<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR34255_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Afstemmingsbeleid IOAW</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-07-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-05-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-07-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Afstemmingsbeleid IOAW</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> Gemeente Achtkarspelen</al><al> Gemeente Kollumerland c.a. </al><al>Verordening Afstemmingsbeleid IOAW</al><al/><al><vet>Afdeling Werk, Inkomen en Zorg</vet></al><al/><al><vet> Mei 2010</vet></al><al><vet>Gemeente Achtkarspelen en gemeente Kollumerland c.a.</vet></al><al>de Raad van de gemeente Achtkarspelen;</al><al>en </al><al>de Raad van de gemeente Kollumerland c.a.;</al><al>gelet op het bepaalde in artikel 35, lid 1, sub b en artikel 20, lid
                        2 van de Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk
                        Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers</al><al>overwegende dat moet worden vastgesteld in welke gevallen de
                        uitkering blijvend of tijdelijk moet worden geweigerd en voor voor
                        welke gedragingen de uitkering wordt verlaagd en op grond van welke
                        criteria de hoogte van die verlaging wordt bepaald;</al><al>besluiten</al><al>vast te stellen: </al><al>de Verordening Afstemmingsbeleid IOAW </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al> In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de IOAW: de Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk
                                    Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een
                                    besluit is betrokken (Algemene Wet Bestuursrecht) en welke in
                                    deze verordening ook wordt aangeduid met "hem";</al></li><li nr="c."><al>de uitkering: het verschil tussen het inkomen en de voor
                                    belanghebbende vastgestelde grondslag als bedoeld in artikel 5
                                    IOAW;</al></li><li nr="d."><al>de arbeidsinschakeling: het totaal van activiteiten van
                                    reïntegratiebedrijven en gemeenten op het gebied van de
                                    arbeidstoeleiding en arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="e."><al>het college: het college van Burgemeester en Wethouders van de
                                    gemeente Achtkarspelen óf de gemeente Kollumerland c.a.;</al></li><li nr="f."><al>de gemeenteraad: de gemeenteraad van de gemeente Achtkarspelen
                                    óf de gemeente Kollumerland c.a..</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Toepasbaarheid</titel></kop><al>Bij het geheel of tijdelijk weigeren van de uitkering als bedoeld in
                            artikel 20, lid 1 IOAW of het toepassen van een verlaging op de
                            uitkering als bedoeld in artikel 20, lid 2 van de IOAW worden de
                            bepalingen van deze verordening in acht genomen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Gedragingen die leiden tot blijvend of tijdelijk weigeren van de
                            uitkering en de afstemming naar de mate van verwijtbaarheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Gedragingen die leiden tot blijvend of tijdelijk weigeren van de
                                uitkering</titel></kop><al>De gedragingen bedoeld in artikel 20, lid 1 van de IOAW worden als
                            volgt onderscheiden:</al><lijst><li nr="1."><al>het krijgen van ontslag door eigen toedoen, waarbij
                                    belanghebbende een verwijt kan worden gemaakt.</al></li><li nr="2."><al>het zelf nemen van ontslag, waarbij geconstateerd wordt dat
                                    voortzetting van de dienstbetrekking mogelijk was geweest en dat
                                    dit redelijkerwijs van belanghebbende had mogen worden
                                    gevergd.</al></li><li nr="3."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid.</al></li><li nr="4."><al>het verrichten van te weinig acties richting de arbeidsmarkt,
                                    waardoor door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid
                                    wordt verkregen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Afstemming naar de mate van verwijtbaarheid</titel></kop><al>Indien een gedraging als bedoeld in artikel 3 als zeer ernstig
                            verwijtbaar wordt aangemerkt wordt de uitkering blijvend geweigerd. </al><al>Indien een gedraging als bedoeld in artikel 3 als ernstig verwijtbaar
                            wordt aangemerkt wordt de uitkering tijdelijk, voor de duur van maximaal
                            10 jaar geweigerd. </al><al>Indien een gedraging als bedoeld in artikel 3 als verwijtbaar wordt
                            aangemerkt wordt is de uitkering tijdelijk, voor de duur van maximaal 5
                            jaar geweigerd. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>De categorieën van verwijtbare gedragingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Categorieën van verwijtbare gedragingen</titel></kop><al>De gedragingen bedoeld in artikel 20, lid 2 van de IOAW worden
                            onderscheiden in de volgende categorieën:</al><al><vet>Hoofdstuk</vet></al><al/><lijst><li nr="1."><al>eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet als werkzoekende doen inschrijven bij UWV Werkbedrijf,
                            dan wel de inschrijving niet of niet tijdig doen verlengen;</al></li><li nr="b."><al>het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie die van
                            belang is voor de arbeidsinschakeling of het recht op uitkering hetgeen
                            niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                            verlenen van uitkering;</al></li><li nr="c."><al>het niet verstrekken van een geldig identificatiebewijs;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van
                                            informatie die van belang is voor de arbeidsinschakeling
                                            of het recht op uitkering hetgeen heeft geleid tot het
                                            ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                            uitkering tot een bedrag van € 2.000,00 netto;</al></li><li nr="b."><al>het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek
                                    naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>het niet verlenen van medewerking die redelijkerwijs nodig is
                                    voor de uitvoering van de IOAW;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen;</al></li><li nr="b."><al>het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie
                                    die van belang is voor de arbeidsinschakeling of het recht op
                                    hetgeen heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog
                                    bedrag verlenen van uitkering tot een bedrag van € 4.000,00 netto;</al></li><li nr="c."><al>het geen gebruik maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening, waaronder sociale activering, gericht op
                                    arbeidsinschakeling;</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>4. vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie
                                    die van belang is voor de arbeidsinschakeling of het recht op
                                    uitkering hetgeen heeft geleid tot het ten onrechte of tot een
                                    te hoog bedrag verlenen van uitkering tot een bedrag tussen €
                                    4.000,00 en € 10.000,00 netto.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Zeer ernstige misdragingen jegens het college als bedoeld in artikel 20,
                            lid 2 van de IOAW dienen, afhankelijk van de ernst, in het kader van
                            deze verordening te worden gezien als gedraging als bedoeld in artikel
                            5, lid 2, sub c van deze verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>De verlagingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Hoogte van de verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 20, lid 2 van de WWB wordt
                                vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de uitkering gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>tien procent van de uitkering gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>twintig procent van de uitkering gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de uitkering gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de vierde categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De periode van verlaging van de uitkering genoemd in het eerste lid
                                en afgestemd met inachtneming van artikel 8 van deze verordening
                                wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf
                                maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw
                                schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een
                                hogere categorie (recidive).</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Afstemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de vaststelling van de verlaging wordt een beoordeling gemaakt
                                van de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de
                                gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin
                                belanghebbende verkeert.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van de afstemming van de verlaging van de uitkering op
                                de mate van verwijtbaarheid geldt het volgende:</al><lijst><li nr="a)"><al>indien een gedraging als verwijtbaar wordt aangemerkt wordt
                                        de periode van verlaging vastgesteld op een maand.</al></li><li nr="b)"><al>indien een gedraging als ernstig verwijtbaar wordt
                                        aangemerkt wordt de periode van verlaging vastgesteld op
                                        twee maanden.</al></li><li nr="c)"><al>indien een gedraging als zeer ernstig verwijtbaar wordt
                                        aangemerkt wordt de periode van verlaging vastgesteld op
                                        drie maanden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het feitelijk onmogelijk is om de verlaging over twee of drie
                                maanden, als bedoeld in voorgaand lid, toe te passen, wordt ter
                                vervanging daarvan de verlaging over één maand verdubbeld, danwel
                                verdrievoudigd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de toepassing van voorgaande leden dient artikel 12 van deze
                                verordening in beschouwing te worden genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Dringende redenen</titel></kop><al>Indien er dringende redenen aanwezig zijn kan worden afgezien van het
                            toepassen van een verlaging als bedoeld in artikel 20, lid 2 van de
                            IOAW. Hiervan wordt de belanghebbende schriftelijk op de hoogte gesteld.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
                                    de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
                                    brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien:</al><lijst><li nr="a)"><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b)"><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                            zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of
                            omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c)"><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college
                            of van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 34, lid
                            3 IOAW werkzaamheden heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                            inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 13, lid 1 van de
                            IOAW; </al></li><li nr="d)"><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de
                            ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Besluit tot verlaging</titel></kop><al>Het besluit tot verlaging dient belanghebbende bij beschikking
                            onverwijld na het constateren van de verwijtbare gedraging te worden
                            toegezonden. Hierin dient in ieder geval te worden vermeld: de reden van
                            de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage van de verlaging,
                            het bedrag van de verlaging en, indien van toepassing, de reden om af te
                            wijken van de standaardverlaging. Overigens dienen hierbij de Algemene
                            Beginselen van Behoorlijk Bestuur in acht te worden genomen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging wordt, voor zover mogelijk, in principe opgelegd
                                    met ingang van de kalendermaand waarin de verwijtbare gedraging
                                    is geconstateerd. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                    geldende uitkering.</al></li><li nr="2."><al>Indien de verlaging niet conform het eerste lid kan plaatsvinden
                                    wordt de verlaging opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend
                            op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de verlaging aan de
                            belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die
                            maand geldende uitkering. </al></li><li nr="3."><al>Indien oplegging van de verlaging niet conform het eerste en het
                            tweede lid kan plaatsvinden kan de verlaging met terugwerkende kracht
                            met toepassing van artikel 17, lid 3 IOAW worden opgelegd, voor zover
                            het verwijtbaar gedrag, dat tot de verlaging heeft geleid, in deze
                            periode heeft plaatsgevonden. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die
                            maand(en) geldende uitkering.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Cumulatie</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende verwijtbare gedragingen, dan vindt voor het bepalen van de
                            hoogte en duur van de verlagingen cumulatie plaats. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is belast met de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin
                                deze verordening niet voorziet, beslist het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><al> Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening
                            Afstemmingsbeleid IOAW. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2010. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de Raad van de gemeente
                        Achtkarspelen op en de openbare vergadering van de Raad van de gemeente
                        Kollumerland c.a. op </ondertekening><ondertekening>De Raden voornoemd, </ondertekening><ondertekening>de Raadsgriffier, de Voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr. R. van der Heide T.J. van der Zwan</ondertekening><ondertekening>de Raadsgriffier, de Voorzitter, </ondertekening><ondertekening>mw. N.A Ynema B. Bilker</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop>Toelichting Verordening Afstemmingsbeleid IOAW </tussenkop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>Op 1 januari 2010 is de Wet tot Bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening
                    aan gemeenten in werking getreden. Door deze wet worden de financiële middelen
                    ter uitvoering van de IOAW, de IOAZ de WWIK en de kosten van levensonderhoud
                    voor startende ondernemersuit het Bbz 2004 gebundeld met het I-deel
                    uit de WWB. </al><al>Met deze bundeling van de financiële middelen wordt ook de gemeentelijke
                    financiële verantwoordelijkheid voor de IOAW, de IOAZ, de WWIK en het Bbz 2004,
                    voor zover het de kosten van levensonderhoud voor startende ondernemers betreft,
                    gelijkgetrokken met de WWB. Dat houdt ook in dat de bestaande bevoegdheid tot
                    het opleggen van boeten en maatregelen in de betreffende regelingen wordt
                    vervangen door een bevoegdheid tot afstemmen op basis van een gemeentelijke
                    afstemmingsverordening. </al><al>De gemeenteraad dient dan ook zelf een "afstemmingsverordening" dient vast te
                    stellen. Aangezien onze gemeenten de WWIK niet uitvoeren en de
                    zelfstandigenregelingen Bbz 2004 en de IOAZ voor ons door de gemeente Leeuwarden
                    worden uitgevoerd, hoeft deze afstemmingsverordening alleen voor de IOAW te
                    gelden.</al><al>Om te voorkomen dat het wiel opnieuw wordt uitgevonden is bij het ontwerpen van
                    de Verordening Afstemmingsbeleid IOAW uitgegaan van de Verordening
                    afstemmingsbeleid WWB en WIJ en is hier zoveel mogelijk bij aangesloten. Omdat
                    de IOAW echter een geheel andere regeling is dan de WWB en de WIJ (de IOAW is
                    veel meer een werkloosheidsregeling met duidelijke WW-kenmerken, zoals
                    bijvoorbeeld een begrip als “blijvende weigering”) is er ditmaal bewust voor
                    gekozen een afzonderlijke verordening te maken en het beleid niet binnen de
                    bestaande afstemmingsverordening te integreren. </al><al>Uiteraard kent de IOAW ook weer kenmerken van een minimum-regeling, waardoor de
                    omschrijvingen van sommige gedragingen en de verlagingen die er aan gekoppeld
                    zijn, zoveel mogelijk aansluiten bij diegenen uit het WWB- en WIJ-beleid. </al><al>En natuurlijk is, teneinde de kwaliteit van de besluiten tot verlaging van de
                    uitkering te bevorderen, door de opneming van een afzonderlijk artikel aan de
                    gemeente nog eens extra de verplichting opgelegd om de besluiten te laten
                    voldoen aan de Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur. </al><tussenkop>Toelichting per artikel</tussenkop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>Ten aanzien van de begrippen die in de verordening worden gebruikt is
                    aansluiting gezocht bij wettelijke omschrijvingen. Voorts is aan aanvullende,
                    voor de uitvoering van de Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk
                    Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers belangrijke, begrippen een eigen
                    omschrijving gegeven. </al><al>a.de IOAW:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>b.de belanghebbende:</al><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><al>c.de uitkering:</al><al>Met deze omschrijving wordt aangesloten bij het begrip zoals dat in de IOAW naar
                    voren komt. </al><al>d.de arbeidsinschakeling:</al><al>Door deze omschrijving wordt bereikt dat de arbeidsinschakeling zo ruim mogelijk
                    wordt opgenomen. Hierdoor wordt eveneens bereikt dat de mogelijkheid wordt
                    geschapen dat ook de gemaakte kosten in de breedste zin van het woord kunnen
                    worden opgevat.</al><al>e.het college:</al><al>In deze omschrijving worden uitdrukkelijk de colleges van Burgemeester en
                    Wethouders van beide gemeenten bedoeld. Dit is van belang gezien de vorm van
                    samenwerking, zoals die ten aanzien van de afdeling Werk, Inkomen en Zorg
                    bestaat.</al><al>f.de gemeenteraad:</al><al>In deze omschrijving worden uitdrukkelijk de gemeenteraden van beide gemeenten
                    bedoeld. Dit is van belang gezien de vorm van samenwerking, zoals die ten
                    aanzien van de afdeling Werk, Inkomen en Zorg bestaat.</al><tussenkop>Artikel 2</tussenkop><al>Dit artikel geeft aan dat de Verordening Afstemmingsbeleid IOAW de uitwerking is
                    van de in artikel 35, lid 1, sub b aan de gemeenteraad gegeven opdracht. </al><tussenkop>Artikel 3</tussenkop><al>Dit artikel beschrijft de gedragingen zoals die voorkomen in het eerste lid van
                    artikel 20 IOAW, te weten: </al><lijst><li nr="-"><al>het krijgen van ontslag door eigen toedoen, waarbij belanghebbende een
                            verwijt kan worden gemaakt;</al></li><li nr="-"><al>het zelf nemen van ontslag, terwijl de dienstbetrekking zonder problemen
                            had kunnen voortduren;</al></li><li nr="-"><al>het niet aanvaarden van algemeen geacepteerde arbeid;</al></li><li nr="-"><al>het verrichten van te weinig acties richting arbeidsmarkt, waardoor door
                            eigen toedoen geen algemeen geacccpeteerde arbeid wordt verkregen.</al></li></lijst><al>Hoewel uit dit artikellid niet blijkt dat de hieromschreven verwijtbare
                    gedragingen in een gemeentelijke verordening nader moeten worden omschreven,
                    blijkt uit artikel 35, lid 1, sub b IOAW dat dit wel degelijk de bedoeling is
                    geweest van de wetgever. Vandaar dat in deze verordening een apart hoofdstuk aan
                    deze, specifiek voor werkloosheidswetten geldende gedragingen is gewijd. </al><tussenkop>Artikel 4</tussenkop><al>Hoewel in de IOAW nergens een bepaling is opgenomen dat een op te leggen
                    verlaging moet worden getoetst aan de mate van verwijtbaarheid lijkt dat vanwege
                    het feit dat het opleggen van verlagingen een facultatieve bevoegdheid is van
                    het college en het ook nog eens zo is dat er een afweging moet worden gemaakt of
                    de weigering blijvend of tijdelijk moet zijn, lijkt het aangewezen om de
                    verlagingsduur te koppelen aan de mate van verwijtbaarheid. Zoals gebruikelijk
                    is een verdeling gemaakt in “zeer ernstig verwijtbaar, ernstig verwijtbaar en
                    verwijtbaar”. De genoemde periodes waarover de verlaging kan gelden van
                    respectievelijk “blijvend, maximaal 10 jaar of maximaal 5 jaar” zouden als fors
                    kunnen overkomen, maar daarbij moet wel worden bedacht dat het recht op IOAW
                    alleen kan bestaan als de belanghebbende tussen 50 en 65 jaar is. Een blijvende
                    weigering houdt dus maximaal 15 jaar in en de tijdelijke weigering moet daarmee
                    wel in verhouding staan. Daarnaast bestaat natuurlijk altijd de mogelijkheid om
                    de verlaging naar beneden bij te stellen, desnoods via artikel 14, lid 2 van
                    deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 5 </tussenkop><al>In dit artikel is een inventarisatie van alle verplichtingen die in de IOAW
                    opgenomen, die zijn vertaald naar verwijtbare gedragingen. Opvallend is dat de
                    typische “ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid-gedragingen”, die wij
                    kennen vanuit de WWB, ontbreken. Dit heeft te maken met het geheel andere
                    karakter van de IOAW. </al><al>De aldus ontstane verzameling verwijtbare gedragingen is vervolgens zo logisch
                    mogelijk in verschillende categorieën ondergebracht: </al><tussenkop>(eerste categorie)</tussenkop><tussenkop>"a. het zich niet als werkzoekende doen inschrijven bij UWV Werkbedrijf,
                    dan wel de inschrijving niet of niet tijdig doen verlengen" vloeit voort uit de
                    plicht tot arbeidsinschakeling ex artikel 37 van de IOAW. </tussenkop><tussenkop>"b. het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie die
                    van belang is voor de arbeidsinschakeling of het recht op uitkering hetgeen niet
                    heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                    uitkering" vloeit voort uit de inlichtingenplicht ex artikel 13 van de IOAW. </tussenkop><tussenkop>"c. het niet verstrekken van een geldig identificatiebewijs" vloeit voort
                    uit de identificatieplicht ex artikel 13 van de IOAW. </tussenkop><tussenkop>(tweede categorie)</tussenkop><tussenkop>"a. het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie die
                    van belang is voor de arbeidsinschakeling of het recht op uitkering hetgeen
                    heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                    uitkering tot een bedrag van € 2.000,00 netto" vloeit voort uit de
                    inlichtingenplicht ex artikel 13 van de IOAW. </tussenkop><tussenkop>"b. het niet dan wel in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling" vloeit voort uit de plicht tot
                    arbeidsinschakeling ex artikel 37 van de IOAW. </tussenkop><tussenkop>"c. het niet verlenen van medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de
                    uitvoering van de IOAW" vloeit voort uit de medewerkingplicht ex artikel 13 van
                    de WWB. </tussenkop><al>(derde categorie)</al><tussenkop>"a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                    verkrijgen" vloeit voort uit de plicht tot arbeidsinschakeling ex artikel 37 van
                    de IOAW. </tussenkop><al>"b. het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie die van
                    belang is voor de arbeidsinschakeling of het recht op uitkering hetgeen heeft
                    geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering tot
                    een bedrag van € 4.000,00 netto" vloeit voort uit de inlichtingenplicht ex
                    artikel 13 van de IOAW.</al><tussenkop>"c. het geen gebruik maken van een door het college aangeboden
                    voorziening, waaronder sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling"
                    vloeit eveneens voort uit de plicht tot arbeidsinschakeling ex artikel 37 van de
                    IOAW. </tussenkop><al>(vierde categorie)</al><al>"a. het niet binnen de gestelde termijn verstrekken van informatie die van
                    belang is voor de arbeidsinschakeling of het recht op uitkering hetgeen heeft
                    geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering tot
                    een bedrag tussen € 4.000,00 en </al><al>€ 10.000,00 netto" vloeit voort uit de inlichtingenplicht ex artikel 13 van de
                    IOAW. Voorts wordt hiermee aangesloten bij de afspraak met het Openbaar
                    Ministerie dat bij fraude die meer bedraagt dan € 10.000,00 netto aangifte
                    plaatsvindt bij de Officier van Justitie. </al><al>Gedragingen als “het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid” of “het
                    door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking” komen hier niet
                    terug, aangezien voor dit soort gedragingen in artikel 3 van deze verordening
                    een eigen verlagings-systematiek is opgenomen. </al><tussenkop>Artikel 6</tussenkop><al>Net als in de WWB is voor ook in de IOAW opgenomen dat het "zeer ernstig
                    misdragen jegens het college" reden is voor het toepassen van een verlaging. Er
                    moet dan wel een direct verband bestaan tussen geweld en uitkering. Omdat moet
                    worden vastgesteld dat het een ondoenlijke zaak is om alle zeer ernstige
                    misdragingen nader te omschrijven en dit bij de afdeling Werk, Inkomen en Zorg
                    slechts zeer zelden plaatsvindt, is in dit artikel er voor gekozen om een
                    incidenteel geval van een zeer ernstige misdraging op te vatten als een
                    schending van de verplichting om alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs
                    nodig is voor de uitvoering van de IOAW (artikel 5, lid 2, sub c (tweede
                    categorie)), welke gedraging met inachtneming van artikel 8 nog eens nader op de
                    ernst van de gedraging kan worden afgestemd. Hierbij moet een onderscheid worden
                    gemaakt in instrumenteel geweld (geweld om een bepaald doel te bereiken) en
                    frustratiegeweld (geweld uit onmacht, ontevredenheid en dergelijke). Het is
                    duidelijk dat de verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is
                    dan bij frustratiegeweld. Voorkomen moet worden dat het toepassen van een
                    dergelijke verlaging vervolgens nog weer meer ongepast gedrag uitlokt.</al><tussenkop>Artikel 7</tussenkop><al>Dit artikel vormt de basis voor de vaststelling van de verlaging, onverlet de
                    nadere afstemming van artikel 8. In het tweede lid worden de gevolgen van
                    recidive (herhaling van het verwijtbare gedrag) beschreven. </al><tussenkop>Artikel 8</tussenkop><al>Dit artikel is een nadere uitwerking van het individualiseringsbeginsel, dat ook
                    voor het toepassen van verlagingen geldt. De tekst is overgenomen van de
                    Verordening afstemmingsbeleid WWB en WIJ. In lid 2 is ten aanzien van de
                    beoordeling van de mate van verwijtbaarheid een nadere aanwijzing gegeven. Het
                    derde lid is een ontsnappingsclausule wanneer er sprake is van ontoereikend
                    aantal maanden waarop een verlaging kan worden toegepast. In die situatie kan er
                    voor worden gekozen de verlaging over de "beschikbare" maand te verdubbelen of
                    te verdrievoudigen. Ook wordt in dit artikel uitdrukkelijk verwezen naar artikel
                    12 van deze verordening omdat voorkomen moet worden dat er verlagingen worden
                    toegepast op maanden waarin geen sprake is geweest van verwijtbare gedragingen. </al><tussenkop>Artikel 9</tussenkop><al>Evenals het kunnen afstemmen van de verlaging, zoals bedoeld in artikel 8, dient
                    in het kader van de individualisering tevens de mogelijkheid te worden ingebouwd
                    om op grond van dringende redenen te kunnen afzien van het toepassen van een
                    verlaging.</al><tussenkop>Artikel 10</tussenkop><al>Vanuit een oogpunt van zorgvuldige besluitvoorbereiding is het goed om, alvorens
                    de negatieve beschikking te versturen, belanghebbende in de gelegenheid te
                    stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen. Tevens worden in dit artikel
                    de gronden genoemd, op basis waarvan van het horen van belanghebbende kan worden
                    afgezien. </al><tussenkop>Artikel 11</tussenkop><al>Het is in het kader van "Lik op stuk", maar evenzeer in het kader van de
                    Algemene Beginselen van Behoorlijk Bestuur, van belang dat belanghebbende zo
                    spoedig mogelijk in kennis wordt gesteld van de gevolgen van zijn verwijtbare
                    handelen. Aangezien het hier gaat om een (hernieuwde) vaststelling van het recht
                    op uitkering, wordt een verlaging bij beschikking medegedeeld. Uiteraard dient
                    het besluit en de daaruit voortvloeiende beschikking te voldoen aan de Algemene
                    beginselen van Behoorlijk Bestuur. </al><tussenkop>Artikel 12</tussenkop><al>Bij het toepassen van verlagingen wordt het Lik op Stuk-principe toegepast. Dat
                    betekent dat verlagingen, voor zover dat wettelijk mogelijk is, in principe
                    worden toegepast op de maand waarin het verwijtbare handelen is geconstateerd.
                    Indien dit op belemmeringen stuit wordt de verlaging toegepast op de daarop
                    volgende maand. In het derde lid is bepaald dat wanneer het voorgaande niet
                    mogelijk is, bijvoorbeeld doordat de uitkering reeds is beëindigd, dit ook door
                    middel van herziening (en terugvordering) van de uitkering kan worden bereikt.
                    De beperking die hier geldt is dat er over de maanden waarin geen sprake was van
                    verwijtbaar handelen ook geen verlaging mogelijk is. </al><tussenkop>Artikel 13</tussenkop><al>Dit artikel bepaalt dat een samenloop van verschillende verwijtbare gedragingen
                    er toe leidt dat de percentages van de verlagingen in principe bij elkaar worden
                    opgeteld. Natuurlijk kan door gebruik te maken van artikel 8 een nadere
                    afstemming plaatsvinden. </al><tussenkop>Artikel 14</tussenkop><al>De uitvoering van de IOAW berust bij Burgemeester en Wethouders. Zij kunnen deze
                    bevoegdheid overeenkomstig hetgeen hierover in de wet is geregeld vervolgens
                    mandateren aan ambtenaren. Het tweede lid voorziet in de bevoegdheid om in
                    individuele gevallen af te wijken van het in de verordening bepaalde.</al><tussenkop>Artikel 15</tussenkop><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al><tussenkop>Artikel 16</tussenkop><al>Deze omschrijving behoeft geen nadere toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>