt;gemeentenaam&gt; op &lt;datum&gt; heeft vastgesteld &lt;naam
                        (wijzigings)verordening&gt;. De &lt;naam (wijzigings)verordening&gt; treedt
                        in werking op de &lt;achtste&gt; dag na de datum zoals vermeld op dit blad.
                        [Het besluit is opgenomen in het gemeenteblad op &lt;datum&gt;, onder nummer
                        &lt;getal&gt;.] De &lt;naam (wijzigings)verordening&gt; ligt kosteloos ter
                        inzage op &lt;de gemeentesecretarie of een andere door het college te
                        bepalen plaats&gt;. Een ieder kan op verzoek &lt;tegen betaling van een
                        bedrag aan leges of gratis&gt; een afschrift verkrijgen van het genoemde
                        besluit.</al><al/><al>Als er geen gemeenteblad is en dus bekendmaking in een dag-, nieuws- of
                        huis-aan-huisblad moet plaatsvinden en de publicatie op verschillende data
                        en/of in meerdere huis-aan-huisbladen geschiedt, moet de tekst hierop
                        aangepast te worden om te vermijden dat er verschillende
                        inwerkingtredingsdata ontstaan. Geadviseerd wordt om in dat geval de
                        hierboven vermelde tekstsuggestie te hanteren voor de eerste publicatie en
                        in latere publicaties de tweede volzin als volgt te herschrijven:</al><al/><al>‘De &lt;naam van de (wijzigings)verordening&gt; treedt in werking (is in
                        werking getreden) op &lt;datum&gt;.’ De datum van inwerkingtreding kan
                        hierbij afgeleid worden uit de eerste publicatie. Voorbeeld: de bekendmaking
                        is voor de eerste keer gepubliceerd in een huis-aan-huisblad d.d. 18 januari
                        2011 en treedt dus in werking op (bijvoorbeeld) de achtste dag daarna, 26
                        januari 2011. In latere publicatie kan 26 januari 2011 als datum van
                        inwerkingtreding worden vermeld.</al><al/><al>Op grond van artikel 142 van de Gemeentewet treedt het bekend gemaakte
                        besluit in werking met ingang van de achtste dag na de dag van de
                        bekendmaking, tenzij in de verordening een ander tijdstip is aangegeven
                        (vroeger of later). De datum van inwerkingtreding van een
                        belastingverordening mag echter niet liggen voor de vaststelling én
                        bekendmaking ervan.</al><al/><al>Het feit dat de belastingverordening pas in werking treedt na bekendmaking,
                        houdt slechts in dat de gemeente vóór dat tijdstip geen belastingaanslagen
                        kan opleggen. De aanslagen kunnen echter wel betrekking hebben op de periode
                        vanaf de datum van ingang van de heffing. Een voorbeeld kan dit
                        toelichten.</al><al/><al>Op 4 november 2010 stelt de gemeenteraad de verordening vast met als datum
                        van inwerkingtreding de achtste dag na de bekendmaking en als tijdstip van
                        ingang van de heffing 1 januari 2011. De verordening wordt door de gemeente
                        bekendgemaakt op 18 januari 2011.</al><al/><al>De verordening treedt in werking op 26 januari 2011 (achtste dag na de dag
                        van bekendmaking). Vanaf dat moment kan de gemeente aanslagen opleggen. Deze
                        aanslagen kunnen echter betrekking hebben op de periode vanaf het tijdstip
                        van ingang van de heffing (in dit geval 1 januari 2011).</al><al/><al><vet>Datum ingang heffing</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 217 van de Gemeentewet</onderstreept>bepaalt dat een
                        belastingverordening een datum van ingang van de heffing moet vermelden. De
                        datum van ingang van de heffing geeft aan vanaf welke datum de in de
                        belastingverordening genoemde (belastbare) feiten in de heffing worden
                        betrokken. Ook bij het wijzigen van een verordening is het nodig om voor de
                        wijzigingsverordening te bepalen vanaf welk moment de (gewijzigde) heffing
                        wordt toegepast.</al><al/><al><vet>Citeertitel</vet></al><al>Een citeertitel vereenvoudigt de verwijzing naar een bepaalde verordening.
                        Wij hebben in de modelbepaling in de citeertitel een jaartal genoemd. Het
                        lijkt verstandig om als jaartal op te nemen het eerste jaar waarin de
                        gemeente de &lt;naam heffing&gt; op basis van deze verordening heft.</al><al/><al><vet>Ondertekening</vet></al><al/><al>Alle stukken die van de raad uitgaan, worden ondertekend door de
                        burgemeester (in zijn hoedanigheid van voorzitter) en medeondertekend door
                        de griffier <onderstreept>(artikel 32a Gemeentewet</onderstreept>). Bij
                        verhindering of ontstentenis van de burgemeester worden de stukken
                        ondertekend door degene die de burgemeester als voorzitter van de raad
                        vervangt (het langst zittende raadslid; <onderstreept>artikel
                            32a</onderstreept> jo. 77 <onderstreept>Gemeentewet).</onderstreept> Aan
                        het slot van het besluit tot vaststelling van de belastingverordening hebben
                        wij daarom als ondertekenaars ‘de voorzitter’ en ‘de griffier’ genoemd.</al><al/><al>Ten overvloede merken wij nog op dat de stukken die van het college uitgaan
                        worden ondertekend door de burgemeester en medeondertekend door de
                        secretaris (<onderstreept>artikel 59a, eerste lid,
                            Gemeentewet</onderstreept>).</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>